A - 31 Grond en Ontwikkeling (22) Bijlage 4a Beleidskader Bodem Omgevingswet
Tekst van het document
2.2 Vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) Doel van het vooronderzoek is nagaan of er sprake is van een verdachte locatie. Een locatie is verdacht als er aanwijzingen zijn voor een locatiegebonden bodemverontreiniging (puntbron), waardoor de bodemkwaliteit mogelijk afwijkt van de diffuse bodemkwaliteit zoals deze is weergegeven op de bodemkwaliteitskaart. In de ARVO is een uitgebreide omschrijving opgenomen van het vooronderzoek. Een vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) als invulling van de NEN5725 is toegestaan als een locatie is ingedeeld in een zone van de bodemkwaliteitskaart en het vereenvoudigd vooronderzoek uitwijst dat de bodemkwali teitskaartzone representatief is voor de locatie.
Wanneer echter sprake is van een puntbron of de ver denking hierop wordt - aanvullend op het vereenvoudigd vooronderzoek - een uitgebreid vooronderzoek volgens de ARVO uitgevoerd.
Voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij de activiteiten graven, saneren, bouwen of toepassen is een vooronderzoek naar eventuele puntbronnen verplicht. Hierbij wordt er gekeken of er aanvullende gegevens bestaan over een brongerelateerde verontreiniging op de plek van de ont graving/herkomstlocatie. Zo nee, dan is de ontgraving/her komstlocatie ‘niet verdacht’ en mag worden aangenomen de kwaliteit van de bodem/bewuste partij grond overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven in de bodemkwa liteitskaart (het gemiddelde voor de ontvangende bodem en de P80-waarde10 voor de te ontgraven partij). Een uitgebreid vooronderzoek is niet nodig bij de volgende activiteiten (hier volstaat een vereenvoudigd vooronderzoek als geen puntbron of verdenking wordt geconstateerd): • Voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw, zie hoofdstuk 8; • MBA graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde, zie paragraaf 3.2; • MBA graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit boven de interventiewaarde, zie paragraaf 3.3; • Graven onder de regels voor kleinschalig graven (≤ 25 m3), zie paragraaf 3.4;
• MBA saneren in samenhang met bouwen of vrijwillige sanering, zie hoofdstuk 4; • MBA toepassen van grond uit BKK-zones 1, 2 of 3 of uit BKK-Openbare weg zones A, B of C binnen Amsterdam (met de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring, mits toepassing is toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix of met een partijkeuring), zie hoofdstuk 6.
2.3 Milieuverklaring bodemkwaliteit Het toepassen van grond of baggerspecie is een milieubelas tende activiteit volgens het Bal. Daarom moet de kwaliteit van deze materialen bekend zijn. Om de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie aan te tonen, moet degene die de partij grond of baggerspecie toepast, een bewijsmiddel hebben. Dit heet een 'milieuverklaring bodemkwaliteit’. Op grond van de Regeling bodemkwaliteit 2022 [Lit. 6] worden diverse soorten milieuverklaringen onderscheiden die kunnen worden afgegeven voor partijen grond en baggerspecie. Voor alle verklaringen geldt dat de indeling in een kwaliteitsklasse wordt beoogd. Er wordt onderscheid gemaakt in een milieuverklaring voor partijen grond en baggerspecie die worden ontgraven en/of toegepast en een milieuverklaring voor de ontvangende bodem (de bodemlocatie). Milieuverklaring voor toe te passen grond of baggerspecie Er zijn 5 typen milieuverklaring bodemkwaliteit om de kwaliteit van toe te passen grond of baggerspecie aan te tonen: 1. Milieuverklaring op grond van een partijkeuring voor grond of baggerspecie. Het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van een partijkeuring van een partij grond of baggerspecie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
Een verklaring op grond van een partijkeuring wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven als er voor die partij niet al een erkende kwaliteitsverklaring of een fabrikant-eigenverklaring is afgegeven. De grootte van een partij die in een partijkeuring wordt onderzocht, bedraagt ten hoogste 10.000 ton.
10 De P80-waarde (of 80-percentielwaarde) is de waarde waarbij 80 procent van de waarnemingen een waarde vertoont die onder die waarde ligt. De P80-waarde geeft een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit op een locatie dan alleen het gemiddelde van de waarnemingen. Daardoor treedt bij ontgraven minder snel ongewenste vermenging van schone en minder schone grond op.
20
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Bij asbestonderzoek wordt de concentratie asbest bepaald volgens NEN 5707, in dat geval bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij ten hoogste 2000 ton. 2. Milieuverklaring op grond van een bodemonderzoek Het afgeven van een verklaring op grond van een bodem onderzoek voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van bodemonderzoek op een ontgravingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.4 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. 3. Milieuverklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart Het afgeven van een verklaring op grond van een bodem kwaliteitskaart over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie die uit een onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven en het verrichten van een vooronderzoek op de bodemlocatie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. 4. Erkende kwaliteitsverklaring Het afgeven van erkende kwaliteitsverklaringen en het onderzoek ten behoeve van de erkenning van producenten die het recht hebben om voor door hen vervaardigde partijen grond of baggerspecie een erkende kwaliteits- verklaring af te geven vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. 5.
Fabrikant-eigenverklaring Het toelatingsonderzoek dat producenten het recht geeft om een fabrikant-eigenverklaring af te geven voor partijen van door hen vervaardigde grond of baggerspecie, vindt plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.7 van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
of baggerspecie wordt toegepast, en het verrichten van bodemonderzoek op die bodemlocatie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. In het bodemonderzoek wordt voor de te onderzoeken bodemlocatie onderzocht in welke kwaliteitsklasse de ontvangende bodem wordt ingedeeld. De ontvangende bodem op de onderzochte bodemlocatie wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen, industrie, matig verontreinigd of sterk verontreinigd. Deze indeling vindt plaats op grond van het rekenkundig gemiddelde van de in standaardbodem omgerekende concentraties van de onderzochte stoffen die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald. De ontvangende bodem wordt ingedeeld in de slechtste kwaliteitsklasse waarin een van de onderzochte stoffen is ingedeeld. 2. Verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart (Rbk art. 4.10.2a) Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden afgegeven als de bodemlocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart geldt die (ten hoogste vijf jaar eerder) is vastgesteld door het college van B&W van de betrokken gemeente. De bodemkwaliteitskaart (anders dan voor het gebiedsspecifieke beleid) valt niet onder het overgangsrecht, maar blijft geldig met als grondslag het Bbk.
Tevens mag het vooronderzoek geen reden hebben gegeven om aan te nemen dat de bodem in een andere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven voor het gebied waarin de bodemlocatie is gelegen.
Milieuverklaring voor de ontvangende bodem (bodemlocatie) Bij toepassingen op de landbodem is het soms noodzakelijk om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen. Dit is het geval wanneer de locatie in een gebied ligt waar voor geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld of wanneer de bodemkwaliteitskaart niet geldt. In dat geval is ook een milieuverklaring bodemkwaliteit van de ontvangende bodem nodig. Er zijn 2 milieuverklaringen bodemkwaliteit om de kwaliteit van ontvangende bodem aan te tonen: 1. Verklaring op grond van een bodemonderzoek (Rbk art. 4.10.2) Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek over de kwaliteit van de ontvangende bodem op de onderzochte bodemlocatie waarop grond
21
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
2.4 Bodemkwaliteitskaart als milieu verklaring bodemkwaliteit De bodemkwaliteitskaart behoudt onder de Omgevingswet haar belangrijke functie bij de uitvoering van het bodembe leid. Bij elke zone horen bijpassende eisen aan het grond verzet en aan de kwaliteit van de grond die er mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Zie Tabel 2.1a (BKK algemeen) en 2.1b (BKK Openbare weg) voor de indeling van de bodemkwaliteitskaart in zones.
Tabel 2.1a D e bodemkwaliteitszones BKK met aanwezige bodemfuncties, gemiddelde bodemkwaliteit (ontvangende bodem) en de kwaliteit bij ontgraven (gebaseerd op de 80-percentielwaarde (P80) van de lagen 0-0,5 m-mv, 0,5-1,0 m-mv, 1,0-2,0 m-mv en dieper dan 2,0 m-mv) Zone BKK
Voorkomende bodemfuncties
Gemiddelde kwaliteit zone (ontvangende bodem)
Kwaliteit bij ontgraven (P80)
1. Naoorlogse en jonge woonwijken, volkstuinparken, polders Osdorp, havengebied, Westpoort, landelijk gebied Weesp
Landbouw/natuur, Wonen, Industrie
0-0,5 m-mv:
landbouw/natuur
0-0,5 m-mv:
landbouw/natuur
0,5-1 m-mv:
landbouw/natuur
0,5-1 m-mv:
landbouw/natuur
1-2 m-mv:
landbouw/natuur
1-2 m-mv:
landbouw/natuur
> 2 m-mv:
landbouw/natuur
> 2 m-mv:
landbouw/natuur
0-0,5 m-mv:
wonen
0-0,5 m-mv:
wonen
0,5-1 m-mv:
wonen
0,5-1 m-mv:
wonen
1-2 m-mv:
wonen
1-2 m-mv:
wonen
> 2 m-mv:
landbouw/natuur
> 2 m-mv:
landbouw/natuur
0-0,5 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
industrie
0,5-1 m-mv:
industrie
0,5-1 m-mv:
industrie
1-2 m-mv:
industrie
1-2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
wonen
0-0,5 m-mv:
> interventiewaarde
0-0,5 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
> interventiewaarde
> 2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
> interventiewaarde
0-0,5 m-mv:
> interventiewaarde
0-0,5 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
> interventiewaarde
> 2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
> interventiewaarde
0-0,5 m-mv:
> industrie
0,5-1 m-mv:
> interventiewaarde
0,5-1 m-mv:
> industrie
1-2 m-mv:
> interventiewaarde
1-2 m-mv:
> industrie
> 2 m-mv:
> interventiewaarde
> 2 m-mv:
industrie
2. Naoorlogse woonwijken, volkstuin parken en delen landelijk gebied (Noord) en Zuidoost
Landbouw/natuur, Wonen, Industrie
3. Vooroorlogse woonwijken Noord, Bos en Lommer, de Baarsjes, Sloterdijk, lintbebouwing Osdorp en Weesp, Rivierenbuurt, Watergraafsmeer
Landbouw/natuur, Wonen, Industrie
4. Grachtengordel, oude binnenstad, Oostelijke Eilanden en Kadijken
Wonen, Industrie
5. Oude industriegebieden langs de IJ-oevers (oa NDSM-terrein), sport park de Schinkel, oude dorpskern en industriegebied Weesp
6. Oud-West, Oud-Zuid, de Pijp, Oost, Schinkel- en Hoofddorppleinbuurt, Nieuwendammerham en Schellingwoude, gebied Jollenpad
7. Brettenzone, delen Kadoelen, delen Overhoeks
22
|
Wonen, Industrie
Wonen, Industrie
Wonen, Industrie
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Tabel 2.1b D e bodemkwaliteitszones BKK Openbare weg met aanwezige bodemfuncties, gemiddelde bodemkwaliteit (ontvangende bodem) en de kwaliteit bij ontgraven (gebaseerd op de 80-percentiel waarde (P80) van de lagen 0-0,5 m-mv, 0,5-1,0 m-mv, 1,0-2,0 m-mv en dieper dan 2,0 m-mv) Zone BKK Openbare weg
Voorkomende bodemfuncties
Gemiddelde kwaliteit zone (ontvangende bodem)
Kwaliteit bij ontgraven (P80)
A. Naoorlogse wijken Nieuw-West, Buitenveldert, Zuidoost, IJburg, delen Noord, Watergraafsmeer en Weesp
Industrie
0-0,5 m-mv:
landbouw/natuur
0-0,5 m-mv:
landbouw/natuur
0,5-1 m-mv:
landbouw/natuur
0,5-1 m-mv:
landbouw/natuur
1-2 m-mv:
landbouw/natuur
1-2 m-mv:
landbouw/natuur
> 2 m-mv:
landbouw/natuur
> 2 m-mv:
landbouw/natuur
0-0,5 m-mv:
wonen
0-0,5 m-mv:
wonen
0,5-1 m-mv:
wonen
0,5-1 m-mv:
wonen
1-2 m-mv:
wonen
1-2 m-mv:
wonen
> 2 m-mv:
wonen
> 2 m-mv:
wonen
0-0,5 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
industrie
0,5-1 m-mv:
industrie
0,5-1 m-mv:
industrie
1-2 m-mv:
industrie
1-2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
wonen
> 2 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
industrie
0-0,5 m-mv:
industrie
0,5-1 m-mv:
industrie
0,5-1 m-mv:
industrie
1-2 m-mv:
industrie
1-2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
industrie
> 2 m-mv:
industrie
B. West, Oud-Zuid, naoorlogse gebieden Noord, Oostzanerwerf, delen Oost en Watergraafsmeer, Driemond
C. Vooroorlogse wijken Noord, Oud-Zuid, de Pijp, Westpoort, landelijk gebied Weesp
D. Grachtengordel en oude binnenstad, Oud-West, Staatsliedenbuurt, deel Nieuwendam, IJ-oevers, deel Kadoelen, landelijk Noord, Brettenzone, Sloten, oude kern Weesp
Industrie
Industrie
Industrie
Niet alle gebieden zijn ingedeeld in een zone. Dat komt bijvoorbeeld omdat er te weinig bodeminformatie beschikbaar is, of omdat het een bodemsaneringsgebied betreft waarvoor bijzondere voorwaarden (in een sanering/ nazorgplan) gelden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Volger meerpolder, de Diemerzeedijk, het Zeeburgereiland en de terreinen van de Westergasfabriek en Oostergasfabriek. Zie Bijlage 3 en 6 voor de kaarten. Milieuverklaring bodemkwaliteit In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat vermeld dat een milieuverklaring bodemkwaliteit nodig is om de kwaliteit van een toe te passen partij grond of baggerspecie en soms ook van de ontvangende bodem aan te tonen. De bodemkwaliteitskaart is één van de vijf typen milieu verklaringen bodemkwaliteit, die een toepasser kan gebruiken (zie paragraaf 2.3 voor nadere uitleg hierover). In de milieuverklaring zelf dient duidelijk de relatie tussen de bodemkwaliteitskaart en de toe te passen partij of de ontvangende bodem te worden gelegd.
Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij de milieubelastende activiteit Toepassen Het binnen Amsterdam ontgraven en toepassen van grond afkomstig uit zones op de bodemkwaliteitskaart met een kwaliteitsklasse (80-percentielwaarde) tot maximaal industrie (BKK-zones 1, 2 of 3 of uit BKK-Openbare weg zone A, B of C) is toegestaan met de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit11, mits de toepassing is toegestaan volgens de toepassingseisen op de locatie van toepassen. Zie hiervoor de toepassingseisen (Tabel 6.1) in paragraaf 6.5 of de BKK-toepassingsmatrix (Tabel 6.2) in paragraaf 6.8 van dit beleidskader. Het doen van een vereenvoudigd vooronderzoek op de ontgravingslocatie is voldoende. Er is geen partijkeuring nodig. Digitaal inzichtelijk maken van kwaliteitseisen en onderbouwing voor maatwerk Net zoals onder het oude generieke beleid van het Besluit bodemkwaliteit volgt uit artikel 4.1272 van het Bal dat de kwaliteitseisen voor een toepassing bepaald worden door de combinatie van de kwaliteitsklasse van de ontvangende
11 Voor BKK-openbare weg zone D geldt een uitzondering, de kwaliteit bij ontgraven (P80) voldoet aan klasse industrie, maar vanwege de hoge mate van heterogeniteit mag grond uit deze zone niet zonder partijkeuring hergebruikt worden. Zie verder paragraaf 3.3.
23
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
bodem én de bodemfunctieklasse van een gebied. De strengste klasse is bepalend voor de toepassingseis in een gebied. Daarop is maatwerk mogelijk door lokale waarden vast te stellen. Deze toepassingseisen zijn op een kaart weergegeven (toepassingskaart), die op termijn via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ontsloten zal worden, zodat voor iedereen zichtbaar is welke kwaliteitseisen per gebied gelden bij een voorgenomen toepassing van een partij grond of baggerspecie. De toepassingseisen voor Amsterdam staan in Tabel 6.1 in dit beleidskader. Grondslag voor andere beleidsafwegingen De bodemkwaliteitskaart kan ook nog steeds als basis dienen voor andere beleidsafwegingen, bijvoorbeeld bij het toetsen van een voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwen of bij de wijziging van een omgevingsplan. Zo kan bijvoorbeeld na een vooronderzoek naar voren komen dat in een bepaald gebied geen verdachte locaties voorkomen, dat de bodemkwaliteit al voldoende is onderzocht en van voldoende kwaliteit is voor de beoogde functie of voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw.
Onderdeel van vooronderzoek of voorinformatie Een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart is tevens te gebruiken als voorinformatie door initiatiefnemers bij bijvoorbeeld: • Het uitvoeren van de activiteiten graven en saneren van de bodem; • Het uitvoeren van een (op het vooronderzoek volgend) eindonderzoek (paragraaf 5.2.1 Bal) en het vaststellen van de eventuele herstelwaarde; • Het inschatten van de risico’s voor het veilig werken met of in verontreinigde bodem, grond of grondwater (Arbo/CROW publicatie 400 [Lit. 15]); • Het accepteren van partijen grond door BRL 9335 erkende organisaties; • Ter voorbereiding van de uitvoering van projecten, bijvoorbeeld als onderdeel van een aanbesteding.
24
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
2.5 Wanneer is welk bodemonderzoek noodzakelijk? Omdat het niet altijd duidelijk is of er een vereenvoudigd vooronderzoek of een verklaring op basis van de bodemkwa liteitskaart (als milieuverklaring bij toepassen) mag worden gehanteerd of dat er een verkennend bodemonderzoek (ARVO) of partijkeuring moet worden uitgevoerd, zijn de meest voorkomende scenario’s voor bouwen, graven, saneren en toepassen van grond op een rijtje gezet in Tabel 2.2 en Tabel 2.3. De zones waar in de tabel naar verwezen wordt, zijn de zones uit de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam.
Tabel 2.2 S cenario’s bij bouwen, graven en saneren, waarbij een vereenvoudigd vooronderzoek kan worden gebruikt als vooronderzoek en/of een verkennend bodemonderzoek (ARVO) moet worden uitgevoerd Scenario
Vereenvoudigd vooronderzoek (mits conclusie onverdacht)*
Verkennend bodemonderzoek (ARVO)
Aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen van bodemgevoelig gebouw in zone 1 en 2
Ja
Nee, behalve bij een puntbron*
Aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen van bodemgevoelig gebouw in zone 3 tot en met 7 en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens
Ja
Ja, ongeacht de uitkomst van het vooronderzoek
Graafwerk in BKK-zone 1, 2 of 3 of BKK-Openbare weg zone A, B of C
Ja
Nee, behalve bij een puntbron*
Graafwerk in BKK-zone 4 tot en met 7 of BKK-Openbare weg zone D
Ja
Ja
Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens
Ja
Ja
Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (grijze vlakken: sanerings- of nazorglocaties)
Maatwerk
Per geval bekijken (check tevens eventueel sanerings- of nazorgplan)
Graafwerk in een BKK-zone (niet zijnde een beschikte locatie ernst geen spoed)
Ja
Nee, behalve bij een puntbron*
Graafwerk op een beschikte locatie ernst - geen spoed
Ja
Nee, maar regime voor >I moet wel worden gevolgd
Graafwerk in BKK-Openbare weg zone D of in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens
Ja
Ja, of kiezen voor ‘worst-case scenario’: (regels kleinschalig graven > I volgen)
Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (grijze vlakken: sanerings- of nazorglocaties)
Maatwerk
Per geval bekijken (check tevens eventueel sanerings- of nazorgplan)
Indien samenhang met bouwen bodemgevoelig gebouw, zie boven bij bouwen
Zie bouwen bodemgevoelig gebouw bovenin deze tabel
Zie bouwen bodemgevoelig gebouw bovenin deze tabel
Overige verplichte saneringen**
(zie Omgevingsplan)
(zie Omgevingsplan)
Vrijwillig saneren (bijvoorbeeld lood in tuinen)
Ja
Ja (voor lood zie risicocheck ARVO)
Omgevingsvergunning bouwen bodemgevoelig gebouw
MBA Graven (> 25 m3)
Kleinschalig Graven (1-25 m3)
MBA Saneren
* Bij constatering van of verdenking op een puntbron wordt altijd eerst een aanvullend uitgebreid vooronderzoek volgens de ARVO uitgevoerd. ** Op moment van inwerkingtreding Omgevingswet zijn in het omgevingsplan (vooralsnog) geen andere verplichte saneringen opgenomen, naast saneringsplicht bij bodemgevoelig gebouw.
25
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Tabel 2.3 S cenario’s bij toepassen waarbij een milieuverklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt of een partijkeuring moet worden uitgevoerd. Scenario
Milieuverklaring op basis van de BKK mogelijk
Partijkeuring vereist (protocol 1001, art 4.3.3 Regeling bodemkwaliteit 2022)
Toepassen grond uit BKK-zone 1, 2 of 3 of BKK-Open bare weg zone A, B of C binnen Amsterdam, toepassing is wel toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix
Ja
Nee (toepassing met milieuverklaring op basis van BKK is toegestaan)
Toepassen grond uit BKK-zone 2 of 3 of BKK-Openbare weg zone B of C binnen Amsterdam, toepassing is niet toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix
Nee
Ja (daarna toets op toepasbaarheid)
Toepassen grond uit zones 4 tot en met 7
Nee
Ja (daarna toets op toepasbaarheid)
Toepassen grond uit BKK-Openbare weg zone D
Nee
Ja, bij toepassing elders (daarna toets op toepasbaarheid).
Toepassen grond afkomstig uit gebied binnen dijkring 44 (afwaterend op het Noordzeekanaal) naar niet-zoutbelaste gebieden
Ja, met aanvullend chloride-onderzoek (mits toepassing op basis van BKK sowieso is toegestaan)
-
Toepassen grond afkomstig uit een niet-vastgestelde BKK-zone (te weinig gegevens en/of grijze vlakken)
Nee
Ja (daarna toets op toepasbaarheid)
De ontvangende bodem valt niet in een vastgestelde BKK-zone (te weinig gegevens en/of grijze vlakken)
Nee Verkennend onderzoek (ARVO), bepalingen in sanerings-/nazorgplan (kwaliteitseis leeflaag) zijn leidend voor de vereiste kwaliteit van de toe te passen grond
-
Toepassen grond van buiten Amsterdam (Haarlemmermeer of AADUO *); Toepassing is toegestaan volgens toepassingseis
Ja
Nee (toepassing met milieuverklaring op basis van BKK is toegestaan)
Toepassen grond van buiten Amsterdam (Haarlemmermeer of AADUO *); Toepassing is niet toegestaan volgens toepassingseis
Nee
Ja (daarna toets op toepasbaarheid)
Toepassen grond van buiten Amsterdam (niet zijnde Haarlemmermeer of AADUO)
Nee
Ja (daarna toets op toepasbaarheid)
*
26
AADUO: Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel.
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Tabel 2.4 S cenario’s waarin een onverwachte situatie optreedt waarbij de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden en een bodemonderzoek (ARVO) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario
Milieuverklaring op basis van de BKK mogelijk
ARVO/NEN5740 onderzoek vereist
(protocol 1001, art. 4.3.3 Regeling bodemkwaliteit 2022)
Er is een verkennend bodemonderzoek (ARVO/ NEN 5740) uitgevoerd op de ontgravingsloca tie en de grond is van mindere kwaliteit dan de BKK-klasse.
Ja, indien uitkomst valt binnen de statistische variatie van de betreffende zone en beneden de interventiewaarde ligt.
-
-
Er is een verkennend bodemonderzoek (ARVO/ NEN 5740) uitgevoerd op de ontgravingslo catie en de vrijkomende grond is van betere kwaliteit dan de BKK-klasse, het voornemen is om deze grond elders toe te passen.
Ja, grond mag op basis van de BKK worden toegepast, niet op basis van het verkennend bodemonderzoek (BKK is hier de milieuhygiënische verklaring).
-
Ja, als de grond op basis van het ver kennend bodemonderzoek schoner is dan de BKK, is een partijkeuring nodig om een milieuhygiënische verklaring te verkrijgen en de betere kwaliteit te bekrachtigen.
Er is een partijkeuring uitgevoerd op de ontgravingslocatie en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse.
Nee
-
Partijkeuring is leidend.
Uit vooronderzoek op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie. Het voornemen is om de te ontgraven grond elders toe te passen.
Nee
-
Ja, verdachte stoffen meenemen (daarna toets op toepasbaarheid).
Uit vooronderzoek op de toepassingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie. Het voornemen is om elders ontgraven grond hier toe te passen.
Nee
Ja
-
Uit vooronderzoek op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie. Het voornemen is om de ontgraven grond (deels) af te voeren en niet elders toe te passen.
Nee
Ja
-
Tijdens graafwerk wordt een onverwachte verontreiniging aangetroffen (bijvoorbeeld asbest, minerale olie).
Deels (onverdachte deel).
Ja, op verdachte deel en gericht op de onver wachte verontreiniging
Nee
Voorbeeldscenario’s In Tabel 2.4 staat in diverse scenario’s beschreven welk onderzoek wordt uitgevoerd als er een onverwachte situatie optreedt en de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden als milieuverklaring bodemkwaliteit.
2.6 PFAS-onderzoek In het vooronderzoek wordt aandacht besteed aan PFAS. Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodem onderzoek naar PFAS uitgevoerd. Er is in ieder geval sprake van een reële verdenking als op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt, als er is gewerkt met PFAS-houdende producten of als het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding verontreinigd kan zijn met PFAS in gehalten boven de diffuse achtergrondwaarden. Het bodemonderzoek wordt in ieder geval gericht op de stoffen PFOS en PFOA. Dit
27
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Partijkeuring vereist
moet worden uitgebreid met andere stoffen uit de PFASgroep als er (op basis van het vooronderzoek) aanwijzingen zijn dat die stof(fen) in verhoogde gehalten in de bodem kunnen worden aangetroffen. Voorafgaand aan een geplande toepassing van grond (MBA Toepassen) kan de bodemkwaliteitskaart PFAS (de ACN-kaart, Achtergrondconcentratienorm-kaart en de ontgravingskaart) worden geraadpleegd. Zie hiervoor verder paragraaf 6.6 van dit beleidskader. De Beleidsregel PFAS Amsterdam 2023 [Lit. 16] geldt alleen nog voor locaties waar het overgangsrecht van toepassing is. Voor toepassen van PFAS-houdende grond geldt het landelijk Handelingskader [Lit. 26]. Voor saneren bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is in het omgevingsplan een waarde toelaatbare kwaliteit voor PFAS opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 8.3 van dit beleidskader.
2.7 Niet-genormeerde stoffen In bijlage IIA van het Bal zijn voor diverse stoffen norm waarden opgenomen bij de milieubelastende activiteiten, in instructieregels bij het bouwen op verontreinigde bodem en in de vorm van signaleringswaarden grondwaterkwaliteit. Voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie wordt verwezen naar de normwaarden (of kwaliteitseisen) die zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast zijn er stoffen, zoals nutriënten (fosfaat, nitraat), andere macroparameters (chloride) en verontreinigende stoffen die slechts incidenteel als bodemverontreiniging worden aangetroffen en waarvoor geen normwaarden zijn opgenomen. Dergelijke stoffen worden aangeduid als niet-genormeerde stoffen. Ook bij niet-genormeerde stoffen kan er sprake zijn van mogelijke (on)aanvaardbare risico’s en er zal met deze stoffen rekening moeten worden gehouden bij milieubelastende activiteiten en bij het beheer van het gebied. Waar nodig kan het bevoegd gezag zelf normen (laten) bepalen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van beschikbare kennis bij het RIVM, bijvoorbeeld een lijst Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s) beschikbaar in het normenzoeksysteem op de website van het RIVM (Normen | Risico's van stoffen - rivm.nl).
Voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen, met name gericht op incidenteel voorkomende stoffen is in bijlage 6 van de Circulaire bodemsanering [Lit. 17] een beschrijving opgenomen hoe hierbij te handelen. Deze beschrijving zal worden geactualiseerd en op een nader te bepalen wijze door het Rijk beschikbaar worden gesteld. Overigens heeft de initiatiefnemer die een activiteit verricht waarbij niet-genor meerde stoffen betrokken zijn, de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het voorzorgbeginsel heeft bij het uitvoeren van deze zorg plicht specifieke betekenis. Ook voor een niet-genormeerde stof betekent dit dat een belasting met deze stof voorkomen dient te worden. Indien stoffen worden aangetoond waarvoor in bijlage IIA van het Bal geen interventiewaarde bodemkwaliteit zijn vastgesteld, zijn deze stoffen dus niet bepalend voor de indeling in de milieubelastende activiteiten graven in de bodem beneden of boven de interventiewaarde bodemkwa liteit. De aanwezigheid van een niet genormeerde stof kan er dus niet toe leiden dat de regels voor de activiteit graven in bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn. Wel kan het bevoegd gezag indien gewenst maatwerkregels of -voorschriften vaststellen indien in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties niet genormeerde stoffen voorkomen.
Voor stoffen uit de PFAS-groep is dit
28
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
al uitgewerkt. Wanneer de PFAS-gehalten boven de INEV’s uitkomen gelden maatwerkregels bij graven (niet terugplaat sen na tijdelijke uitname) en saneren (niet herschikken onder de afdeklaag). Zeer Zorgwekkende stoffen Daarnaast is voor de omgang met (potentieel) zeer zorg wekkende stoffen (ZZS-en) aangekondigd dat samen met decentrale overheden een algemene methodiek zal worden opgesteld. Deze zogenoemde opkomende stoffen zijn stoffen die nog niet (wettelijk) genormeerd zijn en waarvan de schadelijkheid nog niet (volledig) is vastgesteld. Wat het beleid precies gaat inhouden kan van stof tot stof verschillen, maar uitgangspunt blijft dat de aanwezige ZZS-en geen onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu mogen opleveren. In dit proces zal bekeken worden hoe de algemene methodiek past binnen het stelsel van de Omgevingswet. Voor veel verontreinigende stoffen zijn normen vastgesteld, die laten zien of een aangetroffen stof in een bovennormaal gehalte aanwezig is, en of dat consequenties heeft. Dat geldt in ieder geval voor alle stoffen die in een standaard bodemonderzoek worden meegenomen. Toch zijn er veel meer stoffen waarvoor geen normen bestaan, en ook die niet-genormeerde stoffen komen in de bodem voor, vaak in combinatie met wel genormeerde stoffen.
Niet genormeerde stoffen worden zelden in een bodem onderzoek meegenomen en daarom is ook weinig bekend over de plaatsen waar deze stoffen voorkomen en in welke mate. Dat is niet altijd erg, omdat deze stoffen vaak in combinatie met genormeerde stoffen voorkomen. Als een standaard bodemonderzoek naar genormeerde stoffen uit wijst dat er geen risicovolle verontreinigingen zijn, dan mag veelal worden aangenomen dat er dus ook geen (risicovolle) verontreinigingen van niet-genormeerde stoffen zijn. Er zijn echter uitzonderingen, die we hieronder beschrijven. Diffuse verontreiniging Diffuse verontreinigingen strekken zich over grote gebieden uit, waar ze in meer of mindere mate voorkomen. Lood, koper en zink komen bijvoorbeeld veel voor in binnensteden, omdat ze daar in het verleden intensief zijn gebruikt en uitgestoten. Maar het komt ook voor dat stoffen van buiten het gebied, via luchtverontreiniging, in de bodem terecht zijn gekomen. Als zo’n stof diffuus wordt aangetroffen, dus zonder duidelijke bronlocatie, en er ook geen normen voor bestaan, dan kan er grote onduidelijkheid ontstaan. Dit laatste is de afgelopen jaren het geval geweest voor de stoffen PFOS en PFOA. Het ontbreken van een normenkader bleek een probleem voor bouwprojecten en grondwerk
omdat er geen standaard risicobeoordeling kon worden gedaan van de gemeten verontreiniging. Mogelijk zijn er meer van dergelijke stoffen, waarvan het voorkomen nog niet bekend is. De volgende stappen laten zien hoe Amsterdam daarmee omgaat: 1. Er lijkt sprake van een diffuse verontreiniging, op basis van een bodemonderzoek óf een vermoeden. 2. De risico-aspecten van de stof worden in beeld gebracht. In principe gebeurt dit in opdracht van de initiatiefnemer, maar als deze verontreiniging de initiatiefnemer niet aangerekend kan worden neemt de gemeente deze taak over. De gemeente doet een probleemanalyse, waarin de omvang van de problematiek en de risico-as pecten in kaart worden gebracht. Zo nodig wordt exper tise ingehuurd. De urgentie van de problematiek wordt doorlopend beoordeeld. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om snel maatregelen te nemen als er een groot risico bestaat als gevolg van de diffuse verontreiniging. 3. Hoewel de stof dus overal aanwezig kan zijn, hoeft de stof niet in alle andere bodemonderzoeken te worden meegenomen. Dat is immers de afgelopen decennia ook niet gedaan. Bovendien ontstaat dan stagnatie door het ontbreken van normen. 4. De gemeente maakt een beleidsmatige afweging hoe met de stof moet worden omgegaan.
Dat kan door het vaststellen van beleid en regels, maar de gemeente kan daar ook van afzien omdat de problematiek dat in haar ogen niet rechtvaardigt. In dat geval wordt geaccepteerd dat de stof in de bodem aanwezig is en wordt vrijstelling voor het uitvoeren van bodemonderzoek verleend.
29
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT GRAVEN IN BODEM 3.1 Rijksregels graven in bodem Graven is een veel voorkomende activiteit binnen de gemeente. Door te graven kunnen mensen in aanraking komen met ver ontreinigde grond waardoor risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan. De bodemkwaliteit verschilt echter per gebied. Door ontgraven kan verontreinigde grond verspreid worden, waardoor de bodem elders (meer) verontreinigd raakt en er risico’s ontstaan. Onder graven in de bodem vallen onder andere graafwerkzaamheden voor de aanleg van kabels en leidingen, maar ook grondverbetering, graven van watergangen of graven voor de bouw van een woning of een kantoor. De activiteit graven kan zelfstandig worden verricht of als onderdeel van andere milieubelastende activiteiten. Meestal wordt graafwerk door bedrijven uitgevoerd, maar op kleinere schaal ook door particulieren. De definitie van deze activiteit beperkt zich tot de landbodem. Wie graafwerk onder de milieubelastende activiteit Graven uitvoert is altijd verplicht zich aan de specifieke zorgplicht (art. 2.11 Bal) te houden. Om de volksgezondheid en de bodemkwaliteit te beschermen stelt het Rijk in het Bal algemene regels voor de ‘milieubelas tende activiteit’ (MBA) graven in de bodem bij een omvang van meer dan 25 m3 grondverzet.
De basisregels in het Bal voor graven hebben betrekking op het doen van bodemonderzoek (vooronderzoek en indien noodzakelijk verkennend en/of nader (asbest)bodemonder zoek), het gescheiden houden van grond, de tijdelijke uitname van grond, de tijdelijke opslag van grond en de afvoer van grond. Onder de MBA’s graven (> I en ≤ I) in het Bal wordt verstaan het projectmatig ontgraven en het tijdelijk uitnemen van grond daarbij. De MBA graven kan daarnaast uitvoering geven aan de saneringsaanpak verwijderen van de MBA saneren. Het regelen van de milieubelastende activiteit graven is van belang om te zorgen voor een passend beschermingsniveau, om nadelige gevolgen voor het milieu (zoals het vermengen van partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen) te voorkomen. Partijen grond met verschillende kwaliteits klassen moeten gescheiden worden gehouden tijdens het
30
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
graven, de opslag en het vervoer. Bij graven kan sprake zijn van het tijdelijk uitnemen en na afloop weer terugplaatsen van grond, maar ook van afvoer van grond naar elders. Ook het zeven, de tijdelijke opslag, het terugplaatsen en het afvoeren van grond maken onderdeel uit van de milieubelas tende activiteiten graven in de bodem. Graven in de waterbodem valt buiten deze MBA’s en wordt geregeld in de waterschapsverordening van Waternet/ Waterschap Amstel Gooi en Vecht en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (regionale wateren) en voor het Rijk in hoofdstuk 6 (rijkswateren) van het Bal. De regels voor graven in de bodem gelden voor alle stofgroepen, dus mobiele en immobiele verontreinigingen. Deze regels dienen om verspreiding en/of vermenging van verontreinigde grond te voorkomen. Als er sprake is van graafwerk van minder dan 25 m3 dan gelden de regels voor Kleinschalig graven (zie paragraaf 3.4 van dit beleidskader) in het omgevingsplan. Zie Figuur 3.1 voor het onderscheid. Kwaliteitsklassen Het is belangrijk dat de initiatiefnemer kennis heeft van de bodemkwaliteit voordat hij begint met graven. Zonder die kennis is het niet mogelijk om grond van verschillende kwaliteiten te herkennen en gescheiden te ontgraven en bestaat het gevaar dat verontreinigde grond wordt verspreid.
Bij de MBA Graven is er een onderscheid tussen graven in bodem met een kwaliteit boven en beneden (of gelijk aan) de interventiewaarde (uit de voormalige Circulaire bodemsane ring 2013). Omdat de interventiewaarde hier deel uitmaakt van de aanwijzing van de milieubelastende activiteit (MBA), mag een gemeente in dit verband geen andere waarde vaststellen. Het Rijk bepaalt wat onder de MBA’s in het Bal valt. De interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage IIA bij het Bal. In het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) worden de volgende kwaliteitsklassen onderscheiden, zie figuur 3.2.
Figuur 3.1 Onderscheid MBA Graven (Bal) en Kleinschalig graven (omgevingsplan) MBA Graven ≤ I
ARVO onderzoek uitvoeren
Puntbron of verdenking?
Zie paragraaf 3.2 Beleidskader
Uitkomst ≤ I Uitkomst > I
MBA Graven > I
Zie paragraaf 3.3 Beleidskader
> 25 m3
Het graafwerk vindt plaats in BKK-zone 4 t/m 7, in BKK-Openbare weg zone D of in niet-gezoneerd gebied (te weinig gegevens)
Vereenvoudigd vooronderzoek doen
Geen verdenking, geen puntbron
Er wordt een afdeklaag/leeflaag doorgraven
Het graafwerk vindt plaats in BKK-zone 1, 2 of 3 of in BKK-Open bare weg zone A, B of C Wat is de omvang van het graafwerk?
Kleinschalig Graven ≤ I
Puntbron of verdenking? Of graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (te weinig gegevens) of in BKK-Openbare weg zone D
≤ 25 m3
Vereenvoudigd vooronderzoek doen
ARVO onderzoek uitvoeren (of meteen worst-case benadering: meteen naar > I
Er is sprake van een beschikte locatie ernst/geen spoed of er wordt een afdeklaag/leeflaag doorgraven
Uitkomst ≤ I
Zie paragraaf 3.4 Beleidskader
Uitkomst > I
Kleinschalig Graven > I
Zie paragraaf 3.4 Beleidskader
Het graafwerk vindt plaats in BKK-zone 4 t/m 7
Het graafwerk vindt plaats in BKK-zone 1, 2 of 3 of in BKK-zone A, B of C Openbare weg
Geen verdenking, geen puntbron
Figuur 3.2 Kwaliteitsklassen voor landbodem en grond
Landbouw/natuur
Wonen
Achtergrondwaarden
31
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Industrie
Matig verontreinigd
Sterk verontreinigd
Interventiewaarde landbodem
Als de interventiewaarde bodemkwaliteit voor welke stof dan ook niet wordt overschreden, dan gelden de basisregels voor graven zoals omschreven in paragraaf 3.2.21 en 4.119 van het Bal (Graven ≤ I). Als de interventiewaarde bodemkwaliteit voor één of meerdere stoffen wel wordt overschreden, dan zijn de regels uit paragraaf 3.2.22 en 4.120 van het Bal (Graven > I) van toepassing.
3.2 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
Wettelijk kader: De activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.21 (artikelen 3.48d en e); de algemene regels onder paragraaf 4.119 (artikelen 4.1219 tot en met 4.1223) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De interventiewaarden als grens tussen de activiteit graven in een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en de activiteit graven in een bodemkwaliteit boven de interventie waarden bodemkwaliteit staan vast. Deze zijn opgenomen in bijlage IIA van het Bal.
In Amsterdam komt graafwerk in bodem met een kwaliteit onder (of gelijk aan) de interventiewaarde zeer vaak voor. Onder de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven ≤ I) valt: • Het graven; • Het zeven van de uitkomende grond op de locatie; • Het tijdelijk opslaan van grond; • Het terugplaatsen van grond nadat het maximaal 8 weken tijdelijk is opgeslagen. Bij afvoer van grond moet worden voldaan aan de afval stoffenwetgeving. Uitgesloten van deze activiteit is het volgende: • Graven in een bodemvolume minder dan of gelijk aan 25 m3 (zie hiervoor paragraaf 3.4 Kleinschalig graven); • Graven in een waterbodem.
32
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Voorafgaand bodemonderzoek Het is in Amsterdam toegestaan om de resultaten van een vereenvoudigd vooronderzoek in te dienen, in plaats van de resultaten van een uitgebreid NEN 5725-onderzoek of een volledig vooronderzoek volgens de ARVO. In bepaalde gevallen kan ook een verkennend bodemonderzoek achterwege blijven. Zie paragraaf 2.1 en 2.2 voor de eisen aan het voorafgaand bodemonderzoek bij deze activiteit. Onverwacht aantreffen van asbestverdacht materiaal Tijdens het graven kan onverwacht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen. Omdat hiernaar geen onderzoek is gedaan, is niet duidelijk of er mogelijk een sterke asbestver ontreiniging aanwezig is en de regels voor Graven > I gelden. Het graafwerk moet tijdelijk gestaakt worden en er moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van dit asbestonderzoek kan het nodig zijn een melding MBA Graven > I in te dienen. Er zal zonodig onder asbestcondities moeten worden gewerkt. Verspreiding van asbestverdacht materiaal wordt voorkomen. De situatie moet op locatie beoordeeld worden door een asbestdeskun dige of milieukundig begeleider met asbestervaring. Onder zijn begeleiding vindt op basis van verdachtheid op locatie een voorlopige scheiding in partijen en opslag plaats, daarna wordt onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707.
Is er sprake van tijdelijke uitname dan kan de Richtlijn voor risicogestuurd werken met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem [Lit. 25] worden geraadpleegd. Ter bepaling van eventuele mogelijkheden voor hergebruik van de ontgraven grond wordt een partijkeuring uitgevoerd of wordt de grond naar een erkend verwerker afgevoerd. Graven in de infrastructuur – bodemkwaliteitskaart openbare weg zone D De bodemkwaliteit in BKK-Openbare weg zone D valt in klasse industrie, zowel de kwaliteit bij ontgraven (P80) als de ontvangende bodem. Echter, de bodemkwaliteit is zeer heterogeen: er zijn sterke verontreinigingen gemeten, maar er zijn ook plekken waar de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie op basis van de bodemkwaliteitskaart. Daarom is voor het ontgraven van grond in zone D een verkennend onderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde van toepassing zijn.
In de loop der tijd worden er onder de openbare wegen steeds meer bodemonderzoeken uitgevoerd, ook in zone D. Als op een locatie een representatief bodemonderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem beneden de interventiewaarde is verontreinigd, dan gelden de regels van de MBA graven ≤ I. Een bodemonderzoek is representatief als er binnen 50 meter van de graafwerkzaamheden een boring is geplaatst en er zich geen puntbron bevindt tussen de graafwerkzaamheden en de locatie van de boring. Uiteraard staat het de initiatiefnemer vrij om toch een nieuw verkennend bodemonderzoek volgens de ARVO uit te voeren. Aan de hand van dat onderzoek kan dan worden bepaald of de regels van de MBA graven ≤ of > I gelden. Partijen grond gescheiden houden bij graven, terugplaatsen en afvoeren Tijdens het graven kunnen meerdere partijen grond ontstaan met verschillende kwaliteitsklassen. Bij het graven, het terug plaatsen of het afvoeren van grond worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden gehouden. Dit is nodig om de gezondheid te beschermen, de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren.
Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is voorgeschreven om ongewenste versprei ding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en om doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Bij het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het meestal om grond die herbruikbaar is en onder de regels van de MBA Toepassen eventueel elders kan worden toegepast. Dit zijn de kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) zijn ingedeeld, te weten landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventie waarde bodemkwaliteit kan ook niet herbruikbare grond vrijkomen (kwaliteitsklasse matig verontreinigd). Toepassen onder de regels van de MBA Toepassen (paragraaf 4.124 Bal) is dan niet mogelijk. De rijksregels spreken over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen (volgens de indeling, weergegeven in artikel 25d Bbk (gewijzigd)). Hieronder wordt verstaan: • Bij ontgraven op basis van de bodemkwaliteitskaart worden lagen gescheiden gehouden als ze een verschillen de gemiddelde kwaliteit hebben (bijvoorbeeld top wonen, diep landbouw/natuur);
33
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
• Indien AP04-onderzoek heeft plaatsgevonden wordt ont graven volgens de kwaliteitsgrenzen van de onderzochte partijen want dan is sprake van ‘partijen die op grond van 25d Bbk zijn ingedeeld’; • Bij ontgraven op basis van een verkennend bodemonder zoek volgens de ARVO wordt, behoudens de civieltechnisch scheidbare kwaliteit, niet gescheiden ontgraven. Om dat wel te doen is namelijk een nader onderzoek nodig om de grens tussen twee kwaliteiten te trekken. Verdere scheiding mag natuurlijk wel, maar dan gebeurt dit bijvoorbeeld op verzoek van de ontvangende partij. In Amsterdam worden ook civieltechnisch scheidbare grondsoorten (zand, klei, veen) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gescheiden gehouden. Onder redelijkerwijs kan worden gedacht aan het apart houden van bijvoorbeeld klei- en/of veengrond, die visueel te onderscheiden is (afwijkende kleur of structuur) wanneer deze onder de ophooglaag van zand zichtbaar wordt. Tijdelijke uitname Bij tijdelijk uitnemen van grond wordt de grond zonder te zijn bewerkt, op of nabij het ontgravingsprofiel onder dezelfde omstandigheden teruggeplaatst. Indien aan deze voorwaar den wordt voldaan, kan de grond binnen deze MBA worden teruggeplaatst.
Als niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt het terugplaatsen beschouwd als een nieuwe toepas sing, waarvoor de regels uit de paragrafen 3.2.26 en 4.124 van het Bal gelden (zie ook hoofdstuk 6 van dit beleidskader). De zinsnede ‘op en nabij het ontgravingsprofiel’ laat enige speelruimte. Als sprake is van dezelfde toepassing en aan de overige voorwaarden (zie hierboven) wordt voldaan, dan hoeft de grond niet precies weer op de plaats van de uitname te worden aangebracht. Het uitgangspunt is wel dat in deze situaties er weinig tot niets verandert aan de milieubelasting van de bodem. Bijvoorbeeld het wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact dezelfde plaats). Of bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem). Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel en vice versa of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst
als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terug brengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Zeven Zeven wordt niet gezien als een bewerking en is toegestaan bij de milieubelastende activiteit graven. Zeven is een relatief eenvoudige en veelvoorkomende bewerking om puin uit de grond te halen en daarmee de verdichtbaarheid te verbeteren, mogelijke beschadigingen aan kabels en leidingen te voorkomen en toekomstig graafwerk te vereenvoudigen. Tijdelijk opslaan Tijdens of na het graven kan het noodzakelijk zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd. De partijen grond die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden moeten ook tijdens de tijdelijke opslag gescheiden blijven. Er wordt enige afstand tussen de deelpartijen aange houden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht. Omdat de opslag voor korte tijd is en de kwaliteit ≤ I, is het niet nodig om bodembeschermende maatregelen te nemen, zoals het aanbrengen van een folie.
Bij droge condities wordt voorkomen dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gedaan worden door de grond vochtig te houden, het depot af te dekken of de grond in afsluitbare containers op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond (nadat de werkzaamheden zijn afgerond) langer dan de maximaal toegestane periode van 8 weken op te slaan of op een andere locatie dan de ontgravingslocatie, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie (zie hoofdstuk 5 van dit beleidskader). Als de verwachting is dat de termijn van acht weken slechts korte tijd wordt overschreden, dan kan een aanvraag worden gedaan voor een maatwerkvoorschrift op de regel over opslag bij graven in het Bal. Na afloop van de toegestane periode van tijdelijke opslag De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestem ming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan
om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Er zijn dan in elk geval vier opties: 1. De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een andere locatie om daar toe te passen onder de regels voor toepassen (zie hoofdstuk 6); 2. Het bevoegd gezag geeft op verzoek van de initiatiefne mer een maatwerkvoorschrift af met een langere termijn dan acht weken; of 3. De tijdelijke opslag wordt voortgezet onder de MBA Opslaan. De regels van deze MBA zijn dan van toepassing (zie hoofdstuk 5); 4. De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker13. Geen grond met PFAS terugplaatsen Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Informatieplicht: Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, waarbij meer dan 25 m3 wordt ontgraven en er tevens grond wordt afgevoerd, geldt een informatieplicht.
Als er uit het vooronderzoek geen verdenking op een brongerelateerde verontreiniging (puntbron) naar voren komt en de ontgravingslocatie onderdeel is van BKK-zone 1, 2 of 3 of BKK-Openbare weg zone A, B of C, dan is op basis hiervan voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sterke verontreiniging aanwezig is. Tenminste 1 week voor de start van de graafwerkzaamheden moet het bevoegd gezag geïnformeerd worden over: • Algemene gegevens op grond van art. 2.18 Bal (aanduiding activiteit, gegevens initiatiefnemer, adres activiteit en datum); • De begrenzing van de locatie waar het graafwerk plaatsvindt; • De datum dat gestart wordt met de werkzaamheden; • De verwachte duur.
13 Erkende verwerkers/inzamelaars van afvalstoffen staan vermeld op de VIHB-lijst (Vervoerder Inzamelaar Handelaar Bemiddelaar). Deze lijst wordt beheerd door de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).
34
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Wijzigingen Als de begrenzing of de verwachte begindatum van de activi teit MBA graven ≤ I wijzigt moeten de gewijzigde gegevens zo snel mogelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Wanneer geen informatieplicht? De informatieplicht geldt niet in de volgende situaties: • Als de activiteit uitsluitend bestaat uit het tijdelijk uit nemen en weer terugplaatsen van de grond (inclusief de daarbij behorende tijdelijke opslag). Als onverwachts toch grond wordt afgevoerd geldt alsnog de informatieplicht; • Als er in de bodem wordt gegraven vanwege een spoed reparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Bij spoedreparaties moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Hieronder valt ook een spoedreparatie in geval van een calamiteit (verzakken, scheuren) aan kademuren in Amsterdam, voor wat betreft de landbodem. Bij een derge lijke spoedoperatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om te voldoen aan de termijn van de informatieplicht. De hoeveelheid te ontgraven grond moet in verhouding staan tot het uitvoeren van een spoedreparatie.
De overige regels met betrekking tot graven beneden of gelijk aan de inter ventiewaarde – voor het gescheiden houden van grond, het tijdelijk uitnemen en tijdelijke opslag - zijn ook van toepassing op een dergelijke spoedreparatie. Bij spoedreparaties wordt na afloop van de activiteit zo snel mogelijk informatie verstrekt over de begrenzing, de datum van de werkzaam heden en de aanleiding. Zorgplicht altijd van toepassing Op het uitvoeren van alle graafwerkzaamheden (dus ook bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur) geldt uiteraard ook de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij beoordeelt of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden. Overgangsrecht Als er voordat de Omgevingswet in werking treedt een melding is gedaan op grond van artikel 28 Wbb voor een graafactiviteit op een locatie, dan is hiermee tevens voldaan aan de informatieverplichting voor graven onder of gelijk aan
35
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
de interventiewaarde (paragraaf 4.119 Bal) voor zover die geldt voor de graafactiviteit op die locatie.
3.3 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Wettelijk kader: De milieubelastende activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodem kwaliteit’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.22 (artikelen 3.48f en g); de algemene regels onder paragraaf 4.120 (artikelen 4.1224 tot en met 4.1234) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De interventiewaarden als grens tussen de activiteit graven in een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en de activiteit graven in een bodemkwaliteit boven de interventie waarden bodemkwaliteit staan vast. Deze zijn opgenomen in bijlage IIA van het Bal.
Wanneer in Amsterdam wordt gegraven in grond die boven de interventiewaarde verontreinigd is, is dit in 95 procent van de gevallen noodzakelijk voor een bepaald project: een zogeheten projectmatige ontgraving, zonder een sanerings doelstelling. Bijvoorbeeld voor nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, tunnels, herinrichtingen, het doen van funderingsonderzoek en -herstel, kabel & leidingwerk en rioleringswerkzaamheden. In de resterende gevallen kan met ontgraven uitvoering worden gegeven aan de saneringsaanpak ‘verwijderen’ van de MBA saneren, waarbij wel sprake is van een sanerings doelstelling. In situaties wanneer projectmatig meer dan 25 m3 wordt ontgraven, is sprake van een milieubelastende activiteit, namelijk het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I). Ook wanneer de bodem van slechts een deel van de ontgraving > I verontreinigd is, valt de ontgraving onder deze MBA. Dit is bijvoorbeeld vaak het geval bij graafwerkzaam heden aan langere kabel- en leidingtracés. Onder graven in bodem met een kwaliteit boven de
interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I) valt: • Het graven; • Het zeven van de uitkomende grond op de locatie; • Het tijdelijk opslaan van grond; • Het terugplaatsen van grond na afloop van het tijdelijk opslaan (dat maximaal 8 weken mag duren). Bij afvoer van grond moet worden voldaan aan de afval stoffenwetgeving. Uitgesloten van deze activiteit is het volgende: • Graven in een bodemvolume minder dan 25 m3 (zie hiervoor paragraaf 3.4 Kleinschalig graven); • Graven in een waterbodem. Voorafgaand bodemonderzoek Het is in Amsterdam toegestaan om - in plaats van de resultaten van een NEN 5725-onderzoek of een vooronder zoek volgens de ARVO - de resultaten van een vereenvoudigd vooronderzoek in te dienen. In Amsterdam moet bij graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde meestal ook een verkennend bodemonderzoek (conform ARVO) worden uitgevoerd, ongeacht of uit het vooronder zoek een verdenking op het voorkomen van een puntbron naar voren komt. Zie paragraaf 2.1 en 2.2 van dit beleids kader voor de eisen aan het voorafgaand bodemonderzoek bij deze activiteit. Onverwacht aantreffen van asbestverdacht materiaal Tijdens het graven kan onverwacht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen. In dat geval betekent dit dat de melding niet meer actueel is, want het voorafgaand bodemonderzoek is onderdeel van de indieningsvereisten.
De initiatiefnemer is verplicht deze gegevens actueel te houden (zie ook artikel 4.1225, derde lid van het Bal). Het graafwerk moet tijdelijk gestaakt worden en er moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van dit asbestonderzoek kan het nodig zijn een wijziging op de melding MBA Graven > I in te dienen. Er zal zonodig onder asbestcondities moeten worden gewerkt. Verspreiding van asbestverdacht materiaal wordt voorkomen. De situatie moet op locatie beoordeeld worden door een asbestdeskundige of milieukundig begeleider met asbestervaring. Onder zijn begeleiding vindt op basis van verdachtheid op locatie een voorlopige scheiding in partijen en opslag plaats, daarna wordt onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707. Is er sprake van tijdelijke uitname dan kan de Richtlijn voor risicogestuurd werken met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem [Lit. 25] worden
36
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
geraadpleegd. Ter bepaling van eventuele mogelijkheden voor hergebruik van de (niet-sterk verontreinigde) ontgraven grond wordt een partijkeuring uitgevoerd of wordt de grond naar een verwerker afgevoerd. Dit laatste geldt in ieder geval voor de sterk verontreinigde grond. Graven in de infrastructuur – bodemkwaliteitskaart openbare weg zone D De bodemkwaliteit in BKK-Openbare weg zone D valt in klasse industrie, zowel de kwaliteit bij ontgraven (P80) als de ontvangende bodem. Echter, de bodemkwaliteit is zeer heterogeen: er zijn sterke verontreinigingen gemeten, maar er zijn ook plekken waar de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie op basis van de bodemkwaliteitskaart. Daarom is voor het ontgraven van grond in zone D een verkennend onderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde van toepassing zijn. In de loop der tijd worden er onder de openbare wegen steeds meer bodemonderzoeken uitgevoerd, ook in zone D.