A - 25 Ruimtelijke Ordening (22) Bijlage 3 Amstelstation - Amsteloever Toeli
Tekst van het document
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag de richtafstand met één stap worden verkleind. Gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Onderzoek Omgevingstype Het plangebied van dit bestemmingsplan wordt door de variëteit aan verschillende functies (wonen, kantoren, brandweerkazerne, horeca etc.) qua omgevingstype uit de VNG-publicatie aangemerkt als een gemengd gebied. Mede door de nabijgelegen hoofdinfrastructuur (wegen, spoor en water) is sprake Gemeente Amsterdam
blz. 66
van een verhoogde achtergrondbelasting. Uitgangspunten bestemmingsplan Een tweetal percelen binnen het plangebied is voorzien van een bedrijfsbestemming. Het betreft de brandweerkazerne binnen het noordelijke deel van het plangebied en een nutsvoorziening binnen het oostelijke deel van het plangebied. Ter plaatse is sprake van een maatbestemming waarmee de bestaande activiteiten positief worden bestemd. Het bestemmingsplan biedt ter plaatse geen ruimte voor omschakeling naar andere bedrijfsactiviteiten. Gezien de aard en omvang van de bestaande activiteiten en de ligging ten opzichte van de ontwikkellocaties binnen het plangebied, zullen deze niet leiden tot onaanvaardbare hindersituaties ter plaatse van de toekomstige woningen. De ontwikkelingsslocaties hebben de bestemming Gemengd (Amstelvista, Leeuwenburg en het Tooropgebouw) en Wonen (Van der Klunbuurt). Binnen deze bestemmingen worden naast woningen verschillende andere functies mogelijk gemaakt. De precieze ontwikkelingsmogelijkheden verschillen per locatie, maar het gaat in alle gevallen om functies (kantoor, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en horeca) met een beperkte milieubelasting die in een gemengd gebied op grond van de systematiek uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering op korte afstand van woningen toelaatbaar zijn.
De mogelijkheden voor horeca zijn beperkt tot Horeca uit categorie I, III en IV. Het betreft lichte vormen van horeca zoals een ijssalon/snackbar, bar/café en een restaurant/bistro. Ter plaatse van de woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd leidt de realisatie van de woningen niet tot een onevenredige beperking voor bestaande en nieuwe bedrijven. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 67
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Na de totstandkoming van het Vuurwerkbesluit en het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, restte, ter invulling van het kabinetsstandpunt vuurwerkramp, nog een klein stukje regelgeving ten aanzien van de externe veiligheid van ontplofbare stoffen: de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierbij moet gedacht worden aan de opslag van ontplofbare stoffen die worden gebruikt voor het slopen van gebouwen en fundaties, het uitvoeren van seismisch onderzoek en dergelijke. Ook zwart buskruit – soms aanwezig bij wapenhandelaren – valt onder het begrip ontplofbare stof voor civiel gebruik. Voor deze invulling geldt per 26 juli 2007 de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (de Circulaire). Op grond van het beleid dat in de Circulaire is vastgelegd, dient rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen een veiligheidsafstand te worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, kantoren en winkels. Deze veiligheidsafstand moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd. De grootte van de veiligheidsafstand is afhankelijk van de hoeveelheid ontplofbare stof die wordt opgeslagen en van eventuele effectbeperkende maatregelen die zijn getroffen. De Circulaire gaat hier in meer detail op in.
De Circulaire is enkel relevant wanneer binnen de grenzen van een gemeente opslag van ontplofbare stoffen plaatsvindt. Indien sprake is van opslag van ontplofbare stoffen, dient de Circulaire gebruikt te worden bij de vergunningverlening in het kader van de Wet Milieubeheer en bij het opstellen van bestemmingsplannen.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
Onderzoek Met de ontwikkeling wordt geen risicobron opgericht, wel worden kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Deze liggen binnen het invloedsgebied van het spoortraject Duivendrecht – Amsterdam. Verder vindt er in de omgeving transport van risicovolle stoffen door een buisleiding en over een weg plaats. Voor het vervoer over de weg geldt dat de stofcategorie die vervoert wordt een invloedsgebied heeft dat niet over het plangebied valt. De afstand tot de buisleiding is ook zodanig dat effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor het spoor geldt dat de op te richten kwetsbare objecten niet binnen de zones van het plaatsgebonden risico gelegen zijn. Wat betreft het groepsrisico is onderzoek verricht door de DGMR, waarvan het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 3. Uit dat onderzoek blijkt dat het groepsrisico niet boven de oriëntatiewaarde ligt en de toename van het risico minder dan 10% bedraagt. Bij een toename van minder 10% en een groepsrisico kleiner dan 1,0 keer de oriëntatiewaarde kan volstaan worden met een beperkte verantwoording conform artikelen 7 en 8 van het Bevt. Er moet hierbij rekeningen worden gehouden met: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor, en De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen wanneer zich op het spoor een ramp voordoet.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 69
Figuur 4.1
Uitsnede professionele risicokaart
Verantwoording van het groepsrisico Bestrijdbaarheid De voorgenomen ontwikkelingen betreffen zelf geen externe risicobronnen. Ook verandert de toegang tot het spoor niet door de realisatie van het plan, de nieuwe gebouwen komen ter vervanging van de huidige bebouwing. De planlocatie is bereikbaar vanaf het zuiden over De Heusweg en vanaf het noorden via de Weesperstraat. In de huidige situatie is er geen doorgaande verbinding van de zuidkant van het plangebied (vroegere Delta Lloyd gebouw) en de noordzijde van het gebied (overige gebouwen). Wel is het voor hulpdiensten mogelijk gebruik te maken van fiets- en voetpaden. Aan de oostzijde vormt het spoor een belemmering. Inherent aan een locatie in het centrum is de verminderde doorstroming tijdens de spits. Ook de individuele deelgebieden moeten beschikken over toereikende bereikbaarheid en blusvoorzieningen, zoals opgenomen in de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid van de Brandweer Nederland 2019 en het Bouwbesluit 2012. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt hiervoor bij de ontwikkelaars, waarbij per ontwikkeling afstemming plaats zal vinden met de Veiligheidsregio.
Gemeente Amsterdam
blz. 70
Wanneer er sprake is van onderdelen die relevant zijn voor de brandweer/hulpverlening, zoals bijvoorbeeld droge blusleidingen, brandweerliften, duurzame energie systemen (zonnepanelen, energie opslag systemen), toetredingsvoorzieningen, brandbeveiligingsinstallaties, een ondergrondse parkeergarage, autoluwe wegen, zone voor elektrische (deel)auto's en dergelijke, zal afstemming plaatsvinden met de Veiligheidsregio per deelgebied. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij de ontwikkelaar en zal getoetst worden in de omgevingsvergunning. Zelfredzaamheid relevante scenario's voor een ongeval op het spoor betreffen:
De
Plasbrand BLEVE Toxische wolk Fakkelbrand In het gemeentelijk beleid is opgenomen dat realisatie van objecten voor beperkt zelfredzame mensen binnen 100 meter van het spoor ongewenst is. Dit betreft functies die specifiek gericht zijn op het gebruik door of verblijf van beperkt zelfredzame mensen zoals kinderen, ouderen, zieken en gehandicapten. Daarbij valt te denken aan functies als scholen, kinderopvanglocaties en verpleeghuizen. In de planregels is een regel opgenomen om dergelijke functies te weren binnen de 100 meter zone gezien vanaf het spoor. In onderstaande figuur is de zone weergegeven.
Figuur 4.2 Zone waarbinnen objecten voor beperkt zelfredzame mensen ongewenst zijn De ontwikkellocaties, behalve de nieuwe stationshal, staan op 40 tot 100 meter van het spoor. Hierbij zijn mensen zowel overdag (kantoren en woningen) en 's nachts (woningen) aanwezig. In geval van een plasbrand, fakkelbrand of een dreigende warme BLEVE in de directe omgeving (200m) van het plangebied, moet men het gebouw ontvluchten. Belangrijk is hierbij dat vluchtroutes in de gebouwen niet uitkomen aan de zijde van het spoor. Een gifwolk kan ontstaan bij een ongeval met het vervoer van
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 71
toxische vloeistoffen en gassen. De gevolgen zijn erg afhankelijk van de stof, de afstand tot het ongeval en de weersomstandigheden. In geval van een gifwolk moeten men deuren en ramen sluiten en kan men inpandig schuilen. Tijdige alarmering is hierbij noodzakelijk, dit kan gerealiseerd worden door het aanbrengen van een centraal alarmeringssysteem. Ook moet bij aanwezigheid van mechanische ventilatie de mogelijkheid bestaan om de alarmering handmatig uit te schakelen. Dit kan centraal gebeuren of per woning/kantoor. De nieuwe stationshal ligt direct langs het spoor, bij een calamiteit is het belangrijk dat evacuatieroutes duidelijk staan aangegeven en dat er een calamiteitenprotocol in werkend treedt. Afweging maatregelen Over het spoor vindt transport plaats van geklasseerde stoffen. Het gaat hier om kleine aantallen die vanuit de Amsterdamse haven richting achterland worden vervoerd. Bij het afgeven van milieuvergunningen stuurt de gemeente er ook op om deze stroom te beperken. Gezien de beperkte stroom van geklasseerde stoffen dient op gebouwniveau te worden gezorgd voor duidelijke evacuatieplannen en de aanwezigheid van een systeem voor het uitschakelen van de mechanische ventilatie. Conclusie Er worden met de ontwikkeling kwetsbare objecten opgericht binnen het invloedsgebied van het spoorwegtraject Duivendrecht-Amsterdam.
Het groepsrisico neemt zeer beperkt toe en blijft onder de oriëntatiewaarde. Uit de beperkte verantwoording blijkt verder dat de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid voor de locatie afdoende is. Dit wel mits een zone langs het spoor vrij blijft van functies gericht op verminderd zelfredzame mensen. Dit is geborgd in de planregels en overgenomen op de verbeelding. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 4.2
Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Gemeente Amsterdam
blz. 72
fijn stof (PM10)
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Om de gevolgen van het project op de luchtkwaliteit in beeld te brengen heeft de DGMR een analyse luchtkwaliteit uitgevoerd (bijlage 4). Uit de resultaten blijkt dat er een ruime marge aanwezig is tussen de huidige (achtergrond)concentraties luchtverontreinigende stoffen en de wettelijke grenswaarden.
Gemiddeld liggen de concentraties 20 tot 50% lager dan de grenswaarden. Het aantal overschrijdingsdagen PM10 is ruim 80% lager dan de grenswaarde. Aangezien de concentratie luchtverontreinigende stoffen met name afhankelijk is van de achtergrondwaarde kan hierdoor geconcludeerd worden dat ook met de ontwikkeling de concentraties onder de wettelijke grenswaarden blijven. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde. Voor het aspect luchtkwaliteit geldt daarmee dat ook met de ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft gelden.
Conclusie Na de ontwikkeling blijft voor het aspect luchtkwaliteit in het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
4.5
Bodem
Toetsing Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 73
rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig bodemonderzoek te worden uitgevoerd en zo nodig een sanering uitgevoerd te worden als de bodemkwaliteit niet voldoet aan de bodemkwaliteit behorende bij de nieuwe bestemming, vanwege de functiewijziging naar een gevoeligere bestemming (van industrie naar wonen met en zonder tuin).
Onderzoek Binnen de ontwikkelingslocaties is in de huidige situatie geen sprake van activiteiten die grote risico's opleveren voor de bodemkwaliteit. Desondanks kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van bodemverontreinigingen. In het kader van de aanvraag van de benodigde omgevingsvergunning voor het realiseren van de nieuwe functies zal een actueel bodemonderzoek worden overlegd. Zo nodig dient sanering plaats te vinden zodat de bodem geschikt is voor de beoogde functies.
Conclusie Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6
Geluid
Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - en spoorlijnen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden: De breedte van de geluidszones langs wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste spoorstaaf. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de zones van een weg of spoorweg, dient getoetst te worden aan de normen van de Wgh. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een (spoor)weg gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en uiterste grenswaarden (zie tabel 4.3). De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen Gemeente Amsterdam
blz. 74
alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan.
Tabel 4.3
Relevante grenswaarden woningen Voorkeursgrenswaarde
Uiterste grenswaarde
Wegverkeerslawaai
48 dB
63 dB
Railverkeerslawaai
55 dB
68 dB
De geluidswaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB voor wegverkeer en van 35 dB voor railverkeer.
Onderzoek Het ontwikkelgebied Amsteloever wordt blootgesteld aan meerdere gezoneerde geluidsbronnen. Hierom is akoestisch onderzoek verricht (bijlage 5). Hierin wordt geconcludeerd:
Ten aanzien van wegverkeer: De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer van 48 dB wordt op grote delen van het plan overschreden door de metro, Amsteldijk, Berlagebrug, Meester Treublaan, Prins Bernhardplein, Spaklerweg en Weesperzijde. Op de gebouwen bij de Tooroplocatie wordt de maximale ontheffingswaarde (als gevolg van de metro) overschreden. Wanneer op deze locatie woningen gebouwd worden, moeten deze aan de oostzijde en delen van de zuidgevel met dove gevels worden uitgevoerd. Maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren zijn onderzocht maar stuiten op bezwaren van technische en stedenbouwkundige aard. Voor de toekomstige woningen moet een hogere waarde worden aangevraagd tot maximaal 63 dB (inclusief 5 dB aftrek art. 110 Wgh). Met een bouwkundige constructie in de gevel is het mogelijk voor nagenoeg alle woningen met een hogere waarde ook een stille zijde te creëren.
Ten aanzien van railverkeer: De voorkeursgrenswaarde voor railverkeer van 55 dB wordt op grote delen van het bouwplan overschreden. De maximale geluidsbelasting is 73 dB. Op locatie Tooropgebouw wordt zelfs de maximale ontheffingswaarde (68 dB) overschreden. Wanneer op deze locatie woningen gebouwd worden, moeten deze met dove gevels worden uitgevoerd. Maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren zijn niet doelmatig of stuiten op bezwaren van technische, verkeerskundige of stedenbouwkundige aard. bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 75
Voor de toekomstige woningen moet een hogere waarde worden aangevraagd tot 68 dB. Met een bouwkundige constructie in de gevel (afsluitbare loggia) is het mogelijk voor nagenoeg alle woningen met een hogere waarde ook een stille zijde te creëren.
Afweging woon- en leefklimaat Hoge(re) geluidsbelastingen zijn berekend voor het wegverkeer, het doorgaande spoor en de metro's. De gecumuleerde geluidbelasting is in het plangebied maximaal 73 dB bij de geluidsgevoelige bebouwing. Ter plaatse van de locaties met deze cumulatieve geluidsbelasting worden dove gevels toegepast als hier woningen komen. Op de andere locaties bedraagt de cumulatieve geluidsbelasting maximaal 66 dB. Volgens het geluidbeleid van de gemeente is deze waarde als aanvaardbaar te beschouwen.
Conclusie Uit het verrichte akoestische onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeer en wegverkeer wordt overschreden. Hiervoor worden hogere grenswaarden vastgesteld met toepassing van het Amsterdams geluidbeleid. Overeenkomstig het Amsterdamse geluidbeleid dient elke geluidbelaste woning ook een niet-geluidbelaste gevel (stille zijde) te hebben. Ondanks de nog flexibele invulling, kan er mogelijk voor een aantal woningen sprake zijn dat niet aan de eis van een stille zijde kan worden voldaan. Het college is bevoegd om daar in het kader van een concrete vergunningaanvraag vanaf te wijken, wat niet mogelijk is voor gevallen waarin een dove gevel moet worden toegepast. Welke maatregelen uiteindelijk getroffen moeten worden, is afhankelijk van de geluidbelasting op de locaties waar de uiteindelijke woningen en andere geluidgevoelige functies gesitueerd worden in de definitieve bouwplannen. In de planregels zijn de voorwaarden uit het Amsterdams geluidbeleid geborgd in artikel 25.4 waar in het kader van de omgevingsvergunning aan getoetst wordt. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Archeologie De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten (RACM) hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Monumentenwet 1988 dient in elk bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen.
Gemeente Amsterdam
blz. 76
Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'.
Cultuurhistorie
Erfgoedwet Erfgoedwet (2016) Is gericht op de bescherming van onroerend en roerend cultureel erfgoed en omvat de bescherming van gebouwen (rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten), stads- of dorpsgezichten en van elementen of ensembles van de UNESCO-Werelderfgoedlijst. De Erfgoedwet harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale wet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet komen de regels voor de archeologische monumentenzorg aan de orde: Op grond van de Erfgoedwet 2016 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming Waarde-Archeologie. In een gemeentelijke Verordening en in het bestemmingsplan worden regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en bodemwerkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
Deze voorschriften kunnen inhouden dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde wordt vastgesteld van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord.
Erfgoedverordening Amsterdam De Erfgoedverordening. Vastgesteld op 16 december 2015, beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Het college is bevoegd om gedetailleerder beleid vast te stellen als uitwerking van de Erfgoedverordening. Een dergelijke uitwerking is bijvoorbeeld de Handleiding aanwijzing monumenten en gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten waarin de criteria voor aanwijzing zijn benoemd.
Erfgoed in een dynamische stad – juni 2021 Deze bestuursopdracht is erop gericht om erfgoedwaarden beter en eerder mee te wegen bij vernieuwing. Dan moet een balans gevonden worden tussen de toegevoegde waarde van erfgoed en de ruimte voor vernieuwing. Het onderkennen, betrekken en afwegen helpt daarbij. Op die manier kunnen op het juiste moment betere keuzes gemaakt worden waar erfgoed wordt beschermd en waar andere belangen zwaarder wegen. Daarmee geven we ook ruimte om nieuw erfgoed te laten ontstaan. We doen dit niet met nieuw beleid, maar door het bestaande instrumentarium beter in te zetten. Zo bouwen we steeds verder aan de schoonheid van de stad.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 77
Onderzoek Archeologie Uit voorgaand onderzoek is een beleidsadvieskaart voortgekomen om inzichtelijk te maken welke regimes in welke gebieden van het plangebied gelden indien ruimtelijke ontwikkelingen worden gerealiseerd. Voor het plangebied heeft dit geresulteerd in een drietal regimes: 1. geen archeologisch veldonderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen kleiner dan 100 m² of minder dan 0,5 m onder maaiveld; 2. geen archeologisch veldonderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen in de waterbodem kleiner dan 10.000 m²; 3. voor deze delen geldt een negatieve verwachting vanwege de hoge mate van verstoring. Bij alle bodemingrepen is archeologisch veldonderzoek niet noodzakelijk. De in de zones geldende regimes zijn overgenomen in de planregels en daardoor voldoende gewaarborgd.
Cultuurhistorie In het plangebied zijn twee rijksmonumenten aanwezig. Het betreffen de Schollenbrug en de Berlagebrug. De Berlagebrug ligt gedeeltelijk binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan leidt niet tot aantasting van deze monumenten. Uit ingewonnen adviezen van Monumenten en Archeologie (MenA) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) komt naar voren dat het gebouw Leeuwenburg een stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarde heeft, mede door de relatieve gaafheid van het exterieur en de zeldzaamheid van het gebouw. De adviezen van MenA en de CRK hebben evenwel alleen betrekking op het monumentale aspect van het gebouw. De gemeente (het bevoegd gezag) maakt een bredere afweging: naast het belang van de bescherming van de monumentwaarden van het gebouw worden ook andere belangen gewogen te weten maatschappelijke en ruimtelijke. In het kader van een zorgvuldige besluitvorming, heeft het Dagelijks Bestuur instemming van het college van B&W gevraagd en gekregen, alvorens het definitieve besluit te nemen om het gebouw Leeuwenburg niet als monument aan te wijzen. Dit is zichtbaar in de opdracht van het college om (de omgang met) de erfgoedwaarden van het gebouw Leeuwenburg een duidelijke plek te geven in de verdere planuitwerking.
Dat wil zeggen dat de verdere uitwerking van het bouwplan voor het gebouw Leeuwenburg, met inachtneming van het Stedenbouwkundig Plan, zo dicht mogelijk bij de door MenA en de CRK geconstateerde waarden moet blijven. In het planproces zal MenA goed betrokken worden. Daartoe is afgesproken dat MenA vertegenwoordigd is in het supervisieteam Amstelstation – Amsteloever. Supervisie begeleidt en toetst de planuitwerking voor de beide zijden van het Amstelstation waaronder het gebouw Leeuwenburg. Het maatschappelijk en ruimtelijk belang bestaat onder andere uit verdichting van het gebied met het onder andere toevoegen van woningen zoals uitgewerkt in het stedenbouwkundig plan Amstelstation Amsteloever. Het betreft een integrale ontwikkeling van gemeente en eigenaren in het gebied, waaronder die van de Leeuwenburg, en omvat een uitgebreid woningbouwprogramma, kantoren en voorzieningen, meerdere hoogbouw-ontwikkelingen die onderling minutieus op elkaar zijn afgestemd, zowel stedenbouwkundig, ruimtelijk als programmatisch, de aanpak van de openbare ruimte, de financiële belangen en de belangen van de eigenaar die, om het totale gebouw toekomstbestendig te laten zijn, de nodige ingrepen, moet uitvoeren.
Tegen het besluit van het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Oost van 8 december 2020 om het gebouw Leeuwenburg niet als gemeentelijk monument aan te wijzen is op 18 januari 2021 bezwaar Gemeente Amsterdam
blz. 78
gemaakt. Een ambtelijke bezwaarschriftencommissie heeft de behandeling van het bezwaarschrift voorbereid en bracht hierover advies uit. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost besloot in zijn vergadering van 21 september 2021 dit advies over te nemen, het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 8 december 2020 in stand te laten.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.8
Water
4.8.1
Waterbeheer en watertoets
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder(s). 4.8.2
Wet- en regelgeving
Besluit op de ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) verplicht bij de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal en stroomgebiedsgericht aan te pakken. De doelstelling van de Europese Kaderrichtlijn Water is het bereiken en beschermen van een goede toestand van landoppervlaktewater, overgangswateren en kustwateren. Onder de goede toestand vallen zowel een goede ecologische potentieel (GEP) als een goede chemische toestand. Op dit moment is de kwaliteit in veel wateren nog ontoereikend. De kwaliteit mag in ieder geval nergens achteruit gaan (stand-still). Dat betekent bijvoorbeeld dat bevorderd wordt dat lozingen indien mogelijk verplaatst worden naar minder kwetsbare waterlichamen. En dat schadelijke milieuvreemde stoffen waar mogelijk vervangen worden door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu. In deze gevallen is in feite dus geen sprake van 'achteruitgang'.
Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 79
tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd.
Keur Het plangebied bevindt zich in het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: 1. Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; 2. Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; 3. Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. Op 1 november 2019 is de meest recente Keur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) inclusief Beleidsregels keurvergunningen en het Keurbesluit vrijstellingen in werking getreden. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en oppervlaktewateren, waar door het waterschap onder bepaalde voorwaarden ontheffing op kan worden verleend. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. De legger is een openbaar register van het waterschap en dient als uitwerking van de Keur. Hierin wordt weergegeven aan welke eisen de wateren, waterkeringen en kunstwerken moeten voldoen.
Paraplubestemmingsplan grondwaterneutrale kelders In lijn met het vastgestelde Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam is het paraplu-bestemmingsplan definitief vastgesteld op 10-07-2021. Amsterdam kent een aantal gebieden met een delicate grondwatersituatie en de gemeente wil mogelijke negatieve gevolgen voor het grondwater door de bouw van kelders voorkomen. De grondwater-gevoeligheid van de stad en de gevolgen van de klimaatverandering nopen tot publiekrechtelijke regulering van ondergrondse bouwwerken, ongeacht of dit in openbaar gebied of op particulier terrein is, omdat grondwater zich niet houdt aan perceelgrenzen. Grondwaterneutraal wordt als volgt gedefinieerd: Het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming,
Gemeente Amsterdam
blz. 80
grondwateroverlast en grondwateronderlast. Voor kelders met een vloeroppervlak kleiner dan 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 m, geldt dat deze dienen te voldoen aan de in het paraplubestemmingsplan gestelde afwegingskader. Voor kelders met een vloeroppervlak groter dan 300 m2 of met een bouwdiepte van meer dan 4 m, geldt dat op basis van een geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond dat het bouwplan grondwaterneutraal is, conform bovengenoemde definitie.
Hemelwaterverordening In mei 2021 is de hemelwaterverordening vastgesteld. Om de sponswerking van de stad te vergroten is hierin o.a. opgenomen dat nieuwbouw een hemelwaterberging moet hebben. 1. Een hemelwaterberging: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en c. is na 60 uur leeg. 2. Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a. heeft ten minste een capaciteit van 90 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; c. is na 60 uur voor ten minste 30% leeg; en d. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. 3. Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op een vergunningsvrij bouwwerk met een groen dak. 5. Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd. 6. Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte. Naast deze hemelwaterverordening bestaat de Keur van het Waterschap.
De Keur is een verordening met daarin voorschriften voor ontwikkelingen van meer dan 1.000 m2. Daarbij geldt een verplichting tot compensatieberging. De twee verplichtingen staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar. Door bij ontwikkelingen groter dan 1000 m2 te voldoen aan de verplichting uit de hemelwaterverordening, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de Keur en alleen door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de Keur niet geldt, kan de gemeente het doel uit het Gemeentelijke Rioleringsplan bereiken.
Toetsingskader Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Als bijlage bij het ontwerp Nationaal Waterplan zijn beleidsnota's toegevoegd over waterveiligheid. Deze beleidsnota's vormen een nadere uitwerking en onderbouwing van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan en dienen in samenhang ermee te worden gelezen. Bij
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 81
de ontwikkeling van locaties in de stad wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo gelijk blijft of toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van behoud van het bestaand groen en water. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een toename van verharding mogelijk zou maken. Het oorspronkelijke waterplan is in december 2014 tussentijds gewijzigd voor de implementatie van het rijksbeleid en de daarvoor benodigde Rijksacties die volgen uit het voorstel voor deltabeslissingen en voorkeursstrategieën in het Deltaprogramma 2015.
Anders omgaan met water. Waterbeleid in de 21ste eeuw Dit kabinetsstandpunt geeft de overkoepelende visie van het Rijk weer op de aanpak van veiligheid en wateroverlast. In dit beleidsstuk wordt de watertoets geïntroduceerd om te voorkomen dat de bestaande ruimte voor water geleidelijk afneemt, door bijvoorbeeld landinrichting, de aanleg van infrastructuur of woningbouw.
Deltaplan Ruimtelijk Adaptatie In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat heel Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaplan gebruikt hiervoor 7 ambities waarvan 'kwetsbaarheden in beeld brengen' er één is. Om die kwetsbaarheden in beeld te krijgen dienden alle overheden uiterlijk in 2019 een stresstest te hebben uitgevoerd voor de vier klimaatthema's: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming.
Strategie klimaatadaptatie Amsterdam Met de strategie klimaatadaptatie zet de gemeente Amsterdam samen met de drie waterschappen Amstel, Gooi en Vecht, Hollands Noorderkwartier en Rijnland, een stip op de horizon voor een klimaatbestendige stad. Het doel is om in 2050 zo goed mogelijk voorbereid te zijn op het veranderende klimaat. Hierbij wordt een iteratieve aanpak gehanteerd, zodat nieuwe informatie over het veranderende klimaat kan worden verwerkt en daarop kan worden gereageerd. In deze strategie worden nog geen nieuwe plannen vastgesteld, maar vormt wel een eerste stap hiertoe. De strategie klimaatadaptatie is een opmaat voor een gesprek met de stad. Klimaatadaptatie gaat namelijk de hele stad aan. Het doel is gezamenlijk een uitvoeringsagenda voor de komende jaren op te stellen met concrete plannen om Amsterdam klimaatbestendig te maken. De uitvoering van deze onderdelen gaat door, parallel aan het ontwikkelen van een brede aanpak.
Watervisie Amsterdam 2040 Deze Watervisie Amsterdam 2040 geeft een ruimtelijk economisch perspectief op het gebruik van water en oevers in Amsterdam op de lange termijn (2040) met een aantal speerpunten voor de korte termijn (2018). De centrale ambitie van deze Watervisie Amsterdam 2040 is als volgt: Amsterdam gebruikt haar water en oevers beter en duurzamer en optimaliseert de ordening van het gebruik van het water en oevers. Onder andere is het doel het water en oevers beter toegankelijk te maken en dynamisch en
Gemeente Amsterdam
blz. 82
duurzaam gebruik van water te stimuleren.
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In mei 2011 sloten het Rijk, de provincies, het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen en de vereniging van waterbedrijven Nederland het Bestuursakkoord water. Met de actualisatie van het NBW onderstrepen de betrokken partijen, rijk, provincies, gemeenten en waterschappen nogmaals het belang van samenwerking om het water duurzaam, klimaatbestendig en doelmatiger te beheren. In het akkoord staat onder meer hoe met klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur moet worden omgegaan. Ook is er meer aandacht voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2020 het watersysteem in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Het gaat hierbij om de verwachte zeespiegelstijging, bodemdaling en klimaatverandering. Nederland krijgt hierdoor steeds meer te maken met extreem natte en extreem droge periodes.
Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 Het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRPA) 2016-2021 bevat de visie van de gemeente op het gewenste waterbeleid voor de komende jaren. De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen. In dit beleidsrapport staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting, zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen. Dit plan biedt tevens een kans om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, zoals het veranderende klimaat. Inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater Stedelijk afvalwater is huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Dit afvalwater wordt ingezameld en getransporteerd naar een rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). De gemeente is verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van afvalwater.
Bij de zorg voor stedelijk afvalwater wordt gekeken naar het systeem als geheel, eventueel over de stadsgrenzen heen. Inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater De gemeente is verantwoordelijk voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater. Daarbij gaat het niet alleen om het buizenstelsel in de grond, maar in toenemende mate ook om de openbare ruimte waarin hemelwater wordt opgevangen en zodoende wateroverlast wordt beperkt. De gemeente stemt af met waterschappen, is aanspreekpunt voor de burger en behandelt hemelwatermeldingen. Naast de officiële zorgplicht heeft de Gemeente Amsterdam in het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam de ambitie geuit dat de stad een bui van 60 mm per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. Deze ambitie komt voort uit programma Amsterdam Rainproof, met als uitgangspunt dat gerichte, kleinschalige, fijnmazige en rendabele maatregelen de stad klimaatbestendiger en tegelijk aantrekkelijker en leefbaarder maken. Grondwaterzorgplicht bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 83
In de stad komen situaties voor waarbij het gewenste gebruik en de aanwezigheid van grondwater elkaar hinderen, en grondwater voor overlast zorgt. Zo kan een te hoog grondwaterpeil leiden tot problemen, bijvoorbeeld in de vorm van water in kelders en andere vochtproblemen. Daarentegen kunnen er ook problemen ontstaan als gevolg van een te lage grondwaterstand: dit kan leiden tot verrotting van houten funderingen, met het risico op verzakking of instorting van gebouwen. Het is de zorgplicht van de gemeente om, voor zover doelmatig, maatregelen in openbaar gebied te treffen om structurele nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Daarnaast is de gemeente aanspreekpunt voor de burger en behandelt de gemeente grondwatermeldingen.
Waterbeheerplan AGV 2016-2021 Het AGV zorgt voor schoon water op het juiste peil en voor droge voeten in het beheergebied. In dit Waterbeheerplan staat welke doelen AGV de komende zes jaren nastreeft en op welke manier het waterschap die doelen wil bereiken. Het Waterbeheerplan (WBP) is een regionale doorvertaling van het provinciale waterbeleid. De drie provincies waar AGV binnen valt (Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland) toetsen het WBP en verlenen goedkeuring. De essentie van dit nieuwe WBP is dat AGV de planperiode gaat gebruiken om door te gaan met het garanderen van voldoende waterstaatkundige veiligheid voor mensen, dieren en goederen, voldoende water en schoon water.
Uitwerkingsbesluit Doorvaartprofielen Om het dynamisch gebruik van het water in Amsterdam zo in te richten dat ook in de toekomst een veilig en vlot gebruik van het water als openbare ruimte en verkeersweg mogelijk is, is in 2004 de beleidsnotitie "Doorvaartprofielen, een voorwaarde voor vlot en veilig varen in Amsterdam" door het College vastgesteld. In 2008 is verder invulling gegeven aan de doelstellingen door in het Uitwerkingsbesluit Doorvaartprofielen de doorvaartprofielen te koppelen aan vaarwegen. In dit uitwerkingsbesluit wordt aangegeven welke soorten schepen (lengte, breedte, diepgang) van welke vaarweg gebruik mogen maken. Dienst Binnenwaterbeheer is namens B&W verantwoordelijk voor het nautisch vaarwegbeheer op het binnenwater.
4.8.3
Onderzoek
Huidige situatie Algemeen Het plangebied ligt tussen de Ringdijk langs de Amstel en de Spaklerweg en ligt ten westen van het Amstelstation. Het gebied ligt in de Watergraafsmeerpolder, maar is opgehoogd tot boven het Amstelpeil. De 17e -eeuwse ringdijk is nog duidelijk aanwezig in de ruimtelijke structuur. In de 19e eeuw werd hier de spoorlijn Amsterdam-Utrecht aangelegd, welke nog altijd een scheiding vormt tussen de Amstel en het achterliggende lagere poldergebied. De Amsteloever was van oudsher een werkgebied. Nu is het een gemengd woon- werkgebied.
Bodem- en grondwater De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie mogen veroorzaken, ook niet voor Gemeente Amsterdam
blz. 84
naastgelegen gebieden. Een verslechtering in de eindsituatie kan bijvoorbeeld ontstaan door grote nieuwe ondergrondse obstructies zoals ondergrondse parkeergarages, tunnels, ondoorlatende damwanden of ondoorlatende kadeconstructies die de grondwaterstroming blokkeren. In ongunstige gevallen kunnen deze blokkades leiden tot grondwateroverlast (vernatting en plasvorming aan maaiveld, overlast voor bomen) of grondwateronderlast. De invloed op het grondwatersysteem van nieuwe ondergrondse ontwikkelingen (zoals parkeerkelders en damwanden) en wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem dient daarom te worden onderbouwd met berekeningen (modelsimulaties). Daarnaast dienen ontwikkelaars ook rekening te houden met de grondwatersituatie in binnentuinen, waar vanwege kelderbouw risico kan ontstaan op ingesloten grondwater en grondwateroverlast. De gemeentelijke grondwaternorm is een specifiek criterium voor grondwater bij herstructurering (sloop / nieuwbouw), herinrichting van de openbare ruimte en nieuw in te richten gebieden (Gemeentelijk rioleringsplan 2016-2021). Voor kruipruimteloos bouwen een ontwateringsdiepte van minimaal 0,5 m t.o.v. een grondwaterstand die gedurende maximaal 5 aaneengesloten dagen met een herhalingstijd van 1x/2 jaar overschreden wordt. Voor bouwen met kruipruimtes geldt een ontwateringsnorm van minimaal 0,9 m t.o.v. de maatgevend hoge grondwaterstand.
Naar verwachting zal per 2022, met ingang van het nieuwe rioleringsplan (omgevingsplan riolering 2022-2027), vervalt de regel voor kruipruimteloos bouwen en wordt een uniforme ontwateringsdiepte van 0,9 m de norm.
Aanvullend hierop: kunnen beheerders van kabels, leidingen, wegen, sporen en openbaar groen aanvullende eisen hebben voor de aanwezige ontwatering (=afstand tussen grondwater en maaiveld) acht de gemeente Amsterdam voor de aanplant van (1ste orde) bomen een ontwateringsdiepte van minimaal 0,9 m t.o.v. de maatgevend hoge grondwaterstand wenselijk. Dit beleid wordt naar verwachting na 2021 aangepast om uniform 0,9 m ontwateringsnorm te hebben, waarmee de bovenstaande 0,5 m voor kruipruimteloos bouwen zou komen te vervallen (Handboek Bomen, Norminstituut bomen 2014).
Waterkwantiteit Het plangebied wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door de Amstel en aan de noordzijde door de Ringvaart. Het plangebied ligt in de Watergraafsmeerpolder. Wanneer het verharde oppervlak in stedelijk gebied met meer dan 1.000 m² toeneemt, moet er conform de keur oppervlaktewater worden aangelegd in hetzelfde watersysteem. In het plangebied dient 10% van de verhardingstoename gecompenseerd te worden in de vorm van wateroppervlak. Te dempen wateroppervlak moet bovendien volledig gecompenseerd worden in de vorm van nieuw wateroppervlak. De compensatie moet in beginsel worden gerealiseerd vóórdat de verharding plaatsvindt.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Alle ontwikkelingen in het plangebied moeten voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De doelstelling van de Europese Kaderrichtlijn Water is het bereiken en beschermen van een goede toestand van landoppervlakte-water, overgangswateren en kustwateren. Onder de goede toestand vallen zowel een goede ecologische potentieel (GEP) als een goede chemische toestand. Op dit moment is de kwaliteit in veel wateren nog ontoereikend. De kwaliteit mag in ieder geval nergens
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 85
achteruit gaan (stand-still). Dat betekent bijvoorbeeld dat bevorderd wordt dat lozingen indien mogelijk verplaatst worden naar minder kwetsbare waterlichamen. En dat schadelijke milieuvreemde stoffen waar mogelijk vervangen worden door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu. In deze gevallen is in feite dus geen sprake van 'achteruitgang'.
Veiligheid en waterkeringen Langs de oevers van de Amstel en de Ringvaart ligt een half verholen secundaire waterkering (zie figuur 4.2). In de Keur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn verschillende geboden en verboden opgenomen met betrekking tot het werken nabij een waterkering. Voor half verholen keringen geldt dat het plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken in en nabij waterkeringen alleen in specifieke gevallen wordt vergund wanneer er geen aanvaardbaar alternatief bestaat buiten de kernzone en beschermde gronden. Van belang is dat de goede staat en werking van de waterkering niet in het geding komt als gevolg van plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken. Voor de meeste werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszones van de waterkering moet een watervergunning worden aangevraagd. Voor aanleg van funderingen en kabels en leidingen gelden beperkingen en verboden. Ook de ondergrondse constructies (zoals kelders) moeten worden beschouwd in relatie tot de waterkering. Ook voor ondergrondse constructies in de kern- of beschermingszone van de waterkering gelden voorwaarden en restricties. Voor veel werkzaamheden binnen de beschermingszones van de waterkering moet een watervergunning worden aangevraagd.
Hierbij is met name van belang dat de goede staat en werking van de waterkering niet in het geding komt als gevolg van de werkzaamheden.
Waternet heeft aangegeven dat ter hoogte van het Tooropgebouw in de toekomst mogelijk sprake is van een ophoging van de waterkering van 0,1 +NAP naar +0,4 NAP. In de huidige situatie heeft het gebied achter deze waterkering de juiste hoogte waardoor er geen risico is op overstroming. Daarom is deze ophoging een wens van Waternet voor de toekomst en geen vereiste vanuit de Keur. Deze ophoging wordt dan ook niet vastgelegd in het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Figuur 4.3
Tracé secundaire waterkering, met kernzone (rood) en beschermingszone (blauw)
Hemelwater en riolering De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van stedelijk afvalwater en hemelwater. Hemelwaterafvoer in het gebied is via een gescheiden stelsel geregeld, bestaande uit DWA (droogweerafvoer) en HWA (hemelwaterafvoer). Er komt geen gemengd stelsel meer voor in het gebied. De HWA loost op de Amstel en de Ringvaart. Hiermee wordt getracht de doorstroming en waterkwaliteit te verbeteren. Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof en het GRP 2016-2021 wordt voor het plangebied geadviseerd bij de herontwikkeling het maaiveld zodanig te ontwerpen zodat een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Hierbij dient conform het GRP 2016-2021 circa 20 mm in 1 uur verwerkt te worden door de riolering en de andere 40 mm in de openbare en particuliere ruimte. Mogelijk wordt deze ambitie in de toekomst opgeschroefd (100 mm in 1 uur/ 120 mm in 2 uur). Aanname is daarnaast dat meer dan 200 mm accumulatie van water op straat tot gevolg heeft dat de wegen slecht begaanbaar zijn voor nood-/hulpdiensten. Voor verwerking van hemelwater geldt conform de NBW de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' voor, die moet worden gevolgd bij de aanpak van wateroverlast in een watersysteem.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 87
Toekomstige situatie Met de ontwikkeling is de transformatie van het gebied Amsteloever beoogd. Het plan maakt een diversiteit aan bebouwing waaronder ondergrondse constructies mogelijk. Verder voorziet het met de realisatie van grote groenzones in een afname van het verhard oppervlakte (zie in figuur 4.3 een structuurkaart van het groen).
Figuur 4.4
structuurkaart stedenbouwkundig plan Amstelstation - Amsteloever
Waterkering Langs de Amstel en Ringvaart ligt een half verholen secundaire waterkering (Dijkvak A118-001). Voor de meeste werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszones van de waterkering moet een watervergunning worden aangevraagd. Voor half verholen keringen geldt dat het plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken in en nabij waterkeringen alleen in specifieke gevallen wordt vergund wanneer er geen aanvaardbaar alternatief bestaat buiten de kernzone en beschermde gronden. Van belang is dat de goede staat en werking van de waterkering niet in het geding komt. Het grootste deel van de kade en waterkering langs het plangebied wordt ongemoeid gelaten. Bij werkzaamheden op en rondom de kade en fietspad en het inpassen van extra bomen dient rekening worden gehouden met de voorwaarden en restricties van de waterkering.