CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 25 Ruimtelijke Ordening (22) Bijlage 3 Amstelstation - Amsteloever Toeli

RAAD 30 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Amstelstation – Amsteloever VN2022-03669330.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Oppervlaktewater Het plangebied wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door de Amstel en aan de noordzijde door de Ringvaart. Beiden hebben een oppervlaktewaterpeil van NAP -0,4 m. Het plangebied ligt in de Watergraafsmeerpolder. In de Watergraafsmeerpolder wordt het oppervlaktewaterpeil beheerst op NAP -5,5 m. Het plangebied is in het verleden opgehoogd tot boven het waterpeil van de Amstel en de Ringvaart.

Gemeente Amsterdam

blz. 88

Er is conform het stedenbouwkundig plan geen sprake van verhardingstoename of demping van oppervlaktewater binnen het plangebied.

Grondwater Vrijwel overal binnen het plangebied is de ontwateringsdiepte ten opzichte van de GHG ruim 0,9 m of meer, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke grondwaternorm en de gewenste ontwateringsdiepte voor bomen. De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie mogen veroorzaken. Een verslechtering in de eindsituatie kan bijvoorbeeld ontstaan door grote nieuwe ondergrondse obstructies zoals parkeerkelders. Het bestemmingsplan maakt enkele nieuwe ondergrondse constructies mogelijk zoals ondergrondse parkeergarages. Alle ondergrondse kelderconstructies dienen, conform het paraplubestemmingsplan grondwaterneutrale kelders, grondwaterneutraal te worden uitgevoerd. Rondom de vergunningverlening getoetst dient te worden op de effecten op het grondwater.

Hemelwaterafvoer Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof en het GRP 2016-2021 wordt voor het plangebied geadviseerd bij de herontwikkeling het maaiveld zodanig te ontwerpen zodat een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Tevens wordt veel aandacht besteed aan een klimaatrobuuste inrichting van het plangebied waardoor het gebied in algemene zin klimaatbestendiger wordt. De hoeveelheid groen wordt sterk vergroot, welke een positief effect heeft op het vertragen van de afvoer van hemelwater en het tegengaan van hittestress. Uitgangspunt bij de herontwikkelingen is het overtollig hemelwater hiervandaan lokaal vast te houden. Deze voorwaarde wordt in de regels van het bestemmingsplan gesteld aan de nieuwe ontwikkelingen. De eigenaren dienen voorzieningen te treffen zodat elke eigenaar op eigen terrein een bui van tenminste 60 mm in 1 uur kan opvangen voordat dit afstroomt. In de verdere uitwerking van het maaiveldontwerp van de openbare ruimte wordt gestreefd naar toepassing van maatregelen die hemelwaterafvoer vertragen. Op 10 mei 2021 is de gemeentelijke hemelwaterverordening vastgesteld.

Deze verordening wordt toegepast op alle bouwwerken waarvoor na inwerkingtreding een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd en stelt verplicht een bui van tenminste 60 mm in één uur te kunnen verwerken op eigen kavel. In dit bestemmingsplan wordt deze verplichting overgenomen.

4.9

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

blz. 89

Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft; De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Gemeentelijk beleid Binnen de gemeente wordt een Hoofdgroenstructuur en een Ecologische structuur aangehouden. Voor beide is het uitgangspunt dat er geen oppervlakteverlies, barrièrevorming of verstoring van natuurwaarden optreed als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

Gemeente Amsterdam

blz. 90

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de onderstaande soorten wanneer de handeling voortkomt uit de volgende activiteiten: De ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

Soortgroep

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Amfibieën

bruine kikker

Rana temporaria

Amfibieën

gewone pad

Bufo bufo

Amfibieën

kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Amfibieën

meerkikker

Pelophylax ridibundus

Amfibieën

bastaard kikker

Pelophylax kl. esculentus

Zoogdieren-landzoogdieren

aardmuis

Microtus agrestis

bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

blz. 91

Zoogdieren-landzoogdieren

bosmuis

Apodemus sylvaticus

Zoogdieren-landzoogdieren

dwergmuis

Micromys minutus

Zoogdieren-landzoogdieren

dwergspitsmuis

Sorex minutus

Zoogdieren-landzoogdieren

egel

Erinaceus europeus

Zoogdieren-landzoogdieren

gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Zoogdieren-landzoogdieren

haas

Lepus europeus

Zoogdieren-landzoogdieren

huisspitsmuis

Crocidura russula

Zoogdieren-landzoogdieren

konijn

Oryctolagus cuniculus

Zoogdieren-landzoogdieren

ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Zoogdieren-landzoogdieren

ree

Capreolus capreolus

Zoogdieren-landzoogdieren

rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Zoogdieren-landzoogdieren

tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Zoogdieren-landzoogdieren

veldmuis

Microtus arvalis

Zoogdieren-landzoogdieren

vos

Vulpes vulpes

Zoogdieren-landzoogdieren

woelrat

Arvicola terrestris

Onderzoek Om in beeld te brengen welke natuurwaarden met de beoogde ontwikkeling van het plangebied mogelijk bedreigd/verstoord kunnen worden is een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. De in deze paragraaf opgenomen informatie is overgenomen uit deze quickscan.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden In de omgeving van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden, namelijk 'Markermeer en IJmeer' en 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske'. Gezien de afstand (van meer dan 5 km) en aanwezigheid van tussenliggende barrières zoals stedelijk gebied, een spoorlijn en een snelweg, kunnen effecten zoals areaalverlies, versnippering en verstoring binnen de grenzen van de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Met betrekking tot externe werking dient rekening te worden gehouden met de mogelijk essentiële functie van het plangebied voor de doelsoort meervleermuis. Voor aanvang van werkzaamheden dient bij gebouwen door initiatiefnemer/ontwikkelaar onderzocht te worden of er verblijfplaatsen van de meervleermuis aanwezig zijn. Daarnaast dient voor werkzaamheden of plannen met extra lichtuitstraling richting het open water van de Amstel onderzocht te worden of dit Gemeente Amsterdam

blz. 92

negatieve effecten ten aanzien van vliegroutes en/of foerageergebied van de meervleermuis tot gevolg heeft. Mogelijk heeft de stikstofuitstoot verbonden met de ontwikkeling van het plangebied vermesting of verzuring van Natura 2000 tot gevolg. In het gebied 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld en Twiske' komen stikstofgevoelige habitattypen voor. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie dient in het kader van dit bestemmingsplan voor de gebruiksfase inzichtelijk gemaakt te worden met een AERIUS-berekening. De uitkomst van berekeningen bepaalt of er vervolgstappen benodigd zijn. Met de berekening is de huidige gebruikssituatie vergeleken met de beoogde gebruiksfase. Uit de verschilberekening (bijlage 9) blijkt dat er geen toenames van depositie zijn van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen vergunning benodigd in het kader van de Wet natuurbescherming. Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging of verontreiniging als gevolg van de ontwikkeling zijn bij voorbaat uitgesloten gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling.

Natuurnetwerk Nederland Op een afstand van meer dan 4 km van het plangebied bevinden zich gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (Figuur 5). Gezien de aard van het plangebied (opgaande en aaneengesloten bebouwing, infrastructuur), de afstand alsmede het tussenliggende stedelijk gebied is een effect op het NNN uit te sluiten. Aangezien het plangebied zelf buiten de grenzen en op ruime afstand van deze NNN-gebieden ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is een nadere procedure in de vorm van een 'Nee, tenzij-toets' niet noodzakelijk. Belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid zijn niet aan de orde.

Hoofdgroenstructuur / Ecologische structuur Amsterdam Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van de Hoofdgroenstructuur van gemeente Amsterdam. Er zal daarom geen oppervlakteverlies optreden. In de huidige vorm van het plangebied is veel (menselijke) verstoring aanwezig. Door de plannen zal de hoeveelheid verstoring tijdens en na de uitvoer van de werkzaamheden niet dermate uitstralen dat dit een negatief effect heeft op de Hoofdgroenstructuur. Gezien de ligging van de Ecologische structuur direct grenzend aan, en voor een klein deel in het plangebied (figuur 4.4), dient rekening gehouden te worden met het in stand houden hiervan. Hieronder wordt verstaan dat voor de Ecologische structuur binnen het plangebied er tijdens de werkzaamheden rekening dient gehouden te worden met het behoud van met name het groenoppervlak en de ecologische functie van deze zone. Het uitgangspunt is dat plannen niet mogen leiden tot verzwakking van de Ecologische structuur, bijvoorbeeld doordat extra barrières ontstaan of zodra er bouwmateriaal wordt opgeslagen. Als bovenstaande voorwaarden worden nageleefd zijn er geen negatieve effecten op de Ecologische structuur te verwachten en zijn vervolgstappen niet nodig. Bij de herinrichting van het plangebied zijn er mogelijk wel kansen om dit deel van de Ecologische structuur te versterken (zie bijlage 8).

bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

blz. 93

Figuu r 4.5

Globale ligging plangebied t.o.v. Ecologische Structuur Gemeente Amsterdam

Soortenbescherming Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Overdag zijn de meeste grondgebonden zoogdieren vaak niet actief en daarbij komt dat het grootste gedeelte van het plangebied ongeschikt leefgebied is, vanwege het verkeer en de afwezigheid van schuilmogelijkheden in het bedrijvencomplex. Deelgebied 'Van der Kunbuurt' is in principe wel geschikt voor algemeen voorkomende soorten zoals Egel, Konijn en muizensoorten zoals de Bosmuis, Veldmuis, Huisspitsmuis en Aardmuis. Ook het noordelijke deel van de oever langs de Amstel biedt met de ruige bermbegroeiing leefgebied voor algemeen voorkomende muizensoorten en de Egel. Voor niet-vrijgestelde (Artikel 3.10) marterachtigen zoals Boommarter, Bunzing, Wezel en Hermelijn, biedt het plangebied geen geschikt biotoop. Zo ontbreekt het aan bos/bosschages (Boommarter) en een kleinschalig (agrarisch) gevarieerd landschap (Bunzing, Hermelijn, Wezel). Bovendien is het plangebied sterk verstoord als gevolg van de naastliggende spoorlijn, drukke kruispunten, alsook het intensieve gebruik van het bedrijvencomplex. De Steenmarter behoeft wel

Gemeente Amsterdam

blz. 94

aandacht, omdat deze soort vaak in gebouwen voorkomt en bekend staat als 'cultuurvolger'. Voor de uitvoering van de werkzaamheden zal dan ook soortgericht onderzoek plaatsvinden naar de rust- en verblijfplaats van Steenmarter, indien nodig zal een ontheffing worden aangevraagd en de nodige maatregelen worden getroffen.

Vogels Jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming, maar een aantal vogelsoorten maakt gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. In het plangebied zijn jaarlijks terugkerende waarnemingen bekend van de Slechtvalk. In 2019 is een territorium van deze soort vastgesteld op het bedrijventerrein van het plangebied. In het woonblok langs de Amstel zijn nestplaatsen van de Huismus (jaarrond beschermde nesten) waargenomen ter hoogte van Weesperzijde 1100 in 2017 en bij het Amstelplein in 2014. Om overtreding te voorkomen is nader onderzoek nodig naar de functie van de gebouwen in deze bouwblokken voor deze soorten. Als uit dit soortgericht onderzoek volgt dat in één van de (te slopen) gebouwen van het bouwblok een nest van een Slechtvalk of Huismus aanwezig is en dit als gevolg van de werkzaamheden wordt aangetast/vernietigd, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig. Tevens dienen dan gepaste mitigerende maatregelen te worden genomen (bv. sloop van gebouw met nest buiten de broedperiode van de Slechtvalk en Huismus) en dient het betreffend nest passend te worden gecompenseerd.

Vleermuizen Verblijfplaatsen Binnen het plangebied is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen niet uit te sluiten, met name van gebouw bewonende soorten (bv. Gewone- en Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis). Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen in het plangebied geïnspecteerd op geschiktheid voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Hierbij is bijvoorbeeld gekeken of er een spouwmuur aanwezig is die ook toegankelijk is (open stootvoegen) of dat er mogelijkheden waren onder daken of achter beplating op de gevels. In deelgebied 'Van der Kunbuurt' en 'Boulevard met woonflats' zijn in beginsel mogelijkheden voor zomer-, kraam- en baltsverblijfplaatsen van vleermuizen. In deelgebied 'Bedrijvencomplex' zijn de meeste gebouwen niet geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze gebouwen bestaan uit gladde gevels met veel ramen en bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. Echter, de Tweekleurige vleermuis kan mogelijk gebruik maken van de weerkaatsing van baltsgeluiden tegen de hoge gebouwen en het is daarom niet uit te sluiten dat deze soort een baltsterritorium of paarverblijfplaats rondom deze gebouwen heeft. Verder is het Tooropgebouw mogelijk geschikt als (massa)winterverblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis.

De meeste bomen in het plangebied zijn te jong, te dun of staan te geïsoleerd om verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, zoals de Watervleermuis of de Rosse vleermuis te herbergen. Mogelijk kan in een enkele boom een individueel mannetje van bijvoorbeeld Ruige dwergvleermuis een

bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

blz. 95

paarverblijfplaats hebben. In het plangebied is een deel van de bebouwing in potentie geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Indien aan deze gebouwen werkzaamheden worden uitgevoerd, zoals sloop, renovatie of uitbouw, kunnen de verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetast en mogelijk verloren gaan. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat er een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is en deze als gevolg van de werkzaamheden wordt verstoord of vernietigd wordt de benodigde ontheffing en aangevraagd en worden de mitigerende maatregelen getroffen. Foerageergebied Het plangebied kan gezien het grotendeels ontbreken van groene delen een beperkte functie hebben als foerageergebied voor vleermuizen. Door de werkzaamheden kan het aanwezige foerageergebied tijdelijk ongeschikt raken. In de (wijdere) omgeving van het gebied zijn echter ruimschoots voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig (bijvoorbeeld rond volkstuinen, parken, begraafplaats). Van een essentieel foerageergebied voor vleermuizen is hier daarom geen sprake. Een aantasting of vernietiging van een essentieel foerageergebied als gevolg van de werkzaamheden is niet aan de orde.

Om deze redenen mag worden geconcludeerd, dat de functionele leefomgeving van in de omgeving mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen ten aanzien van foerageergebied gewaarborgd blijft. Vliegroutes Binnen het plangebied en in de omgeving ervan, zijn mogelijkheden voor (delen van) vliegroutes van vleermuizen. Binnen het plangebied is het voorkomen van een essentiële vliegroute voor vleermuizen op voorhand uitgesloten. Een vernietiging van een (essentiële) vleermuisvliegroute als gevolg van het voornemen is daarmee uitgesloten. Wel zijn mogelijk een aantal (essentiële) vliegroutes aanwezig in de omgeving van het plangebied, zoals de Amstel ten westen van het plangebied. In de (wijde) omgeving kunnen foeragerende en overvliegende vleermuizen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden (uitvoeringsfase) of de nieuwe inrichting (gebruiksfase) zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden (uitvoeringsfase) uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari).

Waar verlichting nodig is dient gebruik te worden gemaakt van efficiënt (vleermuisvriendelijk) lichtbeheer. Dit kan onder meer door gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting;

Conclusie Het plangebied is mogelijk van essentieel belang voor de gunstige instandhouding van verschillende beschermde soorten. Deze soorten behoren tot de soortgroepen grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels. In de quickscan in bijlage 8 is een vlekkenkaart opgenomen waarin de aandachtsgebieden gemarkeerd zijn voor de verschillende soorten. Wanneer in deze zones werkzaamheden verricht worden die mogelijk negatieve gevolgen hebben voor de gunstige instandhouding van de aangegeven soort dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van het aanvullende onderzoek kan worden vastgesteld welke mitigerende/compenserende maatregelen er nog nodig zijn. Gelet op de soorten die het betreft en het feit dat met het treffen van de juiste

Gemeente Amsterdam

blz. 96

maatregelen ontheffing van de Wet natuurbescherming verkregen kan worden, staat de uitvoerbaarheid van het plan niet ter discussie. De nadere onderzoeken die voorafgaan aan de realisatie plaatsvinden, zullen de benodigde maatregelen in beeld brengen. Ten aanzien van stikstof wordt geconcludeerd dat het plan het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase en om die reden geen vergunning benodigd is in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.10

HoogbouwEffectRapportage (HER)

Volgens de richtlijnen van de Structuurvisie Amsterdam 2040 moet ieder plan met bebouwing vanaf 30 meter hoogte worden beoordeeld door middel van een Hoogbouweffectrapportage (HER). Gelet op de omvang van de ontwikkelingen binnen het plangebied, is in het kader van dit bestemmingsplan een HER uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen in bijlage 10. In de rapportage wordt ingegaan op de in een HER te behandelen onderwerpen van stedenbouwkundige inpassing, bezonning, windhinder en het Luchthavenindelingbesluit van Schiphol.

4.10.1 Aanzicht De Structuurvisie geeft aan dat verdichting in de stad op meerdere manieren kan worden bereikt. Het Amstelstation wordt getypeerd als een OV knooppunt waar hoogbouw mogelijk is. Binnen dit beleidsuitgangspunt geldt wel als voorwaarde dat hoogbouw op passende wijze in de stedelijke omgeving wordt ingepast, waarbij de Structuurvisie een aantal relevante thema's onderscheid. De HER voor dit bestemmingsplan gaat in op de 2 km zone rondom het UNESCO werelderfgoed, het Metropolitaan landschap en de hoogbouw op de zuidflank en rondom OV knooppunten.

De hoogbouw is aan de hand van de volgende 3 relevante thema's uit de Structuurvisie onderzocht: UNESCO werelderfgoed: 2 km zone Het plangebied bevindt zich op de rand van de 2 kilometer zone die rondom het UNESCO werelderfgoed is gedefinieerd. Nieuwbouw binnen deze zone wordt getoetst op de invloed op het UNESCO werelderfgoed. Criterium is dat het historische gelaagde stadsbeeld tot één geheel is vergroeid en niet mag worden aangetast door nieuwe in maat en schaal afwijkende bebouwing. Bij de totstandkoming van het Stedenbouwkundig Plan zijn modelstudies gedaan om de effecten van verdichting op de wijde omgeving in beeld te brengen. Er is met extra aandacht naar de effecten vanuit het aangewezen Unesco gebied gekeken: alleen vanaf de Prinsengracht en de Blauwbrug Is de ontwikkellocatie zichtbaar: Binnen het kerngebied van de UNESCO zone is de huidige Rembrandttoren (150 meter incl antenne en glazenwassers kraan) zichtbaar vanaf de Prinsengracht vanaf het rak Leidsegracht Spiegelgracht. Deze zichtbaarheid is te kenmerken als de vergroeiing zoals deze in de Hoogbouwvisie wordt beschreven. Van de voorgestelde torenlocaties is de locatie Leeuwenburg de meest gevoelige locatie. Een toren op deze locatie wordt zichtbaar en kan om deze reden niet hoger dan 135 meter. de toren vergroeit op deze manier met de skyline, net als de Rembrandttoren.

Vanaf de Blauwbrug hebben gebouwen zoals Carré, het Amstelhotel en de verschillende bruggen

bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

blz. 97

over de Amstel een dominante rol. Het bestaande cluster is vooral vanaf de westzijde van de brug goed zichtbaar. Bewegend over de brug verdwijnt het cluster achter de bebouwing. Alleen de Rembrandttoren blijft boven de daklijn zichtbaar. Bij het uitbreiden van het cluster is gezocht naar een toevoeging die bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit dit beeld. Hierbij spelen vooral de torens bij Leeuwenburg en de toren bij het Tooropgebouw een rol. Ook hier is een hoogte tot 135 meter het maximale om te voorkomen dat de torens te ver boven de bebouwing uit steken en daarmee vervreemdend over kunnen komen.

Het Metropolitaan landschap Vanuit de Amstelscheg en in mindere mate vanuit Waterland is het voorgestelde hoogbouw ensemble zichtbaar. Vanuit de Structuurvisie wordt deze zichtbaarheid wenselijk geacht. Het metropolitane landschap wordt hiermee interessanter. In de visie wordt voornamelijk uitgegaan van de eerste en tweede linie die zich binnen de visie op verschillende punten langs de scheggen kunnen ontwikkelen. Amstelstation wordt in de visie expliciet als knooppunt gedefinieerd. De Hoogbouwvisie stelt hierover: "Juist vanuit de open scheggen is de stedelijke hoogbouw nadrukkelijk te ervaren. Dit is niet erg, integendeel, dat hoort bij het metropolitaanse landschap en maakt het des te interessanter. De hoogbouw is niet slechts als statisch beeld te ervaren, maar nadrukkelijk ook als wisselend perspectief." Het citaat doelt op het wisselend perspectief dat ontstaat door hoogbouw in verschillende lagen langs de groene scheggen te introduceren, maar is mogelijkerwijs van net zo groot belang voor de beleving vanuit de stad. Bij het onderzoek van de compositie van torens heeft dit voortdurend een rol gespeeld. Dit om te voorkomen dat de torens te dicht opeen komen te staan en er van uit de verschillende punten in de stad een massief ogend cluster zou ontstaan.

Hoogbouw op de Zuidflank / OV knooppunten In de Hoogbouwvisie zijn een aantal zones langs infrastructurele bundels aangeduid waar hoogbouw goed mogelijk is. Deze zones kennen een grote dynamiek en hoge ontwikkeldruk. Hoogbouw in deze zones wordt gestimuleerd, met name rond de belangrijke knooppunten. Hier kan hoogbouw hoger dan 60 meter worden gerealiseerd. Amstelstation is een dergelijke belangrijk knooppunt net als o.a. Schiphol, Zuid-as en station Bijlmer.

De ligging nabij het OV-knooppunt en de toegestane maatvoering die mede is afgestemd op het effect dat dit heeft op zichtbaarheid vanuit de omgeving, maakt dat de ontwikkelingen uit het bestemmingsplan aansluiten bij de uitgangspunten die de gemeente Amsterdam in haar Structuurvisie en Hoogbouwvisie hanteert ten aanzien van hoogbouw. De HER in bijlage 10 onderbouwt dit verder met visualisaties van aanzichten.

Gemeente Amsterdam

blz. 98

4.10.2 Luchthavenindelingsbesluit Op grond van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) Schiphol gelden hoogtebeperkingen voor een gebied rondom de luchthaven. Het plangebied valt binnen de beperkingenzone waarin hoogtebeperkingen zijn vastgelegd (zie figuur hiernaast). De maximum bouwhoogte volgens het LIB bedraagt 142 meter aan de uiterste westrand van het gebied van het plangebied. De maximum bouwhoogte loopt in oostelijke richting op naar 146 meter halverwege het plangebied. De hoogte maten zijn gerelateerd aan NAP ter plaatse. Het stedenbouwkundig plan maakt vijf hoogteaccenten mogelijk: ter hoogte aan de Rocketstraat van 78 meter; in de Van der Kunbuurt van 101,5 meter; binnen het huidige Leeuwenburg van 136 meter; twee hoogte accenten van respectievelijk 101,5 meter en 126,5 meter ter hoogte van de huidige locatie ven het Tooropgebouw. Al deze torens zijn lager dan de toetshoogte op basis van artikel 2.2 van het LIB. De conclusie is dat de hoogteaccenten in overeenstemming zijn met het LIB.

4.10.3 Bezonning Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Het is aan gemeentes om te bepalen hoe bezonning wordt getoetst. Als handreiking heeft TNO twee normen geformuleerd waaraan kan worden getoetst, een strenge en een lichte norm.

De lichte norm Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt.

De strenge norm Om te voldoen aan de strenge norm moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Ook hierbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Om het toetsen aan deze norm mogelijk te maken is er een vast meetpunt bepaald. De bezonning wordt gemeten in het midden van de vensterbank aan de binnenzijde van het glas in de woonkamer. Daarbij hanteren de meeste bureaus een hoogte van 75 cm boven het peil van de afgewerkte vloer van de betreffende verdieping. De TNO-normen gaan uit van een individuele toetsing per woning. Gezien het aantal woningen binnen het project is in dit stadium niet op woningniveau getoetst, maar op gebouwniveau als indicatieve bouwvolumes. Aan de hand van een grafische calculatie is het aantal zonuren berekend van de huidige situatie en de plansituatie. Aan de hand van deze calculatie wordt duidelijk dat de verdichting geen of bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

blz. 99

zeer beperkte invloed heeft op de bebouwing buiten het plangebied. Binnen het plangebied, Langs de Ringdijk en ter hoogte van de Omval is op de meetdatum een afname van het aantal zonuren meetbaar. Het gaat daarbij om een afname van 1 uur (7 uur en 30 min zon in de huidige situatie - 6 uur en 30 min zon in de plansituatie), zoals ook blijkt uit figuur 4.6.

Figuur 4.6

Grafische calculatie bezonning plangebied

Naast de TNO-benadering is ook een schaduwonderzoek verricht. Hierbij is onderzocht wat de effecten zijn van de slagschaduwen op de omgeving. In het voor- en najaar en in de zomer heeft de ontwikkeling alleen in de avonduren een bepekte invloed op de omgeving. In de winter is deze invloed groter. Figuren uit dit schaduwonderzoek zijn opgenomen in figuur 4.7. In de HER in bijlage 10 zijn deze figuren ook in groter formaat terug te vinden.

Gemeente Amsterdam

blz. 100

Figuur 4.7

Schaduwonderzoek

bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12083884/1