CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 14 Ruimtelijke Ordening (22) 9. Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tenn

RAAD 10 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark, en het besluit tot wijziging van de WelstandsnotaVN2022-02242133.592 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Plangebied

Voor het projectgebied Jan Evertsenstraat-West is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit waarbij getoetst is aan artikel 5.16 Wm en de grenswaarden voor oor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Zie bijlage 5. Uit de conclusie van het onderzoek volgt dat voldaan wordt aan de concentratienormen van genoemde stoffen. Het project Jan Evertsenstraat-West (en daarmee Tennispark) is inpasbaar vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit op basis van artikel 5.16 lid 1a van de Wet luchtkwaliteit.

4.5

Geluidhinder

4.5.1

Kader

Wet geluidhinder Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden.

Hierbij dient uitgegaan te worden van wettelijk aangewezen zones voor wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Indien binnen deze zones nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 61

Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Amsterdams geluidbeleid In juli 2016 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam het 'Amsterdams Geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder' vastgesteld. Op 5 mei 2019 is dit beleid gewijzigd vastgesteld. Het uitgangspunt van het beleid is dat iedere woning een stille zijde moet hebben. Een stille zijde is een zijde waarbij de voorkeurswaarde (in ieder geval ter plaatse van te openen ramen en/of deuren) van de Wgh niet wordt overschreden. Bij de berekening van een stille zijde moeten ook niet wettelijke geluidbronnen worden betrokken. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd, zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Alleen ingeval van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan worden afgeweken van dit principe. Woningen met een dove gevel dienen volgens het beleid altijd een stille zijde te krijgen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties.

Indien vliesgevels worden toegepast, worden eisen gesteld aan de handhaving van de buitenluchtkwaliteit. Bij de vaststelling van een besluit hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Cumulatie geluidsbelasting Bij blootstelling aan verschillende geluidbronnen tegelijk (bijv. spoor en weg) moeten de bronnen eerst bij elkaar worden opgeteld voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld. De Wgh geeft voor een dergelijk cumulatieve geluidbelasting geen aparte grenswaarden en evenmin een standaard toetsingsmethode. Wel moet worden gemotiveerd op welke wijze het bevoegd gezag rekening houdt met deze samenloop (cumulatie). Overigens speelt het vraagstuk van de cumulatieve geluidbelasting alleen als voor één of meer van de geluidbronnen een hogere waarde wordt gevraagd. Indien een woning zich in de invloedssfeer bevindt van twee wegen, die elk onder de voorkeursgrenswaarde blijven, dan bestaat er geen plicht tot het berekenen van de cumulatieve geluidwaarde. Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximum toelaatbare ontheffingswaarden (gecumuleerde geluidbelasting).

Op plaatsen waar dit wordt geconstateerd zijn woningen alleen mogelijk indien dove gevels of gebouwgebonden geluidschermen worden toegepast. Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit geeft normen voor sportgeluid, in dit geval afkomstig van de tennisbanen. Het gaat hier om geluid van de tennisballen en het stemgeluid. De berekende geluidniveaus vanwege de tennisbanen zijn daarom getoetst aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. 4.5.2

Plangebied

Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het omgevingsgeluid (bijlage 6,11 oktober 2021). Het betreft een actualisatie (met inachtneming van een aantal wijzigingen) van het onderzoek dat in het kader van het voorgaande ontwerpbestemmingsplan is uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt het onderstaande: De woningen en de school zijn conform de Wet geluidhinder geluidgevoelige gebouwen. De woningen en de school bevinden zich binnen de geluidszones langs de rijksweg A10 (West) (buitenstedelijk gebied), Gemeente Amsterdam

blz. 62

de Burgemeester Roëllstraat, de Burgemeester Van de Pollstraat/Oostoever, de Burgemeester Cramergracht de Jan Evertsenstraat/Noordzijde, het metrotraject Station Zuid-Isolatorweg (lijnen 50 en 51, deze metrolijnen zijn niet op de geluidplafondkaart of de zonekaart voor spoorwegen aangegeven, om die reden moeten de metrosporen als wegen worden aangemerkt) en de spoorlijn Schiphol-Amsterdam Centraal. Om die reden is een onderzoek Wet geluidhinder verricht. Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit: Wegverkeerslawaai stedelijk: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB. Wegverkeerslawaai buitenstedelijk: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 53 dB. Spoorweglawaai: voorkeursgrenswaarde 55 dB, maximale ontheffingswaarde 68 dB. Metrolawaai (is wegverkeerslawaai): voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB. Langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT: 50 dB(A) overdag, na bestuurlijke afweging 55 dB(A); 45 dB(A) 's avonds, na bestuurlijke afweging 50 dB(A).

De berekeningen van de geluidbelastingen Lden zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Uit de berekeningen blijkt het volgende: Uitgezonderd de Burgemeester Cramergracht worden door alle geluidsbronnen de voorkeursgrenswaarden overschreden. Alleen vanwege spoorweglawaai wordt de maximale ontheffingswaarde (van 68 dB) overschreden. Dit vindt deels plaats op de oostgevel van de oostelijke woontoren. Op deze locaties zijn dove gevels benodigd. Ook ten aanzien van het sportgeluid van het tennispark worden, vanwege overschrijding van de geluidgrenswaarden, ter plaatse van de aan het tennispark grenzende woninggevels dove gevels geadviseerd. De gecumuleerde geluidbelastingen LVL,cum voldoet ter plaatse van een deel van de oostgevel van de woontoren niet aan de in het Amsterdams geluidbeleid gestelde grenswaarde (hier: 63+3 = 66 dB). Op basis van de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelastingen zijn aanvullende maatregelen benodigd. Deze maatregelen waren al benodigd vanwege de te hoge geluidbelastingen door spoorweglawaai. Een deel van de woningen beschikt direct over een geluidluwe zijde. Voor woningen die niet aan deze geluidsluwe zijden zijn gesitueerd zijn aanvullende gebouwmaatregelen in de vorm van bijvoorbeeld verglaasde balkons benodigd.

Ter plaatse van de omliggende, bestaande woningen treden nergens hinderlijke geluidstoenamen van het wegverkeerslawaai of het spoorweglawaai op. Geadviseerd wordt om voor de woningen en de school de volgende hogere waarden aan te vragen:

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 63

Op de onderstaande afbeeldingen is op woningniveau een overzicht van de woonblokken en van de dove gevels en geluidsluwe gevels, als ook de maatgevende overschrijdingen van de in het geluidbeleid gestelde voorkeursgrenswaarden voor wegverkeerslawaai (48 dB) of voor spoorweglawaai (55 dB) weergegeven.

Gemeente Amsterdam

blz. 64

In de regels is opgenomen dat gebouwen ten behoeve van geluidgevoelige functies uitsluitend mogen worden gebouwd indien deze ter plaatse van het betreffende aanduidingsvlak worden voorzien van een dove gevel dan wel een geluidwerende vlies voor zover is aangegeven in bijlage 1 van de regels. In deze bijlage komen bovenstaande afbeeldingen terug. Er is ook geregeld dat de woonruimtes pas mogen worden gerealiseerd indien deze over een geluidsluwe zijde beschikken. Het is mogelijk om bij omgevingsvergunning af te wijken van deze regels. Door deze regels levert het geluid geen nadelige effecten op voor de leefomgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook het stemgeluid van het schoolplein onderzocht, zie bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat aan de normen voor de gemiddelde geluidwaarden wordt voldaan. De piekgeluiden zoals die kunnen voordoen zijn wel hoger dan de hiervoor te hanteren normen. Het gaat hier echter om een beperkte overschrijding (tot 3 dB) en treedt bij een klein aantal woningen (7) op enkel in de avondperiode. Omdat gedurende de herfst- en wintermaanden het speelveld 's avonds niet wordt gebruikt (het is dan donker, er worden ten behoeve van het speelveld geen lichtmasten geplaatst)

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 65

treden bovendien de geluidsoverschrijdingen gedurende een beperkte periode in het jaar op. Een geluidwerende voorziening in de vorm van een 4 meter hoge muur is hier onwenselijk. Omdat het hier gaat om een geringe overschrijding voor een beperkt aantal woningen en gezien het belang van de komst van de school, is de geluidoverschrijding aanvaardbaar. Ten slotte is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek uitgevoerd naar het stemgeluid afkomstig van het mogelijk gemaakte terras naast de woontoren (bijlage 21, 10 juni 2022). Uit het onderzoek blijkt dat aan de geluidrichtwaarden van het Activiteitenbesluit wordt voldaan en geen aanvullende geluidmaatregelen nodig zijn. Het geluid levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan is tevens het ontwerpbesluit hogere waarden ter inzage gelegd.

4.6

Trillingen

4.6.1

Kader

Er bestaan geen wettelijke normen voor trillingshinder als gevolg van het treinverkeer over het spoor. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstraat heeft in mei 2019 de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen uitgebracht. Voor de mate van trillinghinder wordt aangesloten bij de streefwaarden uit de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen Deel B, Hinder voor personen in gebouwen Deel C, Storing aan apparatuur In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het aangewezen zijn om de trillinghinder te onderzoeken. 4.6.2

Plangebied

Door AV Consulting B.V. is onderzoek verricht naar de kans op trillinghinder ten gevolge van het rail- en metroverkeer ter plaatse van de in het plan voorziene woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 2006006641-20190906H-1 van 11 oktober 2019. Het onderzoek is als bijlage 8 bij de plantoelichting gevoegd. Ten behoeve van het onderzoek zijn er trillingsmetingen verricht conform de voorschriften uit de SBR-Richtlijn B, "hinder voor personen in gebouwen" gedurende twee representatieve weken. Uit de worst-case prognose-berekeningen blijkt dat aan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn B wordt voldaan. Het is dan ook de verwachting dat in de toekomstige nieuwbouw weinig tot geen trillingshinder zal optreden vanwege rail- en metroverkeer. Het feit dat het bouwplan sinds het vorige ontwerpbestemmingsplan gewijzigd is, doet niets aan deze conclusie af. Trillingshinder levert dus geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

Gemeente Amsterdam

blz. 66

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Kader

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie §3.1.4 luchthavenindelingsbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. Beleid externe veiligheid Het doel van het de regelgeving en beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren van de risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident.

Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. Risicovolle inrichtingen

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 67

Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing.

Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens een eventuele toename van het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. In artikel 14 van het Bevb is bepaald dat deze strook ten minste vijf meter bedraagt aan weerszijde van de buisleiding.

In artikel 5 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is bepaald deze strook ten minste 4 meter bedraagt indien het een buisleiding betreft voor aardgas met een druk Gemeente Amsterdam

blz. 68

tussen 1.600 en 4.000 kPa. Nabij het bestemmingsplangebied zijn hoge druk buisleidingen aanwezig voor het transport van aardgas (maximaal 40 bar). Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen.' Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad.

Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 4.7.2

Plangebied

In het kader van de m.e.r.-beoordeling heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied onderzoek gedaan naar de externe veiligheidsrisico's van transport over de weg -de A10 West- voor de Jan Evertsenstraat-West (26 juli 2018). Zoals in 4.1 is aangegeven, is deze beoordeling nog geldig. Uit de analyse komen de volgende resultaten: het plaatsgebonden risico is nergens hoger is dan de grenswaarde van 10-6 per jaar. Zodoende wordt voor de transportroute gevaarlijke stoffen over de weg voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico binnen het inventarisatiegebied ligt ver boven de oriëntatiewaarde in de huidige (14,5 maal de oriëntatiewaarde) en in de nieuwe situatie (16,1 maal de oriëntatiewaarde). Zodoende is de volledige verantwoording van het groepsrisico nodig. Voor de weg bedraagt de 100% letaliteitsafstand 80 m vanaf de rand van de weg. Het plangebied ligt op circa 30 m van de rand van de weg en is dus deels gelegen binnen de 100% letaliteitsafstand van de transportroute over de weg. Het bovenstaande vergt enige nuance voor zover het gaat om het plangebied van het Tennispark. Het plangebied is op circa 400 meter van de A10 west gelegen. Ontwikkelingen tot circa 200 m van een snelweg zijn relevant voor externe veiligheid. Zodoende ligt het plangebied te ver van de A10 West om relevant te zijn voor externe veiligheid.

Uit de Risicokaart blijkt verder dat het plangebied niet in het

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 69

invloedsgebied van inrichtingen, (spoor)wegen, buisleidingen, luchthavens of windmolens ligt. Er is dus geen sprake van externe veiligheidsrisico's. Nadere toetsing aan regelgeving en beleid is niet nodig.

4.8

Bodemkwaliteit

4.8.1

Kader

Wet bodembescherming Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. De Wet Bodembescherming is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). Bodemkwaliteitskaart De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld.

Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten).

De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

4.8.2

Plangebied

Conform de Bodemkwaliteitskaart behoort de grond onder Tennispark tot "Zone 1". De grond in dit gebied is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Zone 1-grond mag altijd zonder bodemonderzoek, op basis van de bodemkwaliteitskaart worden ontgraven (in principe is een melding op grond van artikel 28 Wbb vereist indien meer dan 50 m³ wordt ontgraven) en toegepast (hiervoor is altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid). De openbare weg valt in zone A. Voor deze zone kan vrijstelling van een bodemonderzoek worden verkregen worden bij graven in de weg. De spelregels hiervoor staan in de Nota Bodembeheer.

Afbeelding: bodemkwaliteit (maps.amsterdam.nl)

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 71

4.9

Magneetvelden

4.9.1

Kader

Algemeen Voor blootstelling van personen aan magneetvelden zijn er op Europees niveau meerdere normen en richtlijnen vastgesteld. De meeste normen en richtlijnen gaan uit van momentane waarden. De momentane waarde is een maximum waarde die op elk moment in de tijd kan optreden en kan direct effect hebben op de gezondheid. Daarnaast heeft Nederland op nationale niveau, specifiek voor hoogspanningslijnen met een spanning van meer dan 50 kV, een voorzorgbeleid voor langdurige gemiddelde waarden. Rijksbeleid Hoogspanningsleidingen hebben een magnetische straling. Met het oog hierop is vanuit het Rijk beleid ontwikkeld en is een advies aan gemeenten en provincies gezonden (3 oktober 2005 SAS/2005183118, verduidelijkt in de brief van 4 november 2008, kenmerk DGM/2008105664, Ministerie van VROM) over hoogspanningsverbindingen in de nabijheid van gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's (hierna: het magneetveldvoorzorgsbeleid). Het advies houdt in om bij de vaststelling van bestemmingsplannen met tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone).

Er wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de specifieke zone. Zoals ook in het advies vanuit het Rijk is opgenomen is er mogelijk een statistisch verband aanwezig tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Het gaat dan om een langdurig verblijf in 'gevoelige bestemmingen' binnen die zone. Onder het begrip "gevoelige bestemming" wordt verstaan een woning, school, crèche en kinderopvangplaats. Langdurig wil hier zeggen minimaal 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar. Er is daarom geen reden om het voorzorgbeleid uit te breiden naar bijvoorbeeld sportvelden, kinderspeelplaatsen en recreatiegebieden. Het magneetveldvoorzorgbeleid gaat over bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Wel heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak (1 februari 2017, 201603535/1/R6) gesteld dat 'de uitgangspunten die aan het magneetveldvoorzorgsbeleid ten grondslag liggen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel ook moeten worden toegepast bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen.' Toekomstig beleid In de adviesstukken van het toekomstige beleid stelt men voor om een ALARA-principe (As Low As Reasonable Achievable) te hanteren i.p.v. van de harde grens van 0,4 microTesla.

Hierbij worden per componenttype en spanningsniveau een brandbreedte meegegeven waarin maatregelen dienen worden genomen. Bij middenspanningsruimtes (MSR) is de bandbreedte 2 tot 4 meter tot de buitenmuur van het gebouw. Hierbij wordt 2 meter gezien als de afstand tot woningen die altijd vermeden moet worden en 4 meter de afstand waarbij geen maatregelen benodigd zijn. Tussen de band van 2 en de 4 meter dienen bron-maatregelen te worden genomen.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Amsterdams beleid Waar de directe gezondheidseffecten goed bekend zijn en vastgelegd zijn in de Europese publicatiebladen, is het beleid t.a.v. de langdurige effecten verschillend per land. Nederland heeft sinds 2005 een voorzorgbeleid, in andere landen zoals Duitsland en Engeland hanteert men dit beleid niet. Op 25 mei 2018 zijn er raadsvragen gesteld over elektromagnetische straling. In de beantwoording staat onder meer dat de kern van het beleid is dat er in nieuwe situaties naar wordt gestreefd dat kinderen niet langdurig verblijven op plaatsen waar de jaargemiddelde magnetische fluxdichtheid hoger is dan 0,4 microtesla. Dat betekent dat er in principe geen nieuwe gevoelige functies waar kinderen langdurig kunnen verblijven (zoals woningen, kinderdagverblijven en scholen) op die plaatsen worden gerealiseerd. (Nummer 585, Publicatiedatum 3 juli 2018). 4.9.2

Plangebied

In het plangebied is een onderstation van ProRail aanwezig, ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' in de bestemming Bedrijf. Er is een magneetveldonderzoek uitgevoerd naar dit onderstation (bijlage 20, 2 februari 2022). Uit de berekening volgt dat ter plaatse van de woningen het langdurig gemiddelde magneetveld afkomstig van het onderstation minder is dan 0,4 microTesla. Hiermee wordt voldaan aan de advieswaardes in het voorzorgbeleid t.a.v. langdurige gemiddelde magneetvelden. Ook wordt voldaan aan de huidige adviesstukken van het toekomstige beleid. De woningen in het meest nabij gelegen gebouw t.o.v. het onderstation bevinden op 11,25 meter hoogte of hoger. Met deze hoogte vallen de woningen buiten beide AMM-afstanden ('Afweging Mogelijke Maatregel', zoals beschreven in het onderzoek), waardoor er geen verdere maatregelen nodig zijn.

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 73

Hoofdstuk 5 5.1

Mobiliteit

5.1.1

Kader

Omgevingsaspecten

Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet beoordeeld worden wat de gevolgen van het plan zijn voor de bereikbaarheid, de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en de parkeersituatie. 5.1.2

Plangebied

Openbaar vervoer Deelgebied Tennispark grenst aan diverse voorzieningen van het openbaar vervoer: - Noordoostzijde: metrostation Jan van Galenstraat en tramhalte lijn 13, halte Jan van Galenstraat; - Zuidoostzijde: bus- en tramhalte (lijn 13) Jan Voermanstraat; - nacht(bus)lijn N82 via Burgemeester Röellstraat, Jan Tooropstraat en Jan Evertsenstraat.

Plus- en Hoofdnet OV; in groene k ader deelgebied Tennispark

Gemeente Amsterdam

blz. 74

Lijnenkaart, bron: GVB (uitgave januari 2021), exclusief nachtnet Langzaam verkeer Binnen de grenzen van het deelgebied Tennispark staan de voetganger en de fietser centraal. De openbare ruimte zal voornamelijk ingericht zijn op het bieden van voldoende ruimte voor deze doelgroep zodat ze zich veilig en comfortabel kunnen verplaatsen van, naar en door het plangebied. Fietsverk eer Deelgebied Tennispark wordt aan alle zijden omsloten door vrijliggende fietspaden, uitgevoerd in rood asfalt. Het fietspad ten zuiden van rijweg van Jan Evertsenstraat wordt in twee richtingen bereden. Binnen het plangebied zal een deel - tussen Jan Everstenstraat en Burgemeester Röellstraat - van de ontbrekende schakel in het fietsnetwerk gerealiseerd worden, ten westen van en parallel aan het metronetwerk (fietsverbinding via Alhambralaan/Mezquitalaan, oversteek bij Jan Evertsenstraat naar het deelgebied Tennispark en aansluiten op Burgemeester Röellstraat).

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 75

Plus- en Hoofdnet fiets Fiets- en scooterparkeren Bij de ontwikkeling van het plangebied worden fietsparkeervoorzieningen uitgewerkt conform de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter (vastgesteld 14 maart 2018). Met deze Nota kan bij nieuwe ontwikkelingen of herontwikkelingen worden voorkomen dat de parkeerbehoefte op de openbare ruimte wordt afgewenteld. Ten aanzien van het fietsparkeren bevat de nota bindende beleidsregels voor niet-woonfuncties.De beleidsregels bepalen wat de minimale eisen zijn die aan verschillende niet-woonfuncties worden gesteld aan fietsparkeervoorzieningen. Voor het realiseren van scooterparkeervoorzieningen geldt geen verplichting, maar wordt geadviseerd de normen in de nota toe te passen. Daartoe bevat de nota niet-bindende richtlijnen. Er wordt in dit geval maatwerk voor scooterparkeren toegepast, waarbij wordt aangesloten bij de parkeernormen voor auto’s voor het tennispark. Naast de richtlijnen voor het scooterparkeren, bevat de nota ook richtlijnen voor fietsparkeervoorzieningen bij woningen en richtlijnen voor de toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid van de parkeervoorzieningen voor zowel fiets als scooter. Het plangebied valt binnen de Zonekaart parkeernormen fiets in zowel zone 2 (gemiddeld fietsgebruik) als zone 3 (laag fietsgebruik).

In de planregels is opgenomen dat aan de normen voor fietsparkeren bij niet-woonfuncties, die gelden op grond van het gemeentelijk beleid, moet worden voldaan. Voetgangers De Jan Evertsenstraat, rotonde en de zuidzijde van de Jan Tooropstraat maken onderdeel uit van het Hoofdnet voetganger. Mercatorplein is Plusnetvoetganger (plein, verblijffunctie). Sloterplas is Plusnet voetganger (park). In de huidige situatie zijn langs het plangebied brede voetpaden aanwezig, uitgevoerd in tegelverharding. Langs de spoordijk aan de westzijde van het plangebied is een wandelpad aanwezig die de voetpaden langs de Jan Evertsenstraat en Burgemeester Röellstraat verbindt. In de toekomstige situatie staat zogezegd de voetganger centraal. De openbare ruimte is zo ingericht dat sprake is van een prettig wandelgebied, waarbij bijvoorbeeld langs de Burgemeester Cramergracht kan worden gewandeld.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

Figuur: Plus- en Hoofdnet voetganger (incl. Plusnet voetgangers- parken en plein) Gemotoriseerd verkeer De Jan Evertsenstraat en Jan Tooropstraat maken geen onderdeel van Plus- of Hoofdnet auto. De straten hebben een lagere verkeersfunctie (basisnet). De Jan Evertsenstraat sluit wel aan op het Plusnet auto bij de rotonde Oostoever. De Jan Tooropstraat sluit aan op Plusnet auto bij de kruising met de Jan van Galenstraat. De ontwikkeling van deelgebied Tennispark leidt tot een beperkte toename van de verkeersintensiteiten in het plangebied en op het omliggende wegennet. Het deelgebied heeft een 30 km/u-inrichting die in de toekomstige situatie behouden blijft.

Plus- en Hoofdnet auto Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten van de 4 deelgebieden binnen het projectgebied Jan Evertsenstraat-West: Mercatorpark, Tennispark, OLVG-West en Busgarage GVB (bijlage 9). De zones van Tennispark, Mercatorpark Busgarage GVB zijn in tweeën gesplitst, waardoor er 7 deelgebieden zijn en voor elk deelgebied het verkeer op één locatie op het netwerk wordt gezet. Er bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 77

zijn vijf varianten doorgerekend: 2020 autonoom (huidig) 2030 autonoom (referentie zonder het programma) 2030 plan (volledige ontwikkeling conform het programma) 2030 plan variant 1 (2030 plan en ontsluitingsscenario 1) 2030 plan variant 2 (2030 plan en ontsluitingsscenario 2). Voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen is uitgegaan van de maximum parkeernorm ("worst case"), waarbij het aantal autoverplaatsingen niet wordt beperkt door het autobezit per huishouden of door de beschikbaarheid van parkeerplaatsen. De ontsluittingsscenario's zien op het Mercatorpark (twee "knips") en zijn voor het Tennispark niet van belang. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies uit het onderzoek die van belang zijn voor het Tennispark. Het plan genereert 21.500 extra verplaatsingen per werkdagetmaal, waarvan circa 8.200 motorvoertuig verplaatsingen. Van de groei van 8.200 motorvoertuig verplaatsingen wordt 23% toegerekend aan het Tennispark, 38% aan deelgebied het OLVG en 40% aan deelgebied Mercatorpark. De ontwikkeling verandert de verdeling van het autoverkeer over de dag in twee deelgebieden, Mercatorpark en Tennispark, omdat beide locaties veel woningbouw krijgen. In de plansituatie zijn vertrekken en aankomsten in Mercatorpark gelijk en er is een dominantie van vertrekken in de ochtend en aankomsten in de avond in Tennispark.

Wat de modal split (vervoerswijzekeuze) betreft, het effect van het programma lijkt een verschuiving te zijn van de auto en OV naar actieve vervoerswijzen, zoals fietsen en lopen, hoewel het aandeel auto nog steeds vrij hoog is. Deze verschuiving ligt in lijn met het feit dat er meer bewoners bij komen in dit gebied in plaats van bezoekers, zij zullen vaker kortere trips maken. Het aantal extra verkeersbewegingen in de planvariant is relatief groot ten opzichte van de oorspronkelijke intensiteiten - dit is te verklaren door de significante ontwikkeling in alle deelgebieden. De zuidelijke route (Jan Evertsenstraat) is aantrekkelijker om het studiegebied te bereiken, met een toename van 10-16%, terwijl de noordelijke route (Jan van Galenstraat) slechts met 2-4% toeneemt. De toenemende intensiteiten op de Jan van Galenstraat van en naar het studiegebied genereren een extra vertraging voor het doorgaande verkeer dat de Ring A10 op wil. Voor een groot deel daarvan is deze route niet meer de meest optimale, daarom volgt het verkeer andere routes, waarvan de belangrijkste de Jan Evertsenstraat, Oostoever - Cornelis Lelylaan, Burgermeester de Vlugtlaan en Haarlemmerweg zijn. Dit verklaart ook een grote afname van -11% op het westelijk deel van de Jan van Galenstraat en Burgemeester Roellstraat.

De kruispunten op de routes tussen het Mercatorpark en de ringweg A10 krijgen een hogere belasting, meestal in de ochtendspits. Ondanks de stijging wordt geen van deze kruispunten van de ene categorie naar de andere verplaatst wat de totale belasting betreft. Door het verwijderen van één arm op het kruispunt Jan van Galenstraat/Orteliuskade daalt de belasting in de ochtendspits van 1,00 naar 0,89 waardoor het kruispunt op de streefwaarde komt en niet langer een potentieel knelpunt is. De conclusie is dat als gevolg van de ontwikkeling van het Tennispark geen nieuwe knelpunten ontstaan in de verkeersafwikkeling. Ontsluiting De ontsluiting van gemotoriseerd verkeer naar de woningen vindt plaats aan de zuidzijde. Binnen het deelgebied zal het gemotoriseerde verkeer direct geleid worden naar de parkeervoorzieningen. Op het maaiveld is beperkt ruimte beschikbaar voor het autoverkeer en het plan anticipeert op het minimaliseren van de aanwezigheid van auto's op maaiveld. Het plan voorziet er niet in dat het

Gemeente Amsterdam

blz. 78

gemotoriseerd verkeer rond- en/of door het plangebied kan rijden, waardoor kruisingen en conflictpunten met het langzaam verkeer geminimaliseerd zullen worden. Nood- en hulpdiensten kunnen het gebied wel bereiken. Aan de noordzijde bevindt zich ook een ontsluiting, die uitsluitend gebruikt wordt om de school en de bestaande woningen te bereiken. Parkeren Voor de uitwerking van de autoparkeervoorzieningen wordt de Nota Parkeernormen Auto, vastgesteld in 2017, aangehouden. Het belangrijkste uitgangspunt is dat bewoners en werknemers bij nieuwbouw géén parkeervergunning krijgen. Parkeerplekken komen in of onder nieuwe bebouwing, daarnaast wordt onderzocht of er parkeerplaatsen gereserveerd kunnen worden in de aanwezige parkeergarages in- en in de nabijheid van het plangebied. Binnen de Nota parkeernormen is het plangebied aangewezen als 'locatie B' en daarin gelden de volgende parkeernormen:

Overzicht parkeernormen B-locaties In de planregels is de verplichting opgenomen dat aan de parkeernormen, zoals die gelden op grond van gemeentelijk beleid, moet zijn voldaan. Op die manier is geborgd dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien en het plan niet tot parkeeroverlast leidt. Laden en lossen Laden en lossen zal zoveel mogelijk ingericht worden in de nabijheid van de voorzieningen. De nieuwe voorzieningen zullen worden geconcentreerd aan de zuidzijde van Jan Evertsenstraat. De laad- en losvoorzieningen zullen voor deze functies deels inpandig ingepast worden en deels langs de Jan Evertsenstraat. Voor woongebouwen is sprake van een steeds intensiever laden en lossen door bezorgdiensten (o.a. bezorging online bestellingen). Om ongewenste verkeersbewegingen door het plangebied te voorkomen zal aan de noordzijde ook ruimte ingepast worden voor laad- en losverkeer om aan deze behoefte te voldoen, en de bereikbaarheid van dit verkeer te waarborgen zowel aan de noord- als aan de zuidzijde.

5.2

Water

5.2.1

Kader

Algemeen

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 79

Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, conform de watertoets. De watertoets is een instrument dat water huishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium in gesprek brengt. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: 1. De verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken. 2. De verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Het doel van de watertoets is waarborgen dat water huishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in acht worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

De watertoets heeft betrekking op alle water huishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de toelichting, verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen. Het behalen van de KRW doelstellingen is een gezamenlijke inspanningsverlichting van alle overheden. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal.

Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Keur Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV,1 november 2019) Het plangebied valt binnen het beheersgebied van AGV zodat de Keur AGV van toepassing is. De Keur is gericht op het beschermen van waterstaatswerken en -keringen, de water aan- en –afvoer, het voorkomen van wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de Keur zijn verschillende geboden en verboden opgenomen voor de manier van Gemeente Amsterdam

blz. 80

inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers, wateren en verhard oppervlak. Bestuursakkoord Water 2011 In mei 2011 sloten het Rijk, de provincies, het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen en de vereniging van waterbedrijven Nederland het Bestuursakkoord water (BAW). Het BAW is gebaseerd op het Nationaal bestuursakkoord water (NBW) uit 2001, de actualisatie van het NBW (2008), het bestuursakkoord waterketen (2007). Thema's die in het BAW aan de orde komen zijn onder andere: - Doelmatig beheer van de waterketen; - Werkzaamheden slim combineren; Dit programma heeft, naast kostenbesparing, ertoe geleid dat overheden onderling doelmatiger samenwerken en aandacht hebben voor het effect van klimaatverandering op het waterbeheer en de participatie daarop bij ruimtelijke ontwikkelingen. Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) Het NWP is het rijksplan voor het waterbeleid. Het nieuwe NWP 2016 - 2021 beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Bij de ontwikkeling van locaties in de stad wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo gelijk blijft of toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden.

Watervisie Amsterdam 2040 In 2016 is Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld.11 Hierin zijn ambities vastgelegd om water beter toegankelijk en beleefbaar te maken. Hieronder valt o.a. meer zwemwater en recreatie aan het water en het uitbreiden van het lokaal recreatief vaarnetwerk (kanoroutes). Waterbeheerplan waterschap AGV 2016-2021 Het beleid van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AVG) is verwoord in het Waterbeheerplan AGV 2016-2021 'Waterbewust en waterrobuust'. In dit beheerplan worden de hoofdtaken van het waterschap behandeld, namelijk waterveiligheid, voldoende water en schoon water. Voor elk van deze thema's zijn de wensbeelden voor 2030, de doelen en de aanpak op hoofdlijnen aangegeven. Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam en Omgevingsprogramma Riolering De grondwaterzorgplicht in Amsterdam is uitgewerkt in het beleid van het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRPA) 2016-2021. De gemeente Amsterdam geeft hierin weer wat het beleid is ten aanzien van de grondwaterzorgplicht, die door Waternet wordt uitgevoerd in opdracht van de gemeente. De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater; de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; het nemen van grondwatermaatregelen, mits doelmatig.

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 zal worden opgevolgd door het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027. Deze opvolger geeft uitwerking aan opgaven en ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie en wordt een nieuw uitvoeringsgericht beleidskader voor de uitvoering van gemeentelijke watertaken rond stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater.

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 81

Paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders In lijn met het vastgestelde Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam is het paraplubestemmingsplan op 7 oktober 2021 vastgesteld. Amsterdam kent een aantal gebieden met een delicate grondwatersituatie en de gemeente wil mogelijke negatieve gevolgen voor het grondwater door de bouw van kelders voorkomen. De grondwater-gevoeligheid van de stad en de gevolgen van de klimaatverandering nopen tot publiekrechtelijke regulering van ondergrondse bouwwerken, ongeacht of dit in openbaar gebied of op particulier terrein is, omdat grondwater zich niet houdt aan perceelgrenzen. Hemelwaterverordening In mei 2021 is de hemelwaterverordening vastgesteld. Om de sponswerking van de stad te vergroten is hierin o.a. opgenomen dat nieuwbouw een hemelwaterberging moet hebben. 1. Een hemelwaterberging: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en c. is na 60 uur leeg. 2. Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a. b. c. d.

heeft ten minste een capaciteit van 90 liter per m2 bebouwd oppervlak; loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; is na 60 uur voor ten minste 30% leeg; en leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem.

3. Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op een vergunningsvrij bouwwerk met een groen dak. 5. Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd. 6. Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte. Naast deze hemelwaterverordening bestaat de Keur van het Waterschap. De Keur is een verordening met daarin voorschriften voor ontwikkelingen van meer dan 1.000 m2. Daarbij geldt een verplichting tot compensatieberging. De twee verplichtingen staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar. Door bij ontwikkelingen groter dan 1000 m2 te voldoen aan de verplichting uit de hemelwaterverordening, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de Keur en alleen door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de Keur niet geldt, kan de gemeente het doel uit het Gemeentelijke Rioleringsplan bereiken. 5.2.2

Plangebied

Voor de beoogde ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd (bijlage 10, 17 november 2021), waarbij alle waterthema's behandeld worden: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en waterveiligheid. Hieronder worden de belangrijkste onderdelen weergegeven. In aanvulling op de watertoets wordt nog opgemerkt dat in het ontwerp van de openbare ruimte rekening is gehouden met het beleid uit het OPR (Omgevingsprogramma Riolering 2022 -2027). Een belangrijk Gemeente Amsterdam

blz. 82

aandachtspunt hierbij is dat rekening is gehouden met een ontwateringsdiepte van 90 cm. Waterveiligheid Het plangebied ligt binnen Dijkring 14. Voor deze dijkring is in de Waterwet een overstromingsrisico van 1/10.000 jaar bepaald. Dat is de kans op overschrijding van de waterstand die veilig gekeerd moet kunnen worden. Deze kans is niet gelijk aan de overstromingskans van het gehele dijkringgebied. Het plangebied kent geen onaanvaardbare of onevenredige overstromingsrisico's. Het gebied ligt niet in een waterkering of binnen de beschermingszones van een waterkering. Oppervlaktewater en nautiek Het oppervlaktepeil van de watergangen rond het gebied blijft gelijk. Er zijn geen dempingen van het oppervlaktewater voorzien. De voetgangersbrug aan de zuidwestzijde van het gebied blijft behouden evenals de voetgangers- en fietsbrug aan de zuidoostzijde. Tussen deze twee bruggen is een nieuwe brug voorzien ter ontsluiting van het plein binnen het gebied. Ook aan de noordwestzijde is een brug voorzien ter ontsluiting van de noordzijde van het gebied. Het gebied ligt binnen het zoekgebied voor het uitbreiden van het lokaal recreatief vaarnetwerk. Het ontwerp van de bruggen dient te worden afgestemd met de nautische afdeling van de gemeente Amsterdam zodat voldaan wordt aan nautische eisen, zoals het doorvaartprofiel en de doorvaarthoogte.

Daarnaast moet het ontwerp ook worden afgestemd met het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) vanwege het doorstroomprofiel van het watergang en oegankelijkheid bij onderhoud van de watergang (verantwoordelijkheid van AGV). Hetzelfde geldt indien de bestaande brug wordt aangepast. Het aanleggen van nieuwe bruggen is vergunningsplichtig. Watercompensatie De Keur AGV12 stelt dat oppervlaktewater dat gedempt wordt, 1 op 1 moet worden teruggebracht in hetzelfde watersysteem. Bij een toename van verhard oppervlak met meer dan 1.000 m2 in stedelijk gebied moet worden gecompenseerd door nieuw oppervlaktewater te graven ter grootte van 10% van de verhardingstoename binnen hetzelfde peilsysteem. In overleg met de waterbeheerder is een alternatieve waterbergingsvoorziening ter compensatie van de toename van verharding eventueel ook een optie, mits kan worden aangetoond dat dit een gelijkwaardige watercompensatie is en de waterhuishouding op orde is. Bij alternatieve waterberging moet 70 mm/m2 worden geborgen. De hemelwaterverordening, zoals eerder beschreven, is complementair aan de watercompensatieregels. Hier wordt 60 mm/m2 bebouwd oppervlak geëist. In het plangebied vindt een verhardingstoename plaats. Een verhardingstoename van 7.605 m2 wordt veroorzaakt door de nieuwbouw. Op alle nieuwbouw (9957 m2) is de hemelwaterverordening van toepassing.

Daarnaast is er een verhardingstoename van 2668 m2 door de aanleg van rijwegen en trottoirs. In navolging van de Keur dient de verhardingstoename gecompenseerd te worden door het aanleggen van extra oppervlaktewater (10% van de verhardingstoename). Echter wordt de nieuwbouw binnen het plangebied waterneutraal te worden aangelegd conform de hemelwaterverordening. Met Waternet is afgestemd dat de Hemelwaterverordening complementair is aan de Keur en daarmee als alternatieve waterberging mag dienen. De volgende watercompensatie voor Tennispark is afgestemd met Waternet. De compensatie voor toename van verharding door nieuwbouw wordt geregeld door de hemelwaterverordening. De toename van verharding door rijweg/trottoir wordt gecompenseerd conform de Keur. Zodoende dient een oppervlakte van (2668*10%) = 267 m2 oppervlaktewater te worden gegraven voor de ontwikkeling van

bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)

blz. 83

Tennispark. Aandachtspunten zijn dat een verhardingstoename wel vergunningsplichtig blijft. Daarnaast benadrukt Waternet dat indien voor de nieuwbouw een hemelwaterberging met hergebruikssysteem wordt aangelegd, 90 mm/m2 bebouwd oppervlak moet worden geborgen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied wordt ca. 441 m2 extra oppervlaktewater gegraven. Dit wordt aangelegd in de vorm van verbreding van de zuidelijke watergang langs de Jan Evertsenstraat. De verbreding wordt aangelegd ten zuiden van het busstation. De bestaande watergang wordt uitgebreid naar de noordzijde (N.B.: buiten het plangebied van Tennispark), zie onderstaande figuur. Dit nieuwe wateroppervlakte wordt initieel ingezet worden om de verhardingstoename in het plangebied Tennispark te compenseren. Dit nieuwe oppervlaktewater is nog niet ingezet ter compensatie in andere ontwikkelgebieden. Voor een toename van verharding en het graven van watergangen is een watervergunning nodig. Het eventuele overschot aan gegraven oppervlaktewater kan, na compensatie voor Tennispark, worden ingezet voor de ontwikkeling van andere gebieden ten noorden van de Jan Evertsenstraat.

Locatie v an nieuw te grav en opperv laktewater

Waterkwaliteit

Gemeente Amsterdam

blz. 84

De huidige waterkwaliteit mag niet verslechteren door de ontwikkelingen. Zoals eerder beschreven wordt het nieuwe oppervlaktewater aangelegd ten zuiden van het busstation door middel van een verbreding naar het noorden. Na uitbreiding van de watergang wordt aan de noordzijde wederom een talud aangebracht, waar mogelijk wordt dit een natuurvriendelijke oever. Waterschap AGV heeft hierover advies gegeven. Ten zuiden van het Tennispark wordt de noordelijke oever vervangen door een kademuur (waterdoorlatend). Waternet geeft aan dat werkzaamheden in de beschermingszone van de primaire watergang (5 m breed vanaf de insteek van de oever) vergunningsplichtig is. De aanleg van de kade valt daar ook onder. Geadviseerd wordt vooroverleg met de vergunningverlener van Waternet te hebben. De zuidelijke oever ten zuiden van het Tennispark is aangemerkt als natuurvriendelijke oever. Hier worden geen veranderingen aangebracht. Daarnaast is de Sloterplas een KRW-waterlichaam waar een hoge fosfaatbelasting aanwezig is. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de fosfaatbelasting van de Sloterplas. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om de waterkwaliteit te verbeteren. Grondwater In het rapport ‘Grondwatertoets Jan Evertsenstraat’ is eerder al gekeken naar het grondwatersysteem nabij de Jan Evertsenstraat.13 Hierin is een eerste configuratie kelders doorgerekend. a.

Uitgangspunten Belangrijke uitgangspunten zijn: Ca. 70% van het plangebied verhard wordt. Hierbij is uitgegaan van het plangebied minus het oppervlak van oppervlaktewater om een goede inschatting ter plaatse van de bebouwing te gebruiken. Geen actieve infiltratie plaatsvindt op de kavels. De nieuwe kelders zijn meegenomen als grondwaterneutraal, conform het paraplubestemmingsplan. Indien de huidige kades of oevers worden vervangen is het belangrijk dat een waterdoorlatende oever- of kadeconstructie wordt aangebracht. Dit is een voorwaarde om een werkend grondwatersysteem te hebben. Voor de langere termijn is klimaatscenario WH2085 meegenomen. Overige uitgangspunten zijn beschreven in de Grondwatertoets.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12030227/1