A - 14 Ruimtelijke Ordening (22) 9. Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tenn
Tekst van het document
b. Barrièrewerking Voor bestaande gebieden geldt dat er geen verslechtering van de grondwaterstandsituatie mag optreden. De regels voor grondwaterneutraal bouwen zijn ook vastgelegd in het bovengenoemde paraplubestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders". Indien ter plaatse van het Tennispark Sloterplas een kelder tot een oppervlak van 300 m2 wordt aangelegd geldt dat, conform het afwegingskader een vaste kD (doorlaatvermogen) van 10 m2/dag wordt geëist. Dit houdt in dat kelderbouw tot 300 m2 is toegestaan indien dit doorlaatvermogen van de bodem wordt aangebracht. Maatregelen moeten worden genomen op eigen kavel. Bij kelders groter dan 300 m2 geldt maatwerk. De bouwplannen worden getoetst door Waternet. Hierbij geldt dat grondwater op eigen terrein moet kunnen blijven stromen en de grondwaterstand ongewijzigd blijft. Dit dient aangetoond te worden met een geohydrologisch rapport. In dit gebied geldt voor de kelders maatwerk. Uit de grondwatertoets is gebleken dat de aanleg van ondergrondse werken binnen het gebied een bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 85
duidelijk negatief effect heeft op de grondwaterstand door barrierewerking. Langgerekte kelders in noord-zuidrichting in dit gebied blokkeren de zuidwestelijk gerichte grondwaterstroming. Om negatieve grondwatereffecten te voorkomen dient de ondergrondse constructie te worden gecombineerd met maatregelen onder en/of naast de kelder om grondwaterstroming mogelijk te maken (grondwaterneutraal bouwen). De grondverbetering wordt ook geadviseerd indien direct op het huidige maaiveld wordt gebouwd. c. Maaiveld en vloerpeilen Het plangebied Tennispark is doorgerekend met een grondwatermodel, zie onderstaande figuur.
Grondwaterstanden in pieksituatie (GHG) in m NAP: Links: kortere termijn toekomstscenario Tennispark met grondwaterneutrale kelders en zonder klimaatv erandering. Rechts: Lange termijn toekomstscenario Tennispark met grondwaterneutrale kelders en Klimaatscenario2085
De geadviseerde maaiveldhoogtes in onderstaande figuur zijn de minimale benodigde hoogtes om op de lange termijn 90 cm ontwatering te behouden in pieksituatie. Hierbij is rekening gehouden met klimaatverandering. Aan de noordzijde moet de gebiedsontwikkeling echter aansluiten bij de huidige bebouwing. Ook de bestaande bruggen aan de zuidzijde kunnen een beperking vormen voor de inrichtingsmogelijkheden. In het kader van rainproof inrichten dienen vloerpeilen van nieuwe gebouwen minimaal 10 cm hoger te liggen dan het gemiddelde aanliggende maaiveld. Op die manier wordt voorkomen dat binnen de panden waterschade ontstaat bij extreme neerslag.
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Geadv iseerde minimale maaiv eldhoogtes (90 cm ontwatering) in m NAP op basis v an v erwachte grondwaterstanden in toekomstscenario op lange termijn (inclusief klimaattoeslag)
d. Stedenbouwkundige plannen In de volgende figuur is een doorsnede van het huidige stedenbouwkundig plan weergegeven. Aan de waterzijde komen verhoogde woningen met een kruipruimte. Het vloerpeil hier wordt NAP 0,0 m. Hiermee wordt voldaan aan een ontwatering van 90 cm of meer. Deze kruipruimte is ook door de ontwikkelaar afgestemd met Waternet. De openbare ruimte wordt verhoogd aangelegd op NAP +0,7 m. Onder een deel van de bebouwing komt een ondergrondse kelderconstructie. Hier wordt grondverbetering toegepast in het kader van grondwaterneutrale kelders. Naast de gracht komt een smalle strook openbare ruimte met een maaiveldhoogte van NAP -0,9 m oplopend naar het noorden naar NAP -0,1 m. Dit zijn bestaande bomen. Naar verwachting hebben de bomen een ontwatering van 70 a 90 cm. De ontwatering kan in de toekomst afnemen vanwege klimaatverandering, echter dan zijn de bomen reeds geworteld. Het fietspad naast het spoortalud blijft verhoogd liggen. Aan de zuidzijde wordt een kadeconstructie voorzien. Deze wordt waterdoorlatend uitgevoerd, waardoor het geen barrière voor het grondwater vormt. Samenvattend voldoen de stedenbouwkundige plannen aan het beleid.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 87
Doorsnede v an stedenbouwkundig plan met v loerpeilen. Doorsnede v an oost (Cramergracht) naar west (metrotalud)
Rainproof De bebouwing op de kavels zal moeten voldoen aan het beleid over de hemelwaterzorgplicht14 en aan de Hemelwaterverordening. Verder wordt met betrekking tot klimaatadaptatie ingezet op een aantal principes:15 Waterneutrale gebouwen die, tot neerslaggebeurtenissen van 60 mm/uur, hemelwater kunnen vasthouden en vertraagd afvoeren. Hiermee wordt aangesloten op de hemelwaterverordening voor nieuwbouw. Waterberging kan op het gebouw plaatsvinden of inpandig. In het stedenbouwkundig plan wordt aangegeven dat 528 m3 waterberging beschikbaar is, aangebracht op de daken. Onderzocht wordt of waterberging kan plaatsvinden onder de tennisbanen. Daarnaast wordt bekeken of het water kan worden ingezet ter bevochtiging van de tennisbanen en openbaar groen. De waterberging en de afvoer van het hemelwater in relatie tot het openbare groen worden in het definitief ontwerp verder uitgewerkt. Het toepassen van verhoogde vloerpeilen op de bouwkavels ten opzichte van het maaiveldhoogte van de omgeving. Naast de gevel worden grassen, struiken en eerste orde bomen gepland om o.a. hittestress tegen te gaan. Het ontwerp van de (verhoogde) openbare ruimte dient conform het GRPA rainproof te worden ingericht. Samenvattend wordt in de gebiedsontwikkeling rekening gehouden met rainproof en klimaatbestendigheid. Het gebied wordt niet gezien als droogtegevoelig.
Het is gelegen in een overgangsgebied van boezempeil naar polderpeil, waardoor er een aanvoerende grondwaterstroming is. Ook laten de peilbuismetingen en grondwatermodelleringen zien dat er relatief hoge grondwaterstanden in het gebied kunnen voorkomen. Indien het wenselijk is om toch actief te infiltreren, moet hier zorgvuldig naar worden gekeken om de effecten op de grondwaterstanden in kaart te brengen. Nabij de watergangen zijn er meer mogelijkheden om te infiltreren. Riolering In nieuwe en te herontwikkelen gebieden in Amsterdam is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel de norm (GRPA 2016-2021). Bij een gescheiden rioleringsstelsel wordt het regenwater gescheiden
Gemeente Amsterdam
blz. 88
gehouden van het afvalwater. De (hemelwater)riolering dient een bui van circa 20 mm in 1 uur te kunnen verwerken (bui 8). Bij nieuwe leidingwerken dient contact op te worden genomen met Waternet.
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Kader
Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet omvat zowel roerend als onroerend erfgoed en is per 1 juli 2016 van kracht geworden. In de Erfgoedwet staat: hoe met erfgoed wordt omgegaan; wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op wordt gehouden. De Erfgoedwet is een integrale wet waarin musea en collecties, monumenten en archeologie worden beschermd. Het ruimtelijk aspect van erfgoed zal worden geregeld in de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. Daardoor is er nu sprake van overgangsrecht, waardoor bepaalde artikelen uit de Monumentenwet 1988 nog even van kracht blijven. Om archeologische resten te beschermen zijn gemeenten verplicht in bestemmingsplannen rekening te houden met bekende en verwachte archeologische waarden en verwachtingen. Op die manier wordt archeologie meegenomen in het ruimtelijke afwegingskader. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan archeologie daardoor een rol spelen. Voorheen werd archeologie in de Monumentenwet 1988 geregeld, maar deze wet is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet, waarin het behoud en beheer van het cultureel erfgoed is vastgelegd.
Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft hier verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.
Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 89
bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016).
Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Wederopbouwgebied van nationaal belang: Westelijke Tuinsteden De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dertig wederopbouwgebieden geselecteerd uit de periode tussen 1940 en 1965. In deze periode is een groot deel van Nederland opnieuw ingericht. Dat gebeurde op een totaal andere manier dan vóór de oorlog. De geselecteerde gebieden geven met elkaar een goed beeld van hoe er gedacht, gebouwd en ingericht werd. Deze gebieden worden beschouwd als toonbeelden van de wederopbouwperiode. Ze onderscheiden zich nationaal of zelfs internationaal, bijvoorbeeld vanwege de kwaliteit van de architectuur of als bijzonder voorbeeld van stedenbouw of landschapsinrichting. De Rijksdienst heeft de gebieden in drie gebiedstypen ingedeeld: de wederopbouwkernen (de herstelde oorlogsschade), de naoorlogse woonwijken (de planmatige, stedelijke uitbreidingswijken) en de landelijke gebieden (agrarische ruilverkavelings- en landinwrichtingsgebieden). De bouw van deze uitbreidingswijken kwam na de oorlog op gang om het tekort aan woningen op te vangen.
Kenmerkend is dat het vaak gaat om grootschalige uitbreidingen met seriematige of herhaalde bouwblokken: veel rijtjeswoningen en gestapelde meergezinswoningen. De wijken zijn ruim opgezet en hebben een groen karakter. Ze kennen vaak eigen voorzieningen op loopafstand bij elkaar: winkels, scholen, kerken en gezondheidszorg. Dit in tegenstelling tot veel vooroorlogse buurten met gesloten bouwblokken in smalle straten met een winkeltje op de hoek en weinig groen. De Westelijke Tuinsteden zijn ontworpen op basis van vooruitstrevende principes, met als resultaat woonwijken van uitzonderlijk hoge kwaliteit.16 Er is een intentieverklaring van de de colleges van B&W van de 30 Wederopbouwgebieden en het Rijk. Hierin staat dat de gemeenten de kernkwaliteiten zoals die indicatief omschreven staan in de Visie Erfgoed en Ruimte, als onderdeel van een ontwikkelingsgerichte bescherming zullen borgen in ruimtelijk beleid, voor zover dat al niet gebeurd is. Tevens is opgenomen dat de gemeenten bij de uitvoering van artikel 3.1.6. vijfde lid van het Besluit op de ruimtelijke ordening onder meer zullen aangeven op welke wijze er met cultuurhistorische waarden uit de Wederopbouwperiode rekening is gehouden. Beschermde stads- en dorpsgezichten Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn een ruimtelijk en architectonisch geheel van historische
Gemeente Amsterdam
blz. 90
waarde. Bij beschermde gezichten wordt onderscheid gemaakt tussen van rijkswege beschermde gezichten en van gemeentewege aangewezen gezichten. Met de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht wordt een erkenning gegeven aan de uitzonderlijke cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van een gebied. Het gaat om waardevol erfgoed waarvan de bijzondere waarden voor nu en in de toekomst behouden zouden moeten blijven. De bestaande kwaliteiten zijn vaak een belangrijke reden dat men graag in deze wijken of gebieden woont en werkt, bewoners zijn vaak trots op hun omgeving en voelen zich ermee verbonden. De bescherming van een gezicht heeft betrekking op de historisch waardevolle structuren. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en kleinere ingrepen die passen in de historische omgeving, mogelijk blijven. Ook kan het gebruik van een gebouw veranderen, wanneer dit past in het historisch gegroeide karakter. Het is dus niet zo dat er straks na de aanwijzing niets meer mag veranderen in het gebied. Een belangrijk gevolg van de aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht is dat de gemeente 'beschermende bestemmingsplannen' moet opstellen voor het aan te wijzen gebied, zodat de cultuurhistorische waarden worden beschermd via ruimtelijke en stedenbouwkundige bepalingen.
De ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijzen van rijkswege beschermde gezichten aan. De gemeenteraad of stadsdeelraad, en de Raad voor Cultuur, Gedeputeerde Staten en de Rijksplanologische Commissie hebben daarbij een adviserende rol. Gemeentelijk beschermde gezichten worden aangewezen door de raad. Deze kan zich laten adviseren door Monumenten en Archeologie. Amsterdam heeft drie rijksbeschermde stadsgezichten en drie rijksbeschermde dorpsgezichten. Het centrum van Amsterdam binnen de Singelgracht (op 1 februari 1999), Amsterdam-Noord (op 3 maart 2014) en Plan Zuid (op 4 oktober 2017) zijn aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Durgerdam, Ransdorp en Holysloot zijn in 1976 aangewezen als rijksbeschermde dorpsgezichten. Daarnaast heeft Amsterdam twee gemeentelijk beschermde stadsgezichten en een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Het Van Eesterenmuseum (sinds 2008) en de Noordoever van de Sloterplas (op 18 oktober 2017) in Amsterdam Nieuw-West zijn aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht en het dorp Sloten is (op 18 oktober 2017) aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. 5.3.2
Plangebied
Archeologie Door M&A is in juni 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de historisch-geografische en archeologische inventarisatie binnen het plangebied materiële overblijfselen zijn te verwachten die samenhangen met bewoning/ontginning van de Sloterpolder vanaf de 11de/12de eeuw. Bewoningssporen vanaf de 17de eeuw van de Sloterdijkermeerpolder kunnen voorkomen in de westelijke zijde van het plangebied, vooral aan weerszijden van de Sloterdijkermeerweg die gedeeltelijk nog binnen het plangebied ligt. Binnen het hele plangebied dient echter rekening te worden gehouden met recente verstoringen door grootschalige ophogingen, de aanleg van de metro- en spoorbaan en de realisatie van de gracht die tegenwoordig door het plangebied stroomt. Binnen het plangebied geldt één archeologische beleidszone: Beleidsvariant 11 (terreinen met een lage verwachting die zijn opgehoogd): uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij alle bodemingrepen.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 91
Voor deze beleidszone is logischerwijs geen dubbelbestemming opgenomen. Voor het gehele onderzoeksgebied geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Cultuurhistorie Zoals volgt uit 2.1 ligt het plangebied voor een klein deel in het gebied van het beschermd stadsgezicht "Noordoever Sloterplas": de zorgvuldige compositie van de drie hoogbouwflats op de kop van de Sloterplas, een van de meeste iconische beelden van de Westelijke Tuinsteden. Om dit veilig te kunnen stellen is hier de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 opgenomen. In 5.5 (Hoogbouwaspecten) wordt ingegaan op de zichtbaarheid van dit project vanuit het beschermd stadsgezicht en de bestaande stad. Het plangebied ligt verder grotendeels in het Wederopbouwgebied van Nationaal belang "Westelijke Tuinsteden". Zoals gezegd zijn door de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed eisen opgesteld rondom dit gebied. De beoordeling van plannen is door het Ministerie overgedragen aan de gemeente Amsterdam.
In Amsterdam is er de waarderingskaart AUP-gebieden, waar de bebouwing gewaardeerd is met een ordewaardering, van basisorde oplopende via orde 3 en orde 2 naar orde 1. Deze kaart wordt door welstand gebruikt om bouwplannen te beoordelen. Verder wordt in de AUP-gebieden buiten de beschermde stadsgezichten en buiten het Wederopbouwgebied van nationaal belang het welstandsniveau 'Eenvoudig' gehanteerd. In het Wederopbouwgebied van nationaal belang wordt echter het hogere welstandsniveau 'Bijzonder' gehanteerd. Er is geen cultuurhistorische verkenning van het hele Wederopbouwgebied van nationaal belang opgesteld, maar wel van vijf deelgebieden ervan (waaronder het Tennispark). De cultuurhistorische verkenning "Tennispark Sloterplas Jan Evertsenstraat") is in mei 2019 uitgevoerd en aangevuld in september 2019. Het rapport is als bijlage 12 bij de toelichting gevoegd.
Uit de analyse komen een aantal aanbevelingen naar voren, die samengevat luiden: onderzoek het effect van de hoogbouw die in het plangebied is voorzien op het beschermde stadsgezicht Noodoever Sloterplas vanuit diverse gezichtspunten rondom de Sloterplas en in de Jan Evertsenstraat; houd rekening met de cultuurhistorische waarde van de bruggen en kades in het plangebied; behoud de bomenstrook lang de Burgemeester Cramergracht; maak gebruik van de gracht aan de Jan Evertsenstraat in de vormgeving van het profiel van de stadstraat en houdt voldoende afstand tot bebouwing om de oever te kunnen benutten als buffer en te kunnen ervaren; versterk de groene route langs het spoor; zorg bij wijzigingen aan het plein aan de August Vermeylenstraat voor het behoud van de samenhang met de twee hoog gewaardeerde woongebouwen en met de stedenbouwkundige opzet van de Burgemeester Röellstraat. Zoals in 2.3 (Ontwikkelingen) te lezen is, is voor het projectgebied Jan Evertsenstraat-West door het college van B&W een projectnota vastgesteld waarbij de ambitie is om te komen tot een vitaal en levendig, stedelijk woon-werkmilieu met circa 3.200 woningen. Het college heeft er in dit geval voor gekozen om dit belang voorop te stellen. Er is echter in het bouwplan wel degelijk aandacht aan het Wederopbouwgebied besteed, naar aanleiding van de aanbevelingen van MenA en de (openbare)
Gemeente Amsterdam
blz. 92
adviezen van de interne Commissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. In haar advies van 25 juni 2021 jl. geeft de Commissie aan de vastgestelde beleids- en projectdocumenten die sterk sturen op het bijbouwen van woningen op deze plek in de directe nabijheid van het westelijke metrotracé als uitgangspunt te nemen. Er is zo veel als mogelijk getracht met bovenstaande aanbevelingen, adviezen en ambities rekening te houden in het ontwerpbestemmingsplan. Het streven is om een aan de tuinstedelijke opzet verwante stedelijke structuur van groenblauwe grijze netwerk te behouden en te verbeteren. Specifiek in dit gebied gebeurt dat aan de randen van het plangebied. Binnen het plangebied in een hoge dichtheid met een rustig autovrij en zo groen mogelijk karakter in de semi openbare ruimte en door herordening van het bestaande plein in een groen schoolplein. Daarnaast komt er levendigheid aan de Jan Evertsenstraat en wordt zoveel mogelijk samenhang gezocht met de bestaande woningen en het gebied ten westen van het Tennispark. Zo fungeert dit deelgebied als een overgangszone tussen de tuinsteden en het meer stedelijk milieu binnen de ring van Amsterdam. De meer compacte stad wordt hier zichtbaar.
5.4
Natuurbescherming
5.4.1
Kader
Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Stikstofdepositie In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie.
Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Daarom dient voor nieuwe projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet wijzigt een aantal bepalingen van de Wet Natuurbescherming. Met deze wetswijziging is onderzoek naar de stikstoftoename tijdens de bouwfase niet meer nodig, alleen tijdens de gebruiksfase. Elke toename in stikstofdepositie van meer dan 0 mol/ha/jaar op een overbelast stikstofgevoelig instandhoudingsdoel (habitattype of leefgebied) is in potentie een significant effect. Een dergelijke toename in stikstofdepositie betekent daardoor dat het project niet zonder meer vergunbaar is onder de bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 93
Wet natuurbescherming. Ook voor plannen moeten effecten op natuur onderzocht worden, omdat bij het vaststellen van een bestemmingsplan al duidelijk moet zijn of het plan uitvoerbaar is. Als al in de planfase blijkt dat uitvoering van eventuele projecten zou leiden tot een teveel aan stikstofdepositie en een onvergunbare situatie onder de Wnb, dan is het niet mogelijk om het (bestemmings)plan in die vorm vast te stellen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen.
Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. De Omgevingsvisie 2050 stelt dat de hoofdgroenstructuur uit de Structuurvisie 2040 nog van kracht blijft totdat er vervangend beleid is vastgesteld. De Hoofdgroenstructuur omvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool. Die gebieden vervullen een onmisbare functie, niet alleen voor de verbetering van het leefklimaat, de luchtkwaliteit en de waterhuishouding, maar ook voor de bio-diversiteit, groene recreatie en de voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn daarnaast belangrijke aspecten. In de Hoofdgroenstructuur zijn de gebieden opgenomen waar de functies groen en groene recreatie voorop staan.
Woningbouw, werkgerelateerde functies, wegenaanleg of het vestigen van voorzieningen die verkeer aantrekken of die ten koste gaan van groen, zijn niet in overeenstemming met de doelstellingen van de structuurvisie. Ingrepen die de recreatieve gebruikswaarde en/of de natuurwaarde of andere functies van het groen verhogen, worden juist gestimuleerd. Ecologische structuur, Amsterdams beleid Een uitwerking van de "Structuurvisie 2040" is de ecologische visie. Deze is in juli 2012 door de Gemeenteraad vastgesteld. De onderstaande kaart laat de ecologische structuur zien, zoals die door (grondgebonden) dieren wordt gebruikt. Er is de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in de ecologische zones, behalve voor de versterking van de biodiversiteit is het voor bewoners een belangrijke mogelijkheid om in de buurt te recreëren of even te bekomen van de bruisende stad. De ecologische hoofdstructuur is al voor een groot deel ingericht, echter zijn er nog wel een aantal knelpunten in de vorm van infrastructuur of onvoldoende natuurlijke inrichting. Doel is om deze barrières voor dieren weg te nemen en waar mogelijk de kwaliteit van het groen te verbeteren. Het uitgangspunt is
Gemeente Amsterdam
blz. 94
om werk met werk te vervolmaken, wanneer projecten in of nabij de ecologische structuur afspelen dient er altijd een stadsecoloog te worden betrokken in het proces om de kansen te benutten. Bomenverordening en Nota Compensatie en herplant van bomen De Bomenverordening is sinds 1 oktober 2016 van kracht en geldt voor de hele gemeente. Met behulp van de bomenverordening zorgt de gemeente ervoor dat het volume van het bomenbestand in de stad behouden blijft en dat er zorgvuldig wordt omgesprongen met de bomen. In de verordening staan regels over bijvoorbeeld kap, behoud, bescherming, handhaving en compensatie van bomen. In artikel 7 staat de Herplantplicht, waarbij het mogelijk is om bomen fysiek (één op één) te compenseren of als dat niet mogelijk is dat de monetaire waarde wordt gestort in het gemeentelijk herplantfonds. In de nota Compensatie en herplant van bomen wordt dit verder uitgewerkt. 5.4.2
Plangebied
In oktober 2021 is voor het projectgebied Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is nagegaan of vanuit de Flora- en faunawet (thans: Wet natuurbescherming) consequenties zijn voor het plangebied Jan Evertsenstraat-West en met welke soorten er rekening moet worden gehouden bij de toekomstige ruimtelijke ingrepen. Tevens is gekeken naar gebiedsbescherming. Het rapport is als bijlage 13 bij de toelichting gevoegd. Het onderzoek is vooral gericht op die soorten waarvoor ontheffing nodig is: vogelsoorten waarvan het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is (sperwer, buizerd), de aanwezigheid van beschermde vis- en amfibiesoorten, verblijfplaatsen van vleermuizen en de aanwezigheid van groeilocaties van beschermde planten. De belangrijkste conclusies zijn: a. Aanwezigheid van vleermuizen is niet uit te sluiten. Er is vervolgonderzoek nodig om na te gaan of in de uitvoeringsfase en gebruiksfase verstoring zal zijn van de vliegroute/foerageergebied van vleermuizen. b. Er is vervolgonderzoek nodig om na te gaan of verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen worden aangetast/vernietigd. c. In het plangebied zijn wel nesten aangetroffen van algemene broedvogels waarvan het nest alleen tijdens het broedseizoen is beschermd (ekster). d. In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. e.
In het plangebied zijn geen beschermde vissen en/of amfibieën aanwezig. Verder bevindt het onderzoeksgebied zich niet in de nabije omgeving van een Natura 2000-gebied en ligt het niet in de Hoofdgroenstructuur. Het ligt echter wel in de Ecologische structuur van Amsterdam. Naast de bestaande bruggen voor voet- en fietsgangers, komt hier een brug voor gemotoriseerd verkeer, voor de toegang naar de parkeergarage. Er zal worden nagegaan of en welke maatregelen nodig zijn om de omvang en de functie van de ecologische verbinding in stand te kunnen houden. In ieder geval zal er een faunapassage worden aangelegd daar waar een nieuwe brug wordt aangelegd.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 95
Ligging in de Ecologische structuur
Ligging ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur In het plan wordt voorzien in nieuwe bomen en worden tevens een aantal bestaande bomen behouden. Gemeente Amsterdam
blz. 96
Ook zullen er een aantal bomen worden gekapt, vanwege het bouwkavel, de inrichting van de openbare ruimte of de slechte staat van de boom. Voor deze te kappen bomen geldt op grond van de Bomenverordening een herplantplicht ("kap mits herplant"), die zoveel als mogelijk ter plaatse moet worden uitgevoerd. Indien dat niet mogelijk is, dan moet naar mogelijkheden worden gezocht om bomen elders in de directe omgeving te planten. Als dat ook niet mogelijk is, dan zullen de gekapte bomen financieel gecompenseerd moeten worden op basis van de monetaire waarde van de te kappen bomen. Momenteel wordt onderzocht of de te kappen bomen in het plangebied en/of in de nabij omgeving kunnen worden gecompenseerd. Hierbij geldt dat zal worden voldaan aan de Bomenverordening (en de uitwerking daarvan: Nota compensatie en herplant van Bomen). Er wordt een kwaliteitsslag in het groen gemaakt, per saldo wordt het gebied veel meer op verblijf ingericht dan nu het geval is. In het bovengenoemde natuurwaardenonderzoek wordt ook aandacht besteed aan de kap van bomen in relatie tot de verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn in het plangebied 5 bomen aanwezig met potentieel geschikte holtes voor boombewonende vleermuizen.
Het kappen van deze (en direct omstaande bomen) of het uitvoeren van piek- en trillingveroorzakende werkzaamheden binnen 50 meter van deze bomen, kan leiden tot overtreding van de Wnb. Het vernietigen of aantasten van verblijfplaatsen van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Zodra duidelijk is welke bomen worden gekapt en waar trilling- en piekgeluid veroorzakende werkzaamheden optreden, kan worden bepaald of en welke van deze 5 potentiële verblijfplaatsen kunnen worden aangetast/vernietigd. Voor die bomen dient dan te worden vastgesteld of hierin verblijfplaatsen aanwezig zijn middels een vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021. Dit onderzoek is in de periode april 2022 - september 2022 uitgevoerd (bijlage 14 Vleermuizeninventarisatie). In die periode zijn 5 bezoeken gebracht aan het plangebied waarbij het aantal vleermuizen zijn geïnventariseerd. Hiermee is een beeld verkregen over het gebruik van de bebouwing en groenstructuren in plangebied Tennispark Jan Evertsenstraat. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Gewone dwergvleermuizen maken zeer sporadisch en opportunistisch gebruik van het terrein. Een enkele gewone dwergvleermuis passeert tijdens de inventarisaties om er kortstondig te foerageren. Andere soorten zijn niet waargenomen, ook niet na na-analyse van de opnamen van de batlogger. Er zijn geen essentiële foerageergebieden aanwezig.
Er zijn geen vliegroutes aanwezig.
5.4.2.1 Stikstofdepositie Er is op grond van de laatste wetswijziging een stikstofonderzoek uitgevoerd, zoals eerder is gedaan voor het totale programma voor de Jan Evertsenstraat-West. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Bestemmingsplan Tennispark. Onderzoek stikstofdepositie" van 24 mei 2022, dat als bijlage 15 (rapport) en bijlage 16 (bijlage 1 van het rapport: Aerius verschilberekening) bij de plantoelichting is gevoegd. Medio 2021 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bekend gemaakt dat de stikstofdepositie moet worden berekend binnen een straal van 25 km. De woningen en het integraal kindcentrum zullen gasloos gebouwd worden. De enige bron van uitstoot van stikstof zijn de (vracht)auto's. In het Verkeersonderzoek (zie bijlage 9) is een prognose gegeven van de verkeersbewegingen op de verschillende wegen in en rondom het plangebied. Voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen is uitgegaan van de maximum parkeernorm. Dit heeft een directe invloed op het aantal verkeersbewegingen. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat door de ontwikkeling van het Tennispark er geen toename van stikstofdepositie zal zijn op de Natura2000 gebieden, ook niet binnen een straal van 25 km.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 97
5.5
Hoogbouwaspecten
5.5.1
Kader
Nota Hoogbouw (Hoogbouwvisie) en Omgevingsvisie De Nota Hoogbouw in Amsterdam (juni 2011, ofwel Hoogbouwvisie) geldt als aanvullend toetsingskader van de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'. Het belangrijkste doel van het Amsterdamse hoogbouwbeleid is een zorgvuldige inpassing van hoogbouwinitiatieven in de bestaande structuren van de stad. Daarbij is de landschappelijke inpassing een aspect wat, zodra er sprake is van een zekere impact op het stadslandschap, een stedelijke afweging behoeft. In de Nota wordt aangegeven voor welke hoogbouwplannen dit geldt. De hoogbouweffectrapportage (HER) is een rapportage waarin alle relevante effecten van hoogbouw, zoals windhinder en schaduwwerking, toetsing aan hindernisbeperkingen als straalpaden en beperkingen rond Schiphol worden onderzocht, maar die vooral is bedoeld om de effecten van een plan op het stedelijk landschap in beeld te brengen. Het uitvoeren van een HER wordt in het beleid aanbevolen en is in bepaalde gevallen verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd; in deze situaties moeten de effecten van hoogbouw nader beoordeeld worden.
Een rapportage over landschappelijke effecten is onder meer verplicht gesteld bij: middelhoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of als 25% hoger dan directe omgeving in het UNESCO-gebied (gebied binnen Singelgracht), hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter of tweemaal de hoogte van directe omgeving in de 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied, hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in 'gebieden van bijzondere waarden', hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de randen van de groene scheggen, hoogbouwinitiatieven vanaf 40 meter in het Buiten-IJ, hoogbouwinitiatieven vanaf 60 meter, met uitzondering van stimuleringsgebieden. In de Omgevingsvisie staat dat de ontwikkeling van de stad sneller gaat dan was voorzien ten tijde van vaststelling van de Hoogbouwvisie en dat het hoogbouwbeleid geactualiseerd moet worden. De hoofdlijnen uit de Hoogbouwvisie blijven echter van kracht. De belangrijkste uitgangspunten voor nieuw Amsterdams hoogbouwbeleid zijn, in lijn met het vigerende beleid: 1. Er wordt van hoogbouw gesproken bij gebouwen hoger dan 30 meter. 2. Bij elke bouwvorm staat de kwaliteit van de openbare ruimte en het leven op straat voorop. 3. De gemeente wil flink verdichten op plekken met hoge dynamiek en ontwikkeldruk. Dit zijn locaties direct grenzend aan het centrum en rondom de grote ov-stations. Hoogbouw kan een geschikte gebouwvorm zijnom te verdichten. 4.
Rondom het IJ, een centrale open plek in de stad, wordt hoogbouw ingezet om het stadslandschap leesbaar te maken en het stadsbeeld vorm te geven. 5. We beschermen gebieden en landschappen van bijzondere waarde, in het bijzonder het Unesco-erfgoed. 6. Elke stedenbouwkundige opzet vraagt om een specifieke inpassing van hoogbouw. In Nieuw-West is hoogbouw mogelijk langs de lange doorgaande straten en lanen en aan grote parken, mits goed ingepast in de stedenbouwkundige structuur. Om richting te geven aan het schaalniveau van het gebouw en de buurt kunnen een aantal principes houvast bieden: 1. Hoogbouw levert een bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte. 2. Hoogbouw maakt op een mooie manier deel uit van het stadssilhouet. Gemeente Amsterdam
blz. 98
3. Er is een aangenaam verblijfsklimaat op het maaiveld rondom hoogbouw. 4. Het is fijn wonen en werken in hoogbouw. 5. Hoogbouw draagt bij aan een klimaatneutrale en circulaire stad. Windhinder Rondom hoge gebouwen kan windhinder optreden. Er kan sprake zijn van verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam kunnen maken. Op grond van onderzoek kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder zal optreden en zo ja, welke maatregelen kunnen worden getroffen om windhinder te voorkomen of te beperken. Ter voorkoming van windhinder kunnen maatregelen worden getroffen in de openbare ruimte of aan het gebouw zelf. Er bestaat geen regelgeving ter voorkoming van windhinder- of gevaar. In het kader van "een goede ruimtelijke ordening" in de zin van artikel 3.1 Wro, dient het aspect windhinder- en gevaar wel meegewogen te worden in de afwegingen. Uit de NEN-norm 8100 volgt dat indien een bestemmingsplan bebouwing van 30 meter of hoger mogelijk maakt, een windhinderonderzoek benodigd is.
Aan de hand van deze norm wordt het windklimaat beoordeeld en wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar.17 Bezonning en schaduwhinder Er bestaan geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. Teneinde de resultaten van het bezonningsonderzoek te kunnen beoordelen kan gebruik gemaakt worden van een TNO-norm. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling. TNO kent een lichte en strenge norm. De lichte TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden). De strenge TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 21 januari tot 22 november (gedurende 10 maanden).
Op basis hiervan kan de schaduwwerking beoordeeld worden. De TNO-norm geeft ten aanzien van de bezonningsuren een richtlijn. 5.5.2
Plangebied
Hoogbouw effect rapportage (HER) In het plan wordt een woontoren mogelijk gemaakt met een maximale bouwhoogte van 70,7 m + NAP. Daarom geldt op grond van de Nota Hoogbouw een verplichting om een HER te maken. Deze HER is als bijlage 17 bij de plantoelichting gevoegd. Uit de HER wordt duidelijk dat de hoogbouw die het bestemmingsplan mogelijk maakt, aanvaardbaar is. Zoals gezegd zijn in de HER de zichtlijnen op de nieuwbouw onderzocht vanuit de Sloterplas en de omliggende woonwijken. Uit fotomontages van de beoogde planontwikkeling en het advies van de hoogbouwadviescommissie blijkt dat de solitaire toren geen negatieve gevolgen heeft voor het stedelijke landschap. De middelhoogbouw van de rest van het complex is n.a.v. het advies van de Hoogbouwadviescommissie d.d. 16-12-2019 en de Subcommissie Integrale Ruimtelijke kwaliteit d.d. 26-06-2021 aangepast zodat er meer onderscheid in de hoogte tussen de toren en het aangrenzende deel van de bebouwing ontstaat. In het algemeen kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het vigerende beleid en dat er voldaan wordt aan de gestelde randvoorwaarden.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 99
Windhinder Er is een onderzoek uitgevoerd naar de windhinder- en het windklimaat ter plaatse van de openbare ruimte (bijlage 18, 17 september 2021). Hierbij is gekeken naar de het bestaande en het toekomstige windklimaat, waarbij is getoetst aan de NEN-norm 8100:2006. De definitie van windhinder is volgens deze norm het ondervinden van hinder door wind. Dit zal bij een gemiddeld persoon gebeuren wanneer de lokale uurgemiddelde windsnelheid meer dan 5 m/s bedraagt. Deze norm geeft ook een indeling voor windhinder naar kwaliteitsklassen (A, B, C, D, en E, waarbij A de beste kwaliteit aangeeft). Uit het onderzoek volgt het onderstaande. In de bestaande situatie is het windklimaat in de ruime omgeving, mede onder invloed van de ligging aan de Sloterplas, gevarieerd. Hierbij zijn luwe zones aanwezig, maar ook windrijke zone met de hoogste windhinderklassen en windgevaar. Door inpassing van de nieuwbouw zal het windklimaat in het openbaar gebied op geruime afstand van het plangebied minimaal veranderen. Met name aan de zuid- en westzijde is de invloed van de nieuwbouw gering. Aan de noord- en oostzijde heeft de nieuwbouw veelal een blokkerend effect op de maatgevende zuidwestelijke windrichting. Hier wordt dan ook een kleine verbetering van het windklimaat gevonden.
Het windklimaat in het plangebied is overwegend luw (centraal, noord- en oostzijde) en beperkt gematigd (westzijde) en windrijk (zuidzijde). Dit leidt nergens tot de meest windrijke windhinderklasse E of windgevaar. De entreezones zijn aandachtspunten. Indien deze in een windhinderklasse C of D geplaatst worden dan dienen maatregelen te worden toegepast. De entree kan bijvoorbeeld in een nis worden geplaatst, of er kan een verticaal scherm worden gebruikt. De conclusie is dat het windklimaat in het openbaar gebied door inpassing van de nieuwbouw acceptabel is. In het onderzoek is ook gekeken naar het windklimaat op de tennisbanen. Er zijn geen wettelijke richtlijnen voor het beoordelen van sportvelden. Daarom is bovengenoemde NEN-norm gebruikt, waarbij de gewenste windhinderklasse gelijk aan A of B is voor een ‘goed’ windklimaat of C voor een ‘matig’ windklimaat. Hogere windhinderklassen, te weten D en E dienen te worden voorkomen. Gelijkaardig dient het optreden van een (beperkt) risico op windgevaar te worden voorkomen. Het windklimaat voor wat betreft de tennisbanen is aanvaardbaar. Op slechts 0,7 dagen van het jaar dienen de wedstrijden te worden gestaakt (overschrijding drempelwaarde 13,5 m/s). Er is sprake van 1 dag windgevaar op de 3e tennisbaan gezien vanuit het zuiden (overschrijding drempelwaarde 15 m/s).
Er is weliswaar sprake van klasse D op 36,5 tot 73,0 dagen per jaar bij de 6 meest zuidelijke banen (overschrijding drempelwaarde comfort), maar hierbij dient opgemerkt te worden dat er is uitgegaan van de windstatistiek van het gehele kalenderjaar. Tennis kent echter typisch een seizoen voor spel in de openlucht en spel binnen. De tennisbanen die geanalyseerd zijn, zijn gelegen in de openlucht en worden dan ook met name gebruikt in de maanden maart tot en met oktober. De windsnelheid is echter het hoogst is in de maanden oktober tot en met maart. De periode waarin in de openlucht tennis gespeeld zal worden kennen dan ook een meer gunstige, lagere windsnelheid (ca. 5% minder), waardoor de resultaten in de praktijk gunstiger zullen zijn. Bezonning en schaduwhinder Er is een studie uitgevoerd naar de schaduweffecten van de beoogde ontwikkelingen op de omgeving, waarbij gemeten is op 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december (telkens om 9u, 12u, 15u en 18u). Deze studie is als bijlage 19 bij de toelichting gevoegd. De meest zuidelijke woningen van de woonstrook aan de August Vermeylenstraat hebben in enige mate last van schaduw. De woningen ten
Gemeente Amsterdam
blz. 100
westen van het plangebied hebben met name in de ochtend enige schaduwoverlast. De (studenten)woningen noordoostelijk van het plangebied hebben zeer weinig last van schaduwhinder. De tennisbanen vangen soms ook schaduw, echter kan dit worden opgelost door indien nodig gebruik te maken van lichtmasten bij sportbeofoening tussen 7u en 23u (conform art. 3.148 Activiteitenbesluit). Het schoolplein ondervindt alleen schaduwhinder in december. Naar aanleiding van zienswijzen zijn aanvullend in de bezonningsstudie twee extra meetdagen (19 februari en 21 oktober; dit zijn ook de begindata van de lichte TNO-norm) met elk negen meetmomenten opgenomen. Hiermee wordt bevestigd dat wordt voldaan aan de lichte TNO-norm voor zover het gaat om de woningen aan de August Vermeylenstraat en Burgemeester van de Pollstraat. Daarmee kan worden gesteld dat de schaduwhinder door de nieuwe bebouwing, met inachtneming van het feit dat sprake is van een stedelijk gebied waarbij sprake kan zijn van verminderde licht- en zoninval, aanvaardbaar is.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)