A - 14 Ruimtelijke Ordening (22) 9. Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tenn
Tekst van het document
De schaarste op de woningmarkt van Amsterdam is groot. Jaarlijks worden er nieuwe bevolkingsprognoses gemaakt (Primos) en rekent ABF-Research de woningbehoefte en het woningtekort door. De regio Amsterdam wordt ook door het Rijk gezien als een ‘spanningsregio’ met een van de hoogste tekortpercentages.3 Het 68.500 woningen grote tekort anno 2019 betekent voor de woningmarktregio Amsterdam een percentueel tekort van 6,0 %. Amsterdam neemt hiervan 37.000 voor zijn rekening. In Amsterdam is het tekort het hoogst van heel Nederland: 8,4%.4 Dat woningtekortcijfer hoeft niet helemaal tot nul teruggedrongen te worden, maar de percentages liggen ver boven de 2% die het Rijk als nationale ambitie stelt voor het jaar 20355 en ver boven de 1,3% die ABF wenselijk vindt voor een gezonde woningmarkt (tekort landelijk onder de 100.000 brengen).6 De Provincie gaat uit van iets hogere percentages om een redelijk functionerende woningmarkt te bereiken. In de periode 2014-2019 heeft de nieuwbouw in de MRA alleen in de laatste jaren de huishoudengroei kunnen overtreffen, maar in de eerste jaren niet. Het gevolg hiervan is een oplopend tekort.
Voortbordurend op de geplande nieuwbouw en de verwachtingen met betrekking tot de groei van het aantal huishoudens berekent de Provincie dat in de MRA ongeveer 35 duizend extra woningen nodig zijn en in Amsterdam ongeveer 20 duizend extra woningen om tot acceptabele tekortcijfers te komen.7
Gemeente Amsterdam
blz. 38
Amsterdam heeft volgens de provinciale berekening in de jaren 2020-2025 een woningbehoefte van 25.700. De plancapaciteit van Amsterdam is echter groot: 226.600. Hiervan is een groot deel in de verdere toekomst gepland, maar toch is momenteel al een aantal van 55.500 woningen als harde capaciteit aan te merken.8 Dat is zelfs voldoende voor de woningbehoefte tot aan 2030 (51.300). De Provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam realiseren zich dat het, met het oog op vertraging in de uitvoering, nodig is meer delen van de plancapaciteit ‘hard’ te maken om de woningbehoefte te kunnen inlossen en zeker te zijn van voldoende woningbouw. Gezien de hoeveelheid harde plancapaciteit en sturing van Amsterdam op start bouw geldt dit voor andere delen van de MRA (buiten Amsterdam).
Amsterdam gaat uit van een woningbouwaantal van ongeveer 7.500 per jaar voor de periode tot aan 2025.9 Voor de langere termijn (2050) wordt uitgegaan van een groei van de woningvoorraad 5.000 per jaar. De Omgevingsvisie Amsterdam biedt ruimte aan minimaal dit aantal woningen en alle bijbehorende voorzieningen. Het is een groeitempo dat rekening houdt met het absorptievermogen van de stad, het aanleggen van de infrastructuur, energievoorziening, groen en openbare ruimte en dat ook organisatorisch en rekening houdend met crises langjarig haalbaar is. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar woningen moet de planvoorraad worden vergroot. In Amsterdam en omgeving zijn dan ook diverse plannen in uitvoering om de grote vraag naar woningen op te lossen. De voorgenomen ontwikkeling van woningbouw op het Tennispark levert een belangrijke bijdrage aan de stedelijke woningbehoefte. Het plangebied behoort volgens het overzicht op de website www.plancapaciteit.nl nog niet tot de harde plancapaciteit. De woningen die door middel van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zullen derhalve bijdragen aan het oplossen aan het tekort aan harde plancapaciteit. Behoefte: integraal kindcentrum (IKC) De gemeente zoekt op dit moment vervanging respectievelijk extra capaciteit voor 2 scholen.
De gemeente heeft als taak te zorgen voor voldoende ruimte wanneer een school groeit en voor renovatie/vernieuwbouw als een school ouder is dan 40 jaar en door schoolbesturen onderling als prioriteit voor renovatie wordt aangemerkt. Daarnaast zorgt de groei voor het gebied rondom Tennispark voor groei van de basisgeneratie. Ook het naastgelegen gebied Ringzone-West groeit enorm qua woningen. Op basis van de groei van het aantal woningen en woonmilieu kan een schatting worden gemaakt van het theoretisch benodigde aantal scholen en m2 aan de hand van het voorzieningenmodel Amsterdamse referentienorm. In het spreidingsgebied Tennispark worden 1902 woningen gebouwd, gemengd stedelijk en deels groen/blauw gebied. De theoretische behoefte is daarmee: - 1,5 school 4780 m2 bruto vloeroppervlak. De locaties die geschikt zijn voor een IKC in Ringzone-West en omgeving bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 39
zijn schaars, omdat er strenge eisen zijn met betrekking tot fijnstof voor IKC's. Zo ligt het OLVG aan de A10 en daarmee grotendeels in de fijnstofzone. Verder is de herontwikkeling van de locatie busgarage nog onzeker en is het IKC op korte termijn benodigd. De conclusie is dat er een IKC binnen het plangebied Tennispark nodig is om in voldoende onderwijshuisvesting (buiten de fijnstofzone) te voorzien om de groei van de basisgeneratie schoolgaande kinderen op te vangen. 3.1.4
Luchthavenindelingbesluit Schiphol
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke beperkingen die gesteld worden in verband met het Luchthaven Schiphol. Deze beperkingen worden enerzijds gesteld vanwege externe veiligheidsrisico's en geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Anderzijds hebben de beperkingen te maken met waarborgen van veilig luchtverkeer (beperking aan hoogte en aan functies die vogels aantrekken). Het plangebied valt binnen het beperkingengebied voor bebouwing van het LIB en binnen het gebied 'beperking vogels'. 3.1.4.1 Hoogtebeperkingen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de toetshoogtes van het LIB in acht worden genomen. Er zijn twee toetshoogtes: de algemene ofmaatgevende toetshoogte (bijlage 4 bij het LIB) en de toetshoogte in verband met radar (bijlage 4a bij het LIB). Met een bestemmingsplan kan van de maatgevende toetshoogte van het LIB worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Waterstaat de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB). Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan in strijd zijn met de radartoetshoogte, is het vaststellen van het bestemmingsplan toch mogelijk.
In dat geval moet dan uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) blijken dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. Het voorliggende plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 en bijlage 4a bij het LIB. Maatgevende toetshoogte Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de maatgevende toetshoogte lopen op van circa 99 m + N.A.P. ten zuiden van het plangebied tot ongeveer 106 meter + N.A.P. aan de noordzijde van het plangebied. Ter plaatse van de bestemming Gemengd wordt een maximum bouwhoogte voorzien van 70,7 m + N.A.P. Aangezien de maximale bouwhoogte de toetshoogte niet overschrijdt, staat de maatgevende toetshoogte niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg. Toetshoogte i.v.m. radar Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het LIB objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 41
De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de toetshoogte in verband met de radar lopen op van 50 m + N.A.P. ten zuiden van het plangebied tot 51 meter + N.A.P. aan de noordzijde van het plangebied. Ter plaatse van de bestemming Gemengd wordt een maximum bouwhoogte voorzien van 70,7 m + N.A.P. Aangezien de maximale bouwhoogte het toetsvlak voor radars doorsnijdt, heeft de gemeente de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILenT) om een positief radaradvies verzocht. Er is een advies gevraagd over een maximale hoogte van 74,8 m + N.A.P. Dit betreft de woontoren in Gemengd met daarop een gevelonderhoudsinstallatie, die uitgeklapt uitkomt op genoemde hoogte. De ILenT heeft het plan laten toetsen door de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Hieruit is gebleken dat uitvoering van de nieuwbouwplannen met een maximale hoogte van 74,8m. NAP aan de A.Vermeylenstraat 50-52 te Amsterdam géén negatieve invloed zal hebben op de correcte werking van de surveillanceapparatuur van de LVNL. Gelet hierop heeft de ILenT op 23 mei 2022 een positief advies uitgebracht. Daarbij heeft de ILenT vermeld dat een nadere invulling van het bouwwerk en de materiaalkeuze niet van invloed zal zijn op het positieve advies. 3.1.4.2 Beperking vogels Het ingevoerde plan/objectgebied ligt binnen de toetszone in verband met beperken aantrekken vogels.
Indien het plan een mogelijk vogelaantrekkende werking heeft geldt de beperking zoals gesteld in artikel 2.2.3 van het LIB. In het plangebied worden geen vogelaantrekkende functies mogelijk gemaakt. Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de eisen van het LIB.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050
Op 19 november 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie NH 2050 vastgesteld. In deze omgevingsvisie (als opvolger dan de Structuurvisie Noord-Holland 2040) wordt de ambitie geschetst een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vast te houden. Daarvoor moet een goede balans gezocht worden tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. De ambities die worden nagestreefd, zijn: 1. Een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving, met als doel: a. een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland; b. het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; c. het vergroten van de biodiversiteit in Noord-Holland. 2. Ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren, met als doel: a. een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor; b. vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming brengen c. dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. d. het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. 3.
Noord-Holland is als samenleving in 2050 klimaatneutraal en gebaseerd op hernieuwbare energie. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de ambities uit de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2
Omgevingsverordening NH2020
Op 22 oktober 2020 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening vastgesteld. De provincie Noord-Holland heeft ervoor gekozen zich tijdig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet al vormgegeven aan de kerninstrumenten van de provincie van deze wet: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening NH2020 worden de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en de sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie NH2050 te vertalen in de regels van de provincie. Doel en uitdaging Deze eerste omgevingsverordening Noord-Holland integreert 21 verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het doel is daarmee de provinciale regels te vereenvoudigen, harmoniseren, en op onderdelen meer ruimte te bieden voor lokaal en regionaal maatwerk en bestuurlijke afweging. Conclusie Volgens de tekst en de legger van de Omgevingsverordening voldoet het bestemmingsplan aan de Omgevingsverordening.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 43
3.2.3
Woonagenda 2020-2025
De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De provincie Noord-Holland wil dat er de komende jaren veel betaalbare en duurzame woningen beschikbaar komen. Zij gaat gemeenten met raad en daad helpen om de flinke ambitie op het gebied van wonen waar te maken. Dat staat in de definitieve Woonagenda die is vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten. Versnellen woningbouw Er bestaat momenteel een grote vraag naar woningen, en er zijn gelukkig ook veel plannen. Bij sommige woningen zijn alle planologische producties doorlopen en deze kunnen meteen gebouwd worden. In de praktijk moeten nog wel een of meer complicaties worden opgelost voordat er gebouwd kan worden. De provincie richt zich daarbij in eerste instantie op de plannen die zijn vastgelegd in een bestemmingsplan met een relatief grote bouwopgave.
In tweede instantie kijkt de provincie naar plannen die nog moeten worden vastgelegd in een bestemmingsplan en, wat betreft productie. ook van betekenis zijn en die passen binnen landelijke en provinciale wet – en regelgeving. Samen met afzonderlijke gemeenten, Metropoolregio Amsterdam en Bouwend Nederland zet de provincie zich in om knelpunten weg te nemen en tot productie te komen via het uitvoeringsprogramma binnenstedelijk bouwen en versnellen woningbouw. Regionale afspraken wonen De provincie richt zich op bouwprojecten waar behoefte aan is. Vooral op de steden omdat daar de meeste mensen nu eenmaal graag wonen. Echter, de stad moet wel leefbaar en aantrekkelijk blijven, zodanig dat de ‘lucht niet uit de stad gehaald wordt’. Gemeenten maken regionale afspraken over woningbouw, die passen binnen de woningbehoefte en mogelijkheden. Er moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt wat de beste plek is om te gaan bouwen. Hierbij wordt onder andere ook rekening houden met bereikbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid, waterberging, natuur, ruimte. Duurzaamheid De provincie wil dat woningen in 2050 energieneutraal zijn. Om dat te bereiken stimuleert de provincie gemeenten om bij nieuwbouwwoningen af te stappen van aardgasverwarming en over te stappen op duurzame alternatieven. Noord-Hollandse gemeenten hebben hiervoor een intentieverklaring ondertekend.
Conclusie De ontwikkeling van het Tennispark sluit aan bij de doelstellingen van het provinciaal beleid.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Metropoolregio Amsterdam
De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. Op basis van de MRA Agenda stemmen gemeenten fasering en programmering van de woningbouwplannen met elkaar af. Die afstemming bestaat uit het uitwisselen van informatie en inzicht in de feitelijke ontwikkelingen op de regionale woningmarkt.
Dit gebeurt onder meer door het monitoren van zowel de beschikbare harde en zachte plancapaciteit en van de daadwerkelijke jaarlijkse woningproductie. Ook wordt voor het eerst het regionale woonwensenonderzoek Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA) in de gehele MRA gehouden. Op basis van het gezamenlijk inzicht worden opgaven geformuleerd waaraan gezamenlijk gewerkt wordt. MRA agenda 2020-2024 De overkoepelende ambitie van de MRA – werken aan een internationale economische topregio met hoge leefkwaliteit door te investeren in een toekomstbestendige en evenwichtige metropool – geeft richting aan de MRA-samenwerking en is vertaald naar vier bestuurlijke opdrachten. De bestuurlijke opdrachten geven een helder kader voor de gezamenlijke inzet en bieden tegelijkertijd ruimte om jaarlijks bij te sturen. Opdracht 0: De samenwerking verder versterken; Opdracht 1: Werk maken van een veerkrachtige, inclusieve en schone economie; Opdracht 2: Bouwen voor de woningbehoefte en met groei de leefkwaliteit van het geheel versterken; Opdrachten 1, 2 en 3 bewaken de samenhang binnen respectievelijk de thema’s economie, ruimte en mobiliteit. De samenhang tussen deze thema’s wordt bewaakt met opdracht 0. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is niet in strijd met de ambitie- of opdrachten van het MRA.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie 2050 'Een menselijke metropool'
De ontwerp-omgevingsvisie heeft van 21 januari tot en met 3 maart 2021 ter inzage gelegen en is op 8 juli 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet, die naar verwachting op relatief korte termijn in werking treedt.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 45
De omgevingsvisie vormt voor het grondgebied van de Gemeente Amsterdam tot 2050 de leidraad voor de inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het vormt voor de Gemeente Amsterdam een zelfbindend kader voor projecten, beleid en programma’s die betrekking hebben op die fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft richting, maar is geen concreet investeringsplan waarvoor de middelen nu al beschikbaar zijn of moeten komen. De omgevingsvisie vervangt "Structuurvisie Amsterdam 2040". De gemeente wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: richting geven aan groei; versnellen van transities; ruimte bieden aan initiatieven. Met vijf strategische keuzes wordt invulling gegeven aan de grote opgaven voor de komende tien jaar: woningbouw, economische vitaliteit, de energietransitie, de mobiliteitstransitie, vergoten van de leefbaarheid, regionale ontwikkeling en meer ruimte voor maatschappelijk initiatief. Meerkernige ontwikkeling Amsterdam groeit als stad en als metropool. De gemeente wil de agglomeratiekracht van de metropoolregio vergroten. De behoefte aan stedelijke plekken als vestigingsmilieu voor internationale bedrijven en als aantrekkelijke leefomgeving blijft groot. Om daarin te voorzien zijn naast het centrum en Zuidas nieuwe stedelijke centra voor wonen en werken nodig.
Deze wil de gemeente in de hele stad en regio laten ontstaan. Binnen Amsterdam wordt ruimte gemaakt voor circa 200.000 arbeidsplaatsen. Tegelijk zet de gemeente zich in voor meer werkgelegenheid in de regiokernen. De gemeente wil de tendens van ongelijk verdeelde groei, ruimtelijke segregatie en toenemende kansenongelijkheid doorbreken en de druk op het Amsterdamse centrum verminderen. Met een evenwichtige ontwikkeling van de stad, de agglomeratie en de regio als geheel bouwt de gemeente aan meer variatie en tegelijk meer samenhang in de metropoolregio. Amsterdam wordt daarmee een meerkernige stad. Groeien binnen grenzen Amsterdam maakt tot 2050 binnen de huidige stadsgrenzen ruimte voor minimaal 150.000 woningen voor 250.000 Amsterdammers, in met werken en voorzieningen gemengde buurten. Deze groei wordt ingezet om de sociale kwaliteit van de bestaande stad te vergroten en onze duurzaamheidsdoelstellingen te halen. Groeien binnen grenzen geeft daarmee mede invulling aan de donut-stad, met een stevig sociaal fundament en het minimaliseren van het fysieke ruimtebeslag van de stad, van gebruik van grondstoffen en van de bijdrage aan klimaatverandering. Duurzaam en gezond bewegen In een verdichtende stad is ruimte schaars. Dat betekent dat de gemeente slim gebruik moeten maken van die ruimte.
Een intensief bebouwde stad is in principe een gezonde plek om te leven, zo lang de lucht schoon is en de leefomgeving veilig is en uitnodigt tot bewegen. Daarom krijgen richting 2050 stap voor stap in de hele stad voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer ruim baan. Dit zorgt er ook voor dat noodzakelijk vervoer, zoals nood- en hulpdiensten, logistiek en mensen met een beperking meer ruimte houden. Amsterdammers vinden straks op loop- en fietsafstand parken en buurtvoorzieningen en op maximaal vijftien minuten fietsen stedelijke voorzieningen en grote groengebieden. Een autoluwe stad vraagt een grote inzet. Bijvoorbeeld op nieuwe openbaarvervoerverbindingen en goede overstapmogelijkheden, die banen en voorzieningen ook vanuit de regio beter bereikbaar houden. Samenwerking met Rijk en regiopartners is daarvoor onmisbaar. Rigoureus vergroenen Vergeleken met vijftig jaar geleden is Amsterdam een onnoemelijk veel groenere stad geworden. De wijze waarop wijken als De Pijp een nieuwe groene kwaliteit kregen dankzij straatbomen en gevelgroen
Gemeente Amsterdam
blz. 46
wil de gemeente in de hele stad toepassen. Verdichten van de stad gaat zo gepaard met meer groene kwaliteit. De gemeente verenigt daarmee de wens om meer stedelijke kwaliteit te ontwikkelen met de noodzaak om de stad klimaatbestendig en leefbaarder te maken voor mens, dier en plant. Het vergroenen van de stad krijgt zijn beslag op verschillende schaalniveaus. In het landschap, in de buurt en ook op en aan gebouwen. De gemeente zoekt daarbij naar innovatieve oplossingen om de leefomgeving in de hele stad een groener aanzien te geven. Daarbij staan de kwaliteit en diversiteit voorop. Samen stadmaken Amsterdam wil meer ruimte voor diversiteit en eigenheid in de manier waarop aan de stad wordt gebouwd. De gemeente werkt als vanouds samen met professionele partijen, zoals de woningcorporaties, beleggers en grote instellingen, maar is tegelijk op zoek naar het verbreden van het ontwikkelpalet. Een uitdrukkelijke wens is om Amsterdammers een meer actieve rol te geven. Dat geldt voor beheer en programmering van de eigen leefomgeving, ruimte voor lokaal ondernemerschap, programmeren van vrije ruimte, maar ook in het daadwerkelijk bouwen aan de stad en het invulling geven aan de energietransitie. Conclusie Het plangebied is op de Visiekaart Amsterdam 2050 aangemerkt als hoogstedelijke buurt.
In de omgevingsvisie staat het volgende hierover: "Ontwikkeling van woonbuurten met een hoogstedelijke dichtheid en meer ruimte voor niet-wonen. Groen krijgt een plek in de straten, buurtparkjes en grote stadsparken. Maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor nutsvoorzieningen, groen en sport zijn naast ruimte voor wonen en werken onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling." Verder wordt vermeld dat hoogstedelijke buurten geconcentreerd rondom de stations komen en hoogbouw hier een bruikbare bouwvorm is, om op een klein oppervlak veel dichtheid te maken. Gelet op het bovenstaande is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de omgevingsvisie. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de planontwikkeling overeenkomstig de in de omgevingsvisie opgenomen ruimtereservering voor het spoor, rekening dient te worden gehouden met een eventuele spoorverdubbeling.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 47
Uitsnede Omgevingsvisie met een rode pijl bij het plangebied
3.4.2
Woonagenda 2025
Op 20 juli 2017 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2025 vastgesteld. Uit de prognose van de woningbehoefte en de woningvoorraad blijkt dat in 2025 het grootste tekort zit in de gereguleerde huurvoorraad: een voorraad van 39% terwijl 49% van de huishoudens behoefte heeft aan deze woningen. De voorraad middeldure huur groeit volgens de prognose naar 9%, waardoor de voorraad meer in de buurt komt van de behoefte (11%). Er is in algemene zin behoefte aan huurwoningen. De woonagenda 2025 zet concreet in op de betaalbaarheid van woningen in Amsterdam, waarbij de komende jaren substantieel wordt ingezet op de bouw van sociale huurwoningen en huurwoningen in het middensegment. Amsterdam wil een inhaalslag maken en vooral bouwen voor huishoudens met een inkomen tot 1,5 maal modaal. Het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen is: 40% sociale huur 40% middelduur en 20% dure huur en koop. Aan de hand van spelregels voor woningbouwprogrammering wordt per plangebied bepaald welk programma gerealiseerd wordt.
In het Stedelijk Kader voor particuliere transformaties (vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 201710) is geregeld dat van bovengenoemde 40-40-20 kan worden afgeweken bij particuliere transformaties, indien: Met de beoogde afwijking een ander stedelijk doel of programma wordt nagestreefd in het betreffende project; De bestaande woningdifferentiatie in het omliggende gebied van het gebouw dusdanig specifiek is, dat een andere menging in het te transformeren gebouw beter past om de gewenste gemengde wijk te bereiken; Het gebouw een dusdanige geringe omvang heeft dat de beoogde menging vanuit beheersoogpunt niet wenselijk is. Het college van B&W heeft op 2 juni 2020 in aanvulling op de spelregels en het Stedelijk kader het volgende toegevoegd: De sociale huurwoningen in het project worden door een corporatie afgenomen. Minimaal 30% sociaal is in dit geval toegestaan, waarbij het aandeel middeldure huur minimaal 40% moet zijn. Indien aantoonbaar geen corporatie gevonden wordt die de sociale huurwoningen gaat afnemen, dan kan er gekozen worden voor een alternatieve programmatische verdeling (naar 0-80-20 of 0-100-0) onder voorwaarde dat er door de gemeente aan te wijzen maatschappelijke beroepsgroepen
Gemeente Amsterdam
blz. 48
gehuisvest worden. Bovenstaande punten kunnen los van elkaar van toepassing zijn. Voor alle afwijkingsverzoeken van de 40-40-20 geldt dat deze vooraf ter goedkeuring voorgelegd dienen te worden aan de directeur Grond & Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam. Conclusie Zoals uit 2.3 volgt, kunnen in het plan circa 565 zelfstandige woningen worden gerealiseerd met een differentiatie conform beleid, te weten: 30% sociale huurwoningen af te nemen door een corporatie van Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties, 40% middeldure huurwoningen en 30% vrije sectorwoningen, of 40% particuliere sociale huur, 40% middeldure huurwoningen en 20% vrije sectorwoningen. In het eerste geval wordt derhalve afgeweken van de 40-40-20. Er is dan sprake van het vierde bovengenoemde punt, aangezien de sociale huurwoningen door een corporatie zullen worden afgenomen. De beoogde ontwikkeling voldoet hiermee aan het gemeentelijke woonbeleid. 3.4.3
Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam'
In 2013 zijn vijftien stadsdeelnota's vervangen door één welstandsnota die geldt voor de hele stad: De Schoonheid van Amsterdam. De nota, die in 2016 is geactualiseerd, besteedt aandacht aan duurzaam (ver)bouwen en aan gevelreclame. De welstandsnota zorgt ervoor dat iedereen die in Amsterdam iets wil bouwen duidelijkheid heeft over de wijze waarop de gemeente de schoonheid van Amsterdam wil behouden en bevorderen. Een opsteller van een bouwplan moet erin kunnen vinden welke eisen op welke plek worden gesteld. De commissie moet op basis van de beschrijvingen en criteria een onderbouwd advies kunnen geven over de plannen. In de welstandsnota zijn de ruimtelijke systemen (gebieden met gelijksoortige bebouwing, zoals de 19de-eeuwse ring, de gordel '20-'40 of de naoorlogse wijken in Nieuw-West en Buitenveldert) het uitgangspunt voor beleid in plaats van stadsdeelgrenzen. De nota maakt een scherp onderscheid tussen drie soorten criteria: concrete standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen en ingrepen aan de bestaande bebouwing, relatieve en meer abstract geformuleerde criteria die toegespitst zijn op grotere en meer ingrijpende plannen en planafhankelijke criteria voor gebieden die in transformatie zijn. Per ruimtelijk systeem zijn een beschrijving, de waardering en de uitgangspunten voor beleid opgenomen.
Deze ingrediënten maken de criteria die bij de beoordeling worden toegepast en ook de beoordeling zelf inzichtelijk. Aan de welstandsnota is een kaart met welstandsniveaus toegevoegd. Die geeft de ambities per gebied weer. Het welstandsniveau is bepalend voor de mate van inspanning en kwaliteit die van een ontwerp wordt verwacht: een plan dat in een gebied met eenvoudig welstandsniveau goed genoeg is, zal in een gebied met bijzonder niveau mogelijk niet eens met de hakken over de sloot komen. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende welstandsniveaus: Beschermd niveau: gereserveerd voor monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Bijzonder (sterk) niveau: voor gebieden met groot belang voor het aanzien van de stad (19de eeuwse ring, gordel 20-40, Tuindorpen, delen van het AUP). Gewoon niveau: gericht op praktisch beheer van de gangbare kwaliteit van een gebied. Eenvoudig (licht) niveau: voor gebieden waar de ambities beperkt zijn en het welstandsbeleid vooral gericht is op het voorkomen van incidenten. Geen preventieve toetsing: hierbij worden plannen niet vooraf getoetst. Wel is het mogelijk om tegen excessen achteraf op te treden. Welstandsvrij: geen welstandstoets, ook niet achteraf.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 49
De kaarten (https://amsterdam.welstandinbeeld.nl/kaart of https://maps.amsterdam.nl/welstand/?LANG=nl) vormen het handvat voor de Commissie voor Welstand en Monumenten bij de beoordeling van renovatie of vernieuwing. Conclusie In het plangebied zijn de ruimtelijke systemen "AUP en Post-AUP" (gebiedstype 6A: Oorspronkelijke stroken, haken en hoven) en "Woongebieden na 1985" (gebiedstype 8C: Gedifferentieerd woongebied) van toepassing. In het "AUP en Post-AUP"-gebied is het welstandsniveau hoofdzakelijk Bijzonder en bij een klein gedeelte Beschermd, vanwege het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Noordoever Sloterplas. In "Woongebieden na 1985" is het welstandsniveau Gewoon. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voldoet aan de criteria van "AUP en Post-AUP", worden voor het gebied de criteria van het gebiedstype 8E (Samengestelde woonblokken) van toepassing. Dit wordt aan de gemeenteraad voorgelegd. Deze woongebieden hebben een hoogstedelijk karakter en bestaan uit ensembles van samengestelde woonblokken. Gedifferentieerde bouwvolumes bepalen het beeld. 3.4.4
Groenvisie 2020-2050
De Groenvisie schetst een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe dit zich tussen nu en 2050 verder kan ontwikkelen. Amsterdam is een mooie groene stad en ze wordt nog mooier. De toekomstige stad is een stad in het groen. Een stad waar meer mensen wonen, werken en recreëren, waar de openbare ruimte met steeds meer Amsterdammers en bezoekers wordt gedeeld en waar het prettig verblijven is voor iedereen. Er zijn voldoende mogelijkheden voor dieren en planten om te leven en voor mensen om daarvan te genieten. Door de opgave om de stad te verdichten met nieuwe woningbouw en de opgaves rondom energie en mobiliteit wordt het drukker in de open ruimte. Tegelijk groeit de behoefte om dichtbij de woning gebruik te maken van een prettige groene ruimte. Gezien het belang van groen, mogen de stedelijke opgaven niet ten koste gaan van de groene ruimte en de kwaliteit daarvan. Waar mogelijk, wordt meer meer groen gemaakt en wordt het bestaande groen beter benut. Er zijn vier hoofdredenen om de stad groener te maken: 1. Gezondheid. Een groene omgeving is essentieel voor de mentale en fysieke gezondheid en draagt bij aan een gezonde leefstijl. 2. Sociaal welzijn. Een prettige, groene leefomgeving is van en voor iedereen en nodigt uit tot ontmoeting en initiatief. 3. Klimaatadaptatie. Amsterdam wil goed voorbereid zijn op het veranderende klimaat. 4. Natuur.
Natuur en biodiversiteit vormen de basis van al het leven, dus ook het leven in de stad. Aan de hand van 4 principes komen deze thema's terug, namelijk: 1. 2. 3. 4.
De gemeente zorgt voor genoeg gevarieerd groen voor iedereen; Groen draagt bij aan zoveel mogelijk opgaven; De stad wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; Aan groen werken we samen.
Conclusie In dit project wordt veel aandacht besteed aan het groen in de openbare ruimte. Er zal sprake zijn van een groene omgeving met bomen en plantvakken, waar het prettig is om te verblijven. Het groen heeft meerdere doelen, waaronder het tegengaan van hittestress. Er zal verder natuurinclusief worden gebouwd waar dat mogelijk is. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Groenvisie.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
3.4.5
Sportvisie 2025
Amsterdam is een alom erkende sportstad die uitnodigt tot (sportief) bewegen door een beweegvriendelijke en -stimulerende inrichting van de openbare ruimte, een duurzame en toegankelijke sportinfrastructuur en een rijk en divers aanbod van sport- en beweegactiviteiten voor alle Amsterdammers. De sportvisie (door de gemeenteraad vastgesteld op 30 november 2016) staat op vier pijlers en is uitgewerkt in negen speerpunten. 1. Sportparticipatie Alle Amsterdamse kinderen genieten van sport en bewegen. Voor Amsterdammers met een achterstand of beperking biedt het brede scala aan sportaanbieders een passend sport- en beweegaanbod. In Amsterdamse wijken en buurten brengt sport plezier in het leven van alledag. 2. Sportieve ruimte Amsterdam heeft een toegankelijk, aantrekkelijk en duurzaam aanbod van sportieve ruimte en (top) sportaccommodaties, die bijdragen aan de kwaliteit van de stad, wijken en buurten. 3. Sportaanbieders Amsterdam kent een rijk en divers palet aan vitale en maatschappelijk actieve sportaanbieders, die actief sporten en bewegen toegankelijk maken voor alle Amsterdammers. 4. Topsport Amsterdam is een nationaal en internationaal erkende (top)sportstad met structurele faciliteiten voor topsporters en toptalent en aansprekende evenementen die bijdragen aan de sportieve uitstraling en maatschappelijke en economische ontwikkeling van de stad.
De 9 speerpunten zijn als volgt geformuleerd: 1. Amsterdam grijpt de groei van de stad aan om bestaande sportaccommodaties en faciliteiten te optimaliseren en breidt het sportareaal waar nodig uit. 2. Amsterdam borgt de basiskwaliteit van gemeentelijke sportaccommodaties en ontwikkelt actief gastheerschap op haar accommodaties. Investeringen op bestaande en nieuwe gemeentelijke sportaccommodaties zijn duurzaam. 3. Amsterdam realiseert een beweeg- en sportvriendelijke openbare ruimte. 4. Amsterdam ondersteunt en faciliteert sportaanbieders en begeleidt de match tussen Amsterdammers, aanbieders, ruimte en topsport. 5. Amsterdam zorgt samen met haar partners voor een structureel sport- en beweegaanbod voor kinderen en Amsterdammers met een achterstand of beperking. 6. Amsterdam benut de kracht van sport in (achterstands)wijken voor plezier, maatschappelijke participatie, gezondheid en wijkontwikkeling. 7. Amsterdam investeert samen met haar partners structureel in de op- en uitbouw van een professioneel topsportklimaat waarin excelleren mogelijk is. 8. Amsterdam gebruikt de kracht van topsport als impuls in de sportstimulering, het betrekken van het Amsterdamse bedrijfsleven en voor de promotie van Amsterdam. 9. Amsterdam creëert een transparant speelveld door eenduidige subsidies en tarieven en de centrale verhuur van gemeentelijke accommodaties.
Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Sportvisie. In het Tennispark komt ruimte voor sportvoorzieningen in de vorm van tennis- en padelbanen. De tennisfunctie wordt derhalve voortgezet en bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 51
met de padelbanen wordt tegemoet gekomen aan de toenemende interesse in deze sport. 3.4.6
Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050
De Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 is op 3 maart 2020 door het college van B&W vastgesteld. De Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal is een ambitiedocument met een lange termijn visie op de Amsterdamse energietransitie en acties voor de korte termijn. Er wordt beschreven wat de belangrijkste ingrediënten van de strategie zijn om samen de overgang van fossiele naar duurzame energie in beweging te zetten en te houden. De aanpak loopt via vier transitiepaden, die elk een aantal pijlers hebben waarop de aanpak rust: 1. Gebouwde Omgeving; a. Aardgasvrije gebouwde omgeving Pijler 1: Opschalen van de wijk-voor-wijk aanpak aardgasvrij Pijler 2: Ontwikkelen van duurzame bronnen voor het warmtenet Pijler 3: Doorgroeien naar een stadsbrede warmte-infrastructuur b. Energiezuinige gebouwen Pijler 4: Energiezuinig maken van woningen Pijler 5: Energiezuinig maken van zakelijke markt Pijler 6: Energiezuinig maken van maatschappelijke gebouwen c. Klimaatneutrale groei van de stad Pijler 7: Energieneutraal bouwen 2. Mobiliteit; Pijler 8: Beperken vervuilende verkeersbewegingen Pijler 9: Verschonen van alle vervuilende voer- en vaartuigen 3. Elektriciteit Pijler 10: Maximaal opwekken van zonne-energie op daken Pijler 11: Optimaal benutten potentie windenergie Pijler 12: Werken aan toekomstbestendige elektriciteits-infrastructuur 4.
Haven & Industrie Pijler 13: Transformeren van de haven naar duurzame batterij Pijler 14: Ontwikkelen groene waterstofeconomie Pijler 15: CO2 afvangen, opslaan en hergebruiken Pijler 16: Energie besparen in de industrie In vier aanvullende pijlers worden de randvoorwaarden die verder nodig zijn om de beoogde doelen te behalen beschreven: het versterken van de beweging in de stad, klimaatrechtvaardigheid, kennisontwikkeling & innovatie en ruimte & infrastructuur. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Routekaart, vanwege onderstaande punten: 1. Gebouwde Omgeving Het huidige tenniscomplex wordt gesloopt, waarvan de kantine door aardgas verwarmd wordt. Het nieuwe beoogde Tennispark zal niet middels aardgas verwarmd worden, maar middels stadsverwarming en/of WKO. De gebouwen zullen ook voldoen aan de verplichte BENG-eisen (Bijna Energieneutrale Gebouwen) zoals genoemd in het Bouwbesluit 2012. 2. Mobiliteit Er wordt in de parkeergarage ruimte geboden aan deelmobiliteit en er wordt voorzien in elektrische oplaadpunten. Tevens wordt aan de spoorzijde een nieuw fietspad gerealiseerd. 3. Elektriciteit Gemeente Amsterdam
blz. 52
Er worden zonnepanelen op de daken geinstalleerd en middels het Planvormingsoverleg wordt gewaardborgd dat sprake zal zijn van een toekomstbestendige elektriciteits-infrastructuur. 4. Haven & Industrie Dit is niet van toepassing.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 53
Hoofdstuk 4
Milieuaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Kader
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde.
Daarom is voor in kolom 1 van bijlage C en D genoemde activiteiten altijd de toets noodzakelijk of sprake is van een project met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze toets dient in dat geval plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.1.2
Plangebied
Het deelgebied Tennispark maakt onderdeel uit van het project Jan Evertsenstraat-West, wat uitgaat van de realisatie van 3200 woningen. Ten behoeve van de ontwikkeling van het gehele plangebied Jan Evertsenstraat-West is door Tauw een m.e.r.-beoordeling opgesteld (1 oktober 2019, bijlage 3). Grondslag hiervoor is het Besluit m.e.r. bijlage D, categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. Door middel van de m.e.r.-beoordeling is vastgesteld of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, waardoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Dat is niet het geval. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling blijkt dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is.
Zoals te lezen is, is in de m.e.r.-beoordeling en bijbehorende onderzoeken gewerkt met vier scenario’s waarin het bouwprogramma verschilt: Ambitiemodel GVB busgarage vertrekt (3.233 woningen en maatschappelijke/commerciële voorzieningen) Model 10% extra GVB bus garage vertrekt (4.433 woningen en maatschappelijke/commerciële voorzieningen) Ambitiemodel GVB busgarage blijft (2.343 woningen en maatschappelijke/commerciële voorzieningen) Model 10% extra GVB busgarage blijft (2.920 woningen en maatschappelijke/commerciële voorzieningen) Het 10 % extra programma (of MER-model) waarbij de GVB busgarage vertrekt is in de
Gemeente Amsterdam
blz. 54
m.e.r.-beoordeling beschouwd om te kijken wat een maximaal programma aan te verwachten effecten met zich mee kan brengen. In het voorliggende bestemmingsplan worden meer woningen mogelijk gemaakt dan in het vorige ontwerpbestemmingsplan. Aangezien het een relatief klein aantal betreft, wordt het 10% extra programma met 4.433 woningen nog niet overschreden. De uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is daarom nog steeds geldig.
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; en het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen.
Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld. 4.2.2
Plangebied
Omgevingstype / gebiedskarakteristiek In de VNG-brochure is een gemengd gebied als: "een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 55
gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." De omgeving van het plangebied is aan te merken als een gemengd gebied. Het gebied ligt namelijk nabij hoofdinfrastructuur (de A10, Jan Evertsenstraat, Burgemeester Röellstraat) en er komen in de nabijheid van het plangebied diverse andere functies voor. In de omgeving van het plangebied liggen onder meer (zie ook onderstaande kaart):
woningen; de Sloterplas (blauwe arcering); een busgarage van de GVB (geel omcirkeld); het ziekenhuis OLVG West (groen omcirkeld); een metrostation (paars omcirkeld); een studenthotel (rood omcirkeld); voorzieningen, zoals twee kinderdagverblijven en verloskundigenpraktijk (oranje omcirkeld) en onderstation (blauw omcirkeld). Beoordeling Invloed vanuit omgeving op het plangebied In onderstaande tabel is beschreven welke functies in de omgeving invloed kunnen hebben op de woningen in het plangebied, en welke richtafstanden bij dergelijke functies volgens de VNG-brochure moeten worden aangehouden. Zoals aangegeven zijn in dit geval de richtafstanden voor een gemengd gebied van toepassing. adres functie
richtafstand rustig gebied
richtafstand gemengd gebied
daadwerkelijke afstand
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Busgarage GVB
Jan Tooropstraat 647
Metrostation Jan van Galenstraat
100 m
50 m
> 70 m
100 m
50 m
56 m
Student Hotel
Jan van Galenstraat 335
100 m
50 m
70 m
OLVG, locatie West
Jan Tooropstraat 164
30 m
10 m
270 m
KDV De Blije Bij
Burg. Röellstraat 25
30 m
10 m
50 m
KDV Het Pareltje
Burg. Röellstraat 17
30 m
10 m
50 m
Onderstation
Nabij Jan Everstenstraat
30 m
10 m
7,5 m
Alleen de afstand van het bestaande onderstation tot de nieuwe woontoren komt niet overeen met de richtafstand. Het geluid vanaf het onderstation is maatgevend voor de richtafstand. Omdat de onderste bouwlagen van de woontoren een dove gevel krijgen vanwege het spoorweglawaai, is het geluid vanuit het onderstation op de woningen in de woontoren verwaarloosbaar. Ook vormt eventuele magneetvelden vanuit het onderstation geen gevaar, zie hierover 4.9. Uit de tabel blijkt verder dat voor alle functies aan de richtafstanden wordt voldaan. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt aangetast door de omgevingseffecten van de in de omgeving aanwezige functies. Invloed op de omgeving vanuit het plangebied Daarnaast maakt het bestemmingsplan zelf ook ontwikkelingen mogelijk die een effect op de bestaande woningen buiten het plangebied, en op de nieuwbouwwoningen binnen het plangebied kunnen hebben. Het gaat om het integraal kindcentrum in het noorden van het plangebied, de tennis- en padelbanen in het westen en de voorzieningen, waaronder horeca, in het zuiden. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden en daadwerkelijke afstanden tussen deze functies en de bestaande en nieuwe woningen aangegeven. richtafstand rustig richtafstand afstand tot bestaande gebied gemengd gebied woningen
afstand tot nieuwe woningen
50 m
30 m
45 m
0m
voorzieningen, 10 m waaronder horeca (geen muziekcafé of discotheek)
0m
> 30 m
0m
integraal kindcentrum
10 m
20 m
0m
functie tennis- en padelbanen
30 m
Uit de tabel blijkt dat voor de bestaande woningen bij alle nieuwe functies in het plangebied aan de richtafstanden wordt voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen niet wordt aangetast als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied. Voor de nieuwe woningen wordt alleen voor wat betreft de voorzieningen aan de richtafstanden voldaan, bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 57
voor de tennis- en padelbanen en het integraal kindcentrum geldt dat niet. Deze richtafstanden houden verband met het aspect geluid. Daarom is akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van deze functies, waaruit volgt dat de geluidsbelasting al dan niet na het treffen van maarregelen aanvaardbaar is. Zie hierover uitgebreid paragraaf 4.5.
4.3
Lichthinder
4.3.1
Kader
In het kader van "een goede ruimtelijke ordening" in de zin van art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening, kan het aspect lichthinder een aspect zijn wat dient te worden meegewogen en verantwoord in de toelichting van een bestemmingsplan. Er zijn drie soorten effecten van kunstmatige verlichting: 1. hinder voor de mens; 2. hinder/verstoring voor de natuur; 3. horizonvervuiling. Er is regelgeving noch beleid dat specifiek betrekking heeft lichthinder, afgezien van enkele bepalingen in het Activiteitenbesluit. De gemeente Amsterdam heeft evenmin eigen beleid ten aanzien van lichthinder. In de praktijk wordt echter vaak getoetst aan het Activiteitenbesluit en de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). 4.3.2
Plangebied
Algemeen Vanwege de lichtmasten bij de tennisbanen is er een onderzoek uitgevoerd naar lichthinder (7 september 2021, bijlage 4). Voor de beoordeling van dit onderzoek is contact gezocht met de Omgevingdienst. Er is in het onderzoek uitgegaan van 10 lichtmasten van elk 12 meter met een specifieke armatuur, waarbij getoetst is aan de meest recente richtlijn van de NSVV. In het onderzoek is opgenomen dat de bedrijfsomstandigheden vrijwel altijd zullen verschillen van de voor de berekeningen gekozen uitgangspunten en zijn afwijkingen in de opgegeven luminanties of verlichtingssterkten niet uitgesloten. Vervolgens worden een aantal factoren benoemd die hierbij een rol kunnen spelen. Met anderen woorden: als de omgeving anders wordt dan in het rapport en er andere masten en armatuur en lampen worden toegepast, kan dit gaan verschillen met de uitkomsten uit het lichtonderzoek. Dit is echter gebruikelijk, aangezien het een theoretisch onderzoek betreft. De conclusie is dat de maximale luxwaardes die op de gevels van de diverse woningen valt, met een maximale verticale verlichtingssterkte van 8,02 lux binnen de toegestane norm van 10 lux valt. Vleermuizen In het natuurwaardenonderzoek in bijlage 13 wordt ingegaan op het aspect lichthinder in relatie tot vleermuizen, waarbij het gaat om effecten op fourageergebied en vliegroutes. Zie hiervoor ook 5.4.
Hieronder volgt een korte samenvatting van het onderzoek voor wat betreft eventuele lichthinder voor vleermuizen. Uitvoeringsfase Foeragerende en overvliegende vleermuizen kunnen in de uitvoeringsfase worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor bijvoorbeeld licht in het foerageergebied/vliegroute. Het zal waarschijnlijk gaan om een beperkt effect op de aanwezige vleermuizen, gezien de reeds aanwezige lichtverstrooiing van tennisbanen en paden. Deze verstoring (en daarmee indirecte aantasting van het essentieel leefgebied) is echter te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor Gemeente Amsterdam
blz. 58
vleermuizen. Wanneer toch in de actieve periode voor vleermuizen gewerkt wordt (bijvoorbeeld een deel van de werkdag bij schemering), dan dient in ieder geval te worden voldaan aan een aantal voorwaarden (genoemd in het rapport) om verstoring uit te sluiten. Gebruiksfase Verschillende zones in het plangebied worden in de toekomstige situatie beter geschikt voor vleermuizen, maar het fourageergebied kan ook worden verstoord door lichtverstrooiing tot op het wateroppervlak. De woningen kunnen ook voor extra verlichting zorgen. Er is daarom een gericht onderzoek vleermuisonderzoek (conform het vleermuisprotocol 2021) benodigd, waarbij wordt onderzocht op welke wijze vleermuizen momenteel gebruik maken van het plangebied. Er moet worden nagegaan of er in de toekomstige situatie sprake is van een netto toename in verstoring in het gebied (door o.a. het lichtplan te vergelijken met de huidige situatie) én of deze verstoring optreedt in deelgebieden die in de huidige situatie van belang zijn voor vleermuizen. Als er sprake is van een aantasting van essentieel leefgebied voor vleermuizen, dan is een ontheffing Wnb nodig en dient een passend mitigatieplan (Activiteitenplan) te worden opgesteld. De uitvoerings- en gebruiksfase zal na vaststelling van het bestemmingsplan plaatsvinden, waarbij het bovenstaande in acht moet worden genomen. Zie hierover 5.4.2.
Horizonvervuiling In het plangebied zijn reeds lichtmasten voor de tennisbanen aanwezig, die destijds ruimtelijk aanvaardbaar werden geacht. Aangezien de tennisbanen terugkomen in het ontwerp, wordt aangenomen dat de nieuwe lichtmasten van het Tennispark eveneens ruimtelijk aanvaardbaar zijn. De toename van het licht zal beperkt zijn, aangezien de woningblokken het licht afkomstig van de lichtmasten van de tennisbanen richting de omgeving grotendeels zullen tegenhouden. Ten noordoosten van het plangebied is de eerstvolgende verblijfsfunctie het Student hotel, op afstand van circa 85 meter van het plangebied. De verwachting is dat de lichthinder hier beperkt is.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in titel 5.2 luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd. De kern van deze regeling wordt gevormd door een landelijke programmatische aanpak, die ervoor zorgt dat, in de meeste gevallen, niet meer per project aan luchtkwaliteitsnormen hoeft te worden getoetst. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wm (Wet Luchtkwaliteit) kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van de uitvoering van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt: geen sprake is van een overschrijding of dreigende overschrijding van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met het bestemmingsplan samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; geen sprake is van het in betekende mate (ibm) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 59
strijd is met het vastgesteld programma (het NSL). Voor de in dit programma opgenomen ontwikkelingen is berekend wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit. Vervolgens is in het programma een pakket maatregelen opgenomen waarmee de negatieve gevolgen van deze ontwikkelingen worden gecompenseerd. Grenswaarden In bijlage 2 van de Wm zijn de grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor de diverse stoffen opgenomen. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in onderstaande tabel weergegeven. Stof
Maatgevend beoordelingscriterium Grenswaarde (µg/m3)
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40
Fijn stof (PM10)
24-uurgemiddelde concentratie
50, mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden; dit is gelijk aan een grenswaarde van 32,1 µg/ m3 voor de jaargemiddelde concentratie PM10
Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
25
Tabel 1, bijlage 2 bij de Wet milieubeheer Bij de berekening geldt een plaatsafhankelijke aftrek voor de jaargemiddelde norm voor fijn stof. Voor Amsterdam bedraagt deze aftrek 6 µg/m³ en voor het 24-uurgemiddelde zes overschrijdingen per jaar. Met deze aftrek mag de dagnorm derhalve 41 keer worden overschreden. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is in januari 2009 in werking getreden. Met deze Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken.
Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden. Actieplan luchtkwaliteit Gemeente Amsterdam In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan
Gemeente Amsterdam
blz. 60
daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. 4.4.2