CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Amstelkwartier derde fase West_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 15 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Amstelkwartier derde fase West (ZD2021-014767)43.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die weergeeft wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. Naast de kans op een ongeval moet ook het mogelijk effect van een ongeval worden betrokken in besluitvorming. Het bevoegd gezag dient een toename van het groepsrisico en overschrijding van de oriëntatiewaarde (OW) te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer / Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. 4.5.2

Regelgeving en beleid

Wet- en regelgeving In wet- en regelgeving wordt onderscheid gemaakt in: Risicovolle inrichtingen: De externe veiligheidsregelgeving voor inrichtingen ligt vast in het Besluit Externe Veiligheid voor Inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Revi). Artikel 8 en 12 van het Bevi schrijven voor dat bij een ruimtelijk besluit als een bestemmingsplan getoetst moet worden aan normen voor het plaatsgebonden- en het groepsrisico als gevolg van activiteiten bij risico-inrichtingen. Voorbeelden van risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren: De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de

Gemeente Amsterdam

blz. 66

binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Buisleidingen: Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.

Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens een eventuele toename van het groepsrisico te worden verantwoord. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. In artikel 14 van het Bevb is bepaald dat deze strook ten minste vijf meter bedraagt aan weerszijde van de buisleiding. In artikel 5 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is bepaald dat deze strook ten minste 4 meter bedraagt indien het een buisleiding betreft voor aardgas met een druk tussen 1.600 en 4.000 kPa. Beleid - Uitvoeringsbeleid Extern veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door het college van burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant.

Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid streeft naar een groepsrisico die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De afweging voor overschrijding van de oriënterende waarde en een toename van een overschrijding van de oriëntatiewaarde moet als specifiek beslispunt aan het bevoegd gezag ter besluitvorming worden voorgelegd. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Het uitvoeringsbeleid streeft naar extra bescherming van beperkt zelfredzame personen. Ongevalsscenario's met brandbaar gas zoals LPG en aardgas buisleidingen zijn snelle scenario's die minder mogelijkheden geven voor mensen om zichzelf in veiligheid te brengen.

Daarom stelt het uitvoeringsbeleid dat nieuwe objecten specifiek bedoeld voor beperkt zelfredzame personen gesitueerd moeten worden buiten de 100%-letaliteitsgrens van ongevallen met brandbaar gas. Uitgangspunt hierbij is dat er op deze afstand meer mogelijkheden zijn om mensen in veiligheid te brengen bij een eventueel

bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 67

ongeval. Daarnaast zal er afschermende werking optreden door andere bebouwing en zullen mensen binnen gebouwen beschermd zijn tegen warmtestraling. De 100% letaliteitsgrens ligt op de volgende afstand van de verschillende risicobronnen in het gebied: 100% letaliteit LPG spoor is 100 meter; 100% letaliteit LPG weg is 80 meter; 100% letaliteit betreffende aardgasleidingen is 80 meter; 100% letaliteit LPG tankstation 150 meter. Indien er economische of maatschappelijke gewichtige redenen zijn en de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid voldoende op orde zijn, kan een object bedoeld voor minder zelfredzame personen worden gesitueerd binnen de 100% letaliteitsgrens. Een dergelijke afweging wordt als specifiek beslispunt binnen het ruimtelijke proces aan het bestuur of verantwoordelijk bestuurder ter besluitvorming voorgelegd. Minder zelfredzame personen volgens het Amsterdamse beleid Amsterdam definieert minder zelfredzame personen vanuit externe veiligheid als personen die niet over het fysieke en/of verstandelijke vermogen beschikken om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een calamiteit. De volgende personen/groepen worden in ieder geval als minder zelfredzaam gedefinieerd: kinderen onder 12 jaar; zieken; bejaarden; gehandicapten. Uitdrukkelijk worden niet bedoeld objecten als woningen, winkels, kantoren etc. waar deze groepen ook aanwezig kunnen zijn. 4.5.3

Plangebied

Onderzoek in 2020 nieuwbouw Amstelkwartier 3e fase West (gasleiding en weg) In 2020 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd in het kader van voorliggend bestemmingsplan. De resultaten zijn uiteengezet in het rapport "Externe veiligheidsrisico's hogedruk aardgasleiding en transport over de A2 Bestemmingsplan AK3 West" (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; d.d. 06-2020 versie 2). De rapportage is een bijlage bij voorliggende toelichting. Uit de rapportage is op te maken dat het plangebied niet in het invloedsgebied ligt van een transportroute gevaarlijke stoffen over het water, spoor en van een Bevi inrichting, maar wel binnen invloedsgebied van hoge druk aardgasleidingen. Volgens de Omgevingsdienst ligt het plangebied ook in invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg (A2). Het plangebied ligt evenwel niet in invloedsgebied van het deel van de A2 dat ingevolge het Basisnet weg is aangewezen als transportroute. Ook is dit deel van de A2, overgaand in de Utrechtseweg niet door de gemeente Amsterdam aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Desondanks is door de Omgevingsdienst wel een berekening uitgevoerd voor wat betreft de 'A2' (Utrechtseweg).

De resultaten van het onderzoek zijn aldus: Resultaten - Hoge druk aardgasleiding(en) Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico is nergens hoger dan de grenswaarde van 10-6 per jaar. Zodoende wordt voor de hoge druk aardgasleidingen voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico.

Gemeente Amsterdam

blz. 68

Groepsrisico: De oriëntatiewaarde wordt overschreden. Het groepsrisico bedraagt volgens de Omgevingsdienst bij het plangebied Amstelkwartier 3e fase West: in de huidige situatie: 1. leiding W-534-02-deel-1: 0,3 x de oriëntatiewaarde; 2. leiding W-534-01-deel-1: 0,54 x de oriëntatiewaarde binnen het inventarisatiegebied en 0,4 x de orientatiewaarde ter hoogte van het plangebied Amstelkwartier 3e fase West. toekomstige situatie, zonder het treffen van maatregelen: 1. leiding W-534-02-deel-1: 0,3 x de oriëntatiewaarde; 2. leiding W-534-01-deel-1: 3,1 a 3,2 x de oriëntatiewaarde. De kilometer hoge druk aardgasleiding met het hoogste groepsrisico ligt ter hoogte van de ruimtelijke ontwikkeling van Amstelkwartier 3e fase West. De ruimtelijke ontwikkeling van Amstelkwartier 3e fase West heeft een duidelijke invloed op de hoogte van het groepsrisico. De toename van het groepsrisico is groter dan 10% (bij het plangebied: toename van 0,4 naar 3,1 a 3,2 x de oriëntatiewaarde). Omdat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico overschreden wordt is een volledige verantwoording van het groepsrisico nodig, zoals opgenomen in Artikel 12 van het Bevb. Het groepsrisico kan mogelijk verlaagd worden door mitigerende maatregelen aan de leiding ter hoogte van het plangebied Amstelkwartier 3e fase West.

Resultaten - Transport gevaarlijke stoffen over de weg Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico is nergens hoger dan de grenswaarde van 10-6 per jaar. Zodoende wordt voor de transportroute gevaarlijke stoffen over de weg voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico: Het groepsrisico bedraagt 0,48 x de oriëntatiewaarde in de huidige situatie en 0,59 x de oriëntatiewaarde in de nieuwe situatie. Het groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde. De toename van het groepsrisico bedraagt ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkelingen meer dan 10%. Omdat het groepsrisico groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico meer dan 10% bedraagt is een volledige verantwoording van het groepsrisico nodig, zoals opgenomen in Artikel 8 van het Bevt. 4.5.4

Verantwoording Groepsrisico

Verantwoording groepsrisico - Hoge druk aardgasleiding Overleg en afstemming De kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen is klein, maar niet onmogelijk. Om de gevolgen voor het plangebied in te kunnen schatten is inzicht nodig in het potentiële gevaar. Hierover is advies gevraagd aan de brandweer. Het advies d.d. 7 augustus 2020 (referentie 41/RoEv-2020) is een bijlage bij voorliggende toelichting. Hieruit is onder meer het volgende op te maken over het treffen van maatregelen: Een aantal mogelijke maatregelen die de risico¡¦s van een ongeval met de hogedruk aardgasleiding voor het plangebied kunnen beperken worden hieronder genoemd. Dit zijn niet de enige maatregelen die genomen kunnen worden, maar geven een denkrichting aan. Door het nemen van maatregelen kan de kans op een ongevalsscenario worden verkleind of kunnen de gevolgen worden beperkt. Voorzieningen treffen om de ondergrondse buisleidingen te beschermen tegen beschadigingen, waardoor de kans op een ongeval wordt verkleind. Werkzaamheden nabij of aan de aardgasleiding onder strikte begeleiding uitvoeren.

bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 69

Waar mogelijk de constructie van gebouwen zo uitvoeren dat bescherming wordt geboden tegen de hittestraling en er in deze gebouwen kan worden geschuild. Bebouwing en voorzieningen zo uitvoeren dat er vluchtroutes zijn waar personen niet worden blootgesteld aan de hittestraling. Toekomstige bewoners bewust maken van de mogelijke gevaren van een ongeval met hoge druk aardgasleiding en het handelingsperspectief. Waar mogelijk noodplannen opstellen en oefenen waarin het ongevalsscenario fakkelbrand is opgenomen. Opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen voor de hulpverlening aanleggen. In overleg met de leidingbeheerder zijn maatregelen besproken en afgewogen. Het overleg met de leidingbeheerder is opgestart en heeft onder meer plaatsgevonden op 25 mei 2020 (aanwezig: Gasunie, Omgevingsdienst en gemeente). In dat overleg is bepaald dat nader onderzoek plaatsvindt naar de volgende mogelijke risicoreducerende mitigerende maatregelen: Berekening van het risico reducerend effect van het grondpakket van de aan te leggen toe/afrit van de brug over de Duivendrechtsevaart in de Amstelstroomlaan; Strikte begeleiding van werkzaamheden (SBW); Grond van de belemmeringstrook 'uit gebruik nemen' = graafverbod.

Deze risico reducerende mitigerende maatregelen zijn als volgt voor de situatie van het plangebied onderzocht: Gronddekking 2 m over een lengte van 80 m bij het talud; Leiding met 1670 m SBW; Leiding met 110 m graafverbod. De resulaten zijn uiteengezet in het rapport "Externe veiligheidsrisico's hogedruk aardgasleiding en transport over de A2 Bestemmingsplan AK3 West" (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; d.d. 26-06-2020 versie 2). Uit de rapportage is op te maken dat met het treffen van de mitigerende maatregel SBW voor leiding W-534-01-deel-1'', in combinatie met de al aanwezige extra gronddekking bij het talud, het groepsrisico naar 1 x de oriëntatiewaarde gaat wat betekent dat de orientatiewaarde dan dus niet overschreden wordt. Dit is een situatie waarnaar volgens het Uitvoeringsbeleid Extern veiligheid Amsterdam wordt gestreefd. Geconcludeerd wordt dat deze maatregel voor leiding W-534-01-deel-1 doeltreffend is. De maatregel is besproken met de leidingbeheerder op 21 september 2020. De leidingbeheerder heeft aangegeven dat de risico verlagende maatregel "strikte begeleiding van de werkzaamheden" extra werkzaamheden met zich mee brengt voor de leidingbeheerder, maar dat dit gezien de hoogte van het groepsrisico, in onderhavige situatie als een toevoegende maatregel wordt gezien.

Resultaat van de bespreking is dat de maatregel SBW (voor Amstelkwartier derde fase betreft het een gebied met lengte van 1670 meter, 5 meter aan weerzijde van de leiding) wordt doorgevoerd en dat dit bij overeenkomst wordt geregeld. Resultante - verantwoording groepsrisico: a. Te overwegen maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt: 1. Strikte begeleiding werkzaamheden: De leidingbeheerder heeft aangegeven dat de kans verlagende maatregel "strikte begeleiding van de werkzaamheden" extra werk zaamheden met zich mee brengt voor de leidingbeheerder, maar dat dit gezien de hoogte van het groepsrisico, in onderhavige situatie als een toevoegende maatregel wordt gezien. Uit de rapportage "Externe veiligheidsrisico's hogedruk aardgasleiding en transport over de A2 Bestemmingsplan AK3 West" (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; d.d. 06-2020 versie 2) is op te maken dat strikte begeleiding werkzaamheden (SBW) zorgt voor reductie van het groepsrisico van 3,2 x de oriëntatiewaarde naar 1 x de oriëntatiewaarde. Deze maatregel zorgt dus voor een reductie die voldoende is om het groepsrisico niet hoger te laten zijn dan de oriëntatiewaarde. Gemeente Amsterdam

blz. 70

2. De buisleiding afschermen tegen beschadigingen: Door voorzieningen te treffen die de buisleiding beschermen tegen beschadigingen kan de kans op een ongeval worden verkleind. De exploitant treft met het oog op beheer en onderhoud buisbeschermende maatregelen tegen beschadiging als gevolg van bijvoorbeeld doorroesten (kathodische bescherming). Mede ter attendering is de belemmeringenstrook van de gasleiding op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan en op de verbeelding van het bestemmingsplan Amstelkwartier tweede fase Weststrook Zuid e.o. opgenomen en is het uitvoeren van werkzaamheden daarin, gekoppeld aan een omgevingsvergunning. In het kader van de omgevingsvergunningverlening kunnen voorwaarden worden gesteld aan de werkzaamheden. Dit met het oog op de bescherming van de leiding. Voorts is het een mogelijkheid om de gasleiding ondergronds af te dekken met platen. Bij graafwerkzaamheden stuit degene die werkzaamheden uitvoert dan eerst op de platen. Nadeel van dergelijke platen is dat er minder vrije ruimte is voor andere kabels en leidingen. b. Te overwegen andere mogelijk heden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico: 1.

Gronddekking: Het huidige groepsrisico is in eerste instantie berekend voor de situatie zonder de gronddekking van de op- en afrit van de (nieuwe) brug in de Amstelstroomlaan over de Duivendrechtsevaart (op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan in aanbouw). Een deel van de leiding komt onder het talud van de op- en afrit van de nieuwe brug over de Duivendrechtsevaart te liggen. In het algemeen geldt dat een grotere gronddekking zorgt voor een lager groepsrisico. In dat opzicht is de aanleg van het talud in zekere zin een groepsrisico reducerende maatregel die wordt uitgevoerd bij realisatie van de brug. Deze maatregel is nader onderzocht. Uit de rapportage "Externe veiligheidsrisico's hogedruk aardgasleiding en transport over de A2 Bestemmingsplan AK3 West" (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; d.d. 06-2020 versie 2) is op te maken dat een gronddekking van 2 meter zorgt voor reductie van het groepsrisico van 3,2 x de oriëntatiewaarde naar 1,7 x de oriëntatiewaarde. Deze maatregel zorgt dus wel voor reductie, maar is nog niet voldoende om het groepsrisico niet hoger te laten zijn dan de oriëntatiewaarde. 2. Een van de maatregelen die overwogen kan worden is het navolgen van het Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Amsterdam.

Dit door in voorliggend bestemmingsplan juridisch te borgen dat voor de directe bestemmingen die zijn gelegen binnen de 100% letaliteitszone van de gasleidingen geen vestiging van objecten voor minder zelfredzame personen mogelijk is. Dit door de vestiging van functies voor minder zelfredzame personen binnen de bestemmingen waar nieuwbouw mogelijk is, uit te sluiten. Deze maatregel heeft navolging gekregen in voorliggend bestemmingsplan. c. De voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst: verwezen wordt naar de mogelijkheden beschreven onder b. d. Te overwegen mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval: 1. Overwogen kan worden om de constructie van de woongebouwen zodanig uit te voeren dat het bescherming biedt tegen hittestraling zodat in gebouwen kan worden geschuild. Een ongeval met een hoge druk aardgasleiding ontwikkelt zich snel. Direct of in korte tijd zijn de effecten van hittestraling in het plangebied merkbaar. Schuilen in een gebouwen is alleen mogelijk als deze bestand zijn tegen de effecten van hittestraling. De gebouwen moeten daarvoor zo geconstrueerd zijn dat zij bescherming bieden. Het zodanig construeren van de woongebouwen dat het bescherming kan bieden tegen een fakkelbrand op de aardgasleiding is niet realistisch.

De woongebouwen bevinden zich namelijk op relatief korte afstand van de aardgasleiding. De hitte van een mogelijke fakkelbrand is daardoor intens. Ook blijft de fakkel geruime tijd branden waardoor de woongebouwen gedurende langere tijd worden aangestraald. Hierdoor zijn er naar verwachting geen reëel constructieve voorzieningen die er voor kunnen zorgen dat gebouwen bescherming bieden. 2. De hulpverlening kan een ongeval met een hoge druk aardgasleiding niet voorkomen. Het ongeval heeft al plaatsgevonden als zij arriveert. De hulpverlening bereidt zich wel voor op de bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 71

gevolgen. Bij een ongeval met de hoge druk aardgasleiding waarbij een fakkel ontstaat moet afstand worden gehouden. Door de hitte kan de brandweer binnen een afstand van honderden meters van het ongeval niet optreden. Zij moet wachten tot de fakkel gedoofd is om in dit gebied hulp te verlenen. Dit kan enkele uren duren. 3. Realiseren van opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen. De bereikbaarheid, opstelplaatsen en waterwinning zijn mede bepalend voor de inzet van de hulpdiensten. Als het voldoende veilig is voor de hulpverlening om het gebied te betreden dan kan zij haar voertuigen plaatsen en beschikken over voldoende bluswater. Bij de uitwerking van het maaiveldontwerp zal hierover nog nader met de brandweer overlegd worden. Dit onder meer voor optimalisatie van de inpassing van bluswatervoorzieningen en het nader uit te werken aanvalsplan. 4. Mochten er in de toekomst werkzaamheden aan of in de omgeving van de aardgasleiding plaatsvinden, dan is te overwegen om die uit te voeren op momenten waarop er weinig personen in deze omgeving aanwezig zijn. e. Te overwegen mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet: 1.

Aanwezige personen in het plangebied zijn in de eerste fase na een ongeval met een hoge druk aardgasleiding op zichzelf en anderen aangewezen. Personen moeten snel handelen om zichzelf en anderen in veiligheid te kunnen brengen. Het merendeel van de personen die aanwezig zijn in woongebouwen zullen zich, zonder informatie hierover, niet bewust zijn van de mogelijke gevaren van een ongeval met de hoge druk aardgasleiding. Na een ongeval blijft daardoor in dat geval het snel en op een goede manier handelen, naar verwachting uit. Het informeren over de mogelijke gevaren vergroot de kans op juist handelen. Door toekomstige bewoners bewust te laten zijn van de mogelijke gevaren en hen een handelingsperspectief te geven, zijn aanwezigen beter voorbereid en is de kans dat op een goede manier wordt gehandeld, groter. 2. Vluchtmogelijkheden van de hoge druk aardgasleiding van de hoge druk aardgasleiding af realiseren. Als er (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron af gerealiseerd worden, draagt dat bij aan een veiligere vluchtweg. Dit heeft bij een fakkelbrand alleen effect als uit het zicht van de fakkel onder dekking van constructies gevlucht kan worden.

Consequentie 'hoge druk aardgasleiding' voor het bestemmingsplan: Een eventuele overschrijding van de oriëntatiewaarde en een toename van de overschrijding van de oriënterende waarde moet volgens het Amsterdamse Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid als specifiek beslispunt aan het bevoegd gezag ter besluitvorming worden voorgelegd. Dit is in voorliggende situatie voor wat betreft het groepsrisico van de hoge druk aardgasleiding bij het plangebied niet aan de orde omdat een mitigerende maatregel wordt doorgevoerd waardoor de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Het betreft de maatregel strikte begeleiding werkzaamheden (SBW). Over het doorvoeren en in achtnemen van de maatregel zijn afspraken gemaakt met de leidingbeheerder. In navolging van het uitvoeringsbeleid externe veiligheid van de gemeente wordt daarbij om redenen van externe veiligheid in het bestemmingsplan geborgd dat binnen 80 meter (100% letaliteitszone) van de gasleiding geen nieuwbouw is toegestaan voor functies die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen (zie hiervoor 4.5.2 onder 'Beleid - Uitvoeringsbeleid Extern veiligheid Amsterdam'). Verantwoording groepsrisico - Transport gevaarlijke stoffen weg Volgens de Omgevingsdienst dient het groepsrisico van mogelijk vervoer gevaarlijke stoffen op de Nieuwe Utrechtseweg te worden verantwoord.

Voor de verantwoording van de toename van het groepsrisico als gevolg van de intensivering van het gebied nabij een weg waarover gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd, wordt gebruik gemaakt van de afwegingen eerder die zijn gemaakt in

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (versie 14 mei 2012). Navolgende is overgenomen uit dat beleidsdocument: Bij het transport van gevaarlijke stoffen over de weg is nooit precies bekend wat zich waar bevindt. Wel moeten vrachtwagens met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen de aangewezen routes (rijks-, provinciale- of gemeentelijke gevaarlijke stoffenroute) volgen. Wanneer een transporteur van deze route wil afwijken dan moet daar toestemming voor worden gevraagd aan de gemeente. Ook zijn op de tankauto borden aangebracht die informatie geven over de aard van de stof. Calamiteiten met grote effecten zijn nagenoeg altijd ongeval scenario’s met een tankauto met gevaarlijke stoffen. Het gaat voornamelijk om transporten van benzine, LPG, giftige gassen en giftige vloeistoffen. De scenario’s die bij deze stoffen kunnen optreden bij een ongeval zijn een plasbrand, een BLEVE en het vrijkomen van een giftig gas. De scenario’s plasbrand, BLEVE en het ineens vrijkomen van een giftig gas ontwikkelen zich zo snel dat de hulpverlening meestal alleen toekomt aan het bestrijden van de gevolgen. Voornamelijk door het bestrijden van de secundaire effecten en het verlenen van hulp aan gewonde slachtoffers. Indien noodzakelijk wordt het (bedreigde) gebied op instructie van de brandweer door de politie afgezet.

Het scenario uitdampen van een vrijgekomen vloeistof kan worden bestreden door het afdekken van de vloeistof. De snelheid waarmee dit kan is afhankelijk van de bereikbaarheid en de mogelijkheid om middelen in te zetten. De bereikbaarheid van de plek waar een ongeval heeft plaatsgevonden is afhankelijk van de locatie en de drukte op de weg. Vaak is er langs de wegen waarover wordt getransporteerd geen bluswater beschikbaar dat snel ingezet kan worden (bijvoorbeeld brandkranen). Er is geen algemeen calamiteitenplan voor ongevallen op de weg. Nieuwbouw in plangebied ligt op ruime afstand van wegen die onderdeel zijn van het Basisnet (A2 ten zuiden van knooppunt Amstel en A10). De minimale afstand tussen de nieuwbouw in het plangebied en de Nieuwe Utrechtseweg / Verlengde A2 (geen deel van het Basisnet) bedraagt circa 220 meter. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen (die buiten het basisnet vallen) is bestemmingsverkeer en is beperkt. Ontwikkelingen langs gemeentelijke wegen zijn in beginsel aanvaardbaar. Het uitvoeringsbeleid streeft naar een groepsrisico lager dan de oriëntatiewaarde.

Consequentie 'transport gevaarlijke stoffen over de weg' voor het bestemmingsplan: Een eventuele overschrijding van de oriëntatiewaarde en een toename van de overschrijding van de oriënterende waarde moet volgens het Amsterdamse Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid als specifiek beslispunt aan het bevoegd gezag ter besluitvorming worden voorgelegd. Dit is in voorliggende situatie voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Utrechtseweg niet aan de orde: in voorliggende situatie is geen sprake van een overschrijding van de oriënterende waarde.

4.6

Bodemkwaliteit

4.6.1

Kader

Bij het toekennen van een (gevoelige) bestemming aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt is te maken voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.

bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 73

4.6.2

Plangebied

Onderzoeken milieuhygiëne Uit in het verleden uitgevoerde onderzoeken in Overamstel is op te maken dat een gedeelte van de bodem in Amstelkwartier 3e fase de afgelopen eeuw sterk is verontreinigd door achtereenvolgens de activiteiten van de Zuidergasfabriek en het gebruik als brandweeroefenterrein. Onderstaand worden de te onderscheiden verontreinigingen uiteengezet. Zuidergasfabriek De verontreinigingen van plangebied Amstelkwartier 3e fase maken deel uit van het geval Zuidergasfabriek. Op 14 oktober 2013 hebben B&W een beschikking afgegeven waarin de ernst en spoedeisendheid van het geval Zuidergasfabriek is vastgesteld. Na saneringsonderzoek ging het college in 2014 akkoord met een saneringsplan voor Amstelkwartier 2e fase. De aanpak bestond vooral uit het afdekken van de verontreiniging met een robuuste en schone leeflaag van 1,2 meter dik. Die aanpak wordt doorgezet in Amstelkwartier 3e fase. Een saneringsplan met die strekking is in 2019 met een beschikking formeel goedgekeurd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (Beschikking instemming deelsaneringsplan; Locatie terrein voormalige Zuidergasfabriek - Spaklerweg 20 Amsterdam; Fase plangebied Amstelkwartier 3e fase Zaaknummer 8900590; Documentnummer 13493758; Bodemlocatienummer AM0363/08178; Datum 20 mei 2019).

In de beschikking is het volgende aangegeven voor wat betreft de bodemvervuiling en de goedgekeurde saneringsaanpak: De vervuiling: De Zuidergasfabriek gerelateerde verontreiniging bevindt zich grotendeels onder Amstelkwartier 2e fase maar heeft een uitloper in Amstelkwartier 3e fase. De gasfabriekverontreinigingen in de bodem bestaan uit olie- en teerachtige verbindingen als minerale olie, mengsels van benzeenverbindingen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), cyanide en zware metalen. De verontreinigingen van plangebied Amstelkwartier 3e fase laten een scherpe tweedeling zien: het noordoostelijke deel bij voormalige brandweeroefengebouw is het sterkst verontreinigd. Hier zijn ook zak- en drijflagen aangetroffen. De zuidwesthoek is slechts matig tot licht verontreinigd. De meeste verontreiniging bevindt zich op een diepte van 3 tot 7 meter en is aan zandkorrels, kleideeltjes en veen gehecht of is opgelost in het grondwater. Een deel van de verontreiniging is aan de grond gebonden (immobiele verontreiniging) en een ander deel is opgelost in het grondwater en kan zich met de snelheid van het grondwater verplaatsen (mobiele verontreiniging). Uit bodemonderzoek blijkt dat dit laatste nauwelijks is gebeurd. De verontreiniging in het grondwater bevindt zich binnen de grenzen van het terrein van de voormalige Zuidergasfabriek.

Op het terreindeel dat in gebruik is geweest door de brandweer is een verontreiniging met PFAS (Poly- en PerFluor Alkyl Stoffen) in de bodem vastgesteld. Voor de sanering van dit ‘nieuwe geval’ zal door de saneerder een apart plan van aanpak worden ingediend (zie hierna). Saneringsaanpak van de Zuidergasfabriek gerelateerde vervuiling: Het bouwrijp maken en saneren van plangebied Amstelkwartier 3e fase zal in één keer worden uitgevoerd. De sanering bestaat uit de volgende onderdelen: het verwijderen van de verontreiniging in de toplaag van 1,0 meter tot de risicogrenswaarde. De risicogrenswaarde (RGW) voor zowel immobiele als mobiele stoffen zal als terugsaneerwaarde worden gebruikt en is daarmee de ondergrens voor de kwaliteit van de toplaag. Met het risicobeoordelingsmodel Sanscrit wordt bepaald of sprake is van een overschrijding van de RGW. Hierbij wordt rekening gehouden met de toekomstige functies van de saneringslocatie; het ontgraven van grond om:

Gemeente Amsterdam

blz. 74

1. ruimte te maken voor een schonere toplaag waardoor risico’s voor de toekomstige functie in afdoende mate worden tegengegaan; 2. ruimte te maken voor de aanleg van ondergrondse kabels, leidingen en parkeervoorzieningen; 3. voorafgaand aan het ontgraven wordt de bodem van de saneringslocatie volgens ARVO onderzocht tot 0,5 meter onder de ontgravingsdiepte of grondwaterspiegel. De onderzoeksresultaten worden gebruikt om de RGW-contour voor ontgraven te bepalen; 4. Op de meeste plaatsen zal de toplaag van 1,0 meter een betere kwaliteit krijgen dan de RGW omdat de toplaag op vele plaatsen schoner is dan de RGW; 5. Onder bestaande en toekomstige bebouwing geldt geen terugsaneerwaarde. Contactmogelijkheden met de achterblijvende verontreiniging onder bebouwing is verwaarloosbaar; 6. Het belang van het behoud van bomen en blijvende obstakels (funderingen, kabels en leidingen) gaat voor het belang van de kwaliteit van de toplaag. Als blijkt dat het lokaal niet mogelijk is de toplaag te laten voldoen aan de terugsaneerwaarde zullen maatregelen genomen worden om risico’s te voorkomen (bijvoorbeeld aanbrengen van boomroosters); Vrijkomende ernstig verontreinigde grond zal zoveel mogelijk binnen het gebied worden herschikt onder de toplaag.

Herschikken mag niet leiden tot herverontreiniging van de toplaag; Binnen de saneringslocatie zal een plek worden ingericht voor het tijdelijk opslaan van een werkvoorraad grond. Bij beëindiging van de sanering zullen de werkvoorraden geheel zijn gebruikt of afgevoerd; Aanvoergrond van buiten de saneringslocatie moet ten minste voldoen aan de Lokale Maximale Waarde voor de toekomstige functie. Aanvoergrond voor leeflagen in tuinen moet minimaal voldoen aan de waarden voor kwaliteitsklasse Wonen of beter; Tijdens de sanering van projectgebied van Amstelkwartier 2e fase is een drainagestelsel aangelegd om de verspreiding van verontreinigd grondwater tegen te gaan. Dit stelsel zal ook worden gebruikt tijdens de sanering van Amstelkwartier 3e fase. Na beëindiging van de grondsanering zullen in het nazorgplan de beheersmaatregelen voor de grondwaterverontreiniging worden opgenomen (drainage, zuivering, monitoring); Er zal worden gesaneerd over een periode van naar verwachting 6 jaar. De sanering gaat vooraf aan de herontwikkeling van plangebied Amstelkwartier 3e fase; De uitvoeringdetails van de sanering zullen worden uitgewerkt in ten minste twee technische ontwerpen (TO), die voor instemming naar de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied worden gestuurd.

Het betreft een TO grondwerk saneren & bouwrijp maken en een TO bijkomende werkzaamheden (voorafgaand, tijdens en na de sanering). In de grondexploitatie is rekening gehouden met de kosten van deze sanering. Brandweeroefenterrein Na sluiting van de gasfabriek werd indertijd een deel van het complex overgedragen aan de brandweer als oefencentrum. Nu is echter duidelijk dat bepaalde blusmiddelen gefluoreerde verbindingen (PFAS) bevatten die schadelijk zijn voor het milieu. In 2017 en 2020 werd daarop bodemonderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat de grond en het grondwater onder het oefencentrum hoge concentraties aan PFAS bevat (onderzoek Witteveen + Bos en onderzoek BK). Volgens de huidige normen is de bodem onder het oefencentrum zodanig verontreinigd dat sanering noodzakelijk is. Het saneringsplan is verder uitgewerkt. In de grondexploitatie is rekening gehouden met de kosten van de sanering. Waterbodem verontreiniging insteekhaven Na sanering in 2015 is her-verontreiniging van de waterbodem van de insteekhaven opgetreden. De bron van de her-verontreiniging is het slib dat tegen de kademuren en aan de kop van de insteekhaven is achtergebleven en uitgezakt. Over een oppervlakte van 3.700 tot 7.000 m2 is de waterbodem sterk

bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 75

verontreinigd met minerale olie en/of PAK. Uit de analyses blijkt dat de sliblaag tot boven de interventiewaarde is verontreinigd met PAK en minerale olie. De verontreiniging bevindt zich voornamelijk in de sliblaag en in mindere mate in de vaste waterbodem. De analyse van het oppervlaktewater ter plaatse van de oliebel toont olie en naftaleen aan. Dit bevestigt analytisch de zintuiglijk waargenomen olieverontreinigingen. De olie is waarschijnlijk afkomstig uit de sliblaag en wordt verspreid door gassen die door natuurlijke processen vrijkomen uit dieper gelegen veenlagen. Het is ook mogelijk dat er via de damwanden lekkage optreedt van de grondwaterverontreiniging in de kade. De kosten voor het saneren van de waterbodem wordt vanuit een ander project betaald. Onderzoek explosieven Het Ingenieursbureau Amsterdam heeft voor het huidige grondgebied van de gemeente Amsterdam laten onderzoeken of mogelijk niet ontplofte explosieven uit de tweede wereldoorlog kunnen worden verwacht op locaties die niet als verdacht zijn aangemerkt. Het plangebied behoort daartoe. In de rapportage van het onderzoek (RAP_430517A Bombardement d.d. 17 mei 1943; Bombs Away; kenmerk 15P046 RAP_430517A; d.d.

30 september 2016) wordt geconcludeerd dat op basis van de bronnen die zijn geraadpleegd in het kader van het historisch vooronderzoek en de resultaten van CE-Bodembelastingkaart geen op CE verdacht gebied kan wordt vastgesteld. Aangegeven is dat indien er in de toekomst grond- en baggerwerkzaamheden zullen plaatsvinden in dit gebied, het niet noodzakelijk is om vervolgstappen te nemen in de explosievenopsporing.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 77

Hoofdstuk 5 5.1

Water

5.1.1

Kader

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf is het resultaat weergegeven van de watertoets waarbij ingegaan wordt op het waterbeleid, de bestaande waterhuishoudkundige situatie, een beoordeling van de effecten op de bestaande waterhuishoudkundige situatie en de maatregelen die genomen (moeten) worden voor het waarborgen van een goede waterhuishouding. 5.1.2

Plangebied

De waterparagraaf is als los document opgesteld en als bijlage bij deze toelichting gevoegd (Waterparagraaf Amstelkwartier 3e fase; kenmerk 29162; d.d. 15-08-2019). Voor de volledige beschrijving van het waterbeleid, waterbeheerder en de bestaande waterhuishoudkundige situatie (waterkeringen, waterveiligheid, oppervlaktewater, grondwater) en de maatregelen en aandachtspunten voor de toekomstige situatie wordt dan ook verwezen naar de rapportage in de bijlage. Bij het opstellen van de waterparagraaf is onderzoek verricht naar onder andere het effect van ondergronds bouwen op de geohydrologie. Voor de tender-, bouwrijp-, inrichting- en bouwfase zijn een aantal belangrijke aandachtspunten te destilleren uit de waterparagraaf. Verwezen wordt naar de bijlage waarin onder meer de volgende aandachtspunten zijn weergegeven: Langs de Duivendrechtsevaart en de insteekhaven van de Duivendrechtsevaart ligt een halfverholen directe secundaire waterkering (Dijkvak A129_001) in beheer bij Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De waterkering heeft beschermingszone met daarbinnen een 3 meter brede kernzone die vrij dient te blijven van keringvreemde objecten. Buiten de kernzone is het binnen de beschermingszone onder voorwaarden uit de Keur van de waterbeheerder toegestaan om constructies zoals ondergrondse parkeergarages te realiseren binnen het Keurprofiel.

De landhoofden van de langzaamverkeerbrug over de insteekhaven worden aan 2 zijden op de kernzone van de waterkering gerealiseerd. Afstemming met Waternet/AGV over het ontwerp is daarom noodzakelijk. De huidige bomen, kabels en leidingen langs het water vallen gedeeltelijk binnen de kernzone van de waterkering. Deze situatie wordt voor reeds bestaande bomen en constructies gedoogd. Bij alle nieuwe bomen moet gezorgd en aangetoond worden dat zij, inclusief de ontgrondingskuil van de boom, buiten de kernzone en buiten het ondergrondse leggerprofiel van de waterkering vallen. Voor graafwerkzaamheden en aanleg van nieuwe kabels en leidingen binnen het Keurprofiel van de waterkering geldt dat ze alleen onder strenge voorwaarden uit de Keur kunnen worden uitgevoerd en dat de erosiekrater van een drukleiding buiten het ondergrondse leggerprofiel van de waterkering dient te vallen. Volgens de geschetste referentie-ontwerpvarianten van deze nieuwe langzaamverkeerbrug over de insteekhaven is sprake van tussensteunpunten waarbij in beperkte mate wateroppervlak gedempt wordt (waarschijnlijk <10 m2). De afname van het wateroppervlak als gevolg van de (pijlers) van de nieuwe langzaamverkeerbrug over de insteekhaven dient voorafgaand aan de bouw van de brug één op één gecompenseerd te worden door nieuw oppervlaktewater binnen de Amstellandse boezem te graven.

De watercompensatie die nodig is vanwege de realisatie van de pijlers van de langzaamverkeerbrug wordt als volgt in het plan gerealiseerd: Uit het kadeonderzoek Overamstel uit 2018 is geconcludeerd op basis van restlevensduur dat de kade langs de Duivendrechtsevaart vervangen moet worden. Door een kleine landinwaartse verplaatsing van de nieuwe kademuur Gemeente Amsterdam

blz. 78

ontstaat een positieve watercompensatie. In het plangebied bevinden zich mobiele bodemverontreinigingen die zich in het grondwater kunnen verplaatsen. Laterale verspreiding van de verontreiniging wordt voorkomen door de in Overamstel aanwezige beheersdrainage. Voor het plangebied is van belang dat het freatisch grondwater binnen de plangrens noordoostwaarts richting beheerdrainage dient te stromen. De volgende maatregelen en uitgangspunten zijn noodzakelijk voor het realiseren van een duurzaam toekomstig grondwatersysteem in het plangebied: 1. Grondwaterneutrale kelderbouw bij bouwblokken 2 en 3 (N.B. bloknummers 2 en 3 van de waterparagraaf = bloknummers 10 en 11 van het stedenbouwkundig plan het overzicht van de bouwblokken is opgenomen in de afbeelding bij de verkavelingsstuctuur in hoofdstuk 2.2.2.) langs de Amstelstroomlaan; hierbij wordt naast en onder de te realiseren kelder een laag grondverbetering aangebracht waarmee ook na realisatie van de kelder een hydraulische verbinding voor freatische grondwaterstroming blijft bestaan. Daarbij is het voorlopige uitgangspunt een laag grondverbetering met een doorlaatvermogen (kD-waarde) van minimaal 10 m2/d. Als alternatief kan ook een halfverdiepte kelder worden gerealiseerd. Het belang van grondwaterneutrale kelders is ook vastgelegd in het paraplubestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders".

Naar aanleiding hiervan is vastgelegd dat kelders tot 300 m2 of 4 meter diep moeten voldoen aan de gemeentelijke beleidsregels. Voor grotere of diepere kelders moet een geohydrologisch onderzoek worden uitgevoerd.

2. Een verhardingspercentage van het centrale plein van minimaal 50%. Dit houdt in dat 50% van het plein wordt aangesloten op een HWA-systeem met afvoer op het oppervlaktewater. De andere helft van het plein kan onverhard blijven. 3. Een eindhoogte ná initiële zetting van minimaal NAP +0,9 m in het plangebied onder het uitgangspunt dat waar nodig met goed doorlatend zand wordt opgehoogd (k>5 m/d). Het betreft hier een minimale hoogte op locaties waar in de omgeving bomen worden aangeplant ter plaatse van de laagste delen in het maaiveld; doorgaans langs de rijweg. 4. Bouwblokken dienen hoger dan dit niveau (zie punt 3) te worden gerealiseerd om het benodigde afschot in trottoirs en wegprofielen en voldoende waterberging in het straatprofiel voor een Rainproof maaiveldontwerp te kunnen realiseren. Indicatief dienen de vloerpeilen van de bebouwing minimaal 0,2 m hoger te liggen dan deze minimale maaiveldniveaus van NAP +0,9 m, dus op minimaal NAP +1,1 m. Ontwikkelaars dienen bij het ontwerp van de ondergrondse parkeergarages insluiting van grondwater op de kavel te voorkomen. Insluiting van grondwater treedt op als er grondwateraanvulling door neerslag optreedt maar het grondwater niet weg kan stromen omdat de grondwaterstroming geblokkeerd wordt door ondergrondse parkeergarages. De ondergrondse parkeergarages moeten waterdicht worden uitgevoerd (geen polderconstructies).

In verband met mobiele verontreinigingen in het freatische grondwater kan bouwen met (niet-waterdichte) kruipruimte risicovol zijn voor de gezondheid en wordt vooralsnog afgeraden om bouwen met kruipruimte toe te staan. Milieukundig onderzoek kan hierover uitsluitsel geven. Vanwege het toenemende risico op extreme neerslag dient het maaiveld zodanig te zijn ingericht dat het overtollige water geen schade, grote overlast, gevaarlijke situaties of blokkade van hoofdwegen veroorzaakt. Voor de verwerking van hemelwater geldt het beleid uit het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021: 1. Het streven is om een bui van 60 mm per uur te kunnen verwerken zonder schade in bebouwing of aan vitale infrastructuur en blokkade van grote gemeentelijke verkeersknooppunten. Hierbij wordt circa 20 mm per uur verwerkt door de riolering, de andere 40 mm per uur wordt in de openbare en particuliere ruimte geborgen en/of via de openbare ruimte afgevoerd (Amsterdam Rainproof). bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 79

2. Zo mogelijk wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd en/of (her)gebruikt. Vertraagde afvoer ontlast afvoerbuizen en het oppervlaktewatersysteem tijdens piekbuien. Hemelwater kan tijdelijk geborgen worden op daken, in tuinen en parken, oeverzones en binnen het straatprofiel. Op deze manier wordt bijgedragen in het verder terug dringen van de kans op .wateroverlast op- en direct rondom het plangebied bij hevige neerslag. Het is noodzakelijk om de vloerpeilen van de nieuwe bebouwing hoger te kiezen dan de openbare ruimte in de omgeving en ter plaatse van de gebouwen zo nodig op te hogen zodat er voldoende waterbergingscapaciteit in het maaiveldontwerp kan worden gerealiseerd zonder dat de gewenste ontwateringsdiepte in het geding komt. Verder wordt geadviseerd in het plangebied een groene en klimaatrobuuste inrichting van de private ruimte te stimuleren; bijvoorbeeld in de vorm van groene of blauwe (waterbergende) daken en groene binnentuinen. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem tegen te gaan, dient het gebruik van uitlogende materialen (PAK, lood, zink en koper) tijdens de bouw- en gebruiksfase voorkomen te worden. Daarnaast dient bij het beheer zo min mogelijk gebruik te worden gemaakt van middelen die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- of grondwater.

De gemeente tendert de bouwopgaven en is opdrachtgever voor de inrichting van de openbare ruimte. De voorwaarden en aandachtspunten uit de waterparagraaf worden geborgd in de tender- en aanbestedingsprocessen.

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

5.2.1

Kader

Cultuurhistorie Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden voor het bestemmingsplan. Met navolgende paragraaf wordt daar invulling aangegeven. Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In het overgangsrecht van de Erfgoedwet is in artikel 9.1 geregeld dat de onderdelen van de Monumentenwet 1998 die overgaan naar de nieuwe Omgevingswet toch van kracht blijven tot de inwerkingtreding daarvan, zodat er geen lacunes in de bescherming ontstaan. Het gaat onder meer om de aanwijzing en bescherming van stads- en dorpsgezichten (artikel 35 en 36 van de Monumentenwet 1998) en om de bescherming van archeologie in ruimtelijke besluiten (artikelen 38 tot en met 43 van de Monumentenwet 1988).

Belangrijke onderwerpen van het overgangsrecht zijn: Instandhoudingsplicht: met de invoering van de Omgevingswet wordt wettelijk verankerd dat monumenteigenaren de plicht hebben om hun monument in stand te houden. Tot de Omgevingswet wordt ingevoerd, is de instandhoudingsplicht verankerd in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. De bepalingen over archeologische monumentenzorg. Het gaat onder meer om: 1. het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; Gemeente Amsterdam

blz. 80

2. de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; 3. de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; 4. de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. 5.2.2

Plangebied

Cultuurhistorie In 2012 is door Bureau Monumenten & Archeologie een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. De beschrijving van de cultuurhistorie van het gebied Overamstel is opgenomen in de bijlage van voorliggend bestemmingsplan (Cultuurhistorische verkenning en advies Industrieterrein OverAmstel; Amsterdam; mei 2012). Hieruit is het volgende op te maken voor wat betreft de cultuurhistorische waarden in voorliggend bestemmingsplangebied: In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Voor het plangebiedsdeel ten oosten van de Duivendrechtsevaart is de noordwest/zuidoost lopende vroegere polderverkaveling en de daarop volgende verkavelingsrichting van de voormalige Zuidergasfabriek van belang. Deze verkavelingsrichting is niet meer in het plangebied van Amstelkwartier 3e fase aanwezig, maar is wel aangehouden in de stedenbouwkundige structuur van de aangrenzende gebieden van Amstelkwartier 1e en 2e fase (zie paragraaf 2.2). Voor het plangebied is de aangrenzende Duivendrechtsevaart in de cultuurhistorische verkenning geduid als een betekenisvol stedenbouwkundige element. De Duivendrechtse Vaart werd na de tweede wereldoorlog gegraven om in het gebied de aan- en afvoer van goederen per schip mogelijk te maken.

De vaart heeft een nautisch/utilitair karakter met strakke kademuren en is cultuurhistorisch van belang vanwege de historische functie en stedenbouwkundig van belang als ruimtelijk element. In het stedenbouwkundig plan is het ruimtelijk belang van de Duivendrechtsevaart (waaronder ook het cultuurhistorische belang wordt gerekend) onder meer onderkend door het openbaar maken van de kade langs de Duivendrechtsevaart zodat eenieder de vaart kan ervaren vanuit het openbaar gebied. Archeologie Door Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd van het plangebied Overamstel. Dit is bedoeld om het cultuurhistorische verleden van het plangebied in kaart te brengen en daarmee een beeld te krijgen van de archeologische sporen die in de bodem aanwezig zijn. De rapportage is een bijlage bij voorliggend bestemmingsplan (Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Actualisatie Overamstel Stadsdeel Oost; BO 10-148; d.d. april 2011). Uit de rapportage is het volgende op te maken: Archeologische verwachtingskaart Op basis van de historisch-topografische inventarisatie zijn binnen plangebied Overamstel materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met de ontginnings/ en gebruiks/ en bewoningsgeschiedenis van de 11de/12de tot in de 20ste eeuw.

De verwachtingen worden gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. Dit leidt tot een verwachtingskaart van archeologische materiële neerslag voor het plangebied. Het gebied Overamstel is verdeeld in zes verwachtingszones. Voorliggend bestemmingsplan ligt in gebied dat is aangeduid als "Zone E: Duivendrechter Polder". Hier kunnen sporen voorkomen die verband houden met bewoning en landgebruik van de ontginning tot de 20ste eeuw. Dergelijke overblijfselen hebben weinig tot geen samenhang en een wijde verspreiding. De archeologische verwachting is daarom laag. Aan de hand van de archeologische verwachtingen is een beleidskaart opgesteld. De beleidskaart is bedoeld als een bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 81

ruimtelijk schema van de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologisch erfgoed binnen bepaalde zones of locaties in het plangebied. Op de archeologische beleidskaart voor Overamstel worden vijf beleidszones/ beleidsvarianten onderscheiden. Voorliggend bestemmingsplangebied ligt in gebied van "beleidsvariant 11" wat betekent dat er voor alle bodemingrepen geen verplichting bestaat voor het uitvoeren van archeologisch veldwerk. Dit is in september 2018 aan de hand van een archeologische quickscan door BMA nog eens bevestigd (bijlage: Archeologische quickscan QS 18-141; d.d. 26-09-2018). Geconcludeerd wordt dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan en geen beschermende regelingen in het plan behoeven te worden opgenomen. Uitzondering is het zuidelijke deel van de insteekhaven. Dat zuidelijke deel was eerder onderdeel van het plangebied van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Overamstel (zie paragraaf 1.4). In dat plan was voor dit deel een dubbel-bestemming voor archeologie opgenomen. De desbetreffende dubbel-bestemming wordt volledigheidshalve overgenomen in voorliggende bestemmingsplan.

5.3

Natuur

5.3.1

Kader

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd.

Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid Gemeente Amsterdam

blz. 82

In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. Voor functiewijzigingen, die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur. Eventuele wijzigingen kunnen aan de Gemeenteraad worden voorgelegd. Ecologische structuur, Amsterdams beleid Een uitwerking van de "Structuurvisie 2040" is de ecologische visie. Deze is in juli 2012 door de Gemeenteraad vastgesteld. De ecologische hoofdstructuur is al voor een groot deel ingericht, echter zijn er nog wel een aantal knelpunten in de vorm van infrastructuur of onvoldoende natuurlijke inrichting. Doel is om deze barrières voor dieren weg te nemen en waar mogelijk de kwaliteit van het groen te verbeteren. Het uitgangspunt is om werk met werk te vervolmaken, wanneer projecten in of nabij de ecologische structuur afspelen dient er altijd een stadsecoloog te worden betrokken in het proces om de kansen te benutten. 5.3.2

Plangebied

Soortbescherming In 2019 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch in meerdere perioden natuuronderzoek uitgevoerd naar jaarrond beschermde nestlocaties van vogels, aanwezigheid beschermde flora en naar het gebruik van het deelgebied door vleermuizen. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in de rapportage "Natuuronderzoek Amstelkwartier 3e fase te Amsterdam - Broedvogels, muurplanten en vleermuizen" (Adviesbureau E.C.O. Logisch; projectcode IBVW1825; versie d.d. 25-04-2020). De rapportage is als bijlage bijgevoegd. Uit de rapportage is het volgende op te maken: Tijdens de flora inventarisaties zijn geen beschermde muurplanten aangetroffen in het projectgebied. Ook zijn er geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen en geen verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn wel enkele foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis waargenomen in het projectgebied. Deze individuen foerageren vooral boven de watergangen, aan de randen van het projectgebied. Boven de geplande ruimtelijke ontwikkelingen wordt in mindere mate gefoerageerd. Aangezien er genoeg alternatieven zijn in de directe omgeving van het projectgebied, is het foerageergebied niet essentieel. Er is geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing inzake de Wet natuurbescherming. Conclusie soortbescherming Soortbescherming vormt geen belemmering voor het uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland, Hoofdgroenstructuur Amsterdam, Ecologische structuur Amsterdam Het aspect "gebiedsbescherming" is eerder onderdeel van de natuurtoets die in 2017 door Adviesbureau E.C.O. Logisch is uitgevoerd voor het aan het plangebied aangrenzende gebied van de brug voor doortrekking van de Amstelstroomlaan over de Duivendrechtsevaart. De resultaten van de beoordeling voor dat aangrenzende gebied zijn weergegeven in de rapportage "Natuurtoets Brug Duivendrechtsevaart Amsterdam, d.d. 30-11-2017" dat een bijlage is bij het bestemmingsplan Amstelkwartier tweede fase Weststrook Zuid e.o (vastgesteld d.d. 14-02-2019). Onder andere aan de hand van die rapportage is, met in achtneming van de ligging van voorliggend plangebied, het volgende op te maken voor het aspect "gebiedsbescherming" voor voorliggend plangebied:

bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)

blz. 83

Binnen het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam (HGS). Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich de dichtstbijzijnde zone van de Hoofdgroenstructuur genaamd 'Volkstuinenpark Amstelglorie'. Het plangebied bevindt zich eveneens niet binnen de Ecologische structuur van Amsterdam. Aan de noorden westzijde van het plangebied liggen langs de Amstel de dichtstbijzijnde zones van de Ecologische structuur. Dit betreft zones aan de Ouderkerkerdijk en de Jan Vroegopsingel. Er is een secundaire verbinding nabij het plangebied aanwezig. De geplande werkzaamheden zullen geen invloed hebben op deze secundaire verbinding. Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op ruim 5,5 kilometer van het plangebied. Aan de noordoostzijde betreft dit het Markermeer & IJmeer en aan de zuidzijde betreft dit Botshol op circa 7,9 kilometer. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het NNN ligt op circa 4,3 kilometer van het projectgebied. In verkennende beoordelingen (ook wel 'voortoets' genoemd) van de vraag of een plan mogelijk negatieve effecten kan veroorzaken wordt doorgaans onderscheid gemaakt in een 19-tal verschillende storingsfactoren. Dit is afhankelijk van Natura 2000-gebied en activiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10878284/1