7. Amstelkwartier derde fase West_Toelichting.pdf
Tekst van het document
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Gemeente Amsterdam
blz. 50
Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen. Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan.
Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. 4.2.2
Plangebied
Situatie plangebied Omgevingstype / gebiedskarakteristiek Het gebied Overamstel waar voorliggend bestemmingsplangebied onderdeel van is, wordt getransformeerd tot woon-werkgebied. Dit onder meer in navolging van de Visie Overamstel uit 2002 en 2005 (zie ook paragraaf 3.5.1). In voorliggend bestemmingsplan staat de woonfunctie voorop, maar er zijn in het bestemmingsplangebied onder meer ook bedrijvigheid en voorzieningen toegestaan in de eerste bouwlaag/plint van de bebouwing. In de omgeving van het plangebied zijn een bedrijventerrein en andere geluidveroorzakende factoren aanwezig, zoals een spoorlijn en rijkswegen. Ook is in de omliggende bestemmingsplangebieden van de reeds tot woon-werkgebied getransformeerde gebied van Overamstel veelal bedrijvigheid en voorzieningen toegestaan in de plinten van de nieuwbouw. Gelet hierop wordt de omgeving van het gebied Amstelkwartier derde fase West aangemerkt als een gemengd gebied. Beoordeling inpasbaarheid nieuw woon- en werkgebied in omgeving Het gemengde gebied ligt in de bestaande situatie nabij meerdere bedrijfslocaties, namelijk het bedrijventerrein Overamstel ("Kauwgomballenkwartier") aan de zuidzijde, Leonard Langterrein (Daniel Goedkoopstraat) aan de oostzijde en het Opstelterrein Amstel (Van Marwijk Kooijstraat 1) zuidoostelijk van het plangebied.
Milieuzonering is bij gebiedsontwikkeling gericht op het beperken van hinder en gevaar bij nieuwe gevoelige functies, zoals wonen, als gevolg van nabijheid van bestaande milieubelastende (bedrijfs)activiteiten. Of omgekeerd, het beperken van belemmeringen voor bedrijfsvoering van bestaande bedrijven als gevolg van het in de nabijheid projecteren van nieuwe gevoelige functies. De VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en milieuzonering (2009) is bij het maken van afwegingen hierover een hulpmiddel. Met het oog op een aanvaardbaar toekomstig woon- en leefklimaat worden voor een gemengd gebied in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering bepaalde bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 51
indicatieve richtafstanden aangehouden tussen hindergevoelige functies en bedrijven. Gezien de ligging van het plangebied geldt hiervoor het volgende: Het plangebied sluit aan de oostzijde aan het Leonard Langterrein (Daniel Goedkoopstraat). Op dit terrein staan bedrijfsverzamelgebouwen die ook in gebruik zijn voor onder meer detailhandel in volumineuze goederen. De volgens het geldende bestemmingsplan toegestane bedrijvigheid is maximaal categorie 3.1. De beoogde nieuwbouw in het gemengde plangebied is op grotere afstand geprojecteerd dan de voor gemengd gebied indicatief aan te houden richtafstand (30 meter). In zoverre is de veronderstelling dat de bestaande bedrijfsmogelijkheden op het Leonard Langterrein geen onaanvaardbare invloed hebben op het toekomstige woon- en leefklimaat in het plangebied Amstelkwartier derde fase West en omgekeerd, dat de nieuwe hinder gevoelige functies in het plangebied Amstelkwartier derde fase West geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van bestaande nabijgelegen bedrijven op het Leonard Langterrein. Opstelterrein Overamstel (Van Marwijk Kooijstraat 1): Voor het vaststellen van het stedenbouwkundig plan Amstelkwartier 3e fase heeft een verkennend onderzoek plaatsgevonden naar het Opstelterrein Amstel.
Hierbij is onder meer de situatie in beeld gebracht waarin bij het opstelterrein maatregelen zijn getroffen die op 5 augustus 2019 zijn vastgelegd in een maatwerkvoorschrift. Uit het verkennende onderzoek voor het stedenbouwkundig plan blijkt dat met inachtneming van het maatwerkvoorschrift, het Opstelterrein Amstel niet wordt belemmerd door de nieuwbouw in het plangebied en dat bij de nieuwbouw door het Opstelterrein Amstel voldaan wordt aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Op het bedrijventerrein Overamstel (Kauwgomballenkwartier) is volgens het aldaar geldende bestemmingsplan bedrijvigheid in de milieucategorie 1 tot en met 3.1 toegestaan en op enkele locaties specifieke bedrijvigheid in milieucategorie 3.2. Bij milieucategorie 3.1 en 3.2 bedraagt de indicatieve richtafstand voor gemengd gebied respectievelijk 30 meter en 50 meter. De afstand tussen de beoogde nieuwbouw in Amstelkwartier en de bedrijfspercelen op bedrijventerrein Overamstel is groter dan 50 meter. De verwachting is dat deze afstand voldoende is voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in plangebied Amstelkwartier derde fase West. Inspraak op het stedenbouwkundig plan is evenwel aanleiding geweest voor nader onderzoek naar de vraag in hoeverre bestaande bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.
Daartoe vormt de Wet milieubeheer en meer specifiek, de regels van het Activiteitenbesluit het afwegingskader. Dit wordt in navolgende paragraaf nader beschouwd. Nadere beoordeling bestaande bedrijven in omgeving Het bedrijf Andritz (voorheen Asko) is sinds de jaren '50 gevestigd aan de Willem Fenengastraat 10. De maatschappelijke en economische omstandigheden veranderen in de tijd waardoor de gemeente keuzes moet maken in het oplossen van continue veranderende maatschappelijke vraagstukken. Mede in die context is de transformatie van het gebied Overamstel naar een gemengd woon- en werkgebied sinds omstreeks het jaar 2000 een van de gemeentelijke ruimtelijke doelstellingen. De gemeente maakt sindsdien met regelmaat de transformatiedoelstellingen van Overamstel en de vorderingen daarin kenbaar. Onder meer met de vaststelling van het Structuurplan Kiezen voor Stedelijkheid in 2002, de Visie Overamstel in 2002 en 2005, de structuurvisie Amsterdam 2040 "Economisch Sterk en Duurzaam in 2011, de principenota Transformatie Bedrijventerrein Overamstel / Kauwgomballenkwartier in 2018 en het ontwikkelkader Kauwgomballenkwartier in 2020.
Daarnaast zijn er diverse bestemminsplannen vastgesteld voor de ontwikkeling van woningen nabij het bedrijf in het Overamstelgebied, zoals het bestemmingsplan Overamstel Buitendijks (2007), Amstelkwartier Binnendijks (2008), het bestemmingsplan Amstelkwartier 2e fase met een daaraan gekoppelde mer-procedure voor Overamstel (2013), uitwerkingsplan Amstelkwartier 2e fase weststrook noord (2017) en het bestemmingsplan Amstelkwartier tweede fase weststrook zuid e.o. (2019). Voor onder meer de locatie Willem Fenengastraat 10 waar het bedrijf Andritz (voorheen Asko) sinds lange tijd is gevestigd, wordt in de periode 2006-2007 en in 2009 het dan geldende Gemeente Amsterdam
blz. 52
bestemmingsplanregime, gebaseerd op de bepalingen van de Wet geluidhinder over gezoneerde industrieterreinen, gefaseerd gewijzigd. Eerst met de vaststelling van de facetherziening op 20 december 2006 en goedkeuring op 19 maart 2007 waarmee de vestiging van inrichtingen als bedoeld in art. 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer werd uitgesloten. En daarna met de vaststelling van het bestemmingsplan "Overamstel verkleinen geluidzone" op 18 november 2009. Zoals uit de toelichting van het daarna vastgestelde huidige bestemmingsplan Bedrijventerrein Overamstel is op te maken, vinden de hiervoor genoemde wijzigingen plaats om onder meer woningbouw gefaseerd in Amstelkwartier mogelijk te gaan maken. In navolging daarvan is voor de transformatie van het deelgebied Amstelkwartier 3e fase op 26-09-2019 het Stedenbouwkundig Plan voor inspraak ter inzage gelegd. In aanloop op de inspraak is de gemeente in juni 2019 in overleg getreden met het bedrijf Andritz (voorheen Asko). Sindsdien heeft met het bedrijf veelvuldig overleg plaatsgevonden over de belangen van het bedrijf en de ruimtelijke transformatiedoelstellingen van de gemeente voor Overamstel. Onderdeel van het overleg is de wens van het bedrijf om haar bedrijfsactiviteiten te verruimen.
Dit betreft een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van twee ploegendienst naar drie ploegendienst waarmee haar activiteiten niet alleen in de dag- en avondperiode kunnen plaatsvinden, maar ook 's nachts. Het aanvankelijke voornemen is inmiddels formeel door het bedrijf aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied gemeld. De locatie waar het bedrijf Andritz is gevestigd (Willem Fenengastraat 10) is op dit moment bestemd voor bedrijvigheid in maximaal hindercategorie 3.2. Bij het vaststellen van de bestemming van deze bedrijfslocatie heeft de gemeente destijds een afweging gemaakt met medeweging van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) als hulpmiddel. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor woningbouw nabij een categorie 3.2 bedrijf is in een gemengd gebied mogelijk als daarvoor de indicatieve richtafstand van 50 meter wordt aangehouden. Die afstand sluit ook aan bij de eerdere milieuvergunning van het bedrijf.
In de milieuvergunning (artikel 8.4 Wet Milieubeheer, behandelnummer UOl/1025 MD 1999) is onder meer het volgende bepaald: "[…] Het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, mag op enig punt 50 meter van de inrichting niet meer bedragen dan: 50 dB(A) van 07.00 tot 19.00 uur; 45 dB(A) van 19.00 tot 23.00 uur; 40 dB(A) van 23.00 tot 07.00 uur. Het maximale geluidsniveau (Lmax), de hoogste waarde gemeten in de meterstand fast, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties én de daar verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, mag op enig punt 50 meter van de inrichting niet meer bedragen dan: 60 dB(A) van 07.00 uur tot 19.00 uur; 55 dB(A) van 19.00 uur tot 23.00 uur; 50 dB(A) van 23.00 uur tot 07.00 uur […]". De beoogde woningbouw van Amstelkwartier derde fase West ligt op grotere afstand dan voornoemde 50 meter, namelijk op minimaal 58 meter. Het overleg met het bedrijf was echter aanleiding om voor voorliggend bestemmingsplan nader onderzoek te verrichten naar de geluidsituatie. De resultaten zijn uiteengezet in de rapportage "akoestisch onderzoek bedrijvigheid voor bestemmingsplan Amstelkwartier 3e fase west; M+P; Rapportnummer M+P.GAGO.20.04.5; Revisie 4; d.d. 26 maart 2021".
Uit het onderzoek is op te maken dat, gerelateerd aan de richtwaarden van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, de 50 dB(A)en 55 dB(A)-geluidcontouren van het bedrijf: in geval van tweeploegendienst, op circa 115 tot 45 meter van het bedrijf ligt. In geval van drieploegendienst, op circa 100 tot 210 meter van het bedrijf ligt. Omdat in de huidige situatie binnen deze contouren nog geen woningen aanwezig zijn, zijn de betreffende geluidscontouren in deze gevallen niet in strijd met de algemene regels van het huidige Activiteitenbesluit (regelgeving in het kader van het zogenaamde 'milieuspoor'). Het Activiteitenbesluit
bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 53
bevat namelijk grenswaarden die het bedrijf in acht moet nemen op de gevel van woningen. Dit ongeacht waar de woningen zich bevinden. Los van deze kaderstelling in het 'milieuspoor', wordt echter geconcludeerd dat de geluidsbelasting van het bedrijf verder reikt dan in het kader van het 'spoor van de ruimtelijke ordening' voor categorie 3.2 bedrijf zou worden verwacht. Zeker in het geval van een drieploegendienst. Dit is niet passend bij de ruimtelijke transformatiedoelstellingen van Overamstel in de nabijheid van het bedrijf waar de gemeente al langere tijd aan werkt. Met het Activiteitenbesluit is de eerdere milieuvergunning van het bedrijf komen te vervallen en valt het bedrijf onder de werking van het Activiteitenbesluit. Waar voorheen geluidsnormen voor het bedrijf golden op een afstand van 50 meter van het bedrijf, is dit door het Activiteitenbesluit onbedoeld verruimd tot geluidsnormen op de dichtstbijzijnde gevel van een woning. Dit betekent dat de normen uit het Activiteitenbesluit worden overschreden bij de geplande woningbouw op 58 meter van het bedrijf. Voor de al lange tijd nagestreefde woningbouw moet het treffen van maatregelen dan ook worden overwogen. Dit voor het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen enerzijds en het recht doen aan de belangen van het bedrijf anderzijds.
De woningbouw is beoogd op circa 58 meter van het bedrijf. Het vergroten van de afstand tussen woningbouw en het bedrijf is vanwege inefficiënt ruimtegebruik niet gewenst. Een afschermende maatregel tussen het bedrijf en de woningbouw in de vorm van bijvoorbeeld een geluidscherm is niet voor de hand liggend vanwege de hier aanwezige bestaande insteekhaven. Er is door de insteekhaven geen ruimte voor realisatie van een effectief geluidscherm tussen bedrijf en de beoogde nieuwbouwlocatie. En een geluidscherm op de kade in het plangebied is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Resteert de overweging tot het onderzoeken van de mogelijkheid tot het treffen van bronmaatregelen, dat wil zeggen het treffen van maatregelen bij het bedrijf. Ook omdat daarmee het belang van het bedrijf kan worden gediend. De gemeente heeft het bedrijf verzocht om mee te denken in een oplossing en om daarvoor de bedrijfsgegevens beschikbaar te stellen. Hoewel het beschikbaar stellen van de digitale bestanden lange tijd geduurd heeft is aangegeven in oktober 2021 dat deze gedeeld zullen worden. In een eerder stadium is door het bedrijf wel de analoge geluidsrapportage van LBP Sight d.d. 1-12-2020 (Andritz Asko in Amsterdam Akoestisch onderzoek; LBP Sight; Kenmerk R052806aa.19FTJE1.sbl Versie 06_001 Datum 1 december 2020) aan de gemeente beschikbaar gesteld.
Op basis van de door het bedrijf geleverde gegevens is vervolgens onderzocht welke maatregelen getroffen moeten worden voor zowel het voortzetten van de bedrijfsvoering van het bedrijf, als voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningbouw. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het eerder genoemde onderzoek van M+P. Uit het akoestisch onderzoek is op te maken dat het met het treffen van bronmaatregelen aan het relatief oudere bedrijfsgebouw mogelijk is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren bij de woningbouw enerzijds en het voortzetten van de bedrijfsvoering van het bedrijf anderzijds. Het gaat hier om het aanbrengen van enkele geluidsdempers en geluidgedempte roosters bij huidige open roosters in de gevel en op het dak en bij ventilatoren in gevel en op het dak. Anders dan in de zienswijze van het bedrijf wordt gesteld, hoeven daarvoor geen bedrijfsinstallaties voor het productieproces te worden vervangen of aangepast. De huidige relatief ruime geluiduitstraling via de huidige ventilatieroosters en openingen in het gebouw kan naar buiten toe gereduceerd worden met maatregelen die voor het overgrote deel als zogenaamde BBT-maatregelen kunnen worden aangemerkt. Het begrip "BBT" staat voor "Best Beschikbare Techniek".
In het milieurecht wordt onder BBT verstaan de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn, om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen. Dit zijn maatregelen waarvan in redelijkheid verwacht mag worden dat deze maatregelen door een bedrijf zelf kunnen worden genomen en opgebracht om het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of beperken.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Aanvullend op de in het akoestisch rapport weergegeven BBT-maatregelen, wordt voor een geluidsniveau van maximaal 50 dB(A) ook het isoleren van het dak van het bedrijfsgebouw noodzakelijk geacht (in het rapport genoemd als "BBT+" maatregel). Tenminste, als in navolging van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gestreefd wordt naar een geluidsniveau van maximaal 50 dB(A). De gemeente kiest hier voor die streefwaarde voor de onderhavige ontwikkeling omdat deze relatief eenvoudig kan worden behaald en dat dat leidt tot een beter woon- en leefklimaat. In verhouding tot bijvoorbeeld het treffen van geluidreducerende maatregelen aan de gevels van de woningen in Amstelkwartier derde fase West (bouwen met zogenaamde 'dove' gevels), zijn de kosten van de in het akoestisch rapport genoemde BBT+ bronmaatregelen relatief laag. Omdat de bronmaatregelen nodig zijn voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in Amstelkwartier derde fase West worden de kosten van de maatregelen betaald vanuit de opbrengsten van de gebiedsontwikkeling. Met het oog op de rechtszekerheid vindt de borging en uitvoering van het treffen van de maatregelen plaats via zowel het 'spoor' van de ruimtelijke ordening (bestemmingsplan), als het 'spoor' van het milieurecht (Activiteitenbesluit).
Dit laatste om de volgende redenen: De noodzakelijk geachte maatregelen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn overzichtelijk en goed uitvoerbaar. De gemeente is bereid om de kosten voor deze maatregelen te vergoeden en om daar afspraken over te maken met het bedrijf. Dit is ook bij herhaling kenbaar gemaakt aan het bedrijf. Het bedrijf geeft in haar zienswijze aan dat daarover geen overeenstemming is bereikt. Nu naar herhaaldelijk overleg geen overeenstemming is bereikt en duidelijk is dat met relatief zeer beperkte maatregelen het bedrijf ter plaatse kan blijven functioneren, ook in de situatie van woningbouw in Amstelkwartier derde fase West, ziet de gemeente zich genoodzaakt om haar wettelijke bevoegdheid tot het ambtshalve vaststellen van maatwerkvoorschriften te overwegen. Indien het bedrijf niet zelf een verzoek om maatwerk indient, zal de gemeente daartoe overgaan. Daarbij blijft het uitgangspunt dat de kosten voor de te nemen maatregelen vergoed zullen worden. Deze keuze brengt voor het bestemmingsplan de volgende afweging met zich mee: Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is van belang dat de uitvoering van het treffen van de maatregel geborgd is. In het 'spoor' van het milieurecht biedt het Activiteitenbesluit daartoe de mogelijkheid in de vorm van het vaststellen van een maatwerkvoorschrift.
Indien het bedrijf daar niet zelf toe overgaat, zal de gemeente die ambtshalve opleggen. Om in het bestemmingsplan te borgen dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het bestemmingsplangebied wordt bereikt is in de regels vastgelegd dat zolang het maatwerkvoorschrift niet is vastgesteld, het treffen van maatregelen aan de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen in het plangebied zelf noodzakelijk is. Enerzijds voor het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en anderzijds om het bedrijf niet in de bedrijfsvoering te belemmeren. Bijvoorbeeld in de vorm van het bouwen van woningen met zogenaamde "dove gevels" (kort gezegd, gevels zonder te openen delen). Immers de grenswaarden van het Activiteitenbesluit gelden niet voor dove gevels. Daarbij wordt tevens vastgelegd dat, indien er maatwerkvoorschriften gelden, daar rekening mee gehouden kan wordn bij de uitwerking van de bouwplannen. Daarnaast is vastgelegd dat, mochten er dove gevels gerealiseerd worden, deze "ontdoofd" kunnen worden als het brongeluid om verminderd. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in Amstelkwartier derde fase West is het treffen van bronmaatregelen bij het bedrijf aan de Willem Fenengastraat 10 noodzakelijk.
In vergelijking met andere mogelijke maatregelen, zijn de bronmaatregelen aan het bedrijfsgebouw relatief eenvoudig en uitvoerbaar en deze zijn te bekostigen uit de gebiedsontwikkeling. Met het treffen van de maatregelen aan het gebouw kan het bedrijf niet alleen de tweeploegendienst uitoefenen, maar ook de door haar gewenste drieploegendienst. Hiermee wordt voldoende recht gedaan aan de belangen van het bedrijf.
bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 55
Nieuwe bedrijvigheid en activiteiten in plangebied Juridische planbeschrijving Voorliggend bestemmingsplan laat bedrijvigheid en voorzieningen in de eerste bouwlaag/plint van de bebouwing toe. Ook is aan huis verbonden praktijk- of vrije beroepsuitoefening toegestaan. Voor een gebied waar (licht) milieuhinderlijke en milieugevoelige functies gemengd zijn, zoals in het plangebied van het voorliggende plan, zijn de eerder genoemde richtafstanden van de VNG-publicatie in mindere mate bruikbaar. In dit gebied is een fysieke scheiding van functies immers niet aan de orde. In de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" is een aparte lijst opgenomen die specifiek gericht is op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Bij toepassing ervan wordt niet gewerkt met richtafstanden, maar met het principe van aanpandigheid en bouwkundige afscheiding. "Bouwkundige afscheiding" betekent dat er ruimte is tussen bebouwing waarin de hinderveroorzakende functie (bedrijvigheid) plaats vindt en bebouwing van de hindergevoelige functie (wonen). De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen.
Betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. Betreft activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Betreft activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. De VNG-lijst voor functiemenging is ook het uitgangspunt voor de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. Deze "Staat van Inrichtingen" maakt als bijlage deel uit van de regels van dit bestemmingsplan. Binnen de in dit plan opgenomen bestemmingen zijn afhankelijk van aanpandigheid of bouwkundig afgescheiden, verwijzend naar de Staat van Inrichtingen, bedrijven toegestaan met activiteiten van categorie A en B.
Het type bedrijvigheid van deze categorien is van dien aard dat deze aanpandig (categorie A), dan wel bouwkundig afgescheiden (categorie B) wat potentiele hinderaspecten (bijvoorbeeld geluid) toelaatbaar is in een gemengd gebied. Deze functies zorgen niet voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Voor wat betreft de bestaande (geprojecteerde) hindergevoelige functies in omgeving van het plangebied geldt dat de afstand tussen bestaande meest nabij gelegen (geprojecteerde) woonfunctie en de nieuwe niet-woonfuncties die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, minimaal 30 meter bedraagt. De nieuwe functies zijn derhalve bouwkundig afgescheiden en liggen op relatief ruime afstand van de bestaande (geprojecteerde) woonfuncties in de nabijheid van het plangebied. Dit betekent dat de nieuwe functies in milieuplanologisch opzicht, inpasbaar zijn op deze locatie zonder dat hierdoor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat. Effecten nieuwe activiteiten op woon- en leefklimaat Het bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van een gemengd woon- en werkgebied. Zoals hiervoor onder 'juridische planbeschrijving is aangegeven, is de toegestane bedrijvigheid in het plangebied daarop afgestemd.
Naast het gebruik van bebouwing voor de bedrijfsfunctie, komen er in het plangebied ook functies als detailhandel, zakelijke en consumentverzorgende dienstverlening en horeca (café, restaurant). In de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering zijn dergelijke functies aangemerkt
Gemeente Amsterdam
blz. 56
als categorie 1 met een indicatieve richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. In milieu-planologisch opzicht zijn dergelijke functies passend in het woon- en leefklimaat van een gemengd woon-werkgebied. Basisscholen zijn in de VNG-publicatie aangemerkt als categorie 2 waarbij voor gemengd gebied in beginsel een indicatieve richtafstand van 10 meter wordt aangehouden. In het stedenbouwkundig plan ligt de buitenruimte van de scholen in het buurtplantsoen en is het spelen van kinderen onderdeel van het woon- een leefklimaat ter plaatse.
4.3
Geluid - Wet geluidhinder
4.3.1
Kader
Wettelijk kader Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afwegingen voor voorliggend bestemmingsplan is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden in bepaalde situaties zones rond (spoor)wegen en industrieterreinen. Voor vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot dergelijke zones stelt de Wgh eisen aan de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige functies. Indien een plan binnen de zone van meer dan één geluidsbron ligt, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen (cumulatie). Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh). Middels akoestisch onderzoek wordt getoetst aan de geluidsnormen van de Wgh. Indien de zogenaamde "hoogste toelaatbare geluidsbelasting" (ook wel voorkeursgrenswaarde of voorkeurswaarde genoemd) wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting, ook wel hogere grenswaarde genoemd) worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Hiervoor heeft de gemeente geluidbeleid vastgesteld (zie hierna).
In de wet is een maximum gesteld aan de hoogte van de gevelbelasting die als hogere grenswaarde mag worden vastgesteld voor rail- en wegverkeer en industrielawaai (ook wel de maximale ontheffingswaarde genoemd). Beleid Het Amsterdams geluidbeleid 2016 - Hogere waarde Wet geluidhinder (hierna: Amsterdams geluidbeleid) wordt toegepast bij de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. Het Amsterdams geluidbeleid is bij besluit 5 maart 2019 van het college van burgemeester en wethouders geactualiseerd. Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen en andere geluidgevoelige functies op geluidbelaste locaties. Geluidbelaste locaties zijn locaties waar een geluidbelasting heerst, hoger dan de voorkeursgrenswaarde vanwege bronnen als genoemd in de Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai). Het streven is om geluidgevoelige objecten te realiseren met een belasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De voorkeursgrenswaarde is de geluidbelasting die altijd toelaatbaar is op de gevel van de geluidsgevoelige bestemming. Het voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is echter niet altijd haalbaar, met name niet in een dynamische grootstedelijke omgeving.
De wet geeft daarom de mogelijkheid om voor nieuwe geluidgevoelige objecten een hogere waarde vast te stellen. Bij het nemen van het hogere waarde besluit wordt afgewogen of er sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting, al dan niet na het treffen van maatregelen. Volgens het Amsterdamse geluidbeleid mogen hogere waarden worden vastgesteld als de bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 57
gecumuleerde geluidbelastingen niet leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden (63 dB bij wegverkeerslawaai en 68 dB bij railverkeerslawaai). Uitgangspunt van het Amsterdamse geluidbeleid voor de realisatie van nieuwe woningen, is dat iedere woning een 'stille zijde' heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor een andere functie. Een 'stille zijde' of 'geluidluwe zijde' (de termen zijn in het geluidsbeleid synoniem) is een (deel van een) gevel waar de geluidbelasting gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde of lager. Wanneer de stille zijde tevens beschikt over een buitenruimte, heeft ook deze buitenruimte bij voorkeur een aanvaardbaar geluidsniveau. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd, zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dienen dus in principe te beschikken over een stille zijde. Het Amsterdamse geluidbeleid laat toe dat, in uitzonderlijke gevallen, besloten kan worden om een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (maximaal 3 dB) bij 'stille zijde' toe te staan.
Dit mag alleen als het realiseren van een stille zijde overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110a, vijfde lid, Wgh). Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel (kort gezegd, geen gevel zonder te openen ramen en deuren) dient te allen tijde te zijn voorzien van een stille zijde (behoudens uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in een tijdelijke situatie). Het Amsterdamse geluidbeleid biedt de basis en het gereedschap voor het maken van een evenwichtichtige afweging van belangen. In het beleid zijn mogelijke maatregelen beschreven die kunnen worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Andere oplossingen zijn mogelijk mits aangetoond wordt dat het doel, rustig slapen met open raam, wordt behaald. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Voordat hogere waarden worden vastgesteld is het conceptbesluit hogere waarden ter advisering voorgelegd aan het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam (TAVGA). Het advies van het TAVGA wordt betrokken bij de besluitvorming en genoemd in het besluit. 4.3.2
Situatie plangebied en omgeving
In mei 2020 is voor voorliggend bestemmingsplan akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet geluidhinder. De resultaten van het 'Wet geluidhinder' onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van LBP Sight, Bestemmingsplan Amstelkwartier derde fase West Amsterdam, Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer d.d. 18 september 2020, kenmerk R072385ab.206TK62.em, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Uit de rapportage is het volgende op te maken: Het plangebied ligt in de wettelijke onderzoekszones van de Rijksweg A2, Amstelstroomlaan, Joan Muyskenweg, Nieuwe Utrechtseweg, Spaklerweg, de metro (lijn 51, 53 en 54) en het spoor (spoortraject Utrecht Centraal - Amsterdam Centraal). De gevelbelasting is per bron voor de te onderscheiden bouwblokken per gevel en per bouwlaag specifiek berekend. Tevens is de gecumuleerde gevelbelasting berekend. In de bijlage van de rapportage zijn alle berekende waarden van de te onderscheiden bouwblokken per gevel en per bouwlaag weergegeven. Uit een analyse van deze waarden is op te maken dat de gevelbelasting bij een deel van de gevels hoger is dan de voorkeurgrenswaarde. Dit betreft de geluidbelasting van de Rijksweg A2, Amstelstroomlaan, Nieuwe Utrechtseweg, metro (lijn 51, 53 en 54) en het spoor. De maximale ontheffingswaarde tot waar een hogere waarde mag worden vastgesteld
Gemeente Amsterdam
blz. 58
wordt nergens overschreden. Op grond van de wet betekent dit dat het vaststellen van hogere waarden mogelijk is en dat hierbij het treffen van maatregelen moet worden afgewogen. Op grond van het gemeentelijk beleid moet hierbij tevens worden meegewogen dat alle woningen voorzien moeten kunnen worden van een geluidluwe zijde. Na uitvoering van het onderzoek is besloten om de snelheid op de Amstelstroomlaan te verlagen van 50 km/u naar 30 km/u. Dit heeft tot gevolg dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, omdat er geen zones gelden. Wegen waar een maximum snelheid geldt van 30 km/u veroorzaken meestal geen geluidsbelastingen boven de voorkeurswaarde. Bij wegen met klinkerbestrating of met relatief veel verkeer kan echter ook bij 30 km/u wegen sprake zijn van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. In de jurisprudentie is om deze reden bepaald dat een akoestische afweging bij het opstellen van een bestemmingsplan nodig is met een verwijzing naar een goede ruimtelijke ontwikkeling. Naar aanleiding hiervan is er nog nader onderzoek gedaan naar de eventuele effecten van de snelheidsverlaging. Daarbij is zorgvuldigheidshalve uitgegaan van een bestrating met klinkers. Bij het ontwerp wordt uitgegaan van Afweging maatregelen In principe moeten geluidbeperkende maatregelen getroffen worden om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde.
Om de geluidbelasting vanwege wegverkeer te reduceren kan een geluidreducerend wegdek worden aangebracht of een geluidscherm worden gerealiseerd. Voor een verlaging van de geluidbelasting vanwege railverkeer en de metrolijnen kan gedacht worden aan het toepassen van een bovenbouwconstructie met een lagere geluidemissie of de realisatie van een geluidscherm. Als verdergaande geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of financiële aard ontmoeten, kan de gemeente Amsterdam een hogere waarde voor de geluidbelasting op de gevels vaststellen. De afwegingen zijn aldus: Geluidreducerend wegdek: 1. Op de rijksweg A2 is al een geluidreducerend wegdek (DZOAB) aangebracht. 2. Het aanbrengen van een stil wegdek (bijvoorbeeld een dunne geluidreducerende deklaag) geeft bij een snelheid van 50 km/u een afname van de geluidbelasting van 3 à 4 dB. 3. Voor de Nieuwe Utrechtseweg is een afname van 2 dB voldoende om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde terug te brengen. Er is echter bij slechts een klein deel van het plangebied een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De betreffende woningen worden daarnaast ook geluidbelast door het verkeer op de rijksweg A2 en de Amstelstroomlaan. 4. Voor de Amstelstroomlaan wordt een snelheidsverlaging toegepast. Er wordt een maximumsnelheid van 30 km/u ingesteld.
Bij het uitvoeren van deze weg met klinkerbestrating leidt een snelheidsverlaging niet tot een significante verlaging van de berekende geluidswaarden. In het ontwerp van de weginrichting wordt echter uitgegaan van asfalt. Daardoor zal de maximale geluidsbelasting afnemen. Geluidscherm: 1. Voor een voldoende geluidafschermende werking moeten geluidschermen een hoogte hebben die een relatie heeft met de hoogte van de achterliggende bebouwing. Bij laagbouw kunnen lage geluidschermen worden geplaatst en bij hoogbouw moeten hoge schermen worden gerealiseerd. 2. Om de hogere bouwlagen te beschermen vanwege de geluidbelasting afkomstig van het weg-verkeer op de Amstelstroomlaan moet een scherm met een hoogte worden geplaatst die in deze situatie een stedenbouwkundig en architectonisch ongewenste barrière vormt. Door belemmering van het zicht kunnen zich verkeersgevaarlijke situaties voordoen nabij de kruisingen. Bovendien is het realiseren van een gesloten geluidscherm niet overal mogelijk
bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 59
vanwege de kruisingen. 3. Ten tijde van het uitvoeren van het akoestisch onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan, is onder meer in het kader van ontwikkelingen elders (o.a. Kauwgomballenkwartier) onderzocht of een geluidscherm met een hoogte van 10 meter langs de rijkswegen A2 en A10 doelmatig is. Toepassing van een dergelijk scherm zorgt voor het plangebied Amstelkwartier derde fase West voldoende geluidreductie om de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de A2 te reduceren tot ten hoogste de voorkeursgrenswaarde. De rekenresultaten van het onderzoek dat is uitgevoerd naar de doelmatigheid van een geluidscherm langs de A2 en A10 is volledigheidshalve opgenomen in de bijlage van het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd voor voorliggend bestemmingsplan. Omdat besluitvorming over een geluidscherm langs de A10 en A2 nog niet heeft plaatsgevonden en het zeer aannemelijk is dat realisatie ervan niet eerder plaats vindt dan de nieuwbouw in voorliggend plangebied is het voorstel om nu voor voorliggend plangebied hogere waarden vast te stellen. Overige maatregelen: 1. Door het verlagen van de maximumsnelheid van 50 naar 30 km/u zijn de wegen niet gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder. Geluidgevoelige objecten die langs een niet-gezoneerde weg zijn gelegen hoeven niet in een akoestisch onderzoek betrokken te worden.
De wegen betreffen (doorgaande) ontsluitingswegen waar een goede doorstroming van het verkeer gewenst is. Om deze in te richten als 30 km/u-zones moeten snelheidsbeperkende voorzieningen gerealiseerd worden die de doorstroming van het verkeer juist belemmeren. Voor de Amstelstroomlaan wordt deze snelheidsverlaging ingevoerd. De overige wegen blijven ongewijzigd. 2. Voor het spoortraject Amsterdam - Utrecht is het toepassen van een bovenbouwconstructie met een lagere geluidemissie, het reduceren van de railverkeersintensiteit of het verlagen van de baanvaksnelheid niet mogelijk vanwege bezwaren van de NS. Op een deel van de spoorwegen zijn al geluiddempers toegepast. Uit bovenstaande afwegingen is op te maken dat het treffen van maatregelen bij bron en in overdrachtsgebied overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard. Hogere waarden Het bestemmingsplan is op onderdelen globaal van aard. Om die reden is voor meerdere varianten een berekening uitgevoerd naar de gevelbelasting. Op grond hiervan wordt gekozen om de vast te stellen hogere waarden te baseren op de worst-case situatie wat wil zeggen dat per blok de hoogst berekende waarde wordt vastgesteld: Blok
9
Geluidbelasting inclusief aftrek volgens artikel 110g Wet geluidhinder [dB] , vast te stellen hogere waarden Rijksweg A2
Nieuwe Utrechtseweg
52
50
Metrolijnen 51, 52, 53
10
50
11
56
12 13
52
Spoortraject Amsterdam-Utrecht
58
49 52
Gemeente Amsterdam
blz. 60
14
56
59
Binnen het Amstelkwartier ligt de Amstelstroomlaan, die na de herontwikkeling een rol zal spelen voor het afwikkelen van het verkeer van de nieuwe bewoners en gebruikers van Overamstel. De Amstelstroomlaan is in het akoestisch onderzoek nog opgenomen als 50 km/u weg. Voor deze weg is besloten een om snelheidsverlaging toe te passen. Dat betekent dat er geen hogere waarden wordt vastgesteld voor deze weg. Uit onderzoek is gebleken dat een verlaging van de snelheid in combinatie met een klinkerbestrating niet leidt tot een significante verlaging van de geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde wordt dan nog steeds overschreden. Bij het wegontwerp wordt uitgegaan van een asfaltering. In de regels wordt vastgelegd dat er bij de bebouwing langs de Amstelstroomlaan een geluidsonderzoek moet worden uitgevoerd om te garanderen dat de maximale binnenwaarde van de woningen niet wordt overschreden. Daarnaast dient onderzocht te worden of bij de woningen waarvoor wel een hogere waarde wordt vastgesteld, er nog steeds sprake blijft van een geluidsluwe zijde. Stille / geluidluwe zijde Op grond van het gemeentelijk beleid geldt het uitgangspunt dat alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, moeten beschikken over een geluidluwe zijde. Dit wordt in voorliggend bestemmingsplan geborgd in de planregels waar omgevingsvergunningen aan worden getoetst.
De uitvoerbaarheid van deze voorwaarde is onderzocht. Hierin is onderscheid te maken in de volgende situaties: Bouwblokken met binnenterrein: in onderzoek is ook voor alle achtergevels de gevelbelasting berekend voor de eindsituatie die met het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Voor de bouwblokken met binnenterrein is uit de berekeningen op te maken dat de afschermende werking van gebouwdelen die tussen desbetreffende bron en achtergevels ligt voldoende is om te zorgen voor een geluidluwe zijde. Omdat de bouwblokken met binnenterrein (mogelijk) gefaseerd worden ontwikkeld, kan de situatie voordoen dat de afschermende bebouwing van de eindsituatie in bepaalde gevallen nog niet gerealiseerd is en dat tijdelijk niet voldaan kan worden aan de voorwaarde die in het bestemmingsplan is opgenomen. Voor die situaties is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om tijdelijk af te kunnen wijken van deze voorwaarde. Het Amsterdamse geluidbeleid biedt daarvoor de mogelijkheden. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat die afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is op locaties waar de afschermende werking van de nieuwbouw niet voldoende is indien de nieuwbouw minder hoog wordt dan met het bestemmingsplan in beginsel mogelijk wordt gemaakt. In die gevallen zal in het gebouw ontwerp rekening gehouden moeten worden met het treffen van maatregelen aan het gebouw.
Het Amsterdamse geluidbeleid biedt daarvoor mogelijkheden. Gebouw zonder binnenterrein: De afmetingen van blok 11 zijn van dien aard, dat een gebouw met binnenterrein hier niet aan de orde is en dat om die reden niet altijd sprake zal zijn van een geluidluwe achterzijde. Om aan het Amsterdamse geluidbeleid te voldoen, zal hier in het gebouw ontwerp rekening moeten worden gehouden met het treffen van maatregelen aan het gebouw zodat op andere wijze een geluidluw deel van de woning kan worden gerealiseerd. Het Amsterdamse geluidbeleid zoals dat geldt op het moment van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan biedt daarvoor mogelijkheden.
Het TAGVA heeft kennisgenomen van het bestemmingsplan en de akoestische onderzoeken en de volgende adviezen gegeven: In de omgeving van de twee scholen zijn woningen gesitueerd. In het akoestisch rapport dient
bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 61
gemotiveerd te worden aangegeven dat spelende kinderen op de binnenterreinen van de scholen geen overlast bezorgen voor de omliggende woningen. Alle woningen zouden een geluidsluwe zijde hebben op plekken waar geen schoolactiviteiten plaatsvinden. Voor eventuele kinderopvang graag een vergelijkbare benadering toe passen; Naar aanleiding van het advies is in het bestemmingsplan opgenomen dat (buiten)speelvoorzieningen niet zijn toegestaan binnen de bouwblokken, waar de geluidsluwe gevels aanwezig zijn. Er wordt al een speelvoorziening aangelegd in de openbare buitenruimte. Een deel hiervan zal benut worden voor eventuele kinderopvang.
Voor de verkeersprognoses dienen de actuele VMA gegevens gebruikt te gaan worden; De verkeersgegevens worden geactualiseerd. Omdat ten tijde van de voorbereiding van het ontwerp-bestemmingsplan ook de snelheidsverlaging op de Amstelstroomlaan onderzocht wordt, wordt de actualisering pas verwerk t als deze snelheidsverlaging bekend is aangezien de verlaging ook gevolgen kan hebben voor de verk eersprognoses.
Met afschermende bebouwing mag rekening worden gehouden als deze ook daadwerkelijk gebouwd is. Een fasering hiertoe kan worden opgenomen in het bestemmingsplan. (Tijdelijk) afwijken van de stille zijde kan alleen als objectief en aantoonbaar kan worden vastgesteld dat de afschermende bebouwing binnen een bepaalde (korte) termijn gerealiseerd zal zijn. Overigens dient bij het afwijken 'stille zijde' een hogere waarde op de gevel te worden vastgesteld.
Naar aanleiding van het advies is in het bestemmingsplan opgenomen dat het tijdelijk ontbreken van een stille zijde alleen is toegestaan voor een termijn van 18 maanden en dat op het moment van verlening vast moet staan dat de afwijkende bebouwing gerealiseerd zal worden. Dat kan aangetoond worden door een aanvraag omgevingsvergunning of een overeenkomst met de ontwikkelaar waarin een realisatieverplichting is opgenomen.
In het hogere waardenbesluit dient aangegeven te worden waarom voor de systematiek van het aantal vierkante meters is gekozen, dan wel alsnog uitgaan van te realiseren aantallen woningen; Omdat er flexibiliteit wordt geboden voor het ontwikkelen van de bouwblokken zijn de precieze aantallen woningen nog niet bekend. Wel is er een maximaal programma vastgelegd en de woningverdeling (40-40-20). Dit is ook opgenomen in het ontwerp-hogere waardenbesluit.
De door het TAVGA gegeven adviezen zijn overgenomen. Het TAVGA heeft verder positief geadviseerd.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate".
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden.
Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen genieten nieuwe 'gevoelige bestemmingen' zijnde basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis extra bescherming. Volgens deze AmvB geldt er een onderzoekszone van 50 meter bij provinciale wegen en 300 meter bij rijkswegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag volgens de AmvB binnen de onderzoekszones niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Op zo'n plek mag in die omstandigheid bijvoorbeeld een nieuwe school zich niet vestigen.
bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 63
Beleidskader - Amsterdam Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2010) In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen (zie hiervoor onder 'Besluit gevoelige bestemmingen'), geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. Actieplan Schone Lucht (april 2019) In het Actieplan Schone Lucht is de ambitie van het stadsbestuur uiteengezet ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad.
De maatregelen in het Actieplan zijn gericht op reductie van gereden kilometers door voertuigen met een verbrandingsmotor. Om dat te bereiken werkt de gemeente toe naar uitstootvrij verkeer en het verminderen van uitstoot door andere genoemde bronnen. Op weg naar een uitstootvrije stad worden steeds meer gebieden en vervoersstromen uitstootvrij. Hierdoor daalt de uitstoot van fijnstof en stikstof en neemt de concentratie hiervan in de lucht ook af. Kort samengevat is de aanpak van het actieplan als volgt: 'Communiceren' maakt de noodzaak van schone lucht helder en biedt handelingsperspectief, 'Stimuleren' maakt de overstap naar een schoon alternatief aantrekkelijk (het alternatief is aanlokkelijk), 'Faciliteren' maakt de overstap naar een schoon alternatief mogelijk (het alternatief is reëel) en 'Reguleren' verplicht de overstap naar een schoon alternatief (er is een stok achter de deur). In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met het Actieplan Schone Lucht. Verwezen wordt naar onder meer paragraaf 7.1 van het stedenbouwkundig plan. Hieruit is onder meer op te maken dat alle tekenen erop wijzen dat elektrisch rijden de toekomst heeft. Door nu in parkeergarages op elektrisch rijden te anticiperen kunnen dure aanpassingen in de toekomst worden vermeden.
Voor de openbare ruimte is het uitgangspunt dat 30% van de parkeerplaatsen is voorzien van laadpalen en dat de overige 70% daarop is voorbereid met mantelbuizen en een passende capaciteit van het elektriciteitsnet. Sturing op de realisatie vindt plaats via uitgifte(n)/aanbestedingen/tenders. In tenders wordt voorzien dat ten minste 20% van de parkeerplekken voorzien zijn van elektrisch laden, waarbij voor de overige parkeerplekken de noodzakelijke (bouwkundige) maatregelen al genomen zijn zodat de parkeerplekken geschikt zijn om elektrisch te laden. 4.4.2
Plangebied
Omgevingsituatie - grenswaarden Er liggen geen provinciale wegen nabij het plangebied. Wel liggen er rijkswegen nabij het plangebied. De kleinste afstand van de grens van het plangebied tot het begin van de rijksweg A2 bedraagt circa 220 m. Dit betekent dat op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen beoordeeld moet worden of grenswaarden worden overschreden of dreigen te worden overschreden (zie paragraaf 4.4.1 onder 'Besluit gevoelige bestemmingen'). Voor toetsing aan de grenswaarden is in de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied tussen Gemeente Amsterdam
blz. 64
2015 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in en rond het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In deze peiljaren bedraagt de concentratie NO2 en PM10 op de omringende wegen minder dan 35 microgram/m³ en bedraagt de concentratie PM2,5 minder dan 20 microgram/m3. Het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 is minder dan 35 dagen per jaar. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 van 40 microgram/m3 en 25 microgram/m3 voor PM2,5 worden dan ook niet overschreden. Gerelateerd aan de grenswaarden van de Wet Milieubeheer, wordt een onaanvaardbare luchtkwaliteit in en nabij het plangebied dan ook niet verwacht. Invloed van het plan op de omgeving Op grond van het huidige wettelijke kader is een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar, indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden; 2.
Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen; 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het project Overamstel is in 2018 opnieuw aangemeld bij het NSL. Het programma voor Amstelkwartier derde fase is hierin een onderdeel. Los daarvan, is voor het in 2019 onherroepelijk geworden bestemmingsplan Amstelkwartier tweede fase Weststrook Zuid e.o., in de nabijheid van Amstelkwartier derde fase, in 2018 eerder ook onderzoek verricht naar de effecten van de transformatie van Overamstel op de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit dat betreffende luchtkwaliteitsonderzoek voor het nabijgelegen plangebied Amstelkwartier tweede fase Weststrook Zuid e.o. (Luchtkwaliteitsonderzoek tijdelijke situatie bestemmingsplan 'Amstelkwartier tweede fase Weststrook Zuid e.o.'; Tauw; Projectnummer 1246189; d.d. 3 oktober 2018; bijlage bij het bestemmingsplan Amstelkwartier tweede fase Weststrook Zuid e.o., vastgesteld d.d.
14-02-2019; NL.IMRO.0363.M1802BPGST-VG01) wordt opgemaakt dat grenswaarden in de omgeving van het plangebied niet worden overschreden, ook niet in het geval waarin de verkeersontwikkeling wordt meegenomen die verband houdt met de nieuwbouw in Overamstel waartoe ook het programma van Amstelkwartier derde fase behoort. Omgevingssituatie - aan te houden afstanden Zoals hiervoor al is aangegeven liggen er geen provinciale wegen nabij het plangebied, maar wel nabij het begin van de rijksweg A2. De kleinste afstand van het plangebied tot het begin van de A2 bedraagt circa 220 m. Dit betekent dat op grond van het de Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen (zie paragraaf 4.4.1 onder 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit 2010') in een deel van het plangebied niet zijn toegestaan, namelijk binnen een afstand van 300 meter van de A2. In het stedenbouwkundig plan is hiermee rekening gehouden, onder meer door de basisscholen af te schermen door bebouwing en door de gebouwen zo ver mogelijk van het begin van de A2 te projecteren.
In de Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2010) wordt voor de omschrijving van een (luchtkwaliteit) gevoelige bestemming aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. Deze bestemmingen betreffen allen functies die
bestemmingsplan_Amstelk wartier derde fase West (vastgesteld)
blz. 65
overeenkomen met functies voor minder zelfredzame personen van het Amsterdamse Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid (zie paragraaf 4.5.2). In het voorliggende bestemmingsplan zijn voor het externe veiligheidsaspect regels opgenomen waarmee bepaalde delen van het plangebied zijn uitgesloten voor nieuwbouw voor minder zelfredzame personen (betreft gebied dat binnen 80 meter van een hogedruk aardgas buisleiding ligt, zie ook paragraaf 4.5.4 onder 'Consequentie 'hoge druk aardgasleiding' voor het bestemmingsplan'. Die externe veiligheidsregeling kan gezien de overeenkomstigheid in functies ook worden gebruikt voor de vertaling van de Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2010) naar de regels voor dit plangebied waarin nieuwbouw van (luchtkwaliteit) gevoelige bestemmingen is uitgesloten (gebied dat binnen 300 meter van de Rijksweg A2 ligt).
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Inleiding
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.