CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. A toelichting BP Zuidas Parnas Fred Roeskestraat 55.pdf

RAAD 27 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Zuidas-Parnas Fred Roeskestraat 55 partiële herziening’ (VN2024-000980)38.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

•

De gemeente maakt gebruik van de verdeling van de stad in drie zones bij het toepassen van de fietsparkeernormen bij niet-woonfuncties.

•

Bij niet-woonfuncties bepaalt de gemeente de minimum fietsparkeereis aan de hand van de normen voor fietsparkeren.

68

De normen in de nota zijn gebaseerd op de CROW-kencijfers fietsparkeren. De hoogte van de norm is afhankelijk van het fietsgebruik in de stad. Omdat dit gebruik verschilt per gebied is in een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende zones. De gebieden aangewezen als zone 1 kennen een hoog fietsgebruik, de gebieden in zone 2 kennen een gemiddeld fietsgebruik en de gebieden in zone 3 een laag fietsgebruik. Het gebied Zuidas is aangemerkt als zone 2 en wordt daarmee gezien als een gebied met gemiddeld fietsgebruik. Uit de nota volgt dat voor niet-woonfuncties het vereiste aantal fietsparkeerplekken in principe op eigen terrein worden gerealiseerd. De nota beschrijft de norm voor het aantal parkeerplekken voor fietsen aan de hand van 7 verschillende tabellen. Per tabel zijn verschillende specifieke vormen die binnen een categorie vallen opgenomen. Per functie wordt aangegeven hoeveel parkeerplekken moeten worden gerealiseerd in welke zone. Het aantal is meestal een som per 100 m² bvo maar kan ook afhangen van het aantal kamers in bijvoorbeeld een hotel of het aantal leerlingen dat naar een school gaat. Voor de omgevingsvergunning relevante aantallen zullen altijd de actuele cijfers bekeken moeten worden. De gegeven normen zijn minimumnormen, initiatiefnemers mogen altijd meer fietsparkeerplaatsen realiseren.

In het bestemmingsplan is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend als sprake is van voldoende fietsparkeervoorzieningen. Hierbij wordt dynamisch verwezen naar de nota. Bij het ontwerp van een bouwplan zal door de initiatiefnemer daarom altijd rekening moeten worden gehouden met de actuele normen die volgen uit de nota.

6.4.3.1 Onderzoek Er is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd (Goudappel, 013676.20230203.R1.03, d.d. 10 januari 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12) om inzage te krijgen in het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen. Het uiteindelijke aantal benodigde fietsparkeerplaatsen wordt in het kader van de daadwerkelijke aanvraag omgevingsvergunning bepaald op grond van de actuele normen die volgen uit de ‘Nota Parkeernormen Fiets en Scooter’. De gemeente Amsterdam waarborgt middels de fietsparkeernormen zoals opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Fiets en Scooter’ dat er voldoende fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. In de Nota zijn op basis van CROW-fietsparkeerkencijfers, fietsparkeernormen ontwikkeld. De kencijfers van CROW houden rekening met de groei in het fietsgebruik. In aanvulling hierop hanteert de gemeente Amsterdam de bovengrens van de bandbreedte van de fietsparkeerkencijfers als fietsparkeernorm. Het Parnascomplex is gelegen in ‘Zone 2’. Het benodigde aantal fietsparkeerplaatsen op basis van de omvang van het functieprogramma en de bijbehorende fietsparkeernorm is in totaal 300 fietsparkeerplaatsen voor de functies van het Parnascomplex, zoals ook weergegeven in navolgende voorbeeld berekening. Omdat het uiteindelijke programma nog kan wijzigen kan ook het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen wijzigen.

Aantal benodigde fietsparkeerplaatsen Parnascomplex

6.4.3.2 Conclusie De verwachte fietsparkeerbehoefte van het Parnascomplex bedraagt op basis van de voorbeeldberekening 300 fietsparkeerplaatsen waarvan 170 fietsparkeerplaatsen voor bewoners en 130 fietsparkeerplaatsen voor medewerkers van het kantoor.

69

6.4.4 Scooterparkeren De richtlijnen voor scooterparkeren bij nieuwe woningen en niet-woonfuncties, volgen beiden uit de 'Nota Parkeernormen Fiets en Scooter' (de Nota). Met de term scooter in de Nota worden ook snor- en bromfietsen bedoeld. Per nieuw te realiseren woning geldt een richtlijn van 0,13 scooterparkeerplaatsen. De uitkomst van deze som wordt naar boven afgerond en de parkeerplekken worden op eigen terrein gerealiseerd. Voor de berekening van het aantal scooters bij niet-woonfuncties wordt, anders dan bij fietsparkeren, geen onderscheid gemaakt tussen verschillende zones. De initiatiefnemer zal voor langparkeren voorzieningen op eigen terrein realiseren waarbij wordt uitgegaan van de geldende richtlijn. Voor kort parkeren kan hiervan worden afgeweken als dit niet mogelijk of realistisch is. Scooterparkeerplaatsen in de openbare ruimte worden dan beschouwd als alternatief. 6.4.4.1 Onderzoek Er is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd (Goudappel, 013676.20230203.R1.03, d.d. 10 januari 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12) om het aantal benodigde scooterparkeerplaatsen voor het Parnascomplex vast te stellen. In de Nota is voor het bepalen van het aantal benodigde scooters slechts een richtlijn opgenomen en geen (harde) norm. Op grond van het beleid is er dus geen harde norm of verplichting. Op basis van de Nota zijn in totaal 26 scooterparkeerplaatsen benodigd.

De verwachting is echter dat in de tenderfase minder scooterparkeerplaatsen aangelegd worden. In de praktijk kan met minder scooterparkeerplaatsen worden volstaan, mede door:

•

De opkomst van de elektrische fiets die grotere afstanden kan overbruggen en daarmee concurreert met de scooters;

•

De recent ingevoerde helmplicht waardoor het minder aantrekkelijk wordt om een scooter te gebruiken/bezitten.

6.4.4.2 Conclusie Op basis van bovenstaande is te verwachten dat met minder scooterparkeerplaatsen kan worden volstaan. Er wordt daarom geadviseerd om een totaal van 13 scooterparkeerplaatsen te realiseren.

6.5 Conclusie Uit het mobiliteitsonderzoek is gebleken dat als gevolg van de ontwikkeling van het Parnascomplex geen infrastructurele knelpunten ontstaan. Er worden maximaal 46 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee voldoende wordt voorzien in de parkeerbehoefte van bewoners en medewerkers van de kantoren. Het Parnascomplex levert een geringe verkeersgeneratie op, wat naar verwachting geen problemen oplevert ten aanzien van de verkeersafwikkeling. De te verwachte fietsparkeerbehoefte van het Parnascomplex bedraagt 235 fietsparkeerplaatsen en 13 scooterparkeerplaatsen. Het aantal benodigde fiets- en scooterparkeerplaatsen zal uiteindelijk definitief bepaald worden ten tijde van de daadwerkelijke aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het Parnascomplex is zeer goed bereikbaar met openbaar vervoer vanwege de ligging nabij station Zuid. Ook is het bereik van werknemers en bewoners dat het Parnascomplex per (elektrische) fiets kan bereiken aanzienlijk.

70

hoofdstuk 7 Geluid 7.1 Algemeen Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van railen wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden zones rond geluidbronnen met mogelijk een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. Wanneer een nieuw (of herzien) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidgevoelige bebouwing in de geluidzone van een (spoor)weg of industrieterrein te realiseren, is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing noodzakelijk. Indien de door de Wgh aangegeven voorkeursgrenswaarde voor geluidbelasting wordt overschreden, kan een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het College van burgemeester en wethouders (en in een aantal gevallen Gedeputeerde Staten). Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting (artikel 110a, zesde lid, van de Wgh en artikel 1.5 van het Besluit geluidhinder (Bgh)).

Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidbelasting, de binnenwaarde te worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen.

7.2 Regelgeving 7.2.1 Algemeen Wanneer een nieuw (of herzien) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidgevoelige bebouwing in de geluidzone van een (spoor)weg of industrieterrein te realiseren, is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing noodzakelijk. Indien de door de Wgh aangegeven voorkeursgrenswaarde voor geluidbelasting wordt overschreden, kan een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het College van burgemeester en wethouders (en in een aantal gevallen Gedeputeerde Staten). Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting (artikel 110a, zesde lid, van de Wgh en artikel 1.5 van het Besluit geluidhinder (Bgh). Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidbelasting, de binnenwaarde worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. 7.2.2 Wegverkeergeluid Op grond van artikel 74 van de Wgh bevinden zich langs alle wegen van rechtswege geluidzones waarbinnen de geluidbelasting als gevolg van de weg aan het gestelde in de wet dient te worden getoetst. Dit geldt niet voor wegen: 1. 2.

die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied, of waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt.

71

De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken. Aantal rijstroken

Geluidzones stedelijk gebied

Geluidszones buitenstedelijk gebied a

Weg met één of twee rijstroken

200 meter

250 meter

Weg met drie of meer rijstroken

350 meter

n.v.t.

Weg met drie of vier rijstroken

n.v.t.

400 meter

Weg met vijf of meer rijstroken

n.v.t.

600 meter

Tabel Breedte van geluidzones langs autowegen in stedelijk gebied, Bron: artikel 74 van de Wet geluidhinder

In artikel 76 van de Wgh is geregeld dat bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de wettelijke voorkeursgrenswaarden van de artikelen 82 (bij nieuwbouw) en 100 (in geval het bestemmingsplan voorziet in een reconstructie van een weg) van de Wgh in acht moeten worden genomen. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan nieuwbouw van geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd indien de waarde niet hoger is dan de maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde en mits deze hogere waarde kan worden verleend. Naast bovengenoemde buitenwaarden zijn er in de Wgh tevens maxima gesteld aan binnenwaarden. Toetsing daaraan vindt plaats in het kader van de verlening van en omgevingsvergunning voor bouwen. Type

Geluidsgevoelig

Voorkeurs Maximaal toelaatbare hogere voorkeursgrensaarde [dB]

waarde

dan

gebouw

grenswaarde [dB]

Woning

48

buitenstedelijk: 53

binnenstedelijk: 63

Andere geluidsgevoelige gebouwen

48

buitenstedelijk: 53

binnenstedelijk: 63

de

Tabel Geluidhindernormen wegverkeer bij nieuwbouw

Op basis van artikel 110g van de Wgh mag er op de geluidbelasting vanwege een weg, op de gevel van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, een aftrek worden toegepast in verband met het stiller worden van het verkeer in de toekomst. De aftrek bedraagt maximaal (artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012):

•

2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt;

• •

5 dB voor overige wegen; 0 dB in het geval de geluidbelasting wordt gebruikt voor de bepaling van de gevelisolatie (overeenkomstig het Bouwbesluit 2012) of het de binnenwaarde betreft.

7.2.3 Spoorweggeluid Op grond van artikel 106b van de Wgh bevinden zich van rechtswege langs alle spoorwegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting als gevolg van de spoorweg aan het gestelde in de wet dient te worden getoetst. Type

Geluidsgevoelig

Voorkeurs Maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde [dB]

gebouw

grenswaarde [dB]

Woning Onderwijsgebouwen Ziekenhuizen verpleeghuizen

en

Bij AMvB aangewezen andere gezondheidszorggebouwen

55

68

53

68

53

68

53

68

Tabel Geluidshindernormen railverkeerslawaai bij nieuwbouw Lden.

72

7.2.4 Hogere waarden Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan een geluidgevoelige functie worden gerealiseerd indien een hogere waarde is verleend tot de maximale toelaatbare waarde voor geluidbelasting. Voorwaarde voor een hogere waarde is in ieder geval dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Wanneer de maximale toelaatbare waarde voor geluidbelasting wordt overschreden, biedt de Wgh de mogelijkheid woningen te realiseren met aan de betreffende zijde(n) een dove gevel (een gevel zonder te openen delen of met slechts incidenteel te openen delen). Ook is het in een dergelijke situatie mogelijk een zogeheten vliesgevel te realiseren. Daarmee wordt bereikt dat op de daadwerkelijke gevel, inclusief de te openen delen, sprake is van een toelaatbare geluidbelasting. De geluidwaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm. 7.2.5 Cumulatie Bij blootstelling aan verschillende geluidbronnen tegelijk (bijv. spoor en weg) moeten de bronnen eerst bij elkaar worden opgeteld voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld.

De Wgh geeft voor een dergelijk cumulatieve geluidbelasting geen aparte grenswaarden en evenmin een standaard toetsingsmethode. Wel moet worden gemotiveerd op welke wijze het bevoegd gezag rekening houdt met deze samenloop (cumulatie). Overigens speelt het vraagstuk van de cumulatieve geluidbelasting alleen als voor één of meer van de geluidbronnen een hogere waarde wordt gevraagd. Indien een woning zich in de invloedssfeer bevindt van twee wegen, die elk onder de voorkeursgrenswaarde blijven, dan bestaat er geen plicht tot het berekenen van de cumulatieve geluidwaarde. Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximum toelaatbare ontheffingswaarden (gecumuleerde geluidbelasting). Op plaatsen waar dit wordt geconstateerd zijn woningen alleen mogelijk indien dove gevels of gebouwgebonden geluidschermen worden toegepast.

7.3 Onderzoek 7.3.1 Verblijfskwaliteit De woningen zijn conform de Wet geluidhinder geluidgevoelige functies. Kantoorfuncties en commerciële voorzieningen zijn geen geluidgevoelige functies. De woningen bevinden zich binnen de geluidszones langs de rijksweg A10, de Parnassusweg en de Strawinskylaan. De woningen bevinden zich tevens binnen de geluidzones langs het spoortracé Duivendrecht-Amsterdam Schiphol en de metrolijnen 50/51. Om die reden is een onderzoek Wet geluidhinder uitgevoerd (Cauberg Huygen, 09432-57232-03, d.d. 11 januari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 13). Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder:

• •

Wegverkeerslawaai stedelijk: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB.

• •

Spoorweglawaai: voorkeursgrenswaarde 55 dB, maximale ontheffingswaarde 68 dB.

Wegverkeerslawaai buitenstedelijk: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 53 dB. Metrolawaai (is wegverkeerslawaai): voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB.

73

De berekeningen van de geluidbelastingen Lden zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Uit de berekeningen blijkt het volgende:

•

In delen van het project – voornamelijk ter plaatse van de zuid- en westgevels - worden vanwege geluid dat afkomstig is van de A10, de Parnassusweg, het hoofdspoor en de metro de voorkeursgrenswaarden overschreden. Met betrekking tot de Strawinskylaan wordt overal aan de voorkeursgrenswaarde voldaan.

•

In een klein deel van het project – aan de zuid- en westzijde op hogere bouwlagen van het zuidelijke hoogteaccent - wordt eveneens de maximale ontheffingswaarde vanwege de A10 overschreden. Er zijn dove gevels nodig.

•

Overal voldoen de gecumuleerde geluidbelastingen LVL,cum aan de in het Amsterdams Geluidbeleid 2016 gestelde toetswaarde (hier: 63+3 = 66 dB). Op basis van de gecumuleerde geluidbelastingen zijn geen extra maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld dove gevels nodig.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat circa de helft van de gevels geluidluwe gevels zijn. Bij de verdere planuitwerking worden zoveel mogelijk woningen aan deze geluidluwe zijde gesitueerd. Daarmee kan een deel van de woningen beschikken over een geluidsluwe zijde. Aanvullend zijn gebouwmaatregelen in de vorm van bijvoorbeeld afschermende balkons of loggia’s, zo nodig deels of geheel verglaasd, of een dubbel raamprincipe benodigd ten behoeve van geluidluwe gevels als ook voor het spuien van verblijfsruimten aan een dove gevel. Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen (bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen, wordt parallel aan dit bestemmingsplan, een besluit hogere waarden genomen voor de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai:

• • • •

53 dB Lden vanwege de rijksweg A10. 49 dB Lden vanwege de Parnassusweg. 60 dB Lden vanwege de hoofdspoorwegen. 53 dB Lden vanwege de metrolijnen.

Omdat er nog geen sprake is van een concreet bouwplan is het meest praktisch om voor het volledige woningbouwprogramma een ontheffing hogere waarden te verlenen. 7.3.2 Stemgeluid terrassen Op het naastgelegen perceel aan de Parnassusweg 220 zal een museum worden gehuisvest. Dit museum zal voorzien in een aantal terrassen: een klein terras op de begane grond vlak voor de bistro (aan de zijde van de Parnassusweg), een aantal tafels en stoelen op de "green terrace" (derde verdieping) en twee terrassen op de achtste verdieping, als onderdeel van het restaurant/event space. Op de twee terrassen op de achtste verdieping – een aan de noordzijde en een aan de zuidzijde – kunnen activiteiten zoals dineren, recepties of een kleine toespraak plaatsvinden. Op de andere twee terrassen worden geen geluidrelevante activiteiten verwacht. Cauberg Huygen B.V. heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van het stemgeluid, dat afkomstig is van de twee terrassen op de achtste verdieping (Cauberg Huygen B.V., 07859-54890-04v2, d.d. 28 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hierin zijn de effecten onderzocht van de terrassen ten opzichte van de bestaande woningen. Voor de gebruikte voorbeeldsituatie zijn de geluidniveaus ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen berekend als gevolg van stemgeluid dat afkomstig is van de terrassen.

De geluidniveaus zijn getoetst aan geluidgrenswaarden overeenkomstig de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (uitgave 2009). Uit de berekeningen van het stemgeluid blijkt dat ter plaatse van de maatgevende woningen wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor de maatgevende avondperiode. Stemgeluid dat afkomstig is van

74

de andere twee terrassen zal geluidniveaus hebben van ver onder de geluidrichtwaarden en niet tot nagenoeg niet hoorbaar zijn. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek, de afstanden van de terrassen tot de nieuwe woningen en de vastgestelde geluidvolumes kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de nieuwe woningen de terrassen van het museum niet zullen leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

7.4 Beleid Het college heeft opdracht gegeven een nieuw geluidbeleid te ontwikkelen op basis van de Omgevingswet. Het college heeft op 8 maart 2023 de concept beleidsregel ‘Geluid Amsterdam 2023’ als overbruggingsregel vrijgegeven voor advies aan stadsdelen en het stadsgebied Weesp. Deze beleidsregel zal na inwerkingtreding gelden totdat het geluidbeleid op basis van de Omgevingswet is vastgesteld.

75

hoofdstuk 8 Luchtkwaliteit 8.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Er kunnen in dat verband belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.

8.2 Regelgeving 8.2.1 Wet Milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge deze wet is de specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen, waarin luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd. De kern van deze regeling wordt gevormd door een landelijke programmatische aanpak, die ervoor zorgt dat, in de meeste gevallen, niet meer per project aan luchtkwaliteitsnormen hoeft te worden getoetst. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wm kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van de uitvoering van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt:

•

(waarschijnlijk) geen sprake is van een overschrijding van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde;

•

de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met het bestemmingsplan samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

•

geen sprake is van het in betekenende mate (ibm) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

•

deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met het vastgesteld programma (te weten het NSL, waarover in 8.2.2 meer).

Het hierboven gestelde is niet relevant indien hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt is beschreven in, dan wel betrekking heeft op een ontwikkeling die is beschreven in het vastgesteld Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor de in dit programma opgenomen ontwikkelingen is berekend wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit. Vervolgens is in het programma een pakket maatregelen opgenomen waarmee de negatieve gevolgen van deze ontwikkelingen worden gecompenseerd. Grenswaarden In bijlage 2 van de Wm zijn de grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor de diverse stoffen opgenomen. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in onderstaande tabel weergegeven.

76

Tabel 1, bijlage 2 bij Wet milieubeheer

Bij de berekening geldt een plaatsafhankelijke aftrek voor de jaargemiddelde norm voor fijn stof. Voor Amsterdam bedraagt deze aftrek 6 µg/m³ en voor het 24-uurgemiddelde zes overschrijdingen per jaar. Met deze aftrek mag de dagnorm derhalve 41 keer worden overschreden. Bij overschrijding van de grenswaarden is het van belang of sprake is van een niet in betekenende mate-project (nibm-project). Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide niet groter is dan 3%, draagt een project niet in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. Voor nibm-projecten vindt ten aanzien van de overschrijding van luchtkwaliteitsnormen geen verdere toetsing meer plaats. Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide groter is dan 3% draagt het project in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. De volgende vraag is dan of het project is aangesloten bij het NSL. Als een project past binnen de omschrijving waarmee het in het NSL is opgenomen, wordt een eventueel optredende verslechtering van de luchtkwaliteit aangepakt door de maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit die eveneens onderdeel uitmaken van het NSL.

Aldus wordt voorkomen dat uiteindelijk sprake is van een overschrijding van de luchtkwaliteitnormen en de luchtkwaliteit aan het vaststellen van een bestemmingsplan in de weg staat. 8.2.2 Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wm kan een bestemmingsplan van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide worden vastgesteld indien het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen, of in elk geval niet in strijd is met het NSL. Het NSL is gericht op het bereiken van de grenswaarden die worden overschreden (artikel 12 van de Wm). In het NSL zijn zowel nationale generieke maatregelen, als regionale maatregelen opgenomen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Het programma benoemt en beschrijft projecten die naar verwachting worden ontwikkeld in de periode waarop het NSL betrekking heeft. Door de negatieve effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit af te zetten tegen de positieve effecten van alle in het programma genoemde maatregelen op de luchtkwaliteit, wordt getoetst of een project past binnen het NSL. Bij een bevestigend antwoord op deze vraag vindt voor het betreffende project geen aparte toetsing aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit meer plaats.

Op 6 december 2016 is besloten dat het NSL tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting in 2023) van toepassing is (Besluit tweede verlenging NSL). Het project Zuidas is in het NSL opgenomen met IB-nummer 724 en wordt in het NSL getypeerd als een gemengd project. Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in een vervanging van bestaand gebruik als tijdelijke rechtbank voor een nieuw complex waar een combinatie van wonen en kantoren wordt gerealiseerd. De programmatoevoeging maakt deel uit van het Zuidasprogramma zoals dat is aangemeld voor het NSL.

77

Afbeelding: IB-nummer 724 omvang wonen en kantoor

Gezien het nog resterende programma voor wonen en kantoor past het programma, waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet, ruimschoots binnen de uitgangspunten van het NSL. Planspecifiek De in de NSL opgenomen projecten hoeven niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde programmatoetsing plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen het NSL. Een nadere toets is niet aan de orde. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen strijd is met de betreffende regeling in de Wet milieubeheer. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 20 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wat betreft gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit wordt niet voorzien in vestiging van dergelijke functies.

Op grond daarvan kan reeds worden geconcludeerd dat het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit geen beperkingen met zich meebrengen en op dit punt geen nadere onderbouwing behoeven. 8.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is in januari 2009 in werking getreden. Met dit besluit wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Het besluit heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat het besluit is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen zijnde kinderen, ouderen en zieken.

Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het Rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM 10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2). Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.

78

Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan indien die leidt tot een toename van niet meer dan 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft. Hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit mogelijk.

8.3 Beleid 8.3.1 Actieplan schone lucht 2019 Het Actieplan Schone Lucht beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeente tot 2030 toewerkt naar schonere en gezondere lucht in de stad. In het Actieplan heeft het college de ambitie uitgesproken dat in 2030 overal in de gemeente alleen maar uitstootvrij verkeer rijdt. Daarom heeft de gemeente de volgende mijlpalen verwoord:

•

2020: Realisatie (diesel)milieuzone binnen ring A10 personenauto’s vanaf Euro 4 en geografische uitbreiding milieuzones;

• •

2022: ov-bussen en touringcars centrum zijn uitstootvrij (binnen s100 ten zuiden van het spoor)

•

2025: al het verkeer, waaronder ook taxi's, passagiersvaart, pleziervaart en GVB veren, maar behalve personenauto's en motoren, is uitstootvrij binnen de ring A10 (voor brom- en snorfietsen geldt de hele bebouwde kom); 2030: al het verkeer binnen bebouwde kom is uitstootvrij.

8.3.2 Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit De Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam is op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders. Op 10 december 2013 heeft het College besloten om de Gemeenteraad voor te stellen om de werking van de richtlijn uit te breiden. De Gemeenteraad heeft hiermee ingestemd, door op 22 januari 2014 de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (inclusief een 'Afwegingskader verkeersstromen in relatie tot de gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit') vast te stellen als aanvullend toetsingskader op de Structuurvisie Amsterdam 2040. Uitgangspunten van de richtlijn zijn dat: 1. 2.

binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigen (mvt) per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerstelijns bebouwing worden geprojecteerd.

Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren dan is een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overig spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, dat als gevoelige bestemming aanduidt gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgings-, verpleeg- of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke besluit, alleen betrekking op nieuwe situaties. De richtlijn is niet van toepassing bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig is en niet meer dan 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.

79

8.4 Conclusie Per 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. Nu dit van kracht is, hoeven de hierin opgenomen projecten niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde programmatoetsing plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen het NSL. Een nadere toets is niet aan de orde. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen strijd is met de betreffende regeling in de Wet milieubeheer. Wat betreft gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit wordt niet voorzien in vestiging van dergelijke functies. Op grond daarvan kan reeds worden geconcludeerd dat het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit geen beperkingen met zich meebrengen en op dit punt geen nadere onderbouwing behoeven.

80

hoofdstuk 9 Bodem 9.1 Algemeen Bij het toekennen van gevoelige bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijk ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Het bestemmingsplan maakt voor een deel nieuw gebruik mogelijk. Hierna zal worden ingegaan op de bodemgerelateerde aspecten voor het plangebied. Bij de toekomstige uitbreidingen / herontwikkeling zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overlegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment.

9.2 Regelgeving 9.2.1 Wet bodembescherming De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit en Besluit uniforme saneringen). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. 2.

Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land.

9.2.2 Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebied specifieke beleid. Deze normen zijn voor Amsterdam opgenomen in de Nota Bodembeheer die op 19 november 2019 in geactualiseerde vorm door de gemeenteraad is vastgesteld en vervangt de voorgaande Nota uit 2013. De nieuwe Nota bevat naast een actualisatie ook op punten een aanscherping en versoepeling van het beleid. Daarnaast wordt het beheergebied uitgebreid en worden bodemkwaliteitskaarten van omliggende gemeenten (Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel) geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond. Dit vormt de opmaat naar uniformering van het bodembeleid in het hele werkgebied van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de

81

gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebied specifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico's en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. Bodemkwaliteitskaart Amsterdam Voor de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam zijn 7 zones gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties, die elk een ander beschermingsniveau en dus een eigen Lokale Maximale Waarde vragen. Voor Amsterdam zijn diverse bodemkwaliteitskaarten opgesteld die behoren bij de Nota Bodembeheer. Op één van deze kaarten is het plangebied aangewezen als zone 1 gebied.

Afbeelding: zonekaart Nota Bodembeheer

Uitsnede zonekaart Nota Bodembeheer De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 1) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid. Zone 1-grond mag altijd zonder bodemonderzoek, op basis van de bodemkwaliteitskaart worden ontgraven (in principe is een melding op grond van artikel 28 van de Wbb vereist indien meer dan 50 m³ wordt ontgraven) en toegepast (hiervoor is altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid). Grond afkomstig vanuit alle lagen van zone 1 mag vrij worden toegepast in het gehele beheergebied. Grond van buiten de zone mag worden toegepast, mits een partijkeuring of andere milieuhygienische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de achtergrondwaarde.

82

Voordat gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor vrijstellingen van de bodemonderzoeksplicht, zoals hierboven omschreven dient een beknopt vooronderzoek te worden verricht (puntbronnencheck). Indien dit onderzoek geen aanleiding geeft de locatie van herkomst en toepassing als 'verdacht' aan te merken bestaat vrijstelling van bodemonderzoek. In de Nota bodembeheer is tot doel gesteld de grond in het plangebied schoon te houden en er is voor dit gebied geen gebied specifiek beleid ontwikkeld. Grond die toegepast wordt in dit gebied moet schoon zijn, ongeacht de bodemfunctie.

9.3 Onderzoek Het voorliggende initiatief maakt onder andere woningen mogelijk. Daarmee wordt er een strenger bodemgebruik mogelijk gemaakt. Om die reden is, met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater te bepalen, een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Door Tauw is in september 2021 een vooronderzoek naar de bodemkwaliteit gedaan (Tauw, 15 september 2021, projectnummer 1283191, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op basis van het uitgevoerde onderzoek heeft Tauw vastgesteld dat de milieukundige kwaliteit van de bodem bij huidig en toekomstig gebruik geen belemmering vormt voor de voorgenomen functieverandering van de locatie. Ter plaatse en nabij de onderzoekslocatie hebben diverse verdachte activiteiten plaatsgevonden (slootdempingen, dempingen, asbestverdachte bebouwing, dijk). Middels de recent uitgevoerde onderzoeken zijn deze voldoende onderzocht. Sinds de uitvoering van de voorgaande bodemonderzoeken hebben ter plaatse van het perceel geen nieuwe bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en wordt verwacht dat de bodemkwaliteit niet is veranderd. Uit de bodemonderzoeken volgt dat de bovengrond licht verontreinigd is, met plaatselijk een matige verontreiniging met minerale olie. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Het grondwater ter plaatse van kavel C2 is licht verontreinigd en ter plaatse van kavel C3 sterk verontreinigd met arseen. Deze sterke verontreiniging met arseen heeft een natuurlijke oorsprong. Op de locatie is in de bodem asbest aangetoond (6 mg/kg d.s.). Het gehalte valt ruim beneden 0,5 de interventiewaarde en er is derhalve geen nader onderzoek nodig. Geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit niet in de weg staat aan de beoogde ontwikkeling.

83

hoofdstuk 10 Cultuurhistorie en archeologie 10.1 Algemeen Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving, waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van Amsterdam en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de wetgeving (Erfgoedwet) is dat het erfgoed in de bodem wordt beschermd. Dit betekent onder andere dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dicht bebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie.

Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen een beschrijving te worden opgenomen "van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden". In de toelichting van de Bro staat dat dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden.

10.2 Regelgeving 10.2.1 Erfgoedwet Voor een optimale integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het Rijk onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast, en de Erfgoedwet geïntroduceerd. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 in werking getreden. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 vervallen, maar het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving blijft via het overgangsrecht in de Erfgoedwet van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op grond van de Erfgoedwet dient de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Dat betekent dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet alleen rekening moet worden gehouden met bekende monumenten, maar ook met de omstandigheid dat op bepaalde terreinen nog archeologische resten in de bodem kunnen worden aangetroffen. Om hierop te kunnen anticiperen is het nodig de archeologische verwachting van een gebied in kaart te brengen door middel van een archeologisch bureauonderzoek. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in kaart te brengen, kunnen bij bouwprojecten toevalvondsten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 van de Erfgoedwet).

Deze plicht houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek uit te voeren, bij vondsten Monumentenzorg en Archeologie van de gemeente Amsterdam (M&A) per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

84

Bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen dienen gemeenten bovendien op grond van de Wet ruimtelijke ordening de Provinciale Ruimtelijke Verordening in acht te nemen. 10.2.2 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Op 10 april 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, die wordt gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen, gewijzigd vastgesteld. In de leidraad is een aantal onderwerpen opgenomen die voortvloeien uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (oud) die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. De Leidraad is niet bedoeld als een document met normstellende voorschriften. Met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen en tegelijkertijd verantwoord omgaan met het verleden. De Noord-Hollandse landschappen moeten optimaal worden gebruikt door het benutten van hun kenmerkende kwaliteiten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Nieuwe ruimtelijke plannen dienen rekening te houden met de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving. Het basisuitgangspunt is daarmee 'behoud door ontwikkeling'.

De leidraad is hiervoor het meetpunt en geeft richting aan het ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit. In de leidraad staat aangegeven welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. Het grootstedelijk gebied Zuidas is in de leidraad niet aangewezen als aardkundig monument, aardkundig waardevol gebied dan wel archeologisch gebied van provinciaal belang.

Afbeelding: Links: aardkundige monumenten en waardevolle gebieden, rechts: archeologische gebieden van provinciaal belang. Bron: Leidraad Landschap en cultuurhistorie.

De informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De kaart geeft informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als molens, militaire structuren en historische dijken. Ten aanzien van de archeologische waarden is de informatiekaart een herziening van de voorheen geldende Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

85

10.2.3 Gemeentelijke Erfgoedverordening De Amsterdamse Erfgoedverordening is op 16 december 2015 vastgesteld en schrijft voor dat in de toelichting behorende bij een bestemmingsplan ten minste de (bovengrondse) cultuurhistorische waarden en (ondergrondse) archeologische waarden in het plangebied worden beschreven en dat wordt beschreven op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige waarden. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden in beeld gebracht middels een cultuurhistorisch onderzoek en de archeologische waarden middels een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen het plangebied en een advies met betrekking tot de aanpak en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van de aanpak staat een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen.

Een dergelijke regeling houdt in dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of andere werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd, een rapport dient te overleggen. In dat archeologisch rapport moet de archeologische waarde van het terrein waar de aanvraag op ziet in voldoende mate zijn vastgesteld. Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. De bouwregels en de omgevingsvergunning bevatten voor aanlegwerkzaamheden daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen. In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Voor het plangebied van dit bestemmingsplan geldt beleidsvariant 11.

10.3 Resultaten onderzoeken 10.3.1 Archeologie Conform het geldende bestemmingsplan 'Zuidas-Parnas' kent het plangebied geen dubbelbestemming voor archeologie. Voor de planlocatie is wel door de Gemeente Amsterdam, Monumenten en Archeologie, een eerste bureauonderzoek uitgevoerd (Gemeente Amsterdam,BO 10-142, d.d januari 2011, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit dit onderzoek blijkt dat de verwachtingswaarde laag is. De beleidszone kent een negatieve verwachting. Daarmee is het plangebied verder vrijgesteld van verder archeologisch onderzoek. Voor toevalsvondsten geldt een meldingsplicht. 10.3.2 Cultuurhistorie De planlocatie maakt deel uit van een plangebied waarvoor in 1940 het Plan Zuider-Amstelkanaal werd vastgesteld. Het was ontworpen door Cornelis van Eesteren, hoofd Stedenbouwkundige Afdeling van de Dienst Publieke Werken, als invulling van Plan Zuid. Hij had op deze plek oost-west geplaatste woningbouwstroken geprojecteerd en één groot openbaar gebouw. Een gracht die uitmondt in het Zuideramstelkanaal doorsnijdt in zijn voorstel het gebied en had voorbij de ringweg en de spoorlijn tot in Buitenveldert moeten worden doorgetrokken. In de huidige situatie loopt deze zij-arm dood op de Fred Roeskestraat. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig verschijnt de eerste bebouwing op het terrein tussen de Parnassusweg en de groenstrook in het verlengde van deze gracht.

Het meest opvallende gebouw is het Kantongerecht uit 1969-1975, ontworpen door Ben Loerakker, als afsluiting van de Strawinskylaan. Daarachter worden enkele gebouwen rond een open binnenterrein gegroepeerd. Het voorste gebouw, aan de Fred Roeskestraat op nr. 73 is in 1967 door G.H.M. Holt ontworpen als een kindertehuis met dienstwoning. Later komt ook op de kop van de groenstrook in het verlengde van het zijkanaal het

86

Uitvaartcentrum Zuid te staan. Het Kantongerecht krijgt in de jaren negentig een forse uitbreiding in de richting van de A10 voor de huisvesting van de Arrondissementsrechtbank, eveneens ontworpen door Ben Loerakker. In de Visie Zuidas uit 2009 wordt de Strawinskylaan doorgetrokken tot aan de groenstrook/ Hierover moet ook een stadstraat komen te liggen. Beide wegen maken deel uit van het geplande raamwerk van Zuidas. De structuur van het gebied is in de loop der tijd, ondanks de komst van een aantal gebouwen nauwelijks gewijzigd. De Fred Roeskestraat versmalt zich ter hoogte van nr. 73 tot en fietspad met aan de zuidzijde een groenstrook van met laag struikgewas beplante perken en een kort gemaaide grasstrook ter verfraaiing van het profiel. Langs de oever van het water loopt aan de noordzijde van de weg een breed trottoir dat zich tot aan de Parnassusweg voortzet; aan de zuidzijde van de weg start de stoep voor het uitvaartcentrum en loopt tussen de perken en het voorgazon van de bebouwing door tot aan de Parnassusweg. Aan de oostzijde van de zijstraat van de Fred Roeskestraat die toegang geeft tot nr. 71E en een opslagterrein va bouwmaterialen is een brede grasstrook aangelegd, beplant hoog opgaande bomen; aan de westzijde daarvan staan bomen met daaronder struikgewas. Het groen onttrekt dit laantje bijna aan het zicht.

Op de in 2013 vastgestelde ordekaarten is het gebouw Parnas (Gebouw E) gewaardeerd als een orde 1. Dit deel van het complex is onlangs aangewezen als gemeentelijke monument. De latere uitbreidingen vallen niet onder de bescherming. Fred Roeskestraat 73 is gewaardeerd met een orde 3 hetgeen niet vraagt om beschermende maatregelen binnen het kader van het bestemmingsplan. Middenschaal tussen Zuidas en Roeske Eigen milieu en oriëntatie Het Parnas Complex grenst zowel aan het centrale deel van Zuidas als aan de Fred. Roeskestraat. Deze bijzondere ligging biedt de kans om de aanwezige kwaliteit en sfeer van de Fred. Roeskestraat te combineren met de energie en dynamiek van Zuidas. Een eigen milieu tussen de groene, stedelijke mix van de Fred. Roeskestraat en het hoogstedelijke van Zuidas. De ontwikkeling draagt bij aan de beleving van de Fred Roeskestraat. Bouwhoogte Aan de zuidzijde van het Parnascomplex is hoog gebouwd: het nieuwe rechtbankcomplex kent een maximum bouwhoogte van 50 meter en voegt zich daarmee in de reeks van grote gebouwen in het centrale deel van Zuidas. Dit is de overgang naar de hoge centrumbebouwing van Zuidas. De hoogte in de Fred. Roeskestraat varieert van 12,5 tot 40 meter. De bebouwing aan de Fred. Roeskestraat is daarentegen van een andere schaal: aan de overzijde van het Parnascomplex liggen de Warnersblokken met een hoogte van 12,5 meter.

Verderop vinden we de Rietveldacademie van 35 meter en het wooncomplex De Fred westelijker aan de Fred Roeskestraat van 40 meter hoog. Het Parnascomplex zorgt met een maximum bouwhoogte van 28,4 tot 42,4 meter (gemeten vanaf NAP) voor de overgang binnen de buurt. De nieuwe invulling van het voormalige deels monumentale rechtbankgebouw sluit met de hoogbouw van 8 lagen (+ dakopbouw) en laagbouw met een hoogte variërend van 10 tot 14 meter goed aan op de diverse hoogtes in de Fred. Roeskestraat, maar kennen een kleinere schaal dan het nieuwe rechtbankcomplex. Er is daarom voor gekozen bij de herontwikkeling van het complex de middenhoogte die in de nieuwbouw van de Fred. Roeskestraat zichtbaar is als uitgangspunt te nemen voor de nieuwbouw op kavels C2 en C3 en optopping van het voormalige deels monumentale rechtbankgebouw op kavel C1. De maximum bouwhoogte van een deel van het voormalige deels monumentale rechtbankgebouw op kavel C1 is 40 meter. Het Parnascomplex zal in hoogte variëren. Als gevolg van het (paraplu)bestemmingplan grondwaterneutrale kelders dienen bouwhoogten gerelateerd te worden aan NAP en niet aan het maaiveld. In de Nota van Uitgangspunten voor het Parnascomplex was een maximum bouwhoogte opgenomen gemeten vanaf maaiveld. In dit bestemmingsplan dient de maximum bouwhoogte vanaf NAP gemeten te worden.

Het verschil tussen NAP en maaiveld bedraagt bij het Parnascomplex 0,9 meter: NAP

87

ligt 0,9 m onder maaiveld. Direct aan de Fred. Roeskestraat zal de maximum bouwhoogte 27,5 meter (7 lagen) bedragen gemeten vanaf maaiveld, gemeten vanaf NAP komt dit op 27,5 + 0,9= 28,4 meter vanaf NAP zoals is opgenomen in de Nota van uitgangspunten. Aan de zijde van het nieuwe rechtbankcomplex zal de maximum bouwhoogte 41,5 meter (10 lagen) bedragen gemeten vanaf maaiveld en 41,5 + 0,9=42,4 meter vanaf NAP. Het verschil in metrage is dus een gevolg van de wijze van meten vanaf NAP in plaats van vanaf maaiveld, maar het betreft geen afwijking van de bouwhoogten zoals vastgesteld in de Nota van uitgangspunten. Alle dakinstallaties dienen binnen deze maximale bouwhoogte niet zichtbaar vanaf het maaiveld te worden gerealiseerd. Het dak is vanuit de omgeving zichtbaar en dient zodoende als vijfde gevel zorgvuldig vormgegeven te worden. Aan de Fred. Roeskestraat is de afstand tot de overzijde ruim. De maat tussen de nieuwbouw en de Warnersblokken varieert van 41 tot 51 meter. tot de overzijde ruim. De maat tussen de nieuwbouw en de Warnersblokken varieert van 41 tot 51 meter. 10.3.3 Conclusie Er bevinden zich in het plangebied geen archeologische of cultuurhistorische waarden die aan uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan in de weg zouden kunnen staan.

88

hoofdstuk 11 Externe veiligheid 11.1 Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen in inrichtingen, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand beschouwd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het GR te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windturbines. Gezien de ligging in de nabijheid van de rijksweg A10, waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt, valt een stijging van het groepsrisico als gevolg van de realisatie van het plan niet uit te sluiten. In het plangebied worden geen risicovolle bedrijven of activiteiten toegestaan. Hieronder worden de risico's van deze activiteiten voor de omgeving omschreven.

11.2 Regelgeving 11.2.1 Algemeen De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaan uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid bij het bouwen van (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. In verscheidene besluiten is gedefinieerd wat onder (beperkt) kwetsbare objecten moet worden verstaan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld gebouwen bestemd voor het verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten of gebouwen waar doorgaans grote aantallen personen aanwezig zijn, zoals kantoorgebouwen groter dan 1500 m², winkelcentra, maar ook grootschalige kampeer- en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943857/1