CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. A toelichting BP Zuidas Parnas Fred Roeskestraat 55.pdf

RAAD 27 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Zuidas-Parnas Fred Roeskestraat 55 partiële herziening’ (VN2024-000980)38.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

89

recreatieterreinen. Woningen, woonschepen en woonwagens zijn eveneens kwetsbare objecten, tenzij het gaat om verspreid liggende woningen, woonschepen of woonwagens; dat zijn beperkt kwetsbare objecten. Kleinere kantoorgebouwen, winkels en sporthallen zijn eveneens beperkt kwetsbare objecten. Om effectief omgevingsgericht beleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar kwetsbare objecten aanwezig zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan locaties waar zich ongevallen kunnen voordoen. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. Binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuw programma voorzieningen toegevoegd ter vervanging van de tijdelijke rechtbank. Om die reden is een onderzoek gedaan naar de externe veiligheid aan de hand van het toe te voegen programma in combinatie met het eerder uitgevoerde externe veiligheidsonderzoek in het kader van bestemmingsplan Zuidas-Parnas. 11.2.2 Wet vervoer gevaarlijke stoffen De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren. Per 1 april 2015 is de Wet basisnet in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen geïntegreerd.

Doel van de Wet basisnet is om een duurzaam evenwicht te bieden tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de infrastructuur, de ruimtelijke ontwikkelingen langs die infrastructuur en de veiligheid voor omwonenden. Het basisnet is een netwerk van infrastructuur (wegen, hoofdspoorwegen en vaarwegen) die voor het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen van belang is. In de Regeling basisnet is de ligging van het risicoplafond voor het plaatsgebonden risico (PR) en (indien ingesteld) de ligging van het risicoplafond voor het groepsrisico (GR) bepaald. Per wegvak, spoortraject en vaartroute wordt de afstand bepaald waar het PR-contour niet meer dan 10-6 mag zijn (PR-plafond) en (indien ingesteld) waar het PR-contour niet meer dan 10-7 of 10-8 mag zijn (GR-plafond). Regelmatig wordt door de minister van Infrastructuur en Milieu onderzocht of en in hoeverre vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen één of meer risicoplafonds worden overschreden. Indien nodig worden maatregelen getroffen aan de vervoerszijde. De maatregelen kunnen variëren van technische aanpassingen aan het vervoer tot aan aanpassingen aan de infrastructuur, met als ultimum remedium: routering. 11.2.2.1 Besluit externe veiligheid transportroutes De ruimtelijke regels ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

De regeling in het Bevt kan samengevat worden als volgt:

•

Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het PR maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan.

•

Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn.

•

Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het GR, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt.

• • •

Binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 meter afstand geldt een lichte verantwoordingsplicht. Hierbij dient het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het bevoegd gezag kan ook binnen de 200 meter afstand volstaan met een lichte verantwoording in de volgende gevallen: 1. het GR is niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of 2. het GR in de toekomstige situatie: i. met niet meer dan tien procent toeneemt en ii. de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

90

Er geldt tevens een motiveringsplicht als nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten in de aangewezen plasbrandaandachtsgebieden (langs wegen of spoorwegen) of in de aangewezen vrijwaringszones (langs binnenwateren). Dit zijn gebieden die getroffen kunnen worden door een ongeval met brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Plasbrandenaandachtsgebieden In de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) gelden naast de hierboven genoemde motiveringsplicht, aanvullende bouweisen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten op grond van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 om personen te beschermen tegen gevolgen van ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Plasbrandaandachtsgebieden zijn in het Bevt aangewezen als gebieden waar bij het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. 11.2.2.2 Buisleidingen Op buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het PR. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.

Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedgebied toelaat, dient tevens het GR te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht:

•

het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied (dit is het gebied waarbinnen de mate van waarschijnlijkheid van een fatale afloop voor personen bij een ongeval 100% is);

• • •

bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is; het GR is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; de toename van het GR bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%.

Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht. Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. In en nabij het plangebied bevinden zich geen transportleidingen voor gevaarlijke stoffen, die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

91

11.3 Beleid 11.3.1 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 Om als Amsterdam eenduidig met externe veiligheidsrisico's om te kunnen gaan, moet duidelijk zijn met welke risico's van gevaarlijke stoffen rekening moet worden gehouden, hoe (groeps)risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen worden meegewogen in de besluitvorming en welke maatregelen kunnen worden getroffen om deze risico's te beperken. Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid (5 juni 2012) Amsterdam biedt hiervoor een handreiking zodat besluitvorming omtrent en verantwoording van externe veiligheidsrisico's inzichtelijker en makkelijker wordt. Het beleid schept een beeld van aanwezige risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen, waar deze zich bevinden en welke acties er worden genomen om deze risico's te beperken. Voor de A10 Zuid geldt dat het GR de oriëntatiewaarde overschrijdt. Met het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is overeenstemming bereikt over het reduceren van risico's langs de A10 Zuid. De aanleg van de Westrandweg is hier een voorbeeld van. De Westrandweg biedt de mogelijkheid om de A10 Zuid te ontlasten. Na realisatie van het project Zuidasdok loopt de A10 ter hoogte van Zuidas deels ondergronds in een tunnel met categorie C.

Het vervoer van gassen (stofcategorie GF3, zoals LGP) mag dan geen gebruik meer maken van de A10 Zuid en vervoer van dergelijke stoffen zal dan niet meer plaatsvinden. De meest logische route voor het vervoer van GF3 zal dan via de A9 langs Amstelveen zijn. In het project Schiphol Amsterdam-Almere wordt hierin voorzien. Het wijzigingstracébesluit A9 Badhoevedorp-Holendrecht voorziet in een verdiepte ligging ter hoogte van Amstelveen. Er worden geen beperkingen aan de A9 gesteld, zodat vervoer van gevaarlijke stoffen hierlangs kan plaatsvinden. Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam hanteert de lijn waarbij voor nieuwe situaties met overschrijding van de oriëntatiewaarde van het GR als specifieke beslispunten worden voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid worden vooralsnog door de gemeente Amsterdam verantwoord geacht omdat met het ministerie van I&M maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico's.

11.4 Resultaten onderzoek 11.4.1 Zuidasbrede inventarisatie Er heeft in 2010 een Zuidasbrede inventarisatie plaatsgevonden van de toename van het groepsrisico (GR) als gevolg van de Zuidasontwikkeling en de mogelijke maatregelen (Arcadis, Externe veiligheid op Zuidas, 11 januari 2010, zie Bijlage 15). Het projectgebied van Zuidas ligt binnen het externe veiligheid-invloedgebied van de A10 zuid waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Om deze reden moet een verantwoording van het GR worden opgesteld voor de bestemmingsplannen van de deelgebieden. De verschillende onderdelen van de Zuidasbrede inventarisatie kunnen hiervoor gebruikt worden. Het is opgesteld voor de volgende deelgebieden: Amsterdam RAI, Fred. Roeskestraat, Gershwin, Ravel, Strawinsky, Vivaldi, Kenniskwartier en Beethoven. Zelfs bij een maximale benutting van de gebruiksruimte in 2020 is er geen plaatsgebonden 10-6 contour aanwezig. Langs de A10 zuid is daarom geen plaatsgebonden 10-6 contour berekend als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen legt daarmee geen ruimtelijke belemmeringen op aan de ontwikkeling van de deelgebieden. De realisatie van de programma's van de deelgebieden leidt wel tot een toename van het GR en tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde ter hoogte van verschillende projecten.

Om deze reden zijn richtlijnen opgesteld voor de verantwoording van het GR. Daarbij zijn maatregelen voorgesteld ter beperking van de risico's en is gekeken naar

92

mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening. In paragraaf 9.5 wordt nader op de planspecifieke maatregelen ingegaan. In de Zuidasbrede inventarisatie is tot slot een aantal aandachtspunten opgenomen in het kader van externe veiligheid. Het is van belang om deze punten op te nemen in de verantwoording van het GR voor het betreffende project. Samengevat zijn dit:

•

de realisatie van project Zuidasdok zorgt dat de tunnel van de A10 Zuid ingedeeld wordt als categorie C, zodat het vervoer van GF3 (waaronder LPG) niet meer over de A10 Zuid zal plaatsvinden;

• • • •

de aanbeveling om de vluchtroutes van gebouwen haaks op de A10 zuid te oriënteren; de toetsing op de bereikbaarheid; de algemene bluswatervoorziening; de afstemming tussen ontwerpers en brandweer met betrekking tot de bluswatervoorziening in de gebouwen.

11.4.2 Projectspecifiek onderzoek De locatie ligt gedeeltelijk binnen 200 m van de noordelijke rijstrook van de A10-Zuid waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Derhalve is er een onderzoek naar de externe veiligheidsrisico’s uitgevoerd (Adviesgroep AVIV BV, Externe veiligheid A10-Zuid /Fred. Roeskestraat 55 (Parnascomplex) in Amsterdam, projectnummer 225127, d.d. 8 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 14). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg bedraagt niet meer dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van de planontwikkeling. Groepsrisico In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico overschreden met een factor 20.3. Door realisatie van het plan wijzigt het groepsrisico niet. Voor het groepsrisico is in de regelgeving een verantwoordingsplicht voorgeschreven. Omdat het groepsrisico groter is dan de oriëntatiewaarde, is een verantwoording groepsrisico vereist. Na aanleg van Zuidasdok neemt het groepsrisico af tot 50 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde. Plasbrandaandachtsgebied Het Plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. Het plangebied ligt op ca. 145 m ten noorden van de A10-Zuid en daarmee buiten het PAG. Het PAG vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

93

11.5 Verantwoording 11.5.1 Verantwoordingsplicht Een verantwoordingsplicht ontstaat indien er een toename plaatsvindt van het groepsrisico als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Uit de berekening van de AVIV blijkt dat de groepsrisicocurven van de huidige en toekomstige situatie nagenoeg over elkaar heen liggen. Daaruit volgt dat de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling niet van invloed is op het groepsrisico. Nu er geen wijziging optreedt in het groepsrisico (zie figuur 4 in de rapportage van AVIV ) is een verdere verantwoording van het groepsrisico als gevolg van een toename van het groepsrisico niet noodzakelijk. 11.5.2 Bronmaatregelen Routering vervoer van gevaarlijke stoffen Het in gebruik stellen van de Westrandweg heeft geleid tot vermindering van het aantal transporten met brandbaar gas over de A10 zuid waarmee het groepsrisico (GR) aanzienlijk daalt. De vervoerders gebruiken de Westrandweg en A9 als voorkeursroute naar het zuiden en het oosten. Hier mag echter volgens de regelgeving (nog) niet mee worden gerekend. Ontwikkeling Zuidasdok Ten tijde van het opstellen van deze verantwoording is het Tracébesluit Zuidasdok getekend. In het Tracébesluit staat vermeld dat de tunnel voor wat betreft de toegankelijkheid voor vervoer van gevaarlijke stoffen wordt ingedeeld in categorie C. Voor categorie C is vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen niet toegestaan.

Dit betekent dat onder andere LPG niet mag worden vervoerd door de tunnel, met als gevolg dat het GR afneemt. Vervoer van benzine en diesel is wel toegestaan. 11.5.3 Effectmaatregelen Effectgerichte maatregelen zijn voornamelijk bouwkundig van aard. Deze maatregelen zijn gericht op het reduceren van het aantal gewonden als gevolg van brand of explosies. De aanleg van geluidschermen kan, afhankelijk van het soort, bijvoorbeeld de uitstroming van een plas brandbare vloeistoffen beperken. Een eventuele andere bouwkundige maatregel is dat geprojecteerde gebouwen op meer dan 30 meter van de weg worden geplaatst (buiten het invloedgebied van een plasbrand), gemeten vanaf de rand van de linker- of rechterrijstrook. In voorliggend bestemmingsplan zijn geen gebouwen binnen 30 meter van het PAG geprojecteerd. 11.5.4 Advies Regionale Brandweer Op 4 augustus 2021 heeft de Brandweer geadviseerd over het aspect externe veiligheid met betrekking tot het gebouw aan de Parnassusweg 220 op het naastgelegen perceel. De Brandweer heeft in haar advies aangegeven dat de Veiligheidsregio in het verleden al geadviseerd heeft over externe veiligheid op het bestemmingsplan Zuidas-Parnas. Dit advies (37/RoEv-2014) is nog steeds actueel en de Brandweer heeft geen aanvullende opmerkingen op voorliggend bestemmingsplan.

De Brandweer verwacht dat gezien de afstand tot de risicobron (transport gevaarlijke stoffen over de A-10 Zuid) de impact van een mogelijk ongeval met gevaarlijke stoffen op het plangebied gering zal zijn. 11.5.5 Overwegingen In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde van het GR overschreden. Als gevolg van dit bestemmingsplan blijft het Groepsrisico ongewijzigd. Een verdere verantwoording van het Groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. De ontwikkeling van kavels langs de A10, als onderdeel van Zuidas, is een belangrijke ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet maakt daarvan onderdeel uit. De ontwikkeling van Zuidas sluit aan bij de gedachte over een duurzame stad waarbij intensief en efficiënt gebruik wordt gemaakt van de schaarse ruimte.

94

11.6 Conclusie Het te ontwikkelen Parnascomplex en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A10 zuid leidt niet tot een berekenbare toename van het groepsrisico. In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico overschreden met een factor 20.3. Door realisatie van het plan wijzigt het groepsrisico niet. Omdat de oriëntatiewaarde overschreden wordt is een (beperkte) verantwoording wel vereist. Conclusie In aanloop tot deze planvorming heeft reeds overleg plaatsgevonden met de Regionale brandweer. De brandweer verwacht dat gezien de afstand tot de risicobron (transport gevaarlijke stoffen over de A-10 Zuid) de impact van een mogelijk ongeval met gevaarlijke stoffen op het plangebied gering zal zijn. Omdat de planontwikkeling niet leidt tot een verder toename van het groepsrisico wordt volstaan met deze beperkte verantwoording. Los hiervan zijn reeds bronmaatregelen en effectmaatregelen getroffen.

95

hoofdstuk 12 Hoogbouwaspecten 12.1 Bezonning In het kader van de nieuwe stedenbouwkundige opzet voor de C1, C2 en C3 kavels van het plangebied van Parnas is op basis van een voorbeeldverkaveling onderzoek gedaan naar de bezonningssituatie binnen en in de omgeving van het plangebied (Gemeente Amsterdam, Zuidas Parnas C1 - C2 - C3, d.d. 3 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Hierbij wordt opgemerkt dat er geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen zijn waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. Beoordeeld moet worden of de schaduweffecten die optreden niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Bij de beoordeling van de schaduweffecten van de geplande nieuwbouw is de situatie weergegeven op 21 maart, 21 juli (hoogste zonnestand) en 21 december (laagste zonnestand). Zuidas is een hoog stedelijk gebied. Door de verschillende bouwhoogtes die in het plan mogelijk worden gemaakt, is het voorkomen van schaduwwerking op gebouwen en terreinen onmogelijk. Uit het bezonningsonderzoek blijkt dat de schaduwwerking op de bestaande bebouwing in de omgeving door de nieuwbouw minimaal is.

Slechts op de weinige bebouwing ten oosten van het plangebied zal sprake zijn van een afname van de bezonning gedurende de namiddag in de maanden waarin de zon lager staat. Deze afname in bezonning is in dit gebied niet onacceptabel. Voor de bebouwing binnen het plangebied geldt dat deze relatief hoog is en veel bebouwing mogelijk maakt per kavel. De vormgeving van de bouwvlakken zorgen ervoor dat er ondanks de dichtheid van de bebouwing geen sprake is van een dusdanige schaduwwerking dat er sprake is van een onaanvaardbare situatie.

12.2 Windhinder Rondom hoge gebouwen kan windhinder optreden. Er kan sprake zijn van verhoogde windsnelheden die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam maken. Op grond van onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder zal optreden en zo ja, welke maatregelen kunnen worden getroffen om windhinder te voorkomen of te beperken. Ter voorkoming van windhinder kunnen maatregelen worden getroffen in de openbare ruimte of aan het gebouw zelf. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt bebouwing mogelijk gemaakt met een maximale bouwhoogte van 41,5 meter. Om die reden is het noodzakelijk om op plekken rondom de toekomstige bebouwing het windklimaat te beoordelen. Hiertoe is aan Peutz advies gevraagd omtrent windhinder aspecten. Dit advies is neergelegd in (Peutz, OO/MaV /OA 16394-2-NO-001, d.d. 6 februari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 16). Peutz heeft aanvullend onderzoek uitgevoerd (rapportnummer OO/LA/ /OA 16394-3-NO, 7 juni 2023, bijlage 17) om te beoordelen of de ontwikkeling van het gebouw negatieve windhinder veroorzaakt voor de omliggende gebouwen. De NEN-EN 1991-1-4 bevat berekeningsregels waarmee de invloed van hogere omliggende gebouwen op de windbelasting van een object kan worden bepaald.

Uit het onderzoek blijkt dat de bebouwing op kavel C2/C3 volgens de regels van de NEN-EN 1991-1-4 geen invloed heeft op afstanden groter dan 83 m (twee keer de hoogte van het gebouw) van de hoogbouw. Tot een afstand van 41,5 m van het gebouw geldt een referentiehoogte van 21 m. De invloed van de lagere bouwdelen is

96

verwaarloosbaar: de referentiehoogte van het bouwdeel van 27,5 m (13,75 m) is nauwelijks groter dan de hoogte van de omliggende bebouwing. Het enige pand waarvan verwacht wordt dat het negatieve effecten ondervindt van de geplande nieuwbouw en de verhoogde windbelasting, is het pand op Fred. Roeskestraat 71B. Hier verandert de maatgevende hoogte van ongeveer 9 m (bouwhoogte) naar 21 m. De referentiedruk stijgt van 0,65 kPa naar 0,91 kPa. Gezien de constructie van het pand worden er geen problemen verwacht voor de gevels. Voor het dak is dit echter niet direct duidelijk. Volgens de norm zal de windbelasting op de hoekzones van het gebouw toenemen van -1,8 kPa naar -2,5 kPa (rekening houdend met een Cpe van -2,5 en een Cpi van 0,2). Het wordt aanbevolen te onderzoeken of het dak bestand is tegen deze zuigkracht. Hiervoor is nader onderzoek uitgevoerd door Van Rossum, raadgevende ingenieurs (27 juli 2023). Uit dit nadere onderzoek blijkt dat de dakconstructie en de hierin opgenomen constructieve elementen de verhoogde zuigkracht als gevolg van de planontwikkeling kunnen opnemen. Wel wordt geadviseerd de aanwezige verbindingen te controleren op de uitvoeringswijze en huidige kwalitatieve staat. Ook is onderzocht of zonnepanelen nog geplaatst kunnen worden op het dak of dat dit belemmerd wordt als gevolg van de verhoogde zuigkracht.

Door Van Rossum is vastgesteld dat plaatsing van zonnepanelen mogelijk is en dat het maximum gewicht 23 kg/m2 kan bedragen. Conclusie Hieruit blijkt dat rond de planlocatie lage windhinderkansen te verwachten zijn. Hierdoor zal met het actuele planvolume rond de planlocatie, met uitzondering van de locatie ten noorden van de rechtbank, sprake zijn van een goed tot plaatselijk mogelijk matig windklimaat. Met behulp van de toekomstige terreininrichting kan het windklimaat verder worden verbeterd. Het effect van de mogelijke optopping van de monumentale rechtbank ten oosten van het Parnascomplex is naar verwachting overwegend positief, afhankelijk van het definitieve ontwerp. Uitvoerig onderzoek naar het windklimaat wordt voor dit stadium van de planontwikkeling niet noodzakelijk geacht. In een later stadium van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal het windklimaat nogmaals getoetst moet worden, met name om een goed windklimaat rond de windgevoelige functies te borgen. Hiervoor is een regeling van nadere eisen opgenomen.

12.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol 12.3.1 Regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) is gebaseerd op paragraaf 8.2.1 van de Wet luchtvaart (Wl). Met het Lib wordt met kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het Lib bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van het gebruik van gronden en de (hoogte van) bebouwing, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven. De genoemde beperkingen betreffen:

•

de bebouwing en het gebruik van gronden in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;

•

de bebouwing en het gebruik van gronden in verband met de geluidsbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;

•

de maximale bouwhoogte van objecten in, op of boven de grond in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer (veiligheid en radar);

•

bebouwing die, of een gebruik dat vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.

Bij de eerste twee van de bovengenoemde typen beperkingen zijn in ieder geval gronden aangewezen die niet gebruikt dan wel bebouwd mogen worden ten behoeve van woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen. Deze typen beperkingen komen niet voor in het Zuidasgebied.

97

In artikel 8.8, eerste lid, van de Wl is bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan het Lib in acht moet worden genomen. Met een bestemmingsplan kan van (de toetshoogten van) het Lib worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Milieu de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB). Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan in strijd zijn met de maatgevende toetshoogte in verband met de radar, is het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. 12.3.2 Uitwerking in bestemmingsplan Het voorliggende plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 (maatgevende toetshoogte) en 4a (maatgevende toetshoogte radar) bij het Lib. Hoogbouwkader Zuidas Op 5 november 2014 heeft de Gemeenteraad het Hoogbouwkader Zuidas vastgesteld. In het Lib is bepaald dat indien een object hoger is dan de maximale waarde (maatgevende toetshoogte), dit object is toegestaan indien het is opgenomen in het Hoogbouwkader Zuidas.

Dit geldt eveneens voor de maatgevende toetshoogte radar, onder voorwaarde dat zeker is gesteld dat de radar bij Soesterberg operationeel wordt voor de civiele luchtvaart, aan welke voorwaarde inmiddels is voldaan. Maatgevende toetshoogte Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het Lib zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het Lib geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In afwijking van de aangegeven waarden kan, op grond van artikel 2.2.2, vierde lid van het Lib, een object dat hoger is worden toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar (VVGB) als bedoeld in artikel 8.9 van de Wl.

Uitsnede toetshoogte, planlocatie rood omkaderd

98

De maatgevende toetshoogte voor dit perceel is 56 tot 58 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan is met een maximum bouwhoogte van 41,5 meter ruimschoots lager dan de maatgevende toetshoogte en voldoet dan ook aan het Lib. Maatgevende toetshoogte radar Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het Lib zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het Lib objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de ILT blijkt het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.

Uitsnede toetshoogte radar, planlocatie rood omkaderd

De maatgevende toetshoogte radar voor dit perceel is 46 tot 47 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan is met een maximum bouwhoogte van 41,5 meter ruimschoots lager dan de maatgevende toetshoogte radar en voldoet dan ook aan het Lib.

99

hoofdstuk 13 Natuur en landschap 13.1 Algemeen Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan. Naast de wettelijke regelingen voor gebieds- en soortenbescherming is het van belang te constateren dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur.

In de 'Structuurvisie Amsterdam 2040 - Economisch sterk en duurzaam' (17 februari 2011) is de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam vastgelegd. Deze blijft van kracht ook nu de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is vastgesteld (8 juli 2021), tot vervangend beleid is vastgesteld.

13.2 Toetsingskader Er is één wettelijke regeling van belang, te weten de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. Wanneer geen specifieke natuurbescherming in de Europese regelgeving is voorzien worden op rijksniveau regels vastgelegd, zodat een consistent, samenhangend en transparant stelsel van regels op het gebied van natuur ontstaat. Gebiedsbescherming In de Wnb zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000-gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000-gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings- en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000-gebied is gelegen.

Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC-criteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943857/1