CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Uitspraak Raad van State d.d. 10 februari 2021.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 21 september 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen derde herziening bestemmingsplan De Pijp 2018 (VN2022-021025)36.561 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

10

Gemeente Amsterdam

HOOFDSTUK 2 GEBIEDSANALYSE 2.1 Inleiding en samenvatting Doel van het dit hoofdstuk is om per buurt globaal te bepalen welke generieke maatregelen er kunnen gelden voor het grondwaterneutraal bouwen van kleine kelders (footprint < 300 m2 en maximaal 4 m bouwdiepte). Grondwaterneutraal bouwen betekent dat negatieve grondwatereffecten nu en in de toekomst zoveel mogelijk worden voorkomen. Op basis van de voorgeschreven maatregelen kunnen er op een eenduidige en goed onderbouwde wijze eisen worden gesteld die ondersteuning bieden voor bestemmingsplannen en af te geven vergunningen. Voor het onderzoek is op buurtniveau bepaald wat de belangrijkste eigenschappen (bodemopbouw, bouwwijze enz.) zijn en welke problemen er zijn op het gebied van grondwater. Op basis daarvan is afgeleid welke maatregel benodigd is per buurt. In sommige buurten is een maatregel op woonblokniveau afgeleid. Het doorlaatvermogen (kD) is een maat voor het vermogen van een watervoerend pakket om grondwater door te laten. Per buurt is onderzocht of het doorlaatvermogen dat verloren zou gaan bij de aanleg van een kelder, dient te worden teruggebracht naast of onder de kelder. Daardoor kan het grondwater blijven stromen en kunnen negatieve grondwatereffecten worden voorkomen.

Voor het bepalen van de generieke maatregelen is een keuze gemaakt uit de volgende opties: 1) Geen maatregelen benodigd voor het doorlaatvermogen (kelderbouw toegestaan zonder maatregelen voor het doorlaatvermogen) 2) Maatregelen benodigd om overlast of onderlast te voorkomen door een standstillkD1/doorlaatvermogen (kelderbouw toegestaan met extra maatregelen op eigen perceel, waardoor het oorspronkelijk aanwezige doorlaatvermogen wordt hersteld) 3) Maatregelen benodigd in verband met het voorkomen van overlast of onderlast, inclusief klimaatadaptiviteit, door middel van een vaste kD2/doorlaatvermogen (kelderbouw toegestaan met extra maatregelen op eigen perceel, waardoor een vooraf vastgesteld doorlaatvermogen per buurt/woonblok wordt gerealiseerd) 4) Aanvullende voorwaarden in de vorm van opbarstbeheersmaatregelen en/of maximale bouwdiepte in combinatie met 1,2 en 3 (kelderbouw toegestaan met extra maatregelen) 5) Geen kelderbouw toegestaan; door een te dunne restdikte van de deklaag 3(5a), te groot opbarstrisico4 (5b) of een combinatie (5c) van beide. 1 standstill-kD: het terugbrengen van hetzelfde doorlaatvermogen van de bodem dat voor de bouw van de kelder aanwezig was op de betreffende locatie. 2 vaste kD: het aanbrengen van een vooraf bepaald doorlaatvermogen op de betreffende locatie dat past bij de grondwatersituatie van die buurt.

Ook met het oog op de te verwerken toekomstige neerslaghoeveelheden. 3 deklaag: dit is de bovenste bodemlaag welke in de laatste ca. 10.000 jaar is ontstaan en bevat tevens de ophooglaag die door de mens is aangebracht voor bijvoorbeeld woningbouw. 4 opbarstrisico: het risico dat de bodem opbarst doordat er een te hoge waterdruk vanuit de onderste bodemlagen aanwezig is

11

Gemeente Amsterdam

De benodigde maatregelen per buurt zijn weergegeven in bovenstaande kaart en de bijbehorende lijst met buurten (kaart en lijst met buurten zijn toegevoegd als bijlage).1 Uit het onderzoek blijkt dat in de meeste delen van Amsterdam de bouw van een kelder met aanvullende maatregelen mogelijk is, waardoor deze grondwaterneutraal kan worden aangelegd. In delen van Amsterdam, met name buiten de ring A10 gelegen, zijn geen maatregelen nodig voor het doorlaatvermogen (optie 1/grijze gebieden) omdat daar ook na kelderbouw een goede ontwatering resteert en/of de grondwatereffecten van kelderbouw zeer beperkt zijn. In grote delen van Amsterdam, zowel binnen als buiten de ring A10, is als maatregel nodig het terugbrengen van een vast doorlaatvermogen (optie 3/blauwe gebieden). Deze gebieden kenmerken zich door een risico op overlast en/of een vrij groot grondwatereffect van kelderbouw vanwege gesloten bouwblokken. Op plekken met een complexe bodemopbouw en grondwaterstroming en –problematiek is het terugbrengen van hetzelfde doorlaatvermogen de beste maatregel (optie 2). Dit geldt rondom de parken, polderrioleringsgebieden of gebieden met een groot maaiveldverschil zoals de aanwezigheid van waterkeringen. Deze gebieden worden ook wel grondwateraandachtsgebieden genoemd. In een aantal buurten zijn aanvullende maatregelen nodig.

Dit is een beperkte bouwdiepte of het treffen van opbarstbeheersmaatregelen als de opbarstrisico’s beheersbaar zijn. Alleen in de diepere en deels middeldiepe polders is een kelderverbod nodig. Dit geldt in het grootste deel van Zuidoost, de Watergraafsmeer en landelijk Noord (Waterland) en in delen van Nieuw-West en Noord. De deklaag is daar zo gering en/of het opbarstrisico zo groot, dat het veilig

1 Voor informatie op perceelsniveau zie: Wijken en buurten van Amsterdam, gemeente Amsterdam, online beschikbaar

via https://data.amsterdam.nl/data/?modus=kaart&lagen=sd%3A1%7Cbc%3A1%7Cbuurt%3A1&legen da=true&zoom=9. Dit zijn de officiële namen van de 99 wijken en 481 buurten in Amsterdam. De buurten verschijnen door de kaartlaag “gebiedsindeling” aan te vinken. Een bewoner kan weten in welke wijk/buurt hij of zij woont, door het adres in te voeren in de zoekbalk en te klikken op de adressuggesties die daaronder verschijnen. Er verschijnt een venster met meer informatie over dat adres; via de knop “volledig weergeven” verschijnen wijk en buurt.

12

Gemeente Amsterdam

bouwen van een kelder niet mogelijk is. Door dit verbod worden permanente negatieve effecten zoals welvorming voorkomen. 2.2 Afbakening Het afwegingskader beperkt zich tot kelders met een maximale footprint van 300 m2 en een diepte (onderkant constructie) van maximaal 4 m onder het maaiveld aan straatzijde. De achtergrond van deze afbakening is hierboven uiteengezet op pag. 9. 2.3 Grondwater en kelderbouw in Amsterdam Om iets te kunnen zeggen over de effecten van kelders in een bepaald gebied, is het belangrijk om te weten hoe het (grond)watersysteem in Amsterdam werkt. Belangrijke factoren bij de werking van het (grond)watersysteem zijn de bodemopbouw en de inrichting van het watersysteem. Bij de bodemopbouw gaat het over de diepere ondergrond en de bovengrond. Bij het watersysteem gaat het over de grachten en singels (oppervlaktewater) en het water in de bodem (grondwater). In de volgende paragraaf is specifiek de problematiek beschreven rondom kelderbouw in Amsterdam in relatie met de bodem en het grondwater en de effecten van de bouw van een kelder op deze systemen zoals barrièrewerking.

13

Gemeente Amsterdam

2.3.1 Problematiek kelderbouw Bodemopbouw en de kelder De globale indeling van de bodem onder Amsterdam staat hiernaast weergegeven. Deze bestaat van boven naar onder grofweg uit een variabele ophooglaag die kan bestaan uit zand, klei en puin. Deze ophooglaag kan in dikte variëren van 1 tot 5 m. Daaronder ligt een veen/kleilaag. Deze laag laat maar een geringe hoeveelheid water door, en is enkele meters dik. Op circa 12 meter diepte zit de eerste zandlaag. Dit is de zandlaag waar huizen met een paalfundering meestal op rusten. Heipalen zijn in Amsterdam dus circa 10-15 meter lang. De meeste kleine kelders worden aangelegd in de eerste vier meter beneden het maaiveld. In de meeste gevallen doorsnijden de kelders inclusief de damwanden de ophooglaag en de klei- en veenlagen. Dit is schematisch te zien in figuur 1.

ophooglaag

damwanden

kelderbak

Figuur 1 Globale bodemopbouw Amsterdam inclusief kelder (schematisch, niet op schaal)

14

Gemeente Amsterdam

Ophooglaag/freatisch vlak De hierboven genoemde ophooglaag is een belangrijke bodemlaag in Amsterdam. Dit is een laag grond die opgebracht is om het gebied bouwrijp te maken. Hierop zijn de straten en huizen aangelegd en hierin zijn de grachten en singels gegraven. De ophooglaag was nodig omdat de originele bodem uit slap veen en klei bestond. In Amsterdam vind je de relatief laag gelegen en slecht draagkrachtige grond nog terug in de verschillende stadsparken zoals het Vondelpark, Sarphatipark en het Oosterpark. De dikte en de samenstelling van het ophoogmateriaal is per locatie verschillend. Dit is afhankelijk van welk materiaal er bij het bouwrijp maken aanwezig was. Idealiter bestond het ophoogmateriaal uit zand, dat goed doorlatend is voor het grondwater, maar er kan ook sprake zijn van een mengsel van verschillende materialen. Ook de dikte loopt flink uiteen. In Amsterdam komen plaatsen voor waar de dikte van de ophooglaag kleiner is dan 1 meter en incidenteel groter dan 5 meter. Onder de ophooglaag bevinden zich slecht waterdoorlatende lagen van klei en veen. Dit betekent dat de ophooglaag dé watervoerende laag is die in contact staat met de atmosfeer (figuur 2). In deze bodemlaag bevindt zich het freatisch vlak, ook wel de grondwaterspiegel genoemd.

Hier daalt en stijgt de grondwaterstand voornamelijk door verdamping en neerslag of het aan- en afvoeren van water uit de grachten of diepere grondlagen.

Figuur 2: schematische weergave van enkele grondwaterbegrippen (bron Waternet) Barrièrewerking Wanneer een ondergrondse constructie zoals een kelder wordt gerealiseerd tot onder de grondwaterspiegel heeft dit een effect op de grondwaterstanden in de directe omgeving. Vooral wanneer de nieuwe constructie de watervoerende ophooglaag geheel afsluit. Hierdoor kan grondwateroverlast en/of grondwateronderlast worden veroorzaakt. Barrièrewerking is dan een feit. Dit is te zien in figuur 3 waarbij de zwarte pijlen de stijging en daling van de grondwaterstand als gevolg van de kelder weergeven. Figuur 3: schematische weergave van barrièrewerking (bron Fugro) De mate van barrièrewerking hang vooral af van: - de natuurlijke (grond)waterstanden en het verhang; bij een groot verhang zal de barrièrewerking ook groter zijn dan wanneer er nauwelijks natuurlijke stroming aanwezig is; - de bodemopbouw; wanneer zandlagen worden afgesloten zal de barrièrewerking groter zijn dan wanneer water onder de kelder door kan blijven stromen;

15

Gemeente Amsterdam

- het formaat en de ligging van de kelder; een groter obstakel resulteert in een grotere barrièrewerking en een langwerpig obstakel haaks op de stromingsrichting vormt een grotere barrière dan wanneer deze evenwijdig aan de grondwaterstroming wordt gerealiseerd. - overige obstakels zoals bijvoorbeeld bestaande kelders, tunnels of achtergebleven grondkeringen bepalen mede het toegevoegde effect van een nieuwe barrière (het zgn. cumulatieve effect). Belangrijk om daarbij op te merken is dat in de meeste gevallen van kelderbouw de damwanden in de bodem achterblijven. Deze damwanden zijn nodig om een stabiele en droge bouwkuip te creëren. De aanleg van een kelder wordt vaak gecombineerd met funderingsherstel, waarbij het bestaande pand gebruik gaat maken van de nieuwe fundering onder de kelder. Na de bouw zijn de damwanden strikt genomen niet meer nodig, maar trekken is niet of nauwelijks uitvoerbaar en levert omgevingsricio’s op zoals trillingen. Gevolgen De gevolgen van de barrièrewerking van één enkele kleinere kelder zijn meestal gering. De grondwater-standsverlaging en -verhoging leiden niet tot problemen, omdat rondom de kelders genoeg ruimte ofwel doorlatend zand van de ophooglaag aanwezig is onder de buurpanden en de openbare ruimte. Echter de aanleg van meerdere kelders leidt tot cumulatieve grondwatereffecten die negatief kunnen zijn.

Hoe meer kelderbouw plaatsvindt, hoe minder ruimte in de ondergrond overblijft om het grondwater vrij te laten stromen. De eigenaren van een pand of perceel zijn zelf wettelijk verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen grondwaterproblemen op hun eigen terrein. Dit betekent niet dat het probleem verplaatst mag worden naar de naastgelegen percelen. Bouwt men een kelder dan is het aan de eigenaar van het perceel om nu al rekening te houden met de toekomstige situatie. Door middel van dit afwegingskader kan de verplichting opgelegd worden de kelder grondwaterneutraal aan te brengen. De gekozen praktische invulling hiervan is verder uitgewerkt in het maatregelenspoor van het Afwegingskader. 2.4 Analyse en afwegingsmethode Amsterdam is verdeeld in zeven gebieden die van elkaar verschillen wat betreft de grondwater-/ bodemsituatie en de bouwperiode: zie Figuur 4 en Tabel 1. Voor elk gebied is een sessie gehouden met grondwaterdeskundigen waarin buurt voor buurt de benodigde maatregelen zijn bepaald.

16

Gemeente Amsterdam

Figuur 4 Overzicht gebieden Tabel 1: karakterisering gebieden Nr 1 2

Gebied Nieuw West, Zuidas, Buitenveldert Centrum en Zeeburgereiland

3

Eind 19e-eeuwse schil

4

Ring 1920-1940

5

Watergraafsmeer en Zuidoost

6

IJburg, Haven-Stad en Overamstel Noord

7

Karakterisering Middeldiepe polders, naoorlogse bouw, deels gebiedsontwikkelingen. Centrum: oudste deel van Amsterdam, gefragmenteerde ophoging, houten funderingen, gesloten bouwblokken. Zeeburgereiland: oud baggerdepot, gebiedsontwikkeling. Meest integraal opgehoogd, houten funderingen, gesloten bouwblokken. Integraal opgehoogd, houten funderingen, gesloten bouwblokken. Diepe polders, kwel, opbarstrisico, Zuidoost dunne deklaag, deels gesloten bouwblokken. Gebiedsontwikkelingen. Zeer divers: deels houten funderingen, deels gebiedsontwikkelingen, deels diepe polders.

Voor elke buurt is in een integrale afweging de benodigde maatregel vastgesteld. De richtlijnen voor de afweging zijn als volgt: - Het onderzochte detailniveau is de buurt. - In een buurt gelden bij voorkeur dezelfde grondwatermaatregelen. Het doel is een maatregel die negatieve grondwatereffecten door kelderbouw in die buurt voorkomt. Een klein aantal buurten moet echter in twee delen worden gesplitst: bijvoorbeeld vanwege een grondwateraandachtsgebied en het gebied erbuiten. In dat geval wordt de maatregel liefst gespecificeerd per bouwblok. Slechts in een enkel geval is een bouwblok gesplitst.

17

Gemeente Amsterdam

-

-

-

-

-

-

-

18

Ondanks deze aanpak kunnen er altijd lokale afwijkingen zijn: bijvoorbeeld een buurt waar betonnen funderingen zijn maar waar zich enkele woningen met een houten fundering bevinden. De kelderbouw dient grondwaterneutraal te gebeuren. Dit betekent dat de grondwaterstand niet of nauwelijks verandert, waar mogelijk verbetert en/of dat er geen negatieve grondwatereffecten optreden. De overlast- en onderlastkaarten zijn zwaar meegewogen. Deze kaarten zijn gebaseerd op de metingen van de grondwaterstand per buurt. Hoe kleiner de ontwatering, des te groter het risico op overlast. Een grondwaterstijging als gevolg van kelderbouw is dan ongewenst. De grondwaterstand is ook gecombineerd met historische archiefgegevens van de funderingen; vervolgens is op kaart gezet of de buurt een gering, matig of hoog risico op onderlast heeft. Bij een matig of hoog risico op onderlast is grondwaterdaling als gevolg van kelderbouw ongewenst. De mate van overlast of onderlast mag door de kelderbouw niet toenemen en kan mogelijk verbeterd worden. Het toekomstige klimaat (2050 klimaatscenario WH) is als uitgangspunt aangehouden. De levensduur van een kelder en de geleidelijke toename van kelderbouw betekenen dat zoveel als mogelijk voorgesorteerd moet worden op een toekomstige situatie met een veilig klimaatscenario.

De effecten van kelderbouw per buurt zijn niet berekend, maar ingeschat aan de hand van de aanwezigheid van open/gesloten bouwblokken, het doorlaatvermogen (kD) van de bodem en modelberekeningen. Het uitgangspunt is dat een onderkeldering van 50% tot uiteindelijk 100% van de woningen kan optreden. Klimaatadaptiviteit en hemelwaterbestendigheid (Rainproof) zijn als noodzakelijk beschouwd. Een toekomstige toename van de neerslag en grondwaterstijging leidt tot de noodzaak om overtollig hemelwater te infiltreren in de bodem. Hiervoor is een ontwatering van meer dan 90 cm gewenst. Het is niet wenselijk door kelderbouw een deel van de beschikbare ruimte voor klimaatadaptiviteit op te souperen, tenzij er altijd minimaal 90 cm ontwatering resteert. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk als in een buurt de toekomstige ontwatering groter dan 100 cm is. Maatregelen worden alleen genomen waar dat noodzakelijk is om overlast of onderlast te voorkomen. Als de ontwatering boven de 90 cm blijft en/of de onderlast niet toeneemt en/of de effecten van kelderbouw verwaarloosbaar klein zijn, is het niet gewenst om maatregelen op te leggen. De baten wegen dan niet op tegen de extra kosten voor de initiatiefnemer. De risico’s in de bouwfase dienen beheerst te worden. Dat betreft de opbarstrisico’s en de risico’s op permanente welvorming.

Als in de uitvoering iets mis gaat, heeft dat sterk negatieve gevolgen voor de eindsituatie van het grondwater en oppervlaktewater. Welvorming betekent een continue vergrote kwelstroming. Dit kan leiden tot grondwateroverlast, een extra belasting van het oppervlaktewater waardoor het gemaal meer water te verwerken krijgt, of een te hoog zoutgehalte in het oppervlaktewater en grondwater met nadelig effect op de waterkwaliteit. In een inzijgingssituatie kan het eerste watervoerend pakket verontreinigd worden door verontreinigingen in het freatisch grondwater. Dit zijn alle permanente effecten en zeer onwenselijk. Voor het opbarstrisico is de veiligheid tegen opbarsten per buurt aangegeven bij een ontgraving tot 4 m onder het maaiveld aan straatzijde. Hoe kleiner de veiligheid, des te groter het opbarstrisico. De opbarstrisico’s zijn in het algemeen groter in de diepere polders. Waar opbarstrisico’s groot zijn, dient de bouwer opbarstbeheersmaatregelen te treffen om opbarsten te voorkomen. In veel van die buurten is een kelder aanleggen onder een bestaande woning of pand in veel gevallen niet uitvoerbaar. De conclusie is dat in

Gemeente Amsterdam

-

-

-

-

19

buurten met een veiligheid tegen opbarsten van minder dan 1,0 geen kelders zijn toegestaan, terwijl in buurten waar deze veiligheid tussen 1,0 en 1,1 ligt nog opbarstbeheersmaatregelen mogelijk zijn. De opbarstberekening wordt gedaan met een standaard berekeningsmethode. Uit de berekening volgt de veiligheidsfactor (φ). Op de kaart is de veiligheidsfactor tegen opbarsten per buurt aangegeven bij een ontgraving tot 4 m onder het maaiveld aan straatzijde. Hoe kleiner de veiligheidsfactor, des te groter het opbarstrisico. Een veiligheidsfactor van 1,1 of kleiner betekent een groot opbarstrisico, terwijl bij een veiligheid kleiner dan 1,0 opbarsten vrijwel zeker is. Opbarstbeheersmaatregelen komen bovenop de eventueel benodigde maatregelen voor het doorlaatvermogen. Hoewel half verdiepte kelders een kleiner opbarstrisico hebben, is hier uitgegaan van de opbarstrisico’s bij het meest te verwachten keldertype: tot maximaal 4 m onder het maaiveld aan straatzijde. Voor het risico op permanente welvorming en kortsluiting tussen het freatisch grondwater en het eerste watervoerend pakket is de dikte deklaag kaart gebruikt. Op een aantal plekken in Amsterdam is de deklaag vrij dun. Wanneer een kelder gebouwd wordt, wordt een deel van de deklaag ontgraven.

Resteert een te dunne deklaag of verdwijnt deze, dan ontstaat er een (vrijwel) open verbinding tussen het diepe grondwater (eerste watervoerende laag) en het ondiepe grondwater (freatisch). Uitgangspunt is dat er na de bouw van de kelder altijd een deklaag van minimaal 1,5 m dikte moet resteren. Zou er minder resteren, dan is er een te hoog risico op welvorming tijdens en na de aanleg of kan er tijdens de toekomstige sloop van de kelder alsnog een wel ontstaan of kan in een inzijgingssituatie het eerste watervoerend pakket verontreinigd worden. In de 1,5 m is rekening gehouden met variaties in de bodemopbouw en uitvoeringsrisico’s. Ook is het deel van de buurt met het dunste holoceen van toepassing verklaard op de hele buurt(deel). Uitgangspunt is dat er een kelder van 4 m diepte wordt aangelegd. Waar de deklaag dikker dan 5,5 m is, resteert dan de vereiste 1,5 m deklaag en kan de kelder gebouwd worden. Is de deklaag tussen 5,0 en 5,5 m, dan wordt als maatregel een bouwdieptebeperking ingesteld tot 3,5 m, waarbij de onderkant vloer niet dieper dan 3,5 m onder het maaiveld aan straatzijde ligt; bij die maatregel resteert er 1,5 m deklaag. De dieptebeperking is een extra maatregel bovenop eventuele maatregelen voor het doorlaatvermogen. Is de deklaag dunner dan 5,0 m, dan zijn kelders niet toegestaan.

Het probleem van een dunne deklaag valt vaak samen met een groot opbarstrisico; waarbij één van beide er al voor kan zorgen dat kelders niet zijn toegestaan. In gebieden die nu open of groen zijn en dat blijven in de Structuurvisie Amsterdam 2040, is er weinig en verspreide bebouwing. De grondwatereffecten van onderkeldering zijn verwaarloosbaar klein en maatregelen voor het doorlaatvermogen zijn niet nodig. In grondwateraandachtsgebieden is de grondwatersituatie zeer complex of stroomt het grondwater anders of sneller dan in de omgeving. Aan deze gebieden is speciale aandacht besteed. In grondwateraandachtsgebieden is er een nabijheid van stadsparken, particuliere polderriolen, openbare polderriolen/drainages of waterkeringen (dijkwoningen). In veel gevallen is de standstill-kD de meest verstandige maatregel, waarbij lokaal boringen worden gezet en het huidige doorlaatvermogen (kD) wordt teruggebracht onder/langs de kelder. In sommige gevallen is een verbetering ten opzichte van de overlast of onderlast mogelijk. Gebiedsontwikkeling biedt kansen om de grondwaterproblematiek te verminderen of op te lossen, bijvoorbeeld door de ophoging van gebieden. Specifieke adviezen voor buurten worden zwaar meegewogen. In sommige gebieden worden alleen grote gebouwen ontwikkeld. In sommige gevallen worden kleine kelders zo zeldzaam geacht dat geen maatregelen nodig zijn.

Gemeente Amsterdam

2.5 Opties voor benodigde maatregelen en voorwaarden De bovenstaande aanpak leidt tot de volgende opties voor benodigde maatregelen. Tabel 2: opties voor maatregelen Optie Omschrijving 1 Geen maatregelen benodigd voor het doorlaatvermogen 2 Maatregelen t.b.v. voorkomen overlast of onderlast 3 Maatregelen t.b.v. voorkomen overlast/onderlast + klimaatadaptiviteit 4

Aanvullende voorwaarden

5a 5b 5c

Geen kelders toegestaan

Voldoen aan

Door

standstill-kD (doorlaatvermogen)

Maatregelen op eigen perceel op basis van lokaal geohydrologisch onderzoek inclusief boringen Maatregelen op eigen perceel

vaste kD (doorlaatvermogen)

voorwaarden

Opvolgen voorwaarden; opbarstbeheersmaatregelen*, maximale bouwdiepte**

Vanwege: (5a) deklaag; (5b) opbarsten; (5c) deklaag en opbarsten

* Dit is een procedurele voorwaarde die de bouwer verplicht om een plan in te dienen bij de aanvraag omgevingsvergunning. Het plan moet een berekening bevatten van de opbarstrisico’s ter plekke. Hieruit moet blijken welke beheersmaatregelen men treft om opbarsten te voorkomen, inclusief het afdichten van gemaakte putten/gaten. **onderkant keldervloer ten opzichte van het maaiveld aan straatzijde of ten opzichte van NAP De maatregelen kunnen als volgt worden toegelicht. Voor elke buurt wordt een keuze gemaakt uit maatregel 1, 2, 3 of 5 en indien noodzakelijk worden ze aangevuld met maatregel 4 (aanvullende voorwaarden). De keuze voor maatregel 1 is van toepassing op gebieden waar er geohydrologisch geen noemenswaardige effecten zijn, de grondwatersituatie toekomstbestendig is en/of het gebied onbebouwd blijft. Maatregel 2 zal worden toegepast in buurten of gebieden waar de grondwaterstroming en – problematiek complex is. Deze zijn meestal aangeduid als grondwateraandachtsgebieden. Er is vaak slechts een kleine bandbreedte tussen de laagste en hoogste grondwaterstanden waarbij onderlast en overlast ontstaat. Kleine veranderingen van de grondwaterstand zijn daarom al ongewenst. Hier zijn specifieke aandachtspunten van toepassing en geldt een standstill-kD. Hierbij moet de initiatiefnemer op zijn kavel een geohydrologisch onderzoek inclusief boringen uitvoeren.

Op basis van dit onderzoek moet de standstill-kD worden vastgesteld. Om verdere problemen met onderlast of overlast te voorkomen dient men het doorlaatvermogen terug te brengen dat voor de bouw van de kelder aanwezig was. De grondwatersituatie blijft dan gelijk.

20

Gemeente Amsterdam

Maatregel 3 bestaat uit het terugbrengen van een vast doorlaatvermogen. Deze vaste kD brengt men aan door bijvoorbeeld een zand- of grondlaag of buis met een bepaalde doorlaatbaarheid aan te brengen. Deze waarde van het doorlaatvermogen varieert per buurt en is zodanig gekozen dat hij past bij de geohydrologische omstandigheden van die buurt. Ook met het oog op de te verwerken toekomstige neerslaghoeveelheden. De aanvullende voorwaarden van maatregel 4, die gelden in combinatie met de maatregelen 1, 2 of 3, zijn gekozen om kelderbouw in die buurten onder voorwaarden toe te staan. De aanvullende voorwaarden zijn opbarstbeheersmaatregelen of een bouwdieptebeperking. In een aantal buurten geldt maatregel 5 (a, b of c). Hier is geen kelderbouw toegestaan. Bij optie 5a is er van de deklaag (zie figuur 1), na de bouw van de kelder, te weinig dikte over. Hierdoor kan er tijdens en na de bouw van de kelder kortsluiting of welvorming ontstaan tussen het freatisch grondwater en de eerste watervoerende laag. Optie 5b heeft betrekking op het risico van opbarsten van de bouwkuip tijdens het aanbrengen van een kelder. In deze gevallen is het niet realistisch en veilig om een kelder aan te brengen. Bij 5c is er sprake van een combinatie van 5a en 5b. 2.6 Resultaten In bijlage 1 is een lijst opgenomen met alle buurten van Amsterdam en de benodigde maatregelen.

Bijlage 2 toont de maatregelen per buurt op kaart. De lijst en kaart bevatten de eisen die gesteld zullen moeten worden aan kelderbouw om deze grondwaterneutraal te maken. 2.6.1 Resultaten per gebied De resultaten zijn hieronder kort samengevat per gebied. De opsomming is niet compleet per buurt: voor een totaaloverzicht zie bijlage 1. Voor alle groene en open (park en landelijke) gebieden zijn geen maatregelen benodigd voor het doorlaatvermogen (maatregel 1). De bebouwing is dermate weinig en verspreid, dat grondwatereffecten verwaarloosbaar klein zijn. In diepe polders kan echter nog steeds de voorwaarde gelden om opbarst-/welvormingmaatregelen of een bouwdieptebeperking te realiseren.

21

Gemeente Amsterdam

2.6.2 Nieuw West, Zuidas, Buitenveldert De Zuidas bevindt zich grotendeels in de Binnendijkse Buitenveldersche Polder (BB-polder) met waterpeil van NAP -2,0 m. Echter ten noorden hiervan bevindt zich het oppervlaktewater van het Zuider Amstelkanaal met een waterpeil van NAP -0,4 m. Hierdoor ontstaat een grondwaterverhang van hoog naar laag. Er is een grondwatermodel beschikbaar van het gebied. Er is enig risico op overlast. Kelders kunnen het risico op overlast vergroten. Het opbarstrisico is overigens klein. De gebieden zijn grotendeels op beton gefundeerd maar in de Irenebuurt zijn houten funderingen. Overwegend maatregel 3 is van toepassing: een vast doorlaatvermogen (kD) van 10 m2/dag. In enkele buurten is maatregel 2 (standstill-kD) van toepassing vanwege het grote grondwaterverhang. Buitenveldert bevindt zich meer centraal in de BB-polder met waterpeil van NAP -2,0 m waardoor een grondwaterverhang minder van toepassing is. Het opbarstrisico is klein. De wijk heeft betonnen funderingen. De mate van overlast is vrij klein. In de meeste buurten is enige mate van overlast, nu of in de toekomst, en is een vast doorlaatvermogen (kD) van 10 m2/dag nodig (maatregel 3). In de De Klenckebuurt wordt verwacht dat de ontwatering ook in de toekomst meer dan 90 cm blijft: daar zijn geen maatregelen noodzakelijk (maatregel 1).

Nieuw-West valt grotendeels in de Sloterbinnen- en Middelveldse Polder en Riekerpolder. Deze hebben een waterpeil van respectievelijk NAP -2,10 m en NAP -1,90 m. Opbarsten is in deze polders een beperkt risico, maar er is een aantal buurten waar opbarstbeheersmaatregelen nodig zijn (maatregel 4) en twee buurten (Belgiëplein e.o. en Nieuw Sloten Zuidoost) waar het opbarstrisico dermate groot is dat kelders niet zijn toegestaan (maatregel 5). De meeste bebouwing is op beton gefundeerd zodat onderlast nauwelijks een risico is. Overlast speelt in een aantal wijken. De ophooglaag heeft een redelijk groot doorlaatvermogen. De open bouwblokken beperken het grondwatereffect maar een ontwatering minder dan 90 cm is ongewenst. Voor een groot deel van de buurten is een vast doorlaatvermogen (kD) van 10 m2/dag nodig (maatregel 3). Waar de ontwatering groter dan 90 cm blijft zijn geen maatregelen nodig. Voor enkele buurten vooral aan de randen van de polders is vanwege het grondwaterverhang de standstill-kD (maatregel 2) van toepassing. In de diepere polders (Middelveldse Akerpolder, Osdorperbinnenpolder, Polder Lutkemeer) geldt een kelderverbod als gevolg van te grote opbarstrisico’s. 2.6.3 Centrum en Zeeburgereiland Centrum: het oppervlaktewaterpeil in het gebied is overal NAP -0,40 m (Stadsboezem en Noordzeekanaalboezem). Het opbarstrisico is klein.

Het Centrum is grotendeels voor 1700 opgehoogd met een variabele ophooglaag waardoor ook het doorlaatvermogen slechts matig doorlatend is. De funderingen zijn van hout. Er is zowel risico op overlast als onderlast. De bouwblokken zijn gesloten waardoor onderkeldering vrij grote grondwatereffecten kan hebben en de binnentuinen afgesloten worden van het grondwatersysteem in de straten. Er is dus een maatregel nodig. In de meeste buurten geldt een vaste kD van 5 m2/dag (maatregel 3). In grondwateraandachtsgebieden, vooral oude dijken, geldt overwegend een standstill-kD (maatregel 2). De grondwaterstroming mag hier niet veranderen. Het Zeeburgereiland is een voormalig baggerdepot met daarop een matig doorlatende ophooglaag. In het kader van gebiedsontwikkeling zijn of worden de gebieden vanaf 2008 opgehoogd. Er is in de gebiedsontwikkeling overlast geweest. Grondwaterstijgingen door kelders zijn daarom ongewenst. De benodigde maatregel is daarom afhankelijk van de buurt een vaste kD van 10 m2/dag (maatregel 3) of een standstill-kD (maatregel 2).

22

Gemeente Amsterdam

2.6.4 Eind 19e-eeuwse schil Dit gebied ligt als een schil rondom het Centrum en de bouwperiode loopt van circa 1870 tot circa 1920. De gebieden zijn veelal integraal bouwrijp gemaakt en opgehoogd. Het betreft vaak gesloten bouwblokken waarvan de woningen op houten palen zijn gefundeerd. Het hele gebied ligt in het watersysteem Boezem Amsterdam of Amstellandse Boezem met een waterpeil van NAP -0,40 m, met enkele stadsparken waarin een lager waterpeil wordt gehanteerd. Opbarstrisico’s spelen alleen in het Vondelpark West, zodat daar geen kelders zijn toegestaan. Als grondwateraandachtsgebieden zijn aangemerkt: de zones rond de parken waar een sterk verhang van het grondwater heerst, de zones rond polderriolen en een aantal oude dijken. Er is veel overlast en onderlast. Kelderbouw kan zowel leiden tot vergroting van de overlast als de onderlast. Er is dus een maatregel nodig. Overwegend is gekozen voor een vaste kD van 5, 10, 15 of 20 m2/dag (maatregel 3). In een aantal buurten, vooral in de grondwateraandachtsgebieden, is maatregel 2 standstill-kD van toepassing. In slechts enkele buurten gelden opbarstbeheersmaatregelen (maatregel 4). 2.6.5 Ring 1920-1940 Het gebied vormt een (halve) ring rondom de eind 19e-eeuwse schil. De bouwperiode loopt van circa 1920 tot circa 1940. De gebieden zijn integraal bouwrijp gemaakt per buurt en opgehoogd met een vrij dikke zandlaag.

De opbarstrisico’s zijn klein. De doorlatendheid van het ophoogzand is meestal hoger dan in eerdere periodes. Er zijn vooral gesloten bouwblokken en de woningen zijn op houten palen gefundeerd. Het hele gebied ligt in het watersysteem Boezem Amsterdam of Amstellandse Boezem met een waterpeil van NAP -0,40 m, met enkele stadsparken of aanliggende gebieden waarin een lager waterpeil wordt gehanteerd. Ook zijn er enkele polderriolen. Er is zowel overlast als onderlast, beide zijn matig hoog. Wat betreft onderlast, is er een grote afstand tussen de watergangen, waardoor het grondwater in droge perioden niet goed aangevuld kan worden vanuit oppervlaktewater. Wat overlast betreft is er een groot aantal buurten met een ontwatering tussen de 5o cm en 90 cm. Door de gesloten bouwblokken kunnen de grondwatereffecten van kelderbouw vrij groot zijn en de overlast en/of onderlast doen toenemen. Er zijn dus maatregelen nodig. In de meeste buurten is een vaste kD van 10, 15 of 20 m2/dag nodig (maatregel 3). In een aantal buurten, vooral in de grondwateraandachtsgebieden, is maatregel 2 standstill-kD van toepassing. 2.6.6 Watergraafsmeer en Zuidoost Watergraafsmeer en het grootste deel van Zuidoost liggen in diepe polders: de Watergraafsmeerpolder heeft een waterpeil van NAP -5,5 m, Bijlmermeer NAP -4,2 m en de Nieuwe Bullewijk NAP -4,7 m.

Een deel van Zuidoost ligt in middeldiepe polders: Zuid Bijlmer heeft een waterpeil van NAP -2,7 m, Venserpolder NAP -2,5 m en Driemond ligt in de Gemeenschapspolder met waterpeil NAP -2,15 m. In de Watergraafsmeer en Zuidoost is een hoog opbarstrisico. Bovendien is in delen van Zuidoost de deklaag te dun. Opbarsten en/of een te dunne deklaag kunnen leiden tot permanente welvorming. Om dit te voorkomen zijn kelders niet toegestaan in het grootste deel van Zuidoost en de Watergraafsmeer. De te dunne deklaag is aanwezig in grote delen van Zuidoost. Bij kelderaanleg zou er minder dan 1,5 m dikte overblijven. Om deze reden is kelderbouw niet toegestaan (maatregel 5a). In grote delen speelt ook het te hoge opbarstrisico (maatregel 5c) en ook hier zijn kelders niet toegestaan.

23

Gemeente Amsterdam

Het opbarstrisico is laag in enkele hoger gelegen buurten: dit gaat om Venserpolder Oost en -West in Zuidoost en de Van der Kunbuurt en De Omval in Watergraafsmeer. De deklaag is hier voldoende dik en er zijn geen opbarstbeheersmaatregelen nodig. In een aantal buurten is het opbarstrisico beheersbaar en de deklaag voldoende dik. Hier gelden opbarstbeheersmaatregelen: dit gaat om Amsterdamse Poort en Hoptille in Zuidoost en om De Eenhoorn, Julianapark, Science Park Noord en -Zuid in de Watergraafsmeer. De aannemer moet een plan indienen welke opbarstrisico’s er zijn en welke maatregelen hij treft om opbarsten te voorkomen. In het oostdeel van Amsterdamse Poort geldt tevens een dieptebeperking tot 3,5 m. Dit betekent dat de onderkant van de vloer maximaal 3,5 onder het maaiveld aan de straatzijde mag worden aangelegd. Over het doorlaatvermogen en het grondwatersituatie kan het volgende worden vermeld. Een aantal buurten van de Watergraafsmeer is integraal bouwrijp gemaakt en opgehoogd met een redelijk dikke zandlaag, andere buurten zijn gedeeltelijk opgehoogd. In de jaren 1920-1930 wijken zijn er vooral gesloten bouwblokken en houten funderingen, in de andere wijken zijn de blokken meer open met betonnen funderingen.

Watergraafsmeer heeft een waterpeil van NAP -5,5 m maar de buurten aan de rand van de polder staan onder invloed van het hoger gelegen peil in de ringvaart/Amstel/Weespertrekvaart van NAP -0,40 m. Daardoor en door de kwelsituatie heeft men moeite het grondwater voldoende laag te houden en is er een grote grondwaterstroming. Met polderriolen en drainages wordt het grondwater laag gehouden; ondanks dat is de ontwatering op veel plekken toch slechts matig (5090 cm). Onderkeldering kan grote cumulatieve grondwatereffecten hebben waardoor de overlast toeneemt. Voor zover kelderbouw is toegestaan vanuit opbarstrisico’s en deklaag, is een maatregel nodig voor het doorlaatvermogen. In enkele wijken is er sprake van onderlastproblematiek met droogvallende houten funderingspalen. De benodigde maatregel voor het doorlaatvermogen is alleen relevant voor de buurten waar kelderbouw is toegestaan. Voor de buurten De Omval en Van der Kunbuurt is een vaste kD de benodigde maatregel (maatregel 3). Voor de buurten De Eenhoorn en Julianapark meer aan de rand van de polder is de grondwaterstroming groter en is een standstill-kD (maatregel 2) van toepassing. In Science Park Noord en –Zuid zijn vooral grootschalige ontwikkelingen met kelders groter dan 300 m2 (buiten het afwegingskader) en zijn geen maatregelen nodig voor het doorlaatvermogen. De grondwatersituatie in Zuidoost is als volgt.

Zuidoost valt deels in de diepe polders Nieuwe Bullewijk en Bijlmermeer (wijken Bijlmer Oost, Bijlmer Centrum, Amstel III/Bullewijk). Hier is veel overlast, een grote afstand tussen de watergangen en veel drainage. Kelderbouw, voor zover toegestaan, kan de overlast doen toenemen en de benodigde maatregel is overwegend een standstill-kD (maatregel 2). Zuidoost valt deels in de middeldiepe polders Zuid Bijlmer, Gemeenschapspolder en Venserpolder (wijken Holendrecht/Reigersbos, Gein, Nellestein). De mate van overlast is relatief gering. In de buurten waar kelderbouw is toegestaan (Venserpolder West en –Oost) zijn echter gesloten bouwblokken waar een vrij groot grondwatereffect wordt verwacht bij kelderbouw en geldt een standstill-kD (maatregel 2). 2.6.7 IJburg, Haven-Stad en Overamstel Dit zijn gebiedsontwikkelingen, waarin de eisen aan kelderbouw veelal vooraf worden vastgesteld met behulp van grondwatermodellen.

24

Gemeente Amsterdam

IJburg bestaat uit een reeks eilanden die zijn of worden aangeplempt in het IJmeer. IJburg is een gebiedsontwikkeling en in de grondwatermodellen is uitgegaan van een maximale bouwdiepte van NAP -1 m. Bij deze dieptebeperking resteert onder de kelder circa 2 à 3 m ophooglaag. Dit levert geen negatieve effecten op. De maximale bouwdiepte van NAP -1 m (maatregel 4) is of wordt voor elk eiland als regel opgenomen in de bestemmingsplannen en/of uitwerkingsplan per eiland en is hier van toepassing. Haven-Stad bevat de Houthavens, de ontwikkellocatie Haven-Stad en het gebied ten westen daarvan. Het ligt in de Noordzeekanaalboezem met waterpeil van NAP -0,4 m. De bestemming is deels wonen, deels (haven)bedrijvigheid. In de gebiedsontwikkeling Houthavens zijn geen eisen gesteld aan kelderbouw maar zijn de kelders als dicht gemodelleerd. Bij de geplande maaiveldhoogte is er voldoende ontwatering. Er zijn geen maatregelen voor het doorlaatvermogen nodig voor kelders (maatregel 1). In Haven-Stad en het Westelijk Havengebied verschillen de benodigde maatregelen per buurt. In de meeste buurten worden ontwikkelingen verwacht met voornamelijk grote bouwblokken. Daar is geen maatregel voor het doorlaatvermogen van kleine kelders nodig (maatregel 1).

In sommige buurten zoals Bedrijventerrein Sloterdijk I en Sloterdijk II is een vaste kD van 10 m2/dag noodzakelijk (maatregel 3) of een standstill-kD (dorp Oud Sloterdijk, maatregel 2). Als aanvullende voorwaarde gelden in enkele buurten opbarstbeheersmaatregelen (maatregel 4). Overamstel wordt ontwikkeld van industrie-/kantorengebied naar gemengde woon-/werkfuncties. Het gebied ligt grotendeels in de Venserpolder (waterpeil NAP -2,5 m) maar de randen staan onder invloed van het hogere peil van de Amstellandse Boezem (NAP -0,40 m). Het risico bestaat op grondwateroverlast en het is onzeker of de ontwateringsnorm van 90 cm nu en in de toekomst kan worden gehaald. Grondwaterstijgingen zijn ongewenst. De benodigde maatregel is daarom in de meeste buurten dat kelders grondwaterneutraal worden gebouwd met een vast doorlaatvermogen kD van 10 m2/dag (maatregel 3). De buurt Weespertrekvaart is zodanig opgehoogd zonder eisen aan kelders, dat aanvullende kelders geen maatregel nodig hebben voor het doorlaatvermogen (maatregel 1). Wel geldt daar als aanvullende voorwaarde opbarstbeheersmaatregelen (maatregel 4). 2.6.8 Noord Noord is zeer divers en valt binnen verschillende watersystemen. De polders/wijken Tuindorp Oostzaan en Buikslotermeerpolder liggen in diepe polders.

De opbarstrisico’s zijn zodanig groot dat kelderbouw niet is toegestaan in de buurten Tuindorp Oostzaan West en –Oost, het merendeel van de wijk Buikslotermeer en de buurt Noorderstrook West. In de meeste andere buurten gelden opbarstmaatregelen (maatregel 4). In deze diepe polders is er een relatief grote kwel en problemen met hoog grondwater en overlast. Er is veel drainage en de ontwatering is deels minder dan 50 cm. Onderlast speelt alleen in een deel van de Polder Tuindorp Oostzaan, waar oude bebouwing met houten funderingen is. De hoge grondwaterstand betekent dat kelderbouw de overlast kan doen toenemen. In vrijwel alle buurten zijn maatregelen nodig voor het doorlaatvermogen. Waar kelderbouw is toegestaan, hebben de meeste buurten een vaste kD van 5 of 10 m2/dag nodig (maatregel 3, buurten Elzenhagen Noord en –Zuid en Blauwe Zand,). De buurten Nintemanterrein en Rode Kruisbuurt hebben geen maatregelen nodig vanwege hun hoge maaiveld, waardoor overlast niet wordt verwacht.

25

Gemeente Amsterdam

In een deel van Noord heerst het waterpeil van de Waterlandse Boezem van NAP -1,56 m en zijn een aantal polders met een peil dat sterk lijkt op het Waterlands peil: tussen NAP -1,2 m en NAP 2,0 m. Dit is ten noorden van de waterkering Oostzanerdijk-Landsmeerderdijk-BuiksloterdijkAdelaarsweg-Nieuwendammerdijk-Schellingwouderdijk. Hierin bevinden zich de wijken Kadoelen, Banne Buiksloot, Waterlandspleinbuurt, Tuindorp Nieuwendam, Tuindorp Buiksloot, Nieuwendammerdijk/Buiksloterdijk, deel van Oostzanerwerf en het merendeel van Waterland. Vanwege het lage maaiveld zijn de opbarstrisico’s in Waterland hoog. In de wijk Waterland is kelderbouw daarom niet toegestaan. De uitzonderingen, waar kelderbouw wel is toegestaan in de wijk Waterland, zijn de buurten Schellingwoude West en -Oost en de dijkwoningen aan de Schellingwouderdijk en Durgerdammerdijk, omdat deze hoger liggen en het opbarstrisico beheersbaar is. Hier gelden wel overwegend opbarstbeheersmaatregelen (maatregel 4). In de andere genoemde wijken is kelderbouw toegestaan, maar gelden veelal opbarstbeheersmaatregelen. Wat betreft de grondwatersituatie in het gebied, speelt onderlast alleen in enkele buurten met oudere bebouwing (jaren 1920). De mate van overlast is echter hoog en geldt in de meeste buurten. Er is veel drainage. Kelderbouw zal de mate van overlast verder doen toenemen.

Voor zover kelderbouw is toegestaan, is voor de meeste buurten de benodigde maatregel een vaste kD (maatregel 3). In enkele (delen van) buurten zijn wijzigingen in de grondwatersituatie ongewenst, vooral bij dijkwoningen en in Terrasdorp waar woningen op staal zijn. Hier is de standstill-kD (maatregel 2) van toepassing. Ten slotte zijn er wijken die liggen in de Noordzeekanaalboezem (waterpeil NAP -0,40 m). Opbarstrisico’s zijn hier vrijwel niet van toepassing. De buurten langs het IJ zijn opgehoogd met slecht doorlatend baggerslib of met matig doorlatend ophoogmateriaal. Er is hoog grondwater met veel grondwateroverlast, zowel berekend als ervaren. Er is enige onderlast. Deels zijn er buurten die een ontwikkeling ondergaan van industrie/bedrijven richting woningen, deels jaren 1920-1930 buurten met woningen met houten funderingen. Kelderbouw zal de reeds aanwezige overlast doen toenemen en een maatregel is nodig voor het doorlaatvermogen. Grotendeels is een standstill-kD (maatregel 2) van toepassing en deels een vaste kD (maatregel 3). Er zijn ook buurten waar de bodem dermate slecht doorlatend is zodat kelders niet of nauwelijks een grondwatereffect zullen hebben; daar zijn geen maatregelen nodig (maatregel 1). 2.7 Conclusies Dit deel van het afwegingskader geeft invulling aan gebiedsgerichte maatregelen voor grondwaterneutrale kelderbouw.

Voor alle 481 Amsterdamse buurten is bepaald welke maatregelen en voorwaarden er gelden om kelders grondwaterneutraal aan te leggen. Uit de resultaten van dit onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: - Binnen de Ring A10, de oudste delen van Amsterdam, zijn de meeste grondwateraandachtsgebieden aanwezig. Deze gebieden bevinden zich voornamelijk in de buurt van parken, waterkeringen en polderrioleringsgebieden. Hier geldt als maatregel veelal het terugbrengen van hetzelfde doorlaatvermogen (standstill). - In de gebieden waar grootschalige gebiedsontwikkeling plaatsvindt zoals IJburg en – Haven-Stad zijn geen maatregelen nodig voor kleine kelders voor het doorlaatvermogen. Voorafgaand aan deze ontwikkelingen worden grondwatermodellen gemaakt en eventuele mitigerende maatregelen bedacht die specifiek zijn voor dat gebied zijn en vooral grote kelders betreffen.

26

Gemeente Amsterdam

-

-

-

-

27

In een aantal buurten is de toekomstige ontwatering ook na kelderbouw meer dan 90 cm en zijn geen maatregelen voor het doorlaatvermogen nodig. In een aantal parken (o.a. Amsterdamse Bos, Rembrandtpark) zijn geen maatregelen nodig. Daar vinden nauwelijks of geen ontwikkelingen plaats de komende jaren. In het Centrum, de eind 19e-eeuwse schil, de Oostelijke Eilanden, de jaren 1920-1940 ring, Zuidas en Buitenveldert en Nieuw -West geldt voornamelijk een vast doorlaatvermogen dat men moet terugbrengen bij de bouw van een kelder. Gebieden waar veel funderingsherstel plaatsvindt zijn het Centrum, Eind 19e -eeuwse schil en de 1920-1940 ring. Deze vooroorlogse gebieden zijn gebouwd op houten palen en vooral hier zal kelderbouw plaatsvinden in combinatie met funderingsherstel. In deze gebieden is de grondwatersituatie zodanig dat kelderbouw mogelijk is onder de juiste voorwaarden/maatregelen. In de diepere polders en delen van de middeldiepe polders geldt een kelderverbod. Dit geldt in het grootste deel van Zuidoost, de Watergraafsmeer en landelijk Noord (Waterland) en in delen van Nieuw-West en Noord. De deklaag is zo gering en/of het opbarstrisico zo groot, dat het veilig bouwen van een kelder niet mogelijk is. In een aantal buurten in de diepere polders is het opbarstrisico beheersbaar.

Hier kunnen kelders gebouwd worden onder de aanvullende voorwaarde dat opbarstbeheersmaatregelen worden getroffen.

Gemeente Amsterdam

HOOFDSTUK 3 TECHNISCHE MAATREGELEN 3.1 Probleemstelling De belangrijkste vraag waar dit deel van het afwegingskader antwoord op geeft is de volgende: Welke technische maatregelen dienen tijdens de bouw van kelders genomen te worden, om te komen tot een grondwaterneutrale en klimaatbestendige kelder? De maatregelen dienen op het eigen perceel getroffen te worden, waarbij toekomstige ontwikkelingen niet belemmerd mogen worden door de aanleg van de kelder. Afwenteling naar toekomstige ontwikkelingen is niet toegestaan. Daarnaast dienen de maatregelen duurzaam en onderhoudsarm te zijn. Voor de initiatiefnemer geven de aangedragen mogelijkheden duidelijkheid op welke wijze de kelder kan voldoen aan de eis van grondwaterneutrale aanleg. De gemeente Amsterdam kan zo sneller toetsen of een kelder grondwaterneutraal wordt aangelegd. In Amsterdam komen overwegend drie situaties ten aanzien van de bodemopbouw voor. In het gebiedsspoor is nader ingegaan op de betreffende situatie per buurt. In tabel 3 zijn de voorkomende situaties nader toegelicht.

28

Gemeente Amsterdam

Tabel 3 Situaties bodemopbouw Situatie I: gebouwd op kleigronden. In de bestaande situatie is de woning direct gebouwd op slecht doorlatende grond (klei/venig materiaal of slib). Er is beperkte tot geen stroming van het grondwater rondom de woning, vanwege de slechte doorstroming van de Holocene bodem. In de nieuwe situatie, zonder maatregelen, verandert weinig aan de doorstroming. De water ondoorlatende kleilaag wordt vervangen door een betonnen bak, zodat geohydrologisch gezien weinig veranderingen optreden. Situatie II: woning gebouwd op een dun freatisch pakket (de waterdoorlatende grond/zandlaag), waarbij grondwaterstroming plaatsvindt onder de panden door. In de bestaande situatie kan het grondwater vrij stromen onder en langs het pand. Het pand sluit het freatische pakket niet af. In de nieuwe situatie wordt het freatische pakket over de gehele dikte afgesloten door de kelder. Het grondwater kan niet meer vrij stromen van de ene zijde naar de andere zijde van het pand. Bij een cumulatief effect ontstaat aan de ene zijde opstuwing, met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Aan de andere zijde treedt een verlaging van de grondwaterstand op, doordat geen aanvoer meer plaatsvindt, met mogelijk grondwateronderlast tot gevolg. Situatie III: woning gebouwd op voldoende dikke hoge ophooglaag, zodat de toekomstige kelder niet tot het Holocene pakket reikt.

In deze situatie vindt in de huidige situatie vrijelijk doorstroming plaats onder de panden door. In de toekomstige situatie wordt de doorstroming beperkt, doordat het freatische pakket deels wordt afgesloten door de kelder. Echter is nog wel doorstroming mogelijk, zodat de effecten geringer zijn als in situatie II. Overigens komt situatie III zeer beperkt voor in Amsterdam, de damwanden en/of kelder reikt over het algemeen tot in de kleilaag (situatie II)

Gebruik damwanden In een groot aantal gevallen wordt gebruik gemaakt van damwanden om de kelder te realiseren. Damwanden hebben verschillende functies, zowel tijdens de bouw- als gebruiksfase:

29

Gemeente Amsterdam

Bouwfase Tijdens de bouw hebben damwanden een grond- en waterkerende functie. Met name de waterkerende functie is van belang, om de gevolgen van bemaling zoveel mogelijk te beperken (reductie waterbezwaar en verlagingen in de omgeving). De wanden vormen een barrièrewerking voor de toestroming van het grondwater naar de bouwkuip. De bemaling wordt immers binnen de damwanden uitgevoerd. De belangrijkste risico’s van bemalingen in Amsterdam zijn zettingen door verlagingen en kans op paalrot door droogval van de funderingen. Overigens stelt het waterschap eisen aan de bemaling van bouwputten. Deze hebben met name relatie tot het waterdicht zijn van de bouwkuip en het meten van de lokale grondwaterstanden waarmee de omgevingseffecten van de bemaling in beeld gebracht worden. Gebruiksfase De waterkerende functie blijft bij permanente damwanden aanwezig, ook na realisatie, tenzij maatregelen genomen worden. Afhankelijk van de bouwwijze, kan de damwand onderdeel worden van de constructie en daarmee een dragende functie krijgen. Na de bouw van de kelder, neemt de damwandconstructie, samen met de kelderwanden, de dragende functie van de houten fundering over. Indien de damwanden niet verwijderd worden en geen maatregelen getroffen worden, blijven ze een barrière vormen in de bodem. Op basis van de kennissessie is gebleken dat momenteel in meer dan ca.

driekwart van de onderkelderingen damwanden worden toegepast, die permanent achter blijven. De wanden worden meestal binnen het pand aangebracht en kunnen daardoor na realisatie niet verwijderd worden, omdat ze een onderdeel van de constructie vormen. In een enkele situatie kunnen de wanden wel buiten het pand geplaatst worden en kunnen ze na realisatie verwijderd worden. Verwijderen is echter complex en duur en wordt om deze redenen zelden toegepast. Zowel bij de bouw- als de gebruiksfase is het van belang om de kelder grondwaterneutraal aan te leggen. Maar de geschetste maatregelen in de navolgende hoofdstukken richten zich met name op de gebruiksfase. De maatregelen worden aangelegd tijdens de bouw, maar functioneren als de kelder is aangelegd. De risico’s tijdens de aanleg (doorbreken van de deklaag en opbarsten tijdens de bouw) zijn in de gebiedsanalyse aangegeven. Deze leiden in sommige gevallen (als de risico’s te hoog zijn) tot een verbod op de aanleg van kelders. In het geval van opbarstrisico zal een initiatiefnemer geen watervergunning krijgen voor de spanningsbemaling, waardoor het werk niet uitvoerbaar is. Dit dient op voorhand duidelijk te zijn voor bewoners, zodat ze niet starten met een kelderplan en kosten maken voordat duidelijk is dat er geen toestemming komt.

In de situaties dat kelders gebouwd kunnen worden zonder toepassing van damwanden, veranderen de schematisaties van pagina 29 in zoverre dat geen wanden getekend dienen te worden. Geohydrologisch gezien zijn nog steeds de drie situaties van toepassing: • Het pand staat in de huidige situatie al in de kleigrond gefundeerd. In de huidige situatie vindt al zeer beperkt doorstroming plaats. Door de bouw van de kelder verandert dit niet (vergelijkbaar met situatie I) • Het pand staat in de huidige situatie in het freatisch pakket gefundeerd. Bij de bouw van de kelder wordt deze laag afgesloten, zodat opstuwing en verlaging nog steeds optreden (vergelijkbaar met situatie II) • Het pand staat in de huidige situatie in het freatisch pakket gefundeerd. Bij de bouw van de kelder wordt deze laag niet geheel afgesloten, zodat doorstroming nog steeds kan plaatsvinden (vergelijkbaar met situatie III). In een situatie zonder damwanden kan situatie III zich vaker gaan voordoen, omdat barrièrewerking minder diep rijkt.

30

Gemeente Amsterdam

Het grootste voordeel om een kelder bouwen zonder damwanden is dat maatregelen voor de doorstroming gemakkelijker aangelegd kunnen worden. Later in dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de maatregelen die getroffen kunnen worden. De nadruk zal hierbij liggen op de situatie met permanente damwanden, omdat deze bouwwijze het meest wordt toegepast en het meeste invloed heeft op de grondwaterstroming. Tevens vormen de damwanden beperkingen voor het kunnen treffen van maatregelen. 3.2 Inventarisatie mogelijkheden grondwaterneutraal bouwen In maart 2019 en maart 2020 zijn twee kennissessies gehouden met een breed scala aan deskundigen. De input van deze deskundigen is gebruikt als input voor dit rapport. Op basis van deze sessies is geïnventariseerd welke mogelijkheden momenteel voor handen zijn om toe te passen en welke gebruikt worden om de grondwaterstroming rondom de kelders te waarborgen. Hierbij is zowel gekeken naar de horizontale grondwaterstroming (tussen en rondom de panden) als de verticale grondwaterstroming (onder de kelders door) rondom de panden. 3.2.1 Overzicht maatregelen In tabel 4 zijn schematisch de maatregelen weergegeven. Als voorbeeld is de situatie aangehouden waarbij in de huidige situatie grondwater rondom en onder het pand kan stromen en waarbij in de toekomstige situatie de ophooglaag wordt afgesloten (situatie 2, tabel 3).

Dit is de meest voorkomende situatie in Amsterdam en de situatie met de grootste kans op problemen. Tabel 4 Situatieschetsen en varianten onderkeldering Situatie Toelichting Basissituatie, waarbij geen maatregelen genomen zijn Deze situatie is als basis gebruikt om de hieronder weergegeven situaties nader uit te werken. In tabel 3 staat de toelichting nader uitgewerkt.

Maatregel A: geen damwanden, herstel grondwaterstroming onder panden door. In deze maatregel worden geen damwanden in de bouwfase toegepast. Voor de bouw van de kelder wordt onder de vloer en langs de wanden goed doorlatend materiaal aangebracht (bijvoorbeeld drainagezand of grind). Het pakket staat in verbinding met het freatische pakket, zodat het grondwater kan blijven stromen rondom het pand (zowel via de zijkant als de onderkant). Omdat damwanden vrijwel altijd nodig zijn om een kelder aan te kunnen leggen, is dit een weinig realistisch scenario.

31

Gemeente Amsterdam

Maatregel B: zoveel als mogelijk trekken van damwanden na realisatie In deze maatregel wordt uitgegaan dat (een deel van de) damwanden aan het eind getrokken kunnen worden. Om de grondwaterstroming te waarborgen, dient wel een omstorting met drainagezand of grind gemaakt te worden, die in verbinding staat met het freatische pakket. De eisen zijn verder gelijk aan maatregel A. Bij toepassing van koekoeken als verlichtingsmethode is het trekken van damwanden in een aantal gevallen mogelijk. In dat geval worden de damwanden deels aan de voor- en achterzijde van het pand verwijderd. Maatregel C: bypass systeem aanleggen onder keldervloer en door de damwanden heen Bij deze maatregel is geen omstorting nodig. Tijdens de bouw wordt een buizensysteem aangelegd in of onder de keldervloer. Na de bouw worden gaten door de damwand geboord, om het buizenstelsel te verbinden met het grondwater. Het bypass systeem kan alleen aan de voor- en achterzijde van een pand aangelegd worden, indien het pand direct grenst aan andere panden. Het systeem dient op eigen terrein aangelegd te worden. Het bypass systeem kan en wordt overigens ook toegepast bij kelders waar geen damwanden zijn toegepast bij de bouw.

Maatregel D: cannelures van de damwanden opvullen met goed doorlatend materiaal (grind of drainagezand) en na de bouwfase de cannelures verbinden met het freatisch pakket Om de grondwaterstroming mogelijk te maken, dient onder de keldervloer een laag met goed doorlatend materiaal aangebracht te worden, om stroming mogelijk te maken. De verbinding met het freatische pakket kan op verschillende manieren gerealiseerd worden:  Toepassing van luikjes in de damwanden, die na realisatie open gedraaid worden  Gaten boren door de damwand (vanuit de kelder en de gaten in de kelderwand vervolgens weer dichten  Damwanden aan bovenzijde deels afbranden en de cannelures verbinden met het freatisch pakket.  Toepassing van materialen die na realisatie versneld poreus en doorlatend worden

32

Gemeente Amsterdam

Maatregel E (vooraanzicht): Smallere kelders bouwen, zodat meer ruimte ontstaat voor doorstroming Het linker figuur geeft de situatie weer zonder de kelders. Het middelste figuur geeft weer hoe veel gebouwd is, de kelders worden tegen elkaar aan gebouwd, waarbij weinig ruimte is tussen de kelders. Doordat de ruimte beperkt is, vindt minder doorstroming tussen de panden door plaats, met wateroverlast en -onderlast tot gevolg. De rechterfiguur geeft de situatie weer waarbij meer ruimte tussen de kelders onderling is en waarbij de ruimte tussen de kelders is opgevuld met drainagezand of grind, om de doorstroming te bevorderen.

Maatregel F (vooraanzicht): geen grote aaneengesloten kelders bouwen In een aantal gevallen komt het voor dat onder een aantal panden gezamenlijk een onderkeldering plaatsvindt. In de bovenstaande figuur is een vooraanzicht getekend. Het linker figuur geeft de situatie weer zonder onderkeldering. Het grondwater kan vrij rondom en onder de panden door stromen. In de middelste figuur is de situatie weergegeven van een grote onderkeldering. Door de omvang van de kelder, vindt opstuwing plaats, omdat het water nu niet onder en langs de panden kan stromen. In de rechterfiguur is aangegeven dat elk pand een eigen onderkeldering krijgt en de ruimte tussen de panden opgevuld wordt met goed doorlatend materiaal (bijvoorbeeld grindkoffers), om zo de doorstroming mogelijk te houden. Afhankelijk van het doorlaatvermogen en de doorstroming kan het noodzakelijk zijn en blijven om aan de onderzijde nog een goed doorlatend pakket aan te brengen. 3.2.2 Vereisten aan behouden van doorstroming De maatregelen uit tabel 4 dienen aan een aantal eisen te voldoen, om te komen tot een duurzame onderkeldering. De belangrijkste eisen waaraan de maatregelen moeten voldoen zijn hieronder opgesomd:  Duurzaam voor de lange termijn: De maatregelen dienen duurzaam te zijn, dus langdurig te kunnen functioneren.

 Onderhoudsarm: omdat de meeste maatregelen onder of rondom de kelders worden aangelegd, dienen ze onderhoudsarm te zijn. Het benodigde onderhoud dient uitvoerbaar te zijn na aanleg. Na realisatie van de kelder kom je namelijk niet meer bij de maatregel, waardoor onderhoud niet of niet eenvoudig mogelijk is  De maatregelen dienen op eigen grond plaats te vinden. Door aanwezige kabels en leidingen is de ruimte aan de straatzijde beperkt. Tevens is dit gemeentelijke grond, zodat het niet

33

Gemeente Amsterdam

toegestaan is om daar maatregelen te treffen. Ook onder de perceelgrenzen van de buren is het niet mogelijk om maatregelen te treffen, in verband met eigendomssituaties Het doorlaatvermogen van de maatregel rondom of onder het pand dient te voldoen aan het doorlaatvermogen (kD-waarde) zoals opgenomen in het gebiedsspoor. In figuur 5 zijn de belangrijkste voorwaarden weergegeven om rekening mee te houden bij de aanleg van het systeem, om een robuust ontwerp te realiseren.

Figuur 5 Randvoorwaarden en knelpunten bij doorstroomvoorzieningen o

34

Om risico’s van ijzerneerslag te voorkomen, dienen de in- en uitstroomvoorzieningen 20 cm. onder de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) aangelegd te worden. Op deze manier blijft het systeem zuurstofarm (anaeroob) en wordt de neerslag van ijzer voorkomen. Tevens wordt de werking van het systeem gegarandeerd bij een aanleg onder de GLG, omdat het water altijd kan blijven stromen, ook bij lage grondwaterstanden. o Bij de instroomvoorziening treedt een intreeweerstand op, door de convergentie van de stroombanen. Indien de instroomvoorziening niet voldoende goed functioneert, kan hier slib neerslaan. Het filtermedium (zoals drainagezand en spleten in de voorzieningen) dienen afgestemd te zijn op de bodemopbouw van de ophooglaag. o De verticale stroming van het grondwater door het systeem heen kent een lage weerstand. Op locaties waar het water stagneert kan in de eerste jaren slib neerslaan. Het systeem dient dermate overgedimensioneerd te worden, dat de doorstroming gewaarborgd blijft, ook op lange termijn. De mate van overdimensionering moet nader bepaald worden. De slibafzetting zal naar verwachting vooral in het begin optreden. Een goede dimensionering van de instroom kan slibneerslag in het systeem verminderen. o Aan het eind van het systeem, bij de uitstroomvoorziening, is sprake van een uitstroomweerstand. Hier kan slib neerslaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11802189/1