CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_artikelgewijs deel_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)50.099 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Deze afstanden dienen op eigen terrein blijven om risico’s en gebruiksbeperkingen voor de omgeving te voorkomen. Als er een andere aangewezen risicoactiviteit aanwezig is, dan geldt de locatiebeperking van het eerste lid ook onverminderd. Artikel 3.68 Beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan Artikel 3.68 bevat een beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan. In artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn activiteiten aangewezen die ‘in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken’. Deze bedrijven, die in de praktijk grote lawaaimakers worden genoemd, mogen zich alleen op nader aangeduide locaties vestigen. Enerzijds noopt de te verwachten geluidproductie van deze bedrijven ertoe om deze bedrijven uitsluitend op specifieke plekken (percelen of delen van industrieterreinen) toe te staan waar deze geluidbelasting geen onaanvaardbare hinder voor de omgeving met zich meebrengt. Anderzijds heeft de vestiging van dergelijke bedrijven ook juridische consequenties, namelijk een plicht voor de gemeenten om de geluidproductie van de betreffende gronden te reguleren via de systematiek van geluidproductieplafonds (voorheen: geluidzonering).

De aanduiding bedoeld in dit artikel valt overigens doorgaans niet samen met de grens van het industrieterrein waarvoor de zonering-/ gpp-plicht geldt; het industrieterrein beslaat meestal een groter gebied dan de gronden waar grote lawaaimakers zijn toegestaan. Artikel 3.69 Beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan Artikel 3.69 bevat een beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan. Het vestigingsbeleid Datacenters gemeente Amsterdam 2020-2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2020) biedt ruimte voor de selectieve groei van datacenters onder voorwaarden. Gelet hierop mogen datacenters niet overal waar bedrijven zijn toegestaan zich vestigen, maar alleen op nader aangewezen locaties die voldoen aan de criteria van het beleid. Artikel 3.70 Beperkende regel over waar windturbines zijn toegestaan Artikel 3.70 bevat een beperkende regel over waar windturbines zijn toegestaan. Vanwege de bijzondere ruimtelijke uitstraling en te verwachten milieuhinder (geluid en slagschaduw) en risico’s zijn windturbines slechts op nader aangeduide locaties toegestaan. De Omgevingsverordening van de provincie NoordHolland bevat tevens beperkingen voor het toestaan van windturbines.

70

Artikel 3.71 Beperkende regel over waar complexe bedrijven zijn toegestaan Artikel 3.71 bevat een beperkende regel over waar complexe bedrijven zijn toegestaan. De zogenaamde complexe bedrijven, die in Afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, behoren tot de zwaarste categorieën van bedrijven. Daarom is het wenselijk dat deze zwaarste categorie zich uitsluitend in nader aan te wijzen gebieden mag vestigen. Artikel 3.72 Beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan Artikel 3.72 bevat een beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan. De zogenaamde Riebedrijven die in de Richtlijn industriële emissies zijn aangewezen, behoren tot de zwaarste categorieën van bedrijven. Daarom is het wenselijk dat deze zwaarste categorie zich uitsluitend in nader aan te wijzen gebieden mag vestigen. Subparagraaf 3.2.5.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van bedrijven zijn toegestaan Artikel 3.73 Locaties bedoeld voor havengebonden bedrijven Artikel 3.73 bevat een beperking voor locaties die zijn bedoeld voor havengebonden bedrijven. Havengebonden bedrijven moeten aan een kade liggen. Deze schaarse locaties worden beschermd door hier niet alle type bedrijfsactiviteiten toe te staan maar alleen havengebonden bedrijvigheid.

Artikel 3.74 Locaties bedoeld voor windturbines Artikel 3.74 bevat een beperking voor locaties die zijn bedoeld voor windturbines. Het exploiteren van windturbines is een bijzondere bedrijfsactiviteit. De locaties voor windturbines zijn daarom ook niet zonder meer inwisselbaar voor andere bedrijfsactiviteiten.

Paragraaf 3.2.6 Culturele voorzieningen Artikel 3.75 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.6 bevat regels over culturele voorzieningen. Culturele voorziening is een veel omvattend begrip, waaronder sterk uiteenlopende vormen van gebruik vallen. De mate waarin de vormen van gebruik gevoelig zijn voor gevolgen vanuit de fysieke leefomgeving, of waarin ze gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving, lopen uiteen. Mede om die redenen worden aanvullende regels gesteld over specifieke culturele voorzieningen. Artikel 3.75 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een culturele voorziening. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. In bijlage I is bepaald dat onder een culturele voorziening wordt uitsluitend verstaan een: a. theater of concertzaal; b. museum of expositieruimte; c.

bioscoop of filmhuis; en

d. debatcentrum.

71

Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.76 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', toegestaan gebruik Artikel 3.76 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' als gebruiksdoel hebben het gebruik ten behoeve van een culturele voorziening. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' gebruikt mogen worden ten behoeve van een culturele voorziening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.77 Omvang en situering van culturele voorzieningen Artikel 3.77 bevat beperkende regels over de omvang en situering van culturele voorzieningen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak culturele voorzieningen dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte culturele voorziening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers culturele voorziening' het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen culturele voorzieningen de daar bepaalde waarde.. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bezoekers. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin culturele voorzieningen zijn toegestaan' culturele voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen culturele voorzieningen zijn toegestaan.

Artikel 3.78 Beperkende regel over waar theaters en concertzalen zijn toegestaan Artikel 3.78 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' theaters en concertzalen zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. In bijlage I is bepaald dat onder theater en concertzaal wordt verstaan een instelling gericht op het aanbieden van voorstellingen en op- en uitvoeringen van toneel, kleinkunst, circus, muziek, muziektheater, opera, en daarmee vergelijkbare activiteiten. 72

Artikel 3.79 Beperkende regel over waar musea en expositieruimten zijn toegestaan Artikel 3.79 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' musea en expositieruimten zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. In bijlage I is bepaald dat onder musea en expositieruimtes worden verstaan voor het publiek toegankelijke instellingen waar materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving op het gebied van kunst, cultuur, historie en techniek worden verzameld, bewaard, onderzocht en/of tentoongesteld, en waarbij informatie wordt verstrekt voor studie, educatie en/of recreatie. Artikel 3.80 Beperkende regel over waar bioscopen en filmhuizen zijn toegestaan Artikel 3.80 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' bioscopen en filmhuizen zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een bioscoop of filmhuis. Om die reden is geen begripsomschrijving opgenomen.

Artikel 3.81 Beperkende regel over waar debatcentra zijn toegestaan Artikel 3.81 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' debatcentra zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. In bijlage I is bepaald dat onder dat onder een debatcentrum wordt verstaan een voor publiek toegankelijke instelling die in hoofdzaak is gericht op het organiseren van debatten.

Paragraaf 3.2.7 Hotels Artikel 3.82 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.7 bevat regels over het gebruik voor hotels. Artikel 3.82 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken voor het exploiteren van een hotel. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. In bijlage I is bepaald dat onder een hotel wordt verstaan het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. Hostels en jeugdherbergen vallen wel onder de omschrijving.

Overnachting op kampeerterreinen en vakantieparken in tenten, toercaravans en campers vallen niet onder de hier opgenomen regels, aangezien hier geen sprake is van overnachten in een gebouw. Huisjes op kampeerterreinen en vakantieparken vallen eveneens buiten de reikwijdte. Deze worden gereguleerd door onderdeel 3.2.20. Bij bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten moet worden gedacht aan een ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, een hotelbar, een fitnessruimte en een spa. Bed & breakfast en 73

vakantieverhuur betreft overnachten in een woning. Short stay betreft het gebruik van woonruimte voor ‘kort wonen’. Dit valt buiten dit onderdeel. Dit is in de omschrijving van hotel expliciet bepaald. Omdat de woonfunctie in die gevallen primair is, terwijl het bedrijfsmatig faciliteren van overnachten voor recreatief of zakelijk gebruik in die woning niet steeds en evenmin in de gehele woning hoeft plaats te vinden, zijn regels over deze activiteiten opgenomen in onderdeel 3.2.1. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.83 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', toegestaan gebruik Artikel 3.83 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', en over het daar toegestaan gebruik. Op dit gebruiksdoel is het Overnachtingsbeleid van toepassing zoals dat op 26 oktober 2021 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' als gebruiksdoel hebben het exploiteren van een hotel. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' gebruikt mogen worden voor het exploiteren van een hotel.

Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. In combinatie met artikel 2.4, eerste lid, betekent dit dat hotels op andere locaties niet zijn toegestaan. Dat volgt overigens ook rechtstreeks uit artikel 2.5. Hiermee kan op adequate wijze uitvoering worden gegeven aan het Overnachtingsbeleid, voor zover dat betrekking heeft op hotelvestiging. Bestaande hotellocaties kunnen worden geconsolideerd door aan de locatie de aanduiding te verbinden. Nieuwe hotelvestiging kan eveneens en op dezelfde wijze worden gefaciliteerd, mits dat passend is binnen het Overnachtingsbeleid. Artikel 3.84 Omvang en situering van hotels Artikel 3.84 bevat beperkende regels over de omvang en situering van faciliteiten voor ontspanning en vermaak. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Hiermee wordt voorzien in verschillende manieren van regulering van hotels, zoals dat ook in bestemmingsplannen voorkomt. Het uitgangspunt van het overnachtingsbeleid is dat in ‘nee’ gebieden geen nieuwe overnachtingsfaciliteiten worden mogelijk gemaakt.

Ook in ‘nee, tenzij’ gebieden mogen zonder juridische borging van de voorwaarden uit het overnachtingsbeleid geen rechten voor extra capaciteit in het leven worden geroepen. Dit artikel biedt daarom de mogelijkheid om de bestaande rechten (zoals dit ook gebeurde in bestemmingsplannen) in te kaderen in het omgevingsplan. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Uiteraard kan een hotel dan nog in omvang zijn beperkt vanwege de maxima die gelden voor de bebouwing. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak hotel dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte hotel'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. 74

Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin hotel is toegestaan' het exploiteren van een hotel uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal hotelkamers' het maximum aantal hotelkamers dat er mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal hotelkamers. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden' het maximum aantal bedden dat er mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bedden. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden per kamer' het maximum aantal bedden dat er per kamer mag zijn de daar bepaalde waarde is.

Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bedden per kamer. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Artikel 3.85 Bijbehorende faciliteiten uitsluitend voor hotelgasten Artikel 3.85 bevat regels over bij het hotel behorende faciliteiten. Dat is nodig, omdat uit artikel 3.83, derde lid, volgt dat waar een hotel is toegestaan, daar ook bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten mogen worden gerealiseerd en geëxploiteerd. Gedacht moet worden aan ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, maar ook een hotelbar, een fitnessruimte en een spa. Uitgangspunt is dat dergelijke voorzieningen uitsluitend zijn bedoeld voor hotelgasten. Voor een deel zijn dergelijke faciliteiten ook gericht op niet-hotelgasten. Dat hoeft in beginsel niet ongewenst te zijn, maar vraagt wel om regulering. Eerste lid: In het eerste lid wordt als uitgangspunt genomen dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten uitsluitend door hotelgasten mogen worden gebruikt. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niethotelgasten’ geldt dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten ook voor niet-hotelgasten mogen worden opengesteld.

Die aanduiding kan zijn gegeven aan de gehele locatie waar het hotel is toegestaan, of aan delen ervan. Artikel 3.87, aanhef en eerste lid, biedt in dat geval wel de mogelijkheid dat, voor zover die nodig zijn ter voorkoming van onaanvaardbare overlast op de omgeving, maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat het aanbieden van vergader- en congresfaciliteiten aan derden is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van hotel. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, of wanneer de bedrijfsvoering zelfs uitsluitend is gericht op het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen, dan is paragraaf 3.2.24 van toepassing.

75

Vierde lid: Op grond van het vierde lid kunnen met betrekking tot het derde lid beperkingen gelden. Die beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locatie. De beperkingen hebben nadrukkelijk betrekking op het aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten. Voor zover beperkingen zijn gesteld, gelden die niet voor de eigen vergader- en congresruimten voor eigen gebruik. Artikel 3.86 Verboden gebruik bijbehorende gronden en bouwwerken Artikel 3.86 bevat regels over de bij het hotel behorende gronden en bouwwerken. Uit het algemeen van toepassing zijnde artikel 2.10 volgt dat bijbehorende gronden en bouwwerken bedrijfsmatig mogen worden gebruikt. Dat geldt uiteraard alleen als aan die gronden ook de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' is gegeven. Artikel 3.86, eerste lid, brengt daarin, als dat het geval is, een beperking aan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de bij een hotel behorende gronden en bijbehorende bouwwerken niet gebruikt mogen worden voor het aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten of ten behoeve van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Dit zou een uitbreiding van overnachtingscapaciteit met zich meebrengen, en strookt niet met de beleidsintentie zoals opgenomen in het Overnachtingenbeleid.

Gebruik van gronden of bijbehorende bouwwerken voor andere faciliteiten voor hotelgasten of congresfaciliteiten kan eveneens leiden tot een uitbreiding van overnachtingscapaciteit. Als bijvoorbeeld een congresruimte in een bijbehorend gebouw wordt gerealiseerd, zou sprake kunnen zijn van een verschuiving van die functie van het hoofdgebouw naar het bijgebouw, waardoor in het hoofdgebouw meer ruimte voor bedden ontstaat. Uit de uitgangspunten van het beleid vloeit voort dat dit moet worden voorkomen. Het eerste lid zorgt daarvoor. Daarbij wordt duidelijk gemaakt dat artikel 2.10 onverminderd van toepassing blijft. Dat wil zeggen dat dit artikel 3.86 daar bovenop komt, en niet in de plaats van. Tweede lid: Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid, namelijk dat het verbod niet geldt voor het gebruik van gronden als horecaterras voor hotelgasten. Dat maakt mogelijk dat bij een hotel behorende gronden als horecaterras voor hotelgasten mogen worden gebruikt. Maar dat geldt alleen als aan die gronden ook de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' is gegeven. Aan dat gebruik als horecaterras voor hotelgasten kunnen wel beperkingen worden gesteld. Artikel 3.87, aanhef en tweede lid, biedt de mogelijkheid dat, voor zover die nodig zijn ter voorkoming van onaanvaardbare overlast op de omgeving, maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Een andere beperking die kan gelden is dat aan het bij het hotel behorende erf de aanduiding 'tuin' is gegeven. Op grond van artikel 2.10, derde, geldt dan dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf, waaronder gebruik voor horecadoeleinden, alsmede gebruik voor opslag, niet is toegestaan. Onder een dergelijk bedrijfsmatig gebruik valt ook het gebruik als horecaterras voor hotelgasten. Artikel 3.87 Mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften Artikel 3.87 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Eerste lid: Met welk doel en waarover een maatwerkvoorschrift kan worden gegeven is in het eerste lid bepaald. Daarin staat dat het gericht moet zijn op het voorkomen van onaanvaardbare overlast op de omgeving. Daarbij gaat het uiteraard om overlast vanwege het hotel. Een maatwerkvoorschrift kan in dat geval worden gesteld over a) het gebruik van bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten door niethotelgastenen b) het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten.

76

Tweede lid: Het tweede lid maakt duidelijk dat een maatwerkvoorschrift over het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten kan inhouden dat het verboden is om bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten te gebruiken.

Paragraaf 3.2.8 Sportvoorzieningen Artikel 3.88 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.8 bevat regels over sportvoorzieningen. Artikel 3.88 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken als sportvoorziening. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Deze paragraaf gaat nadrukkelijk over gebruik van gronden en bouwwerken als sportvoorziening, en niet over de activiteit van het sporten zelf. Dit onderdeel regelt dus niet het voetballen, tennissen of schaatsen zelf, maar gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor voorzieningen die deze sporten mogelijk maken. Dit onderdeel gaat niet over het hardlopen in parken, maar over specifieke hardloopfaciliteiten zoals een atletiekbaan. Daarmee richten de regels zich ook niet tot de sporter zelf, maar tot degene die met de sportvoorziening het sporten faciliteert.

In bijlage I is in een begripsbepaling bepaald wat onder een sportvoorziening wordt verstaan: Onder a is aangegeven dat hieronder vallen terreinen bedoeld voor de uitoefening van sport, zoals sportvelden en/of sportbanen. Daarmee wordt gedoeld op sportvoorzieningen in de open lucht. Het gaat bij buitensport vaak om grotendeels onbebouwde terreinen, waarop wel allerlei bouwwerken aanwezig zijn ten behoeve van de sportbeoefening. Om die reden wordt in dit geval expliciet aangegeven dat de betreffende bouwwerken eveneens vallen onder het begrip sportvoorziening. het gaat om bijbehorende bouwwerken, zoals tribunes, dug-outs, lichtmasten en met verenigingsgebouwen, kantines, kleedkamers en andere naar de aard daarmee te vergelijken accommodaties. Onder b is bepaald dat het ook kan gaan om gebouwen of gedeelten van een gebouw bedoeld voor de uitoefening van sport. Dit betekent dat zowel sporthallen vallen onder het begrip sportvoorziening, maar dat ook sportvoorzieningen binnen een gedeelte van een gebouw onder het begrip sportvoorziening vallen. Dus ook bijvoorbeeld een sportschool die zich in een gedeelte van een gebouw bevindt, valt hieronder. Tot slot wordt onder c bepaald dat ook bouwwerken en andere faciliteiten ten behoeve van de uitoefening van watersport in de openbare buitenruimte onder het begrip sportvoorziening vallen.

Het gaat hierbij om bouwwerken en andere faciliteiten ten behoeve van watersport, waarbij de sportuitoefening zelf plaatsvindt in de publieke buitenruimte. Gedacht kan worden aan voorzieningen ten behoeve van de roei- en kanosport. De sportuitoefening zelf mag plaatsvinden op het water in de publieke buitenruimte, en behoeft ook geen nadere regulering op grond van het omgevingsplan. Anders is dat voor bijvoorbeeld de locaties waar stalling van roeiboten, kano’s en opslag van overige materialen plaatsvindt. Die locaties vallen onder de reikwijdte van dit onderdeel. Ten overvloede wordt opgemerkt dat, hoewel expliciet wordt opgemerkt dat onder sportvoorzieningen ook bepaalde bouwwerken vallen, dit regelonderdeel niet de regels over bouwwerken bevat. Het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken wordt gereguleerd in hoofdstuk 4.

77

Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.89 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', toegestaan gebruik Artikel 3.89 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' als gebruiksdoel hebben het gebruik als sportvoorziening. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de functie 'sportvoorziening' gebruikt mogen worden als sportvoorziening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.90 Gereserveerd Artikel 3.91 Omvang en situering van sportvoorzieningen Artikel 3.91 bevat beperkende regels over de omvang en situering van sportvoorzieningen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak sportvoorzieningen dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte sportvoorziening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers sportvoorziening' het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen sportvoorzieningen de daar bepaalde waarde. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bezoekers. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin sportvoorzieningen zijn toegestaan' sportvoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen sportvoorzieningen zijn toegestaan. Artikel 3.92 Beperkende regel over waar maneges zijn toegestaan Artikel 3.92 bevat beperkingen voor maneges.

Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat maneges uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘manege toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: 78

sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege toegestaan’. Dit betekent ook dat naast een manege wel ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan. In bijlage I wordt bepaald dat onder een manege wordt verstaan een bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt. Met deze omschrijving wordt aangesloten op de provinciale omgevingsverordening. Het begrip ‘bedrijf’ moet ruim worden uitgelegd in die zin dat ook een instelling zonder winstoogmerk die is gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt, onder het toepassingsbereik valt. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat niet-overdekte paardenbakken uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘niet-overdekte paardenbak toegestaan’. Artikel 3.93 Beperkende regel over waar kunstijsbanen zijn toegestaan Artikel 3.93 bevat beperkingen ten aanzien van kunstijsbanen. Het eerste lid bepaalt dat kunstijsbanen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘kunstijsbaan toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘kunstijsbaan toegestaan’. Dit betekent ook dat naast een kunstijsbaan wel ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan.

In bijlage I wordt bepaald dat onder een kunstijsbaan wordt verstaan een al dan niet overdekte voorziening voor het beoefenen van sport op kunstijs. Of sprake kan zijn van een al dan niet overdekte kunstijsbaan wordt in hoofdzaak bepaald door de regels over het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 4. Artikel 3.94 Beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan Artikel 3.94 bevat de beperking voor sportscholen en fitnesscentra dat die uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Wat onder een sportschool of fitnesscentrum naar normale maatstaven moet worden verstaan is voldoende duidelijk, zodat van een nadere omschrijving is afgezien. Artikel 3.95 Beperkende regel over waar zwembaden zijn toegestaan Artikel 3.95 bevat beperkingen met betrekking tot zwembaden. Eerste lid: In het eerste lid is de beperking opgenomen dat zwembaden uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zwembad toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘zwembad toegestaan’.

Dit betekent ook dat naast een zwembad in principe ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan. Een combinatie met een sporthal is daarmee goed mogelijk. Tweede lid: In het tweede lid wordt bepaald dat in deze paragraaf onder een zwembad wordt verstaan zowel een bebouwde als onbebouwde voorziening voor het lesgeven in zwemmen, de zwemsport en het recreatief beoefenen daarvan, met bijbehorende bouwwerken, zoals binnen- en buitenbaden, kinderbaden, waterglijbanen en ligweides. Deze betekenis die aan het begrip zwembad wordt gegeven geldt alleen voor deze paragraaf. Derde lid: Niet-overdekte zwembaden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'niet-overdekt zwembad toegestaan'. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: 79

sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘niet-verdekt zwembad toegestaan’. Artikel 3.96 Locaties bedoeld voor watersport-gerelateerde faciliteiten Artikel 3.96 bevat de regel dat ter plaatse van de aanduiding 'watersportvoorzieningen' geen andere sportvoorzieningen dan watersportgerelateerde faciliteiten zijn toegestaan. In bijlage I wordt bepaald dat onder een watersport-gerelateerde faciliteit moet worden verstaan een voorziening die specifiek is bedoeld voor het beoefenen van sport op het water, met bijbehorende bouwwerken zoals steigers, opslag- of botenloods, clubhuis en kantine. Of en waar deze bouwwerken daadwerkelijk mogen worden gerealiseerd wordt bepaald in hoofdstuk 4. De uitoefening van watersport is in de publieke buitenruimte uiteraard toegestaan, evenals dat je in een park mag hardlopen. Dit hoeft niet specifiek mogelijk gemaakt te worden. In bepaalde gevallen is het wel nodig dat er faciliteiten worden geboden voor die buitensport, bijvoorbeeld voor de stalling van boten of bergruimte voor andere materialen. Het is van belang dat die ruimten ook daadwerkelijk beschikbaar zijn en blijven voor specifiek dat doel. Dat wordt met dit eerste lid bepaald.

Paragraaf 3.2.9 Faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak Artikel 3.97 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.9 bevat regels over faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. Artikel 3.97 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken voor faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Derde lid: In het derde lid is aangegeven wat onder ontspanning en vermaak wordt verstaan. Het is lastig deze te vatten onder een dekkende omschrijving, anders dan dat het gaat om faciliteiten op het gebied van vrijetijdsbesteding waar tegen betaling gebruik van wordt gemaakt. Dit geeft echter onvoldoende afbakening. Om die reden is er voor gekozen de vormen van ontspanning en vermaak expliciet te benoemen.

Het is een limitatieve opsomming. Andere vormen van ontspanning en vermaak zijn niet toegestaan op grond van dit regelonderdeel. In de regels waarnaar in het derde lid wordt verwezen wordt voor de betreffende vorm van ontspanning en vermaak aangegeven waar die is toegestaan. In bijlage I is overigens ook een begripsbepaling opgenomen voor 'ontspanning en vermaak'. In die begripsbepaling wordt verwezen naar dit artikel. De reden voor die begripsbepaling is artikel 2.5, tiende lid, dat ook een regel bevat met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken voor faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. Via de in de begripsbepaling opgenomen verwijzing naar dit artikel 3.97 wordt geborgd dat onder faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak overal hetzelfde wordt verstaan.

80

Artikel 3.98 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', toegestaan gebruik Artikel 3.98 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak' als gebruiksdoel hebben het bieden van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak' gebruikt mogen worden ten behoeve van het bieden van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.99 Omvang en situering van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak Artikel 3.99 bevat beperkende regels over de omvang en situering van faciliteiten voor ontspanning en vermaak. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak faciliteiten voor ontspanning en vermaak dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte faciliteiten voor ontspanning en vermaak'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers faciliteiten voor ontspanning en vermaak' het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen faciliteiten voor ontspanning en vermaak de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bezoekers. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan' faciliteiten voor ontspanning en vermaak uitsluitend zijn toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde.

Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan. Artikel 3.100 Beperkende regel over waar faciliteiten op het gebied van spel en vermaak zijn toegestaan Artikel 3.100 bepaalt dat faciliteiten gericht op spel en vermaak uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spel en vermaak toegestaan'. In bijlage I wordt omschreven wat onder faciliteiten gericht op spel en vermaak wordt verstaan. Onder spel en vermaak valt een breed arsenaal aan uiteenlopende activiteiten. Een omschrijving met een duidelijke afbakening is niet goed te geven, vandaar dat in het tweede lid een opsomming is gegeven van activiteiten die hier in elk geval onder vallen. Het gaat om een bowlingbaan, minigolf, speelparadijs, gamehal, arcadehal, gelegenheid voor laser-gamen, escaperoom, biljart- en snookerzalen, speel- en spelvoorzieningen, activiteiten gericht op 81

belevingen, en naar de aard daarmee te vergelijken faciliteiten. Met dat laatste wordt duidelijk gemaakt dat het geen limitatieve opsomming betreft. Ook (toeristische) activiteiten gericht op belevingen (‘experience’) vallen onder deze paragraaf. Om te voorkomen dat het misverstand zou ontstaan dat ook kartbanen, speelautomatenhallen, casino's, maar bijvoorbeeld ook bioscopen en dergelijk onder spel en vermaak als bedoeld in dit artikel vallen, is expliciet toegevoegd dat de overige in deze paragraaf of elders in deze afdeling specifiek genoemde faciliteiten hier niet onder vallen. Die zijn dus uitsluitend toegestaan voor zover dat volgt uit de regels die specifiek op die faciliteiten betrekking hebben. Artikel 3.101 Beperkende regel over waar kartbanen zijn toegestaan Artikel 3.101 bepaalt dat kartbanen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kartbaan toegestaan'. Het is overbodig geacht een omschrijving op te nemen. Artikel 3.102 Beperkende regel over waar dierentuinen zijn toegestaan Artikel 3.102 bepaalt dat dierentuinen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dierentuin toegestaan'. Het is overbodig geacht een omschrijving op te nemen.

Artikel 3.103 Beperkende regel over waar speelautomatenhallen zijn toegestaan Artikel 3.103 bepaalt dat speelautomatenhallen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'speelautomatenhal toegestaan'. In bijlage I is aangegeven dat onder een speelautomatenhal wordt verstaan een speelautomatenhal als bedoeld in de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam. Daarin wordt bepaald dat eronder wordt verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen. Daar wordt gesproken van een inrichting, anders dan een hoogdrempelige inrichting, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan. Er is afgezien van het opnemen van een eigen omschrijving, om te voorkomen dat aan een en hetzelfde begrip onbedoeld een verschillende uitleg kan worden gegeven. Door de verwijzing is uitgesloten dat een horecabedrijf met kansspelautomaten onder het begrip speelautomatenhal valt. Een horecabedrijf waarbinnen op grond van de Verordening speelautomaten(hallen) maximaal twee spelautomaten zijn toegestaan, valt daarmee ook niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf.

Artikel 3.104 Beperkende regel over waar casino's zijn toegestaan Artikel 3.104 bepaalt dat casino's uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'casino toegestaan'. In het tweede lid is aangegeven dat onder een casino wordt verstaan een speelcasino als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen. Daarin is bepaald dat onder een speelcasino wordt verstaan de voor het publiek opengestelde of bedrijfsmatig gedreven inrichting, waar door middel van gemeenschappelijk beoefende kansspelen aan de deelnemers de gelegenheid wordt gegeven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen. Er is afgezien van het opnemen van een eigen omschrijving, om te voorkomen dat aan een en hetzelfde begrip onbedoeld een verschillende uitleg kan worden gegeven. Artikel 3.105 Beperkende regel over waar wellness is toegestaan Artikel 3.105 bepaalt dat wellness uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wellness toegestaan'. In bijlage I is aangegeven dat onder wellness wordt verstaan een voorziening die is gericht op het aanbieden van faciliteiten voor ontspanning voor lichaam en geest in de vorm van combinaties van met name sauna, zwembaden, massageruimten, relaxruimten, zonnestudio's, of kapsalons.

82

Paragraaf 3.2.10 Seks en erotiek Subparagraaf 3.2.10.1 Prostitutiebedrijven Artikel 3.106 Toepassingsbereik PM Artikel 3.107 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf', toegestaan gebruik PM Artikel 3.108 Beperkende regel over waar raamprostitutie is toegestaan PM Artikel 3.109 Omvang en situering prostitutiebedrijf PM Subparagraaf 3.2.10.2 Seksinrichtingen Artikel 3.110 Toepassingsbereik PM Artikel 3.111 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting', toegestaan gebruik PM Artikel 3.112 Omvang en situering seksinrichtingen PM Artikel 3.113 Gereserveerd PM Artikel 3.114 Gereserveerd PM Artikel 3.115 Gereserveerd

Paragraaf 3.2.11 Agrarische bedrijven Subparagraaf 3.2.11.1 Veehouderijen en paardenfokkerijen Artikel 3.116 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.11 bevat regels over het gebruik voor agrarische activiteiten. Subparagraaf 3.2.11.1 gaat over veehouderijen en paardenfokkerijen. Artikel 3.116 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met 83

de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische activiteiten in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. In bijlage I wordt een omschrijving gegeven van wat wordt verstaand onder een paardenfokkerij. De omschrijving is gelijk aan die van productiegerichte paardenhouderij zoals gedefinieerd in de provinciale omgevingsverordening. Het gaat om een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Een nadere omschrijving van veehouderij is niet gegeven. Wat hieronder wordt verstaan, wordt voldoende duidelijk geacht. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.117 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', toegestaan gebruik Artikel 3.117 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', en over het daar toegestaan gebruik.

Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' als gebruiksdoel hebben het gebruik voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' gebruikt mogen worden voor een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.118 Beperking met betrekking tot intensieve veehouderijen Artikel 3.118 bevat een beperking voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij. Dat is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij. Daarbij is tevens bepaald dat ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. In bijlage I is opgenomen dat onder een intensieve veehouderij moet worden verstaan een intensieve veehouderij als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening.

Die omschrijft het als een nietgrondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij. Artikel 3.119 Beperking met betrekking tot opslag Artikel 3.119 bepaalt dat opslag uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. Artikel 3.120 Beperking met betrekking tot paardenbakken Artikel 3.120 bevat een beperking met betrekking tot paardenbakken, namelijk dat deze uitsluitend zijn toegestaan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. Daarbij is in het tweede lid bepaald dat de maximum bruto-vloeroppervlakte van de 84

paardenbak de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlak paardenbak’ bepaalde waarde bedraagt. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Is een dergelijke aanduiding niet opgenomen, dan geldt geen maximum oppervlakte. Artikel 3.121 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen Artikel 3.121 bepaalt dat de teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. In bijlage I is een definitie opgenomen van wat ruwvoedergewassen zijn. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf. Subparagraaf 3.2.11.2 Het telen van gewassen in de open lucht Artikel 3.122 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.11 bevat regels over het gebruik voor agrarische activiteiten. Subparagraaf 3.2.11.2 gaat over het telen van gewassen in de open lucht.

Artikel 3.122 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van het telen van gewassen in de open lucht. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.123 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', toegestaan gebruik Artikel 3.123 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' als gebruiksdoel hebben het gebruik voor agrarische activiteiten in de vorm van het telen van gewassen in de open lucht.

Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' gebruikt mogen worden voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht, niet zijnde bosbouw, sier- en fruitteelt. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.124 Beperking met betrekking tot opslag Artikel 3.124 bepaalt dat opslag uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. 85

Artikel 3.125 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Artikel 3.125 bevat een beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen. Die zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. In bijlage I is aangegeven dat onder teeltondersteunende voorzieningen worden verstaan voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen. Artikel 3.126 Vervallen Subparagraaf 3.2.11.3 Het telen van gewassen in een gebouw Artikel 3.127 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.11 bevat regels over het gebruik voor agrarische activiteiten. Subparagraaf 3.2.11.3 gaat over het telen van gewassen in een gebouw. Artikel 3.127 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw.

De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.128 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw', toegestaan gebruik In artikel 3.123 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw' als gebruiksdoel hebben de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw' gebruikt mogen worden voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen.

Artikel 3.129 Beperking met betrekking tot kassen Artikel 3.129 bepaalt dat kassen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas toegestaan'. Wat onder een kas moet worden verstaan is bepaald in bijlage I, waarbij wordt verwezen naar de provinciale omgevingsverordening. Daarin is opgenomen dat het gaat om een bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende

86

organismen. Op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een kas zijn uiteraard de regels in hoofdstuk 4 van toepassing. Artikel 3.130 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Artikel 3.125 bevat een beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen. Die zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. In bijlage I is aangegeven dat onder teeltondersteunende voorzieningen worden verstaan voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.

Paragraaf 3.2.12 Water Artikel 3.131 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.12 bevat regels over het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. Artikel 3.131 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Artikel 3.132 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik Artikel 3.132 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' bedoeld zijn voor waterberging, waterhuishouding en watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.

Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met waterbestemmingen. Tweede lid: In waterbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld zijn voor het realiseren van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals bruggen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, maar ook groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang, nutsvoorzieningen, ondergrondse infrastructurele voorzieningen en waterstaatkundige werken. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels.

Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaan. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan 87

worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.4. Dat volgt uit artikel 4.19 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 3.132. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Paragraaf 3.2.13 Verkeer Subparagraaf 3.2.13.1 Algemene regels over het gebruiksdoel verkeer Artikel 3.133 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.13 bevat regels over het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. Artikel 3.133 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Artikel 3.134 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik Artikel 3.134 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', en over het daar toegestaan gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187352/1