CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_artikelgewijs deel_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)50.099 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, OV-stations, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, publiek toegankelijke parkeergarages en publiek toegankelijke parkeerterreinen, overige parkeergelegenheid in de openbare ruimte, voet- en fietspaden, publiek toegankelijke fietsparkeergarages en publiek toegankelijke fietsparkeerterreinen, en pleinen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met bestemmingen Verkeer. In bestemmingsplannen werd daarbij vaak onderscheid gemaakt tussen verschillende verkeersbestemmingen, waarbij de ene bijvoorbeeld wel wegen of spoorwegen toestond, en de andere niet. Dit onderscheid is in dit omgevingsplan niet gemaakt. In subparagraaf 3.2.13.2 zijn regels opgenomen die specifiek bepalen waar bepaalde specifieke vormen van verkeer, zoals wegen en spoorwegen, wel en niet zijn toegestaan. Tweede lid: In verkeersbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd.

Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk geval bedoeld zijn voor het realiseren van de daar 88

aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, groenvoorzieningen en watervoorzieningen van ondergeschikte omvang en nutsvoorzieningen. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaan. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht.

Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.4. Dat volgt uit artikel 4.19 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 3.134. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. Subparagraaf 3.2.13.2 Aanvullende regels over waar wegen en spoorwegen zijn toegestaan Artikel 3.135 Beperkende regels over wegen Artikel 3.135 bevat beperkingen voor wegen.

Naast deze ruimtelijke beperkingen zijn in hoofdstuk 7 regels opgenomen over het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg. De in dat hoofdstuk opgenomen vergunningplicht is bedoeld om een beoordeling te kunnen doen op gevolgen voor geluidgevoelige bouwwerken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging van een gemeenteweg of waterschapsweg mogelijk maakt, aan bepaalde voorwaarden worden voldaan (artikel 5.78m Besluit kwaliteit leefomgeving). In hoofdstuk 7 wordt aan deze instructieregels gevolg gegeven. Dat betekent dat ook voor de aanleg van bijvoorbeeld een gemeenteweg ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan', behoudens in hoofdstuk 7 aangegeven uitzonderingen, een vergunningplicht geldt. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt in het eerste lid dat binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' wegen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of als een maximumsnelheid geldt van 30km/u. In die gevallen is een weg overal ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' toegestaan.

89

Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde is. Deze beperking geldt alleen ter plaatse van de genoemde aanduiding. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal hotelkamers. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Artikel 3.136 Beperkende regels over spoorwegen Artikel 3.136 bepaalt dat binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' wegen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg toegestaan'. Artikel 3.137 Beperkende regels over tram- en metrolijnen Artikel 3.137 bevat beperkingen voor waar binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' tram- en metrolijnen zijn toegestaan. Het eerste lid bepaalt dat bovengrondse metrolijnen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bovengrondse metro toegestaan'. Het tweede lid bepaalt dat ondergrondse metrolijnen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergrondse metro toegestaan'. Het derde lid bepaalt dat tramlijnen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'tram toegestaan'. Artikel 3.138 Vervallen

Subparagraaf 3.2.13.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling Artikel 3.139 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen Artikel 3.139 bevat regels met betrekking tot publiektoegankelijke parkeervoorzieningen. Met dit artikel wordt voor de gronden met het gebruiksdoel verkeer bepaald waar publiektoegankelijke parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gebouwde autoparkeervoorzieningen en parkeerterreinen (lid 2). Voor gebouwde parkeervoorzieningen is een regel opgenomen over waar die mogen komen. Voor parkeerterreinen geldt dat die overal ter plaatse van het gebruiksdoel verkeer zijn toegestaan. Wel kunnen daarbinnen locaties worden aangewezen die uitsluitend voor parkeerterrein zijn bedoeld. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat gebouwde publiektoegankelijke autoparkeervoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening’. Bij gebouwde autoparkeervoorzieningen moet gedacht worden aan de openbare autoparkeergarages waar tegen betaling door een ieder geparkeerd kan worden. Er kan ook sprake zijn van gebouwde parkeervoorzieningen die deels publiektoegankelijk zijn, deels behoren bij een ander gebruiksdoel. In dat geval zal aan de locatie behalve het gebruiksdoel verkeer nog een ander gebruiksdoel moeten zijn toegekend.

Indien bijvoorbeeld sprake is van een autoparkeergarage in een gebouw die door bewoners van de bovengelegen woningen kan worden gebruikt, maar die ook al dan niet deels publiektoegankelijk is, dan is (deels) sprake van een publiektoegankelijke autoparkeervoorziening, deels van een parkeervoorziening behorend bij het gebruiksdoel wonen. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein , de gronden moeten worden ingericht en gebruikt als parkeerterrein. Bij parkeerterreinen moet gedacht worden aan de P+R op Zeeburgereiland en het parkeerterrein in het Amsterdamse bos. Autoparkeervoorzieningen in de 90

openbare ruimte (denk aan parkeervakken langs een rijbaan) zijn niet uitsluitend binnen de aanduiding ‘parkeerterrein’ toegestaan, maar zijn zonder nadere aanduiding binnen het gebruiksdoel ‘verkeer’ toegestaan. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid bevatten elk een beperkende regels met betrekking tot het minimum respectievelijk maximum aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar moet of mag zijn voor publiektoegankelijk gebruik. Deze beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locaties. Artikel 3.140 Publiektoegankelijke (brom)fietsstalling Artikel 3.140 bevat enkele regels met betrekking tot publiektoegankelijke (brom)fietsstallingen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'publiektoegankelijke (brom)fietsstalling' een publiektoegankelijke (brom)fietsstalling moet worden gerealiseerd en in stand gehouden. Dit eerste lid betekent dat er een realisatieplicht geldt voor de aangegeven locatie. Het betekent niet dat publiektoegankelijke (brom)fietsstalling uitsluitend op die locaties zijn toegestaan. Publiektoegankelijke (brom)fietsstalling is ook elders toegestaan, voor zover dat in overeenstemming is met een aan de locatie gegeven gebruiksdoelen. Zo zijn voorzieningen voor fietsstalling (zoals fietsnietjes of fietsenrekken) ook elders toegestaan.

Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen’ het minimum aantal fietsstallingsplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde is.

Paragraaf 3.2.14 Groen Artikel 3.141 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.14 bevat regels over het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. Artikel 3.141 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Artikel 3.142 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik Artikel 3.142 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: In het eerste lid wordt bepaald dat locaties ter plaatse van de functie 'groen' bedoeld zijn voor groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.

Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met groenbestemmingen. Voor de gronden met een bestemming 'Groen' werd veelal in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat die waren bedoeld voor groenvoorzieningen. Groenvoorzieningen werden dan in veel gevallen omschreven als 91

groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval werden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. Deze omschrijving is als gebruiksdoel voor de gronden met de functie 'groen' overgenomen. Tweede lid: In groenbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de functie ‘groen’ mede bedoeld zijn voor het realiseren van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, die het gebruik daarvan ondersteunen, of die over het algemeen geen afbreuk aan die groenvoorzieningen en het gebruik ervan. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Denkbaar is bijvoorbeeld dat in bepaalde parken het uitbreiden van verhardingen niet gewenst is.

In dergelijke gevallen kan een beperkende maatwerkregel worden opgenomen die aan die gebieden wordt verbonden. Bij voorkeur worden dergelijke beperkingen, voor zover die specifiek betrekking hebben op gronden met de functie 'groen' en op de daarop betrekking hebbende regels, in dit regelonderdeel opgenomen. Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaan. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.4. Dat volgt uit artikel 4.19 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 3.142.

In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Paragraaf 3.2.15 Hoogspanningsverbindingen Artikel 3.143 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.15 bevat regels over hoogspanningsverbindingen. Artikel 3.143 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is in onderdeel a bepaald dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel van locaties met de aanduidingen ‘gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV’, 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' en ‘gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'. 92

In onderdeel b is bepaald dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruik van gronden en bouwwerken voor een hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger, en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Met dat laatste wordt één op één aangesloten op de formulering in artikel 5.159, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de in het eerste lid, onder a, bedoelde aanduidingen. Deze paragraaf geldt dus ter plaats van de aanduidingen ‘gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV’, 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' en ‘gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'. Artikel 3.144 Gebruiksdoel ter plaatse van de in artikel 3.143, eerste lid, onder a, bedoelde aanduidingen Artikel 3.144 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de in artikel 3.143, eerste lid, onder a, bedoelde aanduidingen, en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hoogspanningsverbinding' als gebruiksdoel hebben het gebruik als tracé van de hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger.

Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de in artikel 3.143, eerste lid, onder a, bedoelde aanduidingen gebruikt mogen worden gebruikt voor een hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. In combinatie met artikel 2.4, eerste lid, betekent dit dat hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger op andere locaties niet zijn toegestaan. Dat volgt overigens ook rechtstreeks uit artikel 2.5. Artikel 3.145 Beperkingen Artikel 3.145 bevat beperkende regels over waar bepaalde bovengrondse hoogspanningsverbindingen zijn toegestaan, en met betrekking tot locaties waar bovengrondse hoogspanningsverbindingen zijn toegestaan. Met deze beperkingen wordt een onderscheid aangebracht tussen bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van tenminste 220 kV en bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van 150 kV. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat een tracé voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV'.

Tweede lid: Het eerste lid bepaalt nog niet dat op de locatie met de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning niet zijn toegestaan. Gelet op artikel 5.159, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet dat wel gebeuren. Dat gebeurt in het tweede lid. Dat lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' 93

bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning dan van tenminste 220 kV niet zijn toegestaan. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat een tracé voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'. Vierde lid: Het derde lid bepaalt nog niet dat op de locatie met de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning niet zijn toegestaan. Dat gebeurt in het vierde lid. Dat lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning dan van 150 kV niet zijn toegestaan. Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat een tracé voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'. Zesde lid: Het zesde lid bepaalt nog niet dat op de locatie met de aanduiding 'gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning niet zijn toegestaan. Dat gebeurt in het zesde lid.

Dat lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning dan van 150 kV niet zijn toegestaan.

Paragraaf 3.2.16 Buisleidingen met gevaarlijke stoffen Artikel 3.146 Toepassingsbereik en oogmerk In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.16 bevat regels over buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Artikel 3.146 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’, en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Wat onder een buisleiding met gevaarlijke stoffen moet worden verstaan is in het vierde lid bepaald. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Derde lid: In het derde lid wordt het oogmerk van deze paragraaf benoemd, namelijk externe veiligheid. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen kunnen voor de omgeving veiligheidsrisico’s opleveren (brand, explosie en, afhankelijk van het stof, giftige wolk).

Om hiermee rekening te kunnen houden en de risico’s te kunnen beperken, zijn in deze paragraaf regels opgenomen voor het exploiteren van buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

94

Vierde lid: In het vierde lid wordt bepaald wat onder buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt verstaan. Hierbij is aangesloten bij de werkwijze in de landelijke regelgeving. In bijlage VII, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin de risicoactiviteiten worden benoemd, wordt ook een koppeling gelegd met artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving (zie onderdeel D, onder 2). In het betreffende onderdelen zijn buisleidingen met de volgende stoffen aangewezen: a. aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa; b. andere stoffen dan aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa, als het gaat om gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse: 1°. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP verordening; of 2°. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP verordening; c.

gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP verordening;

d. kooldioxide, zuurstof of stikstof, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa. Artikel 3.147 Gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' Artikel 3.147 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’, en over het daar toegestaan gebruik. In samenhang met artikel 2.4 en artikel 2.5 wordt hierbij geborgd dat buisleidingen met gevaarlijke stoffen alleen ter plaatse van de aanduiding “gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen” mogen geëxploiteerd worden. Gelet op de externe veiligheidsrisico’s van deze leidingen voor de omgeving is het wenselijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen niet overal, maar alleen ter plaatse van de nader aangeduide locaties plaats vindt. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’ als gebruiksdoel het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen hebben. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens allereerst dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’ gebruikt mogen worden ten behoeve van het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.148 Vergunningplicht voor het wijzigen van de leiding, de druk of de vervoerde stof Artikel 3.148 bevat een vergunningplicht voor de genoemde wijzigingen voor zover deze leiden tot een wijziging van het aandachtsgebied. De reden voor de vergunningplicht is dat bij wijziging aan de buisleiding (bv. van de diameter, wanddikte, diepte onder het maaiveld en materiaalsoort) of bij wijziging van de druk of de vervoerde stof kunnen de risico’s voor de omgeving wijzigen. De vergunningplicht zorgt ervoor dat die wijzigingen vooraf op aanvaardbaarheid kunnen worden beoordeeld. Het aandachtsgebied is een nieuw kernbegrip van de gemoderniseerde omgevingsveiligheid van het Rijk. De aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Om de risico’s te beperken is het verplicht om binnen de aandachtsgebieden rekening te houden met het groepsrisico (de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van 95

een ongewoon voorval veroorzaakt door een risicoactiviteit). Ook is het verplicht om binnen de brand- en explosieaandachtsgebieden voorschriftengebieden aan te wijzen (tenzij daarvan gemotiveerd wordt afgezien). Wil men in een voorschriftengebied een voor het verblijven van personen bestemd gebouw realiseren (ook wel genoemd een gebouw met beperkt tot zeer kwetsbare functies), dan zal men de in het Besluit bouwwerken leefomgeving bedoelde maatregelen moeten treffen om de gevolgen van brand of een explosie in dat gebied voor de personen die in dat gebouw verblijven te beperken. In aanvulling op verplichtingen op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving is het wenselijk om niet alleen te sturen op de locatie waar buisleidingen met gevaarlijke stoffen mogen geëxploiteerd worden, maar ook op wijzigingen van de leiding. Door deze wijzigingen kunnen immers de risico’s voor de omgeving veranderen waardoor er gebouwen of locaties binnen dat aandachtsgebieden kunnen komen te liggen, die daar ongewenst zijn of waar extra maatregelen moeten worden getroffen. In het Besluit activiteiten leefomgeving is het exploiteren van buisleidingen met gevaarlijke stoffen niet aangewezen als vergunningplichtige activiteit. In dat kader vindt er dus geen toetsing plaats op de gevolgen (risico’s) voor de omgeving.

Daarom wordt in het omgevingsplan een vergunningplicht in het leven geroepen. Door middel van dit instrument kunnen de ruimtelijke gevolgen van de wijziging beoordeeld worden. De vergunningplicht geldt alleen voor zover daardoor de ligging van het aandachtsgebied wijzigt. Bij overige wijzigingen zijn de ruimtelijke implicaties beperkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook voor andere risicoactiviteiten een vergunningplicht is opgenomen, namelijk in artikel 10.157. Omdat uit het toepassingsbereik van afdeling 10.2 (waaronder dat artikel valt) activiteiten in de openbare ruimte uitgezonderd zijn, is een aparte vergunningplicht voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen noodzakelijk. Artikel 3.149 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen Artikel 3.149 bevat de beoordelingsregels die op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vorig artikel van toepassing is. Voor de beoordeling van de omgevingsvergunning is aangesloten bij de relevante externe veiligheidsaspecten uit het toetsingskader voor milieubelastende activiteiten die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn. Het toetsingskader is opgenomen in artikel 8.9 t/m 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Eerste lid: In het eerste lid is het bepaalde onder artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder g, verwerkt.

Dit onderdeel ziet op het treffen van de nodige maatregelen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. Arbeidsveiligheid valt hierbuiten, nu dit niet de fysieke leefomgeving betreft. Tweede lid In het tweede lid is overeenkomstig artikel 8.10a, eerste lid, aanhef en onder c, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat de aanvraag in ieder geval getoetst wordt aan het groepsrisico. Hierbij worden toegelaten gebouwen en locaties meegenomen, dus ook nog niet aanwezige gebouwen en locaties. Derde lid: In het derde lid wordt overeenkomstig artikel 8.10a, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat bij de toetsing aan het groepsrisico wordt rekening gehouden met de aandachtsgebieden. In artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de verschillende categorieën van aandachtsgebieden aangewezen en begrensd. Artikel 3.150 Vergunningvoorschriften Op grond van artikel 4.5 van de Omgevingswet kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden worden indien hiervoor expliciet de mogelijkheid is opgenomen in het omgevingsplan. 96

Daartoe dient artikel 3.150. Bij een aanvraag die tot een verruiming van het aandachtsgebied leidt, kan de bebouwde omgeving binnen het aandachtsgebied of de binnen dat gebied toegelaten gebouwen of locaties ertoe leiden dat aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor worden verbonden ter bescherming van personen in die gebouwen of op die locaties. Artikel 3.151 Aanvraagvereisten Eerste lid: Om de beoordeling als bedoeld in artikel 3.150 te kunnen maken heeft het bevoegd gezag de gegevens nodig zoals genoemd in het eerste lid. De gegevens bedoeld in onderdeel b dient de leidingbeheerder ‘voorhanden’ te hebben op grond van artikel 4.1115, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal bevat geen verplichting om deze aan te leveren bij het bevoegd gezag. Indien deze gegevens reeds zijn aangeleverd (uit eigen beweging of op verzoek) aan het bevoegd gezag, dan hoeven ze niet nog een keer verstrekt te worden gelet op artikel 16.55, vijfde lid van de Omgevingswet. Tweede lid: Gelet op artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet kunnen bij ministeriële regeling meet- en rekenvoorschriften worden gesteld over activiteiten waarvoor in het omgevingsplan regels zijn gesteld. Artikel 4.12 van de Omgevingsregeling bevat regels voor het berekenen van aandachtsgebieden.

In dit omgevingsplan hoeft in principe geen verwijzing opgenomen te worden naar deze rekenbepaling. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Paragraaf 3.2.17 Ambulante handel, anders dan venten Artikel 3.152 Toepassingsbereik Artikel 3.152 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een ambulante handel. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. In Bijlage I is bepaald dat onder ambulante handel wordt verstaan straathandel, uitgeoefend op een markt of op een staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt, niet zijnde venten. Deze omschrijving bevat zelf ook een aantal begrippen die in Bijlage I worden omschreven. 

Onder een markt wordt verstaan een markt, bedoeld in de Marktverordening. Daarin is bepaald dat het gaat om een door het college aangewezen gedeelte van de openbare weg bestemd voor het uitoefenen van de markthandel door ten minste zeven vergunninghouders.

Onder een staan- of ligplaats ambulante handel wordt verstaan een plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend.

Onder venten wordt verstaan venten, bedoeld in de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten. Daarin is bepaald dat het gaat om het uitoefenen van de ambulante handel, anders dan op een markt-, staan- of ligplaats, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van klanten nodig is. 97

Met de bepalingen in deze paragraaf is aangesloten bij de ‘Marktverordening’ en de ‘Verordening staanen ligplaatsen buiten de markt en venten’. Venten wordt niet in dit onderdeel geregeld, en ook elders wordt dit niet geregeld in het Omgevingsplan Amsterdam, omdat venten de fysieke leefomgeving niet wijzigt. Voor venten is wel een vergunning op grond van de ‘Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten’ verplicht. Artikel 3.153 Gebruiksdoel van gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' Artikel 3.153 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt welke locaties als gebruiksdoel ambulante handel hebben. Het gaat om de locaties waaraan de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel' is gegeven. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel' gebruikt mogen worden ten behoeve van ambulante handel, waarbij de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht moeten worden genomen.

Artikel 3.154 Maatwerkvoorschriften Artikel 3.154 bepaalt dat ter plaatse van locaties met het gebruiksdoel ambulante handelen door het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften vastgesteld kunnen worden over de uitoefening van ambulante handel. Maatwerkvoorschriften kunnen vastgesteld worden ter voorkoming van onaanvaardbare hinder voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Artikel 3.155 Waar markten zijn toegestaan Artikel 3.155 bepaalt waar de te onderscheiden categorieën markten zijn toegestaan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat een dagmarkt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘dagmarkt’. In Bijlage I is bepaald dat onder een dagmarkt wordt verstaan een markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat een weekmarkt uitsluitend is toegestaan te plaatse van de aanduiding ‘weekmarkt’. In Bijlage I is bepaald dat onder een weekmarkt wordt verstaan een markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat een periodieke markt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘periodieke markt’. In Bijlage I is bepaald dat onder een periodieke markt wordt verstaan een markt die gedurende maximaal 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden.

Artikel 3.156 Waar staan- of ligplaatsen ambulante handel buiten de markt zijn toegestaan Artikel 3.156 bepaalt dat ambulante handel vanaf een staan- of ligplaats voor ambulante handel uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt’. Zoals in Bijlage I is aangegeven wordt onder een staan- of ligplaats ambulante handel verstaan een plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend. Handel vanuit een kiosk wordt niet gezien als ambulante handel, maar als detailhandel. 98

Artikel 3.157 Maximum aantal marktplaatsen, staan- of ligplaatsen buiten de markt Artikel 3.157 bevat beperkende regels over het aantal marktplaatsen of staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal marktplaatsen’ het maximum aantal marktplaatsen de daar bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend ter plaatse van de aangegeven aanduiding. In de regel zal deze beperking op de meeste markten niet gelden omdat de locatie waarbinnen de markt mag plaatsvinden middels de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' precies is aangegeven, maar de grootte van de marktplaatsen (stallen) kan variëren. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel’ het maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel de daar bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend ter plaatse van de aangegeven aanduiding. Dat zal het geval zijn als de locatie met de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel', teneinde flexibiliteit te bieden, ruim bemeten is en het niet in de bedoeling ligt die hele locatie maximaal voor staan- of ligplaatsen te benutten.

Paragraaf 3.2.18 Volkstuinparken Artikel 3.158 Toepassingsbereik Artikel 3.158 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op (a) het gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’, en (b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een volkstuinpark. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. Artikel 3.159 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark’, toegestaan gebruik Eerste lid: Artikel 3.159, eerste lid bepaalt welke locaties als gebruiksdoel volkstuinpark hebben. Het gaat om de locaties waaraan de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark' is gegeven. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark' gebruikt mogen worden ten behoeve van een volkstuinpark, waarbij de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht moeten worden genomen.

99

Artikel 3.160 Gebruik van een gebouw als verenigingsgebouw Artikel 3.160 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘verenigingsgebouw’ een gebouw voor ontmoeting en administratie van de volkstuinvereniging is toegestaan. Zonder nadere horecaaanduiding en eventuele alcoholwetvergunning is de activiteit horeca niet toegestaan. Artikel 3.161 Gebruik van een gebouw als gemeenschappelijk gebouw Artikel 3.161 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘gemeenschappelijk gebouw’ een gebouw is toegestaan voor stalling en opslag van gemeenschappelijke machines en voorraden. Artikel 3.162 Beperkende regel over overnachten op volkstuinparken Het eerste lid bepaalt dat overnachten alleen is toegestaan op de eigen volkstuin. Overnachten door anderen dan de huurder van de volkstuin (i.e. het lid van het volkstuinpark) is daarmee niet toegestaan, om bed & breakfast, verhuur aan derden en verhuur als hotelkamer te voorkomen. In het verlengde van het algemene reglement van de Bond van volkstuinders wordt onder overnachten op de eigen volkstuin, naast overnachten door de huurder tevens verstaan overnachten door diens partner, de ouders van de huurder en van de partner, alsmede door de kinderen van de huurder en van de partner. Het tweede lid bepaalt dat overnachten niet is toegestaan waar dit als zodanig is aangeduid.

Hierdoor is alleen op de verblijfsrecreatieve volkstuinparken overnachten toegestaan en dus niet op de dagrecreatieve volkstuinparken en op de nutstuinparken.

Paragraaf 3.2.19 Darkstores [gereserveerd] Paragraaf 3.2.20 Locaties bedoeld voor het houden van evenementen [gereserveerd] Paragraaf 3.2.21 Kampeerterreinen en vakantieparken [gereserveerd] Paragraaf 3.2.22 Horeca [gereserveerd] Paragraaf 3.2.23 Bos [gereserveerd] Paragraaf 3.2.24 Natuur [gereserveerd] Paragraaf 3.2.25 Vergader- en congresfaciliteiten [gereserveerd]

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187352/1