3 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_artikelgewijs deel_versie 14 september 2022.docx
Tekst van het document
een onderwijsfunctie. De leeftijd van de doelgroep en de verblijfsduur is over het algemeen wel anders dan bij het reguliere middelbaar- en hoger beroepsonderwijs. De redenen om voor ook het reguliere middelbaar- en hoger beroepsonderwijs vestigingsbeperkingen op te nemen, zijn niet van toepassing op het geven van avondonderwijs. Dat is overal toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. Artikel 3.30 Ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen Artikel 3.30 bevat specifieke regels over het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum. Er is daarom afgezien van begripsomschrijvingen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ziekenhuis toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw.
Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat een ziekenhuis, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Ziekenhuizen kunnen bepaalde effecten op de omgeving hebben. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een ziekenhuis gevestigd mag worden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Artikel 3.31 Verpleeghuizen en verzorgingshuizen Artikel 3.31 bevat specifieke regels over verpleeghuizen en verzorgingshuizen.
Bijlage I bevat begripsbepalingen voor een verpleeghuis of verzorgingshuis. Onder een verpleeghuis wordt verstaan een voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling. Onder een verzorgingshuis wordt verstaan een voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat een verpleeghuis of verzorgingshuis uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een woonfunctie en gebouwen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een 54
gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat een verpleeghuis of verzorgingshuis, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Artikel 3.32 Overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie Artikel 3.32 bevat specifieke regels over overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie.
In bijlage I is bepaald dat hieronder worden verstaan instellingen met een gezondheidszorgfunctie, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover die niet vallen onder artikel 3.30 en artikel 3.31 van dit omgevingsplan. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie, voor zover die een bedgebied hebben, uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige instellingen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie toegestaan'. Is sprake van een instelling met een gezondheidszorgfunctie zonder een bedgebied, dan geldt deze beperking niet. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan, in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. In het kader van dat is een gezondheidszorgfunctie een gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling. Om niet alle gezondheidszorgfuncties – zoals praktijken van huisartsen of voor fysiotherapie – geluidgevoelig te maken, is er in het Besluit kwaliteit leefomgeving voor gekozen om alleen gezondheidszorgfuncties met bedgebied aan te wijzen. Bedgebieden zijn een bijzondere categorie verblijfsgebieden.
In een bedgebied ligt ten minste één bedruimte, maar er kunnen daarnaast ook andere (verblijfs)ruimten liggen. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn.
55
Artikel 3.33 Kinderboerderijen Artikel 3.33 bepaalt dat binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' kinderboerderijen alleen ter plaatse van de aanduiding ‘ kinderboerderij’ zijn toegestaan. Kinderboerderijen kunnen vanwege de te houden dieren leiden tot overlast voor omwonenden. Dat maakt dat een kinderboerderij niet overal is toe te staan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een kinderboerderij. Er is daarom afgezien van een begripsomschrijving. Artikel 3.34 Begraafplaatsen Artikel 3.34 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' begraafplaatsen zijn toegestaan. Een begraafplaats is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een begraafplaats gevestigd mag worden. Artikel 3.35 Crematoria Artikel 3.35 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' crematoria zijn toegestaan.
Een crematorium is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een crematorium gevestigd mag worden. Subparagraaf 3.2.2.3 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan Artikel 3.36 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' Artikel 3.36 bevat een locatiespecifieke beperking voor maatschappelijke dienstverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een school(werk)tuin toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder een school(werk)tuin wordt verstaan het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie. Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn op de bedoelde locatie niet toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een school(werk)tuin toegestaan.
Artikel 3.37 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' Artikel 3.37 bevat een locatiespecifieke beperking voor maatschappelijke dienstverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een kinderboerderij toegestaan. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een kinderboerderij. Er is daarom afgezien van een begripsomschrijving. Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn op de bedoelde locatie niet toegestaan.
Paragraaf 3.2.3 Zakelijke en administratieve dienstverlening (kantoor) Artikel 3.38 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.3 bevat regels over zakelijke en
56
administratieve dienstverlening. Artikel 3.38 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. Artikel 3.39 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', toegestaan gebruik Artikel 3.39 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder zakelijke en administratieve dienstverlening wordt verstaan.
Het gaat om een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie. Dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied moet ruim worden geïnterpreteerd, in die zin dat het ook gaat om dienstverlening naar de samenleving toe. Dat wil zeggen dat ook overheidsinstellingen zoals rechtbanken, stads(deel)kantoren, politiebureaus, en dergelijke onder de reikwijdte van deze afdeling vallen. In al deze gevallen wordt in hoofdzaak ‘kantoorwerk’ verricht. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening' als gebruiksdoel zakelijke en administratieve dienstverlening hebben. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening' gebruikt mogen worden ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Derde lid: Van zakelijke en administratieve dienstverlening moet worden onderscheiden consumentgerichte dienstverlening, zoals dat wordt gereguleerd in paragraaf 3.2.4.
Het onderscheid zit hem met name in het feit dat consumentgerichte dienstverlening in hoofdzaak betrekking heeft op rechtstreeks contact met consumenten, terwijl dit rechtstreeks contact binnen zakelijke en administratieve dienstverlening incidenteel is. Het derde lid maakt expliciet dat dit gebruik niet in overeenstemming is met het in het eerste lid bedoelde gebruiksdoel. Consumentgerichte dienstverlening op een locatie waar zakelijke en administratieve dienstverlening is daardoor alleen toegestaan wanneer met toepassing van paragraaf 3.2.4 aan de locatie ook de functie 'consumentgerichte dienstverlening' is gegeven. Artikel 3.40 Omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening Artikel 3.40 bevat regels over de omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. 57
Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak zakelijke en administratieve dienstverlening dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan' zakelijke en administratieve dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan. Artikel 3.41 Beperkingen met betrekking tot baliefuncties Op grond van artikel 3.41 kunnen beperkingen gelden voor baliefuncties. Bepaalde vormen van zakelijke en administratieve dienstverlening zullen een baliefunctie nodig hebben. Bij zakelijke en administratieve dienstverlening moet het wel gaan om een ondergeschikte baliefunctie.
Daarbij kan worden gedacht aan overheidsinstellingen waarbij hoofdzakelijk administratieve taken aan het bureau plaatsvinden, maar die een publieksloket hebben, aan rechtbanken, maar ook aan bankfilialen met een baliefunctie. In bepaalde gevallen is het echter noodzakelijk daaraan beperkingen te stellen, of ze zelfs geheel uit te sluiten. Op grond van het eerste lid kunnen baliefuncties op een specifiek aangeduide locatie geheel uitgesloten zijn. Op basis van het tweede lid kunnen baliefuncties zijn toegestaan, maar uitsluitend in de eerste bouwlaag (op de begane grond). Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Artikel 3.42 Aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten Artikel 3.42 bevat regels over het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het aanbieden van vergader- en congresfaciliteiten aan derden is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van zakelijke en administratieve dienstverlening.
Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, of wanneer de bedrijfsvoering zelfs uitsluitend is gericht op het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen, dan is paragraaf 3.2.24 van toepassing. Tweede lid: Op grond van het tweede lid kunnen wel beperkingen gelden. Die beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locatie. De beperkingen hebben nadrukkelijk betrekking op het aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten. Voor zover beperkingen zijn gesteld, gelden die niet voor de eigen vergader- en congresruimten voor eigen gebruik.
Paragraaf 3.2.4 Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening Subparagraaf 3.2.4.1 Algemene regels over detailhandel en consumentgerichte dienstverlening Artikel 3.43 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.4 bevat regels over detailhandel 58
en consumentgerichte dienstverlening. Artikel 3.43 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening' en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder detailhandel wordt verstaan. Het gaat om het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan in hoofdzaak consumenten. Onder de omschrijving van detailhandel vallen ook een eetwinkel, zijnde een vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van niet ter plaatse bereide etenswaren en/of drankjes, voor in hoofdzaak directe consumptie, en een traiteur, zijnde een vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren en/of drankjes voor niet-directe consumptie. Dat is niet het geval bij een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten.
In de begripsomschrijving is bepaald dat dit niet valt onder detailhandel. Bij die activiteit is sprake van horeca. In artikel 3.46 wordt hierop wel een uitzondering gemaakt, maar dan moet het wel gaan om een ondergeschikte omvang. In bijlage I is verder bepaald wat in dit omgevingsplan onder consumentgerichte dienstverlening wordt verstaan. Het gaat om het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact aan consumenten, zoals bankfilialen met hoofdzakelijk een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en naar de aard daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening. Onder consumentgerichte dienstverlening kunnen dus ook vormen van bijvoorbeeld juridische of financiële dienstverlening worden, waarbij het onderscheid ten opzichte van zakelijke en administratieve dienstverlening met name zit in de mate van rechtstreeks contact met de consument. Het betreft een nietlimitatieve opsomming, waarbij ruimte bestaat voor interpretatie. Voor specifieke gevallen die niet worden genoemd, moet aan de hand van de aard van het geval worden beoordeeld of deze vergelijkbaar is met de wel genoemde gevallen, en dus is toegestaan. Daarbij moet met name worden gekeken naar de gevolgen op de fysieke leefomgeving en de gevoeligheid voor effecten vanuit de fysieke leefomgeving.
Mochten zich gevallen voordoen waarover twijfel blijft bestaan, of waarover zich maatschappelijke discussie voordoet, dan kan worden overwogen de hier opgenomen opsomming aan te vullen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een groot aantal van de regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. Artikel 3.44 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening', toegestaan gebruik Artikel 3.44 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening' als gebruiksdoel detailhandel en consumentgerichte dienstverlening hebben. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: 59
detailhandel en consumentgerichte dienstverlening' gebruikt mogen worden ten behoeve van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.45 Omvang en situering van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening Artikel 3.45 bevat regels over de omvang en situering van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel en consumentgerichte dienstverlening' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening mag worden gebruikt de ter plaatse van die aanduiding bepaalde waarde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.
Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin detailhandel en consumentgerichte dienstverlening is toegestaan' geldt dat detailhandel en consumentgerichte dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen detailhandel en consumentgerichte dienstverlening is toegestaan. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel' geldt dat de maximum brutovloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt de ter plaatse van die aanduiding bepaalde waarde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend detailhandel. De aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin detailhandel is toegestaan' geldt dat detailhandel uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend detailhandel. De aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde.
Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen detailhandel is toegestaan. Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte consumentgerichte dienstverlening' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van consumentgerichte dienstverlening mag worden gebruikt de ter plaatse van de aanduiding bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend consumentgerichte dienstverlening. De aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Zesde lid: Het zesde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening is toegestaan' geldt dat consumentgerichte dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend consumentgerichte 60
dienstverlening. De aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen consumentgerichte dienstverlening is toegestaan. Artikel 3.46 Ondergeschikte verkoop van ter plaatse bereide etenswaren [gereserveerd] Artikel 3.47 Het verstrekken van etenswaren en dranken [gereserveerd] Artikel 3.48 Locaties waar detailhandel niet is toegestaan of waar uitsluitend een afhaaldepot van goederen is toegestaan Artikel 3.48 wijst locaties aan binnen de functie 'detailhandel en consumentgerichte dienstverlening' waar detailhandel niet is toegestaan, of waar uitsluitend een afhaaldepot van goederen is toegestaan. Eerste lid: Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn weliswaar vormen van gebruik die vaak naast elkaar binnen winkelgebieden aanwezig zijn, maar waar detailhandel in beginsel uitsluitend binnen winkelgebieden is toegestaan, kan daarbuiten wel consumentgerichte dienstverlening gewenst zijn. Dit artikel voorziet erin dat op de locaties waaraan de aanduiding 'detailhandel niet toegestaan' is gegeven, wel consumentgerichte dienstverlening mag plaatsvinden, maar geen detailhandel. Tweede lid: Binnen de omschrijving van detailhandel kan het leveren van goederen als zelfstandige activiteit worden gezien als detailhandel. Binnen bepaalde detailhandelconcepten is voorzien in een apart afhaaldepot.
De elders of elektronisch gekochte goederen kunnen dan in dat afhaaldepot worden opgehaald. Wanneer op een dergelijke locatie detailhandel wordt toegestaan zonder enige restrictie, zou dat afhaaldepot kunnen worden omgezet naar een volwaardige detailhandelslocatie. Dat is niet altijd gewenst. In dat geval kan aan de locatie de aanduiding ‘uitsluitend afhaaldepot goederen’ zijn gegeven. Het tweede lid voorziet erin dat ter plaatse van die aanduiding uitsluitend het leveren aan de consument van elders of elektronisch aangekochte goederen toegestaan. Hiermee is het omzetten naar volwaardig detailhandel of consumentgerichte dienstverlening op die locatie uitgesloten. Subparagraaf 3.2.4.2 Vormen van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties Artikel 3.49 Beperkende regel over waar loketverkoop is toegestaan In subparagraaf 3.2.4.2 zijn beperkende regels opgenomen over vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan. Artikel 3.49 bepaalt dat dit geldt voor loketverkoop. Loketverkoop is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'loketverkoop toegestaan'. In bijlage I is bepaald dat onder loketverkoop wordt verstaan het verkopen van goederen of eetwaren vanuit de gevel van een gebouw gelegen aan de openbare weg.
Dit sluit aan op de definities die hiervoor in bestemmingsplannen werden gehanteerd. Artikel 3.50 Beperkende regel over waar sekswinkels zijn toegestaan In subparagraaf 3.2.4.2 zijn beperkende regels opgenomen over vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan. Artikel 3.50 bepaalt dat dit geldt voor sekswinkels. Die zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sekswinkel toegestaan'. In bijlage I is bepaald dat onder een sekswinkel wordt verstaan een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotischpornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd. Hiermee wordt aangesloten op de omschrijving zoals die in de Algemene Plaatselijke Verordening is opgenomen.
61
Artikel 3.51 Gereserveerd Artikel 3.52 Beperkende regel over waar een verkooppunt motorbrandstoffen is toegestaan In subparagraaf 3.2.4.2 zijn beperkende regels opgenomen over vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan. Artikel 3.52, eerste lid, bepaalt dat dit geldt voor de verkoop van motorbrandstoffen. De verkoop daarvan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan'. Het tweede lid vult hierop aan dat ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan' de verkoop van LPG uitsluitend toegestaan is ter plaatse van de aanduiding 'verkoop LPG toegestaan'. Artikel 3.52a Beperkende regel over waar smartshops, headshops, seedshops, growshops en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel en / of consumentgerichte dienstverlening zijn toegestaan Artikel 3.52a bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een smartshop, headshop, seedshop, growshop en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel en / of consumentgerichte dienstverlening zijn niet toegestaan, met uitzondering van de onder a tot en met d genoemde gevallen.
Artikel 3.52b Beperkende regel over waar geldwisselkantoren zijn toegestaan Artikel 3.53a bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een geldwisselkantoor uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘geldwisselkantoor’. Artikel 3.52c Beperkende regel over waar telefoneerinrichtingen en belhuizen zijn toegestaan Artikel 3.53a bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een telefoneerinrichting of belhuis uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘telefoneerinrichting’. Artikel 3.52d Beperkende regel over waar internetcafés zijn toegestaan Artikel 3.53a bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een internetcafé uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘internetcafé’.
Subparagraaf 3.2.4.3 Regels over supermarkten Artikel 3.53 Beperkende regels over waar supermarkten en mini-supermarkten zijn toegestaan In subparagraaf 3.2.4.3 zijn regels opgenomen die specifiek betrekking hebben op supermarkten. Artikel 3.53 bevat regels over waar supermarkten zijn toegestaan, en over locaties waar uitsluitend supermarkten zijn toegestaan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt toegestaan’. Dat betekent dat waar detailhandel is toegestaan, een supermarkt in beginsel niet is toegestaan, tenzij dit expliciet middels een aanduiding een van beide aanduidingen is mogelijk gemaakt. In bijlage I is bepaald dat onder een supermarkt wordt verstaan een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht en waarbij het winkelvloeroppervlak meer dan 300 m2 bedraagt. Met het minimum van 300 m2 winkelvloeroppervlak wordt een onderscheid gemaakt ten opzichte van mini-supermarkten. Met het begrip winkelvloeroppervlak is aangesloten op de gemeentelijk detailhandelsbeleid. Het begrip wordt uitsluitend gebruikt om een supermarkt te definiëren. Gebruikmaking van het bruto-vloeroppervlak zou 62
als nadeel hebben dat daaronder ook magazijnruimten worden verstaan. Blijkens het detailhandelsbeleid is bepalend het winkelvloeroppervlak. Voor zover artikel 3.45 beperkingen stelt aan de omvang van detailhandel, en beperkingen ook van toepassing zijn op supermarkten, dan is heeft dat maximum wel betrekking op de bruto-vloeroppervlakte. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat mini-supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'minisupermarkt toegestaan'. In het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad is aangegeven dat een mini-supermarkt een supermarkt is van circa 300 m2 winkelvloeroppervlak. Analoog daaraan is in bijlage I bepaald dat onder een mini-supermarkt wordt verstaan een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht, met een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2. Met het maximum van 300 m2 winkelvloeroppervlak onderscheid de mini-supermarkt zich van de 'gewone' supermarkt. Het onderscheid tussen een supermarkt en een mini-supermarkt wordt bepaald door normatief element, namelijk de omvang winkelvloeroppervlak. Tot en met 300 m is sprake van een mini-supermarkt, daarboven is sprake van een supermarkt.
In het verleden werd niet in alle stadsdelen hetzelfde onderscheid gevoerd. Zo is in bestemmingsplannen in de binnenstad bepaald dat sprake is van een minisupermarkt wanneer het bruto bedrijfsvloeroppervlak niet meer dan 400 m² bedraagt. Voor zover in concrete gevallen sprake is van een winkelvloeroppervlak dat groter is dan 300 m2, dan kan bij het vervangen van het bestemmingsplan gekozen worden voor de aanduiding 'supermarkt toegestaan', in combinatie met een beperking van het maximum bruto-vloeroppervlakte voor een supermarkt tot 400 m2. Artikel 3.55, eerste lid, biedt die mogelijkheid. Voor zover in dat geval ook een kleiner winkelvloeroppervlak aanvaardbaar is, dan kan aan de locatie ook nog de aanduiding 'mini-supermarkt toegestaan' worden gegeven. Voor zover in concrete gevallen sprake is van een winkelvloeroppervlak dat 300 m of kleiner is, dan kan aan de locatie de aanduiding 'minisupermarkt toegestaan' worden gegeven, in combinatie met een beperking van het maximum bruto-vloeroppervlakte voor een minisupermarkt tot 400 m2. Artikel 3.56, eerste lid, biedt die mogelijkheid. Artikel 3.54 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan Artikel 3.54 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend supermarkt toegestaan' detailhandel alleen in de vorm van een supermarkt is toegestaan.
Daarbij is expliciet bepaald dat consumentgerichte dienstverlening als zelfstandige activiteit niet is toegestaan. Artikel 3.55 Omvang en situering van supermarkten Artikel 3.55 bevat regels over de omvang en situering van specifiek supermarkten. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Deze beperkingen zijn aanvullend op eventuele beperkingen over omvang en situering van detailhandel in zijn algemeenheid. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak supermarkt dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een supermarkt is 63
toegestaan' een supermarkt uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen een supermarkt is toegestaan. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal supermarkten' het maximum aantal supermarkten de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Artikel 3.56 Omvang en situering van mini-supermarkten Artikel 3.55 bevat regels over de omvang en situering van specifiek mini-supermarkten. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Deze beperkingen zijn aanvullend op eventuele beperkingen over omvang en situering van detailhandel in zijn algemeenheid. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak mini-supermarkt dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte mini-supermarkt'.
Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een mini-supermarkt is toegestaan' een mini-supermarkt uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen een mini-supermarkt is toegestaan. Subparagraaf 3.2.4.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan Artikel 3.57 Locaties bedoeld voor grootschalige detailhandelsvestigingen en perifere detailhandel Subparagraaf 3.2.4.4 bevat regels over locaties waar specifiek aangegeven vormen van detailhandel zijn toegestaan, met uitsluiting van andere vormen van detailhandel. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat deze vormen van detailhandel elders niet zijn toegestaan. Vanwege de fysieke beperkingen kunnen deze vormen van detailhandel op reguliere detailhandelslocaties praktisch gezien niet plaatsvinden. Het is om die reden dat ze op andere locaties dan reguliere detailhandelslocaties kunnen worden toegestaan, waarbij reguliere detailhandel wordt uitgesloten.
Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend grootschalige detailhandel’ detailhandel alleen in de vorm van grootschalige detailhandel is toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder een grootschalige detailhandelsvestiging wordt verstaan een winkel met een winkelvloeroppervlak van minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche. Met deze omschrijving wordt aangesloten op het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. In de tweede volzin is bepaald dat shop-in-shop en verkoop van dagelijkse artikelen binnen een grootschalige detailhandelsvestiging niet zijn toegestaan. Hiermee wordt aangesloten op het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend perifere detailhandel’ detailhandel 64
alleen in de vorm van perifere detailhandel is toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder perifere detailhandel wordt verstaan een winkel die vooral volumineuze artikelen (goederen) verkoopt, uitsluitend voor zover het betreft detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, op het gebied van woninginrichting, waaronder de verkoop van keukens, badkamers en meubelen, en detailhandel in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten en tuincentra. Vanwege de volumineuze aard van de goederen zijn deze niet goed inpasbaar is in de reguliere winkelcentra. Het is daarom dat dergelijke vormen worden toegestaan op perifere locaties. Andere vormen van detailhandel zijn hier niet toegestaan. Het zevende lid bepaalt dat ook consumentgerichte dienstverlening als zelfstandige activiteit niet is toegestaan. Derde tot en met zesde lid: Niet overal waar perifere detailhandel is toegestaan, kunnen alle vormen van perifere detailhandel worden toegestaan. Om diverse redenen kan een bepaalde mate van branchering noodzakelijk zijn. In het tweede tot en met vijfde lid worden waar nodig die beperkingen aangebracht. Hiermee wordt aangesloten op het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. Daarbij wordt opgemerkt dat de verkoop van auto's, boten, caravans en tenten (ABC-goederen) en tuincentra in dat beleid niet worden genoemd.
Vanwege de aard en omvang ervan, een gegeven het feit dat ook die vormen van detailhandel op grond van geldende juridische regelingen veelal zijn gevestigd op zogenoemde PDV-locaties, zijn deze vormen van detailhandel in dit artikel ondergebracht. Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend ABC-goederen’ uitsluitend de verkoop van auto's, boten, caravans en tenten is toegestaan. Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend woninginrichting’ uitsluitend de verkoop van artikelen op het gebied van woninginrichting, waaronder keukens, badkamers en meubelen, is toegestaan. Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend bouwmarkt’ uitsluitend doe-het-zelf bouwmarkten zijn toegestaan. Het zesde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend tuincentrum’ uitsluitend tuincentra zijn toegestaan. Deze beperkingen zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Zevende lid: Het zevende lid bepaalt voor alle in het eerste tot en met zesde lid genoemde locaties dat consumentgerichte dienstverlening als zelfstandige activiteit niet is toegestaan.
Achtste lid: Het achtste lid bepaalt dat als aan een locatie meerdere van de in lid 1 tot en met lid 6 bedoelde aanduidingen zijn gegeven, dat dan op die locatie al de desbetreffende vormen van detailhandel zijn toegestaan, met uitsluiting van overige vormen van detailhandel. De regels in lid 1 tot en met 6 staan elk een specifieke vorm van detailhandel toe, met uitsluiting van andere vormen van detailhandel. Het kan echter voorkomen dat op één locatie meerdere van de in lid 1 tot en met lid 6 genoemde vormen van detailhandel zijn toegestaan. Bijvoorbeeld zowel een bouwmarkt als een tuincentrum. Elk van de leden sluit dan de vorm van perifere detailhandel die op grond van het andere lid is toegestaan, uit. Het achtste lid voorkomt dat, en maakt duidelijk dat in dat geval beide vormen van perifere detailhandel zijn toegestaan.
Paragraaf 3.2.5 Bedrijf (Industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport Subparagraaf 3.2.5.1 Algemene regels over bedrijven Artikel 3.58 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over bedrijven. Artikel 3.58 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
65
Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. Wat onder ‘bedrijf wordt verstaan in deze paragraaf is omschreven in artikel 3.59. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. Derde lid: In het derde lid is bepaald wat onder bedrijf in deze paragraaf moet verstaan worden. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze paragraaf. In het algemeen spraakgebruik (en dus ook in andere afdelingen of hoofdstukken in dit omgevingsplan) wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan. Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, distributie en groothandel van goederen.
Omwille van de leesbaarheid van deze paragraaf wordt in dit artikel bepaald dat in deze paragraaf onder het begrip bedrijf uitsluitend een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren van goederen en de distributie en groothandel van goederen moet verstaan worden. Met deze afbakening van wat onder een bedrijf bedoeld in deze paragraaf (bedrijf in enge zin) wordt verstaan, wordt aangesloten bij de begripsbepaling die doorgaans in Amsterdamse bestemmingsplannen werd gebruikt. Omdat het begrip 'bedrijf' elders in dit omgevingsplan terugkomt met een ruimere betekenis, is ervan afgezien de begripsomschrijving in bijlage I op te nemen. De omschrijving in het derde lid geldt uitsluitend deze paragraaf. Vierde lid: In het vierde lid is is bepaald dat het verhuren van goederen in hoofdzaak aan consumenten niet onder het begrip van bedrijf valt. Die activiteit valt onder detailhandel. Vijfde lid: In IV is een Lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen. Deze lijst is een essentieel element in de regeling milieuhinder zoals opgenomen in subparagraaf 3.2.5.2. Door het gebruik van deze begripsbepaling wordt voorkomen dat in iedere regel waarin de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt benoemd de vindplaats ervan (bijlage IV) vermeld hoeft te worden. Dat komt de leesbaarheid van de betreffende regels ten goede.
De toepassing van de Lijst van bedrijfsactiviteit is nader toegelicht bij artikel 3.60. Artikel 3.59 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', toegestaan gebruik Artikel 3.59 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf' als gebruiksdoel de uitoefening van een bedrijf hebben. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf' gebruikt mogen worden ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen.
66
Artikel 3.60 Regels over omvang en situering bedrijf Dit artikel bevat regels over de omvang en situering van een bedrijf. Met het eerste lid kunnen locatiegericht beperkingen worden gesteld aan de omvang van het totale bedrijvenprogramma in een groter gebied of per perceel. Er kunnen ook beperkingen gesteld worden aan de situering van een bedrijf in een gebouw, namelijk op de begane grond (twee lid). Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Uiteraard kan het bedrijf dan nog in omvang zijn beperkt vanwege de maxima die gelden voor de bebouwing (maximum bouwhoogte, bebouwingspercentage of bouwvlak). Subparagraaf 3.2.5.2 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bedrijf in verband met milieuhinder Artikel 3.61 Vergunningplicht voor bedrijf In subparagraaf 3.2.5.2 wordt een vergunningplicht in het leven geroepen voor het oprichten van een bedrijf en het wijzigen van de bedrijfsvoering van een bedrijf. Daarbij worden uitzonderingen op die vergunningplicht aangegeven, en bevat het onderdeel beoordelingsregels en aanvraagvereisten. De vergunningplicht, zoals opgenomen in artikel 3.61, is nieuw. Alvorens inhoudelijk op dit artikel in te gaan, volgt hieronder eerst een onderbouwing voor de keuze een vergunningplicht op te nemen.
Eerste lid: In het eerste lid is een verbodsbepaling opgenomen om zonder omgevingsvergunning een bedrijf op te richten of wijzigen. Het verbod geldt niet voor bedrijven die op het moment van de gelding van deze paragraaf reeds bestonden. Deze bedrijven kunnen zonder vergunning hun bestaande bedrijfsvoering voortzetten. Het verbod heeft wel betrekking op het wijzigen van de bedrijfsvoering van (bestaande en nieuwe) bedrijven. Tweede lid: Wijzigingen in de bedrijfsvoering die niet leiden tot meer uitstoot van geluid, geur en stof behoeven eveneens geen vergunning. Omdat de vergunningplicht ingesteld is om te kunnen sturen op de milieuhinder van nieuwe activiteiten, is er geen aanleiding om 'milieuneutrale' wijzigingen te beoordelen. Artikel 3.62 Uitzondering vergunningplicht voor toegestane milieuhindercategorieën Nieuwe bedrijven (of bestaande bedrijven die hun bedrijfsvoering willen wijzigen) hebben in beginsel een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bedrijf nodig. De verbodsbepaling geldt echter niet voor bedrijven waarvan de bedrijfsactiviteiten op grond van dit artikel zijn toegestaan. Via dit artikel wordt dus een grote groep bedrijven toegelaten die zich zonder vergunning mogen vestigen. Op alle locaties waar bedrijven worden toegelaten, wordt tevens door middel van een aanduiding de maximale milieuhindercategorie voor bedrijven bepaald.
Hoe hoger de maximale milieuhindercategorie is, hoe meer milieuhinder te verwachten valt. Een bedrijf dat zich op een bepaalde locatie wil vestigen dient dus niet alleen na te gaan of de locatie het gebruiksdoel ‘bedrijf’ heeft, maar ook of het voldoet aan de maximale milieuhindercategorie zoals op die locatie via de aanduiding aangegeven. Hierbij moet men de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV raadplegen. Mocht een bedrijf hoger ingeschaald zijn in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, dan kan dat bedrijf per omgevingsvergunning alsnog toegestaan worden als de milieugevolgen gelet op de concrete bedrijfsvoering vergelijkbaar zijn met die van de toegestane categorieën (zie artikel 3.64). Ook bedrijven die niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voorkomen, kunnen onder dezelfde voorwaarden toegestaan worden. Artikel 3.63 Uitzondering vergunningplicht ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging' Voor gemengde gebieden is een afwijkende regeling opgenomen aangezien hier nadere nuancering van de milieuhindercategorieën nodig is. Gelet op de geringe afstand tussen bron en ontvanger is immers de 67
kans op hinder door bedrijven voor de omgeving groter in gemengde gebieden. Daarom is het van belang om terughoudend te zijn met het toestaan van nieuwe bedrijven (toestaan van wijzigingen van bestaande bedrijven). Onder het voormalige recht was het gebruikelijk om in bestemmingsplannen in gemengde gebieden bedrijven toe te staan die vielen in de milieuhindercategorie 1 en 2, en in sommige gevallen ook in 3.1 onder voorwaarden. Uit de praktijk is gebleken dat op deze milieuhindercategorieën ook bedrijven bevatten die potentieel relatief veel milieuhinder kunnen veroorzaken waardoor ze minder passen in een gemengd gebied. Daarom is de lijst van bedrijfsactiviteiten met milieuhindercategorie 1, 2 en 3.1 doorgelicht en beoordeeld van welke bedrijven in ieder geval geen onaanvaardbaar milieuhinder is te verwachten. Het resultaat hiervan is een relatief korte lijst zoals opgenomen in dit artikel. Bovendien heeft deze korte lijst het voordeel dat het op één oogopslag helder is welke bedrijven uitgezonderd zijn van de vergunningplicht van artikel 3.61, zonder dat men de Lijst van bedrijfsactiviteiten hoeft te raadplegen of dat men hoeft te beoordelen of er wordt voldaan aan de criteria. De lijst in dit artikel kan na voortschrijdend inzicht aangepast worden. Het valt aan te nemen dat in de toekomst meer bedrijven toegevoegd kunnen worden.
Zoals in de toelichting op artikel 3.60 reeds uitgelegd, ziet de verbodsbepaling van dat artikel alleen op het oprichten van nieuwe bedrijven (of het wijzigen van de bedrijfsvoering van bedrijven). Bedrijven die in een gemengd gebied reeds gevestigd zijn maar niet op de korte lijst staan, kunnen uiteraard zonder meer hun huidige bedrijfsvoering voortzetten. Omdat de lijst in dit artikel korter dan wat doorgaans in bestemmingsplannen in gemengde gebieden werd toegestaan, heeft dit enig gevolg voor de gebruiksmogelijkheden. Dit gevolg is echter relatief beperkt. Door middel van de omgevingsvergunning voor het (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit bedrijf kan men een bedrijf alsnog toestaan indien er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria zoals opgenomen in artikel 3.64. Bedrijven die daaraan niet voldoen kunnen door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten worden waarbij wordt getoetst aan het criterium van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 3.64 Beoordelingscriteria omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bedrijf Zoals in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.60 reeds opgemerkt, kunnen bedrijven die niet voldoen aan de criteria van de vorige artikelen met een omgevingsvergunning toegestaan worden.
Het gaat om bedrijven die (a) in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in een hogere milieuhindercategorie vallen dan ter plaatse toegestaan, (b) in die lijst niet voorkomen of (c) niet in artikel 3.62 zijn genoemd. Ad (a): De milieuhindercategorieën zijn gebaseerd op de gemiddelde bedrijfsvoering van een gemiddeld bedrijf met een bepaalde bedrijfsactiviteit. Deze categorieën geven dus slechts een indicatie van de te verwachten milieuhinder. Hierbij zijn vooral de aspecten geluid, geur en stof bepalend. Voor externe veiligheid zijn specifieke regels in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen die dit onderwerp voldoende regelen. Bij concrete initiatieven kan de indeling in de Lijst van bedrijfsactiviteiten soms ‘te hoog’ uitvallen (bv. als het betreffende bedrijf extra geluidarme apparatuur gebruikt). In dergelijk geval kan een bedrijf alsnog toegelaten door middel van de omgevingsvergunning. Een vergelijkbare mogelijkheid bestond ook voorheen in bestemmingsplannen (binnenplanse afwijkmogelijkheid). Ad (b): Hoewel de Lijst van bedrijfsactiviteiten een uitgebreide lijst is, staan niet alle denkbare bedrijfsactiviteiten daarop. Dat betekent echter niet dat activiteiten die niet op de Lijst staan per definitie nergens welkom zijn. Dergelijke activiteiten kunnen per omgevingsvergunning op aanvraag alsnog toegelaten worden door middel van een omgevingsvergunning.
Ad (c): In artikel 3.63 zijn bedrijfsactiviteiten benoemd waarvan in ieder geval aannemelijk is dat ze geen onaanvaardbaar hinder zullen veroorzaken. Bedrijven die niet in dat artikel zijn benoemd kunnen ook aantonen dat ze vergelijkbare geluid-, geur- en stofemissies hebben als de bedrijven die wel benoemd zijn. In artikel 3.64 zijn de beoordelingscriteria vastgelegd. Zoals in de toelichting op artikel 3.61 reeds beschreven, vindt bij het toekennen van het gebruiksdoel bedrijf aan een betreffende locatie de 68
beoordeling plaats of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Bij dat toekennen van het gebruiksdoel bedrijf op een concrete locatie wordt ook de toegestane milieuhindercategorie bepaald. Daarmee worden bedrijven uit de toegestane milieuhindercategorie (of lager) in beginsel aanvaardbaar gevonden. Het ligt dan ook in de rede om ook andere bedrijven met dezelfde geluid-, geur- en stofbelasting aanvaardbaar te vinden. Daarom kan de vergunning op grond van dit artikel worden verleend als een bedrijf niet meer uitstoot veroorzaakt dan bedrijven die van de vergunningplicht uitgezonderd zijn. Als het bedrijf meer uitstoot veroorzaakt, dan kan het alleen door middel van een buitenplanse vergunning worden toegelaten. Hiervoor wordt beoordeeld of bij de zwaardere milieugevolgen toch nog sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 3.65 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bedrijf In dit artikel zijn de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bedrijf vastgelegd. Deze zijn globaal omschreven. In een vooroverleg tussen initiatiefnemer en de behandelende ambtenaar kan besproken hoe gedetailleerde informatie benodigd is. In sommige gevallen zal volstaan kunnen worden met een kwalitatieve beschrijving, in andere gevallen zal een uitgebreid onderzoek nodig zijn.
Artikel 3.66 Voorschriften omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bedrijf Om te borgen dat de milieueffecten van een bedrijf daadwerkelijk beperkt blijven tot die van de rechtstreeks toegestane bedrijven, kunnen aan de vergunningvoorschriften gebonden worden. Hierbij worden voorbeelden gegeven van mogelijke vergunningvoorschriften. Als verplichte maatregel (als bedoeld in onderdeel a) kan gedacht worden aan het toepassen van geluidarme apparatuur of het realiseren van een geluidscherm. De beperking van de bedrijfsactiviteit kan bestaan uit beperking van openingstijden of beperking van duur of frequentie van bepaalde hindergevende processen. Door middel van aanwijzingen kan het bevoegd gezag bv. de locatie van bepaalde geluidbronnen verplicht voorschrijven. Subparagraaf 3.2.5.3 Vormen van bedrijf die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties Artikel 3.67 Beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan Artikel 3.67 bevat een beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan. Eerste lid: Uit het eerste lid volgt dat het gaat om bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen. Dergelijke bedrijven zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'risicobedrijf toegestaan'.
De vestiging van een bedrijf dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving als risicovolle activiteit is aangewezen betekent veiligheidsrisico’s voor de omgeving (personen en objecten). Om deze risico’s te beperken, worden beperkingen aan het gebruik van gronden in de omgeving gesteld. Gelet hierop kunnen risicobedrijven alleen op nader aangewezen locaties zich gaan vestigen. Ter plaatse van de aanduiding ‘risicobedrijven toegestaan’ kunnen dus nieuwe risicoactiviteiten starten. Bij de vestiging van deze bedrijven is daarnaast een melding of nadere toestemming vereist (omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning op grond van Hoofdstuk 10 van dit omgevingsplan). In voorkomende gevallen worden de risico’s vooraf beperkt door in het omgevingsplan een aandachtsgebied toe te laten waaraan vergunningaanvragen kunnen worden getoetst. Meer over de risico’s en beperkingen kunt u lezen in paragraaf 9.8 Omgevingsveiligheid van het Algemene deel van de toelichting.
69
Tweede lid: Het tweede lid bevat uitzonderingen waarop het eerste lid niet van toepassing is. Allereerst zijn windturbines uitgesloten van toepassing van het eerste lid. Hoewel windturbines ook in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen, zijn deze uitgezonderd voor de toepassing van dit artikel. Voor windturbines gelden beperkingen op grond van artikel 3.70. De veiligheidsrisico's bij het toelaten van windturbines wordt bij toepassing van dat artikel afgewogen. In onderdeel b en c zijn uitzonderingen opgenomen voor gasdrukregel- en meetstations en voor propaantanks. Dit zijn risicoactiviteiten die als ondersteunende activiteit veelvuldig voorkomen bij een andere (hoofd)activiteit. Deze activiteiten kunnen overal in de stad voorkomen en vanuit ruimtelijk oogpunt is er geen noodzaak om locaties aan te wijzen waar deze activiteiten mogen worden verricht. Dit uiteraard voor zover de externe veiligheidsrisico’s beperkt voor de omgeving beperkt blijven. Daarvoor zijn in beide onderdelen een tweetal voorwaarden opgenomen. Voor gasdrukregel- en meetstations en voor propaantanks bevat het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels met het oog op waarborgen van externe veiligheid. Zo zijn in tabel 4.421, respectievelijk in tabel 4.899 afstanden opgenomen die verplicht aangehouden moeten worden tot (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties.