3 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_artikelgewijs deel_versie 14 september 2022.docx
Tekst van het document
Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
35
Artikel 2.55 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk Artikel 2.55 komt in de plaats van artikel 22.18 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is ongewijzigd. In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht (‘kapstokartikel’) heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hiermee heeft het bevoegd gezag een ‘kapstok’ om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn geregeld. Eerste lid De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk.
Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar. De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen. Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn: a. als sprake is van geluidhinder; b. als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen; c.
als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;
d. als sprake is van een illegale hennepkwekerij; e. als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen); f.
als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
Tweede lid Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen. Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn. 36
Artikel 2.56 Regel die bepaalt in welke gevallen huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan Artikel 2.56 bepaalt in welke gevallen huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan, maar geeft tevens situaties aan waarin dat niet het geval is. Eerste lid Het eerste lid, komt in de plaats van en is inhoudelijk gelijk aan artikel 22.36, onder c, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. In het eerste lid is geregeld dat het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan. Dit is inhoudelijk gelijk aan het bepaalde in artikel 2, lid 22, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Tweede lid Het tweede lid bevat uitzonderingen op het eerste lid vanwege het belang van de externe veiligheid. Vanwege externe veiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels opgenomen. Met het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan deze instructieregel, opgenomen in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties.
De beperkingen in het tweede lid krijgen toepassing nadat aan de betreffende zones de in het tweede lid genoemde aanduidingen zijn gegeven. De beperking dat het eerste lid niet van toepassing is, geldt immers alleen ter plaatse van de in het tweede lid, onder a tot en met f, genoemde onderdelen. Het verbinden van die aanduidingen aan de betreffende zones zal gebiedsgewijs gebeuren, bij het vervangen van nog geldende ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan. Tot het moment dat die ruimtelijke besluiten zijn vervallen, wordt met het derde lid voorzien in een overgangsregeling. Derde lid Het derde lid, onderdelen a en b, komt in de plaats van en is inhoudelijk gelijk aan artikel 22.39 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Onderdeel c is daaraan toegevoegd. Ook het derde lid bevat uitzonderingen op het eerste lid vanwege het belang van de externe veiligheid. De in dit lid opgenomen uitzonderingen gelden daar waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is komen te vervallen. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
Ook hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover het eerste lid betrekking heeft op die gebouwen is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht. Het derde lid bepaalt dat in dat geval het eerste lid niet van toepassing is. Tenzij op grond van bepalingen elders in dit omgevingsplan alsnog toegestaan, betekent dit dat mantelzorg binnen die zones in strijd is met dit omgevingsplan, en dat een buitenplanse omgevingsvergunning of wijziging van het omgevingsplan is vereist.
37
Het gaat in de eerste plaats om de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 2.55, derde lid, onder a, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Dat zal gebiedsgewijs bij het vervangen van dit tijdelijk deel bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gebeuren. Tot dat dit gebeurd is blijft de bepaling zoals die bij wijze van bruidsschat was opgenomen in artikel 22.39 van toepassing, zij het dat die bepaling is verplaatst naar dit derde lid.
Daarbij is de bepaling in artikel 22.39, onder a, komen te vervallen, omdat die situatie zich binnen Amsterdam niet voordoet. Artikel 2.56, derde lid, onder b, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in het eerste lid uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede ‘voor zover … van toepassing is’ in de verschillende subonderdelen van artikel 2.56, derde lid, onder c, brengt dat tot uitdrukking.
Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn. Bij de opsomming van activiteiten in het derde lid, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in het derde lid, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was.
Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in het derde lid, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van het derde lid, onder c, buiten beschouwing te laten.
38
Paragraaf 2.5.3 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen (heel par. 22.2.5 BS) Artikel 2.57 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken Artikel 2.57 komt in de plaats van artikel 22.19 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is ongewijzigd. Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.
Eerste lid Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.
In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling ‘stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn’ van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen. In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 2.57. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt. Tweede lid Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter.
De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een 39
geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld ‘ontvlambaar’) en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld ‘niet roken tijdens het gebruik’). Derde lid In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c). Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten. Vierde lid Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend.
Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter. Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.
Vijfde lid In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen. Artikel 2.58 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen Artikel 2.58 komt in de plaats van artikel 22.20 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is ongewijzigd. In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit. Deze zorgplicht (‘kapstokartikel’) heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan.
Hiermee heeft het bevoegd gezag een ‘kapstok’ om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, 40
gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel. De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar. De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen. Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn: a.
als sprake is van lawaaihinder; b. als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen; c.
als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;
d. als sprake is van een illegale hennepkwekerij; e. op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen); f.
als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen. Artikel 2.59 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Artikel 2.59 komt in de plaats van artikel 22.21 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is ongewijzigd. Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk.
Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last 17 onder bestuursdwang of een last onder
41
de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
42
Hoofdstuk 3: Ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken Afdeling 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Toepassingsbereik Artikel 3.1 bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken. Daarmee wordt een invulling gegeven aan regulering van gebruik zoals we dat onder oud recht in de vorm van een 'bestemming' en de daarop betrekking hebbende 'gebruiksregels' kenden. Het aan de locatie gegeven gebruiksdoel, en de regels over gebruik van gronden en bouwwerken, vormen het uitgangspunt voor de regulering van wat kan worden gekenschetst als planologisch gebruik. Artikel 3.2 Vervallen
Artikel 3.3 Gereserveerd Artikel 3.4 Gereserveerd Artikel 3.5 Gereserveerd Artikel 3.6 Gereserveerd Artikel 3.7 Gereserveerd
Afdeling 3.2 Gebruiksdoelen van locaties, toegestaan gebruik en regels over dat gebruik � Paragraaf 3.2.1 Wonen Subparagraaf 3.2.1.1 Algemene regels over wonen Artikel 3.8 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.1 bevat regels over wonen. Artikel 3.8 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder wonen wordt verstaan. Het gaat om het benutten van een woonruimte ten behoeve van bewoning en de het daarbij benutten van de daarbij behorende gronden en opstallen. Wonen wordt niet alleen gereguleerd door het omgevingsplan, maar ook door de Huisvestingsverordening. Met het gebruik van begrippen en de definitie ervan wordt zo veel als mogelijk aangesloten op de Huisvestingsverordening. Om die reden zal worden gebruik gemaakt van het begrip woonruimte in plaats van woning.
Deze afdeling reguleert ook het gebruik van het bij de woonruimte behorende erf en de daarop staande opstallen. Hiermee wordt het gebruik van het bij de woning behorende erf dus eveneens gereguleerd door de regels in dit onderdeel.
43
Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. Artikel 3.9 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', toegestaan gebruik In artikel 3.9 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' als gebruiksdoel wonen heeft. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' gebruikt mogen worden ten behoeve van wonen. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Derde lid: Het derde lid tot slot bepaalt dat een ander gebruik van woonruimte of van de daarbij behorende opstallen dan voor wonen, uitsluitend is toegestaan voor zover dat in deze paragraaf is aangegeven, en met inachtneming van de daarvoor geldende regels. Het gaat daarbij onder meer om regulering van de uitoefening van een beroep aan huis, maar ook over bijvoorbeeld het aanbieden van Bed & Breakfast.
Artikel 3.10 Omvang en situering van wonen Artikel 3.10 bevat regels over de omvang en situering van wonen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak wonen dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte wonen'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan' maatschappelijke dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Vierde lid: In het vierde lid is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan' wonen niet toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de 44
digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Artikel 3.11 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf In artikel 3.11 is een aantal regels opgenomen over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf. Deze regels zijn aanvullend op de algemene regels die betrekking hebben op het gebruik van erven, zoals opgenomen in artikel 2.10. Artikel 2.10 blijft daarbij onverminderd van toepassing. Eerste lid: Het eerste lid verbiedt om bij een woonruimte behorende bijgebouwen te gebruiken voor bewoning. In bijlage I is bepaald dat onder een bijgebouw wordt verstaan een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. Hierin verschilt het bijgebouw met een aanbouw of uitbouw. Kort gezegd: een schuur mag worden gebruik als schuur, maar niet voor bewoning. In artikel 2.55 wordt hierop overigens een uitzondering gegeven met betrekking tot huisvesting in verband met mantelzorg. Tweede lid: Het tweede lid bevat een verbod om motorrijtuigen op het bij woonruimte behorend erf te parkeren, tenzij het bijbehorende erf daarvoor klaarblijkelijk bedoeld is.
Dat verbod is nodig omdat binnen het gebruik van een erf, zoals dat in artikel 2.10 voor alle vormen van planologisch gebruik wordt geregeld, parkeren op eigen erf wordt beschouwd als normaal gebruik van het erf. Voor gronden met als gebruiksdoel 'wonen' geldt de in het tweede lid opgenomen uitzondering. Parkeren op eigen erf mag slechts a) binnen een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk (denk aan een garage/carport) of b) buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan. Hiervan is sprake indien er bijvoorbeeld inritten aanwezig zijn en daarmee een aansluiting op de openbare weg. Derde lid: In uitzonderingsgevallen kan het (denk bijvoorbeeld aan een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) vanwege de aansluiting van het eigen erf op die openbare ruimte mogelijk zijn dat er op eigen erf geparkeerd wordt, maar is dit toch niet wenselijk. Het derde lid voorziet in die gevallen in de mogelijkheid om parkeren op eigen terrein uit te zonderen. Vierde lid: Tot slot bepaalt het vierde lid dat het verbod voor parkeren op eigen terrein niet geldt voor motorrijtuigen met twee wielen of een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Daaronder wordt verstaan een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is. Artikel 3.12 Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis Artikel 3.12 reguleert de uitoefening van een beroep of een bedrijf aan huis. Eerste lid: Het is niet ongebruikelijk dat woonruimte wordt gebruikt voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huist. Daaraan worden wel bepaalde grenzen gesteld. Deze zijn opgenomen in het eerste lid, namelijk a) dat het gebruik van de woonruimte ten behoeve van bewoning overheersend blijft en b) dat het beroep of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend. In bestemmingsplannen werd het gebruik van een woning voor de uitoefening van een beroep of bedrijf ook binnen bepaalde grenzen toegestaan. En ook de Huisvestingsverordening voorziet hierin. Daarbij 45
worden wel verschillende begrippen en randvoorwaarden gesteld. Zo is op grond van de Huisvestingsverordening geen onttrekkingsvergunning vereist voor een gebruik van woonruimte als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar onder voorwaarde dat de bestemming tot bewoning overheersend blijft. In bestemmingsplannen werd veelal gesproken van een beroep of bedrijf aan huis, en werd vaak een maximum percentage gesteld. Bestemmingsplannen onderling verschilden daarbij sterk. In dit artikel is ervoor gekozen de lijn van de Huisvestingsverordening te volgen. Ook bij de verschillende regelingen in bestemmingsplannen gaat het er in hoofdzaak om dat het gebruik van de woonruimte ten behoeve van bewoning overheersend blijft. Dit is als eerste vereiste in het eerste lid, onder a, opgenomen. De beperking dat het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door de eigenaar, zoals opgenomen in de Huisvestingsverordening, is niet overgenomen. Er zijn met het oog op de doelen van de Omgevingswet geen redenen om huurders van deze mogelijkheid uit te sluiten. Dat laat onverlet dat privaatrechtelijk of vanuit de Huisvestingsverordening beperkingen op dit punt gelden. Wel is opgenomen dat het de bewoner zelf is die het beroep of bedrijf uitoefent. Dat laat onverlet dat deze wel ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsuitoefening personeel in dienst kan hebben.
Het is dus niet uitsluitend de bewoner die werkzaam mag zijn, maar wel zo dat het beroep of bedrijf door de bewoner moet worden uitgeoefend. De mogelijkheid voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is als algemene regel geformuleerd. Er geldt geen vergunningplicht. Het is in beginsel aan de bewoner zelf om te bepalen dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Hoewel gewerkt wordt met een open norm (namelijk dat het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning overheersend blijft) lijkt deze norm niet problematisch. Mocht dit nodig blijken, dan kan alsnog worden overgegaan tot een beleidsregel die aan de open norm een invulling geeft. Tweede lid: Het tweede lid sluit het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis uit indien dat gepaard gaat met geluidhinder of geurhinder. Derde lid: Het derde lid maakt dat het uitoefenen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening niet is toegestaan. Vierde en vijfde lid: In het vierde lid is een bijzondere zorgplicht opgenomen voor degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent, namelijk datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis, te voorkomen. In het vijfde lid is de mogelijkheid opgenomen tot het geven van een maatwerkvoorschrift om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
Overigens wordt opgemerkt wordt dat de milieuregels zoals opgenomen in hoofdstuk 10 ook van toepassing zijn op beroep en bedrijf aan huis. Onder oud recht viel een beroep of bedrijf aan huis onder het begrip ‘inrichting’ (“elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”). Het Activiteitenbesluit milieubeheer was echter niet op alle vormen van bedrijf of beroep aan huis van toepassing. Hiervoor was mede bepalend of het betreffend bedrijf of beroep onder een aangewezen categorie viel zoals opgenomen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht. Voor bedrijven en beroepen die onder oud recht onder een aangewezen categorie vielen, verandert er weinig. Ze moeten na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voldoen aan de regels die in dit omgevingsplan zijn opgenomen (en indien van toepassing: aan het Besluit activiteiten leefomgeving). Deze regels komen vrijwel overeen met de regels van het Activiteitenbesluit. Voor bedrijven en beroepen die niet onder een aangewezen categorie vallen, betekent echter dat deze ook aan de milieuregels moeten voldoen. Deze verandering komt doordat het centrale begrip van de 46
Omgevingswet ‘milieubelastende activiteit’ is dat een veel breder scope heeft dan het Activiteitenbesluit. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor de niet aangewezen beroepen en bedrijven in het huidig recht de Algemene Plaatselijke Verordening tevens bepalingen bevat om hinder voor de omgeving te voorkomen. Gelet hierop verandert voor deze bedrijven en beroepen aan huis in feite ook weinig. Artikel 3.13 Beperkende regel over waar short stay is toegestaan In artikel 3.13 is het huidig beleid met betrekking tot short stay geeffectueerd, dat kort gezegd inhoud dat geen medewerking wordt verleend aan nieuwe short stay. Short stay is uitsluitend toegestaan daar waar dit (vanwege eerdere toestemming) is bepaald. Deze locaties dienen te zijn aangewezen met de aanduiding 'short stay toegestaan'. In bijlage I is bepaald dat onder short stay wordt verstaan het structureel aanbieden van een zelfstandige woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een (1) week en maximaal zes (6) maanden. Voor het overige wordt de woning als woonruimte gebruikt. Artikel 3.14 Garageboxen In dit artikel zijn enkele regels met betrekking tot garageboxen opgenomen. In bijlage I is bepaald dat onder een garagebox wordt verstaan een gebouw, in hoofdzaak bedoeld voor het stallen van vervoermiddelen.
Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox’ geldt dat daar uitsluitend één of meerdere garageboxen ten behoeve van wonen zijn toegestaan. Dit artikel is opgenomen omdat een garagebox een gebouwde parkeervoorziening is ten behoeve van een bepaald hoofdgebruik. Dat hoofdgebruik kan wonen zijn. In dat geval wordt aan de locatie van de betreffende garagebox het gebruiksdoel wonen gegeven. Garageboxen ten behoeve van dat hoofdgebruik wonen kunnen op het bij het hoofdgebouw behorend erf staan, maar ze kunnen ook op een separate locatie staan. Om zeker te maken dat in dat geval het gebouw wordt gebruikt als garagebox, kan aan de locatie de aanduiding ‘garagebox’ worden gegeven. Tweede lid: Een garagebox kan ook op het woonperceel zelf zijn gelegen. Het kan gaan om een vrijstaand gebouw, of om een tegen het hoofdgebouw aangelegen gebouw. Er kan dan sprake zijn van een directe verbinding met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. In dat geval is sprake van een aan- of uitbouw. Om in dat geval te voorkomen dat een garagebox als woonruimte kan worden gebruikt, kan aan de locatie de aanduiding ‘garagebox’ worden gegeven. Het tweede lid bepaalt dan dat het gebruik van de garagebox voor bewoning niet is toegestaan. Dat geldt uiteraard ook voor locatie met de aanduiding ‘garagebox’ die is gelegen buiten het woonperceel.
Subparagraaf 3.2.1.2. Regels over specifieke woonvormen en doelgroepen Artikel 3.15 Locaties aangewezen voor bedrijfswoningen Artikel 3.15 regelt de aanwijzing van woonruimte als bedrijfswoning. In bijlage I is bepaald dat onder een bedrijfswoning wordt verstaan een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is. Hiermee wordt aangesloten op de begripsomschrijving zoals die in de provinciale omgevingsverordening wordt gehanteerd, zij het dat het begrip 'de bestemming' is vervangen door 'het gebruiksdoel'.
47
Eerste lid: In het eerste lid is gesteld dat het benutten van woonruimte als bedrijfswoning uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat waar een bedrijfswoning is toegestaan, woonruimte ook uitsluitend als bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen. Met andere woorden, de functionele binding dient behouden te blijven. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. Het vierde lid maakt als uitzondering op het derde lid mogelijk dat ter plaatse van de aanduiding 'twee bedrijfswoningen toegestaan' twee bedrijfswoningen toegestaan. Vierde lid: Het vierde lid vormt een uitzondering op het derde lid, en geldt ter plaatse van de aanduiding ‘ twee bedrijfswoningen toegestaan’. Op locaties met die aanduiding zijn twee bedrijfswoningen toegestaan. Artikel 3.16 Locaties aangewezen voor studentenhuisvesting Artikel 3.16 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend studentenwoningen' woonruimte uitsluitend mag worden benut voor studentenhuisvesting. De regel beoogt specifieke woonlocaties voor bewoning door studenten te behouden. In bijlage I is bepaald dat onder een studentenwoning wordt verstaan een studentenwoning, bedoeld in de Huisvestingsverordening.
Daarin is bepaald dat het betreft een woonruimte die door burgemeester en wethouders is erkend als studentenwoning en die wordt verhuurd met een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 3.17 Locaties aangewezen voor zorgwoningen Artikel 3.17 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ zorgwoning’ woonruimte uitsluitend gebruikt mag worden als zorgwoning. De regel beoogt de specifieke woonlocatie voor zorgwoningen te behouden. In bijlage I is bepaald dat onder een zorgwoning wordt verstaan een woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen.
48
Artikel 3.18 Gereserveerd Artikel 3.19 Gereserveerd Artikel 3.20 Gereserveerd Artikel 3.21 Gereserveerd Subparagraaf 3.2.1.3 Regels over activiteiten waarvoor een vergunningplicht op grond van de Huisvestingsverordening geldt Artikel 3.22 Het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor het aanbieden van Bed and Breakfast In subparagraaf 3.2.1.3 wordt voor bepaalde activiteiten een link gelegd naar de Huisvestingsverordening, en de daarin opgenomen vergunningplicht. Een van die activiteiten betreft het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor Bed and Breakfast, waarover in artikel 3.22 de volgende regels zijn gesteld. Eerste lid: Het eerste lid maakt dat het verboden is woonruimte te gebruiken voor het aanbieden van Bed and Breakfast, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning is verleend. De ratio hierachter is dat bij de afweging in het kader van die vergunningplicht de gevolgen op de omgevingskwaliteit volledig worden betrokken. Een aparte vergunningplicht op grond van het omgevingsplan is daarmee overbodig. Wanneer op grond van de Huisvestingsverordening de benodigde vergunning is verleend, dan is de activiteit ook op grond van dit omgevingsplan toegestaan.
Het zondermeer toestaan van Bed and Breakfast, ervan uitgaande dat regulering door middel van de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening plaatsvindt, is geen goede keuze, omdat in geval van nieuw te bouwen woningen een deel dat direct na oplevering voor Bed and Breakfast zou worden gebruikt geen onderdeel uitmaakt van de woonruimte, zodat de Huisvestingsverordening daarop niet van toepassing is. De Huisvestingsverordening geldt namelijk alleen wanneer iets een woonruimte is of is geweest. De Huisvestingsverordening geldt immers alleen voor woonruimten. Wanneer een ruimte binnen een woning direct voor Bed and Breakfast wordt gebruikt, heeft het deze functie niet (gehad) en geldt de Huisvestingsverordening niet. Wat onder Bed and Breakfast wordt verstaan, is bepaald in bijlage I. Daarin is opgenomen dat het gaat om het ter plaatse van de functie wonen tegen betaling in gebruik geven van: a. een onzelfstandige woonruimte binnen een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte; b. bij zelfstandige woonruimte behorende opstallen voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte. Deze omschrijving wijkt af van die in de Huisvestingsverordening. Dat is nodig omdat de Huisvestingverordening alleen van toepassing is op woonruimte, maar niet op de daarbij behorende gronden en opstallen.
Omdat het omgevingsplan daarop wel betrekking heeft, is het bepaalde onder b toegevoegd. Tweede lid: Het tweede lid maakt dat het verboden is Bed & Breakfast aan te bieden in de bij woonruimte behorende bijgebouwen. In bijlage I is bepaald dat onder een bijgebouw wordt verstaan een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. Hierin verschilt het bijgebouw met een aanbouw of 49
uitbouw. De huisvestingsverordening ziet op woonruimte, maar niet op de daarbij behorende bijgebouwen. Om dit te ondervangen is deze bepaling opgenomen. Derde lid: Het derde lid wijst locaties aan waar het eerste en tweede lid niet van toepassing is. Daar is Bed & Breakfast op grond van het omgevingsplan wel toegestaan. Daarbij is evenwel bepaald dat de Huisvestingsverordening onverminderd van toepassing is. Voor zover op de aangewezen locatie woonruimte aanwezig is, dan is op gebruik van die woonruimte voor Bed & Breakfast op grond van de Huisvestingsverordening nog altijd een onttrekkingsvergunning nodig. Deze bepaling is met name bedoeld om situaties waarin het bestemmingsplan Bed & Breakfast toestond, te consolideren. Artikel 3.23 Kamerverhuur In subparagraaf 3.2.1.3 wordt voor bepaalde activiteiten een link gelegd naar de Huisvestingsverordening, en de daarin opgenomen vergunningplicht. Een van die activiteiten betreft het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten, oftewel kamerverhuur. Eerste lid: Artikel 3.23 bevat het uitgangspunt dat woonruimte uitsluitend is toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte. Dat is vastgelegd in de aanhef van het eerste lid.
Wanneer nieuwe woonruimte wordt gerealiseerd, en deze direct als onzelfstandige woonruimte in gebruik wordt genomen, dan is daarop de vergunningplicht voor het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte niet van toepassing. Daarmee zou, door een nieuw gerealiseerde woning direct als onzelfstandige woonruimte in gebruik te nemen, onder die vergunningplicht uitgekomen kunnen worden. Dan zou de te maken afweging waarin de vergunningplicht voorziet, niet gemaakt kunnen worden. De aanhef van artikel 3.23 voorkomt dit. Op het uitgangspunt dat woonruimte zelfstandige woonruimte is, geldt een drietal uitzonderingen. De eerste twee zijn opgenomen in het eerste lid. Onder a is als uitzondering opgenomen woonruimte die is gerealiseerd op grond van een buitenplanse omgevingsvergunning voor zover die vergunning betrekking heeft gehad op het realiseren van onzelfstandige woonruimte. Bij de afweging van die buitenplanse vergunning kunnen dan de overwegingen die in het kader van de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening worden betrokken, worden meegenomen. Onder b is als uitzondering dat de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend. De ratio hierachter is dat bij de afweging in het kader van die vergunningplicht de gevolgen op de omgevingskwaliteit volledig worden betrokken.
Een aparte vergunningplicht op grond van het omgevingsplan is daarmee overbodig. Wanneer op grond van de Huisvestingsverordening de benodigde vergunning is verleend, dan is de activiteit ook op grond van dit omgevingsplan toegestaan. Het tweede lid bevat een uitzondering op het in het eerste lid bedoelde verbod voor locaties ter plaatse van de aanduiding 'kamerverhuur toegestaan'. De Huisvestingsverordening blijft in dat geval onverminderd van toepassing. Tweede lid: In het tweede lid is als uitzondering opgenomen dat onzelfstandige woonruimte ook is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte toegestaan'. Net als bij een buitenplanse omgevingsvergunning geldt dat bij wijziging van het omgevingsplan de overwegingen die in het kader van de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening worden betrokken, kunnen worden betrokken. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid bepalen dat op de aangegeven locaties een daar geldend minimum respectievelijk maximum aantal onzelfstandige woonruimten geldt dat is toegestaan. 50
Artikel 3.24 Woningvorming In subparagraaf 3.2.1.3 wordt voor bepaalde activiteiten een link gelegd naar de Huisvestingsverordening, en de daarin opgenomen vergunningplicht. Een van die activiteiten betreft het verbouwen en in die verbouwde staat behouden van een woonruimte tot twee of meer woonruimten. Dit wordt woningvorming genoemd. Woningvorming kan gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.24 bepaalt dat het verboden is dit te doen, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde woningvormingsvergunning is verleend. De ratio hierachter is dat bij de afweging in het kader van die vergunningplicht de gevolgen op de omgevingskwaliteit volledig worden betrokken. Een aparte vergunningplicht op grond van het omgevingsplan is daarmee overbodig. Wanneer op grond van de Huisvestingsverordening de benodigde vergunning is verleend, dan is de activiteit ook op grond van dit omgevingsplan toegestaan.
Paragraaf 3.2.2 Maatschappelijke dienstverlening Subparagraaf 3.2.2.1 Algemene regels over maatschappelijke dienstverlening Artikel 3.25 Toepassingsbereik In afdeling 3.2 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.2.2 bevat regels over maatschappelijke dienstverlening. Maatschappelijke dienstverlening is een veel omvattend begrip, waaronder sterk uiteenlopende vormen van gebruik vallen. De mate waarin de vormen van gebruik gevoelig zijn voor gevolgen vanuit de fysieke leefomgeving, of waarin ze gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving, lopen uiteen. Mede om die redenen worden in subparagraaf 3.2.2.2 aanvullende regels gesteld over allerlei vormen van maatschappelijke dienstverlening. Artikel 3.25 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op a) het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijk', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke dienstverlening. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.
In bijlage I is bepaald dat onder maatschappelijke dienstverlening wordt verstaan het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, en levensbeschouwing. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval: a. instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs; b. ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra; c.
overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten, GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsen- of fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken;
d. overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, dak- en thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra; e. overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvang, muziek- en dansschool, religieuze instelling en school(werk)tuin.
51
Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Artikel 3.26 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', toegestaan gebruik Artikel 3.26 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' als gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening hebben. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gebruikt mogen worden ten behoeve van maatschappelijke dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. Artikel 3.27 Omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening Artikel 3.27 bevat beperkende regels over de omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is.
Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte maatschappelijke dienstverlening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, tweede lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan' maatschappelijke dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard van een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Artikel 3.28 Kinderopvang Artikel 3.28 bevat specifieke regels over kinderopvang. In bijlage I is bepaald dat onder kinderopvang wordt verstaan het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis.
Opvang aan huis is expliciet uitgesloten van het toepassingsbereik. Dat is een vorm van een beroep of bedrijf aan huis en wonen is als activiteit niet toegestaan binnen het gebruiksdoel kinderopvang. Waar wonen is toegestaan wordt geregeld in onderdeel 3.2.1. Opvang aan huis wordt daarin gereguleerd door artikel 3.12. De omschrijving is afgeleid van de begripsbepalingen voor kinderopvang uit de Wet kinderopvang. In de Wet kinderopvang wordt kinderopvang anders dan om niet door bijvoorbeeld gastouders ook onder het begrip kinderopvang geplaatst. In de regeling bij dit omgevingsplan valt deze vorm van opvang buiten de reikwijdte van de definitiebepaling (want wordt 52
aangemerkt als een huis verbonden bedrijf of beroep). In deze paragraaf gaat het dus uitsluitend om bedrijfsmatige kinderopvang anders dan verbonden aan een huis. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het bieden van kinderopvang uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderopvang toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in beginsel zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat kinderopvang, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Ook kan kinderopvang bepaalde effecten op de omgeving kan hebben. Met dit eerste lid wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar kinderopvang gevestigd mag worden. Tweede lid: Het tweede lid bevat een beperking die uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan'. Daar is kinderopvang uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Die bepaalde bouwlaag of bouwlagen zijn voor elke locatie waar deze aanduiding geldt, op de digitale viewer weergegeven.
Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Artikel 3.29 Onderwijs Artikel 3.29 bevat specifieke regels over de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven vormen van onderwijs. Eerste tot en met vierde lid: Het eerste tot en met het vierde lid bepalen dat de aangegeven vormen van onderwijs uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aangegeven aanduidingen. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een onderwijsfunctie in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat deze vormen van onderwijs niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Genoemde onderwijsinstellingen kunnen bepaalde effecten op de omgeving hebben.
Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden. Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Zesde lid: Zowel middelbaar beroepsonderwijs als hoger beroeps- en universitair onderwijs kunnen worden gegeven in de vorm van avondonderwijs. Dat vindt ook plaats in gebouwen met een andere functie dan 53