CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_artikelgewijs deel_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)50.099 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Op grond van artikel 2.4 in samenhang met de regels onder afdeling 3.2 wordt per locatie bepaalt welke gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan. In heel veel gevallen zullen er op één locatie meerdere gebruiksdoelen gelden, en zijn dus meerdere vormen van gebruik toegestaan. Bijvoorbeeld dat op een locatie zowel wonen, zakelijke en administratieve dienstverlening als maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan. Wanneer op een locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan, dan maakt dit een wijziging van gebruik mogelijk. Wel kunnen er aan een wijziging van planologisch gebruik in zijn algemeenheid beperkingen of voorwaarden worden gesteld. Dit gebeurt in artikel 2.13. Eerste lid In het eerste lid is een verbod opgenomen het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. Daarbij is aangegeven dat dit in aanvulling is op het bepaalde in artikel 2.4. Dat houdt in dat het vereiste in dat artikel in elk geval blijft gelden; het moet gaan om passend gebruik. Bij een wijziging van gebruik moet dus worden voldaan aan de geldende parkeernorm. Wat die gelden parkeernorm is, volgt uit het bepaalde in artikel 2.12.

Tweede lid In het tweede lid wordt het toepassingsbereik van deze voorwaarde beperkt, namelijk tot die wijzigingen van planologisch gebruik die in de Nota parkeren als transformatie wordt gezien. Gelet op de Nota parkeren hoeft bij een binnenplanse wijziging van gebruik alleen te worden voldaan aan de gestelde normen wanneer sprake is van wat in de nota ‘transformatie’ wordt genoemd. Van transformatie zoals bedoeld in de Nota parkeren is alleen sprake wanneer sprake is van een van de volgende gebruikswijzigingen: a. van wonen naar een andere vorm van gebruik dan wonen b. van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een andere vorm van gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening (in de nota ‘kantoor’ genoemd) c.

van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.

In het tweede lid is daarom bepaald dat de voorwaarde, zoals die is opgenomen in het eerste lid, alleen van toepassing is op deze drie gevallen van wijziging van planologisch gebruik. In andere gevallen is

18

wijziging van gebruik toegestaan zonder dat de parkeernormen daarbij een rol spelen. Uiteraard moet het nieuwe gebruik, gelet op het bepaalde in artikel 2.4, wel passend zijn. Om een voorbeeld te geven: wanneer het omgevingsplan op een locatie zowel een restaurant als detailhandel toestaat, dan kan wijziging van een restaurant naar detailhandel plaatsvinden, zonder dat het aantal parkeerplaatsen met het nieuwe gebruik in overeenstemming behoeft te worden gebracht. De afweging dat dit passend is, is reeds gemaakt bij het besluit waarmee beide vormen van gebruik op dit locatie zijn toegestaan. Wanneer het omgevingsplan op dezelfde locatie ook zakelijke en administratieve dienstverlening zou toestaan, dan moet bij een omzetting van restaurant naar zakelijke dienstverlening wél aan de parkeernormering voor zakelijke dienstverlening voldaan worden. Artikel 2.14 Vervallen Artikel 2.15 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein In artikel 2.15 zijn regels opgenomen over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. Eerste lid In de Nota parkeren is geen beleid geformuleerd ten aanzien van het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen bij behoud van bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Als uitgangspunt is gehanteerd dat een bestaand aantal parkeerplaatsen niet gewijzigd wordt. Het is van belang dit uitgangspunt wel juridisch te borgen.

Dat gebeurt in artikel 2.15. Het zorgt ervoor dat bij behoud van een bestaand bouwwerk, en bij voortzetting van bestaand gebruik, het aantal parkeerplaatsen niet zomaar gewijzigd kan worden. Daartoe is in het eerste lid als hoofdregel opgenomen dat het verboden is het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk op eigen terrein beschikbaar is, te wijzigen. Tweede lid In het tweede lid wordt een tweetal uitzonderingen gemaakt. Onder a wordt bepaald dat de wijziging van het aantal parkeerplaatsen is toegestaan indien daarmee wordt voldaan aan de geldende parkeernomen. Wat die gelden parkeernorm is, volgt uit het bepaalde in artikel 2.12. Dit is in elk geval relevant wanneer de parkeernorm bestaat uit een bandbreedte. Elke wijziging bij ongewijzigd planologisch gebruik van het aantal parkeerplaatsen binnen de gegeven bandbreedte is dan toegestaan. Maar ook wanneer de bestaande situatie niet voldoet aan de norm, maar voorzien wordt in een wijziging van het aantal parkeerplaatsen waarmee wel aan de norm voldaan zal worden, is toegestaan. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de geldende parkeernorm sinds het ontstaan van de bestaande situatie, is gewijzigd. Onder b is bepaald dat de wijziging eveneens is toegestaan wanneer het nieuwe aantal parkeerplaatsen weliswaar niet in overeenstemming is met de geldende parkeernormen, maar daar wel meer mee in overeenstemming komt.

Ook hier geldt dat dit zich kan voordoen wanneer de geldende parkeernorm sinds het ontstaan van de bestaande situatie, is gewijzigd. Elke wijziging van het aantal parkeerplaatsen waarmee meer op het geldend beleid wordt aangesloten, is toegestaan. Wanneer voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld bij een nieuwe gebiedsontwikkeling of transformatie, een specifieke gebiedsnorm is opgenomen in artikel 2.12, dan dient het feitelijk aantal parkeerplaatsen daarmee ook in overeenstemming te blijven of te komen. Derde lid: Het derde lid bevat vervolgens een uitzondering op het tweede lid. Bij nieuwe gebiedsontwikkeling of transformatie komt het vaak voor dat op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm specifiek van toepassing wordt verklaard. In die gevallen is van belang dat het feitelijk aantal parkeerplaatsen daarmee ook in overeenstemming blijft. Het derde lid voorziet hierin. 19

Artikel 2.16 Vervallen Artikel 2.17 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen Artikel 2.17 biedt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift in concrete gevallen af te wijken van de aangegeven artikelen. Daarbij is aangegeven in welke gevallen van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Eerste lid In het eerste lid, onder a, wordt voorzien in de situatie dat op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien. De beschikbare autoparkeerplaatsen in de openbare ruimte kunnen een rol spelen bij deze beoordeling, indien wordt aangetoond dat deze autoparkeerplaatsen beschikbaar zijn, maar bijvoorbeeld ook de mogelijkheid van dubbelgebruik van parkeergelegenheid en de mate waarin dat is geborgd kan worden betrokken. Indien bijvoorbeeld meerdere activiteiten in een gebouw plaatsvinden kan sprake zijn van dubbelgebruik, waardoor kan worden afgeweken van de minimum parkeernorm. De initiatiefnemer kan dit aantonen met bijvoorbeeld een parkeerbalans. Onder b wordt de situatie genoemd waarbij sprake is van bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit.

Indien bijvoorbeeld sprake is van een gebouwde parkeervoorziening en het bestaande gebruik van het gebouw wordt gewijzigd naar een functie met een hogere (minimum) parkeernorm, kan het onder omstandigheden onevenredig bezwarend zijn om uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen als voorwaarde te stellen. Tot slot is onder c voorzien in (overige) bijzondere omstandigheden. De genoemde omstandigheden onder a en b zijn niet uitputtend. Er kunnen ook nog andere gevallen zijn waarbij het voldoen aan de minimum- of maximumparkeernorm door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. De vraag of aan de gestelde condities is voldaan, is aan het bevoegd gezag dat op een verzoek om een maatwerkvoorschrift heeft te beslissen. Tweede en derde lid In het tweede lid is aangegeven dat aan het maatwerkvoorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. Een belanghebbende kan een verzoek indienen tot het geven van een maatwerkvoorschrift. In het derde lid zijn specifiek hierop betrekking hebbende aanvraagvereisten geformuleerd. Subparagraaf 2.4.3.2 Normering fietsstalling [gereserveerd] Artikel 2.18 Gereserveerd Artikel 2.19 Gereserveerd Artikel 2.20 Gereserveerd Artikel 2.21 Gereserveerd Artikel 2.22 Gereserveerd Artikel 2.23 Gereserveerd

20

Artikel 2.24 Gereserveerd

Paragraaf 2.4.4 Ondergeschikte en additionele vormen van gebruik Artikel 2.25 Ondergeschikt kantoorgebruik Artikel 2.25 bevat regels over het gebruik van bedrijfsruimte als ondergeschikte kantoorruimte. Dit artikel vormt een juridische vertaling van het in de voorheen geldende Structuurvisie Amsterdam 2040 opgenomen beleid ten aanzien van ondergeschikte kantoorruimte. Daarin was opgenomen dat bedrijven maximaal 30% kantoorvloer per vestiging hebben. Heeft een onderneming meer dan 30% kantoorvloer, dan is sprake van een kantoor, aldus het beleid. Dit beleid is overgenomen in de in door de gemeenteraar vastgestelde Bedrijvenstrategie 2020-2030 (20 mei 2020, online te raadplegen op https://www.amsterdam.nl/ondernemen/bedrijfsruimte/bedrijvenstrategie-2020-2030 /). Eerste lid Het eerste lid bepaalt dat het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte als kantoor, anders dan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', is toegestaan, maar uitsluitend als aan de aangegeven voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn cumulatief weergegeven, dat wil zeggen dat aan beide voorwaarden moet worden voldaan. Allereerst eerst is in onderdeel a bepaald dat het moet gaan om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening. De ondergeschiktheid aan de eigen bedrijfsuitoefening staat hier centraal.

Hieronder valt bijvoorbeeld niet het inrichten van een deel van een bedrijfsruimte als kantoor en het verhuren daarvan als zelfstandige kantoorruimte. Dan is sprake van zakelijke en administratieve dienstverlening. Ten tweede is in onderdeel b bepaald dat het gaat om een maximum van 30% kantoorvloer per vestiging. In de begripsbepalingen is opgenomen dat onder kantoorvloer moet worden verstaan een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden. Het gebruik tot maximum 30% van de bedrijfsruimte als kantoorvloer ten behoeve van het eigen bedrijfsuitoefening is hiermee overal bij recht toegestaan. Tweede lid Het tweede lid bevat een locatiegerichte uitzondering. Bepaald is dat in afwijking van het eerste lid ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per vestiging de daar bepaalde waarde geldt. Dit lid is van toepassing in gebieden waar het in het eerste lid bepaalde maximum van 30% onredelijk bezwarend is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn op bepaalde bestaande bedrijventerreinen waar op grond van de voorheen geldende regeling een hoger percentage was toegestaan. Deze regel biedt de mogelijkheid om locatiegericht maatwerk toe te passen. De afwijking heeft alleen betrekking op het maximum percentage zoals genoemd in het eerste lid, onder b.

Het vereiste dat het moet gaan om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening blijft van toepassing. Derde lid: Het derde lid bevat een eveneens locatiegerichte uitzondering. Bepaald is dat ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' het in het eerste lid, onder b, genoemd maximum percentage niet van toepassing is op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht. Omdat het percentage, genoemd in het eerste lid, onder b, gerekend wordt over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen, zou dit percentage voor de locaties waar de aanduiding geldt te beperkend zijn. Vierde lid Het vierde lid bepaalt hoe het percentage kantoorvloer wordt bepaald. Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen, waarbij ruimten voor 21

algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke evenredig worden verdeeld over de bedrijfsruimte en de ondergeschikte kantoorruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt. Aan het oppervlak kantoorvloer wordt dus ook een deel van ruimten voor algemeen gebruik toegerekend. Artikel 2.26 Ondergeschikte detailhandel Artikel 2.26 bevat regels over ondergeschikte detailhandel. Het artikel vormt een juridische vertaling van het detailhandelsbeleid met betrekking tot ondergeschikte detailhandel zoals dat is opgenomen in het Detailhandelsbeleid 2018 - 2022 (p. 58). Kern van dat beleid is dat detailhandel wordt geclusterd, waarop een aantal uitzonderingen geldt, onder meer met betrekking tot ondergeschikte detailhandel. Vanuit de daar gegeven beleidsuitgangspunten is de regeling in dit artikel opgebouwd. Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel op een locatie waar detailhandel op grond van afdeling 3.2 niet is toegestaan, uitsluitend is toegestaan als aan de onder b tot en met c genoemde voorwaarden is voldaan. Met de verwijzing naar afdeling 3.2 wordt bepaald dat daar waar op grond van die afdeling detailhandel is toegestaan, de beperkingen niet van toepassing zijn.

Het is mogelijk dat op grond van afdeling 3.2 op één locatie bijvoorbeeld maatschappelijke dienstverlening én detailhandel zijn toegestaan. In dat geval mag zonder de in dit artikel genoemde beperkingen detailhandel worden uitgeoefend. Voor die locaties waar detailhandel op grond van afdeling 3.2 niet is toegestaan, bepaald het eerste lid, aanhef en onder a, allereerst dat ondergeschikte detailhandel dan alleen is toegestaan binnen de uitoefening van een ambachtelijk bedrijf, consumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een cultuurinstelling. De onder b en c gestelde aanvullende voorwaarden borgen dat het daadwerkelijk gaat om ondergeschikte detailhandel. Onder b is bepaald dat het assortiment moet liggen in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening. Onder c is als voorwaarde toegevoegd dat het gaat om maximaal 20% (met een plafond van 50 m2) van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf. In afwijking van het beleid is niet opgenomen dat deze uitzondering alleen geldt buiten winkelgebieden. Dat zou immers tot de situatie leiden dat binnen winkelgebieden binnen een ambachtelijke bedrijf, culturele instelling of bij consumentgerichte dienstverlening zoals een kapsalon géén ondergeschikte detailhandel zou mogen plaatsvinden, en daarbuiten wel. Dat is niet conform de bedoeling van het beleid.

De betreffende regels zijn derhalve overal van toepassing. Tweede lid In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de in het derde lid, onder c, gestelde normering. Dit biedt de mogelijkheid voor maatwerk voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid onredelijk bezwarend is. Derde lid Het derde lid bepaalt dat de omvang van de ondergeschikte detailhandel bestaat uit het deel van het bruto vloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden. Artikel 2.27 Ondergeschikte horeca-activiteiten [gereserveerd] Artikel 2.28 Gereserveerd Artikel 2.29 Gereserveerd Artikel 2.30 Gereserveerd Artikel 2.31 Gereserveerd

22

Artikel 2.32 Gereserveerd

Paragraaf 2.4.5 Vergunningplicht voor wijziging van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw Artikel 2.33 Toepassingsbereik In paragraaf 2.4.5 is een vergunningplicht opgenomen voor het wijzigen van het gebruik als nietgeluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. De regeling is aanvullend op het in artikel 2.4 opgenomen verbod om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Uit de formulering van dat artikel blijkt al dat aan een locatie één gebruiksdoel kan zijn gegeven, maar dat dat er ook meerdere kunnen zijn. Artikel 2.4 staat er op zich zelf niet aan in de weg dat wanneer aan een locatie meerdere gebruiksdoelen gegeven zijn, het gebruik vrijelijk gewijzigd kan worden. Onder oud recht werd dit ook vaak binnen bestemmingsplannen toegestaan. Zo kon aan een bepaalde locatie een gemengde bestemming worden gegeven, waarbinnen het gebruik in beginsel zonder nader beoordelingsmoment kon worden gewijzigd. In bepaalde gevallen is een nader toetsmoment echter noodzakelijk.

Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een wijziging van gebruik plaatsvindt waardoor het gebouw na wijziging gebruik moet worden aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw, terwijl het dat daarvoor niet was.. Een dergelijke wijziging kan alleen worden toegestaan wanneer dat niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. De regels in deze paragraaf voorzien erin dat die afweging kan worden gemaakt. Artikel 2.33 bepaalt het toepassingsbereik van deze paragraaf. Eerste lid Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik, uitsluitend voor zover de activiteit bestaat uit het wijzigen van het gebruik van een niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. In bijlage I is bepaald dat onder een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het wijzigen van het bestaand gebruik van gronden of bouwwerken. Deze paragraaf is daarop dus van toepassing, maar uitsluitend voor zover het gaat om een wijziging van het gebruik van een niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Wat onder een geluidgevoelig gebouw wordt verstaan, is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In PM van het algemene deel van de toelichting is hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat voor de toepassing van deze paragraaf onder geluid uitsluitend het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 10 van dit omgevingsplan. Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

23

Artikel 2.34 Waar waarden gelden Artikel 2.34 bepaalt waar de waarden voor het geluid door een activiteit gelden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5.78, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Onder a tot en met d wordt bepaald op welk punt de waarden gelden die voor het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw worden gesteld. Onderdeel a: Als het geluidgevoelige gebouw al gerealiseerd is gelden de waarden op de gevel van dat gebouw. Onderdeel b: Onder b is bepaald dat de waarde voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van dergelijke gebouwen. Net als onder oud recht worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder oud recht worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming ‘gevoelige terreinen’ gehanteerd. In bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is een woonschip gedefinieerd als ‘drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip’.

In bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen. Onderdeel c: Onderdeel c regelt waar de waarden gelden die voor het geluid door een activiteit binnen geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan worden gesteld, namelijk in de geluidgevoelige ruimten. Het begrip geluidgevoelige ruimte is in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties. In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Artikel 2.35 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik Artikel 2.35 bevat een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik te verrichten. Onder een omgevingplanactiviteit wijziging gebruik wordt blijkens de omschrijving in bijlage I verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het wijzigen van het bestaand gebruik van gronden of bouwwerken. Deze vergunningplicht is het uitgangspunt voor de regeling. In heel veel gevallen zal een vergunningplicht echter niet nodig zijn.

Voor die gevallen wordt in de volgende artikelen een uitzondering op de vergunningplicht gemaakt. Artikel 2.36 Uitzondering op vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik Artikel 2.36 bevat een tweetal uitzondering op de in het vorig artikel opgenomen vergunningplicht. Eerste lid Allereerst is in het eerste lid bepaald dat de vergunningplicht niet geldt wanneer het gebouw, waarvan het gebruik wordt gewijzigd, zich buiten een geluidaandachtsgebied bevindt. Of een betreffende gebouw zich binnen een geluidaandachtsgebied bevindt, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van onderzoek. Die beoordeling is in beginsel aan de initiatiefnemer. Alleen wanneer sprake is van ligging binnen een geluidaandachtsgebied geldt vervolgens de vergunningplicht. Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat de vergunningplicht ook niet geldt voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is goed mogelijk dat een gebruiksomzetting van een bestaand gebouw naar een 24

geluidgevoelig gebouw gepaard gaat met een verbouwing waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Wanneer de verbouwing plaatsvindt met het oog op het nieuwe gebruik, dan zal op grond van subparagraaf 4.2.4.7 bij de beoordeling van de aanvraag ook de mate van geluidbelasting op het beoogde geluidgevoelig gebouw worden betrokken. Wanneer die beoordeling heeft plaatsgevonden is het niet nodig dat voor de wijziging van gebruik zelf nog een vergunning wordt aangevraagd. Dit twee lid voorziet hierin. Artikel 2.37 Uitzondering op vergunningplicht wijziging gebruik als het gebruik in ovreeenstemming is met het tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 2.37 bevat een uitzondering op de vergunningplicht ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, nog niet komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke, die van rechtswege tijdelijk onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’.

Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. In ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, was het niet mogelijk een vergunningplicht op te nemen anders dan in de vorm van een binnenplanse afwijkvergunning. Het doorschuiven van bepaalde beoordelingsaspecten naar het moment van de bouwaanvraag was daardoor niet goed mogelijk. De aanvaardbaarheid van een voorgenomen geluidgevoelig gebouw moest al bij vaststelling van het bestemmingsplan worden aangetoond en geborgd. Dat maakt dat bestemmingsplannen die voorzien in geluidsgevoelige gebouwen veelal gedetailleerde regels bevatten over bijvoorbeeld de binnenplanse omzetting van een niet-geluidgevoelig gebouw naar een geluidgevoelig gebouw. De beoordeling waarop een vergunningaanvraag voor een wijziging gebruik betrekking heeft, heeft in die gevallen reeds plaatsgevonden in het kader van vaststelling van het ruimtelijk plan. Voor zover een initiatief voldoet aan de in dat plan gestelde regels, dan dient een hernieuwde beoordeling achterwege te blijven. Dit artikel voorziet hierin.

Artikel 2.38 Beoordelingsregels wijziging gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw Artikel 2.38 bevat beoordelingsregels die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wijziging gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Onderdeel a: De aanhef en onderdeel a bepaalt allereerst dat een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.35, alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.4. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Artikel 2.35 voorziet er dus in dat preventief wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik. Heeft de vraag betrekking op een

25

wijziging naar gebruik als wonen, maar wonen is op grond van artikel 2.4 op de betreffende locatie niet toegestaan, dan moet de omgevingsvergunning wijziging gebruik worden geweigerd. Onderdeel b: De aanhef en onderdeel b bevat de feitelijke beoordelingsregel met betrekking tot het wijzigen van het gebruik naar een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtgebied. In dit onderdeel is bepaald dat een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.35 alleen wordt verleend als de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw, gelet op het belang van de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Artikel 2.39 Wijziging gebruik aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde Met artikel 2.39 wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Eerste lid Artikel 2.39 neemt als uitgangspunt dat aan de voorwaarde van aanvaardbare geluidbelasting in elk geval is voldaan wanneer het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving Tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.35, te weigeren. Als het geluid initieel niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. In artikel 2.44 is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden over het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Daarmee kan worden geborgd dat noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan de standaardwaarde ook daadwerkelijk worden genomen. Het kan daarbij uiteraard alleen gaan om maatregelen waarbij het in de macht van de vergunninghouder ligt om die te nemen. Tweede lid In het tweede lid worden het tweede tot en met het vierde lid van artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 2.40 Overschrijding van de standaardwaarde Artikel 2.40 bepaalt dat ook een hogere geluidbelasting aanvaardbaar kan zijn. Voorwaarde is dat: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 26

b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c.

het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Met dit artikel wordt binnenplans invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt. Dat artikel maakt mogelijk dat als het geluid op een toe te laten geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, besloten kan worden om meer geluid dan de standaardwaarde toe te laten. Daaraan worden wel eisen gesteld. Die eisen zijn onder a tot en met c één op één overgenomen. Eerste lid In onderdeel a van het eerste lid is allereerst bepaald dat meer geluid dan de standaardwaarde alleen toelaatbaar is als er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden. Onder een geluidbeperkende maatregel wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan een maatregel die het geluid op een geluidgevoelig gebouw verlaagt. Het gaat om maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting te laten voldoen aan de standaardwaarde van artikel 4.43. Als het nemen van geluidbeperkende maatregelen mogelijk is in een mate waarmee aan de standaardwaarde kan worden voldaan, kan het betreffende gebouw worden toegelaten zonder dat de standaardwaarde wordt overschreden. In onderdeel b van het eerste lid is bepaald dat, als niet door het treffen van maatregelen kan worden voldaan aan de standaardwaarde, de overschrijding van die standaardwaarde wel zoveel mogelijk wordt beperkt met geluidbeperkende maatregelen.

Tot slot is in onderdeel c van het eerste lid bepaald dat afwijken mogelijk is tot ten hoogste de grenswaarden van tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

Artikel 2.40 biedt dus flexibiliteit tussen de standaardwaarde en de grenswaarde. Net als in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving is in artikel 5.78u van dat besluit bepaald dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat aan de grenswaarde wordt voldaan. De instructieregel schrijft niet voor hoe en op welk moment toetsing aan die norm moet plaatsvinden. Het is aan de gemeente om dit concreet in te vullen. De toetsing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het omgevingsplan zelf. Maar het feitelijke toetsen van het geluid kan ook worden doorgeschoven naar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel is voor dat laatste gekozen. Tweede lid In het tweede lid is opgenomen dat geluidbeperkende maatregelen in aanmerking worden genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Deze bepaling is nodig, omdat het technisch gezien vrijwel altijd mogelijk is om maatregelen te treffen die het geluid beperken 27

tot de standaardwaarde, echter deze kunnen stuiten op bezwaren. Zo kan een geluidscherm langs een gemeenteweg erg effectief zijn om het geluid te beperken maar kan een dergelijke maatregel uit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar worden gevonden. Daarom is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat alleen de maatregelen in aanmerking worden genomen die financieel doelmatig zijn en niet stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of technische aard. De gemeente kan in beleid aanvullende voorwaarden stellen waaronder zij gebruik zal maken van de beleidsruimte tussen standaardwaarde en grenswaarde. Daarbij kan worden gedacht aan voorwaarden die onder de Wet geluidhinder waren verbonden aan de vaststelling van de zogenoemde hogere waarden. Een voorbeeld daarvan is het eisen van een geluidluwe buitenruimte die grenst aan een geluidluwe gevel, of kwantitatieve eisen aan het geluid op een geluidluwe gevel. Tegen deze achtergrond is in 2.41, eerste lid (in navolging van artikel 5.78ab, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geregeld dat bij toepassing van dit artikel het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel wordt betrokken.

Derde en vierde lid Het derde en vierde lid bevatten een tweetal regels waarin is aangegeven wanneer voor woningen in elk geval aan het vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldaan. Wanneer aan de gestelde voorwaarde is voldaan, vormt artikel 2.38 geen weigeringsgrond voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het derde en vierde lid moeten volgordelijk worden doorlopen. In het derde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een of meer woningen, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen niet doelmatig zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als iedere woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde is berekend. Bij het bepalen van die waarde moet het gezamenlijk geluid zijn betrokken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder een geluidluwe gevel verstaan een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. Gemeenten moeten hier invullen wat wordt verstaan onder 'relatief weinig ten opzicht van andere gevels'. Een gemeente heeft daarbij beleidsvrijheid. Een gemeente kan zeggen dat er sprake is van een geluidluwe gevel als op die gevel ten hoogste de standaardwaarde is berekend.

In het derde lid is hieraan invulling gegeven door te bepalen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde is berekend. In het vierde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een bijnageluidluwe gevel. Daaronder wordt blijkens de begripsbepaling, opgenomen in bijlage I, verstaan een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde +3dB. Kan niet aan de voorwaarde gesteld in het derde of vierde lid worden voldaan, dan kan op grond van het eerste lid alsnog een hogere waarde aanvaardbaar worden gevonden. Of geluidbeperkende maatregelen in dat geval, mede gelet op het tweede lid, wel of niet genomen kunnen worden, moet in dat geval blijken uit de aanvraag. Het begrip woning, zoals gebruikt in het derde en vierde lid, is in bijlage I omschreven als een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres. Deze omschrijving is ook op het derde en vierde lid van toepassing.

Dat betekent dat

28

wanneer sprake is van een woning met daarin meerdere onzelfstandige woonruimten, de woning als geheel wordt beschouwd, en dus niet elke onzelfstandige woonruimte afzonderlijk. Vijfde lid: In het vijfde lid worden het tweede en vierde lid van artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 2.40a Overschrijding grenswaarde bij functiewijziging [gereserveerd] Artikel 2.41 Belang van een geluidluwe gevel Artikel 2.41 bevat een regeling die analoog is aan artikel 5.78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het artikel geeft aan hoe in de belangafweging het belang van een geluidluwe gevel een rol moet spelen. Het artikel schrijft voor dat bij de toepassing van artikel 2.40 het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken. Het 'betrekken bij' van dit belang geldt als het geluid hoger is dan de standaardwaarde, maar lager is dan de grenswaarde. Het gemeentelijk beleid onder oud recht was dat bij andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen, het belang van een stille zijde niet werd meegewogen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft echter voor dat met het oog op de gezondheid dit bij alle geluidgevoelige gebouwen moet gebeuren. Dit betekent dat het vereiste zoals opgenomen in dit artikel zowel bij woningen geldt als bij andere geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 2.42 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid Artikel 2.42 bevat een aanvullend beoordelingscriterium dat analoog is aan artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.40 voorziet in de mogelijkheid tot het toelaten van geluid dat de standaardwaarde overschrijdt. Het kan zijn dat het geluidgevoelige gebouw ook wordt belast door geluid afkomstig van andere geluidbronsoorten. Bijvoorbeeld een woning die wordt belast door geluid afkomstig van een gemeenteweg en tegelijkertijd ook door geluid afkomstig van een industrieterrein. Als zo’n woning binnen het geluidaandachtsgebied van beide geluidbronsoorten wordt toegelaten, moet uiteraard getoetst worden aan de standaard- en grenswaarden van beide geluidbronsoorten. In artikel 2.42 is bepaald dat de gemeente bij het toepassen van de artikelen waarmee de standaardwaarde overschreden kan worden, ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de betreffende geluidgevoelige gebouwen moet beoordelen. Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van dit begrip ook verwezen naar artikel 3.38 van dat besluit.

Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Daarbij wordt in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (derde lid) en dat op het bepalen van het gecumuleerde geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (vierde lid). Hoewel dit uit de begripsbepaling kan worden opgemaakt, is (om elke twijfel daarover te voorkomen) in het tweede lid van artikel 4.50 bepaald dat artikel 3.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing zijn. Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gecumuleerd geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557).

29

Artikel 2.43 Bepalen van gezamenlijk geluid Artikel 2.43 bepaalt dat bij de toepassing van de artikelen 2.40 het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen wordt bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.35, vastgelegd. Deze verplichting is analoog aan de verplichting zoals die is opgenomen in artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zij het dat op grond van artikel 2.40 het gezamenlijk geluid niet in het omgevingsplan moet worden vastgelegd, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.39 van het besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van het begrip gezamenlijk geluid ook verwezen naar artikel 3.39 van dat besluit. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.

Kenmerkend is dat het geluid door bronsoorten en andere geluidbronnen – anders dan bij cumulatie, bedoeld in artikel 2.42 – wordt opgeteld zonder daarbij te corrigeren voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijke geluid wordt alleen toegepast bij het bepalen van geluidwerende maatregelen waarbij verschillen in hinderlijkheid niet relevant zijn. Verder wordt in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (derde lid) en dat op het bepalen van het gezamenlijk geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (vierde lid). Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gezamenlijk geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557). Als de in artikel 4.51, eerste lid, genoemde artikelen worden toegepast, besluit het bevoegd gezag om een nieuw geluidgevoelig gebouw toe te laten op een locatie waar het geluid hoger is dan de standaardwaarde voor de betreffende geluidbronsoort.

Artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan dit artikel 4.51 is afgeleid, bepaalt dan dat als het toe te laten geluidgevoelige gebouw door meerdere geluidbronsoorten of geluidbronnen wordt belast, de waarde van het gezamenlijk geluid bij het nemen van dat besluit moet worden bepaald en in het omgevingsplan worden vastgelegd. De wetgever gaat ervan uit dat het geluid wordt bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bepalen van dat geluid kan ook worden verschoven naar een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplan (zie Staatsblad 2020 557, p. 356). Zoals toegelicht bij artikel 4.40 biedt de Omgevingswet de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd. In voorliggend omgevingsplan is het doorschuiven van dat toetsmoment als uitgangspunt genomen. Het is dan ook in het kader van de vergunningaanvraag dat definitief over een mogelijke toepassing van artikel 2.40 wordt besloten. Dat is ook het eerste moment dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen kan worden bepaald en vastgelegd.

Het is om die reden dat in artikel 2.43 is bepaald dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet in het omgevingsplan, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt vastgelegd. De waarde van dat gezamenlijk geluid is nodig voor het toepassen van de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de geluidwering van het nieuwe geluidgevoelige gebouw. In artikel artikel 4.103, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar het 30

gezamenlijk geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw. Bij de toepassing van artikel 4.103 Van het Besluit bouwwerken leefomgeving hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw dat maatgevend is voor de geluidwering van het gebouw. De waarde van het gezamenlijke geluid wordt al bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of, als de bepaling is doorgeschoven, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Staatsblad 2020 557, p. 357). Bij de meeste nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet de geluidwering leiden tot het voldoen aan een binnenwaarde van 33 dB. Artikel 2.44 Vergunningvoorschriften Artikel 2.44 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Artikel 2.45 Aanvraagvereisten PM

Paragraaf 2.4.6 Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Artikel 2.46 Werkingsgebied en oogmerk Met paragraaf 2.4.6 wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze paragraaf ziet erop dat binnen een ‘beperkingengebied externe veiligheid’ beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen zich niet of niet zonder meer kunnen vestigen. Zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn uiteraard ook niet toegestaan, maar die gebruiksdoelen worden dan ook niet mogelijk gemaakt binnen het beperkingengebied. Zeer/ kwetsbaar of beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen. De aanduiding ‘beperkingengebied’ wordt gekoppeld aan locaties waar het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is.

Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Besluit kwaliteit leefomgeving). In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving). Daarnaast geldt er een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Hiermee wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving). De term ‘rekening houden’ betekent in de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat van de standaardwaarde gemotiveerd afgeweken kan worden. De activiteiten waarvoor een plaatsgebonden risico geldt zijn in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht er niet toe om het plaatsgebonden risico in het omgevingsplan aan te wijzen. Omwille van de zichtbaarheid en rechtszekerheid worden de locaties waar 31

het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is in dit omgevingsplan als ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ aangewezen. Dit is conform de praktijk in voormalige bestemmingsplannen. Eerste lid De beschermende regeling in deze paragraaf hoeft alleen te gelden daar waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico’. In het eerste lid is bepaald dat deze afdeling alleen daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. Tweede lid In het tweede lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk de bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. De bescherming wordt bereikt door de vestiging van deze gebouwen binnen het beperkingengebied te beperken. Hiermee blijven deze gebouwen (en uiteraard de daarin verblijvende personen) op een grotere (en dus meer veilige) afstand van de risicobronnen. Artikel 2.47 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw Eerste lid Op grond van artikel 5.7, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties.

Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Besluit kwaliteit leefomgeving). Aan deze instructieregel wordt in de eerste instantie uitvoering gegeven om in het beperkingengebied (waar het plaatsgebonden risico hoger is dan genoemde grenswaarde) geen gebruiksdoelen toe te laten die kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties kunnen bevatten. Bij enkele gebruiksdoelen (zoals bedrijf en administratieve dienstverlening) zijn zowel beperkt kwetsbare als kwetsbare gebouwen denkbaar. Om het gebruik van gebouwen als kwetsbaar gebouw te voorkomen is het verbod in het eerste lid opgenomen. Kwetsbare gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit artikel ziet op het gebruik van bestaande gebouwen.

Het oprichten van een nieuwe kwetsbare gebouwen binnen het beperkingengebied is tevens verboden op grond van de samenhang van de artikelen 4.19, 5.14, 2.4 en dit artikel. Tweede lid Op grond van artikel 5.5 Besluit kwaliteit leefomgeving geldt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico niet voor functioneel gebonden kwetsbare gebouwen. Met het tweede lid wordt aan die instructieregel uitvoering gegeven. Artikel 2.48 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw Eerste lid Op grond van artikel 5.11, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving geldt er een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Hiermee wordt in een omgevingsplan 32

rekening gehouden. De term ‘rekening houden’ betekent in de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat van de standaardwaarde gemotiveerd afgeweken kan worden. Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Besluit kwaliteit leefomgeving). Beperkt kwetsbare gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen. Aan deze instructieregel wordt in de eerste instantie uitvoering gegeven om in het beperkingengebied (waar het plaatsgebonden risico hoger is dan genoemde standaardwaarde) geen gebruiksdoelen toe te laten die beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties kunnen bevatten, alsmede door in hoofdstuk 4 de bouwmogelijkheden te beperken. In voorkomende gevallen is het wel mogelijk om beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties toe te laten mits dit bij wijziging van het omgevingsplan zorgvuldig wordt gemotiveerd.

In aanvulling op deze werkwijze stelt dit artikel beperking aan het gebruik van gebouwen binnen het beperkingengebied om te voorkomen dat nieuwe of andere beperkte kwetsbare gebouwen zullen worden gebruikt. Dit artikel ziet op een tweetal situaties. Ten eerste geldt er een beperking wanneer het gebruik van een niet-kwetsbaar gebouw (een gebouw dat niet aan te merken is als kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw) wordt omgezet naar een beperkt kwetsbaar gebouw (passend in het toegestane gebruiksdoel). Dergelijke niet-kwetsbaar gebouw kan bij voorbeeld een berging zijn (‘overige gebruiksfunctie’ conform het Besluit bouwwerken leefomgeving). Als bijvoorbeeld een bedrijf (binnen het gebruiksdoel bedrijf) dergelijke berging in gebruik wil nemen voor productieactiviteiten (gebruiksfunctie industrie cf. Besluit bouwwerken leefomgeving). Na die wijziging kan het gebouw als beperkt kwetsbaar gebouw gezien worden. Ten tweede geldt er een beperking voor het wijzigen van een reeds bestaand beperkt kwetsbaar gebouw. De wijziging kan bestaan uit omzetting naar een andere (toegelaten) gebruiksfunctie, bv. de omzetting van een bedrijfsruimte naar kantoor. De wijziging kan ook aanpassing van de bedrijfsvoering zijn waardoor het aantal te verblijven personen toeneemt.

Toename van het aantal verblijvende personen heeft gevolgen voor het groepsrisico (aantal doden in geval van een calamiteit), maar ook voor de mogelijkheden van hulpverlening en rampenbestrijding. Dit is in lijn met de beperking die nu al geldt in Westpoort. Voor deze situaties geldt de beperking dat de wijziging niet zonder meer is toegestaan, maar alleen door middel van een vergunning. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beperkt kwetsbare gebouwen in het beperkingengebied in principe niet wenselijk en daarom alleen na zorgvuldige belangenafweging mogelijk. Het instrument omgevingsvergunning biedt het bevoegd gezag de ruimte om een maatwerk-beoordeling te maken voor het specifieke geval. Tweede lid Op grond van artikel 5.5 Besluit kwaliteit leefomgeving geldt de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico niet voor functioneel gebonden beperkt kwetsbare gebouwen. Met het tweede lid wordt aan die instructieregel uitvoering gegeven. Artikel 2.49 Beoordelingsregels In dit artikel is bepaald waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het nieuwe / gewijzigde gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw wordt getoetst. 33

Eerste lid Zoals bij artikel 2.48 toegelicht, zijn beperkt kwetsbare gebouwen in het beperkingengebied in principe niet wenselijk. Daarom kan een nieuw / gewijzigd gebruik alleen worden toegestaan zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen (onderdeel b). Hiernaast wordt de beoordeeld de veiligheidssituatie beoordeeld. Om de risico’s zo veel mogelijk te beperken moeten alle redelijkerwijs te vergen maatregelen getroffen zijn (onderdeel c). De hier maatregelen kunnen zowel brongericht als effectgerichte maatregelen zijn als andere maatregelen die de kans op een ongewoon voorval bij de risico veroorzakende activiteit voldoende beperken, zoals het instellen van venstertijden. Tevens is het van belang dat er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). Tweede lid Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio. De veiligheidsregio heeft de meeste expertise over de mogelijke gevolgen voor een ramp, alsmede over de mogelijke maatregelen m.b.t. risicobeperking en zelfredzaamheid. Derde lid Gelet op artikel 5.11, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het niet mogelijk beperkt kwetsbare objecten binnen de ‘plaatsgebonden risico 10-5 zone’ van een windturbine te realiseren.

Bij windturbines geldt er een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar. Van deze grenswaarde is het niet mogelijk om af te wijken, ook niet voor beperkt kwetsbare gebouwen. Artikel 2.50 Vergunningvoorschriften Op grond van artikel 4.5 van de Omgevingswet kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden worden indien hiervoor expliciet de mogelijkheid is opgenomen in het omgevingsplan. Daartoe dient dit artikel. In een vergunningvoorschrift kunnen (al dan niet naar aanleiding van het advies van de veiligheidsregio) maatregelen worden opgenomen omwille van veiligheid. Artikel 2.51 Aanvraagvereisten Dit artikel bevat de aanvraagvereisten met betrekking tot de door de aanvrager te verstrekken informatie. Deze gegevens zijn nodig voor het bevoegd gezag om de aanvraag te kunnen beoordelen.

Paragraaf 2.4.67 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk (gereserveerd) Paragraaf 2.4.78 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (gereserveerd)

Afdeling 2.5 Overige regels over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen (regels, voorheen gesteld door het Rijk) Paragraaf 2.5.1 Algemeen Artikel 2.52 Maatwerkvoorschriften Artikel 2.51 komt in de plaats van artikel 22.4 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Met dit artikel is de mogelijkheid tot 34

het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor onderwerpen die in deze afdeling zijn opgenomen. Het artikel is inhoudelijk ten opzichte van artikel 22.4 Bruidsschat ongewijzigd.

Paragraaf 2.5.2 Gebruik van bouwwerken Artikel 2.53 Verbod op overbewoning woonruimte Artikel 2.52 komt in de plaats van artikel 22.16 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud is ongewijzigd. Eerste lid Het eerste lid stelt met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners regels over hoeveel bewoners een woonruimte mogen bewonen. Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren. Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Gemeenten kunnen nu zelf bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering. De consequenties van het laten vervallen van de bepaling of het stellen van een andere maatvoering zijn moeilijk te voorzien.

Enerzijds blijkt uit de handhavingspraktijk niet dat er op gehandhaafd is. In elk geval in het recente verleden hebben zich geen situaties voorgedaan waarbij de hoeveelheid bewoners leiden tot problemen voor de gezondheid. Anderzijds kan dat mede het gevolg zijn van het bestaan van de regel. Bovendien moet de regel ook worden gezien als stok achter de deur voor als zich die gezondheidsproblemen voordoen. Alleen dan kan handhavend worden opgetreden. Gelet hierop zijn de regel en maatvoering een op een overgenomen. Tweede lid Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo’n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG). Artikel 2.54 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Artikel 2.54 komt in de plaats van artikel 22.17 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is ongewijzigd. Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187352/1