CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_artikelgewijs deel_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)50.099 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Omgevingsplan Amsterdam Basisregeling Toelichting (artikelsgewijs deel) Definitieve participatieversie (14 september 2022)

1

Inhoudsopgave II. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING.............................................................................................4 HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN .....................................................................................................4 HOOFDSTUK 2: ALGEMENE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN ..................................9 Afdeling 2.1 Algemeen.......................................................................................................................9 Afdeling 2.2 Toegestaan ruimtelijk gebruik .........................................................................................9 Afdeling 2.3 Overgangsbepalingen met betrekking tot afwijkmogelijkheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan ...............................................11 Afdeling 2.4 Algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken .............15 Afdeling 2.5 Overige regels over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen (regels, voorheen gesteld door het Rijk).........................................................................................................35 HOOFDSTUK 3: RUIMTELIJKE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN ..............................43 Afdeling 3.1 Algemeen

.....................................................................................................................43 Afdeling 3.2 Gebruiksdoelen van locaties, toegestaan gebruik en regels over dat gebruik � ..................43 HOOFDSTUK 4 ALGEMENE REGELS OVER ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN ..........................101 Afdeling 4.1 Algemeen ...................................................................................................................101 Afdeling 4.2 Vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken ......105 Afdeling 4.2a Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone stads- of dorpsgezicht’ ...................................................................................................................159 Afdeling 4.3 Overige regels over bouwwerken en activiteiten met betrekking tot bouwwerken...........160 HOOFDSTUK 5 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN ..........................................................................170 Afdeling 5.1 Algemeen ...................................................................................................................170 Afdeling 5.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken.............................................................................173 HOOFDSTUK 6 AANLEGACTIVITEITEN (HET UITVOEREN VAN WERKEN, GEEN BOUWWERK ZIJNDE,

OF VAN WERKZAAMHEDEN) ..............................................................................................................................189 Afdeling 6.1 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie' ...................................................................................................................................189 Afdeling 6.2 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen’ ....................................................................................193 Afdeling 6.3 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbindingen’ ....................................................................................194 Afdeling 6.4 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen’ .................................................................................................195 Afdeling 6.5 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’ .................................................................................................................................197 Afdeling 6.6 Regels van toepassing op

aanlegvergunningplichten opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan ...........................................................................................................198 HOOFDSTUK 7 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG ....................................................202 HOOFDSTUK 8 VANWEGE INSTRUCTIEREGELS AANGEWEZEN GEBIEDEN EN LOCATIES (HOOFDSTUK 8) ..............203 HOOFDSTUK 9 KOSTENVERHAAL ...........................................................................................................205 HOOFDSTUK 10 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN....................................................................................207 Afdeling 10.1 Algemene bepalingen ................................................................................................207 Afdeling 10.2 Milieubelastende activiteiten anders dan lozingen ......................................................212 Afdeling 10.3 Lozen op het riool en op of in de bodem ......................................................................282 HOOFDSTUK 11 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT GEMEENTELIJKE MONUMENTEN .....................................................................................................................................313 Afdeling

11.2 Provinciale monumenten: regels opgenomen vanwege instructieregels provinciale omgevingsverordening...................................................................................................................328 2

HOOFDSTUK 22 ACTIVITEITEN (BRUIDSSCHAT VAN HET RIJK) ......................................................................333 HOOFDSTUK 23 OVERGANGSRECHT ........................................................................................................334 HOOFDSTUK 24 SLOTBEPALING .............................................................................................................338

3

II. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 heeft betrekking op begrippen die in het omgevingsplan worden gehanteerd. Dit artikel komt in de plaats van artikel 1.1 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Eerste lid: In het eerste lid wordt bepaald dat de in bijlage I opgenomen begripsbepalingen op het omgevingsplan van toepassing zijn. Die bijlage bevat definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt. Voor de toegankelijkheid en leesbaarheid van het omgevingsplan zijn die begripsbepalingen gebundeld opgenomen in een bijlage. Voor een toelichting op de begripsbepalingen wordt verwezen naar de toelichting bij de bijlage [MOET NOG GEBEUREN, VOOR ZOVER NODIG]. Definities van begrippen die op een enkele plaats in het omgevingsplan worden gebruikt worden overigens niet altijd in de bijlage opgenomen, maar zijn in een aantal gevallen in het betreffende artikel of onderdeel. Dat gebeurt in elk geval wanneer een begrip in verschillende regelonderdelen van dit omgevingsplan een uiteenlopende betekenis kan hebben. Niet elk begrip behoeft een begripsomschrijving. In veel gevallen zal duidelijk zijn wat onder een bepaald begrip wordt begrepen.

Daarbij wordt in beginsel gekeken naar wat in het normale taalgebruik onder een begrip wordt verstaan. Wanneer dat niet tot een eenduidige uitleg leidt, kan een begripsomschrijving worden opgenomen. Wanneer een begrip gelet op het normale taalgebruik geen uitleg behoeft, wordt van opname van een omschrijving afgezien. Tweede lid: Een groot aantal in het omgevingsplan gehanteerde begrippen kent een definitie op grond van de Omgevingswet of een uitvoeringsregeling. In het tweede lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en de Omgevingsregeling eveneens van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. Daarbij is gekozen voor een zogenaamde dynamische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s van invloed kunnen zijn op de betekenis van de begrippen in zoals gehanteerd in dit omgevingsplan. Deze begripsomschrijvingen zijn dus niet in bijlage I overgenomen. Dit komt de eenduidige uitleg van het omgevingsrecht ten goede. In het tweede lid is wel de mogelijkheid opengelaten voor het in bijlage I opnemen van een andere definitie van een begrip. Derde lid: Het derde lid bevat een voorrangsbepaling van overgangsrechtelijke aard.

Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit 4

voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels in de desbetreffende besluiten. Zolang de desbetreffende ruimtelijke plannen nog van toepassing zijn, is van belang dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in die besluiten zelf, van toepassing blijven. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het derde lid regelt dit. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. Artikel 1.2 Oogmerk van de regels Regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet.

In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet bepaald: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel met het oog waarop regels kunnen worden gesteld (zie meer uitgebreid hierover hoofdstuk 3 van de algemene toelichting bij dit omgevingsplan). Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met het oog op een ander doel dan genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet mogen worden gesteld. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. In artikel 1.2 van dit omgevingsplan is vastgelegd dat de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bepaald in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt. Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven.

Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht. Artikel 1.3 Geografisch werkingsgebied van de regels, overzicht van informatieobjecten Artikel 1.3 bevat bepalingen over het geografisch werkingsgebied van de regels en over het overzicht van informatieobjecten dat onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is. Een juridische regel heeft altijd een werkingsgebied, dat wil zeggen een gebied waar die regel geldt. Dat geldt voor elke regel. Heel veel regels in het omgevingsplan gelden overal in Amsterdam. Andere regels gelden uitsluitend op specifieke locaties. Als uitgangspunt geldt dat het werkingsgebied van de regels in dit omgevingsplan het hele gemeentelijk grondgebied is. De regel geldt dan overal binnen Amsterdam. Wanneer het werkingsgebied van een regel of regelonderdeel is beperkt, wordt dat in de regels aangegeven, of volgt dat uit de regel(s) zelf. Hoewel dit een algemeen juridisch gegeven is voor juridische regels, is ervoor gekozen dit expliciet in dit artikel op te nemen, als uitgangspunt voor de uitzondering op die regel. 5

Tweede lid: In het tweede lid is opgenomen dat bijlage VI van dit omgevingsplan een overzicht van informatieobjecten bevat. Met informatieobjecten wordt gedoeld op geografische begrenzingen van het werkingsgebied van regels, of geografische begrenzingen van locaties waarnaar in regels wordt verwezen. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden. Dergelijke informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. Vanuit de regels wordt een koppeling gelegd naar dergelijke informatieobjecten. Ze zijn als bijlage opgenomen bij de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd. Artikel 1.4 Normadressaat Artikel 1.4 bepaalt tot wie de regels van dit omgevingsplan zijn gericht. Het artikel bevat een hoofdregel, maar laat ruimte om daarop elders in dit omgevingsplan uitzonderingen te maken. De hoofdregel is dat de regels zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Onder ‘degene die de activiteit verricht’ wordt, zoals ook blijkt uit de toelichting op het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving ook verstaan degene die de activiteit laat verrichten.

Zo bepaalt artikel 4.3 van dat besluit dat aan de regels in hoofdstuk 4 wordt voldaan "door degene die het bouwwerk bouwt". Blijkens de toelichting op dat artikel (staatsblad 2018, nr. 291) wordt daaronder ook degene verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander. Dit houdt bijvoorbeeld ook in dat een opdrachtgever er voor zorgt dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Onder degene die de activiteit verricht wordt dus meer verstaan dan alle degene die feitelijk de activiteit verricht. De Omgevingswet noch de AMvB's bevatten een nadere duiding aan welke criteria 'degene die de activiteit verricht' in een concreet geval zou moeten voldoen. Wel is een aantal elementen aan te geven (zie meer uitgebreid paragraaf 2.3.2 van de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 293). Degene moet (economische) zeggenschap hebben over de activiteit. Dat is degene die het feitelijk of juridisch voor het zeggen heeft/in zijn macht heeft om de activiteit te starten, aanpassen of staken (de overtreding te beëindigen). Bij meeste activiteiten is het degene die de vergunning aanvraagt of melding doet. In andere gevallen: degene met zeggenschap. Vaak zal het de eigenaar of huurder van het perceel/pand zijn. Er is een voorbeeld van een bodemenergiesysteem opgenomen.

De eigenaar / huurder heeft zeggenschap over het wel of niet installeren van een bodemenergiesysteem op het perceel en is ook degene die voor het installeren van het systeem de vereiste vergunning kon aanvragen. Hij is veelal ook degene die een aannemer de opdracht heeft gegeven het systeem aan te leggen. Dit alles is eveneens van toepassing op de uitleg van wie moet worden verstaan onder degene die de activiteit verricht, zoals opgenomen in dit artikel 1.4. Het artikel biedt wel ruimte om elders in dit omgevingsplan, mocht dat nodig blijken, een afwijkende normadressaat te bepalen. Dit laatste in navolging van wat bijvoorbeeld gebeurd in het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin voor een aantal regelonderdelen een van de hoofdregel afwijkende normadressaat wordt aangegeven. Artikel 1.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Artikel 1.5 komt in de plaats van artikel 22.46 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is ongewijzigd. Door

6

opname van de bepaling in dit hoofdstuk 1 is het toepassingsbereik verruimd tot heel het omgevingsplan. Als op grond van een bepaling in dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens en bescheiden begeleid door een aantal algemene gegevens. Dat wordt bepaald in dit artikel. De plicht zelf om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel. Deze systematiek komt overeen met die van het Besluit activiteiten leefomgeving en voorkomt dat bij iedere meldings- of informatieplicht de algemene gegevens herhaald moeten worden. De term bescheiden wordt gebruikt om allerlei vormen van schriftelijke documentatie of bewijsstukken aan te duiden. Overwogen is deze bepaling ook van toepassing te laten zijn op vergunningaanvragen en verzoeken on een maatwerkvoorschrift. Hierin is echter reeds voorzien in artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat Artikel 1.6 komt in de plaats van artikel 22.47 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is inhoudelijk ongewijzigd. Aanhef: Uit de aanhef volgt dat deze bepaling alleen van toepassing is op gegevens en bescheiden die zijn verstrekt met het oog op de uitoefening van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 10. Onderdeel a: Onderdeel a regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Onderdeel b: Onderdeel b regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld. Artikel 1.7 Algemene meet- en rekenbepalingen Artikel 1.7 bevat meet- en rekenbepalingen die op dit omgevingsplan van toepassing zijn.

In diverse onderdelen in dit omgevingsplan worden aanvullend ook nog specifieke, op die onderdelen van toepassing zijnde, meet- en rekenregels gegeven. Eerste lid: Het eerste lid bevat een regel over het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte. Bij het toekennen van een maximum programma voor een bepaalde vorm van gebruik wordt gebruik gemaakt van brutovloeroppervlakte. Daarmee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op grond van de in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen begripsbepaling, die op grond van artikel 1.1 ook van toepassing is op dit omgevingsplan, wordt onder bruto-vloeroppervlakte verstaan brutovloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580. Dit houdt tevens een meetregel in, namelijk dat de brutovloeroppervlakte wordt bepaald overeenkomstig NEN 2580. Dat wordt in dit eerste lid bepaald. Tweede lid: Een aantal regels in dit hoofdstuk bevat locatiegerichte normen. Die normen worden veelal niet 7

weergegeven in de tekst van de regels, maar worden vastgelegd in een informatieobject, dat vervolgens wordt weergegeven op de digitale kaart in het Digitale Stelsel Omgevingswet. Gedacht kan worden aan een regel die het maximum aantal woningen voor een locatie bepaalt. Deze regels bevatten altijd een zinsnede van de strekking 'ter plaatse van de aanduiding X geldt de daar bepaalde waarde'. In de begripsbepalingen is aangegeven wat onder een aanduiding wordt verstaan, namelijk 'een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden'. Een en dezelfde aanduiding kan aan meerdere locaties worden gegeven. Kijk bijvoorbeeld naar de volgende regel: "Ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde." De aanduiding 'aantal woningen' kan op meerdere plekken binnen de gemeente aan een locatie worden gekoppeld. De daarop betrekking hebben norm kan per locatie verschillen, maar het kan ook voorkomen dat de norm ook dezelfde is. Dat kan ertoe leiden dat niet duidelijk is of de norm geldt voor alle locaties te samen waar die norm geldt, of voor elke locatie afzonderlijk. Het tweede lid maakt duidelijk dat dit laatste het geval is.

Derde lid: Het derde lid bepaalt dat op het bepalen van de geluidbelasting op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2: Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken Afdeling 2.1 Algemeen Artikel 2.1 Toepassingsbereik Artikel 2.1 bepaalt dat de regels in hoofdstuk 2 gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 2.2 Vervallen Artikel 2.3 Specifieke meet- en rekenbepalingen tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 2.3 bevat een specifieke meet- en rekenbepalingen van overgangsrechtelijke aard. Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Artikel 1.7 bevat meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van het gehele omgevingsplan. Deze bepalingen moeten overal in Amsterdam van toepassing zijn, en zijn daarom opgenomen in een 8

regelonderdeel dat in één keer voor heel de gemeente van toepassing is geworden. Die meet- en rekenbepalingen hebben ook betrekking op de regels over gebruik in dit omgevingsplan. De regels over gebruik, opgenomen in onder meer afdeling 3.2, zullen echter gebied voor gebied van toepassing worden. Dat gebeurt door de geldende ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, gebiedsgewijs te vervangen. Totdat die ruimtelijke besluiten zijn komen te vervallen, gelden de daarin opgenomen regels. Die ruimtelijke besluiten bevatten eveneens regels over gebruik en ook daarop van toepassing zijnde meet- en rekenvoorschriften. Artikel 2.3 bepaalt dat zolang die regels nog niet zijn komen te vervallen, de daarin opgenomen meet en rekenregels van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels over gebruik.

Afdeling 2.2 Toegestaan ruimtelijk gebruik Artikel 2.4 Toegestaan gebruik Artikel 2.4 regelt in samenhang met de regels in afdeling 3.2 welk gebruik op welke locatie is toegestaan. Met het artikel wordt de basis gelegd voor een voortzetting van de systematiek zoals we die ook onder oud recht kenden. Die hield in dat in bestemmingsplannen werd bepaald welke bestemming op een locatie gold, waarbij in de bestemmingsomschrijving werd bepaald welk gebruik daar was beoogd, en waarbij tevens specifieke gebruiksregels over dat gebruik konden worden gesteld. Daarboven hing als het ware artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat een verbod bevatte om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met die ruimtelijke regelingen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in afdeling 2.4 en afdeling 2.5. In afdeling 3.2 wordt geregeld waar welk gebruiksdoel geldt. Aan een locatie kunnen meerdere gebruiksdoelen kunnen zijn gegeven. Met betrekking tot het gebruiksdoel worden ook regels gesteld over het gebruik.

Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 2.4 en afdeling 2.5. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 10. Tweede lid: Het tweede lid is van overgangsrechtelijke aard, en regelt hetzelfde als het eerste lid voor gebieden waar het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan nog niet is komen te vervallen. Bepaald wordt dat het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel is van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.

Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf per bestemming regels over gebruik. Daar waar een ruimtelijk besluit nog van toepassing zijn, wordt de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan beantwoord aan de hand van de daarin opgenomen regels. Het tweede lid regelt dit.

9

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. Derde lid: In bestemmingsplannen werd veelal in de bestemmingsomschrijving aangegeven dat gronden mede waren bedoeld voor bepaalde bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en waterpartijen, nutsvoorzieningen, en eventueel voor het gebruiksdoel benodigde ontsluitingsinfrastructuur. Hoewel dergelijke bijbehorende voorzieningen moeten vanzelfsprekend moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met alle gebruiksdoelen, is in het derde lid expliciet bepaald dat dit een gebruik betreft dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Een soortgelijke bepaling met betrekking tot een nog geldende bestemming is niet nodig, omdat dit in bestemmingsplannen geregeld is in de bestemmingsomschrijvingen. Artikel 2.5 Waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan Artikel 2.5 bepaalt voor een aantal vormen van planologisch gebruik waar die zijn toegestaan.

Op andere locaties dan de aangegeven locaties is de betreffende vorm van planologisch gebruik niet toegestaan. Waar in artikel 2.4 het gebruiksdoel van locatie en wat daarbinnen is toegestaan voorop staat, met als regel dat gronden en bouwwerken niet mogen worden gebruikt op een wijze die in strijd is met dat gebruiksdoel, staan in artikel 2.5 de vormen van planologisch gebruik centraal, en waar die zijn toegestaan. Per vorm van planologisch gebruik wordt daarbij verwezen naar het in afdeling 3.2 opgenomen regelonderdeel waarin verdere regulering van die vorm van planologisch gebruik plaatsvindt. Die regelonderdelen hebben op hun beurt betrekking op zowel dat planologisch gebruik, als op het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken. Opgemerkt wordt dat niet alle regelonderdelen in afdeling 3.2 betrekking hebben op vormen van planologisch gebruik die ook in artikel 2.5 worden gereguleerd. Zo bevat afdeling 3.2 regels over de gebruiksdoelen ‘groen’ en ‘water’, maar wordt in artikel 2.5 niet bepaald dat dat groen- en watervoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de desbetreffende gebruiksdoelen. Eerste lid: Het eerste lid bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Bepaald is dat de na het eerste lid volgende leden niet van toepassing zijn ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.

Daar bepalen de regels over gebruik zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan waar welke vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel is van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf per bestemming regels over gebruik. Zolang en daar waar de desbetreffende ruimtelijke plannen nog van toepassing zijn, is van belang dat de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan wordt beantwoord aan de hand van de daarin opgenomen regels. Omdat die regels niet staan in de afdelingen waarnaar het eerste lid verwijst, maar in die nog van toepassing zijnde ruimtelijke plannen, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het tweede lid regelt dit. Het werkingsgebied van het tweede en de daarop volgende leden is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’.

Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten

10

vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. Tweede lid en daarop volgende leden: In het tweede lid en de daarop volgende leden wordt per onderscheiden vorm van planologisch gebruik bepaald waar die is toegestaan. Per vorm van planologisch gebruik wordt een kruisverwijziging op genomen naar het betreffende regelonderdeel. Behalve de juridisch functie van deze kruisverwijzing (die regelonderdelen zijn van toepassing op de betreffende vormen van planologisch gebruik) moet ook dit bijdragen aan een overzichtelijke ontsluiting van de voor de lezer relevante regels.

Afdeling 2.3 Overgangsbepalingen met betrekking tot afwijkmogelijkheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 2.6 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 2.6 is van overgangsrechtelijke aard en heeft betrekking op de binnenplanse afwijkmogelijkheid die in ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, kunnen zijn opgenomen en die van rechtswege onderdeel zijn geworden van dit omgevingsplan. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.280, 22.281 en 22.286 zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel zijn geworden van dit omgevingsplan. Eerste lid Het eerste lid bepaalt het werkingsgebied van dit artikel. Het artikel geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.

Tweede lid Het tweede lid, dat in de plaats komt van artikel 22.280, bepaalt dat voor zover in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor een in dat plan aangegeven locatie is bepaald dat voor een activiteit met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om op die locatie de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Dergelijke ruimtelijke plannen kunnen een afwijkmogelijkheid bevatten. Het tweede lid bepaalt dat die afwijkmogelijkheid geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen.

Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een 11

activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm ‘gevangen’ onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan werd deze explicitering van de vergunningplicht van rechtswege in eerste instantie in artikel 22.280 van dit omgevingsplan geregeld. Deze bepaling is opgegaan in dit tweede lid. Met deze bepaling wordt buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd. Dergelijke binnenplanse afwijkmogelijkheden kunnen betrekking hebben op zowel het gebruik als op bouwwerken. Artikel 2.6 heeft betrekking op het gebruik.

In artikel 4.22 is een soortgelijke bepaling opgenomen met betrekking tot bouwwerken. Derde lid Het derde lid bepaalt dat op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in het tweede lid, de daarop betrekking hebbende beoordelingsregels van toepassing zijn zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Vierde lid Het vierde lid, dat in de plaats komt van artikel 22.281, bepaalt dat voor zover in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan de mogelijkheid is opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van regels in dat tijdelijke deel, en die regels de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid. Dit vierde lid moet worden gelezen in samenhang met het tweede en derde lid en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij het eerste lid vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 , van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen.

Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, werd met artikel 22.281, dat wordt vervangen door dit derde lid, beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze 12

vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Vijfde lid Het vijfde lid, dat in de plaats komt van artikel 22.286, bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in het tweede lid. De aanvraagvereisten zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Artikel 2.7 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking tijdelijk deel omgevingsplan, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht Artikel 2.7 is van overgangsrechtelijke aard en heeft betrekking op de binnenplanse uitwerkingsplicht of wijzigingsmogelijkheid die in ruimtelijke plannen, die van rechtswege onderdeel zijn geworden van dit omgevingsplan, zoals bestemmingsplannen, kunnen zijn opgenomen. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.282 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van dit omgevingsplan. Eerste lid Het eerste lid bepaalt het werkingsgebied van dit artikel. Het artikel geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.

Tweede lid Het tweede lid, dat in de plaats komt van artikel 22.282, bepaalt dat zover een activiteit met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken in strijd is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over het gebruik van gronden en bouwwerken, omgevingsvergunning kan worden verleend voor het verrichten van die activiteit als de activiteit niet in strijd is met in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Dergelijke plannen kunnen een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht bevatten.

Het tweede lid biedt voor een activiteit met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken die in strijd is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over het gebruik van gronden en bouwwerken, de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het verrichten van die activiteit als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van 13

wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is door het Rijk niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. Als het gebruik in strijd is met de in artikel 2.4, tweede lid bedoeld regels over gebruik, maar het gebruik niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan toch binnenplans vergunning worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen.

Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht. Veelal zal niet alleen sprake zijn van een gebruik dat in strijd is met de in artikel 2.4, tweede lid bedoeld regels over gebruik, maar ook van een bouwplan dat in strijd is met de in artikel 4.19, tweede lid, bedoelde regels over bouwwerken. In dat geval kan met toepassing van artikel 4.21, voor zover dat bouwwerk niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, ook voor die omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunning worden verleend. Derde lid In het derde lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening.

Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie. Vierde lid Het vierde lid bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in het tweede lid. De aanvraagvereisten zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

14

Afdeling 2.4 Algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken Paragraaf 2.4.1 Algemeen Artikel 2.8 Toepassingsbereik Artikel 2.8 bepaalt dat afdeling 2.4 van toepassing is op het gebruik van gronden en bouwwerken. Naast deze regels over gebruik zijn ook elders in dit omgevingsplan gestelde regels over gebruik onverkort van toepassing. Artikel 2.9 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 2.9 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze afdeling buiten toepassing blijven voor zover deze regels in strijd zijn met regels die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. De voorrangsregel is nodig omdat afdeling 2.4 algemene regels over gebruik bevat die in beginsel overal binnen Amsterdam gelden. Het gaat onder meer om regels over het inrichten en gebruik van erven, over ondergeschikte activiteiten die plaatsvinden binnen een hoofdgebruik dat op grond van afdeling 3.2 is toegestaan, en over parkeernormering. Het gaat om regels die van toepassing zijn op alle of in elk geval veel vormen van gebruik. Het gaat om regels van planologische aard, waarmee wordt bedoeld dat het gaat om onderwerpen die in het verleden veelal in bestemmingsplannen werden geregeld. Juist daarom is deze voorrangsbepaling ook nodig. De regels vloeien voort uit gemeentebreed vastgesteld beleid. Deze regels moeten overal binnen de gemeente gelden (met eventueel de mogelijkheid van lokale maatwerkregels). De afgelopen jaren werd dit beleid veelal vertaald in regels in bestemmingsplannen.

Omdat beleid in de loop der tijd wijzigde, of omdat in bepaalde gevallen maatwerk nodig was, zijn die regels niet altijd overal gelijk. Ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen kunnen onderling afwijkende regels bevatten. Deze ruimtelijke plannen zijn bij wijze van overgangsrecht op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet tijdelijk onderdeel van dit omgevingsplan geworden. Deze ruimtelijke plannen blijven van toepassing, totdat ze zijn komen te vervallen. De regels in deze ruimtelijke plannen kunnen, zoals hiervoor aangegeven, afwijken van de regels zoals opgenomen in deze afdeling 2.4. Beide maken echter onderdeel uit van het omgevingsplan. Bij van elkaar afwijkende regels is het van belang dat duidelijk wordt gemaakt welke regels van voorrang hebben. Dat regelt artikel 2.9. Om recht te doen aan de gebiedsspecifieke afweging die in het verleden bij het vaststellen van bestemmingsplannen is gemaakt, is in artikel 2.9 bepaald dat de regels in deze afdeling buiten toepassing blijven voor zover deze regels in strijd zijn met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In dat geval gelden de regels uit dat tijdelijk deel. Zijn in het tijdelijk deel geen regels over de in deze afdeling opgenomen onderwerpen opgenomen, dan is er geen sprake van strijd, en dan gelden de regels van deze afdeling.

15

Paragraaf 2.4.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing Artikel 2.10 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing Artikel 2.10 bevat algemene regels over het gebruik van het bij hoofdgebouwen behorend erf en de daarop aanwezige erfbebouwing. Eerste lid Het eerste lid bepaalt dat het gebruik en het erf behorende bij een hoofdgebouw overeenkomstig het gebruiksdoel van dit hoofdgebouw dient te zijn. Het gebruiksdoel volgt uit afdeling 3.2. Het bij een hoofdgebouw behorende erf zal in de meeste gevallen hetzelfde gebruiksdoel hebben als dat van het hoofdgebouw. Omdat het hoofdgebouw meerdere gebruiksdoelen kan hebben, kan dat ook gelden voor het bijbehorend erf. Ook is mogelijk dat bij een hoofdgebouw met meerdere gebruiksdoelen het bijbehorend erf slechts een enkel gebruiksdoel heeft. Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een onder afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

Denk hierbij een parkeervoorzieningen op het erf behorend bij een bedrijf, het gebruik van het erf bij een woning als tuin, speelmogelijkheden voor kinderen op een bij een kinderdagverblijf behorend erf, of dat bij een kantoor medewerkers zich in de tuin begeven om te lunchen. Hiermee wordt de jurisprudentie onder de Wro gevolgd (zie o.a. ABRvS 20 april 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BQ1895 en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1790). Derde lid Indien het onwenselijk wordt geacht dat het erf bedrijfsmatig wordt gebruikt, dan kan de aanduiding ‘tuin’ aan de gronden zijn toegekend. Het derde lid verbindt aan die aanduiding het gevolg dat daar een bedrijfsmatig gebruik van het erf niet is toegestaan. Vierde lid Wat onder bedrijfsmatig gebruik, bedoeld in het derde lid, moet worden verstaan, is niet nader bepaald. Wel bepaalt het vierde lid dat onder een bedrijfsmatig gebruik in ieder geval opslag wordt begrepen.

Paragraaf 2.4.3 Parkeernormen voor auto’s, bromfietsen en fietsen bij gebruik van gronden en bouwwerken Subparagraaf 2.4.3.1 Parkeernormering auto’s Artikel 2.11 Toepassingsbereik In onderdeel 2.4.3 zijn regels opgenomen over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s en stallingsplaatsen voor bromfietsen en fietsen. Paragraaf 2.4.3.1 bevat de regels over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s. Artikel 2.11 geeft aan waarover de regels in deze paragraaf gaan, namelijk over het aantal parkeerplaatsen dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar mag en moet zijn ten behoeve van het gebruik. De bepaling bevat een aantal elementen die voorafgaand aan de toelichting op de inhoudelijke regels toelichting behoeven. In zijn algemeenheid geldt dat het gebruik van gronden en bouwwerken passend moet zijn binnen het gebruiksdoel en de daaromtrent gestelde regels over gebruik (artikel 2.4). Welk gebruik van gronden en bouwwerken op een bepaalde locatie is toegestaan, volgt uit de regels zoals opgenomen in afdeling 3.2. Bij dat gebruik dient een bepaald aantal parkeerplaatsen beschikbaar te zijn op het eigen terrein. Hiermee wordt uitgedrukt dat de zorg voor het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar dient te zijn voor 16

vormen van gebruik voor de ondernemer, verhuurder, de bewoner, beperkt blijft tot het eigen terrein. De zorg over het aantal parkeerplaatsen dat in de openbare ruimte beschikbaar mag of moet zijn, ligt bij de beheerder die gaat over de inrichting van die openbare ruimte. Verder gaat het om het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar mag en moet zijn. Daarmee wordt uitgedrukt dat het aantal parkeerplaatsen zowel door een ondergrens als een bovengrens wordt bepaald. Die onder- en bovengrens kunnen een bandbreedte inhouden, maar kunnen ook dezelfde zijn. De bovengrens strekt er mede toe de automobiliteit terug te dringen. De ondergrens dient ertoe te voorzien in de minimale behoefte, zodat geen onevenredige parkeerdruk ontstaat. De minimale parkeernorm kan ook een norm van nul parkeerplaatsen inhouden. Er bestaat in dat geval geen verplichting om parkeerplaatsen ten behoeve van het planologisch gebruik te realiseren. De beleidsmatige onderbouwing van deze balans is opgenomen in het op enig moment geldende parkeernormenbeleid. Het gaat om parkeerplaatsen die feitelijk beschikbaar mogen en moeten zijn. Een op eigen terrein met markeringen als parkeerplaats aangegeven plaats waar een betonnen plantenbak staat, is geen parkeerplaats die feitelijk beschikbaar is.

Dat is bijvoorbeeld van belang wanneer vanwege een wijziging van het gebruik het aantal parkeerplaatsen naar beneden moet worden bijgesteld. Elke maatregel die erin voorziet dat het feitelijk gebruik van een parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt, kan daarin voorzien. Er hoeft in die gevallen geen sprake te zijn van een onomkeerbare maatregel. Tot slot gaat het om het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar mag en moet blijven. Uitgangspunt voor de regeling is de bestaande situatie. De regels in dit onderdeel hebben betrekking op het wijzigen van die bestaande situatie. Artikel 2.12 Van toepassing zijnde parkeernormen In artikel 2.12 is bepaald welke parkeernomen van toepassing zijn. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat voor de toepassing van deze subparagraaf de normen zoals opgenomen in bijlage V de geldende parkeernormen zijn. In bijlage V zijn de parkeernormen opgenomen zoals die zijn vastgesteld in de Nota parkeernormen Auto 2017 (hierna: Nota parkeernormen). Vanuit de regels wordt via artikel 2.12 naar die bijlage verwezen. De bijlage maakt daarmee onderdeel uit van de regels. Een wijziging in die bijlage werkt direct door. Tweede tot en met vierde lid: In artikel 2.12 wordt conform het geldend beleid een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende typen locatie, met elk een eigen parkeernormering. Het gaat om de volgende gebieden: 

A-locaties: kenmerken zich door een zeer goede OV-bereikbaarheid. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn als A-locatie aangemerkt. Ook de binnenstad van Amsterdam en de Wibautas zijn als A-locatie geclassificeerd. In deze gebieden schrijft de gemeente alleen een maximumparkeernorm voor.

B-locaties: hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als Blocatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

C-locaties: bestaan uit Landelijk Noord, Driemond, het Havengebied en een aantal bedrijventerreinen en sportlocaties. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is minder goed dan in de rest van de stad. Bij nieuwbouwplannen in deze gebieden is maatwerk nodig. Het kan zijn dat de gemeente eist dat het parkeren op eigen terrein opgelost wordt, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn. 17

De onderscheiden locaties worden met aanduidingen in het omgevingsplan aangegeven. Het is dan duidelijk welke locatie-type op een specifieke locatie van toepassing is. Uitgangspunt bij die onderverdeling zijn de bestaande A-, B- en C-locaties. Het is echter mogelijk dat bij nieuwe gebiedsontwikkelingen of transformatie op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm, en waarbij de ontwikkeling nog niet is afgerond. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm specifiek van toepassing wordt verklaard. Pas wanneer de ontwikkeling is afgerond is immers sprake van een bestaande situatie die, ongeacht de algemeen geldende parkeernorm, in stand gehouden mag worden. Artikel 2.13 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik In artikel 2.13 zijn de regels opgenomen met betrekking tot het benodigd aantal parkeerplaatsen bij het wijzigen van bestaand gebruik. Het gaat om wijziging van bestaand gebruik die binnen de regels van het omgevingsplan is toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187352/1