CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Nota van beantwoording zienswijzen Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam Toevoeging van regels over horeca, darkstores en evenementenlocaties

RAAD 2 juli 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Toevoeging van regels over horeca, darkstores en evenementenlocaties (VN2026-007926)46.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Artikel 3.82, derde lid, Omgevingsplan bepaalt dan de volgende openingstijden: • op zondag tot en met donderdag van 07.00 tot 01.00 uur de dag erna; en • op vrijdag en zaterdag van 07.00 tot 02.00 uur de dag erna. Zolang het bestemmingsplan nog niet is vervangen, gelden op grond van artikel 3.83, eerste lid, Omgevingsplan dezelfde openingstijden. Voor een meer uitgebreide toelichting, zie paragraaf 3.7 van deze nota. Op grond van artikel 3.86 Omgevingsplan geldt dat gedurende de eerste drie jaar na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit de openingstijden van de exploitatievergunning, zoals die gold op het moment van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, blijven gelden. Dat betekent dat bestaande horecabedrijven pas na die overgangstermijn van drie jaar een beperking kunnen ondervinden. Voor die bedrijven die het betreft is in een persoonsgebonden ontheffingsmogelijkheid voorzien (artikel 3.86, derde en vierde lid, Omgevingsplan). Of die kan worden verleend, wordt per aanvraag beoordeeld. De overgangstermijn van drie jaar geeft de exploitant de gelegenheid de exploitatie aan de nieuwe openingstijden aan te passen, dan wel tijdig een ontheffing aan te vragen. 58

Daarnaast zijn er mogelijkheden om soms langer open te blijven. Voor horeca op een locatie voor lichte en reguliere horeca geldt dat op grond van het omgevingsplan vijf keer per jaar de openingstijden mogen worden overschreden (artikel 3.82, zevende lid, Omgevingsplan), en voor horeca op een locatie voor middelzware en zware horeca geldt dat dit twaalf keer per jaar mag (artikel 3.82, achtste lid, Omgevingsplan). Voor de periode dat het bestemmingsplan nog niet is vervangen, is voorzien in gelijke mogelijkheden (artikel 3.83, tweede en derde lid, Omgevingsplan). Op grond van de APV dient hiervoor wel een ontheffing van de openingstijden aangevraagd te worden (artikel 3.15, tweede lid, onder b, APV). Geluidsnorm achtergrondmuziek Er wordt muziek gedraaid in de zaak. In de bestaande regels (via de "bruidsschat' in het Tijdelijk Omgevingsplan) geldt dat achtergrondmuziek binnen tot 80 dB(A) is toegestaan. In het wijzigingsbesluit wordt dit teruggebracht naar 75 dB(A). Dat is onnodig beperkend en zorgt voor rechtsonzekerheid, terwijl de geluidsnormen al bescherming bieden tegen overlast. De huidige norm moet worden gecontinueerd. Reactie: De bruidsschatsregels voor milieubelastende activiteiten zijn inmiddels grotendeels vervangen. De bepaling waaraan lijkt te worden gerefereerd, is daarbij beleidsneutraal overgenomen in artikel 9.28 Omgevingsplan.

Daarin is, anders dan kennelijk wordt gedacht, geen geluidsnorm voor het afspelen van muziek opgenomen. Het bepaalt alleen wanneer onderzoek gedaan moet worden. Op basis van dat onderzoek kan worden bepaald of voldaan wordt aan de normen zoals die gelden binnen geluidgevoelige gebouwen en op de gevel van geluidgevoelige gebouwen. De regulering van muziek met een geluidsniveau hoger dan voor achtergrondmuziek, zoals met voorliggend wijzigingsbesluit voorzien, is opgenomen omdat het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau dat hoger is dan dat van achtergrondmuziek een ander soort horeca geeft dan wordt beoogd op locaties voor lichte en reguliere horeca. Het is om die reden dat het geluidsniveau wordt genormeerd, en dus niet om het voldoen aan de binnenwaarde in geluidsgevoelige gebouwen te borgen. Hoewel het binnen een restaurant afspelen van muziek met een geluidsniveau hoger dan dat van achtergrondmuziek nergens expliciet verboden was, wil dat niet zeggen dat het dus was toegestaan. Dat bleek niet voor iedereen duidelijk. Om die reden is de bepaling over het muziekniveau nu expliciet gemaakt. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van deze nota. Innovatie Het beleid kan beperkend worden gebruikt als zaken zich met wisselende trends en bezoekers bezighouden.

Verzocht wordt in het beleid op te nemen dat het niet de bedoeling is om het beperkend in te zetten ten opzichte van het huidige beleid. Dat is iets dat mondeling wordt gemeld aan ondernemers in de afgelopen jaren door gemeente. Het verleden heeft echter geleerd dat de juridische dienst en stadsdelen altijd op grenzen rigide lezen. Het is dus nodig dat zaken eruit worden gehaald die niet helemaal de bedoeling zijn en dat zaken erin komen ter sturing tegen te beperkend gebruik van het instrument. Reactie: Uit verschillende zienswijzen blijkt dat bij de totstandkoming van het Horecabeleid 2025 het beeld is ontstaan dat bestaande rechten behouden blijven. Dat beeld is niet juist. Daar waar is aangegeven dat bestaande rechten behouden blijven, gaat het erom dat de gebruiksrechten, zoals die op grond van het bestemmingsplan gelden, behouden blijven. Oftewel, mag je nu op grond van het nog geldende bestemmingsplan een restaurant of café exploiteren, dan mag dat straks ook nog. Alle genoemde 59

voorbeelden hebben daarop betrekking. En dat staat nog steeds voorop. Dat betekent echter niet dat aan de exploitatie van horeca geen nadere beperkingen gesteld kunnen worden. En dat is ook niet zo gesteld. In paragraaf 3.1 van deze nota wordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

15. Homaned II B.V Namens Homaned II B.V. en de rechthebbende (hierna: Homaned II) is zienswijze ingediend. Omzetting naar zwaartecategorieën Het idee is dat de nieuwe indeling in zwaartecategorieën zal worden gebaseerd op de daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten die invloed hebben op de omgeving. Het is niet duidelijk wat de term 'daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten' behelst. Dit wordt niet nader gedefinieerd in het ontwerpbesluit. Dit maakt deze verdelingswijze rechtsonzeker, onzorgvuldig en niet transparant. Het is ook de vraag of dit in lijn is met de Dienstenrichtlijn. Reactie: Inderdaad stond in de motivering bij het Ontwerp Wijzigingsbesluit dat de nieuwe indeling is gebaseerd op de daadwerkelijk uitgevoerde horeca-activiteiten die invloed hebben op de omgeving. Dat kan de suggestie wekken dat bij de toekenning van gebruiksdoelen wordt gekeken naar de daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten. Dat is niet bedoeld te zeggen. Bedoeld te zeggen is dat de indeling in zwaartecategorieën is gebaseerd op concrete activiteiten die daadwerkelijk binnen horeca kunnen worden uitgevoerd. De tekst in de motivering is hierop aangepast. Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 geldt bij het omzetten van de horecabestemming naar zwaartecategorie als uitgangspunt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen.

Nadeelcompensatie In het Ontwerp Wijzigingsbesluit is nergens terug te lezen op welke wijze rekening is gehouden met eventuele planschade of regelingen van gelijke strekking. Het is immers denkbaar dat bij het 'verlies' van een mogelijkheid om te exploiteren (waarbij bijvoorbeeld een zwaartecategorie wordt gegeven aan een locatie waar eerst een ‘ruimere' vorm van horeca mogelijk was), een exploitant aanspraak maakt op planschade of een andere vorm van exploitatie. Hier lijkt op geen enkele manier rekening te zijn gehouden met de voorziene wijzigingen in het ontwerpbesluit. Reactie: Zoals hiervoor aangegeven geldt bij het omzetten van de horecabestemming naar zwaartecategorie als uitgangspunt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. Dat gebeurt bij latere wijzigingsbesluiten, waarmee het nog geldende bestemmingsplan wordt vervangen. Dat omzetten is met voorliggend wijzigingsbesluit niet aan de orde. De vraag of in voorkomende gevallen sprake zou kunnen zijn van nadeelcompensatie is dan ook prematuur. Naar huidige inzichten is er dan ook geen sprake van nadeel dat voor compensatie in aanmerking komt verbonden aan de voorliggende wijziging omgevingsplan.

Onrechtmatig handelen overheid Er is geen aandacht besteed aan situaties waarbij de exploitant— bijvoorbeeld door (onrechtmatig) handelen van de overheid — niet de mogelijkheid is geboden om bepaalde bij recht toegestane horeca-activiteiten uit te voeren op desbetreffende locatie. Bijvoorbeeld: een exploitant wordt door 60

de gemeente belemmerd in de exploitatie van horeca 3 (alwaar dit wel is toegestaan op grond van het bestemmingsplan), terwijl de exploitant deze exploitatie wel wenst. Op welke wijze worden dit soort situaties meegewogen bij bepaling van de zwaartecategorie aan de hand van de daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten? Reactie: Zoals hiervoor reeds aangegeven wordt bij de omzetting van het nog geldende bestemmingsplan niet gekeken naar de daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten, maar naar de maximale mogelijkheden die het te vervangen bestemmingsplan biedt. Het is niet duidelijk in welk opzicht daarbij rekening moet worden gehouden met het veronderstelde onrechtmatig handelen van de overheid. Juridische houdbaarheid zwaartecategorieën Het is ook discutabel of de wijze van indeling in zwaartecategorieën werkbaar en juridisch houdbaar is. Reactie: In de zienswijze wordt niet duidelijk gemaakt in welk opzicht de indeling in zwaartecategorieën niet werkbaar zou zijn. Er worden verder ook geen argumenten aangedragen waarom het juridisch niet houdbaar zou zijn. Verzoek Homaned II verzoekt op de hoogte te worden gehouden van wijzigingen van het bestemmingsplan (bedoeld wordt: het omgevingsplan) ten aanzien van haar locatie Oudebrugsteeg.

Reactie: Sinds de invoering van de Wet elektronische publicaties op 1 juli 2021 is het voor gemeenten wettelijk verplicht om deze publicaties in het Gemeenteblad te plaatsen. Bekendmakingen van het voornemen ergens het omgevingsplan te wijzigen, terinzagelegging van een Ontwerp Wijzigingsbesluit en vaststelling van een wijzigingsbesluit worden derhalve in het Gemeenteblad gedaan. In de kennisgevingen wordt aangegeven of, en zo ja, op welke wijze gereageerd kan worden. Het is aan een ieder zelf om die bekendmakingen in het Gemeenteblad in de gaten te houden. Daarbij kan men zich abonneren op een ingestelde zoekvraag. Men ontvangt dan bericht als er nieuwe publicaties verschijnen die aan de opgegeven zoekterm(en) voldoen. Dat kan via: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/MijnAbonnementen.

16. Meester Advocaten namens adressanten Door Meester Advocaten is namens een groot aantal horecaondernemers, vastgoedeigenaren en – beheerders (hierna: adressanten) een zienswijze ingediend. De zienswijzen hebben allen een (vrijwel) gelijkluidend deel met algemene opmerkingen, en een specifiek deel waarin wordt ingegaan op de specifieke locatie van de betreffende adressant. Het gelijkluidende deel wordt hieronder in paragraaf 16.A besproken. De adressant-specifieke delen worden besproken in paragraaf 16.B.

61

16.A Algemeen deel 16.A1 Voorgeschiedenis Nut en noodzaak Voorafgaand aan het nieuwe beleid bestond er voldoende eenduidigheid in beleid en regelgeving met betrekking tot horeca. Er is geen nut en noodzaak voor inhoudelijke wijzigingen. Er is sprake van een doelredenering vanuit de gemeente Amsterdam om de horeca-exploitatie te beteugelen. Reeds om deze reden wordt niet voldaan aan het toetsingscriterium van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Reactie: Binnen Amsterdam zijn honderden bestemmingsplannen van toepassing. Een groot aantal van die bestemmingsplannen kent regels over horeca. Die regels verschillen per bestemmingsplan van opzet en inhoud. Dat blijkt ook uit de afzonderlijke zienswijzen zelf, waarin de vele betrokken locaties verschillende regelingen kennen. Onder de Omgevingswet wordt toegewerkt naar één omgevingsplan. Dat vraagt ook om een geharmoniseerde opzet en inhoud van de regels. Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet daarin. Vanuit die nieuwe regels worden bestaande bestemmingsplannen vervangen. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt kortheidshalve verwezen naar met name hoofdstuk 6 van de Algemene toelichting van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Daarbij ziet het bestuur, zoals aangegeven in het Horecabeleid 2025, ook inhoudelijke redenen om op een aantal onderdelen beleidsvernieuwing door te voeren.

Daarmee moet een betere balans tussen horeca en lee aarheid worden bereikt. Het bereiken van die balans is het doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) en van het omgevingsplan (artikel 2.1 en artikel 4.2 Omgevingswet). Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet in de uitvoering van het daarop gerichte beleid. Eerdere inspraakreactie Adressanten hebben kritiek op de wijze waarop de gemeente invulling heeft gegeven aan de inspraakprocedure rondom het Horecabeleid 2025. Adressanten verwijzen daarbij tevens naar hetgeen in dit kader in haar eerdere inspraakreactie(s) kenbaar is gemaakt. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Reactie: In deze nota wordt ingegaan op de zienswijzen zoals die over het ontwerp van voorliggend wijzigingsbesluit naar voren zijn gebracht. Voor zover in het kader van de totstandkoming van het Horecabeleid 2025 inspraakreacties zijn gegeven, zijn die reacties in het kader van die procedure bij de besluitvorming betrokken en van een inhoudelijke reactie voorzien. De indieners van zienswijzen hebben die ontvangen. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Inspraakprocedure Horecabeleid 2025 Er is kritiek op de inspraakprocedure die op het Horecabeleid 2025 van toepassing is geweest.

Kort samengevat zijn omwonenden geactiveerd om inspraak te geven en zijn positieve reacties over het horecabeleid groter gemaakt dan negatieve reacties. Reactie: Hetgeen naar voren wordt gebracht, heeft betrekking op de inspraakprocedure rond het Horecabeleid 2025, niet op voorliggend besluit. Het beeld dat wordt geschetst, wordt ook niet herkend. De inspraak is gebruikt om de meningen te peilen, inzicht te krijgen in de belangen die spelen, en dat alles te 62

betrekken bij de te maken afweging in het kader van de besluitvorming. Daarbij telt niet het aantal zienswijzen dat naar voren wordt gebracht, maar de inhoud ervan. Stadsdelen niet betrokken voorafgaand aan de publicatie Bij de beleidsvorming wordt een onjuiste volgorde gehanteerd, omdat eerst het omgevingsplan wordt vastgesteld en pas daarna het uitvoeringsbeleid wordt vastgesteld, terwijl de betrokkenheid van de stadsdelen en een inhoudelijke beantwoording van de inspraakreacties in de juiste volgorde voorafgaand aan besluitvorming had moeten plaatsvinden. Stadsdelen lijken verrast. Dit heeft tot gevolg dat ondernemers zich niet gehoord voelen en dat wezenlijke belangen en zorgen niet zijn gewogen bij het vaststellen van beleid en regelgeving. Reactie: Ondernemers hebben kunnen reageren op de beleidsvoornemens in het kader van de procedure rond het Horecabeleid 2025. Hun belangen en zorgen zijn ook betrokken bij de besluitvorming omtrent het beleid. Bij de besluitvorming is op een aantal punten aan de wensen van de horecabranche tegemoetgekomen, maar niet op alle punten. Maar dat is het resultaat van zorgvuldige besluitvorming, en betekent zeker niet dat de belangen niet zijn betrokken. Wat betreft de suggestie dat de procedure verkeerd om wordt gevoerd wordt opgemerkt dat de stadsdelen bij de totstandkoming van het Horecabeleid 2025 uitvoerig zijn betrokken.

Bovendien is met de vaststelling van het Horecabeleid 2025 de rol van de stadsdelen niet uitgespeeld. Het Horecabeleid 2025 is kaderstellend voor het omgevingsplan, maar ook voor uitvoeringsbeleid op een aantal thema's. Zoals in paragraaf 6.4 en 6.5 van het vastgestelde Horecabeleid 2025 is aangegeven, wordt voor de daar genoemde thema's de afweging over wat er op een locatie is of kan worden toegestaan op stadsdeelniveau gemaakt. Dit betekent dat na vaststelling van het stedelijk beleid door de gemeenteraad, de stadsdelen nu werken aan het ‘uitvoeringsbeleid’: de zogenoemde gebiedsgerichte uitwerkingen. Het is in het kader van dergelijke gebiedsgerichte uitwerkingen dat de vraag aan de orde komt hoe een bepaald gebied moet worden getypeerd. Die gebiedsgerichte uitwerkingen kunnen op hun beurt weer kaderstellend zijn voor latere initiatieven om bijvoorbeeld ergens horeca uit te breiden of nieuwe terrassen toe te staan. Na vaststelling van de gebiedsgerichte uitwerking kunnen de daarin gemaakte keuzes dus doorwerken in een later wijzigingsbesluit. Rol stadsdelen geminimaliseerd De ruimte voor de stadsdelen om te handelen binnen het Ontwerp Wijzigingsbesluit lijkt beperkt. De stadsdelen lijken alleen de bevoegdheid te hebben om beperkingen op te kunnen leggen.

Hiermee worden de stadsdelen in een keurslijf geplaatst, hetgeen (ook) niet aansluit bij de jarenlange praktijk dat stadsdelen bevoegd waren om bestemmingsplannen voor te bereiden en op te stellen. Men vraagt zich af of de raadsleden er zich voldoende van bewust zijn dat de stadsdelen door de raad buitenspel worden gezet. Reactie: Anders dan wordt gesteld, ligt er nog steeds een grote rol bij de stadsdelen. Wijzigingen van het omgevingsplan worden nog altijd geïnitieerd vanuit de stadsdelen. De regels zoals die nu worden voorgesteld, bieden daarbij alle ruimte voor lokaal maatwerk. De stadsdelen houden dus dezelfde rol als voorheen. Maar wel vanuit een vaste systematiek en opzet van de regels. Dat zorgt voor regelharmonisatie. Maar nog steeds wordt op stadsdeelniveau bepaald wat waar is toegestaan. Voor zover aanvullend maatwerk nodig is, dan kan dat worden gerealiseerd. Opgewekt vertrouwen, onrechtmatige overheidsdaad, aansprakelijkheidsstelling Adressanten stellen dat de beperkingen van de horeca-exploitatie welke voortvloeien uit het Ontwerp Wijzigingsbesluit voor een groot deel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Vanuit de 63

gemeente is het vertrouwen opgewekt dat beperkingen zich niet zouden voordoen. Dit leidt tot een onrechtmatige overheidsdaad, waarvoor de gemeente aansprakelijk wordt gehouden. Reactie: Kortheidshalve wordt voor de reactie daarop verwezen naar paragraaf 3.1 van deze nota.

16.A2 Schade Financiële schade, investeringen horecaexploitanten Adressanten menen dat bestaande horecabedrijven de huidige wijze van exploiteren moeten kunnen voortzetten in de toekomst. Een beperking van de exploitatie kan tot grote financiële schade leiden. Dit is in het Ontwerp Wijzigingsbesluit niet afdoende geregeld. Namens een aantal adressanten wordt opgemerkt dat het Ontwerp Wijzigingsbesluit niets zegt over hoe bepaalde significante investeringen uit het verleden worden meegenomen in de afweging. Adressanten hebben veel geïnvesteerd in de vestigingen, aangezien deze nadrukkelijk zijn toegestaan op basis van de huidige regelgeving. Het spreekt voor zich dat deze investeringen moeten kunnen worden terugverdiend. Reactie: In geen van de zienswijzen wordt concreet gemaakt welke financiële schade als gevolg van welke onderdeel van het wijzigingsbesluit ontstaat. En niet duidelijk wordt gemaakt welke investeringen op welke wijze betrokken zouden moeten worden. Daarmee is niet duidelijk in welk opzicht het vaststellingsbesluit leidt tot nadeel. Dat daargelaten moet in zijn algemeenheid worden opgemerkt dat regelgeving kan wijzigen, en dat dat ook tot financieel nadeel kan leiden.

Wanneer die schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico, en wanneer die schade iemand in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kan een beroep worden gedaan op nadeelcompensatie. Naar huidige inzichten is er geen sprake van nadeel dat voor compensatie in aanmerking komt verbonden aan de voorliggende wijziging omgevingsplan. Deze zienswijze brengt daarin geen verandering. Gevolgen bij doorverkopen horecabedrijf Horecaondernemers moeten de kans krijgen om een horecabedrijf te kunnen verkopen. ln de horecabranche komt het vaak voor dat verkoop van de horecazaak op termijn als pensioenvoorziening dient. Dus zelfs als een horecaondernemer op basis van overgangsrecht de kans krijgt om bijvoorbeeld nog vijf jaar te kunnen exploiteren, wordt er grote schade geleden omdat het horecabedrijf niet meer verkocht kan worden. Reactie: Voorliggend wijzigingsbesluit wijzigt de bestaande juridisch-planologische gebruiksrechten niet. Waar op grond van het nog geldende bestemmingsplan een café is toegestaan, blijft dat toegestaan, en waar een restaurant is toegestaan, blijft een restaurant toegestaan. Wel worden bepaalde aspecten ten aanzien de verschillende vormen van horeca verduidelijkt in concrete regels.

Zoals dat op een locatie waar wel een restaurant is toegestaan, maar geen café, het niet is toegestaan een restaurant te exploiteren met feitelijk een cafésetting. Maar dat een restaurant niet als café geëxploiteerd mag worden, geldt ook nu reeds. Verder worden regels gesteld over openingstijden, die tot nu toe krachtens de APV in de exploitatievergunning werden opgenomen. Deze vergunning is niet overdraagbaar (artikel 1.9 APV) en gebonden aan het bedrijf waarvoor zij is verleend (artikel 3.5 APV). Uit de artikelsgewijze toelichting daarbij blijkt waarom dat zo is. Een vergunning of ontheffing kan een vermogensrecht 64

vertegenwoordigen en economische waarde hebben. Het is echter onwenselijk dat de houder van een vergunning of ontheffing deze kan overdoen aan een ander. Er was voor wat betreft de openingstijden dus geen sprake van overdraagbare rechten. Het is niet waarschijnlijk dat voorliggend wijzigingsbesluit de verkoop van een horecabedrijf bemoeilijkt. In de zienswijze wordt overigens ook niet duidelijk gemaakt waarom dat wel zo zou zijn. Belangen pandeigenaren Een aantal adressanten is zelf geen exploitant, maar verhuurder. Deze adressanten vrezen dat de verhuurbaarheid van haar panden zal afnemen als het Ontwerp Wijzigingsbesluit ongewijzigd wordt vastgesteld. Door vermindering van de exploitatiemogelijkheden zal de huurprijs dalen. Het Ontwerp Wijzigingsbesluit zegt niets over hoe de waarde van het pand en investeringen worden meegenomen in de afweging. Ook wordt er niet aangegeven hoe een waardedaling en daling van de huurprijs zal worden vergoed. Verzocht wordt de belangen van pandeigenaren en de aantasting van eigendomsrechten mee te nemen bij de vaststelling van het nieuwe horecabeleid. Het is onduidelijk of de huurder de benodigde vergunningen zal behouden/verkrijgen en of de exploitatie dus ongewijzigd kan worden voortgezet. ln de situatie waarin dit niet het geval is zal dat ongetwijfeld tot huuropzegging leiden.

De huurprijs zal hierdoor onder druk komen te staan en ook het risico op leegstand wordt vergroot. Het moet mogelijk blijven voor exploitanten om in de toekomst het bestaande concept te kunnen wijzigen en/of het horecabedrijf te verkopen. Beperking van deze mogelijkheid zal ook de verhuurbaarheid van de panden aantasten. Adressanten stellen de gemeente Amsterdam op voorhand aansprakelijk voor schade, maar gaan ervan uit dat het zover niet zal hoeven komen doordat bestaande mogelijkheden onder het nieuwe beleid mogelijk blijven. Reactie: Vooropgesteld moet worden dat er, zoals uit de verdere beantwoording van de zienswijzen van Meester Advocaten namens adressanten blijkt, in veel gevallen in het geheel geen sprake is van de gestelde beperkingen als gevolg van voorliggend wijzigingsbesluit. Waar die er wel zijn, wordt voorzien in overgangsrecht. Los daarvan wordt niet concreet gemaakt welke financiële schade als gevolg van welke onderdeel van het wijzigingsbesluit ontstaat. Daarbij komt dat de gebruiksmogelijkheden van een pand vooral worden bepaald door de ruimtelijke regels over gebruik. Die zijn nu nog opgenomen in bestemmingsplannen, die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan. Voorliggend besluit brengt in die mogelijkheden geen verandering.

De wijze waarop geldende bestemmingsplannen worden vervangen, en welke gebruiksdoelen en aanvullende regels daarbij van toepassing gaan zijn, is aan de orde bij latere wijzigingsbesluiten. Maar zoals aangegeven in paragraaf 3.2 van deze nota geldt daarbij als uitgangspunt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. Dat alles daargelaten moet in zijn algemeenheid worden opgemerkt dat regelgeving kan wijzigen, en dat dat ook tot financieel nadeel kan leiden. Wanneer die schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico, en wanneer die schade iemand in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kan een beroep worden gedaan op nadeelcompensatie. Naar huidige inzichten is er geen sprake van nadeel dat voor compensatie in aanmerking komt verbonden aan de voorliggende wijziging omgevingsplan. Deze zienswijze brengt daarin geen verandering. Erfpachtcanon De hoogte van de canon is gerelateerd aan de grondwaarde, waarbij als een van de criteria geldt "de (toegestane) bestemming, inclusief gebruiksmogelijkheden". Ten tijde van het aangaan van de erfpachtrelatie kenden percelen een zekere publieke bestemming (onder meer vastgelegd in het destijds vigerende bestemmingsplan). Op basis daarvan is gehandeld en heeft men vertrouwen 65

mogen ontlenen aan deze bestemming. Indien de bewuste (horeca)bestemming direct dan wel indirect zou worden beperkt door het onderhavige Ontwerp Wijzigingsbesluit kan/zal dit een wijziging/daling van de grondwaarde met zich meebrengen op basis waarvan de canon (destijds) is gebaseerd. De gemeente pleegt in voorkomend geval (onder meer) wanprestatie. Indien de canon in het verleden is afgekocht is een te hoog bedrag aan canon/a oop voldaan. Verzocht wordt aan te geven op welke wijze de gemeente adressanten in voorkomend geval zal compenseren, bij gebreke waarvan adressanten alle rechten voorbehouden, waaronder (doch niet uitsluitend) het recht om de te veel betaalde canon (teug) te vorderen. Reactie: Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 van deze nota geldt als uitgangspunt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. In uitzonderlijke situaties kan worden afgeweken van dat uitgangspunt. Dit vraagt een lokale afweging, die per te vervangen bestemmingsplan zal worden gemaakt. Daarop kan in het kader van voorliggend wijzigingsbesluit niet vooruit worden gelopen. De zienswijze is in die zin prematuur, is ook niet nader geconcretiseerd, en wordt derhalve voor kennisgeving aangenomen.

16.A3 Overgangsrecht Overgangstermijn zijn geen overgangsrecht ln het Ontwerp Wijzigingsbesluit wordt aangegeven dat voor bestaande horecazaken in beginsel een overgangsrecht geldt, maar dit is voornamelijk vormgegeven als een overgangstermijn van drie jaar. Binnen die termijn hoeven bestaande exploitanten nog niet te voldoen aan de nieuwe algemene regels, zoals beperkingen ten aanzien van openingstijden en activiteiten. Voor nieuwe horecazaken geldt echter geen overgangsrecht, zij moeten per direct voldoen aan de nieuwe bepalingen. Adressanten menen dat een overgangstermijn niet hetzelfde is als overgangsrecht, op grond waarvan de huidige exploitatie kan worden voortgezet. De overgangstermijn impliceert dat er op den duur wel veranderingen doorgevoerd moeten worden. Ook geeft de opmerking 'dat voor exploitatievergunningen die eerder aflopen dan de betreffende overgangstermijn in het bestemmingsplan kan worden geanticipeerd op nieuwe regels', onvoldoende zekerheid voor bestaande horeca-exploitanten en pandeigenaren. Reactie: In het omgevingsplan wordt op verschillende wijzen in overgangsrecht voorzien. Uitgangspunt daarbij is het algemene overgangsrecht zoals opgenomen in hoofdstuk 23. Het daar opgenomen overgangsrecht is met name relevant voor de omzetting van bestaande bestemmingen naar de nieuwe zwaartecategorieën.

Dit overgangsrecht is eerbiedigend van aard, en vergelijkbaar met het overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen werd overgenomen. Voor een nadere toelichting daarop wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 11.23 van de algemene toelichting bij het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Voor andere aspecten, zoals de openingstijden en de vergunningplicht voor horecaterrassen, is in paragraaf 3.2.13 waar nodig specifiek overgangsrecht opgenomen. Dat overgangsrecht is verschillend van aard. Zo is voorzien in een omgevingsvergunning van rechtswege voor bestaande horecaterrassen, en een overgangstermijn voor onder meer openingstijden. Aanvullend op het Ontwerp Wijzigingsbesluit wordt mogelijk gemaakt dat bestaande horecabedrijven binnen die termijn een maatwerkvoorschrift vragen om ook na de gestelde drie jaar de nu nog geldende openingstijden te blijven behouden. Zo wordt met verschillende vormen van overgangsrecht voorzien in maatwerk. 66

Vanzelfsprekend blijft het overgangsrecht beperkt tot bestaande situaties. Wanneer een nieuwe exploitant ergens een nieuwe horecazaak start, kan diegene vanaf het begin rekening houden met het nieuwe recht. Overgangsrecht is in dat geval niet aan de orde. De geciteerde zin leidt tot onduidelijkheid en is in zowel de motivering als toelichting geschrapt. Verzoek tot behoud van alle huidige mogelijkheden Uitgangspunt zou moeten zijn dat bestaande horeca, in dezelfde omvang en met dezelfde eigenschappen zoals bijvoorbeeld openingstijden, op de huidige locaties kan worden behouden. Het is volstrekt onduidelijk wat het overgangsrecht wordt voor de activiteiten die op dit moment onderdeel uitmaken van de exploitatie en die niet binnen de nieuwe zwaartecategorieën vallen. Adressanten willen de zekerheid dat in ieder geval alle activiteiten die nu worden uitgevoerd, ook in de toekomst onderdeel kunnen blijven van de exploitatie. Reactie: Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 van deze nota geldt bij het omzetten van bestemmingsplanregels naar de nieuwe zwaartecategorieën als uitgangspunt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. Waar uit voorliggend wijzigingsbesluit rechtstreeks beperkingen kunnen ontstaan (met name openingstijden en additionele horeca), is voorzien in overgangsrecht.

Met voorliggend besluit wordt verder wel geconcretiseerd wat binnen de bestaande juridischeplanologische gebruiksrechten was en is toegestaan. Uit de zienswijzen blijkt dat in bepaalde horecagelegenheden activiteiten worden verricht, waarvan blijkens de zienswijze wordt aangenomen dat dat is toegestaan, maar waarvan het maar zeer de vraag is of dat gelet op de nu nog geldende bestemming passend is. Het gaat dan met name om het aanbieden van een dansvloer, en het geluidsniveau van muziek. Dergelijke activiteiten zijn binnen een restaurant normaliter niet toegestaan. De vraag of in concrete gevallen, genoemd in de zienswijzen, op grond van huidig recht sprake is van legaal gebruik, is nu niet aan de orde. Dat zal ook kunnen a angen van het specifieke bestemmingsplan, de regelsystematiek, en eventueel de toelichting daarbij. Zie meer uitgebreid paragraaf 3.3 en 3.5 van deze nota. Bewijslast bij overgangsrecht Ten aanzien van het waarborgen van de bestaande rechten is tijdens de informatieavonden toegelicht dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijke legaal vergunde exploitatie op het moment van het aanvragen van de omgevingsvergunning. De praktijk en de jurisprudentie inzake het overgangsrecht leren dat er fikse problemen kunnen ontstaan om te bewijzen wat de daadwerkelijke exploitatie in een bepaalde periode of op een peildatum was.

Hoe toont een ondernemer bijvoorbeeld zijn daadwerkelijke geluids- of geuremissie (binnen de grenzen van het Activiteitenbesluit) aan? Of de daadwerkelijk maximale benutting van de vergunde openingstijden? Hoe toont deze aan dat in zijn restaurant na het diner legaal wordt of werd gedanst? Dit is een onaanvaardbare rechtsonzekerheid. Er kunnen immers vele redenen denkbaar zijn waarom een horecaondernemer of pandeigenaar tijdelijk niet optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden die zijn exploitatievergunning of het bestemmingsplan biedt. Zo kan tijdelijk personeelstekort, economische crisis, tijdelijke terugloop in klandizie ertoe leiden dat bijvoorbeeld tijdelijk de openingstijden worden beperkt, of wellicht zelfs tijdelijk de exploitatie wordt beperkt. Reactie: In de zienswijze wordt aangegeven dat is toegelicht dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijke legaal vergunde exploitatie, maar dat de praktijk leert dat er problemen kunnen ontstaan als bewezen moet worden wat de daadwerkelijke exploitatie was. Deze zienswijze is onbegrijpelijk. Als de vergunde

67

situatie als uitgangspunt geldt, dan is volstrekt helder wat die is; die staat immers in de vergunning. De daadwerkelijke exploitatie dient daar uiteraard binnen te passen, maar dat spreekt voor zich Wat betreft geur- en geluidsemissies geldt iets anders, namelijk dat die niet vastliggen in een vergunning, maar in beginsel in algemene regels, waar eventueel bij maatwerkvoorschrift ontheffing van is verleend. Hierover wordt opgemerkt dat het Activiteitenbesluit inmiddels is vervallen, dat in plaats daarvan op 1 januari 2024 zogenoemde bruidsschatregels in afdeling 22.4 van elk omgevingsplan zijn komen te staan, en dat die voor het Omgevingsplan gemeente Amsterdam inmiddels in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Aan die regels behoort elke exploitant zich reeds te houden. Voorliggend besluit voorziet niet in een wijziging van de regels. Voor wat betreft de vergunde openingstijden geldt dat de horecaexploitant juist helemaal niet hoeft aan te tonen dat de maximum openingstijden werden benut. Artikel 3.84 Omgevingsplan voorziet er immers juist in dat de openingstijden zoals vastgesteld in de exploitatievergunning gedurende de daarbij bepaalde overgangstermijn van drie jaar blijven gelden. Niet valt in te zien waarom dat een probleem op het gebied van bewijslast voor de ondernemer meebrengt.

Voor wat betreft het wel of niet legaal gelegenheid bieden tot dansen wordt nogmaals opgemerkt dat de vraag of in concrete gevallen, genoemd in de zienswijzen, op grond van huidig recht sprake is van legaal gebruik, nu niet aan de orde is, maar dat dat a angt van het specifieke bestemmingsplan, de regelsystematiek, en eventueel de toelichting daarbij. Wel kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat op een locatie waar een restaurant is toegestaan, het niet voor de hand ligt dat het passend is als op structurele basis gelegenheid wordt geboden tot dansen op luide muziek. Een restaurant is een eetgelegenheid, geen dansgelegenheid. Dus als het bestemmingsplan een restaurant toelaat, dan is daar een eetgelegenheid toegelaten, en geen dansgelegenheid. Dat heeft verder niets met bewijslast te maken, maar met de beoordeling en interpretatie van de geldende regels. Gelet op het vorenstaande valt niet in te zien waarin het overgangsrecht te kort schiet en de veronderstelde onaanvaardbare rechtsonzekerheid met zich mee zou brengen.

16.A4 Zwaartecategorieën Zwaartecategorieën horeca: onvoldoende flexibiliteit ln het Ontwerp Wijzigingsbesluit worden zwaartecategorieën voor zelfstandige horeca genoemd, gekoppeld aan toegestane en verboden activiteiten. Er is te weinig flexibiliteit ingebouwd voor horecabedrijven die hier niet strikt in passen. Er zijn nu bestaande horecabedrijven die activiteiten uitvoeren die niet passen binnen een bepaalde zwaartecategorie. lndien deze horecabedrijven wel binnen een bepaalde zwaartecategorie zouden moeten vallen, zou dit een beperking van de huidige exploitatie opleveren. Bij de omzetting van de oude bestemmingsplannen naar het definitieve deel van het omgevingsplan van belang dat alle gebruiksmogelijkheden zoals nu opgenomen in het oude bestemmingsplan, behouden blijven. Reactie: Zoals beschreven in paragraaf 3.2 van deze nota geldt als uitgangspunt dus dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. In uitzonderlijke situaties kan worden afgeweken van dat uitgangspunt. Dit vraagt een lokale afweging, die per te vervangen bestemmingsplan zal worden gemaakt. Daarop kan in het kader van voorliggend wijzigingsbesluit niet vooruitgelopen worden. Bij het vervangen van een bestemmingsplan kunnen waar nodig ook locatiespecifieke maatwerkbepalingen worden opgenomen. Het vaststellen van voorliggend wijzigingsbesluit staat daaraan niet in de weg.

Of dat nodig is, komt aan de orde bij het vervangen van bestemmingsplannen.

68

Ten opzichte van het Ontwerp Wijzigingsbesluit wordt overigens al een aantal aanpassingen doorgevoerd, waarmee wordt voorzien in meer maatwerkmogelijkheden. Zo wordt het bijvoorbeeld ook mogelijk om fastfoodhoreca binnen middelzware en zware horeca toe te staan. Lichte en reguliere horeca: verstrekken van kleine etenswaren Met betrekking tot lichte en reguliere horeca wordt bepaald dat het verstrekken van kleine etenswaren voor consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf alleen is toegestaan zonder voorbereidingsbehandeling, zoals verwarmen, gaar maken, beleggen en ontdooien. Op basis hiervan zou het bijvoorbeeld voor een koffiezaak of lunchroom niet meer zijn toegestaan om een belegd broodje mee te geven voor directe consumptie in de directe omgeving van het horecabedrijf. Dit is een te vergaande beperking, waarbij geen rekening is gehouden met de bestaande praktijk. Reactie: Uit de zienswijzen blijkt dat de regels omtrent a aalmogelijkheden onvoldoende duidelijk zijn, en daardoor onbedoeld beperkingen opleggen of in elk geval op lijken te leggen die niet zijn beoogd. De betreffende regels worden aangepast. Daarmee wordt duidelijk dat het meegeven van bijvoorbeeld maaltijden voor consumptie thuis, wat inderdaad in de dagelijkse praktijk veel gebeurt, wel is toegestaan.

Het meegeven van etenswaren voor directe consumptie in de publieke buitenruimte blijft in veel gevallen niet toegestaan. Uitzondering daarop zijn locaties waar fastfoodhoreca is toegestaan, en, en kleine etenswaren, voor zover het gaat om etenswaren die ter plaatse geen voorbereidingshandelingen, zoals gaar maken, samenstellen en beleggen. Kortheidshalve wordt voor een meer uitgebreide toelichting verwezen naar paragraaf 3.6 van deze nota. Reguliere en middelzware horeca: dansvloer Het is voor reguliere horeca niet toegestaan om (een deel van) de ruimte in te richten als dansvloer. Dit strookt niet met de bestaande situatie in bijvoorbeeld restaurants, waarvoor het nu is toegestaan om maximaal 20% van het bruto-vloeroppervlakte van de horecazaak in te richten als dansvloer. Ten aanzien van dit onderwerp heeft de burgemeester nog gezegd: “Het amendement ( ) en maakt het wel mogelijk dat er in een café spontaan tussen de tafels of op de tafel wordt gedanst.” Deze toezegging van de burgemeester, hoe summier ook, valt niet terug te vinden in het Ontwerp Wijzigingsbesluit. Reactie: Binnen de gebruiksdoelen lichte en reguliere horeca wordt het bieden van gelegenheid tot dansen niet toegestaan. Dat blijft zo.

Ten opzichte van het Ontwerp Wijzigingsbesluit wordt wel een aanpassing doorgevoerd waarmee binnen middelzware horeca locaties kunnen worden aangewezen waar het aanbieden van een dansvloer wel is toegestaan. Daarmee wordt de mogelijkheid gebonden om in elk geval voor locaties waar het bestemmingsplan dit expliciet toestaat, deze toestemming te continueren. Dit gebeurt niet voor reguliere horeca, omdat daar ook de beperking voor het muziekgeluidniveau geldt. Het aanbieden van een dansvloer met een geluidsniveau van maximaal 77dB heeft geen toegevoegde waarde. Voor wat betreft de opmerking van de burgemeester wordt verwezen naar de definitie van het ‘aanbieden van een dansvloer’. Die is aangepast ten opzichte van het ontwerp, en luidt: “het bedrijfsmatig inrichten of gebruiken van (een deel van) de ruimte als dansvloer, wat zich uit door bijvoorbeeld het structureel of regelmatig (deels) ontbreken van de aanwezigheid van tafels en stoelen, de aanwezigheid van een podium, dj, reclame/adverteren, kaartverkoop of entreeheffing en/of programmering” Wanneer in een café spontaan tussen de tafels of op de tafel wordt gedanst, is, zoals de burgemeester aangaf, geen sprake van het aanbieden van een dansvloer. 69

Reguliere en middelzware horeca: feesten en partijen Zaalverhuur voor feesten en partijen is binnen reguliere en middelzware horeca niet toegestaan. Op basis van het (voormalige) horecabeleid van de stadsdelen was/is het in sommige stadsdelen toegestaan om bijvoorbeeld een restaurant of café te verhuren voor een afscheidsborrel, diner of feest. Daarbij werd aangegeven dat het reserveren van alle tafels in een restaurant voor een groep, de avond min of meer besloten maakt. Deze vorm van zaalverhuur was nadrukkelijk toegestaan. Het Ontwerp Wijzigingsbesluit lijkt deze mogelijkheid te beperken. Weliswaar wordt in de toelichting bij het wijzigingsbesluit wel aangegeven dat deze vorm van zaalverhuur kan blijven bestaan, maar adressanten menen meent dat dit ook moet blijken uit de definitie, en dus niet alleen uit de toelichting. Dit om rechtsonzekerheid te voorkomen. Reactie: De wijze waarop in het Ontwerp Wijzigingsbesluit zaalverhuur voor feesten en partijen werd geregeld, leidde tot onduidelijkheid. Wat daarmee werd beoogd was in elk geval niet het verbieden van het verhuren van (een deel van) een restaurant of café voor een afscheidsborrel, diner of feest. Dat was en blijft gewoon toegestaan. Het apart reguleren van de activiteit zaalverhuur voor feesten en partijen zoals dat was gedefinieerd in het ontwerpbesluit, komt te vervallen.

Een en ander wordt nader toegelicht in paragraaf 3.4 van deze nota. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Muziekgeluid Artikel 2.255 Omgevingsplan bepaalt dat het binnen reguliere horeca niet is toegestaan om muziek ten gehore te brengen met een geluidsniveau hoger dan 75 dB(A). Dit maximum komt niet overeen met het maximum van 76 dB(A) dat in het Horecabeleid 2025 stond aangegeven. Op grond van dit Horecabeleid mochten middelzware horeca en zware horeca namelijk meer dan achtergrondmuziek (77 dB(A) of hoger) ten gehore brengen. Dit moet worden aangepast. Daarbij komt dat voor sommige restaurants ook een maximum van 76 dB(A) niet voldoende zal zijn. Voor zover de huidige exploitatie gericht is op een hoger geluidsniveau, dient dit ook in de toekomst te zijn toegestaan. Reactie: Bij vaststelling van het horecabeleid is het Amendement van de leden Hofland, Von Gerhardt, Broersen, Ahmadi, Kabamba en van Berkel inzake muziek reguliere horeca aangenomen (2025/149). Dat voorziet in een andere bovengrens voor achtergrondmuziek dan in het Ontwerp Wijzigingsbesluit was opgenomen. Dit is aangepast, zie meer uitgebreid paragraaf 3.5 van deze nota. De vraag of dit voor sommige restaurants voldoende is, is prematuur, omdat dit a angt van welk gebruiksdoel aan welke locatie wordt gegeven. Binnen middelzware horeca en zware horeca geldt dit maximum immers niet.

Fastfoodhoreca Voor fastfoodhoreca geldt dat er een maximum brutovloeroppervlakte kan worden gegeven. Dit kan nooit een beperking inhouden ten opzichte van de huidige situatie. Reactie: Voor heel veel vormen van gebruik geldt dat er locatiespecifieke beperkingen kunnen worden gesteld aan onder andere aantal en omvang. Dat geldt ook voor fastfoodhoreca. De vraag welke locatiespecifieke beperkingen zoals deze op een locatie nodig zijn, komt eerst aan de orde bij het wijzigingsbesluit waarmee het nog geldende bestemmingsplan wordt vervangen. Dat is nu niet het geval.

70

Restaurants Restaurants lopen een groot risico in een te lichte nieuwe categorie te worden ingedeeld. In gemeentelijke presentaties over het Horecabeleid 2025 is aangegeven dat restaurants in het nieuwe systeem worden opgesplitst in twee categorieën: degene die later open willen en versterkte muziek willen draaien, vallen in een zwaardere categorie. Dit komt echter niet terug in het Ontwerp Wijzigingsbesluit. Anticiperend op de toekomstige toebedeling van zwaartecategorieën wordt namens alle adressanten verzocht in de zwaarste categorie te worden ingedeeld. Reactie: De vraag welk gebruiksdoel aan welke locatie wordt toegekend, komt eerst aan de orde bij het wijzigingsbesluit waarmee het nog geldende bestemmingsplan wordt vervangen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan worden overgenomen. In uitzonderlijke situaties kan worden afgeweken van dat uitgangspunt. Dit vraagt een lokale afweging, die per te vervangen bestemmingsplan zal worden gemaakt. In paragraaf 3.2 van deze nota van beantwoording wordt daarop meer uitgebreid ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

16.A5 Openingstijden Openingstijden Artikel 3.82 Omgevingsplan regelt de openingstijden van de diverse zwaartecategorieën. Met name bij reguliere horeca worden de openingstijden beperkt ten opzichte van de huidige situatie. Deze horeca exploiteert doorgaans als dagzaak: van zondag tot en met donderdag tot 01.00 uur en van vrijdag en zaterdag tot 03.00 uur of als avondzaak: van zondag tot en met donderdag tot 03:00 uur en vrijdag en zaterdag tot 04:00 uur. Op grond van het Ontwerp Wijzigingsbesluit mag er op vrijdag en zaterdag tot 02.00 uur geëxploiteerd worden. Daarbij is niet erkend dat dit voor zeker een deel van de horeca-exploitanten een onevenredige beperking zal zijn. Reactie: In de zienswijze lijkt te worden aangenomen dat horeca die op grond van de APV zijn vergund als dagzaak, straks als reguliere horeca worden aangemerkt. Dat is niet juist. De openingstijden zijn na inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsbesluit gekoppeld aan de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (artikel 3.83 Omgevingsplan). Biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid voor bijvoorbeeld een café of eetcafé, dan gaan daar de openingstijden gelden zoals die gelden voor middelzware horeca. Is op grond van het bestemmingsplan alleen een restaurant toegestaan, dan gelden de openingstijden van reguliere horeca.

Er wordt dus niet gekeken naar wat er feitelijk zit, en al helemaal niet naar hoe de horeca op grond van de APV is gekwalificeerd, maar uitsluitend maar naar wat er op grond van het bestemmingsplan mag. Bij het vervangen van het nog geldende geldt als uitgangspunt dat eveneens wordt gekeken naar wat er op grond van dat bestemmingsplan mag (zie paragraaf 3.2). Dus mag er een café of eetcafé, dan zal daar normaal gesproken het gebruiksdoel middelzware horeca worden toegekend. Is er alleen een restaurant toegestaan, dan zal het een gebruiksdoel reguliere horeca gaan krijgen. Of daarbij sprake is van een beperking ten opzichte van de huidige situatie, hangt dus helemaal af van wat in de huidige situatie is vergund met de exploitatievergunning, en van wat op grond van het nog geldende bestemmingsplan is toegestaan. Zoals ook uit de beantwoording van de zienswijzen in onderdeel 16.B blijkt, is voor een deel van de locaties sprake van een beperking. Die beperking gaat pas in na een overgangstermijn van drie jaar 71

(artikel 3.86, eerste lid, Omgevingsplan). Ten opzichte van het Ontwerp Wijzigingsbesluit wordt echter voorzien in een wijziging. Die maakt het mogelijk dat binnen de overgangstermijn van drie jaar een ontheffing in de vorm van een persoonsgebonden maatwerkvoorschrift kan worden aangevraagd, waarmee de openingstijden van de exploitatievergunning van toepassing blijven (artikel 3.86, derde en vierde lid, Omgevingsplan). Zie meer uitgebreid paragraaf 3.7 van deze nota. Overgangsrecht openingstijden nog lopende aanvragen Onduidelijk is hoe omgegaan wordt met aanvragen die op moment van inwerkingtreding van de subparagrafen reeds zijn ingediend. Adressanten menen dat ook voor deze gevallen in ieder geval een overgangstermijn van 3 jaar dient te gelden. Reactie: Met de zienswijze wordt gedoeld op de situatie dat een exploitant nog geen exploitatievergunning heeft, er wel een heeft aangevraagd, en op die aanvraag is nog niet beslist op het moment dat voorliggend wijzigingsbesluit in werking is getreden. In dat geval is er geen sprake van een bestaande exploitatievergunning, en dus ook niet van bestaande rechten. Er wordt niet voorzien in overgangsrecht voor nog niet bestaande rechten. De openingstijden worden in die gevallen bepaald door artikel 3.82 of artikel 3.83 Omgevingsplan).

Voor zover gedoeld wordt op de situatie dat een aanvraag voor een exploitatievergunning wordt gedaan ter vervanging van een bestaande exploitatievergunning, omdat de bestaande exploitatievergunning komt te vervallen, en de bestaande exploitatievergunning vervalt ná inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsbesluit, dan is er op het moment van inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsbesluit een exploitatievergunning, en voor die gevallen is in paragraaf 3.2.13 specifiek overgangsrecht opgenomen met betrekking tot onder meer de openingstijden. Dat is dan gewoon van toepassing. Openingstijden nieuwe horecabedrijven Voor nieuwe exploitaties lijkt geen overgangstermijn te gelden. Daarvoor zouden dan direct de (beperktere) openingstijden gelden zoals opgenomen in het Ontwerp Wijzigingsbesluit. Dit zou echter tot oneerlijke concurrentie kunnen leiden tussen bestaande horecabedrijven, waarvoor wel een overgangstermijn geldt en nieuwe bedrijven, die wel eerder moeten sluiten. Dit kan ook leiden tot slechtere verkoopbaarheid van bestaande horecabedrijven. Adressanten menen daarom dat bij verkoop van een horecabedrijf ook een overgangstermijn van in totaal 3 jaar zou moeten gelden, zodat de nieuwe tijden op hetzelfde moment zullen gaan gelden voor bestaande bedrijven en nieuwe horecabedrijven.

Reactie: Het is inderdaad zo dat het overgangsrecht alleen is opgenomen voor bestaande horecabedrijven. Dat geeft bestaande bedrijven de gelegenheid de bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe regels. Voor nieuwe bedrijven geldt dat zij op voorhand bekend zijn met de nieuwe regels, en daarop hun bedrijfsvoering kunnen afstemmen. Bijlage X: lijst is niet compleet Artikel 3.85 Omgevingsplan bepaalt dat voor de in de bijlage X aangegeven horecazaken nog de huidige ruimere avondzaak-tijden blijven gelden. Deze lijst is niet compleet is, er ontbreken in ieder geval horecabedrijven die op dit moment een exploitatievergunning hebben voor avondzaaktijden. Dit dient in het definitieve wijzigingsbesluit te worden aangepast. Reactie: De bijlage is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gebracht. Van exploitanten die het betreft mag worden verwacht dat zij nagaan of zij zijn opgenomen. Mocht een locatie niet in de bijlage 72

zijn opgenomen, en de exploitant vindt dat dit wel moet, dan kan men een wijziging van het omgevingsplan aanvragen. Overigens wordt voor een aantal gevallen expliciet aangegeven dat sprake is van een avondzaak, en wordt verzocht om opname op bijlage X. Een avondzaak is in de APV gedefinieerd als een alcoholverstrekkend horecabedrijf waarvoor de openingstijden gelden zoals vermeld in artikel 3.12 onder b APV. In de meeste gevallen waarin wordt verzocht om opname op bijlage X omdat sprake is van een avondzaak, is geen sprake van een alcoholverstrekkend bedrijf, en is dus geen sprake van een avondzaak. Veelal gaat het dan om fastfoodbedrijven. Daarvoor geldt dat die een maatwerkontheffing kunnen aanvragen (artikel 3.91 Omgevingsplan). Bijlage X: opname fastfoodbedrijven Namens een aantal (fastfood)bedrijven wordt verzocht deze op te nemen op bijlage X, omdat die op dit moment exploiteren op basis van avondzaaktijden. Er staat immers ook een ander fastfoodbedrijf op de lijst. Hierin kan de gemeente geen onderscheid maken. Bestaande fastfoodzaken met avondzaaktijden worden immers zeer ernstig benadeeld door de standaard openingstijden die gelden voor de zwaartecategorie fastfoodhoreca. Weliswaar kan er een maatwerkontheffing gegeven worden (hierover verderop meer) maar dit is een meer rechtsonzekere situatie dan de huidige avondzaaktijden.

Reactie: Zoals hiervoor aangegeven is een avondzaak in de APV gedefinieerd als een alcoholverstrekkend horecabedrijf waarvoor de openingstijden gelden zoals vermeld in artikel 3.12 onder b APV. Fastfoodbedrijven zijn geen avondzaak, en de locaties waar ze zich bevinden worden niet opgenomen op bijlage X. wel is er de mogelijkheid van een maatwerkontheffing (artikel 3.91 Omgevingsplan). Als er beperkingen ten opzichte van de huidige openingstijden gaan gelden, dan is er allereerst een overgangstermijn van drie jaar van toepassing (artikel 3.86, eerste lid, Omgevingsplan). Binnen die overgangstermijn kan de maatwerkontheffing worden aangevraagd. Die ontheffing is tijdelijk van aard. Maar ook onder het regime van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 gold geen eeuwigdurend recht op de vergunde openingstijden. Die werden bepaald in de exploitatievergunning, die eveneens tijdelijk van aard is. Een tijdelijke toestemming voor verruimde openingstijden verschuift dus van de exploitatievergunning naar de maatwerkontheffing. Uit de zienswijze wordt niet duidelijk gemaakt waarom dat tot meer rechtsonzekerheid zou leiden. Bijlage X: onduidelijkheid toepassingsbereik Daarnaast is in artikel 3.85 Omgevingsplan aangegeven dat deze avondzaaktijden gelden voor in de op bijlage X aangegeven horecazaken. Op bijlage X wordt het stadsdeel genoemd, de naam van de onderneming en het adres.

Onduidelijk is echter of bij verandering van de naam van de onderneming (bijvoorbeeld na verkoop) de verruimde openingstijden blijven gelden. Met andere woorden: gelden de verruimde openingstijden voor de horecazaak of het betreffende adres? Adressanten menen dat in het Wijzigingsbesluit duidelijk aangegeven moet worden dat de verruimde openingstijden gelden voor het adres en dus ook blijven gelden op het moment van verkoop van het horecabedrijf. Dit om misverstanden en rechtsonzekerheid te voorkomen. Reactie: Ten opzichte van het Ontwerp Wijzigingsbesluit is bijlage X naar aanleiding van de zienswijze aangepast. Onduidelijk was wat het gevolg was van een naamsverandering van de onderneming of beperkte wijzigingen in het horecaconcept. De kolom met de naam van de onderneming is daarom geschrapt. De verruimde openingstijden zijn locatiegericht.

73

Beperkende maatwerkvoorschriften Artikel 3.90 Omgevingsplan geeft de mogelijkheid tot beperking van de openingstijden middels een maatwerkvoorschrift. Adressanten menen dat dit in ieder geval geen beperking mag opleveren ten opzichte van de nu toegestane exploitatie. Reactie: Om er geen misverstand over te laten bestaan dat, anders dan wat blijkens de zienswijze wordt gewenst, beperkende voorschriften kunnen worden gesteld, is een nieuw artikel toegevoegd (artikel 3.55 Omgevingsplan). Daarin is bepaald dat indien de uitoefening van een horeca-activiteit in ernstige mate a reuk doet aan een aanvaardbaar woon- en lee limaat, een maatwerkvoorschrift wordt gesteld om de nadelige gevolgen te beperken. Artikel 3.90 Omgevingsplan is aangepast, en bepaalt expliciet dat met het maatwerkvoorschrift, bedoeld in artikel 3.55 Omgevingsplan, ook beperkingen kunnen worden gesteld aan de openingstijden. Uit de combinatie van beide artikelen volgt dat daarvan alleen gebruik kan worden gemaakt indien de uitoefening van een horeca-activiteit in ernstige mate a reuk doet aan een aanvaardbaar woon- en lee limaat. Een horecaexploitant heeft een eigen zorgplicht om die ernstige a reuk te voorkomen. Om dit duidelijk te maken, is de algemene zorgplicht, opgenomen in de Omgevingswet, vertaald naar een specifieke zorgplichtbepaling, opgenomen in artikel 3.54 Omgevingsplan.

Die houdt in dat een exploitant verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor het woon- en lee limaat te voorkomen, of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt dient de activiteit achterwege te worden gelaten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Gebeurt dat niet, dan kan een beperkend maatwerkvoorschrift worden gesteld. Om een concreet voorbeeld uit één van de andere zienswijzen te gebruiken: wanneer een exploitant na sluitingstijd een glascontainer gaat verrijden en die volstort met glas, dan kan de exploitant weten dat dit gepaard gaat met veel lawaai. Daarop is in elk geval deze specifieke zorgplicht van toepassing. Verzuimt de exploitant die zorgplicht na te leven, dan kan een beperkend maatwerkvoorschrift worden gesteld ter voorkoming van de overlast. Ontheffing openingstijden Een deel van de sluitingstijden zal ook via een ontheffing gaan, anders dan een vergunning. Onder welke voorwaarden geldt dat? Gebeurt dat per zaak, of is er ook een mogelijkheid dat dit per gebied zal gebeuren? Ook zal een ontheffing eerder kunnen worden ingetrokken dan vergunde openingstijden.

Welke voorwaarden worden daaraan toegekend? Reactie: Er gelden diverse uitzonderingen op de openingstijden. Die zijn opgenomen in subsubparagraaf 3.2.13.5.3 van het Omgevingsplan. Daarbij is ook aangegeven in welke gevallen ze van toepassing zijn, en wat de beoordelingscriteria zijn. Die kunnen met een beleidsregel of ander uitvoeringsbeleid nader worden afgebakend. In de zienswijze wordt aangenomen dat een maatwerkvoorschrift eerder valt in te trekken dan een vergunning. Het is niet duidelijk waarop dat is gebaseerd. Verlaatjes Op grond van het huidige horecabeleid heeft een exploitant die in het uitgaansgebied ligt de mogelijkheid om 12 keer per jaar een 'verlaatje' te krijgen (ontheffing van de sluitingstijden). Volgens het Ontwerp Wijzigingsbesluit zou dit nog maar 5 keer per jaar kunnen.

74

Reactie: De zienswijzen geven een verkeerde voorstelling van zaken. Van oudsher kunnen horecabedrijven in Amsterdam maximaal 5 keer per jaar een aanvraag indienen voor verruimde openingstijden. Dit wordt een ‘verlaatje’ genoemd. Bij wijze van proef mochten sommige horecabedrijven maximaal twaalf keer per jaar langer open zijn. Deze mogelijkheid blijft bestaan, maar wordt voor middelzware en zware horeca nu daadwerkelijk (dus niet langer bij wijze van proef) verruimd tot twaalf keer per jaar (zie meer uitgebreid paragraaf 3.6 van het Horecabeleid 2025). Er is dus geen sprake van de gestelde beperking als gevolg van voorliggend wijzigingsbesluit, maar van een verruiming. Dat is geregeld in artikel 3.82, zevende en achtste lid, Omgevingsplan en (voor als het bestemmingsplan nog niet is vervangen) in artikel 3.83, tweede en derde lid, Omgevingsplan. Daarbij is, om de ruimtelijke aanvaardbaarheid te borgen, bepaald dat tussen de overschrijdingen ten minste zes dagen moeten zitten. Voor deze overschrijdingen hoeft op grond van het omgevingsplan geen melding te worden gedaan of ontheffing te worden aangevraagd. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 blijft hiervoor wel een ontheffing nodig (artikel 3.15, tweede lid, onder b, APV). A oeluur Voor een aantal locaties wordt aangegeven dat de avond- en nachtzaken in het weekend ook een "a oeluur" hebben.

Dit moet behouden blijven. Hierover valt niets terug te lezen in het Ontwerp Wijzigingsbesluit.

Reactie: Dit is geregeld in artikel 3.92 Omgevingsplan. Dat bepaalt dat een horecazaak langer open mag blijven voor reeds aanwezige bezoekers, voor zover de burgemeester heeft besloten dat dit met het oog op de openbare orde en veiligheid nodig is, en onder de voorwaarden die daarbij zijn gesteld. Voor de zaken waarvoor dit geldt, is deze mogelijkheid opgenomen in de exploitatievergunningen. Bonus/malus-regeling In het verleden is er een bonus/malus-regeling tot stand gekomen voor het Rembrandtplein. Adressanten vragen zich of wat er in de toekomst van deze "bonus" overblijft en wil daar aanspraak op (blijven) maken voor de exploitatie in deze panden. Reactie: De bonus/malus-regeling houdt in dat op grond van een besluit van de burgemeester op basis van de APV een aantal specifieke bedrijven rond Rembrandtplein sinds 2015 één, twee of drie uur langer mogen doorgaan op vrijdag en zaterdag, gekoppeld aan een aantal voorwaarden. Het was altijd een tijdelijke afwijking (pilot) waaraan al enige jaren geen nieuwe zaken meer konden deelnemen. Voor de twaalf horecazaken die nu nog meedoen zijn zowel de normale als de bonustijden in de exploitatievergunning opgenomen. Zoals aangegeven in het Horecabeleid 2025 komt deze regeling te vervallen. Openingstijden worden primair geregeld in het Omgevingsplan.

Op grond van artikel 3.86, eerste lid, Omgevingsplan, gaan voor bestaande horecazaken de nieuwe openingstijden echter pas gelden drie jaar na inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsbesluit. Tot dan gelden de openingstijden zoals opgenomen in de exploitatievergunning zoals die op dat moment geldt. Dat geldt ook voor de bonus-openingstijden. Weliswaar staat in de exploitatievergunning vermeld dat de bonus-openingstijden gelden tot inwerkingtreding van het horecabeleid. Maar daarmee is bedoeld aan te geven dat de bonusopeningstijden gelden totdat het beleid is vertaald naar voorliggend wijzigingsbesluit. Want zolang voorliggend wijzigingsbesluit niet in werking is getreden, zou er anders ook geen mogelijkheid bestaan tot het aanvragen van een ontheffing. En die ontheffingsmogelijkheden zijn er.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17132496/1