CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Aanpassing geluidzone industrieterrein Schinkel ANONIEM

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 30 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Aanpassing geluidszone industrieterrein Schinkel en overeenkomstig wijzigen spelregelkader en leefomgevingsfoto OER Schinkelkwartier (VN2025-012654)34.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 3.1. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Het NLR is een onafhankelijk non-profit onderzoeksinstituut waar, zoals ook aangegeven in de beantwoording onder 3.3, met behulp van windtunnels hoogwaardig onderzoek ten behoeve van de lucht- en ruimtevaart wordt verricht. Het NLR voert nationale en internationale opdrachten uit op het gebied van vliegtuigontwikkeling, vliegtuiggebruik en ruimtevaart. Op basis van de milieuvergunning mag het bedrijf geen schadelijke stoffen uitstoten. Het is niet duidelijk welke schoorsteen bij het NLR adressanten precies bedoelen, aangezien op het NLR terrein geen grote en hoge schoorsteen aanwezig is. Anders dan adressanten op basis van geruchten vermoeden, heeft het NLR geen verbrandingsschoorsteen in gebruik. Mogelijk berust het gerucht op de hogere schoorstenen die op het gebouw van de voormalige elektriciteitscentrale hebben gestaan. Toen deze centrale als zodanig buiten gebruik is gesteld zijn deze schoorstenen gesloopt. Om het gerucht dat het NLR radioactief ziekenhuisafval zou verbranden uit de wereld te helpen: de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA), gevestigd op het haventerrein Vlissingen-Oost, is het enige bedrijf in Nederland dat hiertoe bevoegd is. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Onder verwijzing naar de beantwoording onder 3.5 ziet het stadsdeel geen enkele aanleiding om een onderzoek te verrichten naar vermeende schadelijke uitstoot bij het NLR. In reactie op de veronderstelling van adressanten wordt er volledigheidshalve op gewezen dat onderhavig bestemmingsplan geen mogelijkheid biedt om studentenwoningen op het kavel ten noorden van het NLR te realiseren. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In de plantoelichting van het vigerende bestemmingsplan Aalsmeerplein e.o. 1999 is opgenomen dat 30 procent van de woningen in de sociale sector zal worden gebouwd. In onderhavig bestemmingsplan wordt hier, in aansluiting op de Woonvisie stadsdeel Zuid, op aangesloten door deze ambitie toe te voegen aan paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting aangevuld.

4.

Zienswijze 4

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.9 en 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaruit volgt dat deze vestigingen niet mogen leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaruit volgt dat deze vestigingen uitsluitend in het zuidwestelijke deel van het bedrijventerrein zijn toegestaan en dat deze vestigingen niet mogen leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en

leefklimaat. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Op basis van het bestemmingsplan is uitbreiding met twee vestigingen van horeca van categorie 4 toegestaan. Verder is horeca van categorie 3 en 4, gekoppeld aan de ontwikkeling van bedrijfsverzamelgebouwen, mogelijk via een wijzigingsbevoegdheid. Ten aanzien van horeca van categorie 2 wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor het pand op Anthony Fokkerweg geldt dat het gebruik als 100 procent kantoor is toegestaan. In aansluiting op de Nota Hotelbeleid 2007-2010, de Kantorenstrategie Amsterdam en de Nota Ondernemen in Zuid om, daar waar wenselijk, kantoren te transformeren wordt in het bestemmingsplan de mogelijkheid opgenomen om dit kantoorpand als hotel in gebruik te nemen. Daartoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarmee is niet gezegd dat het pand daadwerkelijk wordt getransformeerd naar hotel. Zodra een initiatief zich aandient wordt de inpasbaarheid beoordeeld, waarbij wordt getoetst aan de gestelde voorwaarden in artikel 3.5.4 van de planregels. Aan de hand van de gestelde voorwaarden kan juist een goede afweging over inpasbaarheid van het initiatief worden gemaakt. Als het dagelijks bestuur op basis van de toetsing medewerking wil verlenen aan een initiatief dient een wijzigingsplan in procedure te worden gebracht. In het kader van een dergelijk wijzigingsplan voor een concreet initiatief kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Zoals aangegeven in de beantwoording onder 3.1 geldt op een gezoneerd industrieterrein dat geluidsgevoelige functies niet worden beschermd tegen industrielawaai. Uit het principe van een goede ruimtelijke ordening is het toestaan van geluidsgevoelige objecten op een gezoneerd

industrieterrein om die reden niet aanvaardbaar. Een hotel is echter niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder, waardoor toetsing aan de Wet geluidhinder achterwege kan blijven. Ten aanzien van de ligplaatsvergunningen van de woonboten in relatie tot het NLR wordt verwezen naar de beantwoording onder 3.2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De veronderstelling van adressant dat short stay is toegestaan op bedrijventerrein Schinkel is onjuist. Short stay is uitsluitend toegestaan binnen de bestemming Wonen en binnen de functieaanduiding Gemengd binnen de bestemming Groen (aula begraafplaats). Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.8. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Met uitzondering van begraafplaats Huis Te Vraag en het groen langs het Jaagpad, maakt het groen in het plangebied geen onderdeel uit van de hoofdbomenstructuur (zie paragraaf 3.9.3 van de plantoelichting). Adressant verwijst naar een passage uit het vastgestelde Hoofdbomenstructuurplan, waarin is opgenomen dat in de beginfase van de planvorming een bomentoets inzicht kan verschaffen in de consequenties van ingrepen voor bomen. Aangezien het bestemmingsplan niet ziet op ontwikkelingen in de hoofdbomenstructuur, is een bomentoets hier niet aan de orde. Conclusie: Dit onderdeel van deze zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De mogelijkheid om woningbouw te realiseren was al opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De veronderstelling dat de beoogde woningbouwlocatie ten zuiden van het Aalsmeerplein onderdeel uitmaakt de van de Hoofdgroenstructuur is onjuist. In het bestemmingsplangebied maken uitsluitend begraafplaats Huis Te Vraag, het groen langs het Jaagpad en sportpark Jaagpad onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur. Zoals aangegeven in

de beantwoording onder 1.1 heeft het plantsoen geen belangrijke ecologische waarde, zoals veelal wel het geval is in de Hoofdgroenstructuur. In paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting is per abuis de tekst 150 meter opgenomen, terwijl hier wordt gedoeld op het maximum woningaantal van 150. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting aangepast.

Antwoord: Het bestemmingsplan bevat geen definitie voor sportpark , evenmin zijn regels opgenomen waar de totale oppervlakteverharding aan dient te voldoen. Zoals aangegeven in paragraaf 3.8.1 van de plantoelichting is het Sportpark Jaagpad in de Structuurvisie Amsterdam opgenomen als onderdeel van de Hoofdgroenstructuur, groentype 'stedelijk sportpark'. In onderhavig bestemmingsplan is voor het sportpark een dubbelbestemming Waarde - Hoofdgroenstructuur (artikel 15 van de planregels) opgenomen. Het toegestane bebouwings- en verhardingspercentage van maximaal 15 procent van de totale oppervlakte van het betreffende sportpark volgt uit de vastgestelde Structuurvisie Amsterdam, dat als kader voor onderhavig bestemmingsplan heeft gediend. Kunstgras en verharding ten behoeve van sportuitoefening zijn binnen de Hoofdgroenstructuur, groentype stedelijk sportpark toegestaan en vallen niet onder de verhardingsnorm. Ook gravel moet gerekend worden tot verharding ten behoeve van sportbeoefening en valt daarmee ook niet onder de verhardingsnorm. In de Structuurvisie staat verder dat een puur ruimtelijke benadering van sportparken als stedelijke groene voorzieningen achterhaald is. Door sportparken niet langer als ruimtelijk groen te beschouwen, maar als vrije-tijdvoorzieningen, liggen volgens de structuurvisie kansen om deze uit te laten groeien tot voorzieningen in de stad.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In het plangebied zijn de mogelijkheden voor stadslandbouw beperkt, maar het stadsdeel staat niet onwelwillend tegenover dergelijke initiatieven. Voor de braakliggende terreinen op bedrijventerrein Schinkel zijn bouwplannen in voorbereiding. Of op deze terreinen tijdelijke (groene) initiatieven een plek kunnen krijgen is afhankelijk van de medewerking van de grondeigenaar of erfpachter. Mocht een initiatiefnemer zich aandienen met belangstelling voor stadslandbouw dan kan hij zich wenden tot de stadsloods van de gemeente Amsterdam, die kan beoordelen of en waar dergelijke initiatieven gefaciliteerd kunnen worden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In paragraaf 2.3 van de plantoelichting is beschreven dat het talud langs de A10 één van de groene zones in het plangebied is. Daartoe is in het bestemmingsplan de bestemming Groen opgenomen. In het bestemmingsplan is in aansluiting op de Structuurvisie ZuidasDok een vrijwaringszone opgenomen om het reserveringsgebied vrij te houden van bebouwing zodat een toekomstige wegverbreding niet wordt belemmerd. In het bestemmingsplan wordt de feitelijke wegverbreding echter niet mogelijk gemaakt, dit valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. Om de verbreding mogelijk te maken zal door Rijkswaterstaat een tracébesluit genomen moeten worden, waarvoor een afzonderlijke planologische procedure zal worden doorlopen. Volgens artikel 13, lid 10 van de Tracéwet is de stadsdeelraad verplicht om binnen 1 jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit vast te stellen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor bedrijventerrein Schinkel geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 20 meter. Dit zijn bestaande rechten. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande rechten zo veel mogelijk worden behouden. Om die reden wordt in onderhavig bestemmingsplan aangesloten op de reeds toegestane maximum bouwhoogte. De veronderstelling van adressanten dat voor 1999 een bouwhoogte van 10 meter gold is onjuist. Op basis van het Uitbreidingsplan Industrieterrein Schinkel uit 1950 was ook een bouwhoogte van 20 meter toegestaan. Zoals aangegeven in paragraaf 3.10.1 van de plantoelichting is een groot deel van bedrijventerrein Schinkel langs de A10 in de Structuurvisie Amsterdam aangewezen als mogelijke locatie voor hoogteaccenten tot 60 meter. Een hogere maximum bouwhoogte dan de huidige 20 meter wordt echter niet opportuun geacht en wordt om die reden niet mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan (zie paragraaf 4.5.3 van de plantoelichting). Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De door adressanten genoemde diersoorten betreffen algemene soorten (tabel 1 Flora- en faunawet), waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet. Uit het natuurwaardenonderzoek (bijlage 10 bij de plantoelichting) blijkt dat in het plangebied met name algemene soorten en geen beschermde plant- en diersoorten voorkomen. Het bestemmingsplan maakt bovendien geen nieuwe

ruimtelijke ontwikkelingen bij direct recht mogelijk ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Uit het natuurwaardenonderzoek volgt dat in het geval van concrete uitvoering van werkzaamheden (bijvoorbeeld sloop, renovatie en bomenkap op bepaalde locatie) in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen nader onderzoek kan nodig zijn. Conclusie is dat vanuit de natuurwetgeving er geen belemmeringen volgen voor het bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Op bedrijventerrein Schinkel bedraagt het parkeertarief voor de eerste drie uur 0,10 per uur. Daarna geldt er een tarief van 2,40 per uur. Invoering van betaald parkeren op bedrijventerrein Schinkel heeft ertoe geleid dat het gebied niet meer wordt gebruikt om langdurig auto's te parkeren. Met een parkeerdruk van circa 67 procent overdag (meting 2012) zijn er voldoende vrije plaatsen beschikbaar voor werknemers, bezoekers en bewoners van de Hoofddorppleinen Schinkelbuurt. Voor de invoering van betaald parkeren was de parkeerdruk overdag beduidend hoger. Het parkeerbeleid heeft dus wel degelijk effect. In het bestemmingsplan is opgenomen dat in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw op het bedrijventerrein het parkeren op eigen terrein opgelost moet worden, zodat de parkeerdruk op straat niet zal verhogen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Het kaartje in de plantoelichting is afkomstig uit het afmeerbeleid voor pleziervaart. Uit dat beleid volgt dat op de koppen van de Riekerhaven en de Westlandgracht geen voorzieningen voor pleziervaart aangelegd mogen worden. Deze oevers zijn niet geschikt voor het gebruik ten behoeve van pleziervaart. Er zal een afmeerverbod ingesteld worden voor deze oevers. Dit beleid geldt niet voor de beroepsvaart of over het gebruik van particuliere kades. Voor de Riekerhaven aan de zijde van Valschermkade geldt dat laden, lossen en tijdelijk aanleggen voor beroepsvaart ten behoeve van de ter plaatse aanwezige zandoverslag is toegestaan. Op locaties waar verbodsborden zijn aangebracht in verband met aanwezige zinkers geldt dat aanmeren hier niet is toegestaan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 3.1. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

5.

Zienswijze 5

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.2. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 2.2.

Antwoord: Adressant wijst op het verdwijnen van bedrijfjes aan het Spijtellaantje. Er zijn aan het Spijtellaantje geen bedrijfjes gevestigd, de loodsen ten zuiden van de bestaande woningen worden verhuurd ten behoeve van particuliere opslag. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze met betrekking tot het bouwplan Spijtellaantje wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 2.2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Volledigheidshalve wordt hier gemeld dat de typering rustige woonwijk waaraan adressant refereert, los staat van het al dan niet toestaan van horeca van categorie 2. De typering hangt samen met de afstandsnormen tussen bedrijven en woningbouw volgens de standaard VNG methodiek (zie paragraaf 7.2). Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaruit volgt dat deze vestigingen uitsluitend in het zuidwestelijke deel van het bedrijventerrein zijn toegestaan. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De nabijgelegen woonboten aan het Jaagpad en het IJsbaanpad liggen buiten het bestemmingsplangebied. De bestaande milieuruimte van de gevestigde bedrijven op bedrijventerrein Schinkel wordt in het bestemmingsplan gerespecteerd. Bovendien voorziet het bestemmingsplan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan niet in de vestiging van nieuwe milieuhinderlijke inrichtingen. Sterker nog, met het bestemmingsplan worden uitsluitend nieuwe bedrijven uit maximaal milieuhindercategorie 3.2 toegestaan, terwijl op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven uit maximaal categorie 4.2 waren toegestaan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaruit volgt dat vestiging van horeca 2 niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. In het kader van een eventueel wijzigingsplan zal dus ook de geluidsbelasting in beeld moeten worden gebracht. De geluidbijdragen van horeca dienen overigens te allen tijde te passen binnen de geluidgrenswaarden van het gezoneerde industrieterrein. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaruit volgt dat vestiging van horeca 2 niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het

bestemmingsplan.

Antwoord: Als gevolg van de inwerkingtreding van hoofdstuk 11 Geluid in de Wet milieubeheer per 1 juli 2012 zijn in de Wet geluidhinder wijzigingen doorgevoerd. In overeenstemming met de overgangsbepalingen van de Invoeringswet geluidproductieplafonds (artikel XI, lid 2) is ten behoeve van het akoestisch onderzoek gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze gold voor 1 juli 2012. Met wijziging van de Wet geluidhinder is een bestaande ligplaats voor een woonschip per 1 juli 2012 in principe aangewezen als geluidsgevoelig terrein in het kader van de Wet geluidhinder. Ligplaatsen van woonschepen die op 1 juli 2012 als zodanig zijn bestemd en zijn gelegen in een bestaande zone van een industrieterrein worden voor de toets aan de Wet geluidhinder tot 1 juli 2015 niet aangemerkt als geluidsgevoelig terrein. De woonboten langs de oostoever van de Schinkel, gelegen buiten het plangebied, liggen in de zone van bedrijventerrein Schinkel en zijn tot 1 juli 2015 dus niet aangemerkt als geluidsgevoelig. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Uit de Wet geluidhinder volgt de verplichting om akoestisch onderzoek te verrichten in het geval nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden geprojecteerd of nieuwe geluidsbelastende bedrijven worden mogelijk gemaakt. Het akoestisch onderzoek (bijlage 6 bij de plantoelichting) is inderdaad gericht op de beoordeling van de geluidsbelasting ter plaatse van de beoogde woningbouw ten zuiden van het Aalsmeerplein. Het bestemmingsplan maakt geen vestiging van nieuwe geluidsbelastende bedrijven mogelijk. Er is dan ook geen aanleiding om nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren om de geluidsbelasting ter plaatse van de woonboten buiten het plangebied te beoordelen. In dat kader wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 5.4 en 5.7. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Ten aanzien van de veronderstelling over het gezoneerde industrieterrein en geluidsgevoelige objecten wordt verwezen naar de beantwoording onder 5.7. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 1.12 en 5.7.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 5.4 en 5.7. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 6 bij de plantoelichting) blijkt dat op die locaties van de beoogde woningbouwlocatie met een geluidsbelasting hoger dan de maximale ontheffingswaarde dove gevels of gebouwgebonden geluidschermen moeten worden toegepast. Met toepassing van deze maatregelen wordt bereikt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (binnenwaarde) wordt gerealiseerd. Verder wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.6. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In het akoestisch onderzoek (bijlage 6 bij de plantoelichting) is rekening gehouden met de verplichtingen uit de Wet geluidhinder ten aanzien van spoorweglawaai en scheepvaartlawaai. In overeenstemming met de Wet geluidhinder is het spoorweglawaai, vanwege de ligging van de beoogde woningbouwlocatie buiten de betreffende geluidszone, niet beschouwd. Voor scheepvaart is een schatting gedaan van het optredende scheepvaartlawaai ter plaatse van het uitwerkingsgebied is gedaan met behulp van eerder verricht onderzoek van scheepvaartlawaai (zie paragraaf 5.5 van het akoestisch onderzoek). De gehanteerde intensiteiten voor beroepsscheepvaart op de Schinkel (10 per uur overdag en 4 per uur s avonds en 2 per uur s nachts) is eerder overschat dan onderschat. Voor luchtvaartlawaai gelden op basis van de Wet geluidhinder geen grenswaarden. De geluidsbelasting vanwege luchtvaart, geregeld in het Luchthavenindelingbesluit, zijn verdisconteerd in de gecumuleerde geluidsbelasting.

Ten aanzien van de geluidsbelasting ter plaatse van de woonboten buiten het plangebied wordt verwezen naar de beantwoording onder 5.7. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De veronderstelling van adressant dat voor een vestiging van horeca van categorie 2 uitsluitend een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig zou zijn, is niet correct. Immers, eerst dient een wijzigingsplan te worden opgesteld en in procedure te worden gebracht. In het kader van deze procedure kan een ieder een zienswijze indienen. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12.. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Het bestemmingsplan biedt ruimte voor de vestiging van nieuwe en het behoud van creatieve functies en klassieke bedrijvigheid. De opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de vestiging van horeca van categorie 2 doet daar niets aan af. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaruit volgt dat vestiging van horeca 2 niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid voor horeca 2 wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het

bestemmingsplan.

Antwoord: De opmerking van adressanten ten aanzien van de wettelijke zorgplicht uit de Flora- en faunawet is juist. De zorgplicht houdt in dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen mag hebben voor dieren. Echter, het naleven van de wettelijke zorgplicht kan alleen worden gekoppeld aan een concrete uitvoering van werkzaamheden en niet aan het bestemmingsplan als zodanig. In dat kader wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 4.14. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de gehele gemeente Amsterdam geldt de in 2009 vastgestelde Gedragscode voor het zorgvuldig handelen bij ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud . Voor soorten uit tabel 2 en deels tabel 3 van de Flora- en faunawet geldt dat bij naleving van de gedragscode in het geval van verstoring geen ontheffing nodig is van de Flora- en faunawet. De zorgplicht geldt echter altijd. Evenals bij de zorgplicht geldt ook voor het naleven van de gedragscode dat deze alleen kan worden gekoppeld aan concrete uitvoering van werkzaamheden en niet aan het bestemmingsplan. In dat kader wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 4.14. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In het kader van onderhavig bestemmingsplan is een natuurwaardenonderzoek (zie bijlage 10 bij de plantoelichting) uitgevoerd, waarbij ook potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen zijn onderzocht. De woningbouw waaraan adressanten refereren, betreft de uitwerkingsplicht voor woningbouw ten zuiden van Aalsmeerplein zoals opgenomen in artikel 11 van de planregels. Ten aanzien van de vestiging van horeca van categorie 2 geldt dat wellicht eerst bestaande bebouwing gesloopt moet worden. In het kader van het uitwerkingsplan en in het kader van eventuele sloop van bestaande bedrijfspanden dient conform het Vleermuisprotocol van 2012 nader onderzoek naar vleermuizen te worden uitgevoerd om vast te stellen of op deze locatie verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Vleermuizen zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, waardoor een ontheffing ex artikel 75 Flora- en faunawet slechts wordt verleend onder

voorwaarde dat er geen alternatieve oplossingen voor handen zijn, er een reden van groot openbaar belang is en/of er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de vleermuizen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De verplichting om bij de planning van werkzaamheden rekening te houden met het vogelbroedseizoen volgt uit de Flora- en faunawet en de daarop gebaseerde gedragscode van de gemeente Amsterdam. Daarmee wordt voorkomen dat broedende vogels worden verstoord. Ten aanzien van horeca van categorie 2 wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 1.12.

Antwoord: In het kader van het bestemmingsplan is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 10 bij de plantoelichting). Het plangebied is niet gelegen in de Europese, landelijke, provinciale of gemeentelijke Ecologische Hoofdstructuur. Om die reden is er geen aanleiding om een dergelijke gebiedsbescherming in het bestemmingsplan te verankeren. Ten aanzien van soortenbescherming geldt dat indien ruimtelijke ingrepen leiden tot negatieve effecten op beschermde dier- en plantensoorten dan is een ontheffing ex artikel 75 Flora- en faunawet nodig. In het kader van het bestemmingsplan is geen ontheffing vereist. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De woonboten zijn niet bestemd in onderhavig bestemmingsplan. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid heeft op 28 februari 2012 het besluit genomen tot verplaatsing van de woonboten in de Westlandgracht naar een locatie buiten het plangebied. Na aanwijzing van nieuwe ligplaatsen buiten het plangebied zullen de woonboten worden verplaatst. De woonboten kunnen tot het moment van verplaatsen op de huidige locatie blijven liggen. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 3.1 en 5.7.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Gedogen ziet op het onder specifieke voorwaarden niet handhavend optreden tegen illegale situaties. Het stadsdeel doet niet aan gedogen. Overigens zijn dergelijke afwegingen niet aan de orde bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Verder wordt verwezen naar de beantwoording onder 3.1 en 3.2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: tadsdeel Zuid zal aan de eigenaar-bewoners van de woonboten zoveel als redelijkerwijs mogelijk gelijkwaardige ligplaatsen aanbieden. Het stadsdeel vergoedt de verplaatsingskosten. De afspraken tussen het stadsdeel en de individuele woonbootbewoners, die betrekking hebben op de alternatieve ligplaatsen elders in het stadsdeel, zijn geen onderdeel van onderhavig bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Er is geen sprake van een verlies aan parkeerplaatsen als gevolg van de beoogde ontwikkeling van woningbouw. Alleen binnen het bestemmingsvlak Wonen - Uit te werken kan worden gebouwd, zodat het parkeerterrein niet wordt bebouwd. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.10. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De stelling dat van de beoogde woningbouw een deel meteen wordt onttrokken aan de woningmarkt is onjuist. Short stay valt onder wonen. Feitelijk gaat het in dit geval om nieuwbouw, waarmee woningen worden toegevoegd. In geval deze nieuwbouw wordt gebruikt ten behoeve van short stay is sprake van een tijdelijke woningonttrekking. Na beëindiging van de short stay wordt de woning weer in gebruik genomen als reguliere woning. Short stay is passend binnen de stedelijke woonomgeving. In aansluiting op de Woonvisie stadsdeel Zuid wordt in onderhavig bestemmingsplan short stay overal binnen de bestemming Wonen mogelijk gemaakt. Bij het stadsdeel zijn geen klachten bekend over onveiligheid en overlast als gevolg van short stay in het plangebied. In het geval een short stay woning veel overlast veroorzaakt, kan dit bij het stadsdeel gemeld worden zodat maatregelen getroffen kunnen worden waarbij in het uiterste geval de vergunning kan worden ingetrokken. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

6.

Zienswijze 6

Antwoord: De oostvleugel wordt in het kader van de herontwikkeling van het NLR-terrein gesloopt. De sloopvergunning is op 16 februari 2012 afgegeven, zodat dit gebouw planologisch gezien geen bescherming meer toekomt. In het kader van het bestemmingsplan is om deze reden, inderdaad afgezien om voor dit gebouw een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie op te nemen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Adressant verwijst naar het besluit tot aanwijzing van de twee Rijksmonumenten. De betreffende zinsnede uit de redengevende omschrijving bij het aanwijzingsbesluit dat de overige gebouwen op het terrein voor bescherming van geen belang zijn is volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed niet eenduidig te interpreteren. Ofwel deze gebouwen werden niet zodanig van belang geacht om ook tot rijksmonument aangewezen te worden, ofwel deze gebouwen kwamen niet in aanmerking om aangewezen te worden, omdat deze van na

1945 dateren, de uiterste datumgrens die indertijd gehanteerd werd bij het Monumenten Selectie Project 1850-1940 in welk kader het NLR werd geselecteerd. Het is in dat opzicht dan ook niet te staven dat de veronderstelling van BMA dat de naoorlogse uitbreidingen abusievelijk zijn uitgezonderd van de monumentenstatus. Los van deze interpretatiemogelijkheden betekent het uiteraard niet dat een bouwwerk dat niet is aangewezen als of in aanmerking komt voor aanwijzing als rijksmonument geen cultuurhistorische waarde zou kunnen hebben. Er bestaan immers ook gemeentelijke monumenten en het instrument van de waarderings- of ordekaarten. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Het dagelijks bestuur onderschrijft de inhoud van het advies van BMA, waarin de oude bebouwing op het NLR-terrein, dat in de periode 1939-1949 tot stand is gekomen, van grote stedenbouwkundige, architectonische en architectuurhistorische waarde is. Bovendien heeft de vestiging van het NLR een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van bedrijventerrein Schinkel. De waardering van de cultuurhistorische waarde van het NLR terrein blijft niet beperkt tot de twee als rijksmonumenten aangewezen vroegste bouwdelen, te weten het hoofdgebouw (gebouw 10) en het voormalige windtunnelgebouw (gebouw 40). Ook de oostvleugel (gebouw 30), de westvleugel (gebouw 20) en de elektriciteitscentrale (gebouw 80) zijn te bestempelen als cultuurhistorisch waardevol. In het bijzonder de elektriciteitscentrale is als utiliteitsgebouw architectonisch ronduit bijzonder. Het feit dat deze niet meer als zodanig wordt gebruikt, is uiteraard geen reden om er geen waarde meer aan toe te kennen. Herontwikkeling van het gebouw behoort hierbij nadrukkelijk ook tot de mogelijkheden. De vijf bouwdelen zijn op de waarderingskaart bij het bestemmingsplan aangemerkt als orde 1 en hebben om die reden in het bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde Cultuurhistorie met bijbehorend sloopvergunningstelsel gekregen.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Het sloopvergunningsstelsel zoals opgenomen in artikel 14.2 van de planregels is niet zozeer een onevenredige last voor de eigenaar, maar eerder een zorgvuldig toets-/afwegingsmoment vanuit publiek belang. Voorwaarden voor de afgifte een sloopvergunning zijn dat een nieuw op te richten bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van het

gebied, door sloop of vervanging geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt en dat sprake is van een uiteindelijk goedgekeurd bouwplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Met ingang van 1 januari 2012 is in het kader van de Modernisering Monumentenzorg en de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening het opnemen van cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan verplicht. Door het toekennen van cultuurhistorische waarden tot die bouwdelen die geen rijksmonument zijn wordt aangesloten op het door de wetgeving gevraagde en inmiddels stadsbreed ingezette beleid om cultuurhistorie in bestemmingsplannen te verankeren. Met inachtneming van de beantwoording onder 6.1 tot en met 6.4 ziet het dagelijks bestuur geen aanleiding om het bestemmingsplan op dit onderdeel te wijzigen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

7.

Zienswijze 7

Antwoord: In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar het groepsrisico rondom het LPG tankstation (zie bijlage 7 bij plantoelichting). De dichtheid in de bestaande situatie is gebaseerd op de in het invloedsgebied aanwezige bedrijven en kantoren. Voor een aantal bedrijven is het aantal werkzame personen bekend. Op basis van het brutovloeroppervlak van 2 de bestaande bebouwing en een bvo van 30 m per werknemer (gemiddelde personendichtheid voor kantoren, afkomstig uit Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico, voormalig Ministerie van VROM) is een nauwkeurige schatting van het personenaantal binnen het invloedsgebied gemaakt. Uit de landelijke richtlijn Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 1, deel 6 Aanwezigheidsgegeven, voormalig Ministerie van VROM volgt dat de gemiddelde personendichtheid voor een intensief gebruikt industriegebied als Schinkel maximaal 80 personen per hectare bedraagt. De huidige dichtheid is beduidend lager, namelijk 50 personen per hectare. Deze huidige dichtheid is gebaseerd op de schatting van het personenaantal. De berekende maximale dichtheid binnen het invloedsgebied, waarbij nog aan de oriëntatiewaarde groepsrisico wordt voldaan, bedraagt 170 personen per hectare. Deze maximale dichtheid is erg hoog vergeleken met de kentallen uit de richtlijn PGS-1.

Dat betekent dat er nog veel ruimte is voor ontwikkeling in het plangebied, zonder dat de oriëntatiewaarde wordt overschreden Erg waarschijnlijk is een overschrijding van dit aantal personen per hectare op voorhand dan ook niet. Zeker niet als wordt gekeken naar de

gemiddelde personendichtheid per hectare voor bijvoorbeeld stadsbebouwing, waarvoor in de landelijke richtlijn een bevolkingsdichtheid van 120 personen per hectare wordt aangehouden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 7.4.3 van de plantoelichting aangevuld.

Antwoord: Het opnemen van een maximale personendichtheid wordt in de Handreiking verantwoording groepsrisico genoemd als een mogelijkheid om het groepsrisico in een bestemmingsplan te verankeren. In artikel 21.3.2 is ter begrenzing van het groepsrisico een maximale personendichtheid opgenomen. Onderhavig bestemmingsplan maakt pure kantoorontwikkeling niet mogelijk, wel zijn creatieve functies en ondersteunende kantoorruimte toegestaan. Voor creatieve functies en ondersteunende kantoorruimte geldt in de regel dat veelal sprake is van een lagere personendichtheid dan bij zelfstandige kantoren. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de 2 gehanteerde 30 m bvo per werknemer in de berekening leidt tot een overschatting van de maximale personendichtheid. De huidige personendichtheid in het invloedsgebied is bekend. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van nieuwe gebouwen, is het de indiener van een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of van een gebruiksmelding, die bepaalt voor hoeveel personen een gebouw of een gedeelte daarvan is bestemd. Hij moet die bezetting aangeven bij de vergunningaanvraag omgevingsvergunning respectievelijk de gebruiksmelding. Bij de toetsing van de aanvragen en het in gebruik nemen van gebouwen, kan het dagelijks bestuur zodoende zicht houden op het aantal personen waarvoor het gebouw is bestemd.

Het dagelijks bestuur zal daartoe de aanvragen die zich binnen het invloedsgebied voordoen dienen te monitoren. Daartoe worden de plannen die binnen het invloedsgebied ontwikkeld worden apart gedocumenteerd/gearchiveerd, zodat bij de aanvraag van een nieuw bouwplan kan worden getoetst aan het maximaal toegestane aantal personen per hectare en daarmee monitoring van dit aantal kan plaatsvinden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 7.4.3 van de plantoelichting aangevuld.

Antwoord: In het bestemmingsplan is conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een regeling opgenomen om het groepsrisico rondom het LPG tankstation te beperken. De ontwikkelingsruimte binnen het invloedsgebied groepsrisico rondom het LPG tankstation is met onderhavig bestemmingsplan niet verruimd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.

Sterker nog, ten aanzien van de ontwikkelingsruimte voor creatieve functies zijn in geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw juist nadere regels gesteld voor de maximale vestigingsgrootte en de totale uitbreidingsruimte. De maximale personendichtheden zullen, gelet op de gelijkblijvende bebouwingsdichtheden, niet toenemen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Dat geldt ook voor het groepsrisico. Uit het onderzoek externe veiligheid blijkt dat in de huidige situatie, met de bestaande bebouwing in het invloedsgebied, geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Omdat niet alle percelen binnen het invloedsgebied volledig zijn bebouwd, is er nog ruimte voor uitbreiding, zodat het groepsrisico nog kan toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Het bestemmingsplan maakt sloopnieuwbouw mogelijk, maar juist door het opnemen van een maximum personendichtheid in het invloedsgebied wordt voorkomen dat de oriëntatiewaarde groepsrisico wordt overschreden. Hiervoor wordt verwezen naar de beantwoording onder 7.2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Uit artikel 3.1 van de planregels volgt dat bedrijven en bij die bedrijven behorende ondersteunende kantoorruimte zijn toegestaan. Binnen het invloedsgebied rondom het LPG tankstation geldt binnen de bedrijfsbestemming dat, in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan, ondersteunende kantoorruimte is toegestaan met een maximum percentage van 50 procent van het bvo van de vestiging. Deze bijbehorende kantoorruimte behoort bij het bedrijf en kan dus niet als zelfstandige kantoorruimte worden ingevuld. Het bestemmingsplan voorziet verder in ontwikkelingsruimte voor creatieve functies (zie bijlage 2 bij de planregels). Hiermee wordt ook aangesloten op de regeling in het vigerende bestemmingsplan dat op de verdiepingen ontwerpbureaus zijn toegestaan. In geval van sloop2 nieuwbouw en nieuwbouw gelden beperkingen voor de maximum vestigingsgrootte van 500 m bvo creatieve functies met een afwijkingsmogelijkheid tot 1.500 m2 bvo. Ontwikkeling van grote kantoren is derhalve niet toegestaan. Ten aanzien van de gehanteerde dichtheden wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 7.2. Een aanzienlijk deel van het invloedsgebied is door het NLR in gebruik als parkeerterrein voor haar werknemers. Om de continuïteit van de bedrijfsvoering te kunnen garanderen zal het NLR dit deel van het terrein ook in de toekomst als parkeerterrein blijven gebruiken.

Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat dit parkeerterrein binnen de planperiode wordt bebouwd. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In artikel 21.3.3 van de planregels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan het dagelijks bestuur medewerking kan verlenen aan een ontwikkeling in het invloedsgebied waarmee de maximale personendichtheid in het bestemmingsplan en de daarmee oriëntatiewaarde wordt overschreden. Het dagelijks bestuur zal in dat geval een afweging moeten maken tussen het groepsrisico en de wenselijkheid van de betreffende ontwikkeling die voor een overschrijding zorgt. Daarbij zal het feit dat hier sprake is van een bestaande situatie, gelet op de rechtszekerheid en de financiële consequenties van het ingrijpen daarin, een belangrijke rol spelen. Er kan van de oriëntatiewaarde groepsrisico worden afgeweken, maar alleen wanneer het groepsrisico zorgvuldig is onderzocht en alle mogelijke oplossingsrichtingen zijn beproefd. Het dagelijks bestuur dient bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid zorgvuldig te onderbouwen of en zo ja waarom een afwijking van het groepsrisico aanvaardbaar is. Het dagelijks bestuur dient in dat kader te beoordelen in hoeverre het treffen van bronmaatregelen mogelijk en haalbaar is. In het geval bronmaatregelen nodig mochten zijn om via de afwijkingsbevoegdheid een ontwikkeling mogelijk maken, dan komen de kosten van deze maatregelen niet voor rekening van de drijver van de inrichting.

Ook dient het dagelijks bestuur advies in te winnen over de mate van te verwachten zelfredzaamheid van betrokkenen bij de ontwikkeling van bouwplannen binnen het invloedsgebied. Artikel 21.3.3 van de planregels is hierop aangepast. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat artikel 21.3.3 is aangepast en paragraaf 7.4.3 van de plantoelichting dienovereenkomstig is aangevuld.

8.

Zienswijze 8

Antwoord: In de Nota van uitgangspunten bestemmingsplan voor het perceel Generaal Vetterstraat 66 is opgenomen dat het gaat om een nog niet vergund bouwinitiatief waarvan de verwachting is dat deze tijdens de voorbereiding concreet genoeg wordt om op te nemen in het bestemmingsplan . Voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan - en ook tot op heden - heeft adressant echter geen concreet bouwinitiatief ingediend. Adressant heeft op 23 juni 2008 een adviesaanvraag ingediend en sinds het antwoord daarop in de brief d.d. 4 maart 2009, heeft de adviesaanvraag niet geresulteerd in een concrete bouwaanvraag of aanvraag omgevingsvergunning. De verwachting zoals uitgesproken in de Nota van uitgangspunten dat het bouwinitiatief tijdens de voorbereiding concreet genoeg zou worden om op te nemen in het bestemmingsplan, is dus niet uitgekomen. Vanwege het feit dat adressant al sinds een aantal jaren bezig is met planontwikkeling, wat echter nog niet tot een concrete aanvraag heeft geleid, is het dagelijks bestuur van mening dat de planontwikkeling wel dermate vergevorderd is dat het niet redelijk is om vast te houden aan de wijze waarop de bouw- en gebruiksregels thans voor dit perceel zijn opgenomen. Het bestemmingsplan wordt daarom aangepast in die zin dat het bouwplan door het opnemen van enkele specifieke afwijkingsbepalingen alsnog vergunbaar is.

Daarmee geeft het dagelijks

bestuur blijk rekening te willen houden met de belangen van adressant, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt dat uitsluitend de vergunde bouwplannen conform de verleende vergunning met een directe bouwtitel in het bestemmingsplan worden opgenomen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat: - op de verbeelding de functieaanduiding horeca van categorie 4 is toegevoegd; - in de planregels artikel 3.3.1 (nieuw) sub b en 3.4.2 (nieuw) sub d zijn toegevoegd en artikel 3.5.1 (nieuw) sub b en artikel 3.5.2 (nieuw) sub a zijn aangepast; - in de plantoelichting paragrafen 4.4.3, 4.4.5 en 11.4 dienovereenkomstig zijn aangevuld.

Antwoord: Het stadsdeel heeft op ambtelijk niveau gesproken met adressant over het in voorbereiding zijnde bouwplan. Daarbij is gesproken over het advies d.d. 4 maart 2009, het sindsdien veranderde beleidskader en het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Het advies d.d. 4 maart 2009 is gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerrein Schinkel 1999 . Met de vaststelling van de Structuurvisie Amsterdam en de Kantorenstrategie Amsterdam is het beleidskader inmiddels dusdanig gewijzigd, dat het in voorbereiding zijnde bouwplan inmiddels aan een ander kader getoetst zou moeten worden. In gesprekken met adressant is gemeld dat wanneer voor het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een aanvraag omgevingsvergunning zou worden ingediend het bouwplan nog getoetst zou kunnen worden aan het vigerende bestemmingsplan. Een aanvraag, ingediend na terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zou immers formeel aangehouden moeten worden. Adressant heeft uiteindelijk besloten geen aanvraag in te dienen, gezien de onzekere marktomstandigheden en bijkomende kosten voor leges. In de gesprekken met adressant is de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aangekondigd. Het stadsdeel heeft zich verder gehouden aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van communicatie over het bestemmingsplan.

De kennisgeving over het voorontwerpbestemmingsplan is op 31 mei 2012 gepubliceerd in de stadsdeelkrant en op de website van het stadsdeel. Tevens is op 11 juni 2013 een inloopavond gehouden. De kennisgeving over het ontwerpbestemmingsplan is op 13 december 2012 gepubliceerd op in de stadsdeelkrant, in de Staatscourant en op de website van het stadsdeel. Daarnaast is een huis-aan-huis brief in het plangebied verspreid en is op 9 januari 2013 een inloopavond gehouden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De nagezonden visie van adressant op het voorontwerpbestemmingsplan (d.d. 19 november

2012) heeft dezelfde strekking als de zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan. Aangezien de brief relatief kort voor start terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is ontvangen, is besloten om de reactie te verwerken in de beantwoording van de door adressant aangekondigde zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In de Structuurvisie Amsterdam is bedrijventerrein Schinkel aangewezen als binnenstedelijk stadsverzorgend bedrijventerrein. Binnen de Ringweg A10 moet plek zijn voor bedrijven uit de sectoren industrie, ambacht, groothandel, opslag en/of transport die er in belangrijke mate toe bijdragen dat de stad kan functioneren als volwaardig leefmilieu. Er zijn op bedrijventerrein Schinkel goede kansen om ruimte voor creatieve functies te combineren met ruimte voor (stadsverzorgende) bedrijven. Deze menging in verticale richting in geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw is vastgelegd in het bestemmingsplan (zie ook paragraaf 4.4.2 en 4.4.3 van de plantoelichting). In het kader van de marktverkenning ter voorbereiding op het bestemmingsplan zijn gesprekken gevoerd met onder andere diverse vastgoedpartijen. Uit deze marktverkenning blijkt dat de ontstane menging tussen klassieke bedrijven en creatieve functies een belangrijke kracht van bedrijventerrein Schinkel is. Dit wordt bevestigd door zowel gevestigde bedrijven als gevestigde creatieve ondernemers. Conclusie van de marktverkenning is dat ruimte moet worden geboden aan zowel stadsverzorgende bedrijven als creatieve ondernemingen. Uit de marktverkenning blijkt dat het kunnen ontwikkelen van ruimte voor creatieve functies op de verdiepingen de ontwikkeling van bedrijfsvloer in de eerste bouwlaag rendabel kan maken.

In het ontwerpbestemmingsplan is in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw dan ook de eerste bouwlaag gereserveerd voor deze bedrijven, op de verdiepingen worden kleinschalige creatieve functies toegestaan. Hiermee wordt aangesloten op het vigerende bestemmingsplan, op basis waarvan ontwerpbureaus ook uitsluitend op de verdiepingen zijn toegestaan. Met deze regeling wordt voorkomen dat bedrijven op de begane grond worden verdrongen door meer rendabele functies zoals creatieve functies en wordt een toekomstbestendige ontwikkeling van het bedrijventerrein gefaciliteerd. Uiteraard zijn toegangen voor deze creatieve functies op de verdiepingen wel in de eerste bouwlaag toegestaan. Het is echter ook denkbaar dat op een perceel sloop-nieuwbouw of nieuwbouw plaatsvindt, waarbij geen sprake is van verticale menging van stadsverzorgende bedrijven en creatieve functies. Met het bestemmingsplan wordt niet beoogd om per definitie een verticale menging af te dwingen, maar wordt beoogd dat in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw voldoende toekomstbestendige ruimte voor stadsverzorgende bedrijven op de begane grond wordt gerealiseerd. In dat opzicht is een bedrijfsverzamelgebouw voor creatieve functies met daarnaast een duurzaam gebouw voor stadsverzorgende bedrijven een mogelijke invulling.

Om deze flexibiliteit te bieden is in de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, op basis waarvan creatieve functies ook in de eerste bouwlaag mogen worden gevestigd, onder

andere op voorwaarde dat een minimum brutovloeroppervlak voor stadsverzorgende bedrijven wordt gerealiseerd. Aangezien het bouwplan voor Generaal Vetterstraat 66 via specifieke afwijkingsbepalingen wordt mogelijk gemaakt, geldt voor dit perceel de voorwaarde voor een minimum te realiseren brutovloeroppervlak voor stadsverzorgende bedrijven niet. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.4.2 (nieuw) sub a is aangepast, artikel 3.5.1 (nieuw) sub b is toegevoegd. Tevens zijn paragrafen 4.4.3 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangevuld.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.4. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 8.4.

Antwoord: Adressant heeft op 23 juli 2010 een aanvraag ingediend om in het huidige pand tijdelijk horeca mogelijk te maken. Dit gebruik is bij beschikking d.d. 14 februari 2011 de vestiging van permanente horeca mogelijk gemaakt. Ondanks dat het bouwplan voor de oprichting van een bedrijfsverzamelgebouw, zoals dat bij het stadsdeel bekend is, geen horeca van categorie 4 bevat, wordt de vergunde horeca positief bestemd. Voor horeca van categorie 2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Hiervoor wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat op de verbeelding een functieaanduiding horeca van categorie 4 is toegevoegd. Tevens zijn paragrafen 4.4.5 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangevuld.

Antwoord: Overeenkomstig de Structuurvisie Amsterdam (vastgesteld door de gemeenteraad op 17 februari 2011) en zoals omschreven in de beantwoording onder 8.4 wordt in geval van sloopnieuwbouw of nieuwbouw de begane grond op bedrijventerrein Schinkel in principe gereserveerd voor stadsverzorgende bedrijven. In het geval van verticale menging met creatieve functies dient de bedrijfsruimte op de begane grond te worden gesitueerd. Stadsverzorgende bedrijven zijn gebaat bij een hoge verdiepingshoogte. Het is wenselijk dat deze bedrijfsruimten, al dan niet voorzien van roldeuren, toegankelijk zijn voor vrachtauto s en/of bestelauto s. Om de vestiging van stadsverzorgende bedrijven te faciliteren is daarom in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw in het bestemmingsplan voor de eerste bouwlaag een minimale verdiepingshoogte van 4,5 meter voorgeschreven. Zoals beschreven onder 8.4 kunnen in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw, creatieve functies via een afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarden in de eerste bouwlaag worden gevestigd. In dat geval is een minimum bouwhoogte voor de eerste bouwlaag van 4,5 meter niet noodzakelijk. In lijn met deze bepaling is in de planregels de mogelijkheid opgenomen om onder voorwaarden een lagere verdiepingshoogte te realiseren.

Het dagelijks bestuur heeft besloten het bouwplan voor Generaal Vetterstraat 66 mogelijk te maken via specifieke afwijkingsbepalingen. In afwijking van de bepaling van een minimum bouwhoogte voor de eerste bouwlaag van 4,5 meter geldt voor dit perceel een minimum verdiepingshoogte van 3 meter. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.3.1 (nieuw) sub b is toegevoegd. Tevens zijn paragrafen 4.5.2 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangevuld.

Antwoord: Het gebruik van bestaande kelders als parkeergarage is bij recht toegestaan. Kelders en souterrains zijn ook in geval van sloop-nieuwbouw toegestaan, zij het niet bij recht. Het (ver)bouwen van kelders en souterrains en/of het bouwen van een in-/uitgang wordt mogelijk gemaakt via een afwijkingsbevoegdheid (zie artikel 22 onder 8 van de planregels), omdat eerst onder meer de technische haalbaarheid en de gevolgen voor het grondwater inzichtelijk moeten worden gemaakt. Een van de voorwaarden bij het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid is bijvoorbeeld dat door onderzoek aangetoond moet worden dat als gevolg van het realiseren van een ondergrondse parkeergarage geen onaanvaardbare effecten op het grondwater ontstaan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De ruimtelijke afwegingen, die ten grondslag hebben gelegen aan het opnemen van maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies in geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw, komen voort uit de Structuurvisie Amsterdam en de Kantorenstrategie Amsterdam. Het beleid ten

aanzien van creatieve functies heeft in het afgelopen decennium in diverse beleidsdocumenten een plek gekregen. Het in relatief korte tijd ontstane overschot aan creatieve functies op bedrijventerreinen heeft een nadere afbakening noodzakelijk gemaakt. De voorwaarden voor het toestaan van creatieve functies zijn met de vaststelling van de Kantorenstrategie Amsterdam in 2011 en de doorwerking daarvan in onderhavig bestemmingsplan dan ook stringenter geworden (zie ook paragraaf 3.5.2 van de plantoelichting). Op 13 september 2005 heeft het college van B&W de beleidsnotitie Huisvesting van creatieve ondernemingen in Amsterdam vastgesteld. Op basis van deze notitie is het voor kantoorachtige creatieve ondernemingen op bedrijventerreinen toegestaan dat zij maximaal 70 procent in plaats van 30 procent kantoorvloer mogen hebben. Argument om voor creatieve ondernemingen een uitzondering te maken was gelegen in het feit dat ruimtelijke clustering meerwaarde oplevert binnen Amsterdam. Op 14 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, als uitwerking van de Structuurvisie Amsterdam, de Kantorenstrategie Amsterdam vastgesteld. In de Kantorenstrategie worden verschillende maatregelen beschreven om het evenwicht tussen vraag en aanbod voor de kantorenmarkt te herstellen en de overmaat aan leegstand op te lossen.

Belangrijk ten aanzien van creatieve functies is dat het uitzonderingsbeleid uit 2005 is afgeschaft. Dat beleid heeft de groei van de creatieve sector weliswaar gestimuleerd, maar heeft vooral verdere verkantorisering van bedrijventerreinen in de hand gewerkt. Op diverse bedrijventerreinen is vastgoed gerealiseerd onder de noemer bedrijfsruimte , terwijl dit in de praktijk als kantoorruimte op de markt is aangeboden en als zodanig is gebruikt. Andere maatregel is dat alle etages van een bedrijfspand behalve de begane grond worden beschouwd als kantoor, tenzij de initiatiefnemer kan aantonen dat de verdiepingen als bedrijf zullen worden gebruikt. In lijn met de Kantorenstrategie Amsterdam wordt in het bestemmingsplan beoogd om grootschalige verkantorisering op Schinkel tegen te gaan. Kantoorontwikkeling moet beperkt worden tot die plekken die hiervoor in de stad en de regio zijn aangewezen. Schinkel is geen locatie voor grootschalige (hoofd)kantoren, enkele reeds bestaande uitzonderingen daargelaten. Bovendien is Schinkel in de Structuurvisie Amsterdam aangewezen als stadsverzorgend bedrijventerrein. In het geval dat nieuwe grootschalige kantoren wel zouden worden toegestaan op terreinen zoals Schinkel, zou dit leiden tot oneerlijke concurrentie met echte kantoorlocaties en verdringen van stadsverzorgende bedrijven.

Gezien de huidige leegstand is het onverantwoord om op grote schaal op bedrijventerreinen de ontwikkeling van nieuwe kantoren toe te staan. Daar komt bij dat bedrijventerrein Schinkel vanwege maatvoering van de percelen en gebrekkige OV-bereikbaarheid niet geschikt is om de bijbehorende (auto)verkeersaantrekking te kunnen verwerken. Om die reden worden nieuwe grootschalige kantoren (ook grootschalige creatieve functies) in het bestemmingsplan uitgesloten. Het is aan de andere kant wel wenselijk om ruimte te blijven bieden voor kleinschalige creatieve ondernemingen, omdat hiermee het karakter van Schinkel als stadsverzorgend bedrijventerrein behouden blijft. Kleine creatieve ondernemers (starters en ZZP-ers) zullen vaak moeilijk terecht kunnen op echte kantoorlocaties. Uit onderzoek in het kader van de Structuurvisie Amsterdam blijkt bovendien dat met name het aanbod van deze categorie in Amsterdam beperkt is. In de planregels van het bestemmingsplan is daarom in geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw een maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies opgenomen. Deze maximum vestigingsgrootte is in het kader van de Kantorenstrategie Amsterdam met de centrale stad overeengekomen en sluit goed aan op de door het stadsdeel gewenste ontwikkelingsrichting van bedrijventerrein Schinkel (menging stadsverzorgende bedrijven en kleinschalige creatieve functies).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16101234/1