CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Aanpassing geluidzone industrieterrein Schinkel ANONIEM

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 30 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Aanpassing geluidszone industrieterrein Schinkel en overeenkomstig wijzigen spelregelkader en leefomgevingsfoto OER Schinkelkwartier (VN2025-012654)34.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

In het kader van de afstemming van het aanbod voor creatieve functies op bedrijventerreinen heeft de centrale stad geadviseerd om in geval van nieuwbouw kleinschalige 2 creatieve kantoorruimte toe te staan van maximaal 500 m bvo. In aansluiting op dit advies is 2 het maximum van 400 m bvo per vestiging, zoals dat was opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan, in het ontwerpbestemmingsplan opgehoogd tot 500 m2 bvo. Dergelijke

kleinschalige creatieve kantoorruimte op bedrijventerreinen wordt in het kader van de doelstellingen uit de Kantorenstrategie Amsterdam aanvaardbaar geacht. Het dagelijks bestuur is echter van mening dat in sommige gevallen het wenselijk kan zijn om een of meerdere grotere trekkers in een bedrijfsverzamelgebouw toe te staan, die kleinere potentiële huurders voor het betreffende nieuwbouw kan/kunnen aantrekken en het imago van Schinkel als creatieve hotspot verder kan versterken. Uitgangspunt blijft echter dat grootschalige (creatieve) kantoren in principe niet thuishoren op bedrijventerrein Schinkel. Om een nader afwegingsmoment in te bouwen is besloten om een afwijkingsbevoegdheid voor het dagelijks bestuur op te nemen. Op basis daarvan kan per geval worden beoordeeld of het wenselijk is om onder voorwaarden af te wijken van de maximale vestigingsgrootte voor creatieve functies. Een van de voorwaarden daarbij is dat van 30 procent van het bvo de toegestane maximum 2 vestigingsgrootte mag worden verhoogd tot 1.500 m . Het opnemen van een maximum metrage voor creatieve functies, in combinatie met een afwijkingsbevoegdheid, levert een belangrijke bijdrage aan de gewenste ontwikkelingsrichting van Schinkel, te weten verdere menging van stadsverzorgende bedrijven en kleinschalige creatieve functies.

Uit de projectbrochure van adressant blijkt dat het te realiseren bedrijfsverzamelgebouw op 2 perceel Generaal Vetterstraat 66 voorziet in bedrijfsunits, in grootte variërend van 100 m tot 2 1.540 m . Aangezien het dagelijks bestuur heeft besloten het bouwplan Generaal Vetterstraat 66 via specifieke afwijkingsregels mogelijk te maken is voor dit perceel opgenomen dat het maximum percentage van 30 procent niet geldt en daarmee via een afwijking in het gehele 2 bedrijfsverzamelgebouw vestigingen tot 1.500 m bvo toegestaan kunnen worden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.5.2 (nieuw) sub a is aangevuld. Tevens zijn paragrafen 4.4.3 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangevuld.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 8.9.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de

conclusie bij de beantwoording onder 8.9.

Antwoord: Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan hier niet slagen. Zoals aangegeven in de beantwoording onder 8.1 kan adressant zich niet met recht op het standpunt stellen dat hij er van mocht uitgaan dat in het nieuwe bestemmingsplan met zijn bouwinitiatief rekening gehouden zou gaan worden. Ten tijde van het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan - en ook thans niet - was immers geen concreet bouwinitiatief ingediend. De adviesaanvraag heeft niet geresulteerd in een concrete bouwaanvraag of aanvraag omgevingsvergunning. De brief van het stadsdeel d.d. 4 maart 2009 biedt daarbij evenmin een grondslag om aan te nemen dat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Aan deze brief zijn overigens ook geen rechten te ontlenen, omdat uit de brief niet blijkt dat een bouw- of omgevingsvergunning daadwerkelijk verleend zou worden. In deze brief is namens het dagelijks bestuur immers het standpunt ingenomen dat het stadsdeel vast blijft houden aan het klassieke karakter van het bedrijventerrein in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Schinkel 1999 . Daarbij is vervolgens de interpretatieruimte verwoord die het bestemmingsplan bood om ruimte te geven aan creatieve functies. Een en ander conform het beleid zoals dat op dat moment gold.

Zoals aangegeven in de beantwoording onder 8.9 is het beleidskader ten aanzien van stadsverzorgende bedrijvigheid, kantoren en creatieve functies in de 4 jaar nadien aanzienlijk gewijzigd. Uit paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting blijkt dat er wel degelijk een deugdelijke motivering ten grondslag ligt aan de planregeling ten aanzien van de uitbreidingsvestigingsmogelijkheden voor creatieve functies. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Ten aanzien van de vestigingsgrootte is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen op basis 2 waarvan voor Generaal Vetterstraat 66 een vestigingsgrootte van 1.500 m bvo kan worden toegestaan. In dat geval hoeven minder huurders te worden gecontracteerd om tot realisatie over te kunnen gaan. Voor de afwijkingsbevoegdheid en de door adressant beoogde vestigingsgrootte wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Gezien de potentie van de locatie en bestaande ontwikkelrechten is in overleg met de centrale stad voor Schinkel de mogelijkheid opengehouden om op beperkte schaal ruimte voor kleinschalige creatieve functies te kunnen ontwikkelen. Er zijn namelijk belangrijke redenen om juist op bedrijventerrein Schinkel in te zetten op creatieve functies: de transformatie- en verdichtingsopgaven, de vestiging van kennisbedrijven (voor wie de Zuidas te duur is maar wel belangrijk zijn voor bedrijven op de Zuidas) en de koppeling tussen creatieve en kennisbedrijven met opleidingsinstituten in de buurt. Bovendien is met name het aanbod van kleinschalige betaalbare ruimte beperkt, terwijl hier juist vraag naar is. In het kader van de Kantorenstrategie Amsterdam is met de centrale stad overeengekomen dat bedrijventerrein Schinkel wordt bestempeld als een balansgebied met uitbreidingsmogelijkheden voor kleinschalige creatieve functies (zie ook paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting en de beantwoording onder 8.9). In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is beoordeeld welke uitbreidingsruimte voor de komende tien jaar (zijnde de planhorizon van het bestemmingsplan) realistisch is. Deze uitbreidingsruimte is gebaseerd op metrage op bedrijventerrein Schinkel dat in de afgelopen tien jaar ten behoeve van creatieve functies in gebruik is genomen.

Aan de hand van deze beoordeling is gekomen tot een maximale 2 uitbreidingsruimte voor creatieve functies van 35.000 m bvo. In de planregels is opgenomen dat daaronder niet worden begrepen omgevings-vergunningen die op moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan onherroepelijk zijn. Zoals aangegeven in de beantwoording onder 8.1 is het bouwplan voor Generaal Vetterstraat 66 via specifieke afwijkingsregels vergunbaar. Om die reden is in de planregels een afwijkingsregel opgenomen waarmee is bepaald dat het te realiseren brutovloeroppervlak niet in mindering wordt gebracht op de maximum uitbreidingsruimte voor creatieve functies. In artikel 3.5.2 is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om zo nodig af te kunnen wijken van 2 het gestelde maximum van 35.000 m bvo. Het dagelijks bestuur kan via deze afwijkingsbevoegdheid per geval beoordelen of het wenselijk is om de maximum uitbreidingsruimte voor creatieve functies te verhogen (zie verder de beantwoording onder 8.17). Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat artikel 3.4.2 (nieuw) sub d is toegevoegd. Tevens zijn paragrafen 4.4.3 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangevuld.

Antwoord: Voor zover adressant van mening is dat het stadsdeel met behulp van het bestemmingsplan de markt tracht te sturen en daarmee in ongeoorloofde staatsteun voorziet, wordt het volgende opgemerkt. Het stadsdeel heeft de planregels opgesteld, niet vanuit het oogpunt de markt te reguleren maar vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het stadsdeel heeft daarbij rekening te houden met vele belangen, waaronder ook grootstedelijke belangen zoals het kunnen blijven bieden aan plaats voor stadsverzorgende bedrijven en het voorkomen van het verkantoriseren van bedrijventerreinen, een en ander zoals ook is vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam en de Kantorenstrategie Amsterdam. Van staatsteun is hierbij geen sprake. Het vaststellen van een bestemmingsplan opgesteld vanuit het belang van een goede ruimtelijke ordening is niet te kwalificeren als staatssteun zoals bedoeld in artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De beperking van de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies in geval van sloop2 2 nieuwbouw en nieuwbouw (maximaal 500 m bvo, via afwijking maximaal 1.500 m bvo) komt voort uit de Structuurvisie Amsterdam en de Kantorenstrategie Amsterdam. Daaruit volgen de uitgangspunten om ruimte te reserveren voor stadsverzorgende bedrijvigheid enerzijds en verkantorisering tegen te gaan. Een andere belangrijke reden om geen grootschalige kantoren toe te staan op bedrijventerrein Schinkel is de gebrekkige OV-bereikbaarheid en de relatief grote (auto)verkeersaantrekkende werking van kantoren. Bedrijventerrein Schinkel is simpelweg niet geschikt om een grote (auto)verkeersaantrekking te verwerken. Op grond van de Nota Locatiebeleid Amsterdam is bedrijventerrein Schinkel een C-locatie. Dit houdt in dat de OV-bereikbaarheid te wensen over laat: het bedrijventerrein is op meer dan 10 minuten afstand van het openbaar vervoer gelegen, maar is wel goed ontsloten is via het Hoofdnet Auto. Voor kantoren op C-locaties moet afhankelijk van de locatie, de grootte en de ruimtelijke inpassingsmogelijkheden maatwerk worden geleverd. Door het opnemen van een 2 maximale uitbreidingsmogelijkheid voor creatieve functies tot een maximum van 35.000 m bvo is met onderhavig bestemmingsplan het bedoelde maatwerk geleverd.

Hiermee wordt de (auto)verkeersaantrekkende werking beperkt, waardoor het bedrijventerrein goed kan blijven functioneren en wordt voorkomen dat de parkeerdruk te hoog wordt. Aan de afwijkings2 bevoegdheid waarmee het maximum van 35.000 m bvo kan worden verhoogd is de voorwaarde gekoppeld dat aangetoond moet worden dat de wegcapaciteit in het plangebied toereikend is. Daarmee wordt voorkomen dat door het ophogen verkeersproblemen ontstaan. Uit de Nota Parkeren 2011 volgt dat het beleid er op is gericht om arbeids- en bezoekersintensieve functies zoveel mogelijk te concentreren op locaties die goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer (en fiets). Voor deze gebieden gelden strengere parkeernormen dan voor gebieden die minder goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer. Voor bedrijventerrein Schinkel

geldt op basis van de Nota Parkeren 2011 in principe geen maximum norm. In het kader van het bestemmingsplan is, gezien de gebrekkige OV-bereikbaarheid, maatwerk geleverd om de (auto)verkeersaantrekkende werking te begrenzen. Voor creatieve functies is in de planregels in 2 geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw een norm van 1 parkeerplaats per 125 m bvo opgenomen. Daarmee wordt aangesloten bij de normering voor kantoren en bedrijven in stedelijke woon-werkgebieden. Zoals blijkt uit het verkeersonderzoek (bijlage 3 bij plantoelichting) is de (auto)verkeersaantrekkende werking van kantoren hoger dan die van bedrijven, omdat het aantal werknemers 2 per m in de regel hoger is. Voor creatieve functies is gemakshalve uitgegaan van een (auto)verkeersaantrekkende werking gelijk aan die van kantoren. De veronderstelling dat het autogebruik onder creatieve ondernemers, in het bijzonder die op bedrijventerrein Schinkel (dichtbij de stad) lager is dan het autogebruik onder gewone kantoorwerknemers is hierin dus niet verdisconteerd. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. Wel is paragraaf 5.6 van de plantoelichting aangevuld.

Antwoord: De afwijkingsbevoegdheden waaraan adressant refereert voorzien in een flexibiliteitsbepaling waarmee in geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw een grotere vestigingsgrootte voor creatieve functies respectievelijk meer uitbreidingsruimte voor creatieve functies toe kunnen worden gestaan. De nadere afwegingsbevoegdheid ligt bij het dagelijks bestuur van het stadsdeel en is verbonden aan een aantal voorwaarden. Uitgangspunt is dat in geval van sloopnieuwbouw en nieuwbouw kleinschalige creatieve functies zijn toegestaan en dat via de afwijkingsbevoegdheid de ruimtelijke inpasbaarheid van een grotere creatieve functie respectievelijk meer uitbreidingsruimte voor creatieve functies kan worden beschouwd. Het dagelijks bestuur kan via een afwijkingsbevoegdheid een grotere maximum vestiging voor creatieve functies toestaan, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Voorwaarde is dat maximaal 30 procent van het bvo de toegestane maximum vestigingsgrootte mag worden 2 verhoogd tot 1.500 m bvo. Tevens moet de ontwikkeling passen binnen het beleid uit de Structuurvisie Amsterdam. In dat kader zal het dagelijks bestuur beoordelen of de beoogde ontwikkeling past in het instrumentarium voor binnenstedelijke stadsverzorgende bedrijventerreinen zoals opgenomen in deel 3 / hoofdstuk 3 van de Structuurvisie Amsterdam.

Mede naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze is de voorwaarde, dat aangetoond moet worden dat de kantorenleegstand maximaal 6 procent mag bedragen, geschrapt. Reden hiervoor is dat deze bepaling reeds is gekoppeld aan de maximum uitbreidingsruimte voor creatieve functies. Daardoor is een koppeling aan de maximum vestigingsgrootte overbodig. Ook is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee het dagelijks bestuur de maximum 2 uitbreidingsruimte van 35.000 m bvo voor creatieve functies kan verhogen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Daarbij wordt getoetst aan een drietal voorwaarden: de ontwikkeling moet passen binnen het beleid uit de Structuurvisie Amsterdam, de

kantorenleegstand in het plangebied moet minder zijn dan 8 procent en de wegcapaciteit in het plangebied moet toereikend zijn. Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze is ten aanzien van het beoordelen van de leegstand in het plangebied aangesloten bij het maximum percentage van 8 procent dat de Kantorenloods Amsterdam hanteert voor frictieleegstand. Bij het beoordelen van het leegstandspercentage in het plangebied zal het dagelijks bestuur advies inwinnen bij het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam / Kantorenloods Amsterdam, dat de kantorenleegstand in Amsterdam nauwlettend monitort. Zoals aangegeven in de beantwoording onder 8.1, 8.9 en 8.14 worden voor het bouwplan Generaal Vetterstraat 66 specifieke afwijkingsregels opgenomen. Dit geldt ook voor de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies en de maximum uitbreidingsruimte voor creatieve functies. In geval van sloop-nieuwbouw, zoals is voorzien op Generaal Vetterstraat 2 66, geldt dat de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies 1.500 m bvo bedraagt. Zoals aangegeven in de beantwoording onder 8.9 kan het dagelijks bestuur met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid op Generaal Vetterstraat 66 een bedrijfsverzamelgebouw met 2 vestigingen voor creatieve functies tot 1.500 m bvo toestaan.

Verder is bepaald dat het te realiseren brutovloeroppervlak voor creatieve functies, zoals opgenomen in het bouwplan Generaal Vetterstraat 66, niet in mindering wordt gebracht op de maximum uitbreidingsruimte 2 35.000 m bvo (zie verder de beantwoording onder 8.14). Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.5.2 (nieuw) sub a is aangepast, artikel 3.5.2 (nieuw) sub c is geschrapt en artikel 3.5.3 (nieuw) sub b is aangepast. Tevens zijn paragrafen 4.4.3 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangepast.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9 en 8.17. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 8.9 en 8.17.

9.

Zienswijze 9

Antwoord: De nadruk is in het kader van Kantorenstrategie meer komen te liggen op herontwikkeling, transformatie en sloop. Stadsdeel Zuid wenst de ontstane menging tussen klassieke bedrijven en creatieve functies op bedrijventerrein Schinkel te continueren. De nadruk op Schinkel ligt

primair op herontwikkeling. De ontwikkelmogelijkheden voor herontwikkeling van bestaande panden op Schinkel zijn dan ook ruimer dan in het geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw. De maximale vestigingsgrootte voor creatieve functies, zoals opgenomen in artikel 3.4.2 sub b van de planregels, geldt uitsluitend voor sloop-nieuwbouw en nieuwbouw. Deze beperking komt voort uit de doelstelling uit de Kantorenstrategie Amsterdam om met oog op de omvangrijke kantorenleegstand nieuwbouw voor kantoren te beperken. De beperking voor de maximale vestigingsgrootte voor creatieve functies niet voor bestaande panden. Hiermee wordt herontwikkeling van bestaand vastgoed gestimuleerd. Zolang er, na het vertrek van de huidige huurder(s), geen sprake is van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw vormt het bestemmingsplan geen belemmering voor het contracteren van een nieuwe huurder voor het gehele pand. Het bestaande gebruik wordt dan immers niet gewijzigd. Echter, wanneer het bestaande pand wordt gesloopt en een nieuw (bedrijfsverzamel)gebouw wordt gerealiseerd, dan zijn de nieuwe regels ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte overeenkomstig de doelstelling uit de Kantorenstrategie Amsterdam wel van toepassing. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting aangevuld.

Antwoord: Het bestemmingsplan beoogt niet om kleinschalige creatieve functies, die een groei doormaken, te dwingen het bedrijventerrein te verlaten. Zolang er geen sprake is van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw vormt het bestemmingsplan geen belemmering voor creatieve ondernemingen die wensen door te groeien naar een grotere vestiging. Het bestaande gebruik wordt dan immers niet gewijzigd en de oplossing wordt gevonden in bestaand vastgoed. Indien de wens naar een grotere vestiging echter leidt tot sloop-nieuwbouw of nieuwbouw dan geldt de beperking voor de vestigingsgrootte wel. Zie ook de beantwoording onder 9.1. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel zijn paragrafen 4.4.3 en 11.4 aangevuld.

Antwoord: Zoals aangegeven in de beantwoording onder 9.1 en 9.2 is de beperking ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte en de maximum uitbreidingsruimte voor creatieve functies uitsluitend van toepassing op sloop-nieuwbouw en nieuwbouw. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9 en 8.14. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 8.9 en 8.14.

Antwoord: De opmerking van adressant is gegrond. Het bestemmingsplan beoogt niet om omvangrijke investeringen af te dwingen om de eerste bouwlaag geschikt te maken voor bedrijven. Zoals aangegeven in de beantwoording onder 8.4 en 8.7 is ten aanzien van de eerste bouwlaag meer flexibiliteit aangebracht in de planregels. Bovendien wordt naar aanleiding van de beantwoording onder 14.2 het bestemmingsplan gewijzigd, met dien verstande dat bedrijven niet uitsluitend in de eerste bouwlaag zijn toegestaan, maar tevens op de hogere bouwlagen. De regeling zoals opgenomen in artikel 20.3 sub b is in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen om de vestiging van stadsverzorgende bedrijven in de eerste bouwlaag te faciliteren. Met artikel 25.2 is het overgangsrecht voor gebruik echter voldoende geregeld. Dientengevolge is de regeling over beëindiging van bestaand gebruik in de eerste bouwlaag geschrapt. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 20.3 sub b is geschrapt. Tevens is paragraaf 11.4 van de plantoelichting aangepast.

Antwoord: Uit artikel 3.2.2 onder c van de planregels volgt dat de regeling ten aanzien van de minimum verdiepingshoogte voor de begane grond alleen geldt in geval van sloop-nieuwbouw en nieuwbouw. Deze regeling is dan ook niet van toepassing op het bestaande gebouw op Generaal Vetterstraat 72-74. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 8.7 en 9.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Zoals aangegeven in de beantwoording onder 9.5 is de regeling over beëindiging van bestaand gebruik in de eerste bouwlaag geschrapt. Bovendien gelden de regels ten aanzien van minimum bouwhoogte voor de eerste bouwlaag uitsluitend voor sloop-nieuwbouw en nieuwbouw. Het bestemmingsplan vormt geen derhalve geen belemmering voor het huidige gebruik, maar biedt

het juist divers mogelijkheden om het bestaande pand te herontwikkelen en hier kleinere bedrijfsunits te realiseren. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

10.

Zienswijze 10

Antwoord: De stelling van adressant dat het bouwplan Generaal Vetterstraat 75-77 is vergund is juist. Echter, nog altijd is niet gestart met de uitvoering van het bouwplan. Dientengevolge staat de vergunning bij stadsdeel Zuid op een lijst om ingetrokken te worden. Aangezien adressant heeft aangegeven nog altijd voornemens te zijn het vergunde bouwplan te realiseren heeft het dagelijks bestuur besloten het plan met een directe bouwtitel in het bestemmingsplan op te nemen. Zoals ook opgenomen in de Nota van uitgangspunten zal het bestemmingsplan op dit onderdeel dan ook worden gewijzigd, in die zin dat het bouwplan positief wordt bestemd. De regels ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies, creatieve functies in de eerste bouwlaag, de minimum verdiepingshoogte voor de eerste bouwlaag en de parkeerregeling voor nieuwbouw zijn daarmee niet van toepassing op het vergunde bouwplan. De vergunde ondergrondse parkeergarage is ook mogelijk gemaakt, aangezien de vergunde parkeerkelder volgens artikel 1.21 als bestaand kan worden beschouwd.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat: - in de planregels artikel 3.2.2 sub d, artikel 3.4.2 (nieuw) sub a zijn toegevoegd en artikel 3.4.7 (nieuw) sub e is aangepast; - in de plantoelichting paragrafen 4.4.3 en 11.4 dienovereenkomstig zijn aangevuld.

Antwoord: In de beantwoording onder 10.1 is aangegeven dat de beperking ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies niet geldt voor het reeds vergunde bouwplan Generaal Vetterstraat 75-77. Uit de projectbrochure volgt overigens dat een bedrijfsverzamelgebouw 2 2 wordt ontwikkeld met flexibel indeelbare units tot 270 m , met een maximum van 653 m . Het is dan ook niet duidelijk de veronderstelling van adressant over de financierbaarheid van het bouwplan zich verhoudt tot de beoogde kleine units. Voor de onderbouwing van de maximum vestigingsgrootte wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat artikel 3.4.2 (nieuw) sub b is aangepast. Tevens zijn paragrafen 4.4.3

en 11.4 aangevuld.

Antwoord: Adressant verwijst naar het beleid voor vaststelling van de Kantorenstrategie Amsterdam. De maximale vestigingsgrootte voor creatieve functies in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw 2 bedraagt 500 m bvo. In het kader van de afstemming van het aanbod voor creatieve functies op bedrijventerreinen heeft de centrale stad geadviseerd om in geval van nieuwbouw kleine 2 2 kantoorruimte toe te staan van maximaal 500 m bvo. Het maximum van 400 m bvo, zoals opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan, is in aansluiting op dit advies opgehoogd tot 2 500 m bvo. Voor de onderbouwing van de maximale vestigingsgrootte voor creatieve functies wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Bedrijventerreinen zoals Schinkel zijn in trek bij grote creatieve ondernemingen vanwege de aantrekkelijke locatie, de lage (grond)prijs en de parkeergelegenheid. Met de vaststelling van de Kantorenstrategie Amsterdam is besloten om verdere verkantorisering van bedrijventerreinen zoals Schinkel tegen te gaan (zie ook de beantwoording onder 8.9). Om te stimuleren dat grote creatieve ondernemingen zich gaan vestigen op echte kantoorlocaties (zoals beoogd wordt in de Kantorenstrategie) is het streven van de centrale stad om deze kantoorlocaties een impuls te geven, zodat deze aantrekkelijk worden voor creatieve functies. Ontwikkelaars en beleggers krijgen zo nieuwe mogelijkheden om hun huidige bezit optimaal te exploiteren waardoor de leegstand kan afnemen. Het is niet uit te sluiten dat grote

creatieve ondernemingen als gevolg van het aangescherpte beleid zich in andere gemeenten zullen vestigen. Dergelijke consequenties van dit beleid vallen echter buiten de reikwijdte van onderhavig bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting aangevuld.

Antwoord: In de beantwoording onder 10.1 is aangegeven dat de beperking ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies niet geldt voor het reeds vergunde bouwplan Generaal Vetterstraat 75-77. Een huurder kan zonder beperking voor de vestigingsgrootte doorgroeien, zolang geen sprake is van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 9.2. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 9.2 en 10.1.

Antwoord: Sloop-nieuwbouw betreft het geheel of nagenoeg geheel slopen van de bestaande bebouwing op een perceel en het oprichten van een nieuw hoofdgebouw. Nagenoeg geheel slopen betreft bijvoorbeeld het uitsluitend handhaven van de voorgevel. Het herontwikkelen van een bestaand pand naar een bedrijfsverzamelgebouw voor creatieve functies, waarbij geen sprake is van volledige sloop van de bestaande bebouwing of het oprichten van een nieuw hoofdgebouw, wordt niet gerekend tot sloop-nieuwbouw. Nieuwbouw betreft het oprichten van een nieuw hoofdgebouw op een perceel. Ook het optoppen van bestaande bebouwing valt niet onder de definitie nieuwbouw. De definitie nieuwbouw is toegevoegd als artikel 1.70 van de planregels. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, in die zin dat artikel 1.70 (nieuw) aan de planregels is toegevoegd. Tevens is paragraaf 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangepast.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 10.1. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 10.1.

Antwoord: Ten aanzien van de veronderstelling dat de maximale vestigingsgrootte voor creatieve functies beperkend werkt voor de financierbaarheid wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9 en 10.2. De financierbaarheid van individuele bouwplannen, waar adressant op doelt, staat overigens los van de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 12 van de plantoelichting is uiteengezet waarom het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Daarin wordt uitgelegd dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld, omdat het bestemmingsplan geen nieuwe bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening mogelijk maakt. Het toegestane programma kan worden gerealiseerd zonder noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte, infrastructuur of verwervingen. De ontwikkeling van sloopnieuwbouw of het realiseren van functieveranderingen zal geheel door grondeigenaren of erfpachters worden gerealiseerd. Bovendien geldt dat sloop-nieuwbouw binnen bestaande bebouwingscontouren al mogelijk is volgens het vigerende bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In de beantwoording onder 10.1 is aangegeven dat de beperking ten aanzien van het uitsluiten van creatieve functies op de begane grond in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw niet geldt voor het reeds vergunde bouwplan Generaal Vetterstraat 75-77. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.4.2 (nieuw) sub a is toegevoegd. Tevens zijn paragrafen 4.4.3 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangepast.

Antwoord: In het geval van sloop-nieuwbouw is voor parkeren de Bouwverordening Amsterdam 2003 van toepassing. Daaruit volgt een verplichting tot parkeren op eigen terrein: ondergronds parkeren is niet verplicht, tenzij de parkeernorm hiertoe leidt. Bestaande ondergrondse parkeergarages worden niet specifiek bestemd en niet opgenomen op de verbeelding. Het gebruik van bestaande kelders als parkeergarage is bij recht toegestaan. Het (ver)bouwen van kelders en souterrains en/of het bouwen van een in-/uitgang wordt mogelijk gemaakt via een afwijkingsbevoegdheid (zie artikel 22 sub onder 8 van de planregels). Zoals aangegeven in de beantwoording onder 10.1 wordt het vergunde bouwplan voor Generaal Vetterstraat 75-77, inclusief een ondergrondse parkeergarage, positief bestemd. Uit artikel 1.21 volgt dat een reeds vergunde parkeerkelder als bestaand wordt beschouwd. Een afwijking voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage zoals opgenomen artikel 22 onder 8 is hier dan ook niet aan de orde is. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 11.4 van de plantoelichting aangevuld.

Antwoord: Zoals aangegeven in de beantwoording onder 10.1 wordt het vergunde bouwplan voor Generaal Vetterstraat 75-77 positief bestemd. Dat houdt in dat de regeling voor de minimum bouwhoogte voor de eerste bouwlaag in geval van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw hier niet van toepassing is. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.2.2. sub d is toegevoegd. Tevens zijn paragrafen 4.5.2 en 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig aangepast.

Antwoord: In artikel 3.2.2 sub e (nieuw) van de planregels is een regeling opgenomen voor het bouwen in de bestemmingsgrens. Om het bestaande kadeprofiel langs de Valschermkade te definiëren wordt hier in geval van sloop-nieuwbouw verplicht gesteld om 100% in de gevellijn te bouwen. Hierbij wordt benadrukt dat de regeling uitsluitend geldt voor de bebouwing aan de Valschermkade grenzend aan de kade van de Riekerhaven. De regeling geldt dus niet voor overige locaties in het plangebied, en daarmee ook niet voor de locatie van het bouwplan waaraan de adressant refereert. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In de beantwoording onder 10.1 staat dat het vergunde bouwplan Generaal Vetterstraat 75-77 positief wordt bestemd. De beperking ten aanzien van de maximum uitbreidingsruimte voor creatieve functies is dan ook niet van toepassing op het bouwplan. In artikel 3.4.2 (nieuw) sub c is opgenomen dat onherroepelijke vergunningen niet onder de gestelde maximum 2 uitbreidingsruimte van 35.000 m bvo vallen. Voor de verantwoording van de maximum uitbreidingsruimte wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.14. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: In dit artikel is de zogeheten anti-dubbeltelregel opgenomen. Uit artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening volgt de verplichting om deze regeling over te nemen in de planregels van ieder bestemmingsplan. Deze standaardbepaling zorgt ervoor dat bij toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aan het bestemmingsplan reeds verleende vergunningen goed worden meegenomen. Er wordt daarmee voorkomen dat tweemaal (of vaker) gebruik wordt gemaakt van de ruimte die in de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan wordt geboden. In dit kader wordt ook verwezen naar de beantwoording onder 3.16 ten aanzien van de toevoeging aan artikel 3.3.2 sub b. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 10.1. Conclusie: Voor de conclusie ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de conclusie bij de beantwoording onder 10.1.

Antwoord: Het stadsdeel heeft adressant per brief d.d. 7 februari 2013 de mogelijkheid geboden om tot uiterlijk 24 februari 2013 de zienswijze aan te vullen. Adressant heeft op 22 februari 2013 een aanvulling op de zienswijze gestuurd. In de aanvullende zienswijze zijn geen nieuwe onderwerpen aangedragen, zodat kan worden volstaan met de beantwoording van hiervoor beschreven onderdelen van de zienswijze. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

11.

Zienswijze 11

Antwoord: Voor zover de gebruikers vallen onder de functies zoals opgenomen in de bestemmingsomschrijving in artikel 3.1, zijn deze toegestaan. Voor zover de gebruikers niet vallen onder de functies in artikel 3.1, vallen deze onder het gebruiksovergangsrecht. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De veronderstelling van adressant dat door de bedrijfsbestemming sprake zou zijn van een aanzienlijke beperking voor de exploitatiemogelijkheden van het pand is niet verder onderbouwd. Los daarvan, kan gesteld worden dat de bestemming ruimere gebruiksmogelijkheden biedt dan het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerrein Schinkel 1999 en in dat opzicht dus geen sprake is van een beperking van de exploitatiemogelijkheden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: De veronderstelling van adressant dat verruiming van de gebruiksmogelijkheden zou passen in de ambitie van de Structuurvisie Amsterdam is onjuist. In de Structuurvisie Amsterdam is bedrijventerrein Schinkel aangewezen als tot 2040 te behouden stadsverzorgend bedrijventerrein. Zoals opgenomen in paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting zijn stadsverzorgende bedrijventerrein speciaal bedoeld voor stadsverzorgende bedrijven, zoals ambachten, bouwbedrijven, onderhoud- en reparatiebedrijven, afval- en reinigingsdiensten, groothandels en toeleveranciers. Deze bedrijvigheid draagt er in belangrijke mate toe bij dat de stad kan blijven functioneren als voorwaardig leefmilieu. Het terrein komt niet in aanmerking voor transformatie naar werk-woongebied of woon-werkgebied. Zoals aangegeven in paragraaf 7.2.3 van de plantoelichting is in het bestemmingsplan vastgelegd dat uitsluitend bedrijven uit milieucategorie 1 tot en met 3.2 zijn toegestaan. Het toestaan van een hogere milieucategorie dan 3.2 is vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde

woningbouw niet wenselijk. Met het toestaan van maximaal categorie 3.2 wordt voldoende ruimte geboden voor de vestiging van stadsverzorgende bedrijven. Dergelijke bedrijven vallen veelal niet in een hogere categorie dan 3.2. In milieucategorie 4 of hoger vallen veelal omvangrijke bedrijven met een grote verkeersaantrekkende werking en/of een zware milieubelasting. Dergelijke bedrijven passen niet echt op een binnenstedelijk gemengd bedrijventerrein voor stadsverzorgende bedrijven, maar horen eerder thuis op speciaal hiervoor bestemde industrieterreinen zoals Westpoort. Bedrijventerrein Schinkel is aangewezen als gezoneerd industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Op een gezoneerd industrieterrein geldt dat woonfuncties niet worden beschermd tegen industrielawaai en ter plaatse geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Aangezien een belangrijk uitgangspunt in het bestemmingsplan is dat de bestaande milieuruimte wordt gerespecteerd en transformatie naar gemengd gebied met wonen is uitgesloten, wordt de status van gezoneerd industrieterrein gehandhaafd. Uit het principe van een goede ruimtelijke ordening is het toestaan van geluidsgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein dan ook niet aanvaardbaar. Het toevoegen van wonen, studentenhuisvesting of geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen is daarom niet gewenst.

Uit het instrumentarium van de Structuurvisie Amsterdam, zoals opgenomen in deel 3 / hoofdstuk 3 volgt dat nader onderzoek moet uitwijzen in hoeverre verder intensivering van de werkfunctie (kantoren) mogelijk is. In dit bestemmingsplan wordt ruimte geboden voor creatieve functies. Pure kantoren en zakelijke dienstverlening worden niet toegestaan (zie de beantwoording onder 8.9 en 11.12). Onder voorwaarden is perifere detailhandel toegestaan. In het bestemmingsplan is uitsluitend de bestaande perifere detailhandel toegestaan (zie paragraaf 4.4.4 van de plantoelichting). Ook horeca en fitness zijn op beperkte schaal toegestaan. Voor hotels geldt dat sprake is van een overaanbod in de stedelijke planvoorraad, zodat onbeperkte verruiming van het planaanbod niet wenselijk is. Ten aanzien van het toevoegen van nachtevenementen geldt dat dit niet wordt geregeld via het bestemmingsplan. In dat kader wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.12. Gezien de beperkte bereikbaarheid per openbaar vervoer is bedrijventerrein Schinkel niet geschikt voor grote verkeersaantrekkende functies zoals leisure. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Op basis van de onder 8.9 en 8.13 genoemde ruimtelijke belangen, is in het kader van onderhavig bestemmingsplan ervoor gekozen de uitbreiding van creatieve functies te maximeren. Ten aanzien van het argument dat economische omstandigheden het invullen van creatieve functies op deze wijze niet kunnen rechtvaardigen, is het stadsdeel van mening dat een bestemmingsplan niet is gebaseerd op de korte termijn, maar wordt opgesteld met het oog op een planperiode van tien jaar. De economische omstandigheden in deze planperiode kunnen over enkele jaren weer anders zijn.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Aan de keuze om voor creatieve functies een beperking van het brutovloeroppervlak per vestiging en een maximum aan uitbreiding van creatieve functies binnen het plangebied op te nemen, liggen ruimtelijk-economische belangen ten grondslag. Het stadsdeel dient bij het opstellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de beleidsuitgangspunten ten aanzien van kantoren, creatieve functies en bedrijven (zie pararaaf 4.4.3 van de plantoelichting en de beantwoording onder 8.9). Het is vanuit de ruimtelijke ordening gezien dan ook niet vreemd dat met onderhavig bestemmingsplan de uitbreidingsruimte van creatieve functies op bedrijventerrein Schinkel wordt begrensd. Het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerrein Schinkel 1999 biedt ruimte voor ontwerpbureaus vanaf de tweede bouwlaag en hoger. In dat bestemmingsplan is het begrip ontwerpbureaus niet nader gedefinieerd. Omdat dit bij de toetsing van bouwplannen vaak vragen opriep heeft het dagelijks bestuur daar in 2008 met de Notitie bouwplannen bedrijventerrein Schinkel 2008 nadere invulling aan gegeven. In de notitie worden ontwerpbureaus beschouwd als bedrijfsactiviteit en gelijkgeschakeld met creatieve zakelijke dienstverlening . Onder deze noemer is Schinkel de afgelopen jaren verkleurd van een klassiek bedrijventerrein naar een gemengd terrein waar diverse creatieve functies zich hebben gevestigd.

Deze mix vormt een belangrijke aantrekkingskracht van het bedrijventerrein. Het stadsdeel wenst deze ontstane menging tussen klassieke bedrijven en creatieve functies te continueren en te versterken. Creatieve functies vormen een aanjager voor klassieke economische sectoren zoals financiële en zakelijke dienstverlening. Kleinschalige creatieve bedrijven zijn bij uitstek gericht op het centraalstedelijk milieu binnen de Ringweg A10, omdat interactie met het stedelijk leven met zijn kleinschalige menging van functies en vele ontmoetingsruimten voor hen van wezenlijk belang is. Er zijn belangrijke redenen om juist op bedrijventerrein Schinkel in te zetten op creatieve functies: de transformatie- en verdichtingsopgaven uit de Structuurvisie Amsterdam, de vestiging van kennisbedrijven voor de Zuidas te duur is maar die wel belangrijk zijn voor bedrijven op de Zuidas en de koppeling tussen creatieve en kennisbedrijven met opleidingsinstituten in de buurt. Ook zijn er goede kansen om ruimte voor kleinschalige creatieve functies te combineren met voldoende ruimte voor de klassieke (stadsverzorgende) bedrijven. Uit de Kantorenstrategie Amsterdam blijkt, dat het stimuleringsbeleid voor creatieve ondernemingen maar beperkt effect heeft gehad voor de vestiging van creatieve bedrijven, maar er wel toe heeft geleid dat meer kantoorvloeroppervlak is gerealiseerd op bedrijventerreinen.

Om die reden is de uitzonderingspositie voor creatieve ondernemingen op bedrijventerreinen afgeschaft. Gelet hierop is na overleg daartoe met de centrale stad voor bedrijventerrein Schinkel een maatwerkoplossing gekozen, waarbij geen sprake is van een afschaffing maar een beperking van creatieve functies. In onderhavig bestemmingsplan worden ontwerpbureaus gelijkgeschakeld met de drie categorieën van de creatieve sector: 1) kunsten, 2) media en entertainment en 3) creatieve zakelijke dienstverlening. Deze creatieve functies worden overal mogelijk gemaakt binnen de bedrijfsbestemming. Het bestemmingsplan is daarmee qua gebruiksmogelijkheden aanzienlijk ruimer dan strikt genomen op grond van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Schinkel 1999

mogelijk was. Als bijlage 2 bij de regels is een lijst opgenomen met per categorie de toegestane creatieve functies. Deze lijst heeft in tegenstelling tot wat adressant beweert geen limitatief karakter, maar is bedoeld als richtlijn. In het bestemmingsplan is een algemene afwijkingsmogelijkheid opgenomen om wenselijke nieuwe creatieve functies toe te kunnen voegen en eventueel vergelijkbare creatieve functies toe te staan. Met deze systematiek wordt aangesloten bij andere Amsterdamse bestemmingsplannen. Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze is wel een ambtshalve aanpassing doorgevoerd: in bijlage 2 bij de planregels is de subcategorie overige dienstverlenende activiteiten op gebied van informatie geschrapt, omdat deze subcategorie onbepaald is. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. Wel heeft de zienswijze geleid tot een ambtshalve aanpassing van het bestemmingsplan, met dien verstande dat bijlage 2 bij de planregels is aangepast.

Antwoord: In het bestemmingsplan is ten aanzien van creatieve functies aangesloten op de indeling in drie categorieën zoals die landelijk door Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt gehanteerd. Daarbij is tevens aangesloten op de lijst met creatieve functies bij de planregels zoals ook in andere Amsterdamse bestemmingsplannen is toegepast. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 11.5. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Een onderscheid tussen kantoren en creatieve functies is vanuit een goede ruimtelijke ordening van belang. In paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting is opgenomen waarom specifiek creatieve functies worden toegestaan. In dat kader wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 8.9 en 11.5. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Van strijdigheid met de werking van het verdrag van de Europese Unie en de Dienstenrichtlijn is geen sprake. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich in zijn uitspraak van 12 december 2012 (LJN: BY 5891) nog recent over uitgesproken over de toepasbaarheid van de Dienstenrichtlijn op voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. De conclusie van de Afdeling was dat ingevolge overweging 9 van de Dienstenrichtlijn deze alleen van toepassing is op eisen met betrekking tot de toegang of de uitoefening van een dienstenactiviteit. De Dienstenrichtlijn is niet van toepassing op voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 11.5. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Vooropgesteld: de beperking ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies geldt uitsluitend voor sloop-nieuwbouw en nieuwbouw. Zolang het pand Generaal Vetterstraat 76 niet wordt gesloopt en hier geen nieuw (bedrijfsverzamel)gebouw wordt gerealiseerd, gelden de regels ten aanzien van de maximum vestigingsgrootte voor creatieve functies niet. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.9. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Het bestemmingsplan geeft uitwerking aan het kantorenbeleid zoals opgenomen in de Kantorenstrategie Amsterdam. Het betwisten van effectiviteit van de Kantorenstrategie ligt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. De stelling van adressant dat het onderscheid tussen kantoren en zakelijke dienstverlening ruimtelijk relevant is, is correct. Zoals aangegeven in de Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Stadion- en Beethovenbuurt 2012, hebben beide functies een afwijkend vestigingspatroon en (daarmee samenhangend) een afwijkende ruimtelijke uitstraling: Kenmerkend voor zakelijke dienstverlening is dat de diensten worden aangeboden via een (verkoop)balie en dat de klanten vrij in- en uit kunnen lopen. Zakelijke dienstverlening is voor een (aanzienlijk) deel afhankelijk van langslopend publiek en vestigt zich daarom vaak in winkelstraten. Op deze plekken komt niet alleen voldoende publiek langs, maar het zich vestigen in een winkelstraat heeft als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van een etalage. Dat maakt dat het de ruimtelijke uitstraling van dienstverlening vergelijkbaar is met die van detailhandel. Voor kantoren (zoals een advocatenkantoor) geldt dat de bezoekers veelal op afspraak komen waardoor het kantoor niet afhankelijk is van langslopend publiek.

Een kantoor zal zich daarom in de regel niet in een winkelstraat vestigen en een andere ruimtelijke uitstraling hebben dan zakelijke dienstverlening. Voor zover in een kantoor een balie aanwezig is, is dat een ontvangstbalie en geen balie waarover de diensten worden verkocht. Het bestemmingsplangebied Stadion- en Beethovenbuurt 2012 is met name een woongebied dat is gemengd met winkels en voorzieningen die gericht zijn op de inwoners van het gebied. Bedrijventerrein Schinkel kan niet worden vergeleken met de Stadion- en Beethovenbuurt, omdat hier geen woningen en op bewoners gerichte voorzieningen aanwezig zijn. Op zich is dat geen reden om zakelijke dienstverlening hier uit te sluiten. Echter, hier is eenzelfde afweging als in de Stadion- en Beethovenbuurt niet aan de orde op grond van het beleid in de Structuurvisie Amsterdam en de Kantorenstrategie ten aanzien van bedrijventerrein Schinkel. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid, in die zin dat op het bedrijventerrein geen nieuwe kantoren mogelijk worden gemaakt. Wel is ondersteunende kantoorruimte ten behoeve van het bedrijf toegestaan, zoals opgenomen in artikel 3.4.1 van de planregels. Als het gaat om zakelijke dienstverlening wordt uitsluitend ruimte geboden aan creatieve zakelijke dienstverlening.

Dit is een andere categorie zakelijke dienstverlening dan bedoeld in bestemmingsplan Stadion- en Beethovenbuurt 2012. Daar gaat het om het verlenen van diensten via een (verkoop)balie zoals bij een makelaar, een bankfiliaal, een uitzendbureau en dergelijke. Hierbij gaat het om dienstverlening met een vergelijkbare ruimtelijke uitstraling als detailhandel. In aansluiting op het beleid in de Structuurvisie Amsterdam en Kantorenstrategie Amsterdam is dit niet wenselijk op bedrijventerrein Schinkel. De wijze van bestemmen voor bedrijventerrein Schinkel betekent dat geen vergelijking kan worden gemaakt met de wijze van bestemmen in de Stadion- en Beethovenbuurt. Daarmee ziet

het stadsdeel geen aanleiding om af te wijken van het beleid door zakelijke dienstverlening voor Generaal Vetterstraat 76 toe te staan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, wel is paragraaf 4.4.3 aangevuld.

Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 11.3. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

Antwoord: Bedrijven die zijn opgenomen in de Staat van inrichtingen en vallen binnen de toegestane maximale milieuhindercategorie zijn toegestaan. De Staat van inrichtingen, die het planologisch toetsingskader vormt voor het al dan niet toelaten van een nieuw bedrijf, is gebaseerd op de bedrijvenlijst van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Voor bedrijven die niet op de lijst voorkomen of bedrijven uit een hogere categorie maar een beperkte milieubelasting zijn daarom afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Er is in dergelijke gevallen een nader afwegingsmoment gewenst. Het bij recht afwijken van de Staat van inrichtingen is met oog op rechtszekerheid dan ook niet wenselijk. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.

12.

Zienswijze 12

Antwoord: Zolang er, na het vertrek van de huidige huurder geen sprake is van sloop-nieuwbouw of nieuwbouw vormt het bestemmingsplan geen belemmering voor het contracteren van een nieuwe huurder uit de creatieve sector voor het gehele pand. Het bestaande gebruik wordt dan immers niet gewijzigd. Zie verder de beantwoording onder 9.1. De bestaande parkeergarage in de eerste bouwlaag op het perceel Generaal Vetterstraat 82 is vergund. Om die reden is het bestemmingsplan op dit onderdeel aangepast door het parkeren in de eerste bouwlaag als zodanig toe te staan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat op de verbeelding een functieaanduiding parkeergarage is toegevoegd, artikel 3.1 onder j van de planregels is aangepast en paragraaf 11.4 van de plantoelichting dienovereenkomstig is aangepast.

Antwoord: De opmerking van adressant is gegrond. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 9.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 20.3 sub is geschrapt. Tevens is paragraaf 11.4 van de plantoelichting aangepast.

Antwoord: De beperking ten aanzien van het uitsluiten van creatieve functies op de begane grond geldt niet voor het gerealiseerde bouwplan Generaal Vetterstraat 82. Dit is verduidelijkt door de planregels op dit onderdeel aan te passen. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verder verwezen naar de beantwoording onder 8.4. Ook de bestaande parkeergarage wordt positief bestemd (zie de beantwoording onder 12.1). Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat in de planregels artikel 3.1 onder j is aangepast en artikel 3.4.2 (nieuw) sub a is toegevoegd.

Antwoord: Op 11 augustus 2008 heeft de adressant een aanvraag om reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een bedrijfsverzamelgebouw voor het perceel Generaal Vetterstraat 78-80. Op 16 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur deze aanvraag onder kenmerk 126-6279 vergund. Belangrijke voorwaarde die aan de bouwvergunning eerste fase is gekoppeld heeft betrekking op de termijn waarbinnen een aanvraag bouwvergunning tweede fase wordt ingediend. Bij het verlenen van een bouwvergunning in twee fasen bestaat namelijk het risico dat een bouwplan dat in de eerste fase instemming heeft gekregen, door wijziging van de ruimtelijke voorschriften in de loop der tijd niet meer voldoet aan de voorschriften waaraan in de eerste fase is getoetst. Als voorwaarde in de vergunning is daarom gesteld dat de bouwvergunning eerste fase van rechtswege komt te vervallen als niet binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van de bouwvergunning eerste fase een aanvraag bouwvergunning tweede fase is ingediend (artikel 56a lid 7 Woningwet). Aangezien geen aanvraag bouwvergunning tweede fase bij het stadsdeel ingediend, is de bouwvergunning eerste fase van rechtswege komen te vervallen.

Omdat de bouwvergunning eerste fase geen rechtskracht meer heeft, zal een volledig nieuwe aanvraag omgevingsvergunning moeten worden ingediend om de beoogde sloopnieuwbouw voor Generaal Vetterstraat 78-80 te kunnen realiseren. Vanwege het feit dat adressant al sinds een aantal jaren bezig is met planontwikkeling voor perceel Generaal Vetterstraat 78-80 en een bouwvergunning eerste fase was verleend is het dagelijks bestuur van mening dat de planontwikkeling vergevorderd is dat het niet redelijk is om vast te houden aan de wijze waarop de bouw- en gebruiksregels thans voor dit perceel zijn opgenomen. Het bestemmingsplan wordt daarom aangepast in die zin dat het bouwplan door het opnemen van enkele specifieke afwijkingsbepalingen alsnog vergunbaar is. Daarmee geeft het dagelijks bestuur blijk rekening te willen houden met de belangen van adressant, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt dat uitsluitend de vergunde bouwplannen conform de verleende vergunning met een directe bouwtitel in het bestemmingsplan worden opgenomen.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan, met dien verstande dat: - op de verbeelding de functieaanduiding parkeergarage is toegevoegd; - in de planregels artikel 3.1 onder j is aangepast, 3.3.1 (nieuw) sub b en 3.4.2 (nieuw) sub d zijn toegevoegd en artikel 3.5.2 (nieuw) sub a is aangepast; - in de plantoelichting paragrafen 4.4.3 en 11.4 dienovereenkomstig zijn aangevuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16101234/1