CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Bijlagen rapport Benchmark Begroting Amsterdam

Raadscommissie Financiën, Kunst en Diversiteit 11 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van het rapport 'Geobjectiveerde benchmark begroting Amsterdam' (VN2024-009419)22.100 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

10

1

0

hogere uitgaven door veel cliënten, ondanks lange wachttijd

De netto* uitgaven aan maatschappelijke opvang (incl. GGZ, zie ook bijlage) zijn in Amsterdam zo’n 58 euro per inwoner hoger dan het referentiegemiddelde. In de tabel is te zien dat Amsterdam relatief veel mensen binnen de regio gebruik maken van maatschappelijke opvang, ondanks de wachtlijst en de lange gemiddelde wachttijd voor de reguliere opvang. Gerelateerd aan het inwonertal van de regio is het aantal cliënten met maatwerkarrangementen voor maatschappelijke opvang in Amsterdam ruim 10 keer zo groot als in het referentiegemiddelde.** Wanneer deze verhouding van toepassing is op alle cliënten, zou dat betekenen dat de gemiddelde kosten van maatschappelijke opvang per cliënt in Amsterdam relatief laag zijn. Dit zou verklaard kunnen worden door schaalvoordelen, wanneer met grootschalige voorzieningen aan veel mensen opvang kan worden geboden. door de organisatie aangedragen verklaringen

Als mogelijke verklaring voor de hogere uitgaven is door de organisatie aangedragen dat Amsterdam extra (bovenwettelijke) voorzieningen biedt die andere gemeenten niet zouden aanbieden. Daarnaast is gewezen op de aanzuigende werking van het ruimhartige beleid van Amsterdam. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de kenmerken c.q. samenstelling en herkomst van de cliënten van maatschappelijke opvang. Wel is een inventarisatie gemaakt van de extra voorzieningen.

Door de organisatie is aangegeven dat Amsterdam de volgende bovenwettelijke voorzieningen aanbiedt: • langdurige winteropvang (niemand slaapt op straat): 7 euro per inwoner • opvang van ongedocumenteerden: 13 euro per inwoner • noodopvang van gezinnen (deels in hotels): 10 euro per inwoner • maatschappelijk gezondheidszorg (geïntegreerde voorzieningen): 2 euro per inwoner • In totaal geeft Amsterdam 31 euro per inwoner uit aan deze extra voorzieningen. Uit navraag blijkt dat de referentiegemeenten deze voorzieningen meestal ook aanbieden. Twee referenties bieden winteropvang gedurende 4-5 maanden. Ook wordt in twee referenties opvang geboden aan ongedocumenteerden. Alle referenties hebben plekken voor noodopvang van gezinnen, soms ook in hotels. Drie van de vier referenties hebben methadonvoorzieningen. Wel is het aantal voorzieningen in de referentiegemeenten vaak lager dan in Amsterdam. Het aantal opvangplekken per inwoner in de regio ligt in de referenties gemiddeld op circa een kwart van Amsterdam en bij ongedocumenteerden is dat bijna de helft. Alleen bij de noodopvang van gezinnen hebben de referenties gemiddeld een vergelijkbaar aantal plekken. De meeste referenties konden de kosten voor deze extra voorzieningen niet specificeren. In enkele gevallen waarin specificatie wel mogelijk was gaat het om vergelijkbare uitgaven per inwoner als in Amsterdam.

Aangezien de referenties wel vergelijkbare extra voorzieningen bieden maar met relatief minder plekken dan Amsterdam, gaan we er van uit dat circa 50% van de uitgaven van Amsterdam aan deze extra voorzieningen (circa 15 euro per inwoner) als verklaring kan dienen voor het verschil in uitgaven ten opzichte van het referentiegemiddelde.

* De uitgaven zijn gesaldeerd voor taakgerelateerde inkomsten, zoals Blokhuismiddelen en bijdragen van zorgverzekeraars. ** Dit zijn de enige MO-cliënten waarvoor betrouwbare CBS-registraties beschikbaar zijn.

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

41

In Amsterdam ook hogere uitgaven bij beschermd wonen geen gegevens om aanzuigende werking te onderbouwen

Uit een monitor MO en BW van Amsterdam uit 2017 bleek dat destijds circa 15% van de aanmeldingen voor opvang in Amsterdam uit andere gemeenten kwam. Volgens de organisatie is deze informatie niet voor recente jaren beschikbaar.* Zowel referentie C als D maken melding van een aanzuigende werking van de opvang die zij bieden. Daarom hebben zij afspraken gemaakt over opvang in de regiogemeenten, omdat daar bijvoorbeeld meer en/of goedkopere huisvesting beschikbaar is. deels zelfde doelgroep als beschermd wonen

Naast maatschappelijke opvang biedt de gemeente ook beschermd wonen aan dat deels op dezelfde doelgroepen betrekking heeft (dak- en thuislozen, vaak met psychische of psychosociale problematiek en/of verslaving). Daarom zijn ook de uitgaven en kengetallen voor beschermd wonen in beeld gebracht. referenties beschermd wonen

Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

113

102

123

120

76

91

aantal cliënten per 1.000 inwoners regio

1,8

1,9

2,0

2,7

1,8

1,1

gemiddelde wachttijd in maanden

15

10

6

0

20

13

netto uitgaven per inwoner kengetallen om uitgaven te duiden

In de tabel is te zien dat de uitgaven aan beschermd wonen in Amsterdam ruim 10 euro per inwoner hoger zijn dan het referentiegemiddelde, terwijl het aantal cliënten in Amsterdam iets onder het referentiegemiddelde ligt. Dit betekent dat de kosten van beschermd wonen per cliënt in Amsterdam relatief hoog zijn.

maatschappelijke opvang als (tijdelijk) alternatief voor beschermd wonen

Wanneer mensen in afwachting zijn van beschermd wonen, maken ze vaak gebruik van maatschappelijke opvang. Dit kan gedurende langere tijd het geval zijn, gezien de lange wachttijden voor beschermd wonen. Sommige gemeenten zetten bewust in op minder dure zorg voor de doelgroep van beschermd wonen (ambulantisering zorg, beschermd thuis). Daarom zijn de uitgaven voor beide zorgvormen vaak communicerende vaten: weinig cliënten en uitgaven bij beschermd wonen leidt tot veel cliënten en uitgaven bij opvang en omgekeerd. netto uitgaven per inwoner totaal MO en BW

referenties Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

maatschappelijke opvang

149

91

61

82

100

119

beschermd wonen

113

102

123

120

76

91

totaal MO en BW

262

193

185

202

176

210

uitgaven Amsterdam hoog op beide zorgvormen

In de bovenstaande tabel zijn de uitgaven aan maatschappelijke opvang en beschermd wonen onder elkaar gezet. Bij de referentiegemeenten is inderdaad sprake van communicerende vaten, waar hoge en lage uitgaven op beide onderdelen elkaar compenseren. Alleen in Amsterdam zijn de uitgaven op beide onderdelen relatief hoog. Bij maatschappelijke opvang wordt dit vooral verklaard door het grote aantal cliënten, bij beschermd wonen zijn vooral de kosten per cliënt hoog.

De krappe woningmarkt kan hiervoor een verklaring zijn. Hierdoor is de component huisvesting bij beschermd wonen in Amsterdam een belangrijke kostenverhogende factor. Bovendien is de doorstroming op de woningmarkt slecht, wat kan bijdragen aan de relatief lange wachttijd.

* Uit recente gegevens voor beschermd wonen blijkt dat in Amsterdam 7% van de cliënten beschermd wonen van buiten de regio komt, terwijl dit in de referenties het dubbele is.

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

42

Conclusie maatschappelijke opvang en beschermd wonen veel gebruik maatschappelijke opvang door ruimhartig beleid

Ondanks de lange wachttijd maken in Amsterdam relatief zeer veel mensen gebruik van maatschappelijke opvang, waardoor de uitgaven hoog zijn. Per inwoner van de regio is het aantal geregistreerde cliënten maatschappelijke opvang in Amsterdam ruim 10 keer zo groot als in het referentiegemiddelde. Van het ruimhartige beleid zou een aanzuigende werking uit kunnen gaan, ook op inwoners van andere gemeenten. In hoeverre dit laatste in Amsterdam afwijkt van de situatie in de referenties kan niet worden aangetoond, omdat recente data hiervoor ontbreken. Amsterdam ontvangt relatief veel middelen voor centrumfunctie

In dit verband wordt opgemerkt dat in de benchmark rekening is gehouden met de regionale functie van centrumgemeenten, zoals Amsterdam en de referenties. Centrumgemeenten ontvangen ook middelen voor maatschappelijke opvang in de regio. Hierbij speelt de verdeelmaatstaf centrumfunctie – naast andere kostenbepalende kenmerken – een belangrijke rol. Mede daardoor ontvangt Amsterdam duidelijk meer middelen voor maatschappelijke opvang dan de referentiegemeenten.

Amsterdam relatief klein is, waardoor er minder ‘uitwijkmogelijkheden’ zijn dan in de referentiegemeenten. Daarnaast wordt door enkele referenties ingezet op preventie en inzicht in de (veranderende) doelgroep en oorzaken van de zorgvraag. De aanpak kenmerkt zich door maatwerk en effectieve samenwerking met betrokken partijen binnen en buiten de gemeente. Voor besluitvorming over specifieke voorzieningen worden soms maatschappelijke kostenbatenanalyses uitgevoerd. Bij beschermd wonen is het beleid om uitgaven te beperken en beter passende hulp te bieden gericht op ambulantisering van het zorgaanbod. Door maatwerk te bieden afgestemd op de specifieke situatie van een cliënt, kan soms dure zorg in de vorm van beschermd wonen worden vervangen door minder dure ambulante zorg (beschermd thuis). Daarbij is vaak sprake van integrale sturing en bekostiging via maatwerkarrangementen, waarin zowel voorzieningen van maatschappelijke opvang als beschermd wonen zijn opgenomen.

beoordeling uitgaven vraagt om meer inzicht

Om te kunnen beoordelen in hoeverre het grote beroep op maatschappelijke opvang in Amsterdam het gevolg is van bewuste keuzes, is het nuttig om inzicht te hebben in de samenstelling van het cliëntenbestand in relatie tot de uitgaven. Dit betreft met name cliënten maatschappelijke opvang, waarvoor momenteel alleen cliënten met een maatwerkarrangement in beeld zijn. Het zou interessant zijn om meer inzicht te hebben in de samenstelling van de totale cliëntpopulatie (bijvoorbeeld naar groepsgrootte, met/zonder huisvesting en type opvang). Deze inzichten dienen vervolgens wel gekoppeld te worden aan de beoogde rol van maatschappelijke opvang in de hele zorgketen. Zodat beoordeeld kan worden in hoeverre de middelen voor maatschappelijke opvang optimaal worden ingezet om de beleidsdoelstellingen in het sociaal domein te realiseren. mogelijkheden voor beheersing uitgaven

Referentiegemeenten weten de uitgaven aan maatschappelijke opvang te beperken door een beroep te doen op gemeenten in de regio, waar bijvoorbeeld meer en/ of goedkopere huisvesting beschikbaar is. Kanttekening hierbij is dat de regio van

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

43

Iets hogere uitgaven jeugdhulp Amsterdam veel jeugdhulptrajecten starten vanuit crisissituatie

referenties jeugdhulp netto uitgaven per inwoner

Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

280

270

234

270

275

301

1,1%

2,3%

0,9%

0,1%

6,7%

1,4%

kengetallen om uitgaven te duiden ontwikkeling cliënten/jongeren 2017-2022 aantal cliënten per 1.000 jongeren

143

148

168

145

120

160

% trajecten gestart met crisis

4,9%

2,5%

1,5%

4,0%

2,8%

1,8%

nee

zacht

zacht

nee

budgetplafond

ja

iets hogere uitgaven

Op de eerste regel in de tabel is te zien dat in 2023 de netto uitgaven van Amsterdam iets hoger zijn dan het referentiegemiddelde. Op de onderste regel in de tabel is te zien dat Amsterdam als enige een ‘hard’ budgetplafond* hanteert, overigens niet bij alle onderdelen van jeugdhulp. Twee referenties hanteren een ‘zacht’ budgetplafond. Daarbij worden budgetten voor zorgaanbieders vooraf wel afgestemd op een maximum aantal cliënten, maar in urgente situaties wordt wel extra budget beschikbaar gesteld. De referentie met de laagste uitgaven hanteert geen budgetplafond.

Opvallend is het verschil in het percentage cliënten dat vanuit een crisissituatie instroomt in de jeugdhulp: dat ligt in Amsterdam duidelijk hoger dan bij de referenties (bron: CBS). Dit kan betekenen dat in Amsterdam crisissituaties vaker voorkomen of ontstaan doordat het langer duurt voordat jongeren jeugdhulp krijgen, waardoor hun situatie is verslechterd en het zorgtraject wellicht langer en duurder wordt. lagere uitgaven mogelijk

Referentiegemeente A laat zien dat het mogelijk is om duidelijk lagere uitgaven te realiseren zonder een budgetplafond te hanteren. In deze gemeente krijgt zelfs een groter deel van de jongeren jeugdhulp, maar blijkbaar zijn de uitgaven per cliënt in deze gemeente substantieel lager. Verder valt op dat het aantal trajecten dat vanuit een crisissituatie start, in referentie A het laagst is. Wellicht weet referentie A veel jongeren sneller adequate hulp te bieden, zodat hun problematiek minder kans krijgt om te escaleren. door organisatie aangedragen verklaringen voor verschillen

Het deel van de jongeren dat jeugdhulp krijgt, is de afgelopen jaren in Amsterdam iets minder toegenomen dan het referentiegemiddelde.

Om de verschillen tussen gemeenten in hun uitgaven voor jeugdhulp te kunnen duiden, zijn door de organisatie de volgende suggesties aangedragen: • inzicht in de samenstelling van het cliëntenbestand ingedeeld naar zorgzwaarte • het onderscheiden van jeugdhulp met en zonder verblijf • in relatie tot het budgetplafond is het interessant om te zien in welke mate dit leidt tot wachtlijsten en langere wachttijden voor jeugdhulp

Momenteel is het aantal jongeren met jeugdhulp in Amsterdam ongeveer gelijk aan het referentiegemiddelde. Dit betekent dat het hogere uitgavenniveau van Amsterdam voornamelijk wordt verklaard door relatief hoge uitgaven per cliënt.

De specificatie van cliënten naar zorgzwaarte is door Amsterdam niet aangeleverd. Voor de andere suggesties is wel informatie ontvangen. De uitkomsten worden gepresenteerd op de volgende pagina’s.

(ontwikkeling) aantal jongeren met jeugdhulp gemiddeld

Hierbij wordt opgemerkt dat in de benchmark rekening wordt gehouden met diverse (sociale en economische) kenmerken van gemeenten die van invloed zijn op de kosten van jeugdhulp (zie bijlage).

* In de vorm van taakgerichte lumpsumfinanciering

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

44

Iets hogere uitgaven jeugdhulp zonder verblijf per cliënt, ondanks groot aandeel wijkteams groot deel jeugdhulp aangeboden door wijkteams

referenties jeugdhulp zonder verblijf

Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

199

194

193

198

189

197

aantal cliënten per 1.000 jongeren

136

143

165

142

115

151

gemiddelde duur jeugdhulp in dagen

479

414

414

334

393

517

wachtlijst in % cliënten

3%

% trajecten door wijkteam

38%

netto uitgaven per inwoner kengetallen om uitgaven te duiden

1% 24%

62%

19% 35%

1%

0%

hogere uitgaven jeugdhulp zonder verblijf

Het grootste deel van de uitgaven heeft betrekking op jeugdzorg zonder verblijf. In de bovenstaande tabel is te zien dat de uitgaven aan jeugdhulp zonder verblijf in Amsterdam hoger zijn dan in de referentiegemeenten. Het aantal jongeren dat jeugdhulp zonder verblijf krijgt, ligt in Amsterdam iets onder het referentiegemiddelde. Dit betekent dat de uitgaven per cliënt met jeugdhulp zonder verblijf in Amsterdam relatief hoger zijn. relatief lange zorgduur zonder verblijf

In de onderste regel van de tabel is te zien dat in Amsterdam relatief veel trajecten door wijkteams worden uitgevoerd. In referentie A – met de laagste uitgaven – worden relatief nog meer trajecten via de wijkteams uitgevoerd. Referentie C en D hebben er voor gekozen om vrijwel geen jeugdhulp via de wijkteams aan te bieden. Bij de decentralisatie van de jeugdhulp werd veronderstelt dat eerstelijnszorg via wijkteams kwalitatief beter is en ook goedkoper wanneer hiermee dure tweedelijnszorg kan worden voorkomen. Het is dan wel van belang om de situatie van de jongeren goed in te schatten en daar het zorgaanbod op af te stemmen. Wanneer jongeren te lang basiszorg via wijkteams krijgen, terwijl eigenlijk zwaardere specialistische hulp nodig is, is dit uiteindelijk duurder. De basiszorg en wijkteams zijn buiten de scope van deze benchmark gebleven. Overigens is percentage trajecten dat via wijkteams wordt uitgevoerd in Amsterdam de afgelopen jaren gedaald. In 2017/2018 lag dit nog boven de 50%. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet wordt herkent door de organisatie, omdat het OKT hogere percentages opgeeft. Bij het referenties is dit percentage redelijk stabiel in de tijd.

In de tabel is te zien dat de gemiddelde duur van jeugdhulptrajecten zonder verblijf in Amsterdam langer is dan in 3 van de referenties. Dit kan betekenen dat de problematiek van cliënten in Amsterdam zwaarder is of dat cliënten geen adequate hulp krijgen. Aangezien dit kengetal sterk kan fluctueren tussen de jaren, is in de tabel de gemiddelde zorgduur in 2021/2022 opgenomen (bron: CBS). weinig bruikbare informatie over wachtlijsten en –tijden beschikbaar

De meeste referenties kunnen geen bruikbare informatie aanleveren over wachtlijsten en wachttijden voor jeugdhulp zonder verblijf. Soms worden gegevens met uiteenlopende definities geregistreerd door verschillende zorgaanbieders per wijk, waardoor geen goed beeld op gemeentelijk niveau gegeven kan worden. Referentiegemeente C geeft aan een forse wachtlijst te hebben als gevolg van personeelstekort.

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

45

Jeugdhulp met verblijf kan goedkoper, wellicht door investeringen in jeugdhulp zonder verblijf referentie A als voorbeeldgemeente?

referenties jeugdhulp met verblijf

Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

80

76

42

72

86

104

11,6

11,1

5,8

12,0

9,1

17,6

gemiddelde duur jeugdhulp in dagen

708

483

407

637

wachtlijst in % cliënten

0,3%

netto uitgaven per inwoner kengetallen om uitgaven te duiden aantal cliënten per 1.000 jongeren

427

464

10,2%

0,0%

hogere uitgaven jeugdhulp met verblijf

In de bovenstaande tabel is te zien dat de uitgaven van Amsterdam aan jeugdhulp met verblijf iets hoger zijn dan gemiddeld. Dit wordt verklaard door het grotere aantal cliënten met verblijf per 1.000 jongeren in Amsterdam. Met name bij referentie A ontvangen relatief veel minder jongeren jeugdhulp met verblijf.

Bij referentie A valt op dat daar de uitgaven aan jeugdhulp relatief laag zijn, vooral aan jeugdhulp met verblijf. In deze gemeente maken relatief veel jongeren gebruik van jeugdhulp zonder verblijf door de wijkteams en starten relatief weinig trajecten vanuit een crisissituatie. Dit wijst op snelle hulp waardoor escalatie van problematiek wordt voorkomen en de gemiddelde trajectduur van (dure) jeugdhulp met verblijf beperkt kan blijven. Overigens beperkt een effectieve aanpak van jeugdproblematiek zich niet alleen tot hulp met en zonder verblijf, maar kan ook het aanbod van basisvoorzieningen een belangrijke rol spelen evenals het functioneren van de wijkteams.

fors langere zorgduur met verblijf

De gemiddelde duur van jeugdhulp met verblijf (2021/2022, bron CBS) is in Amsterdam duidelijk langer dan in de referentiegemeenten. Dit betekent dat jongeren in Amsterdam relatief lang dure hulp met verblijf krijgen (gemiddeld bijna 2 jaar). In referentie A is de gemiddelde zorgduur het kortst (ruim 1 jaar). Wellicht zijn trajecten ook langer dan elders vanwege gebrekkige doorstroming naar (begeleid) wonen. passende hulp zonder verblijf om dure hulp met verblijf te beperken

De transformatie in het sociaal domein is er op gericht om (potentiële) cliënten vroegtijdig passende hulp te bieden, zodat escalatie van problematiek kan worden voorkomen en zorgkosten beperkt kunnen blijven. Dit betekent dat jongeren zoveel mogelijk geholpen moeten worden met relatief goedkope hulp zonder verblijf, om te voorkomen dat ze later dure hulp met verblijf nodig hebben. Dit vraagt wel om extra investeringen in jeugdhulp zonder verblijf.

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

46

Amsterdam begroot voor komende jaren fors lagere uitgaven jeugdhulp

Meerjarig beeld Jeugdhulp

netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties

In het diagram is te zien dat het uitgavenniveau van Amsterdam in de afgelopen jaren iets boven het gemiddelde van de referenties ligt. Voor de komende jaren worden in Amsterdam fors lagere uitgaven aan jeugdhulp begroot: gemiddeld circa 100 euro per inwoner minder dan in 2023. Dit is het effect van een taakstelling van circa 75 euro per inwoner in navolging van de landelijke korting op de middelen die via het gemeentefonds worden verstrekt voor jeugdzorg. Daarnaast begroot Amsterdam lagere uitgaven aan enkelvoudig specialistische jeugdhulp (circa 18 euro per inwoner) en de lumpsum zorg in natura (circa 11 euro per inwoner). Overigens is de omvang van deze taakstelling in de voorjaarsnota 2023 neerwaarts bijgesteld. De referentiegemeenten begroten voor de komende jaren ook lagere uitgaven, echter niet zoveel lager als Amsterdam. Wanneer de voorgenomen bezuinigingen daadwerkelijk worden gerealiseerd, komen de uitgaven van Amsterdam fors lager uit dan de referentie met de laagste uitgaven. Gezien de bevindingen van deze benchmark is het de vraag hoe realistisch dit is. Welke specifieke maatregelen maken dat een besparing van dergelijke omvang in enkele jaren ook daadwerkelijk haalbaar is en wat zijn de verwachte consequenties voor de uitgaven en kwaliteit van de jeugdhulp (en/of eventuele vervangende voorzieningen in bijvoorbeeld sociale basis of minimabeleid) op langere termijn?

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

47

Conclusie jeugdhulp mogelijkheden voor beheersing uitgaven

Referentie A laat zien dat het mogelijk is om duidelijk lagere uitgaven te realiseren. Deze gemeente biedt relatief veel jeugdhulp zonder verblijf aan, waarvan een groot deel via de wijkteams. De trajectduur bij jeugdhulp met verblijf is in deze gemeente het laagst. Deze gemeente heeft aangegeven geen budgetplafond te hanteren. Voor het totaal van jeugdhulp liggen de uitgaven van referentie A circa 46 euro per inwoner lager dan in Amsterdam. In het kader van dit onderzoek is geen informatie verzameld over de kwaliteit van jeugdhulp en de relatie met uitgaven op andere taakgebieden van het sociaal domein. Tegen deze achtergrond is het de vraag hoe realistisch de omvangrijke bezuinigingen zijn die Amsterdam in de meerjarenbegroting heeft opgenomen.

in elke wijk. Deze wijken hebben uiteenlopende transformatie opgaven: van kostenbesparing tot het vergroten van het bereik van jeugdhulp. Met behulp van dit model beoogt de gemeente een eerlijke verdeling van de jeugdhulp over de stad te bewerkstelligen en te monitoren. Het model biedt de gemeente ook houvast bij de aanbesteding en samenwerking met zorgaanbieders. Tevens krijgt het model een regionale component die de gemeente geobjectiveerd inzicht biedt in de interactie met regiogemeenten bij de uitvoering van de jeugdhulpverlening. Daarmee biedt dit model de gemeente een referentiekader voor een adequate sturing op budget en prestaties (meer ‘soft control’ in plaats van een hard budgetplafond).

Veel gemeenten worstelen met de uitdaging om de uitgaven te beheersen en toch adequate jeugdhulp te bieden. In dit verband hebben enkele referentiegemeenten een onderscheidende aanpak ontwikkeld, die hieronder kort wordt toegelicht. verdere transformatie in het kader van de hervormingsagenda jeugd

Het beleid van gemeente A wordt gekenmerkt door de volgende speerpunten: • veel aandacht voor preventie, waarbij de wijkteams een belangrijke rol spelen om de vraag naar jeugdhulp zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken • investeren in samenwerking in de keten, voor de juiste hulp op de juiste plek op het juiste moment • aandacht voor vernieuwing gericht op meer effectieve jeugdhulp en het efficiënt inzetten van jeugdhulp als ondersteunende oplossing voor sociale problematiek Deze gemeente heeft dit beleid vrij snel na de decentralisatie van de jeugdzorg ingezet en consequent doorgevoerd. De genoemde speerpunten spelen ook een belangrijke rol in de samenwerking tussen deze gemeente en zorgaanbieders in het kader van de hervormingsagenda. ontwikkeling objectief budgetmodel jeugdhulp op wijkniveau

Een andere referentiegemeente is bezig met de ontwikkeling van een objectief budgetmodel voor jeugdhulp. Daarmee worden zorgvraag en kosten van jeugdhulp op wijkniveau geobjectiveerd op basis van de specifieke kenmerken van de populatie Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

48

Lagere uitgaven aan hulp bij huishouden door omvangrijke en langdurige wachtlijst verdere bezuinigingen Amsterdam

referenties hulp bij huishouden netto uitgaven per inwoner

Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

63

93

48

83

114

126

kengetallen om uitgaven te duiden aantal cliënten per 1.000 inwoners

19

26

19

26

29

29

wachtlijst in % cliënten

7%

2%

4%

0%

0%

3%

8

2

4

0

0

4

gemiddelde wachttijd in maanden

relatief lage uitgaven door grote wachtlijst met lange wachttijd

In de afgelopen jaren heeft Amsterdam bezuinigd op hulp bij huishouden. Voor de komende jaren begroot Amsterdam verdere verlaging van de uitgaven (met circa 8 euro per inwoner). De referentiegemeenten begroten voor de komende jaren gemiddeld gelijk blijvende uitgaven aan hulp bij huishouden. Referentie D overweegt voor de komende jaren een budgetplafond. Overigens laat referentie A zien dat bij vergelijkbare cijfers over het relatieve aantal cliënten, wachtlijsten en wachttijden, nog lagere uitgaven mogelijk zijn.

Op het onderdeel hulp bij huishouden ligt het uitgavenniveau van Amsterdam lager dan in 3 van de referentiegemeenten. Ten opzichte van het referentiegemiddelde zijn de uitgaven in Amsterdam 30 euro per inwoner lager. Dit wordt voornamelijk verklaard doordat in Amsterdam relatief weinig inwoners hulp bij huishouden ontvangen. Dit kan in beperkte mate worden verklaard door de omvangrijke wachtlijst met een relatief lange wachttijd in Amsterdam. Volgens de organisatie hangt deze wachtlijst samen met personeelstekorten bij zorgaanbieders. Wellicht worden een deel van de potentiële cliënten voor hulp bij huishouden geholpen via basisvoorzieningen (dit blijft buiten scope in deze benchmark). Alle gemeenten maken melding van de aanzuigende werking van het abonnementstarief dat binnenkort wordt afgeschaft. De financiële effecten hiervan konden niet worden gekwantificeerd. geen objectieve informatie over kwaliteit dienstverlening

Er zijn geen objectieve gegevens over de kwaliteit van de dienstverlening. Wel laten gemeenten soms periodiek onderzoek doen naar cliëntervaringen, waarbij vaak ook wordt gevraagd naar de kwaliteit van de dienstverlening. Bij referenties B en D geven cliënten aan erg tevreden te zijn. Amsterdam heeft voor het laatste in 2019 zo’n onderzoek laten uitvoeren, met een vergelijkbare uitkomst.

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

49

Programma 6: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving

taakonderdeel

toelichting

6.1

Welzijns- en opbouwwerk

Welzijnsaccommodaties, buurtcentra, algemeen en sociaal-cultureel werk (SCW) gericht op samenlevingsopbouw, ontmoeting, sociale samenhang/cohesie, gehandicaptenbeleid, flankerend ouderen-/seniorenbeleid, burgerparticipatie, burgerinitiatieven, maatschappelijke & sociale participatie, burgerraad, inwonerspanel

Maatschappelijke dienstverlening

Informele zorg(netwerken), sociaal makelaars, coördinatie vrijwillige thuis en mantelzorg (CVTM), mantelzorgcompliment, algemeen maatschappelijk werk, maatschappelijke diensten (maaltijdenservice, thuisadministratie, boodschappenservice, alarmering, klussenhulp, telefonische hulpdiensten, sociaal raadslieden / juridische ondersteuning, pakketmaatregel Awbz), collectieve zorgverzekering

Algemene voorzieningen

Beleidsontwikkeling (WMO), subsidie coördinatie, toezicht en handhaving kinderopvang, jeugd en jongerenwerk (incl. accommodaties), huiswerkbegeleiding, schoolmaatschappelijk werk, kinderopvang op basis van sociaal-medische indicatie, maatschappelijke stages, jongerenparticipatie, inburgering/minderheden, vluchtelingenhulp, noodopvang vluchtelingen, Wmo-raad / adviesraad sociaal domein

Publieke gezondheid

Publieke gezondheidszorg, gezondheidsbevordering, bevordering eerstelijnszorg, algemene bijdrage GGD, zorgvernieuwingsprojecten GGz, infectieziektebestrijding, AED, gezond in de stad (GIDS), basistakenpakket, jeugd en gezin (excl. toegang jeugd), jongeren op gezond gewicht (JOGG), bestrijding overgewicht, prenatale zorg, ambulancevoorzieningen.

Basisvoorzieningen

6.2

Wijkteams

Wijkteams

Wmo loketten, wijk-/dorpenteams wmo, cliëntenondersteuning, huisbezoeken, voorlichting, advies, loket CJG (centra jeugd en gezin), jeugd en gezinsteams (CJG), cliëntondersteuning, vroegsignalering, vangnet jeugd, zorgcoördinatie risicokinderen, praktijkondersteuning huisartsen (POH-er)

6.3

Individuele voorzieningen

Hulpmiddelen

Individueel vervoer, aanvullend openbaar vervoer, rolstoelen, woningaanpassingen

Hulp bij huishouden

Zorg in natura incl. PGB

Aanvullende voorzieningen

Ambulante begeleiding, persoonlijke verzorging, incl. respijtzorg, kortdurend verblijf en PGB

Maatschappelijke opvang

Beschermd verblijf en beschermd thuis, incl. PGB

Beschermd wonen

Dak- en thuislozen, dag/nachtopvang, crisisopvang, bed-bad-brood regeling, openbare geestelijke gezondheidszorg, verwarde personen, bemoeizorg, vangnet en advies, zorg en overlast, lokale zorgnetwerken, opvang ex-gedetineerden, inloopfunctie GGZ, prostitutiebeleid, huisuitzettingen, verslavingspreventie en ambulante verslavingshulp

Vrouwenopvang

Vrouwenopvang, huiselijk geweld

Jeugdbescherming

Jeugdbescherming, kindermishandeling (Veilig Thuis), jeugdreclassering en crisisinterventie

Jeugdhulp

Ambulant en met verblijf, incl. PGB

Algemene uitvoeringskosten jeugd

Uitvoeringskosten van de gemeente voor zover die niet direct toe te rekenen is aan bovenstaande onderdelen, zoals management en – ondersteuning, ICT team services en data, accommodaties en contractmanagement. Exclusief de kosten van de wijkteams

Algemene uitvoeringskosten Wmo

Uitvoeringskosten van de gemeente voor zover die niet direct toe te rekenen is aan bovenstaande onderdelen, zoals management en – ondersteuning, ICT team services en data, accommodaties en contractmanagement. Exclusief de kosten van de wijkteams

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

50

Programma 6: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties (reguliere taken) structuurkenmerken per inwoner Adam=100 inwoners

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

43,3%

100

100

100

100

100

100

omgevingsadressendichtheid

18,9%

63

77

51

58

54

62

inwoners met migratieachtergrond

18,8%

110

102

68

34

47

47

regionale centrumfunctie

17,9%

110

93

106

116

67

67

suppletie herijking (tijdelijk)

0,8%

166

623

126

-548

80

-44

DU personen met verward gedrag

0,2%

158

141

202

151

180

315

kernen

0,0%

66

21

54

301

48

31

100,0%

97

99

86

78

75

76

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

huishoudens met laag inkomen

77,9%

113

92

70

98

84

82

regionale centrumfunctie

25,7%

110

93

106

116

67

67

omgevingsadressendichtheid

-25,7%

63

77

51

58

54

62

jongeren

15,0%

112

119

118

88

121

91

schaalbedrag

5,8%

0

0

0

0

0

0

suppletie herijking (tijdelijk)

1,0%

166

623

126

-548

80

-44

TOTAAL basisvoorzieningen

structuurkenmerken per inwoner Adam=100

DU voogdij 18+

0,2%

0

25

31

594

0

645

DU jeugdhulp kinderen AZC

0,0%

80

0

410

75

0

0

100,0%

122

100

87

100

88

80

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

regionale centrumfunctie

43,1%

110

93

106

116

67

67

huishoudens met laag inkomen

24,1%

113

92

70

98

84

82

alleenstaanden

23,2%

84

81

86

118

71

101

laag opgeleiden

7,8%

206

163

48

36

102

75

suppletie herijking (tijdelijk)

1,5%

166

623

126

-548

80

-44

woonkernen

0,3%

66

21

54

301

48

31

100,0%

119

104

88

98

84

79

TOTAAL jeugd

structuurkenmerken per inwoner Adam=100

TOTAAL Wmo excl. BW, MO en VO

Programma 6 omvat diverse taakgebieden waarvoor uiteenlopende structuurkenmerken van invloed zijn op de kosten die gemeenten moeten maken. Voor de taken waar Amsterdam geen expliciete regionale centrumfunctie heeft wordt binnen het gemeentefonds onderscheid gemaakt naar basisvoorzieningen, jeugdzorg en overige Wmo voorzieningen (exclusief beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang waar Amsterdam een regionale centrumfunctie heeft, zie volgende bladzijde).

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

51

Programma 6: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties (taken met centrumfunctie) structuurkenmerken per inwoner Adam=100 laag inkomen i.c.m. centrumfunctie

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

35,8%

97

75

80

80

44

52

inwoners 18-44 jaar i.c.m. centrumfunctie

31,8%

84

67

95

66

41

55

AWBZ-middelen

16,5%

33

38

75

82

14

102

uitkeringsontvangers

8,5%

142

147

124

321

187

145

inwoners met migratieachtergrond

3,2%

127

123

108

42

108

97

aantal inwoners <65 jaar

1,6%

113

120

212

190

254

352

aantal eenouderhuishoudens

1,6%

130

127

152

155

229

258

aantal inwoners 10-24 jaar

0,7%

122

124

230

234

261

389

aantal regiogemeenten

0,2%

161

136

666

641

739

1.565

100,0%

88

76

94

100

61

84

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

woonruimten

26,9%

108

116

192

200

239

336

omgevingsadressendichtheid

25,3%

68

91

76

68

106

136

inwoners met migratieachtergrond

25,1%

127

123

108

42

108

97

regionale centrumfunctie

11,6%

113

104

128

148

115

133

aantal eenouderhuishoudens

9,8%

130

127

152

155

229

258

mannenopvang

0,9%

138

163

250

0

0

0

TOTAAL maatschappelijke opvang structuurkenmerken per inwoner Adam=100

AWBZ-middelen TOTAAL vrouwenopvang

0,5%

303

16

183

864

264

0

100,0%

107

111

131

118

155

190

structuurkenmerken per inwoner Adam=100

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

decentralisatie uitkering beschermd wonen

100,0%

133

110

204

245

214

213

TOTAAL beschermd wonen

100,0%

133

110

204

245

214

213

Bij maatschappelijke opvang, beschermd wonen en vrouwenopvang hebben centrumgemeenten als Amsterdam en de referentiegemeenten ook een regionale rol. Dit betekent dat zij hogere kosten hebben doordat hun voorzieningen ook gebruikt worden door inwoners uit regiogemeenten. Daar staat tegenover dat de centrumgemeenten via de landelijke verdeelmodellen ook middelen krijgen die deels voor de regio zijn bedoeld. De relatieve omvang van de regio’s verschilt per centrumgemeente. Binnen de regio Amsterdam is het aantal inwoners dat in de regio woont ten opzichte van de Amsterdamse inwoners relatief klein.

Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

52

Uitkomsten benchmark Programma 7: Sociale zaken en Armoedebestrijding

Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma

53

Programma 7: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 7

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Op volgende taakonderdelen verdiepende analyses uitgevoerd: • re-integratie • uitvoering werk

zijn

Uitkomsten benchmark programma 7: Sociale zaken en Armoedebestrijding

54

Hoge uitgaven aan re-integratie en uitvoering werk door arbeidsintensieve begeleiding en brede inzet kostbare instrumenten referenties netto uitgaven € per inwoner

Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

ref E

re-integratie

96

72

65

74

94

103

23

uitvoering werk

71

35

4

11

8

16

106

Totaal re-integratie en werk

167

108

68

86

102

119

128

waarvan personele lasten

106

66

20

66

60

89

108

# re-integratie voorzieningen per 1000 inw

11

13

12

7

22

15

11

46%

75%

81%

63%

81%

72%

74%

waarvan met bijstand waarvan zonder bijstand zonder werk

18%

6%

7%

8%

4%

7%

4%

waarvan zonder bijstand met werk

36%

19%

12%

29%

15%

22%

22%

# bijstandsontvangers per 1000 inw

45

38

23

27

45

44

56

# loonkostensubsidie per 1000 inw

1,2

1,5

0,7

1,3

2,5

2,2

1,5

1.008

811

608

755

739

887

816

# banen per 1000 inw

Meerjarig beeld bijstand

Amsterdam t.o.v. referenties

Amsterdam heeft relatief hoge uitgaven voor re-integratie en uitvoering werk. Voor een belangrijk deel heeft dit betrekking op hogere personele lasten. Dit kan worden verklaard door de intensieve begeleiding met een lagere gemiddelde caseload per begeleider. Bovendien wordt een groot deel van de re-integratie in eigen beheer uitgevoerd (zoals jobcoaching en Amsterdam Werk!). Het aantal re-integratie voorzieningen in Amsterdam is iets lager is dan gemiddeld (bron: CBS). Amsterdam heeft een aantal kostbare programma’s zoals de Werkbrigade, Amsterdam Werkt!, Meer Kans Op Werk (2019-2023) en Iedereen Kans Op Werk (2023-2026). In totaal is hiermee in de begroting 2023 zo’n 39 miljoen euro gemoeid. Deze keuzes verklaren deels de hogere uitgaven. Het valt op dat relatief veel voorzieningen worden aangeboden aan mensen zonder bijstandsuitkering en vaak met werk. Dit hangt waarschijnlijk samen met het beleid specifiek gericht op jongeren van wie een groot deel geen uitkering ontvangt en mogelijk ook met de voorzieningen in het kader van volwasseneducatie, zoals taalscholing.

Meerjarig beeld re-integratie en werk

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Het beleid is niet uitsluitend gericht op begeleiding naar werk, maar ook op maatschappelijke participatie en bestaanszekerheid, zoals de bijverdienpremie. Ook dit is een deel van de verklaring voor de structureel hoge uitgaven voor re-integratie en werk. In het onderste deel van de tabel (bron: CBS) is te zien dat Amsterdam relatief veel mensen met bijstand heeft. Het aantal mensen met loonkostensubsidie ligt onder het gemiddelde. Het grote banenpotentieel sluit niet goed aan bij de competenties van de bijstandspopulatie, die bovendien concurrentie ervaart van studenten. Het aantal bijstandsontvangers ligt in Amsterdam structureel bovenin de bandbreedte van de referenties. Naast inspanningen om deze mensen aan het werk te krijgen richt het beleid zich ook op bestaanszekerheid en maatschappelijke participatie, zoals hiervoor beschreven.

Uitkomsten benchmark programma 7: Sociale zaken en Armoedebestrijding

55

Programma 7: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving

taakonderdeel

toelichting

7.1

Uitkeringen Buig

Bijstandsverlening, verstrekkingen BUIG (incl. Ioaw, Ioaz, Bbz), incl. budget Rijk, loonkostensubsidies, TONK/TOZO

Uitvoeringslasten Buig

Uitvoeringskosten inkomensregelingen

Terugvordering en verhaal

Fraudebestrijding, sociale recherche

WSW & Beschut werk

Sociale werkvoorziening, beschut werk en dagbesteding (incl. vervoer).

Inburgering

Oudkomers, gericht op arbeidsparticipatie

Re-integratie

Re-integratie-instrumenten, waaronder Work First, proefplaatsing, participatieplaatsen, vrijwilligerswerk/ sociale activering, detacheringsbanen, scholing, duale trajecten

Uitvoeringslasten werk

Uitvoeringskosten verbonden met WSW, beschut werk en re-integratie

Verstrekkingen minimabeleid

Bijzondere bijstand, armoedebestrijding, kindpaketten, woonlastenfonds, langdurigheidstoeslag, tegemoetkomingen kinderopvang/ peuterspeelzaal, tegemoetkomingen chronisch zieken en gehandicapten (WTCG) en compensatie eigen risico (CER), energietoeslag, studietoeslag

Kwijtscheldingen

Kwijtscheldingen gemeentelijke belastingen

Schuldhulpverlening

Schuldhulpverlening en bewindvoering

Uitvoeringslasten minimabeleid

Uitvoering minimabeleid en kwijtscheldingen

7.2

7.3

Inkomensregelingen

Werk, participatie en inburgering

Armoede en schuldhulp

Uitkomsten benchmark programma 7: Sociale zaken en Armoedebestrijding

56

Programma 7: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties

structuurkenmerken per inwoner Adam=100 bijstandsontvangers

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

66,0%

120

99

62

101

48

57

DU participatie

17,7%

94

90

61

150

121

194

huishoudens met laag inkomen

10,1%

113

92

70

98

84

82

loonkostensubsidie

1,9%

124

201

59

175

59

103

DU armoedebestrijding kinderen

1,7%

131

111

74

76

63

66

doelgroepenregister

1,7%

134

146

90

126

70

127

suppletie herijking (tijdelijk)

0,8%

166

623

126

-548

80

-44

DU uitstapprogramma prostituees

0,1%

177

220

275

165

219

0

DU versterking arbeidsmarktregio’s

0,1%

138

163

250

385

555

722

100,0%

116

104

64

106

66

85

TOTAAL participatie

Uitkomsten benchmark programma 7: Sociale zaken en Armoedebestrijding

57

Uitkomsten benchmark Programma 8: Veiligheid

Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma

58

Programma 8: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 8

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Binnen dit programma is een verdiepende analyse uitgevoerd voor het taakonderdeel toezicht en veiligheid in de openbare ruimte.

Uitkomsten benchmark programma 8: Veiligheid

59

Structureel hoge uitgaven door bestuurlijke prioriteit toezicht en veiligheid referenties netto uitgaven € per inwoner

Amsterdam

gemiddeld

verschil

totaal toezicht en veiligheid

96

72

24

waarvan personele lasten

74

53

21

waarvan cameratoezicht

2

5

-3

waarvan toezicht veilig-schoon-heel

32

33

-1

waarvan aanpak risicojongeren

24

13

11

waarvan openbaar vervoer

8

2

6

waarvan planvorming

8

4

4

waarvan nautisch handhaven

5

1

4

waarvan overig

17

14

3

Meerjarig beeld toezicht en veiligheid

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Dit betreft toezicht en veiligheid in de openbare ruimte, inclusief aanpak risicojongeren, overlast OV en nautisch handhaven. Aanleiding voor de verdieping zijn de relatief hoge uitgaven van Amsterdam ten opzichte van referentiegemeenten. Dit betreft vooral personele lasten en daarnaast overige lasten (uitbestedingen veilige binnenstad / gebieden). Deze hogere uitgaven hebben een structureel karakter. De meerkosten hangen vooral samen met de aanpak van risicojongeren: jeugdoverlast en jeugd-criminaliteit, Stichting Aanpak Overlast Amsterdam (SAOA), arbeidsintensieve persoonsgerichte aanpak en Top600. Daarnaast zijn er hogere uitgaven voor de aanpak van overlast in het OV (teams VOV), planvorming (criminaliteitspreventie / informatiemanagement) en nautisch handhaven. Deze extra inzet is te duiden vanuit een aantal achtergronden: • bestuurlijke prioriteit gericht op het aanpakken van (jeugd)overlast; • een groter aantal evenementen en bezoekers, die gepaard gaan met veiligheidsclaims (zowel in het OV als nautisch); • relatief veel geregistreerde misdrijven, met name diefstal en inbraak; • bredere gevoelens van onveiligheid onder de bevolking, gerelateerd aan allerlei vormen van overlast. Tegelijk is het oordeel over het functioneren van de gemeente (algemeen en handhavers) minder positief dan elders.

referenties aantal misdrijven per 1000 inwoners

Amsterdam

gemiddeld

verschil

vermogensmisdrijven

55

42

13

vernielingen / gezag

9

8

1

gewelds- en seksuele misdrijven

8

7

1

verkeersmisdrijven

9

11

-2

Totaal misdrijven

81

68

13

Uitkomsten benchmark programma 8: Veiligheid

60

Programma 8: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving

taakonderdeel

toelichting

8.1

Brandweer en crisisbeheersing

Brandweer en crisis

Bijdragen aan veiligheidsregio, preventie/risicobeheersing, bluswatervoorzieningen/brandkranen, huisvesting kazernes, crisisbeheersing/ rampenbestrijding

8.2

Openbare orde en veiligheid

Handhaving en toezicht

Cameratoezicht in openbare ruimten, Stads-/dorpswachten, mariniers, BOA’s, extra politie-inzet, preventief fouilleren, straatverboden, sociale veiligheid in het openbaar vervoer, beleid- en planvorming, buurtpreventie, burgernet, veilig uitgaan, politiekeurmerk veilig wonen, aanpak risicojongeren, veiligheid op het water (nautisch handhaven), straatintimidatie

APV/bijzondere wetten

Handhaving APV, drank-/horecawet, speelautomaten, bordelen, wapen en munitie, inclusief leges

Ondermijning en BIBOB

Bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit, bestuursdwang openbaar geweld, RIEC

Overige veiligheid

Reddingsbrigade, strandposten/EHBO, opvang zwerfdieren, dierenasiel, opsporing en ruiming explosieven, HALT, parkeertoezicht, slachtofferhulp, lijkschouw/doodschouw, anti-discriminatievoorzieningen, radicalisering, veiligheidshuis, veiligheid op het water, veiligheid op het ijs, integraal veiligheidsplan (beleid), anti-discriminatievoorziening

Uitkomsten benchmark programma 8: Veiligheid

61

Programma 8: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties

structuurkenmerken per inwoner Adam=100

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

omgevingsadressendichtheid

65,4%

63

77

51

58

54

62

schaalbedrag

13,6%

38

3

4

7

10

13

oppervlakte bebouwing woonkernen

9,5%

114

110

133

161

142

131

bewoonde oorden 1931

5,2%

104

106

49

49

85

62

oppervlakte historische kern

2,4%

181

50

78

101

140

212

oppervlakte bebouwing buitengebied

1,4%

224

13

91

151

14

15

kernen

1,2%

66

21

54

301

48

31

suppletie herijking (tijdelijk)

0,8%

166

623

126

-548

80

-44

DU vergunningverlening, toezicht en handhaving

0,2%

745

120

258

387

117

203

oppervlakte land

0,2%

160

72

124

377

86

84

DU Wet kwaliteitsborging bouw

0,2%

103

100

103

116

105

108

100,0%

70

74

55

62

60

64

TOTAAL ruimte, milieu en economie

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

inwoners met migratieachtergrond

structuurkenmerken per inwoner Adam=100

63,7%

110

102

68

34

47

47

huishoudens met laag inkomen

14,5%

113

92

70

98

84

82

inwoners

13,1%

100

100

100

100

100

100

schaalbedrag

7,0%

63

0

0

0

0

0

DU veiligheidshuizen

0,7%

158

141

202

151

180

315

suppletie herijking (tijdelijk)

0,5%

166

623

126

-548

80

-44

DU versterking omgevingsveiligheidsdiensten

0,2%

186

43

66

97

35

37

0,2%

106

109

122

142

167

191

100,0%

107

96

69

48

57

57

DU extra capaciteit BOA’s TOTAAL overige orde en veiligheid

Binnen het gemeentefonds wordt voor de taken van programma 8 een onderscheid gemaakt naar brandweer en rampenbestrijding en overige orde en veiligheid, omdat de kosten van gemeenten door verschillende structuurkenmerken worden bepaald. Een groot deel van de taken op het onderdeel brandweer en rampenbestrijding wordt uitgevoerd door de veiligheidsregio. Voor deze taken ontvangt Amsterdam middelen via het gemeentefonds, waarvan de bijdrage aan de veiligheidsregio wordt betaald.

Uitkomsten benchmark programma 8: Veiligheid

62

Uitkomsten benchmark Programma A: Algemene dekkingsmiddelen

Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma

63

Programma A: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma A

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Binnen dit programma vallen de hoge inkomsten bij parkeerbelasting en toeristenbelasting op. Dit gaf geen aanleiding om deze onderdelen te verdiepen. Bij programma A (algemene dekkingsmiddelen) worden in de benchmark ook algemene dekkingsmiddelen uit programma 1 meegenomen. Dit betreft de taakonderdelen grondexploitaties, erfpacht en vastgoed. Voor grondexploitaties is een verdiepende analyse uitgevoerd.

Uitkomsten benchmark programma A: Algemene dekkingsmiddelen

64

Substantiële inkomsten uit grondexploitaties maken uitgaven elders in de begroting mogelijk bijzondere situatie Amsterdam met erfpacht en vereveningsfonds

Bij de analyse van de saldi op grondexploitaties dient rekening te worden gehouden met de bijzondere situatie met erfpacht en het vereveningsfonds (VEF) van Amsterdam. Veel gronden zijn en worden door Amsterdam niet verkocht maar in erfpacht uitgegeven. De grondwaarde van nieuwe erfpachtuitgiften en de meerwaarde van transformaties van bestaande erfpachtrechten zijn onderdeel van de grondexploitaties; ‘reguliere’ ontwikkelingen in bestaande erfpachtrechten zijn onderdeel van de jaarlijkse exploitatie van erfpacht. De resultaten op grondexploitaties komen niet direct ten gunste van de algemene middelen, maar worden verrekend via het VEF, waarin de resultaten van positieve en negatieve grondexploitaties met elkaar worden verevend. bijzondere situatie Amsterdam maakt relatie grondexploitatie en begroting minder inzichtelijk

Vanwege de bijzondere situatie in Amsterdam en de eisen die het BBV stelt (de dotaties en onttrekkingen aan de reserve moeten ook worden verantwoord in de baten en lasten, waardoor er sprake is van een vorm van ‘dubbeltelling’) zijn de resultaten op grondexploitaties niet eenvoudig uit de begroting af te leiden. Dit maakt het lastig om de invloed van grondexploitaties op de begroting goed te beoordelen. Veel gemeenten kiezen er voor om in de begroting geen resultaten op grondexploitaties te ramen, maar deze alleen in de rekening verantwoorden.

externe ontwikkelingen en keuzes zetten druk op resultaten grondexploitaties

Voor de komende jaren zijn afspraken gemaakt over een vaste jaarlijkse afdracht uit de resultaten op grondexploitaties. Oplopende bouwkosten en de keuze om relatief meer sociale woningbouw te realiseren, hebben een drukkend effect op de resultaten van grondexploitaties. Daardoor wordt verwacht dat het steeds moeilijker zal worden om voldoende resultaten te realiseren om de afgesproken afdrachten te bekostigen en ruimte te hebben voor het vaststellen van nieuwe negatieve grondexploitaties. Dit zou betekenen dat mogelijk moet worden ingeteerd op het vermogen van het vereveningsfonds. conclusie

Van de positieve resultaten op grondexploitaties is in de afgelopen jaren een substantieel deel afgedragen aan de algemene middelen. De verwachting is dat deze inkomsten de komende jaren onder druk komen te staan. Voor het gewenste inzicht in de begroting is ook het belangrijk om inzichtelijk te hebben welke invloed keuzes binnen grondexploitaties hebben op de mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan de algemene middelen. Aandachtspunt in dit verband is de relatie tussen het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties (MPG) en de (meerjaren) begroting van Amsterdam.

inkomsten grondexploitaties maken uitgaven elders in de begroting mogelijk

De rekeningen laten zien dat Amsterdam in de periode 2017-2021 substantiële positieve resultaten op grondexploitaties heeft gerealiseerd, waarvan jaarlijks gemiddeld 97 euro per inwoner is afgedragen aan de algemene middelen en daarmee onttrokken aan het VEF. In dezelfde periode is bij de referentiegemeenten gemiddeld sprake van een afdracht aan de algemene middelen van 8 euro per inwoner. Per referentiegemeente is er sprake van sterk uiteenlopende resultaten die ten gunste of ten laste zijn gekomen van de algemene middelen, oplopend tot jaarlijks gemiddeld enkele tientallen euro’s per inwoner.

Uitkomsten benchmark programma A: Algemene dekkingsmiddelen

65

Programma A: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving

taakonderdeel

toelichting

A.1

OZB woningen

Belastinginkomsten OZB woningen, inclusief heffing en invordering en waardering onroerende zaken (WOZ)

OZB niet-woningen

Belastinginkomsten OZB niet-woningen eigenaren en gebruikers, inclusief heffing en invordering en waardering onroerende zaken (WOZ)

Reclame-/precariobelasting

Opbrengst reclamebelasting, inclusief heffing en invordering. Betreft belasting of rechten voor plaatsen objecten die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg (zoals lichtbakken). Opbrengst precariobelasting, inclusief heffing en invordering. Betreft belasting of rechten voor plaatsen objecten op, boven of onder gemeentegrond, zoals terrassen, lichtbakken of kabels (ondergronds van energiemaatschappijen).

Toeristenbelasting

Opbrengst en heffing van toeristen- en forensenbelasting

Parkeerbelasting

Belastinginkomsten parkeren, inclusief heffing en invordering, onderhoud parkeervoorzieningen

Overige heffingen

Opbrengst en heffing overige lokale heffingen, zoals hondenbelasting, roerende woon en bedrijfsruimten en baatbelasting.

Deelnemingen

Opbrengsten dividend of verkoop aandelen, evenals kosten voor energie, water, stadsverwarming, afvalverwerking, internet. Bedrijfsmatige activiteiten door gemeenten (drinkwaterbedrijf, energiecentrale).

Renteresultaat

Werkelijke en toegerekende betaalde of ontvangen rente, inclusief rente over eigen vermogen (bespaarde rente).

Mutaties algemene reserves

Toevoeging en onttrekking algemene (vrij inzetbare) reserves en bestemmingsreserves die geen specifiek karakter hebben, zoals gevormd door fondsen voor ontwikkeling, transitorische posten (overboekingen tussen jaren), reserves ter dekking van kapitaallasten (voor investeringen in maatschappelijk nut) en vrijval van (bestemmings)reserves, resultaat rekening.

Stelposten en onvoorzien

Stelposten voor nog in te vullen bezuinigingen, nog niet toegerekende posten voor bijv loon/prijsstijgingen, begrotingsruimte, post onvoorzien, algemene baten en lasten, nagekomen lasten en baten van voorgaande jaren, vennootschapsbelasting.

Lokale heffingen

A.3

Treasury en deelnemingen

A.4

Overige eigen middelen en onvoorzien

1.2

Grond

Grondexploitaties

Resultaten grondexploitaties woningen, bedrijventerreinen, grondaankopen/-verkopen, projectbureaus, bouwrijp maken, woonrijp maken, planontwikkeling, bovenwijkse voorzieningen ten behoeve van bouwgrondcomplexen.

1.3

Erfpacht

Erfpacht

Inkomsten erfpachtcanon en afkoopsommen.

1.5

Vastgoed

Vastgoed

Accommodaties en gronden die gemeenten in eigendom hebben, maar die niet voor gemeentelijke taken worden aangewend. Het gaat veelal om onroerend goed dat wordt verhuurd of is afgestoten. De kosten van accommodaties die wel worden gebruikt voor gemeentelijke taken zijn bij de betreffende taak ondergebracht.

Uitkomsten benchmark programma A: Algemene dekkingsmiddelen

66

Programma A: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties

structuurkenmerken per inwoner Adam=100

in % totaal

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Groningen

Haarlem

Leiden

WOZ woningen eigenaar

53,9%

63

69

79

59

91

77

WOZ niet-woningen eigenaar

19,4%

100

76

100

61

71

75

WOZ niet-woningen gebruiker

14,8%

100

75

100

59

70

74

woonruimten

11,9%

94

93

88

104

90

98

schaalbedrag

-0,0%

138

163

250

385

555

722

100,0%

79

74

87

65

84

78

TOTAAL onroerende-zaakbelasting

Naast de OZB wordt – in aansluiting op de werkwijze in het gemeentefonds – in de benchmark ook rekening gehouden met de inkomsten uit overige eigen middelen (met name overige belastingen, grondexploitaties, rente en deelnemingen). Voor deze overige eigen middelen wordt in het gemeentefonds vooralsnog uitgegaan van een gelijke inkomstencapaciteit per inwoner van gemeenten. In het kader van de onderhoudsagenda gemeentefonds loopt er een landelijk onderzoek naar de mogelijkheden om via objectieve kenmerken van gemeenten rekening te houden met verschillen in de capaciteit om overige eigen inkomsten te genereren.

Uitkomsten benchmark programma A: Algemene dekkingsmiddelen

67

Uitkomsten benchmark Programma B: Bestuur en Organisatie

Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma

68

Programma B: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma B

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Binnen dit programma zijn op de volgende taakonderdelen verdiepende analyses uitgevoerd: • dienstverlening (burgerzaken, BRP, verkiezingen en burgerlijke stand) • financiën* • automatisering* • huisvesting* • facilitaire zaken* • bestuursondersteuning* Vanwege de relatie van dit programma met de rest van de organisatie, is ook een verdiepende analyse op de totale personele lasten uitgevoerd.

* De verdiepende analyses op de volgende pagina’s zijn gebaseerd op 4 in plaats van 6 referentiegemeenten.

Uitkomsten benchmark programma B: Bestuur en Organisatie

69

Structureel hoge uitgaven dienstverlening door hoger voorzieningenniveau referenties uitgaven € per inwoner

Amsterdam

gemiddeld

verschil

netto uitgaven dienstverlening

67

40

28

waarvan personele lasten

54

39

15

bruto uitgaven legesproducten

20

14

6

inkomsten leges

-15

-14

-1

netto uitgaven legesproducten

5

0

5

kostendekkingsgraad leges

66%

84%

-18%

netto uitgaven overige taken

62

39

23

wv BRP

6

1

5

wv verkiezingen

7

5

2

wv overige niet legesproducten

50

34

16

Meerjarig beeld dienstverlening

netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties

Deze verdieping heeft betrekking op dienstverlening: burgerzaken, Basisregistratie Personen (BRP), verkiezingen en burgerlijke stand en exclusief vergunningen openbare ruimte. Aanleiding voor deze verdieping zijn de relatief hoge uitgaven van Amsterdam in vergelijking met de referenties. Deze komen vooral tot uiting in hoge personele lasten (voor stadsloketten, CCA, I-domein) en kosten van het Saas-systeem, basisregistratie, verkiezingen, dienstverlening en het programmabudget data. Deze hogere uitgaven hebben een structureel karakter. Dit verschil kan met name worden verklaard door een hoger voorzieningenniveau. De organisatie geeft aan dat Amsterdam voorop loopt met diverse vormen van vernieuwing, zoals Mijn Amsterdam (portaal voor alle officiële gemeentedocumenten), diverse pilots van het Rijk, verkorten van de klantreis en digitale kwaliteitscontroles. Een extra voorziening is de 24/7 bereikbaarheid voor spoedeisende meldingen in de openbare ruimte. Dergelijke initiatieven vragen ook ondersteuning vanuit andere organisatiedelen zoals het I-domein, waarvoor kosten worden toegerekend aan dienstverlening. Daarnaast is sprake van ruimere openingstijden en thuisbezorging van documenten wat de meeste referenties niet aanbieden. De kosten van de BRP zijn iets hoger dan bij de referentiegemeenten.

Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door grootstedelijke problematiek, de aantrekkingskracht van Amsterdam op migranten en de hoge woningnood in Amsterdam. Hierdoor is er meer werk nodig om de kwaliteit van de BRP, en dan met name de adreskwaliteit, op orde te houden. Verder wordt opgemerkt dat het CCA in Amsterdam via telefonische dienstverlening veel vragen afhandelt die elders wellicht door andere afdelingen moeten worden opgepakt, zoals betalingsregelingen. Net als de meeste gemeenten hanteert Amsterdam maximum legestarieven die door het Rijk zijn vastgesteld. Door de hoge uitgaven aan legesproducten is er sprake van een lage kostendekking van legesproducten (rijbewijzen, reisdocumenten, uittreksels, verklaringen, huwelijken en naturalisaties). In de kostentoerekening valt op dat de opslag voor overhead relatief laag is. Anders dan bij de meeste referenties wordt wel btw toegerekend. In het staafdiagram is te zien dat het verschil met de referenties afneemt in de komende jaren. Dit wordt mogelijk verklaard doordat Amsterdam voorloopt in de ontwikkelingen en dat de kosten bij andere gemeentes ook zullen stijgen als gevolg van toegenomen eisen aan dienstverlening van burgers.

kenmerken dienstverlening

Amsterdam

referenties

werkwijze

inloop

afspraak

# locaties per 100.000 inwoners

0,9

0,9

openingsuren per 100.000 inwoners

38

32

thuisbezorgdienst

ja

2x ja, 4x nee

Opgemerkt wordt dat Amsterdam bij burgerzaken een afwijkende werkwijze hanteert: in plaats van op afspraak wordt in Amsterdam gewerkt op basis van inloop. De referenties werken op afspraak omdat zij denken dat dat efficiënter is omdat de bezetting kan worden afgestemd op de drukte en zo nodig in de backoffice kan worden ingezet. Volgens de organisatie is uit eigen onderzoek tijdens de coronaperiode gebleken dat inloop in Amsterdam efficiënter is. Dit houdt verband met hogere volumes, waar de inroostering van personeel op afgestemd wordt.

Uitkomsten benchmark programma B: Bestuur en Organisatie

70

Hoge uitgaven centrale overhead in belangrijke mate verklaard door grotere omvang organisatie netto uitgaven € per inwoner centrale overhead

invloed omvang organisatie verschilt per onderdeel centrale overhead

referenties Amsterdam

gemiddeld

ref A

ref B

ref C

ref D

ref E

ref F

479

452

378

403

461

425

496

547

totaal personele lasten

1.819

1.464

1.009

1.200

1.454

1.460

1.671

1.991

centrale overhead in % personele lasten

26%

31%

37%

34%

32%

29%

30%

27%

Wel zien we verschillen tussen de verschillende onderdelen van de centrale overhead. Bovendien zijn niet alle onderdelen in gelijke mate gerelateerd aan de omvang van de organisatie. De omvang van de organisatie is met name van invloed op de huisvesting en facilitaire zaken. Daarnaast is de omvang van de organisatie deels van invloed op de uitgaven aan personeel en organisatie, financiën en automatisering.

meer uitgaven Amsterdam door ruimere taakinvulling

In de eerste fase van het onderzoek is gebleken dat Amsterdam substantieel meer kan uitgeven aan haar taken door de beschikbaarheid van eigen middelen. Daardoor heeft Amsterdam kunnen kiezen voor een ruimere taakinvulling. Destijds is aandacht gevraagd voor de invloed hiervan op de overhead. relatief hogere uitgaven centrale overhead

Op de eerste regel van de tabel is te zien dat de totale netto uitgaven voor de centrale overhead in Amsterdam hoger liggen dan in alle referentiegemeenten. ruimere taakinvulling leidt tot grotere organisatie

Op de tweede regel van de tabel is te zien dat de Amsterdamse organisatie ook duidelijk groter is dan in alle referentiegemeenten. Dit komt tot uiting in de omvang van de totale personele lasten, waarbij rekening is gehouden met de grotere taakzwaarte van Amsterdam.* Ten opzichte van het referentiegemiddelde zijn de personele lasten in Amsterdam zo’n 24% hoger. hogere uitgaven centrale overhead passen bij grotere organisatie

In de onderste regel is te zien dat wanneer rekening wordt gehouden met de grotere omvang van de Amsterdamse organisatie, de relatieve omvang van de centrale overhead in Amsterdam duidelijk lager is dan bij de referenties. Daarmee wordt een belangrijk deel van de hogere uitgaven aan centrale overhead verklaard door de grotere omvang van de organisatie. * De personele lasten is het totaal van salarislasten van eigen personeel, inclusief uniform toegerekende decentrale overhead, en inhuur. Hierbij is rekening gehouden met onderlinge verschillen in kostenbepalende structuurkenmerken tussen de gemeenten op de verschillende taakgebieden.

Uitkomsten benchmark programma B: Bestuur en Organisatie

71

Verschillen in inzet personeel sluit aan bij verschillen in netto uitgaven per programma

Verschillen netto uitgaven en personele lasten Amsterdam t.o.v. referenties

Vanwege de relatie tussen de uitgaven voor centrale overhead en de omvang van de organisatie, is een verdiepende analyse uitgevoerd op het totaal van de personele lasten. In het diagram is weergegeven hoe de totale netto uitgaven en de personele lasten per programma in Amsterdam zich verhouden tot het gemiddelde van de referentiegemeenten. Het verschil in netto uitgaven tussen Amsterdam en het referentiegemiddelde is weergegeven in de donkerblauwe staafjes en het verschil in personele lasten is weergegeven in de lichtblauwe staafjes. Op hoofdlijnen volgen de verschillen in inzet van personeel de verschillen in netto uitgaven. Vooral bij programma 2 en A (algemene dekkingsmiddelen, inclusief grondexploitaties) zet Amsterdam relatief veel personeel in. Bij programma A gaat het om extra inkomsten die Amsterdam heeft ten opzichte van de referentiegemeenten, waarvoor ook extra personeel wordt ingezet om het verdienpotentieel van grondexploitaties in Amsterdam te kunnen benutten. Op programma 1 (exclusief grondexploitaties), waar Amsterdam relatief weinig netto uitgaven heeft, zet Amsterdam ook relatief weinig personeel in. Alleen bij programma 7 en B is sprake van een uiteenlopend beeld: op beide programma’s geeft Amsterdam relatief veel uit met relatief weinig personeel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14342071/1