3 Bijlagen rapport Benchmark Begroting Amsterdam
Tekst van het document
Bijlage A Uitkomsten benchmark per programma
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
1
Toelichting uitkomsten benchmark per programma De bijlage bevat de uitkomsten van de benchmark per programma. Elk programma bevat de volgende componenten: 1. een staafdiagram met een overzicht van de uitkomsten voor alle taakonderdelen die binnen het programma worden onderscheiden 2. de uitkomsten van eventuele verdiepingen op taakonderdelen 3. een toelichting op de inhoud van de onderscheiden taakonderdelen 4. een overzicht van de correctiefactoren* waarmee de uitgaven van de referentiegemeenten op Amsterdams niveau van taakzwaarte zijn gebracht
* Voor de definities van de structuurkenmerken van het gemeentefonds wordt verwezen naar www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/financien-gemeenten-en-provincies/documenten/rapporten/ 2013/05/24/toelichting-op-de-berekening-van-de-uitkeringen-uit-het-gemeentefonds
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
2
Uitkomsten benchmark Programma 1: Bouwen, wonen en duurzaamheid
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
3
Programma 1: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 1
netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties
Dit programma bevat een aantal taakonderdelen die Amsterdam inkomsten opleveren die als algemene dekkingsmiddel elders in de begroting kunnen worden ingezet. Dit betreft de taakonderdelen grondexploitaties, erfpacht en vastgoed. Daarom worden deze taakonderdelen in de benchmark meegenomen bij programma A (algemene dekkingsmiddelen). Op het taakonderdeel duurzaamheid, klimaat en energie is een verdiepende analyse uitgevoerd.
Uitkomsten benchmark programma 1: Bouwen, wonen en duurzaamheid
4
Gemiddelde uitgaven voor grote ambities duurzaamheid, klimaat en energie Meerjarig beeld duurzaamheid, klimaat, energie netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
Aanleiding voor de verdieping van het taakonderdeel Duurzaamheid, klimaat en energie is dat Amsterdam in 2023 relatief lage netto uitgaven heeft (zie bovenste diagram). Amsterdam lijkt eerder dan de referenties begonnen met investeringen in duurzaamheid, klimaat en energie. In de periode 2019-2022 heeft Amsterdam voor deze doelen 156 miljoen euro gereserveerd in een klimaatfonds. De referentie-gemeenten hebben geen klimaatfonds. In 2023 onttrekt Amsterdam 43 miljoen euro aan het klimaatfonds. Dit komt dus niet ten laste van de algemene middelen, waardoor de netto uitgaven in de begroting 2023 relatief laag zijn. Ook de komende jaren onttrekt Amsterdam middelen aan dit fonds. De referentiegemeenten voegen de komende jaren juist nog middelen aan hun reserves op dit taakonderdeel toe. Wanneer we abstraheren van deze verschillen in toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, ontstaat een ander beeld. In het onderste diagram zijn de bruto uitgaven voor Amsterdam en de referentiegemeenten weergegeven. Dit geeft een beeld van de budgetten die de komende jaren naar verwachting beschikbaar zijn voor duurzaamheid, klimaat en energie, waarvan in de referentiegemeenten een deel nog niet wordt besteed maar gereserveerd. Dan is te zien dat Amsterdam in 2023 een vergelijkbaar budget beschikbaar heeft voor duurzaamheid, klimaat en energie.
Ook voor de komende jaren heeft Amsterdam vergelijkbare (afnemende) budgetten begroot als de referentiegemeenten.
Meerjarig beeld duurzaamheid, klimaat, energie bruto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
In Amsterdam hebben de uitgaven grotendeels betrekking op CO2-reductie (klimaat). Voor duurzaamheid en energiebesparing zijn relatief beperkte budgetten als zodanig herkenbaar begroot. Deze thema’s komen ook impliciet aan de orde op andere plekken in de begroting, met name bij programma 2 (openbare ruimte). Overigens is na de primaire begroting 2023 – bij de verdeling van de middelen uit het coalitieakkoord – nog circa 6 miljoen euro extra vrij gemaakt voor dit taakonderdeel. Daarmee komen de netto uitgaven van Amsterdam (zie bovenste diagram) aan de onderkant van de bandbreedte van de referentiegemeenten. Bij referentiegemeenten is specificatie naar duurzaamheid, klimaat en energie niet goed mogelijk, doordat subsidies en fondsen op onderdelen niet eenduidig worden verantwoord. Amsterdam heeft grote ambities richting 2030, 2040 en 2050: uitstootvrij verkeer, aardgasvrij, klimaatneutraal. Deze ambities zijn concreter uitgewerkt dan bij de referenties. Er zijn geen kengetallen gevonden die een goede indicatie geven van de mate waarin gemeenten op koers liggen om deze ambities te bereiken. De CO2-uitstoot in Amsterdam is met 3,5 kiloton per 1000 inwoners iets hoger dan gemiddeld in de referenties (3,2 kiloton per 1000 inwoners). De CO2reductie sinds 2014 is in Amsterdam 30%, terwijl deze in de referentiegemeenten gemiddeld 28% is.
Uitkomsten benchmark programma 1: Bouwen, wonen en duurzaamheid
5
Programma 1: toelichting inhoud taakonderdelen Programmaonderdeel Code Omschrijving
Taakonderdeel
Toelichting
1.1
Ruimtelijke plannen
Bestemmingsplannen (ontwikkelen, digitaliseren, actualiseren, herzien),beheersverordeningen, wijzigingsplannen, voorbereiden en vaststellen structuurplannen en -visies, beeldkwaliteitsplannen, omgevingsplannen
Ruimtelijke registraties
Kadastrale informatie, leegstandsregister, vastgoedsystemen/-informatieplan, cyclorama foto’s, registratie in het kader van Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb), Inspire, Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), geografische informatie
Vergunningverlening
Bouwvergunning, sloopvergunning, kapvergunning, aanlegvergunning, projectbesluiten, ontheffing bestemmingsplan, monumentenvergunning, bezwaar en beroep, Wabo
Toezicht en handhaving
Toezicht en handhaving omgevingsvergunningen (incl. welstand)
Woonbeleid
Woonruimteverdeling, woningsplitsingsvergunning, woonvergunningen, ambulant wonen (mobiele woonvormen zoals woonwagens en woonwagencentra, woonschepen en woonhavens), wonen boven winkels, doorstroming woningmarkt (waaronder koopsubsidies, startersleningen, geldstromen in kader Nationale Hypotheek Garantie), overige woontaken: het ontwikkelen en actualiseren van het woonbeleid (woon-visies, prestatieafspraken, bouw- en huisvestingsverordeningen, startersleningen
Stadsvernieuwing
Herstructureringen, stedelijke vernieuwing, krimp, inbreiding en uitbreiding/uitleglocaties. Het gaat om een grote variëteit aan inkomsten- uitgavenposten: vernieuwings-, master- en uitwerkingsplannen, ontwikkelplannen we en overige ontwikkelactiviteiten, postzegelplannen (ook wel partiële herziening, een detailplan of een gedeeltelijke herziening), grond verwerven of verkopen, ISVgelden, sanering (bedrijven)terreinen, rente, afschrijvingen, verzekeringen, belastingen, etc, programma van eisen, besluiten Locatieen Woninggebonden Subsidies (BLS en BWS), particulier opdrachtgeverschap, kosten projectmanagementbureau (PMB)invoering Omgevingswet
Milieutoezicht
Milieuvergunningen, vergunningen voor indirecte lozingen, meldingsplicht veranderen inrichting of van de werking daarvan, mijnbouw milieuvergunningen, omgevingsdienst Reinigings-/milieupolitie, controles, boetes, dwangsommen, klachten
Duurzaamheid, klimaat en energie
Energiebesparing, klimaatbeheersing (zonnepanelen, duurzaam bouwen, klimaatbeleid), energietransitie, aardgasvrij
Bodem
Bodemonderzoek/-sanering/- bescherming/-beleid, bouwstoffenbesluit
Luchtkwaliteit
Luchtverontreiniging, stank, milieuzones
Overig milieubeleid
Industrielawaai, geluidsschermen, geluidsisolatie, geluidsanering, ongediertebestrijding, beleid, voorlichting, stikstof
Begraafplaatsen en crematoria
Onderhoud en exploitatie van begraafplaatsen en crematoria (inclusief leges)
1.4
1.6
1.7
Ruimtelijke ontwikkeling
Bouwen en wonen
Duurzaamheid en milieubeheer
Begraafplaatsen en crematoria
Uitkomsten benchmark programma 1: Bouwen, wonen en duurzaamheid
6
Programma 1: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties Structuurkenmerken per inwoner Adam=100
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
omgevingsadressendichtheid
65,4%
63
77
51
58
62
54
schaalbedrag
13,6%
38
3
4
7
13
10
oppervlakte bebouwing woonkernen
9,5%
114
110
133
161
130
142
bewoonde oorden
5,2%
104
106
49
49
62
85
oppervlakte historische kern
2,4%
181
50
78
101
212
140
oppervlakte bebouwing buitengebied
1,4%
224
13
91
151
15
14
kernen
1,2%
66
21
54
301
31
48
suppletie herijking (tijdelijk)
0,8%
166
623
126
-548
-44
80
DU vergunningverlening, toezicht en handhaving
0,2%
742
120
258
387
203
117
oppervlakte land
0,2%
159
72
124
377
83
86
DU Wet kwaliteitsborging bouw
0,2%
103
100
103
116
107
105
TOTAAL ruimte, milieu en economie
100%
69
74
55
62
64
60
Het grootste deel van de taken van programma 1 heeft betrekking op het taakgebied ruimte, milieu en economie, zoals dat in het gemeentefonds wordt onderscheiden.
Uitkomsten benchmark programma 1: Bouwen, wonen en duurzaamheid
7
Uitkomsten benchmark Programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
8
Programma 2: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 2
netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties
Op de volgende taakonderdelen zijn verdiepende analyses uitgevoerd: • afval • straatreiniging • wegen* • civiele kunstwerken*
* De verdiepende analyses op de volgende pagina’s zijn gebaseerd op 4 in plaats van 6 referentiegemeenten.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
9
Amsterdam heeft hoge uitgaven voor een schone stad door het grote aantal bezoekers structureel hoge uitgaven straatreiniging door veel bezoekers
Meerjarig beeld straatreiniging
Amsterdam heeft relatief hoge uitgaven aan straatreiniging. Het verschil met de referenties heeft een structureel karakter en wordt de komende jaren nog iets groter. Dit hogere uitgavenniveau geldt zowel voor eigen personeel als voor uitbestede werkzaamheden. Amsterdam kiest er voor om werkzaamheden zoveel mogelijk met eigen personeel uit te voeren vanuit sociale doelen: een betere arbeidspositie voor werknemers plus het bieden van toegang tot de arbeidsmarkt. Daarnaast is de straatreiniging in bepaalde drukbezochte plekken in de stad arbeidsintensiever. Amsterdam heeft gekozen voor lager schoonniveau dan de meeste referenties.
bruto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
Belangrijke verklaring voor de hoge uitgaven is het grote aantal bezoekers in delen van de stad. Uit eerder onderzoek* is gebleken dat dit vraagt om een hogere veegfrequentie om de gewenste schoonheidsgraad te realiseren. Terwijl 5% van alle inwoners in Amsterdam wonen, ontvangt de stad in 2023 circa 28% van alle toeristen. Dat is bijna 3x zoveel als de 6 referentiegemeenten tezamen. In het gemeentefonds wordt dit ook onderkend doordat de gemeente Amsterdam veel middelen ontvangt voor haar (landelijke) centrumfunctie.
Meerjarig beeld afval
bruto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
structureel hoge uitgaven afval worden gedekt door de heffing
Ook bij afvalinzameling zijn de Amsterdamse uitgaven structureel hoger dan de referenties, met name de personele lasten. De hogere uitgaven komen tot uiting in een hogere heffing, waardoor de netto uitgaven gemiddeld zijn.
benchmark huishoudelijk afval
Amsterdam
G4
klasse A
huishoudelijk afval (kg/inw)
359
381
393
restafval (kg/inw)
242
247
203
grondstoffen in restafval (kg/inw)
139
148
129
afvalscheiding
33%
35%
48%
dienstverlening grondstoffen (score)
334
251
333
dienstverlening restafval (score)
79
89
84
dichtheid milieustraat (hh/afvalpunt)
81
68
50
openingsuren per week
54
49
49
Uit de benchmark huishoudelijk afval (bron NVRD, zie tabel) blijkt dat de hoeveelheid huishoudelijk afval in Amsterdam lager is dan gemiddeld in de G4 en sterk verstedelijkte gemeenten (klasse A). In de tabel is te zien dat de prestaties van Amsterdam met name achterblijven bij afvalscheiding en dienstverlening restafval. Dit hangt samen met de ongescheiden inzameling in het Centrum en het minder frequent legen van minicontainers. Amsterdam heeft relatief weinig milieustraten, maar deze hebben wel ruime openingstijden. Doordat het ongescheiden afval in het Centrum in zakken mag worden aangeboden, leidt dit tot meer zwerfafval en extra kosten bij straatreiniging. Daarnaast biedt Amsterdam een hoog voorzieningenniveau, met name in de vorm van periodiek inzamelen van grofvuil zonder afspraak. Deze voorziening leidt wellicht ook tot meer zwerfafval (en kosten voor straatreiniging), doordat bewoners grofvuil op straat kunnen aanbieden. * Cebeon 2016, Verklaring afwijking referentiebudgetten Amsterdam voor straatreiniging
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
10
Amsterdam heeft structureel relatief hoge uitgaven aan civiele kunstwerken door organisatie aangedragen verklaringen
referenties civiele kunstwerken
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
netto uitgaven € per inwoner
109
35
24
33
38
43
waarvan personele lasten
12
5
8
3
7
1
waarvan kapitaallasten
17
8
0
7
8
18
waarvan goederen en diensten
80
22
16
23
24
25
waarvan overig
-1
0
0
0
-1
0
Meerjarig beeld civiele kunstwerken
netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
Als belangrijkste verklaring voor het hoge uitgavenniveau van Amsterdam is door de organisatie het relatief grote aantal civiele kunstwerken genoemd. Daarnaast is er op gewezen dat veel kunstwerken aan het eind van hun levensduur zijn, waardoor er (sinds 2017) veel uitgaven voor vervanging aan de orde zijn. Zowel bij bruggen, tunnels als kademuren wordt melding gemaakt van achterstallig onderhoud. In aanvulling daarop zijn de volgende verklaringen genoemd: • bruggen: extra kosten door minder mogelijkheden voor gebruik duurzame materialen door monumentale status en welstandseisen • kademuren: duur onderhoud door de aanwezigheid van monumentale bomen en woonboten, bouwlogistiek over water • algemeen: kostenverhogende effecten van hoge eisen inzake bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid, communicatie (BLVC), proceskosten door de complexe organisatie en de Unesco-erfgoedstatus De effecten van deze verklaringen op de netto uitgaven van Amsterdam zijn niet gekwantificeerd door de organisatie binnen het tijdsbestek van deze opdracht. betekenis grondexploitaties
Sommige civiele kunstwerken worden opgenomen in grondexploitaties, waardoor de structurele beheerlasten buiten de huidige begroting blijven. In toekomstige begrotingen moet hiervoor alsnog dekking worden gevonden. De mate waarin dit in Amsterdam afwijkt van de referentiegemeenten is niet onderzocht. met veel kostenverhogende kenmerken is rekening gehouden in de benchmark uitgaven civiele kunstwerken zijn structureel hoger dan in de referenties
De netto lasten aan civiele kunstwerken liggen in Amsterdam in de hele periode 2017-2026 hoger dan in elk van de referenties. De uitgaven hebben grotendeels betrekking op inkoop van goederen en diensten. Een beperkt deel van de uitgaven heeft betrekking op personele lasten en kapitaallasten. In de meerjarenbegroting van Amsterdam ligt het netto uitgavenniveau nog circa 20 euro per inwoner hoger dan in 2023. Hierdoor neemt het verschil met de referenties verder toe.
We merken op dat in het gemeentefonds en de vergelijking met referenties rekening wordt gehouden met verschillende kostenverhogende effecten, zoals de dichtheid van de bebouwing, de bodemgesteldheid, het historisch karakter en de waterrijke omgeving. nader inzoomen op verschillende civiele kunstwerken
Op de volgende pagina’s gaan we in op verschillende civiele kunstwerken om de verschillen met de referenties te duiden en de aangedragen verklaringen te toetsen.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
11
Verschil wordt vooral verklaard door hoge uitgaven per (beweegbare) brug aandeel achterstallig onderhoud in uitgaven niet bekend
referenties bruggen
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
netto uitgaven € per inwoner
49
waarvan personele lasten
2
15
5
16
18
23
2
0
0
0
7
waarvan kapitaallasten
10
5
0
0
18
0
waarvan goederen en diensten
38
8
0
16
0
16
waarvan overig
0
1
5
0
0
0
# bruggen per km oeverlengte
1,03
1,10
0,48
1,53
1,94
0,46
# beweegbare bruggen per km oeverlengte
0,05
0,04
0,01
0,04
0,05
0,07
kengetallen om uitgaven te duiden
hogere uitgaven deels verklaard door bruggen
Voor zover bij de referentiegemeenten de netto uitgaven aan civiele kunstwerken konden worden uitgesplitst naar verschillende kunstwerken, is in de tabel te zien dat het hogere uitgavenniveau van Amsterdam deels wordt verklaard door bruggen. Het verschil met de referenties heeft voornamelijk betrekking op uitgaven aan goederen en diensten en deels op kapitaallasten. Amsterdam heeft relatief niet veel (beweegbare) bruggen
Wanneer het aantal bruggen in de gemeenten wordt gerelateerd aan de lengte van alle oevers, blijkt dat 2 van de 3 referentiegemeenten relatief meer bruggen in beheer hebben dan Amsterdam.
In de begroting van Amsterdam wordt melding gemaakt van achterstallig onderhoud bij bruggen. De komende decennia is Amsterdam voornemens dit achterstallig onderhoud weg te werken bij 80-125 bruggen (circa 5-10% van het totale aantal). Het is niet bekend welk deel van de netto uitgaven in de exploitatie samenhangt met achterstallig onderhoud. Overigens dienen gemeenten volgens het BBV een voorziening te treffen voor onderhoud, waardoor achterstallig onderhoud geen invloed zou hebben op de netto uitgaven in de exploitatie. conclusie
De hogere uitgaven van Amsterdam op het taakgebied openbare ruimte kunnen voor circa 34 euro per inwoner worden verklaard door de hogere uitgaven aan bruggen. In tegenstelling tot de beelden die in de organisatie leven, blijkt Amsterdam in vergelijking met enkele referenties relatief niet veel (beweegbare) bruggen te hebben. Op basis van de beschikbare informatie laat het hogere uitgavenniveau van Amsterdam zich dan ook grotendeels verklaren door een hogere gemiddelde kostprijs per (beweegbare) brug. Deze hogere kostprijs per brug kan wellicht worden verklaard met de door de organisatie genoemde kostenverhogende factoren, voor zover die niet of in mindere mate aan de orde zijn in de referenties (welstandseisen, erfgoedstatus, BLVC en proceskosten complexe organisatie).
De uitgaven aan bruggen worden echter in belangrijke mate bepaald door de beweegbare bruggen. Het aantal beweegbare bruggen per kilometer oeverlengte ligt in Amsterdam iets hoger dan het gemiddelde van referentiegemeenten. Referentie C en D hebben relatief veel beweegbare bruggen en toch lagere netto uitgaven dan Amsterdam. Eén gemeenten verklaart dit doordat deze gemeente reeds in de jaren ‘90 veel heeft geïnvesteerd in duurzame materialen, waardoor de onderhoudskosten relatief beperkt blijven.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
12
Ook uitgaven aan kademuren verklaren een groot deel van de hogere uitgaven
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
netto uitgaven € per inwoner
28
4
1
2
6
7
waarvan personele lasten
2
0
1
0
0
0
Ook hier geldt dat gemeenten hiervoor in principe een voorziening dienen te treffen, waardoor dit geen invloed zou hebben op de netto uitgaven in de exploitatie. Wanneer zo’n voorziening ontbreekt of onvoldoende omvang heeft om alle kosten te dekken, zal hiervoor ruimte gevonden moeten worden in de exploitatie.
waarvan kapitaallasten
0
2
0
0
6
0
conclusie
waarvan goederen en diensten
26
2
0
0
0
7
waarvan overig
0
1
0
2
0
0
lengte kademuren per km oeverlengte
0,14
0,09
0,04
0,10
0,12
0,10
lengte historische kades per km oeverlengte
0,06
0,03
0,01
0,02
0,03
0,07
referenties kademuren
kengetallen om uitgaven te duiden
hogere uitgaven deels verklaard door kademuren
In de tabel is te zien dat het hogere uitgavenniveau van Amsterdam deels wordt verklaard door de uitgaven aan kademuren.
De hogere uitgaven van Amsterdam op het taakgebied openbare ruimte kunnen voor circa 24 euro per inwoner worden verklaard door de hogere uitgaven aan kademuren. Dit verschil kan voor een beperkt deel (circa 15%)* worden verklaard door de relatief grote lengte van historische kademuren. Het overige deel wordt dan verklaard door een relatief hoge gemiddelde kostprijs per km kademuur. Deze hogere kostenprijs per km kademuur kan samenhangen met de door de organisatie genoemde kostenverhogende factoren, voor zover die niet of in mindere mate aan de orde zijn in de referenties (aanwezigheid bomen en woonboten, BLVC en hoge proceskosten door een complexe organisatie).
In de onderste tabel is te zien dat de lengte van de kademuren in Amsterdam ten opzichte van de lengte van oevers relatief groot is. Dit geldt nog sterker voor de lengte van kades in en rondom de historische kern. Deze kades zijn gemiddeld duurder in het onderhoud. achterstallig onderhoud
In de begroting van Amsterdam wordt melding gemaakt van achterstallig onderhoud bij kademuren. De komende decennia is Amsterdam voornemens dit achterstallig onderhoud weg te werken bij 60 kilometer kademuren (circa 30% van het totaal). Het is momenteel niet bekend welk deel van de netto uitgaven in de exploitatie samenhangt met achterstallig onderhoud. De organisatie heeft aangegeven dat men bezig is om dit in beeld te brengen.
* Dit is afgeleid van de relatieve lengte van historische kademuren in Amsterdam ten opzichte van het gemiddelde van de referenties.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
13
Tunnels verklaren een beperkt deel van de hogere uitgaven referenties tunnels netto uitgaven € per inwoner
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
14
8
0
0
7
25
3,4
1,1
0,0
0,0
0,9
3,6
kengetallen om uitgaven te duiden # tunnels per 1000 km weg
uitgaven aan tunnels zijn gemiddeld in Amsterdam
Slechts 2 van de referenties beheren grote verkeerstunnels zoals Amsterdam. In de bovenste tabel is te zien dat de netto uitgaven van Amsterdam aan tunnels in 2023 ongeveer gelijk zijn aan het gemiddelde van deze 2 referenties. In de onderste tabel is te zien dat met name referentie D een vergelijkbaar aantal tunnels heeft als Amsterdam. Overigens is de gemiddelde lengte van deze tunnels wel iets groter dan in Amsterdam. achterstallig onderhoud
In de begroting van Amsterdam wordt melding gemaakt van achterstallig onderhoud bij met name de IJ-tunnel en Arenatunnel. Het is niet bekend welk deel van de netto uitgaven in de exploitatie samenhangt met achterstallig onderhoud. Overigens dienen gemeenten volgens het BBV een voorziening te treffen voor onderhoud, waardoor dit geen invloed zou moeten hebben op de netto uitgaven in de exploitatie. conclusie
Alhoewel het netto uitgavenniveau in Amsterdam in 2023 niet hoger is dan het gemiddelde van de 2 referenties die ook grote verkeerstunnels in beheer hebben, komt het netto uitgavenniveau van Amsterdam wel hoger uit dan het gemiddeld van de 4 referenties. Daarmee kan 6 euro van het hogere uitgavenniveau van Amsterdam op het totaal van openbare ruimte worden verklaard.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
14
Een deel van de uitgaven aan civiele kunstwerken is niet gespecificeerd referenties overige civiele kunstwerken
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
netto uitgaven € per inwoner
17
7
1
4
6
18
niet gespecificeerde posten kunnen beelden nog beïnvloeden
Tot slot bevat de exploitatie van Amsterdam een aantal posten die nog niet konden worden toegedeeld aan de verschillende kunstwerken. Een deel van deze posten heeft betrekking op sluizen (circa 8 euro per inwoner). Ook bij de referenties konden sommige posten nog niet worden gespecificeerd naar de verschillende civiele kunstwerken. Dit kan nog enigszins van invloed zijn op de gepresenteerde beelden voor de verschillende civiele kunstwerken. conclusie
Dit betekent dat de relatief hoge uitgaven van Amsterdam aan civiele kunstwerken voor circa 10 euro per inwoner nog niet nader verklaard kunnen worden. Deze uitgaven hebben wel betrekking op civiele kunstwerken en wellicht zullen de algemene verklaringen voor hogere uitgaven aan civiele kunstwerken zoals die door de organisatie zijn aangedragen ook hier gelden. Het echter niet duidelijk of deze budgetten toegevoegd kunnen worden aan de verklaringen bij de gespecificeerde civiele kunstwerken of dat er nog andere verklaringen relevant zijn.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
15
Uitgaven wegenonderhoud zijn gemiddeld en nemen naar verwachting af afnemende uitgaven in meerjarenbegroting
referenties wegenonderhoud
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
netto uitgaven € per inwoner
72
75
49
50
79
122
waarvan personele lasten
23
16
11
0
19
31
waarvan kapitaallasten
5
6
24
0
1
0
waarvan goederen en diensten
37
40
12
44
69
34
waarvan overig
7
13
1
6
-10
57
Meerjarig beeld wegenonderhoud
In het diagram is te zien dat de uitgaven voor wegenonderhoud afnemen in de meerjarenbegroting van Amsterdam. Bij de referenties is sprake van een substantiële bandbreedte in de uitgaven aan wegenonderhoud, terwijl het gemiddelde uitgavenniveau in de hele periode 2017-2026 ongeveer gelijk blijft. In dit verband wordt opgemerkt dat bij de afbakening van het taakgebied in Amsterdam een substantieel budget buiten scope is geplaatst en het soms lastig was een eenduidig onderscheid te maken tussen wegenonderhoud en wegenprojecten. De bevindingen voor beide onderdelen dienen dan ook in samenhang beschouwd te worden.
netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
uitgaven wegenonderhoud zijn iets lager dan gemiddeld
In de tabel is te zien dat het netto uitgavenniveau van Amsterdam aan wegenonderhoud rond het gemiddelde van de referenties ligt. Bij de meeste gemeenten bestaan de uitgaven aan wegenonderhoud grotendeels uit inkoop van goederen en diensten. Daarnaast zijn er doorgaans personele lasten en – in beperkte mate – kapitaallasten aan de orde.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
16
Lagere onderhoudskwaliteit gaat gepaard met kostenverhogende keuzes door organisatie aangedragen verklaringen
referenties wegenonderhoud netto uitgaven € per inwoner
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
72
75
49
50
79
122
C
B
kengetallen om uitgaven te duiden C
B/C
%areaal kwaliteit A
streefniveau kwaliteit onderhoud
74%
76%
%areaal kwaliteit B
9%
8%
%areaal kwaliteit C
2%
1%
%areaal kwaliteit D (achterstallig)
15%
13%
86%
6%
C
B
71%
81%
6%
10%
0%
2%
1%
14%
22%
8%
kwaliteit onderhoud iets lager dan gemiddeld
De onderhoudskwaliteit van het areaal is gebaseerd op de CROW-systematiek. Kwaliteitsniveau D (achterstallig onderhoud) van maximaal 10% wordt als acceptabel gezien, omdat dit als een reguliere werkvoorraad wordt beschouwd.
Gegeven de onderhoudskwaliteit zijn de uitgaven van Amsterdam als relatief hoog te duiden. De organisatie heeft daarvoor de volgende verklaringen aangedragen: • uitgaven aan achterstallig onderhoud die deels in de begroting zijn opgenomen • gebruik van duurdere materialen (gebakken klinkers en natuursteen), al dan niet gebaseerd op kwaliteitsstandaard Puccini • desinvesteringen door integrale gebiedsaanpak (voortijdige vervanging bestrating in combinatie met andere werkzaamheden) • hoge eisen aan werkzaamheden, zoals inzake bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie (BLVC), bouwlogistiek en Unesco-erfgoed • kostenverhogende effecten door het grote aantal bezoekers Bij de aangedragen verklaringen voor hogere uitgaven is gevraagd om nadere onderbouwing en kwantificering. De organisatie heeft aangegeven dat op enkele onderdelen verkenningen lopen, maar dat het beantwoorden van de gestelde vragen meer tijd vraagt dan beschikbaar is voor deze benchmark.
In de tabel is te zien dat er in Amsterdam bij 15% van het areaal sprake is van achterstallig onderhoud (kwaliteit D). Bij 3 van de referenties ligt het achterstallig onderhoud lager. Volgens Amsterdam zijn de komende jaren meer uitgaven nodig dan begroot om dit achterstallig onderhoud weg te werken. Overigens is het achterstallig onderhoud bij referentie C in het centrum en op het hoofdwegennet minder dan 10%. Amsterdam hanteert een lager streefniveau voor de kwaliteit van het onderhoud (C) dan 2 van de referenties (B).
De referentiegemeenten hebben ook BLVC-kosten, maar zij onderscheiden dit niet altijd. De referentiegemeenten hanteren daarbij geen hogere eisen in het centrum.
Zowel referentie A als B hebben duidelijk lagere uitgaven dan Amsterdam, terwijl het achterstallig onderhoud in deze gemeenten lager is en/of het streefniveau hoger. Bij een hoger streefniveau mag een hoger uitgavenniveau worden verwacht, want er moet dan eerder onderhoud plaatsvinden om dit streefniveau te realiseren. Referentie D heeft zowel een hoger streefniveau als feitelijk veel minder achterstallig onderhoud dan Amsterdam, terwijl het structurele netto uitgavenniveau vergelijkbaar is (circa 50 euro per inwoner heeft betrekking op de vorming van een voorziening voor groot onderhoud).
In Amsterdam bestaat momenteel circa 20% van het areaal uit gebakken klinkers. In twee referentiegemeenten die deze informatie konden aanreiken is dit duidelijk lager, zo’n 13%. Ook het aandeel van natuursteen is lager in de referenties, maar dit betreft een veel kleiner deel van het totale areaal (circa 1%). In aanschaf zijn gebakken klinkers een factor 6 duurder dan andere vormen van elementverharding. Natuursteen is een factor 10 duurder. Wel gaan deze duurdere materialen langer mee, waardoor de hogere aanschafkosten op termijn wellicht worden terugverdiend.
Wat betreft de kosten van bezoekers wordt opgemerkt dat daar ook inkomsten tegenover staan uit toeristenbelasting en het gemeentefonds (met name via de maatstaf centrumfunctie waar Amsterdam hoog op scoort). achtergronden bij Amsterdamse keuzes
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
17
Hogere kwaliteit wegenonderhoud is mogelijk met lagere uitgaven Puccini en integrale gebiedsaanpak zijn beide bedoeld om kosten te besparen. Puccini zou kostenbesparend werken als gevolg van standaardisering. De voordelen van integrale gebiedsaanpak slaan vooral neer bij andere programmaonderdelen, zoals riolering. Door de wijze waarop beide werkwijzen in de praktijk worden toegepast, zou het per saldo echter kunnen leiden tot hogere kosten bij wegen. Bijvoorbeeld doordat bij gebiedsontwikkeling relatief goedkope bestrating voortijdig wordt vervangen door duurdere bestrating conform Puccini. betekenis grondexploitaties en gebiedsontwikkeling
Doordat Amsterdam uitgaven aan wegen meeneemt bij gebiedsontwikkeling en wegenprojecten onderbrengt in grondexploitaties, heeft dit een drukkend effect op de netto uitgaven van wegenonderhoud die in de exploitatie worden verantwoord. Op termijn zal in de exploitatie alsnog dekking gevonden moeten worden voor de onderhoudslasten van deze wegen. Het is niet bekend wat de betekenis is van dit effect en hoe zich dat verhoudt tot de situatie in de referentiegemeenten. conclusie
Gegeven de kwaliteit van het wegenonderhoud zijn de uitgaven van Amsterdam als relatief hoog te duiden. Door de organisatie is aangegeven dat dit samenhangt met achterstallig onderhoud in combinatie met kostenverhogende beleidskeuzes. Met name referentie A en B zijn in staat om met (structureel) lagere uitgaven een hogere of vergelijkbare kwaliteit van onderhoud te realiseren.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
18
Hogere uitgaven aan wegenprojecten nemen naar verwachting af tot gemiddeld afnemende uitgaven in meerjarenbegroting
referenties wegenprojecten
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
netto uitgaven € per inwoner
122
102
69
88
92
157
waarvan personele lasten
10
18
20
0
0
51
waarvan kapitaallasten
23
31
42
39
1
42
waarvan goederen en diensten
94
39
8
43
4
102
waarvan overig
-6
13
0
5
87
-39
Meerjarig beeld wegenprojecten
In het diagram is te zien dat de uitgaven voor wegenonderhoud afnemen in de meerjarenbegroting van Amsterdam. Bij de referenties is sprake van een substantiële bandbreedte in de uitgaven aan wegenonderhoud, terwijl het gemiddelde uitgavenniveau in de hele periode 2017-2026 ongeveer gelijk blijft. In dit verband wordt opgemerkt dat bij de afbakening van het taakgebied in Amsterdam een substantieel budget buiten scope is geplaatst en het soms lastig was een eenduidig onderscheid te maken tussen wegenonderhoud en wegenprojecten. De bevindingen voor beide onderdelen dienen dan ook in samenhang beschouwd te worden.
netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
uitgaven wegenonderhoud zijn iets lager dan gemiddeld
In de tabel is te zien dat het netto uitgavenniveau van Amsterdam aan wegenonderhoud rond het gemiddelde van de referenties ligt. Bij de meeste gemeenten bestaan de uitgaven aan wegenonderhoud grotendeels uit inkoop van goederen en diensten. Daarnaast zijn er doorgaans personele lasten en – in beperkte mate – kapitaallasten aan de orde.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
19
Hogere uitgaven aan wegenprojecten, voor zover in beeld in de exploitatie Het effect van deze verklaringen is niet gekwantificeerd door de organisatie.
referenties wegenprojecten netto uitgaven € per inwoner
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
132
102
69
88
92
157
5,0
1,9
0,1
0,1
5,0
2,5
kengetallen om uitgaven te duiden drempel activering in € mln
kapitaallasten Amsterdam worden gedrukt door hoge investeringsdrempel
In de tabel is te zien dat Amsterdam een relatief hoge drempel hanteert voor het activeren van investeringen. Dit betekent dat investeringen tot 5 miljoen euro in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht en dus niet tot uiting komen in de begroting in de vorm van kapitaallasten. Dit geeft de komende jaren ruimte binnen de exploitatie. Wanneer de betreffende kapitaalgoederen in de toekomst vervangen moeten worden, zal alsnog dekking gevonden moeten worden voor deze toekomstige uitgaven. Doordat er in de huidige begroting geen rekening wordt gehouden met toekomstige lasten van bestaande voorzieningen, worden dit ook wel ‘stille lasten’ genoemd. De meeste referenties hanteren lagere drempels voor activering, waardoor zij een groter deel van hun investeringen activeren en hun kapitaallasten ook hoger zijn. Daardoor geeft hun exploitatie een beter beeld van de structurele uitgaven die nodig zijn om alle huidige kapitaalgoederen in stand te houden. Door de hoge activeringsdrempel worden in Amsterdam de kapitaallasten relatief laag gehouden en vormt dit een verklaring voor hogere uitgaven in jaren met veel investeringen in wegenprojecten, zoals 2023.
betekenis grondexploitaties
Net als de referentiegemeenten brengt Amsterdam uitgaven aan wegenprojecten onder in grondexploitaties.* Dit heeft een drukkend effect op de huidige exploitatielasten, zowel bij wegenprojecten als wegenonderhoud. De mate waarin dit in Amsterdam afwijkt van de referentiegemeenten is niet onderzocht. Door de organisatie is aangegeven dat in de afgelopen jaren en de komende periode jaarlijks voor circa 80 miljoen euro aan infrastructurele projecten wordt ondergebracht in grondexploitaties. conclusie
De hogere uitgaven van Amsterdam op het taakgebied openbare ruimte kunnen voor circa 20 euro per inwoner worden verklaard door de hogere uitgaven aan wegenprojecten. Dit lijkt samen te hangen met het grote aantal projecten in de afgelopen jaren combinatie met verschillende kostenverhogende factoren. Dit werkt ook door in de uitgaven aan wegenonderhoud. Doordat Amsterdam een hogere drempel hanteert voor het activeren van investeringen, leidt dit tot lagere kapitaallasten en hogere projectuitgaven. Bij een constante hoeveelheid investeringen en projecten zou dit op lange termijn tot dezelfde exploitatielasten leiden, maar de onderzoeksperiode van 10 jaar is niet lang genoeg om hier uitspraken over te doen.
door organisatie aangedragen verklaringen
Door de organisatie zijn de volgende verklaringen aangedragen voor de relatief hoge uitgaven aan wegenprojecten: • kostenverhogende eisen (BLVC, duurzame bouwlogistiek over water, gebruik duurzame materialen, Unesco-erfgoed, behoud monumentale bomen) • veel projecten, zoals 30km zones en autoluwe straten, waarbij door de complexiteit van de stad sprake is van hoge proceskosten. Vanwege beschikbare eigen middelen uit het mobiliteitsfonds (SMF) konden de afgelopen jaren veel extra wegenprojecten worden geïnitieerd.
* Overigens is in 2011 besloten de 1e aanleg van riolering bij grondontwikkeling niet meer onder te brengen in grondexploitaties maar in de rioolheffing.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
20
Programma 2: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving
taakonderdeel
toelichting
2.1
Parkeren (uitgaven excl. toezicht)
Parkeerbeleid, ontheffingen en vergunningen, onderhoud en beheer parkeervoorzieningen
Verkeersbeleid (incl. overige verkeersmaatregelen)
Mobiliteitsplannen, verkeerscirculatieplannen, gedragsbeïnvloeding, smart mobility, straatmeubilair, vergunningen voor het tijdelijk plaatsen van voorwerpen op de openbare weg (Wior-vergunning), kabels en leidingen, kunst in de openbare ruimte (Kior), uitritvergunning, fonteinen (niet in groengebieden), openbare toiletten, abri’s, verkeersonderwijs.
Veerdiensten
Exploitatie en bijdragen aan kanaalmaatschappijen
Overig OV
Infrastructurele aanpassingen voor metro-, tram- en bus van grotere omvang (busstations bijvoorbeeld), (gescheiden) busbanen, P+R-terreinen. Exploitatie OV-voorzieningen.
Straatreiniging
Incl. onkruidbestrijding (op verhardingen), graffiti, zwerfvuil (ook in het water en bij stranden), schoon.
Gladheidsbestrijding
Gladheidsbestrijding en sneeuwruimen
Afvalinzameling
Inzameling van huis- en bedrijfsafval, inkomsten afvalstoffenheffing en reinigingsrechten.
Wegen
Regulier en groot onderhoud van wegen, straten en pleinen, bermen en fietspaden. Inclusief gebiedsbeheer en mutaties in reserves bestemd voor wegenonderhoud. Aanleg, vervanging en reconstructie van wegen, straten en pleinen, bermen en fietspaden. Inclusief reservemutaties voor wegenprojecten.
Openbare verlichting
Aanleg en onderhoud van openbare verlichting, stadsilluminatie en energielasten.
Verkeersmaatregelen
Verkeersregelinstallaties (VRI’s), verkeersborden, belijning, bewegwijzering, maatregelen verkeersveiligheid, maatregelen gericht op gedragsbeïnvloeding en mobiliteitsbeheersing en straatmeubilair met een verkeersregulerende functie.
Civiele kunstwerken
Aanleg en onderhoud van bruggen, kade- en walmuren, tunnels, viaducten, aquaducten, sluizen en duikers.
Waterwegen
Baggerwerkzaamheden, oevervoorzieningen, beschoeiingen, inspecties, beheersing van oppervlaktewater en voorkomen wateroverlast, bemalingen.
Havens
Havenmeester, laad en loswal, walstroom, havengelden
Openbaar groen
Parken, plantsoenen, (sier)heesters, gras, groenstroken, bomen, gemeentetuin en, onkruidbestrijding in het groen, groenmeubilair (banken, afvalbakken), maaien van bermen en walkanten.
Natuur en bossen
Bijdragen aan recreatieschappen, natuurbescherming, natuurbelevingscentrum, schaapskuddes
Recreatie en speelvoorzieningen
Volksfeesten (Koningsdag, kermissen, carnaval, bevrijdingsfeesten), strandvoorzieningen (incl. toiletten), recreatieplassen. Boomfeestdag, onderhoud speelvoorzieningen
Dierenwelzijn
Stadsboerderijen, kinderboerderijen / dierenweiden, dierentuinen, volkstuinen, hertenkampen, schooltuinen.
Riolering
Aanleg en onderhoud riolering en gemalen, rioolheffing (rioolwater, hemelwater, grondwater), heffing en invordering
2.2
2.3
2.4
Verkeer, vervoer en parkeren
Openbaar vervoer
Afval en reinigen openbare ruimte
Openbare ruimte
2.5
Water
2.6
Groen en dierenwelzijn
2.7
Riool en drinkwater
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
21
Programma 2: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties structuurkenmerken per inwoner Adam=100 omgevingsadressendichtheid
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
50,1%
62
77
51
58
54
62
oppervlakte bebouwing woonkernen * bodem
14,3%
122
92
109
142
120
124
aantal woonruimten * bodem
12,1%
101
77
73
91
76
93
oeverlengte * dichtheid * bodem
11,2%
50
37
30
24
33
91
aantal bedrijfsvestigingen
4,6%
69
76
74
59
76
59
schaalbedrag
3,9%
0
0
0
0
0
0
oppervlakte historische kern
1,3%
181
50
78
101
140
212
suppletie herijking (tijdelijk)
0,8%
166
623
126
-548
80
-44
aantal woonruimten
0,5%
94
93
88
104
90
98
oppervlakte bebouwing buitengebied * bodem
0,5%
193
10
80
135
12
16
oeverlengte * bodem
0,3%
105
51
70
180
54
95
oppervlakte land * bodem
0,3%
150
59
104
331
73
80
oppervlakte binnenwater
0,2%
312
18
41
148
49
31
oppervlakte buitenwater
0,0%
191
88
0
0
0
0
TOTAAL openbare ruimte
100,0%
78
75
60
66
64
76
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
structuurkenmerken per inwoner Adam=100 woonruimten
100,0%
94
93
88
104
90
98
TOTAAL afval
100,0%
94
93
88
104
90
98
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
structuurkenmerken per inwoner Adam=100 woonruimten
166,7%
94
93
88
104
90
98
woonruimten * bodemfactor kom
-65,4%
101
77
73
91
76
93
oppervlakte land * bodemfactor totaal
-0,4%
151
59
104
331
73
80
oeverlengte * dichtheid * bodemfactor totaal
-1,0%
50
37
30
24
33
92
100,0%
90
104
99
112
100
101
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
94,9%
100
100
100
100
100
100
TOTAAL riolering structuurkenmerken per inwoner Adam=100 inwoners lokale centrumfunctie
4,0%
103
102
104
100
103
108
suppletie herijking (tijdelijk)
1,1%
166
623
126
-548
80
-44
TOTAAL sport en recreatie
100,0%
101
106
100
93
100
99
Het grootste deel van de taken van programma 2 heeft betrekking op het taakgebied openbare ruimte, zoals dat in het gemeentefonds wordt onderscheiden.* Voor de taakonderdelen reiniging en riolering kent het gemeentefonds afzonderlijke correctiefactoren. Dit geldt ook voor het taakonderdeel groen, dat in het gemeentefonds onderdeel uitmaakt van het bredere taakgebied sport en recreatie.
* Dat is inclusief straatreiniging.
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
22
Definitie en bron kengetallen kengetal
Amsterdam
Den Haag
oeverlengte in hectometers
15.572
5.978
Utrecht 5.240
Groningen 8.348
Haarlem 1.779
lengte wegen in km
1.763
1.103
1.067
978
436
aantal tunnels
6
4
1
0
0
aantal bruggen
definitie
bron
De oeverlengte is de omtrek van aaneengesloten vlakken water, volgens de objectklasse Waterdeel van de Basisregistratie Topografie (schaal 1:10.000). Daarbij wordt buiten beschouwing gelaten: waterlopen smaller dan 6 meter en wateroppervlakten kleiner dan 50 m2 (meren en poelen). Bij de bepaling van de omtrek van wateroppervlak zijn de lijnen die de begrenzing vormen tussen buitenwater en land, respectievelijk tussen buitenwater en binnenwater, uitgesloten. Voor Amsterdam zijn met een globale correctie de oevers van het IJmeer en Markermeer uitgesloten.
Gemeentefonds, toelichting op de berekening van de uitkering uit het gemeentefonds 2023
Lengte wegen in gemeentelijk beheer
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Tunnels waarvan het gesloten deel langer is dan 250 meter
Nederlands kenniscentrum voor ondergronds bouwen en ondergronds ruimtegebruik (COB)
1.602
289
800
380
346
Totaal aantal bruggen
Eigen opgaven
aantal beweegbare bruggen
76
5
21
55
9
Aantal beweegbare bruggen in gemeentelijk beheer
www.waterkaart.net
lengte kademuren in km
214
62
65
35
17
Lengte van damwanden en kademuren
Eigen opgaven
lengte historische kades in km
87
10
14
6
12
Kadelengten van de waterwegen in de historische kern en de kadelengten van de waterwegen rondom de historische kern. Alleen die waterwegen worden meegeteld waarvan het verloop qua structuur nagenoeg ongewijzigd is gebleven in vergelijking met de situatie op het kadastrale minuutplan van omstreeks 1830
Gemeentefonds, toelichting op de berekening van de uitkering uit het gemeentefonds 2022
Uitkomsten benchmark programma 2: Openbare ruimte, Water, Groen en Vervoer
23
Uitkomsten benchmark Programma 3: Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
24
Programma 3: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 3
netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties
Binnen dit programma is op het taakonderdeel kunst een verdiepende analyse uitgevoerd. De lage uitgaven bij bibliotheek vielen ook op, maar vanwege de relatief beperkte omvang is er niet voor gekozen om dit te verdiepen.
Uitkomsten benchmark programma 3: Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed
25
Uitgaven cultuur achtergebleven bij ontwikkelingen in referentiegemeenten en gemeentefonds aandeel in totaal NL inwoners BIS subsidies 2021-2024
Amsterdam
G3
ref A
ref B
ref C
ref D
ref E
ref F
5,1%
3,0%
3,7%
3,1%
2,1%
1,3%
0,9%
0,7%
7%
1%
0%
43%
7,4%
7%
8%
7%
aantal organisaties
11,9%
3,9%
4,7%
4,4%
2,6%
aantal theaterzalen
12,1%
4,3%
5,1%
5,0%
2,7%
publiekscapaciteit theaters
15,8%
5,8%
9,2%
4,8%
3,5%
aantal voorstellingen
17,4%
7,2%
10,3%
5,1%
6,1%
aantal bezoekers
31,8%
7,0%
8,0%
6,2%
6,7%
aantal toeristen uit Nederland
10,9%
3,4%
4,2%
3,7%
2,3%
aantal toeristen uit buitenland
47,1%
3,8%
5,1%
4,3%
2,1%
aantal toeristen totaal
27,6%
3,6%
4,6%
4,0%
2,2%
Meerjarig beeld cultuur
netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
Amsterdam geeft aan cultuur minder uit dan referentiegemeenten en het referentiebedrag in het gemeentefonds. In het diagram is te zien dat de netto uitgaven van Amsterdam aan cultuur sinds 2017 vrijwel gelijk zijn gebleven, terwijl de uitgaven van referentiegemeenten zijn toegenomen. Ook het referentiebudget in het gemeentefonds is sindsdien toegenomen. Enkele instellingen ontvangen minder subsidie omdat ze gebruik maken van huisvesting in eigendom van de gemeente Amsterdam, waarvoor de gemeente geen of lage huurprijzen rekent. Aangezien deze inkomsten worden verantwoord in programma 1 (vastgoed) leiden deze indirecte subsidies tot lagere inkomsten in programma 1. Amsterdam ontvangt 43% van de landelijke subsidies voor culturele basisinfrastructuur 2012-2024 (exclusief Rijkscultuurfondsen en Erfgoedwet). De referentiegemeenten ontvangen een veel kleiner deel van deze subsidies, ook wanneer rekening wordt gehouden met het aantal inwoners. In het cultuurconvenant dat aan deze landelijke subsidies ten grondslag ligt, wordt uitgegaan van gemeentelijke cofinanciering. De organisatie geeft aan dat de omvang van de gemeentelijke cofinanciering achterblijft bij de afspraken die in dit verband zijn gemaakt. Ten opzichte van de G3 heeft Amsterdam duidelijk meer culturele organisaties en theaterzalen. Ook de publiekscapaciteit, het aantal voorstellingen en het aantal bezoekers is groter.
Dit laatste wordt wellicht ook beïnvloed door het relatief grote aantal (buitenlandse) toeristen in Amsterdam. Of dit betekent dat de afhankelijkheid van gemeentelijke subsidies in Amsterdam kleiner is dan in de referentiegemeenten, is in het kader van deze benchmark niet vastgesteld.
Uitkomsten benchmark programma 3: Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed
26
Programma 3: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving
taakonderdeel
toelichting
3.1
Economische ontwikkeling
Clusterontwikkeling en versterking van sectoren, stimulering van (samenwerkings-)projecten van onderzoeksinstellingen en bedrijven, aansluiting onderwijs op arbeidsmarkt, lokale, regionale, bovenregionale, internationale op versterking van de economische structuur en innovatie gerichte samenwerkingsverbanden, zoals energietransitie
Bedrijfsloket en regelingen
Gemeentelijke ondersteuning van bedrijven en ondernemers, bedrijvenloket, stimuleren netwerken voor facilteren bedrijfscontacten, regelen straathandel en markten (incl. marktgelden en staanplaatsgelden), BIZ-bijdrage.
Economische promotie
Promotionele activiteiten, gericht op het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid en nieuwe werkers, aantrekken van overige instellingen ter versterking van het profiel van de gemeente, investeren in bovenlokale, regionale, landelijke en internationale kennis- en economische relatienetwerken, promotie toerisme.
Evenementen
Bijdragen voor evenementen op het gebied van (top)sport, cultuur en recreatie
Cultuur
Zowel accommodaties als programmering: muziek, zang, opera, toneel, ballet en dans. Schouwburgen, concertgebouwen, toneel en concertzalen. Musea voor moderne kunst, tentoonstellingen, ateliers, overkoepelende organen op het gebied van kunstbeoefening, kunstprijzen, cultuurmanifestaties en herdenkingen, poppodia, filmhuizen. Subsidies voor kunstgroepen, beroepsgezelschappen, amateurkunst, architectuur, culturele initiatieven, beeldende kunst.
Cultuureducatie
Cultuureducatie, combinatiefunctionarissen cultuur, centra voor kunsten, muziekscholen, culturele en kunstzinnige vorming
Musea
Bijdragen exploitatie musea, oudheidkamers, tentoonstellingen.
Bibliotheken
Bijdragen exploitatie bibliotheken.
Lokale media
Subsidies lokale media
Monumenten
Monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, molens, carillons, kerkorgels en -torens, luidklokken, stadsbeiaardier, immaterieel cultureel erfgoed, open monumentendag.
Historisch archief
Streekarchief, stadsarchief, historisch informatiecentrum, archeologie, heemkunde
3.2
3.3
Economie en innovatie
Kunst en cultuur
Erfgoed
Uitkomsten benchmark programma 3: Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed
27
Programma 3: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
landelijke centrumfunctie
structuurkenmerken per inwoner Adam=100
67,8%
98
88
91
79
56
55
regionale centrumfunctie
19,3%
110
93
106
116
67
67
schaalbedrag
7,4%
36
0
0
0
0
0
inwoners
3,8%
100
100
100
100
100
100
DU beeldende kunst en vormgeving
1,4%
112
104
91
70
32
42
suppletie herijking (tijdelijk) TOTAAL cultuur
structuurkenmerken per inwoner Adam=100
0,4%
166
623
126
-548
80
-44
100,0%
97
86
87
78
55
54
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
regionale centrumfunctie
48,1%
110
93
106
116
67
67
bewoonde oorden 1931 in historische kern
32,8%
100
96
47
45
86
63
oppervlakte historische kern
17,2%
181
50
78
101
140
212
DU slavernijverleden
1,5%
0
0
0
0
0
0
suppletie herijking (tijdelijk)
0,4%
166
623
126
-548
80
-44
inwoners TOTAAL historie structuurkenmerken per inwoner Adam=100
0,0%
100
100
100
100
100
100
100,0%
88
87
79
85
84
87
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
omgevingsadressendichtheid
65,4%
63
77
51
58
54
62
schaalbedrag
13,6%
38
3
4
7
10
13
oppervlakte bebouwing woonkernen
9,5%
114
110
133
161
142
131
bewoonde oorden 1931
5,2%
104
106
49
49
85
62
oppervlakte historische kern
2,4%
181
50
78
101
140
212
oppervlakte bebouwing buitengebied
1,4%
224
13
91
151
14
15
kernen
1,2%
66
21
54
301
48
31
suppletie herijking (tijdelijk)
0,8%
166
623
126
-548
80
-44
DU vergunningverlening, toezicht en handhaving
0,2%
745
120
258
387
117
203
oppervlakte land
0,2%
160
72
124
377
86
84
DU Wet kwaliteitsborging bouw
0,2%
103
100
103
116
105
108
100,0%
70
74
55
62
60
64
TOTAAL ruimte, milieu en economie
De taken van programma 3 hebben betrekking op verschillende taakgebieden, zoals dat in het gemeentefonds wordt onderscheiden. Een groot deel van de taakonderdelen binnen programma 3 valt onder het taakgebied cultuur, waar de centrumfunctie een belangrijke rol speelt. Dit geldt ook voor taakonderdelen met een historisch karakter, maar daar wordt dit aangevuld met historische kenmerken. De economische taakonderdelen worden in het gemeentefonds niet onderscheiden en maken deel uit van het bredere taakgebied ruimte, milieu en economie.
Uitkomsten benchmark programma 3: Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed
28
Uitkomsten benchmark Programma 4: Sport
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
29
Programma 4: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 4
netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties
Bij de onderscheiden taakonderdelen binnen programma 4 vallen de relatief lage netto uitgaven voor sportaccommodaties op. Aangezien het om relatief beperkte budgetten gaat is er niet voor gekozen om dit te verdiepen.
Uitkomsten benchmark programma 4: Sport
30
Programma 4: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
inwoners
structuurkenmerken per inwoner Adam=100
94,9%
100
100
100
100
100
100
lokale centrumfunctie
4,0%
103
102
104
100
103
108
suppletie herijking (tijdelijk)
1,1%
166
623
126
-548
80
-44
TOTAAL sport en recreatie
100,0%
101
106
100
93
100
99
Uitkomsten benchmark programma 4: Sport
31
Programma 4: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving
taakonderdeel
toelichting
4.1
Sportbeleid
Stimuleren van (amateur en top)sport, ondersteunen en stimuleren recreatieve sportbeoefening, ondersteunen van organisatie die zich met sport bezig houden, sport in de buurt en functies/buurtsportcoaches (combinatiefuncties).
Zwembaden
Overdekte zwembaden, openlucht zwembaden.
Sportaccommodaties
Sporthallen, schaatsbanen/hallen, atletiekbanen, sportvelden/-terreinen (incl. kunstgrasvelden), wielerbanen, tennisaccommodaties.
Sport
Uitkomsten benchmark programma 4: Sport
32
Uitkomsten benchmark Programma 5: Onderwijs
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
33
Programma 5: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 5
netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties
Binnen programma 5 vallen de relatief hoge netto uitgaven op bij de taakonderdelen huisvesting voortgezet onderwijs, onderwijsachterstandenbeleid en overige onderwijsbeleid. Aangezien dit past bij de bestuurlijke prioriteit is er niet voor gekozen om dit te verdiepen. Bovendien gaat het om relatief beperkte budgetten.
Uitkomsten benchmark programma 5: Onderwijs
34
Programma 5: toelichting inhoud taakonderdelen programmaonderdeel code omschrijving
taakonderdeel
toelichting
5.1
Huisvesting primair onderwijs
Nieuwbouw, aanpassing en uitbreiding van bestaande schoolgebouwen, verhuur, onderhoudsprogramma, vandalismebestrijding van BO-schoolgebouwen
Huisvesting speciaal onderwijs
Nieuwbouw, aanpassing en uitbreiding van bestaande schoolgebouwen, verhuur, onderhoudsprogramma, vandalismebestrijding van SO-schoolgebouwen
Huisvesting voortgezet onderwijs
Nieuwbouw, aanpassing en uitbreiding van bestaande schoolgebouwen, verhuur, onderhoudsprogramma, vandalismebestrijding van VO-schoolgebouwen
Leerplicht
Regionale meld en coördinatiefunctie; aanpak voortijdig schoolverlaten (VSV) / schoolverzuim
Onderwijsachterstandenbeleid
Voor en vroegschoolse educatie, zomerscholen, schakelklassen, laaggeletterdheid, Wet OKE (ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie)
Leerlingenvervoer
Bijdragen voor leerlingenvervoer
Overig onderwijsbeleid
Onderwijsvoorzieningen, bewegingsonderwijs (klokuren), schoolzwemmen, peuterspeelzalen/kinderopvang, volwasseneducatie, schoolbegeleiding, overig onderwijsvoorzieningen
Onderwijs
Uitkomsten benchmark programma 5: Onderwijs
35
Programma 5: correctiefactoren voor verschillen in taakzwaarte Amsterdam en referenties
structuurkenmerken per inwoner Adam=100
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
inwoners met migratieachtergrond
32,6%
110
102
68
34
47
47
jongeren
22,2%
112
119
118
88
121
91
huishoudens met laag inkomen
18,1%
113
92
70
98
84
82
leerlingen voortgezet onderwijs
14,9%
107
103
95
139
146
176
leerlingen (voortgezet) speciaal onderwijs
10,4%
173
123
128
188
176
218
suppletie herijking (tijdelijk)
1,0%
166
623
126
-548
80
-44
groei leerlingen
0,8%
0
216
853
0
0
0
100,0%
117
112
96
84
98
99
in % totaal
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Groningen
Haarlem
Leiden
37,0%
112
119
118
88
121
91
TOTAAL onderwijshuisvesting structuurkenmerken per inwoner Adam=100 jongeren schaalbedrag
26,7%
27
0
0
0
0
0
onderwijsachterstand
25,1%
161
151
70
35
53
48
DU jeugd
6,3%
144
83
54
51
41
37
DU voorschoolse voorziening peuters
2,5%
118
104
86
105
80
82
oppervlakte land
0,9%
160
72
124
377
86
84
suppletie herijking (tijdelijk)
0,8%
166
623
126
-548
80
-44
DU aanpak laaggeletterdheid
0,6%
147
124
139
205
219
306
leerlingen (voortgezet) speciaal onderwijs
0,0%
173
123
128
188
176
218
100,0%
105
96
70
47
65
53
TOTAAL onderwijsbeleid
Binnen het gemeentefonds wordt voor de taken van programma 5 een onderscheid gemaakt naar onderwijshuisvesting en onderwijsbeleid, omdat de kosten van gemeenten door verschillende structuurkenmerken worden bepaald.
Uitkomsten benchmark programma 5: Onderwijs
36
Uitkomsten benchmark Programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit
Bijlage A - Uitkomsten benchmark per programma
37
Programma 6: netto uitgaven per taakonderdeel, Amsterdam en referentiegemeenten Taakonderdelen programma 6
netto uitgaven 2023 Amsterdam t.o.v. referenties
Op volgende taakonderdelen van individuele voorzieningen zijn verdiepende analyses uitgevoerd: • hulp bij huishouden* • maatschappelijke opvang* • beschermd wonen* • jeugdhulp* Tevens is het gehele programma in onderlinge samenhang in een verdiepende analyse betrokken.
* De verdiepende analyses op de volgende pagina’s zijn gebaseerd op 4 in plaats van 6 referentiegemeenten.
Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit
38
Hoge uitgaven aan individuele voorzieningen ondanks inzet op preventieve voorzieningen
netto uitgaven € per inwoner totaal programma 6
referenties
groep
groep
Amsterdam
gemiddeld
laag
hoog
1.281
1.175
1.147
1.202
waarvan personele lasten
204
135
118
151
1. basisvoorzieningen
273
242
233
250
2. wijkteams
137
147
184
111
3. individuele voorzieningen
871
785
730
841
4. preventieve voorzieningen (=1+2)
410
389
417
361
factor preventie / individueel (=4/3)
0,47
0,50
0,57
0,43
minimabeleid (programma 7)
160
144
146
141
Meerjarig beeld P6 Zorg
netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
Voor het totaal van programma 6 heeft Amsterdam de hoogste uitgaven van alle gemeenten in de benchmark. Aanleiding voor de verdieping is de inhoudelijke samenhang tussen individuele voorzieningen (die afzonderlijk zijn verdiept) en sociale basisvoorzieningen. Deze laatste categorie heeft een preventieve werking. Hiertoe worden ook de sociale wijkteams gerekend. De referentiegemeenten zijn in twee groepen ingedeeld op basis van hun totale netto uitgaven op dit programma. De groep gemeenten met lage uitgaven zetten veel in op preventieve voorzieningen en zien de opbrengst hiervan terug in relatief lage uitgaven aan individuele voorzieningen. Amsterdam geeft meer dan gemiddeld uit aan preventieve voorzieningen, maar heeft desondanks de hoogste uitgaven aan individuele voorzieningen. Bovendien is het beroep op deze individuele voorzieningen gelimiteerd doordat Amsterdam budgetplafonds hanteert voor Jeugdhulp en Wmo (zie ook verdieping individuele voorzieningen). Verder valt op dat een deel van de hogere uitgaven van Amsterdam betrekking heeft op personele lasten. Onder in de tabel zijn de netto uitgaven aan minimabeleid (programma 7) vermeld. Dit taakonderdeel kan ook als preventieve voorziening worden beschouwd. In het staafdiagram is te zien dat de uitgaven in de referentiegemeenten de afgelopen jaren substantieel lager waren dan in Amsterdam.
Voor de komende jaren blijven de uitgaven van de referenties ten opzichte van 2023 gemiddeld stabiel, terwijl Amsterdam lagere uitgaven verwacht. Overigens zijn deze besparingen in de meerjarenbegroting van Amsterdam inmiddels gedeeltelijk teruggedraaid. Deze analyse roept de vraag op: wat leveren de hoge uitgaven aan preventieve voorzieningen in Amsterdam op, gezien de hoge uitgaven aan individuele voorzieningen? Het kan interessant zijn om nader in te zoomen op de effectiviteit van de inzet op preventieve voorzieningen in Amsterdam in vergelijking met de referentiegemeenten met lagere totale uitgaven op dit programma. Bij zo’n effectiviteitsanalyse ligt het voor de hand om ook het minimabeleid te betrekken. Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit
39
Uitgaven maatschappelijke opvang en beschermd wonen zijn structureel hoger dan bij referenties Meerjarig beeld maatschappelijke opvang netto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
structureel hogere uitgaven maatschappelijke opvang
In het bovenste diagram is te zien dat de uitgaven aan maatschappelijke opvang in Amsterdam structureel hoger zijn dan in de referenties. Ten opzichte van de afgelopen jaren zijn de uitgaven in Amsterdam gestegen, terwijl deze in de referenties juist zijn afgenomen. Voor de komende jaren worden ook in Amsterdam lagere uitgaven voorzien, onder andere als gevolg van het aflopen van de Blokhuisgelden (aanpak dak- en thuisloosheid), lagere subsidies vreemdelingenbeleid en de overgang van cliënten naar de Wet langdurige zorg.
Meerjarig beeld beschermd wonen
bruto uitgaven Amsterdam t.o.v. referenties
structureel hogere uitgaven beschermd wonen
In het onderste diagram is te zien dat de uitgaven aan beschermd wonen structureel iets hoger zijn in Amsterdam. De afgelopen jaren zijn de uitgaven zowel in Amsterdam als de referentiegemeenten iets afgenomen. Voor de komende jaren wordt zowel door Amsterdam als de referenties een stabiel uitgavenniveau begroot.
Uitkomsten benchmark programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit
40
Een groot aantal cliënten leidt tot relatief hoge uitgaven aan maatschappelijke opvang extra voorzieningen vaak ook in referentiegemeenten
referenties maatschappelijke opvang netto uitgaven per inwoner
Amsterdam
gemiddeld
ref A
ref B
ref C
ref D
149
91
61
82
100
119
3,1
0,3
0,1
0,6
0,2
0,2
ja
nee
ja
nee
4
0
kengetallen om uitgaven te duiden aantal cliënten per 1.000 inwoners regio wachtlijst
ja
gemiddelde wachttijd in maanden