CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

251112 DEF rapport Verwey 324330_Wet-inburgering-2021-in-uitvoering.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 14 januari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Evaluatie Amsterdams inburgeringbeleid Wi2021 (VN2025-016213)62.641 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

Taalaanbieder (van de leerroute)

Sosytraining

Module Arbeidsmarkt en Participatie

Taalaanbieder (van de leerroute)[25] Sosytraining

B1-route

NLtraining en daarnaast VU voor inburgeraars met hoge leerbaarheid

-

B1 mbo route

TopTaal, daarnaast voert NLtraining oriëntatiefase uit[26]

-

Onderwijsroute

VU en HVA

-

Z-route

NLtraining voor taal, NewBees (tot 1 oktober 2025) en VluchtelingenWerk voor participatie

Kwaliteitsconvenant Taal en Inburgering De gemeente Amsterdam heeft in 2018 het Kwaliteitsconvenant Taal en Inburgering ontwikkeld, om in samenwerking met taalscholen in de stad de kwaliteit van het inburgeringsaanbod te borgen en waar nodig te verbeteren. Het convenant was destijds ontwikkeld als tussenoplossing voor statushouders die nog onder de Wet inburgering 2013 vielen. Onder Wi2021 is het convenant geactualiseerd. De gemeente Amsterdam controleert potentiële convenantpartners voorafgaand aan de toetreding op kwaliteit. Dit betekent concreet dat de gemeente bij potentiële convenantpartners een gesprek met de directie inplant, lesobservaties houdt en gesprekken met docenten en cursisten voert. Op basis van de uitkomsten bepaalt de gemeente of de potentiële convenantpartner voldoet aan de kwaliteitseisen van het Kwaliteitsconvenant Taal en Inburgering. Het convenant geeft de gemeente de mogelijkheid om de inburgeringsplichtigen gerichter te adviseren bij het maken van een keuze voor een passende taal- en inburgeringsaanbieder. Ook kan de gemeente hiermee beter de inburgeringstrajecten monitoren. Voor gezinsmigranten, die zelf een aanbieder voor de leerroute kiezen, biedt het convenant houvast.

25

Vanaf 1 januari 2026 zal VluchtelingenWerk de PVT en de MAP uitvoeren voor statushouders in de Z-route.

26

Per 1 september 2025 voert TopTaal ook de oriëntatiefase uit en stopt NLtraining.

16

2.5.

Aantallen inburgeraars

In deze paragraaf geven we inzicht in enkele kwantitatieve resultaten die de gemeente Amsterdam heeft behaald. De data zijn gebaseerd op gegevens van DUO met peildatum 1 juli 2025. Tussen 1 januari 2022 en 1 juli 2025 zijn er 8.599 personen inburgeringsplichtig geworden en woonachtig in of gekoppeld aan Amsterdam. Van de totale groep inburgeringsplichtigen zijn 3.725 statushouders (43%) en 4.874 gezins- en overige migranten (57%). Het aandeel gezins- en overige migranten in de gemeente Amsterdam ligt aanzienlijk hoger dan het landelijke gemiddelde, waar de verdeling 66% statushouders en 33% gezins- en overige migranten bedraagt.[27] Statushouders Tussen 1 januari 2022 en 1 juli 2025 zijn 3.725 inburgeringsplichtige statushouders gekoppeld aan de gemeente Amsterdam. Hiervan zijn 3.014 statushouders (81%) gehuisvest en verblijven nog 711 statushouders (19%) in de COA opvang.

Gezins- en overige migranten Tussen 1 januari 2022 en 1 juli 2025 zijn 4.541 gezinsmigranten en 531 overige migranten ingestroomd. De aantallen die in de rest van deze paragraaf worden genoemd bevatten de data voor gezins- en overige migranten samen, deze worden genoemd onder de noemer ‘gezinsmigranten’. De gemeente heeft bij 66% van alle gezinsmigranten het PIP vastgesteld.[29] Het overgrote deel van de gezinsmigranten (92%) volgt de B1-route. Een aanzienlijk kleiner deel volgt de Z-route (8%) en slechts twee gezinsmigranten volgen de Onderwijsroute (0,06%). Op basis van een vergelijking tussen de gegevens van de gemeente Amsterdam en het landelijke gemiddelde blijkt dat het aandeel gezinsmigranten binnen de leerroutes vergelijkbaar is met het landelijke gemiddelde.[30] Tot op heden hebben 172 gezins- en overige migranten die een PIP hebben (5%) de inburgering afgerond. Twee gezinsmigranten hebben de Z-route afgerond en de rest de B1-route. Daarnaast zijn 161 gezins- en overige migranten niet meer inburgeringsplichtig, omdat ze zijn ontheven of vrijgesteld van de inburgeringsplicht, zijn overleden of verhuisd.

Volgens de gegevens van DUO heeft de gemeente bij 50% van de inburgeringsplichtige statushouders die gekoppeld zijn aan de gemeente Amsterdam het PIP afgenomen. Dit aantal kan in de praktijk hoger liggen, omdat mede door de overgang naar een nieuw gemeentelijk ICT-systeem en personeelstekorten de registratie van de gegevens mogelijk niet volledig is. Andere factoren die ervoor zorgen dat mensen nog geen PIP hebben is dat een deel nog in de opvang zit en inburgering nog niet verplicht is, en een deel nog bezig is met de brede intake van 10 weken. Het merendeel van de statushouders in Amsterdam (75%) volgt de B1-route (64% in de reguliere B1-route en 11% in de B1 mbo route). De overige statushouders volgen de Onderwijsroute (17%) en de Z-route (8%). Wanneer we de gegevens van de gemeente Amsterdam en het landelijke gemiddelde vergelijken, zien we dat het percentage statushouders in de B1-route in Amsterdam hoger is dan landelijk (75% versus 57%). Dit geldt ook voor de onderwijsroute (17% versus 11%). Het aandeel statushouders in de Z-route ligt in Amsterdam flink lager dan het landelijke gemiddelde (8% versus 32%).[28] Tot op heden heeft 1,5% van de statushouders met een PIP (55 personen) het inburgeringstraject succesvol afgerond.

Daarnaast zijn 15 statushouders niet langer inburgeringsplichtig, omdat ze zijn ontheven of vrijgesteld van de inburgeringsplicht, zijn overleden of verhuisd. 27

Centraal Bureau voor de Statistiek (2024). Statistiek Wet Inburgering. 2. Samenstelling populatie inburgeringsplichtigen | CBS

29

Mogelijk ligt dit aantal hoger, omdat de registratiesystemen van de gemeente Amsterdam mogelijk niet volledig up-to-date zijn.

28

Kamerbrief over voortgang inburgering | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.

30

Kamerbrief over voortgang inburgering | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.

17

3

Statushouders

In dit hoofdstuk staan we stil bij de (uitvoering van) taken die de gemeente heeft in het inburgeringstraject van statushouders. We bespreken bij de stappen in het uitvoeringsproces telkens de inrichting, uitvoering en de ervaringen met de uitvoering van het inburgeringstraject. Aan het einde van dit hoofdstuk staan we stil bij de vraag in hoeverre de (sub)doelen uit de beleidstheorie (tijdigheid, snelheid, maatwerk, dualiteit en kwaliteit) terug te zien zijn in de opzet en uitvoering. We bespreken de volgende onderdelen van het uitvoeringsproces: „ Vroege Start. „ Taalstart. „ Financieel ontzorgen. „ Maatschappelijke begeleiding. „ Begeleiding door de klantbegeleider.

3.1.

Perspectief van statushouders op het (verplicht) inburgeren

Voordat we ingaan op de verschillende instrumenten van de wet, lichten we de perspectieven van statushouders uit op het feit dat ze verplicht moeten inburgeren.

Ervaringen van statushouders We hebben aan de geïnterviewde statushouders gevraagd wat zij ervan vinden dat zij verplicht moeten inburgeren. Verreweg de meeste geïnterviewden zijn positief over het gegeven dat zij moeten inburgeren en noemen hiervoor diverse redenen. Meest genoemd is dat het belangrijk is om de taal te leren en inzicht te krijgen in de Nederlandse samenleving. Zonder dit kun je niet meedoen. Een aantal geïnterviewden benoemt daarnaast dat het fijn is om actief aan de slag te gaan.

“ Toen ik net vier maanden in Nederland was, was ik al op zoek naar iets om te doen. Dus de verplichting om te starten met school en inburgering kwam voor mij op het juiste moment”. (Syrische vrouw. 20-25 jaar, Onderwijsroute HvA, 20 maanden bezig met inburgeren)

“ Voor mij was dat iets positiefs. Het gaf mij beetje rust van alle stress. Ik vond het goed.

Ik moest sowieso aan de slag met de taal vanwege mijn studieachtergrond.” (Syrische man, 35-40 jaar, Onderwijsroute HvA, vijftien maanden bezig met inburgeren)

Inburgeren biedt een kans om onderwijs te krijgen, of een opleiding te volgen.

“ Het is goed om te moeten inburgeren. In mijn land van herkomst had ik geen onder-

wijs, en hier krijg ik het wel. Dat vind ik een goed idee.” (Eritrese vrouw, 35-40 jaar, Z-route, twee jaar bezig met inburgeren)

“ Ik wist dat ik goed moest inburgeren. Omdat ik hier wilde studeren. En mijn studie is een studie die helemaal in het Nederlands is, dus het leren van Nederlands is heel belangrijk.” (Syrische man, 20-25 jaar, Onderwijsroute VU, negentien maanden bezig met inburgeren)

Een aantal geïnterviewden heeft opmerkingen gemaakt over het tijdsbeslag van de inburgering in het dagelijks leven. In de organisatie van de inburgering wordt naar hun idee niet altijd voldoende rekening gehouden met (uitdagingen in) de leefsituatie.

“ Ik snap waarom het verplicht is, maar ik vond dat er te weinig begrip was voor mijn situatie. Mijn man is ernstig ziek en ik zorg voor hem. Dat werd eerst niet serieus genomen.” (Syrische vrouw, 50-55 jaar, Z-route, één jaar bezig met inburgeren)

“ Ik vind het idee van inburgering goed. We moeten de taal leren en beter begrijpen hoe alles werkt in Nederland. Maar vroeger hadden we gehoord dat het 600 uur zou zijn. Nu is het 800 uur geworden, en dat vind ik echt te veel.” (Eritrese man, 50-55 jaar, Z-route, net begonnen met inburgeren)

18

Ook zou volgens diverse geïnterviewden met statushouders overlegd moeten worden over het moment van starten met inburgeren, omdat (gezondheids)problemen een belemmering kunnen vormen.

“ Ik denk dat het belangrijk is dat ze ons een keuze geven. Ben je er klaar voor, fysiek

en mentaal? Veel mensen hebben een jaar of langer in een kamp gezeten onder moeilijke omstandigheden. Ben je psychisch klaar om naar school te gaan? Kun je je concentreren? Ik hoop dat ze dit in de toekomst beter vragen.” (Syrische man, 35-40 jaar, bezig met de Taalstart)

Tot slot, een enkeling vindt dat de inburgering beschikbaar, maar niet verplicht zou moeten zijn.

“ Ik vind dat mensen niet gedwongen moeten worden. Cursussen zouden niet verplicht

moeten zijn. Als iemand echt gemotiveerd is, moet hij of zij de opleiding kunnen volgen die hij of zij zelf wil. De persoon moet zelf zijn eigen weg kunnen bepalen.” (Turkse vrouw, 30-35 jaar, B1-route versneld, twee maanden bezig met inburgeren)

3.2.

Vroege start

De (regie)rol van gemeenten in de inburgering start op het moment dat statushouders aan de gemeente worden gekoppeld voor huisvesting. Omdat statushouders doorgaans nog enige, of lange tijd in het asielzoekerscentrum (azc) verblijven tot dat hun woning beschikbaar komt, is het de bedoeling dat gemeenten al contact met de aan hun gekoppelde statushouders (voor de taakstelling huisvesting statushouders) hebben en statushouders een begin maken met het inburgeringstraject. Gemeenten kunnen dit op hun eigen manier vormgeven. Dit wordt de ‘Vroege start’ genoemd. In deze paragraaf bespreken we hoe in de gemeente Amsterdam de Vroege start heeft georganiseerd en wat hiermee de ervaringen zijn.

3.2.1. Opzet De gemeente Amsterdam biedt inburgeraars onder de Wet Inburgering 2021 de kans om al te starten met inburgering en participatie terwijl zij nog in het azc wonen. Dit staat bekend als de Vroege start azc. Deelname aan de Vroege start is vrijwillig voor statushouders en is een extra dienstverlening van de gemeente Amsterdam. De aanleiding voor de Vroege start is tweeledig: de gemeente Amsterdam wil inburgeraars de mogelijkheid geven zo vroeg mogelijk te starten met de officiële inburgering en daarnaast creëert de wachttijd voor huisvesting, die kan oplopen tot anderhalf jaar ook een noodzaak voor een Vroege start. De Vroege start draagt bij aan de subdoelstelling tijdigheid van de Wet Inburgering 2021, doordat de inburgering eerder afgerond kan worden. Kernelementen van de Vroege start zijn: „ „ „ „ „

Het verzamelen van informatie ten behoeve van de Brede intake. Het voeren van participatiegesprekken met de klantbegeleider. Deelnemen aan de Taalstart (zie paragraaf 3.4). Het starten met de inburgeringsroute vanuit het azc. Iedereen die aan Amsterdam is gekoppeld en nog in een COA-opvanglocatie woont, ontvangt een welkomstpakket, met een brief in verschillende talen over de mogelijkheid om te starten met inburgering vanuit het azc en algemene informatie over de Amsterdamse inburgering.

In de praktijk zijn het vooral statushouders die in een Amsterdamse COA locatie verblijven, die meedoen aan de vroege start, vanwege de fysieke nabijheid van het inburgeringsaanbod. Statushouders die aan de gemeente Amsterdam zijn gekoppeld, maar elders in het land verblijven, kunnen zich via een emailadres melden om te kijken wat er qua Vroege start mogelijk is. Dit staat uitgelegd in het voornoemde welkomstpakket. Specialistische Vroege start begeleiders van de gemeente zijn structureel aanwezig op Amsterdamse opvanglocaties om voorlichting te geven over (de voordelen van) Vroege start en nemen vervolgens één op één intakes af om te kijken wat de wensen en mogelijkheden zijn van iemand. Wanneer een statushouder die nog in de opvang verblijft deelneemt aan de Vroege start verloopt de inburgering vervolgens op dezelfde manier als voor iemand dat al in Amsterdam gehuisvest is. Dat wil zeggen dat de statushouder begint met de Taalstart en na afloop hiervan samen met een klantbegeleider vaststelt welke leerroute het meest passend is en vervolgens gaat starten met inburgeringslessen in de betreffende route.

19

Sinds een jaar doet Amsterdam ook mee aan de landelijke pilot ‘Startbanen’[31], waarbij in Amsterdam specifiek Vroege start statushouders vanuit de opvang ook naar werk worden begeleid, in combinatie met hun inburgering.[32] 3.2.2. Ervaringen Om de ervaringen met (de uitvoering van) de vroege start in beeld te brengen, hebben we een groepsinterview gehouden met een aantal professionals die hierbij betrokken zijn. Het ging om een beleidsadviseur inburgering en taal met portefeuille Vroege Start en een casemanager participatie die vanuit het COA betrokken is bij de Vroege Start. In de groepsgesprekken met statushouders hebben we, op een enkele uitzondering na, geen deelnemers getroffen die ervaring hebben met de Vroege start. Deze paragraaf is daarom gebaseerd op de ervaringen van professionals. Uitbreiding locaties werving voor Vroege start Op steeds meer opvanglocaties van COA in Amsterdam wordt voorlichting gegeven over de Vroege start en worden intakes gedaan door de voornoemde specialistische Vroege start begeleiders van de gemeente. Hierdoor worden méér statushouders die nog in de opvang verblijven, bereikt. Belangrijk hierbij is dat de voorlichtingen in eigen taal kunnen worden gegeven, zodat statushouders in de gelegenheid zijn om al hun vragen te stellen en zo beter te kunnen beslissen of zij willen meedoen aan de Vroege start.

In de voorlichtingsbijeenkomsten wordt ook uitleg gegeven over het proces van woningtoewijzing, omdat hierover – ook gegeven de lange wachttijd – veel vragen leven en sprake is van onbegrip. De gemeente maakte hiervoor ook een informatiefilmpje in het Engels, dat inzicht geeft in het proces.[33] Betrokkenen vanuit de gemeente en het COA vertellen dat een goede samenwerking belangrijk is. Beide partijen spelen een rol in het enthousiasmeren van statushouders voor de Vroege start. Casemanagers van het COA zijn zélf voorgelicht over de Vroege start, waardoor zij statushouders beter hierover kunnen informeren.

31

Zie Gemeenten starten proef om statushouders direct aan werk te helpen | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl.

32

https://sociaalbestekpremium.nl/sociaal-bestek-2025-editie-2-auteurseditie/ starten-met-inburgering-en-werk-vanuit-de-opvang/.

33

Zie Wachten op een huis in Amsterdam. Informatie voor Amsterdamse statushouders.

“ Dat zijn begeleidingsgesprekken die gevoerd worden door een casemanager en ook dat stukje enthousiasmeren en informatie geven. Dat zie ik als een rol van de casemanager. Het is mooi om te zien dat er een nauwe samenwerking is tussen casemanagers en klantbegeleiders, die vertellen hetzelfde verhaal.” (Groepsinterview Vroege start)

Aan Amsterdam gekoppelde statushouders die in opvanglocaties elders in het land verblijven, wordt een welkomstpakket en een brief gestuurd. Als zij aangeven belangstelling te hebben om mogelijk deel te nemen aan de Vroege start, dan kan dit worden besproken. In de praktijk is het overigens vooral vanwege de reisafstand lastig om vanuit opvang elders in het land te starten met de Vroege start in Amsterdam. Vooral jonge statushouders (die een opleiding willen gaan volgen) nemen deel aan de Vroege start Vanuit de voorlichting wil gemiddeld 80% van de deelnemers door naar een intake en daadwerkelijk starten met de Vroege start. In de praktijk zijn deelnemers vooral veel jongeren, theoretisch opgeleiden en al gemotiveerde mensen. De Vroege start biedt hun de gelegenheid om zich voor te bereiden op de inburgering. Vaak willen zij een opleiding gaan volgen.

“ Het zijn vaak bewoners die in hun carrière bij het COA ook al heel actief zijn geweest. Zij

doen mee met programma’s en vrijwilligerswerk op het terrein zelf of extern. Dat zijn bewoners die het heft in eigen handen nemen en zodra er aanbod is daar gebruik van maken. Hoger opgeleiden vinden hier makkelijker hun weg in.” (Groepsinterview Vroege start)

Desgevraagd blijkt het lastiger om personen die geen of weinig onderwijs hebben genoten en vrouwen te motiveren voor deelname aan de Vroege start. Zij kiezen er vaker voor om op locatie deel te nemen aan de Voorinburgering van het COA, vooral als men (jonge) kinderen heeft, die ook op de locatie verblijven. Bij de voorlichting wordt geëxperimenteerd met het inzetten van sleutelpersonen of ambassadeurs om deze groepen beter te bereiken. Meer in het algemeen noemen betrokkenen bij de Vroege start dat er statushouders in de opvang zijn die er de voorkeur aan geven om te wachten met inburgeren totdat zij een woning hebben, of totdat gezinshereniging heeft plaatsgevonden. Nu betaald werken vanuit de opvang meer wordt gestimuleerd en gefaciliteerd merken betrokkenen bij de Vroege start dat sommige statushouders liever betaald aan de slag gaan en het inburgeren willen uitstellen totdat zij in de gemeente wonen.

20

Randvoorwaarden voor deelname aan Vroege start De reisafstand naar de lessen van de Taalstart en de taallessen kan aanzienlijk zijn en reiskosten worden niet altijd vergoed. Per 1 juli 2025 heeft het ministerie van SZW tijdelijk geld beschikbaar gesteld om de reiskosten te vergoeden voor de vroege start inburgering door gemeenten. Deze vergoeding vanuit COA geldt vanaf het moment dat het PIP is opgesteld.[34] Deelnemers aan de Vroege start hebben vaak huiswerk als zij eenmaal zijn gestart met inburgeren. Het verschilt sterk per opvanglocatie of er faciliteiten zijn om rustig huiswerk te kunnen maken. Als faciliteiten ontbreken, dan is het meestal op de betreffende locaties niet goed mogelijk om die te creëren. Zowel gemeente als COA denken mee over nabije studiefaciliteiten zoals bibliotheken. Resultaten en effecten van de Vroege start Uit een kwalitatieve evaluatie in 2022 bleek dat de resultaten van de Vroege start positief zijn: deelname aan de Vroege start geeft statushouders perspectief en motiveert hen.[35] In 2024 heeft de gemeente in een Maatschappelijke Kosten en Baten (MKBA) onderzoek in beeld laten brengen wat kwantitatieve resultaten van de Vroege start zijn.

Uit dit onderzoek blijkt dat elke euro die de gemeente heeft ingezet op de Vroege start voor cohort 2022, (in de toekomst) een besparing oplevert op bijstandsuitkeringen en uitvoeringskosten van € 1,40 tot € 2,90. Daarnaast hebben statushouders al een groter netwerk op het moment dat zij een huis toegewezen krijgen in Amsterdam en worden schulden eerder gesignaleerd doordat klantbegeleiders en statushouders al een vertrouwensband hebben opgebouwd, wanneer zij vroeg inburgeren. Gegeven dat statushouders aan de gemeente zijn gekoppeld, heeft het dus maatschappelijk én financieel gezien nut om hen te helpen snel in te burgeren.[36]

34

Zie COA - Reiskosten Vroege Start Inburgering | www.coa.nl.

35

Significant Public (2022) Evaluatie: Pilot vroege start azc: Een samenwerking tussen gemeente Amsterdam en COA landelijk.

36

Significant Public (2024). MKBA Vroege start. Gemeente Amsterdam.

3.3.

De Taalstart

Een gemeente heeft de keuze om als onderdeel van de Brede intake een intensiever voortraject in te zetten. Dit biedt de kans om de leerbaarheid en startpositie over een langere periode te toetsen en om klantbegeleiders wat uitgebreider de tijd te geven om iemand goed te leren kennen. Het is voor het bieden van maatwerk belangrijk een goed beeld te krijgen van inburgeringsplichtigen en hun kwaliteiten, eigenschappen en competentieniveau. Ook kunnen inburgeringsplichtigen zo zelf een helder beeld vormen van hun perspectief in Nederland. Ze weten wat hun rechten, plichten en verantwoordelijkheden zijn en kunnen vanaf dag één actief zijn in hun gemeente. Dit vergroot de kans dat de inburgeringsroute na het vaststellen van het PIP goed bij de persoon past en er minder bijgesteld hoeft te worden.[37] In deze paragraaf bespreken we hoe in Amsterdam de Taalstart van statushouders is georganiseerd en wat hiermee de ervaringen zijn. 3.3.1. Opzet De Brede intake beslaat in Amsterdam een periode van tien weken. Belangrijk onderdeel van de Brede intake is de Taalstart. Dit traject wordt uitgevoerd door Danner & Danner. De statushouders worden aangemeld door de klantbegeleider. Danner & Danner nodigt de statushouder uit voor een intake. Deze intake wordt gehouden door mensen die de eigen taal van de deelnemers spreken en hier speciaal voor getraind zijn.

Hier wordt gekeken naar bijvoorbeeld kennis van het Latijnse schrift, ervaringen met het leren van een andere taal en eerdere scholing. Aan de hand van deze intake worden statushouders ingedeeld bij een groep met snellere of langzamere leerders waarvoor gebruik wordt gemaakt van twee verschillende lesmodules. Dit programma observeert en meet in welke inburgeringsroute de statushouders het beste zouden passen. Het sluit aan bij de wil van de gemeente om bij de brede intake een beter beeld te krijgen van de inburgeraar, in plaats van alleen de verplichte leerbaarheidstoets af te nemen (wat een momentopname is). Statushouders krijgen gedurende zes weken 22 lessen van drie uur. Dit betreft een kort -en intensief taaltraject dat is gefocust op spreek- en presentatievaardigheden. De lessen zijn doorgaans op de taalschool, maar excursies en uitstapjes zijn ook onderdeel van het programma. Voor statushouders die al werken of de taal al spreken is er echter ook een uitgebreide intake van een halve dag waarin de leerbaarheidstoets en andere toetsen worden afgenomen naast dat de wens voor wel of geen opleiding doen wordt besproken.

37

Divosa. (2022). Handreiking Brede intake en Pip.

21

Danner & Danner neemt tijdens het traject de leerbaarheidstoets af. Dit is een digitale toets die focust op de vraag of een deelnemer binnen drie jaar de B1-route kan afronden.[38] Inburgeraars zijn verplicht deze toets te maken. Verder observeren de docenten sociale, studie-, presentatie- en digitale vaardigheden en werkhouding. Dit gebeurt door een opdracht uit te leggen en te observeren hoe statushouders hiermee aan de slag gaan. Al deze vaardigheden worden twee keer geobserveerd om te kijken naar de voortgang. Ook wordt gekeken of de statushouder op zichzelf kan reflecteren. Aan het einde van de cursus worden er spreek-, luister-, schrijf- en leestoetsen afgenomen. De uitkomsten van de taaltoetsen en de observaties worden verwerkt in een eindrapportage met adviezen voor de nieuwe leerroute. Hierbij geeft Danner & Danner ook een inschatting of men binnen een leerroute een snelle of minder snelle leerder zal zijn. Klantbegeleiders gebruiken de eindrapportage om in overleg met de statushouder de inburgeringsroute vast te stellen in het PIP. Taalaanbieders van diverse inburgeringsroutes gebruiken deze eindrapportages om statushouders in te delen in groepen per niveau. 3.3.2. Ervaringen Om de ervaringen met (de uitvoering van) de Taalstart in beeld te brengen, hebben we een groepsinterview gehouden met twee docenten en een regiomanager van Danner & Danner.

Daarnaast hebben we in de groepsgesprekken die we met statushouders hebben gehouden stilgestaan bij hun ervaringen met de Taalstart. In deze paragraaf bespreken we de ervaringen van professionals en statushouders. Samenwerking met de gemeente en taalscholen verloopt goed, maar er zijn ook uitdagingen De samenwerking met de taalscholen is erg prettig. Er is overleg met de taalaanbieders als zij vragen hebben over het advies. Ook wordt er samen nagedacht over hoe het proces verbeterd kan worden. Betrokkenen bij de Taalstart zien ook dat de gemeente Amsterdam het perspectief en de ontwikkelingskansen van statushouders vooropzet. Omdat Amsterdam een grote gemeente is, is er ook veel aanbod en kan maatwerk worden geleverd. Een nadeel van een grote gemeente is wel dat voorstellen voor aanpassingen in de uitvoering of samenwerking met veel verschillende afdelingen moeten worden besproken.

Ook zijn er enkele instroom -en doorstroomproblemen. Er is vertraging opgelopen bij de gemeente doordat er een periode lang te weinig klantbegeleiders waren. Ook heeft de overstap die de gemeente heeft gemaakt naar een nieuw ICT-systeem voor vertraging gezorgd. Sinds februari 2025 stroomt dit weer door. Tegelijkertijd is het voor Danner & Danner soms lastig om de afspraken over doorlooptijden te halen als er opeens vele aanmeldingen tegelijk zijn voor de Taalstart. Docenten horen hiernaast ook dat het vooral in de B1-route en de Z-route lang kan duren voordat statushouders na afronding van de Taalstart kunnen beginnen met taallessen. Dit heeft negatieve gevolgen voor de motivatie van statushouders en zo vergeten ze ook de tijdens de Taalstart opgedane informatie.

“ Het is wel een terugkerende vraag: “Wanneer ga ik beginnen bij mijn volgende taalschool?”. Op die vraag weten wij helaas niet het antwoord. We horen in de wandelgangen dat dat soms best lang duurt. Dat het onduidelijk is hoe het nu verder gaat met de inburgering is telkens terugkerend. Dat vind ik een enorm punt van aandacht, want de Taalstart is een mooi instrument, maar als je dan daarna drie, vier, vijf, zes maanden thuiszit dan is het bijna weggegooide moeite.” (Groepsinterview Taalstart)

In beeld brengen van mogelijkheden en behoeften van statushouders De landelijk ontwikkelde en verplichte leerbaarheidstoets wordt aan het einde van week twee afgenomen door bevoegde toetsafnemers van Danner & Danner. De docenten zien dat de leerbaarheidstoets niet altijd goed aansluit bij statushouders die bijvoorbeeld geen Latijns schrift kennen, of die niet gewend zijn met een laptop te werken. Dit resulteert erin dat statushouders uit bepaalde herkomstlanden of regio’s beter of slechter ‘scoren’ dan anderen’.

“ Het is geen talige toets, maar je moet bijvoorbeeld wel letters ordenen en dat is Latijns

schrift. Als je dat niet of nauwelijks kent, dan blokkeer je gewoon. Mensen denken: “Ik ken die woorden helemaal niet, die woorden betekenen niks”.” (Groepsinterview Taalstart)

Daarom worden op diverse manieren capaciteiten in beeld gebracht. Door te observeren in de les, eigen taaltoetsen af te nemen, door persoonlijke gesprekken en doordat statushouders een portfolio maken. Ook worden uitstapjes gemaakt, bijvoorbeeld naar de bibliotheek of een buurthuis.

“ Ik was vanochtend in de bibliotheek. Daar moeten statushouders dan zelf een digitaal 38

Gemeente Amsterdam (2021). Programmaplan Amsterdamse aanpak statushouders en inburgering. De uitvoering van het nieuwe inburgeringsstelsel in Amsterdam.

formulier invullen om een bibliotheekpas aan te vragen. Ik kijk dan of het lukt of dat ze hulp nodig hebben of willen. Dat geeft wel een idee van iemands achtergrond. (Groepsinterview Taalstart)

22

Danner & Danner maakt een eindrapportage op basis van alle over de statushouder verzamelde informatie. Naar eigen zeggen lukt het betrokkenen bij de Taalstart om een goed beeld te krijgen van de capaciteiten en wensen van een statushouder.

“ Wat ze daar doen, is kijken of je al weet wat je wilt doen, of dat je daar nog over moet

nadenken. Ze nemen ook een intelligentietest af. Dus naast het bepalen van welke route je moet volgen, liet de docent ons ook verschillende opties zien via internet. Ze zeiden bijvoorbeeld: “Kijk, je kunt naar deze school gaan, of naar die. Dit is ook een mogelijkheid.” Ze gaven dus informatie om je te helpen je pad uit te stippelen.” (Turkse man, 30-35 jaar, B1-route versneld, één jaar bezig met inburgeren)

Rol en gebruik van de eindrapportage van de Taalstart Betrokkenen bij de Taalstart zien dat klantbegeleiders en taalscholen goed gebruik maken van de eindrapportage. Wel merken zij op dat in sommige gevallen te veel van het advies in de eindrapportage wordt verwacht: het advies geeft een beeld van de capaciteiten en behoeften van een statushouder, maar dat wil niet zeggen dat dit beeld onveranderlijk is, of dat het altijd mogelijk is om te voorspellen welk type taalaanbod uiteindelijk het beste bij een statushouder past.

Een aantal geïnterviewden vertelt dat deelname aan de Taalstart heel fijn was, omdat men na een periode van inactiviteit weer aan de slag kon.

“ Zij [taalaanbieder] willen dat wij in een glazen bol kijken en zeggen: “Deze cursist heeft 100

“ Bij de Taalstart voelde ik dat ik eindelijk weer in een echte leeromgeving was. Ik had

uur nodig en dan zit hij op B1” en dan zeggen wij: “Dat kunnen we helemaal niet zien, daar kunnen we geen uitspraak over doen”. Daar zit dus een spanningsveld.” (Groepsinterview Taalstart)

Het zou goed zijn, zo geven betrokkenen bij de Taalstart aan, als gemeente, taalaanbieders en Danner & Danner (gezamenlijk) zouden evalueren of het op basis van de uitslag van de leerbaarheidstoets en de eindrapportage goed lukt om statushouders in de juiste route en op het juiste niveau te krijgen. Op dit moment krijgt Danner & Danner de uitslag van de leerbaarheidstoets niet te zien. Die wordt aangeleverd via het DUO-portaal en kan alleen door de klantbegeleider worden ingezien. Betrokkenen bij de Taalstart vinden het belangrijk dat de gemeente monitort hoe het advies na de Taalstart zich verhoudt tot het uitstroomniveau van de deelnemers.

Ervaringen van statushouders Uit de groepsinterviews met statushouders komt naar voren dat er diverse beelden zijn over wat (het doel van) de Taalstart is. Desgevraagd vertellen geïnterviewden dat ze vooral taallessen kregen, of dat de focus juist nauwelijks op taal lag. Andere zaken die in de bijeenkomsten van de Taalstart aan de orde zijn gekomen, zijn volgens geïnterviewden: presentatievaardigheden; gespreksvoering; jezelf voorstellen en informatie over het openbaar vervoer en de bibliotheek. Een aantal geïnterviewden vertelt dat zij bij de Taalstart nieuwe mensen hebben ontmoet. Diverse geïnterviewden noemen ook de leerbaarheidstoets en het verkennen van de verschillende inburgeringsroutes.

daarvoor lange tijd in een asielzoekerscentrum gezeten en dit voelde als een frisse start. De sfeer was prettig en ik had echt het gevoel dat ik terug was op een plek waar ik hoorde. We begonnen weer met nadenken, leren – het was een mentale stimulans.” (Syrische man, 30-35 jaar, B1 mbo route, één jaar bezig met inburgeren)

We hebben in de groepsinterviews gevraagd of men de Taalstart nuttig vond. Statushouders die de Z-route volgen hebben de Taalstart grosso modo als nuttiger ervaren dan statushouders die de Onderwijsroute of de B1 (mbo) route volgen. Statushouders in de Z-route zien de Taalstart vaak als (het begin van) taallessen, terwijl statushouders in de Onderwijsroute en in de B1(mbo) route vooropstellen dat in de Taalstart wordt bepaald welke inburgeringsroute geschikt is. De meerderheid van hen geeft aan dat in dat licht de Taalstart veel korter kan, of dat kan worden volstaan met een test.

“ Het is goed dat ze een inschatting maken van je niveau, maar als je niks weet, dan

doe je eigenlijk niks in die weken. Je zou dan eigenlijk meteen moeten doorstromen naar echte lessen.” (Turkse man, 50-55 jaar, B1-route, twee jaar bezig met inburgeren)

“ De Taalstart is een heel stom ding. Daar plaatsen ze je in een kamer zonder je niveau te meten. Ik zat bijvoorbeeld drie maanden naast iemand die nog niet eens “ik” kon schrijven. We werden hele goede vrienden – daar is niets mis mee – maar ons niveau was niet hetzelfde. Ik was iets aan het leren terwijl hij het nog niet begreep. Het had natuurlijk ook andersom kunnen zijn. Daarom is een niveautest daar echt nodig. Ze verspillen de tijd van mensen. Drie maanden is niet niks.” (Turkse vrouw, 30-35 jaar, B1-route versneld, één jaar bezig met inburgeren)

23

Een aantal geïnterviewden voegt toe dat eenmaal in de leerroute, opnieuw een intake volgt, en dat men dit heeft ervaren als dubbelop.

“ Daarna kom je bij de VU en herhaal je dezelfde dingen als in de Taalstart. Ik vind het een erg inefficiënte cursus. Het waren allemaal dingen die ik al wist. Ik wou dat ik daar niet heen was gegaan.” (Turkse vrouw, 30-35 jaar, B1-route versneld, vijf maanden bezig met inburgeren)

Diverse statushouders in alle routes, benoemen dat de grote diversiteit naar taal- en leerniveau in de groep problematisch was. Voor sommige deelnemers gaat het (veel te) langzaam, voor anderen (veel te) snel.

“ De docent praatte snel. Ik snapte het niet goed en begon te huilen. Ik raakte in paniek. Het was te veel voor ons, vooral omdat we ouder zijn.” (Syrische man, 35-40 jaar, Z-route, 2,5 jaar bezig met inburgeren)

“ Voor mij was het goed. Maar voor mijn ouders was het moeilijk. De docent gaf te veel druk. Mijn ouders konden nauwelijks lezen of schrijven, en toch moesten ze opdrachten maken. Ze kregen stress. Ik moest hen helpen. Ik vond dat niet eerlijk.” (Syrische vrouw, 20-25 jaar, Onderwijsroute HvA, twee jaar bezig met inburgeren)

3.4.

Financieel ontzorgen

Gemeenten hebben in de Wet inburgering 2021 de taak om statushouders financieel te ondersteunen. Zij hebben deze taak gekregen, omdat uit onderzoek is gebleken dat statushouders kwetsbaar zijn voor financiële problemen en langdurige armoede.[39] Zij kennen het complexe financiële systeem in Nederland nog niet, beheersen de Nederlandse taal (nog) niet goed en hebben vaak te maken met psychische problematiek[40]. Ook hebben statushouders als zij net in Nederland zijn vaak een klein sociaal netwerk, worden zij geconfronteerd met cultuurverschillen en hebben veel van hen een (informele) schuld vanwege hun vluchtreis naar Nederland. Tegelijkertijd wordt een groot beroep op hen gedaan om in de eerste periode financiële zaken te regelen en in te burgeren. Vanuit de Wi2021 worden statushouders op verschillende manieren ondersteund. Gemeenten zijn in elk geval verplicht om maatschappelijke begeleiding (zie paragraaf 3.5) aan te bieden en vaste lasten te betalen vanuit de bijstandsuitkering (financieel ontzorgen).[41] Daarnaast worden gemeenten aangemoedigd om ondersteuning en begeleiding te bieden richting financiële zelfredzaamheid.[42] Hoe zij dit invullen mogen gemeenten zelf bepalen. Als instrument draagt financieel ontzorgen bij aan de subdoelstellingen gericht op het bieden van maatwerk en het waarborgen van een tijdige afronding van het inburgeringstraject.

In deze paragraaf bespreken we hoe in Amsterdam het financieel ontzorgen en de begeleiding richting financiële zelfredzaamheid van statushouders is georganiseerd en wat hiermee de ervaringen zijn.

Een aantal Eritrese geïnterviewden voelden zich tot slot benadeeld, omdat er voor Arabischsprekende deelnemers wél en voor hen géén tolk beschikbaar was.

“ De Taalstart was goed omdat het ons eerste contact met de Nederlandse taal was. Maar voor ons, Tigrinya-sprekende mensen, was het heel moeilijk. De Arabischsprekende mensen kregen wel een tolk, maar wij hadden geen hulp. Dat voelde oneerlijk. In het begin is een tolk heel hard nodig, want als je niets begrijpt, raak je snel ontmoedigd.” (Eritrese vrouw, 45-50 jaar, Z-route, net begonnen met inburgeren)

39

Nationale Ombudsman (2022). Een status met weinig armslag en KIS Wijkmonitor (2022). Verschillen in leefsituatie tussen groepen naar herkomst.

40

Egten, C, van, Bemmel, K. van, Gruijter, M. de & Hoogenbosch, A. (2023). Opschaling van passende zorg voor vluchtelingen. Knelpunten en oplossingsrichtingen rond opschaling van kennis en innovatie binnen zorg en ondersteuning voor vluchtelingen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

41

Er is een wetswijziging in voorbereiding ten aanzien van het financieel ontzorgen van statushouders, omdat is gebleken dat er meer behoefte is aan maatwerk bij het ontzorgen.

42

Volgens het Nibud zijn mensen financieel redzaam wanneer zij weloverwogen keuzes maken, zodanig dat hun financiën in balans zijn op zowel de korte als de lange termijn. Dat betekent dat zij zelf al hun geldzaken kunnen regelen, maar ook dat zij weten wanneer zij hulp zouden moeten inroepen. Zie Weijers, M., Veerman, N. (2023). Nibud-competenties voor financiële redzaamheid. Herziene uitgave 2023. Utrecht: Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting).

24

3.4.1. Opzet Het financieel ontzorgen was in Amsterdam eerst belegd bij de afdeling Inburgering en Taal. Sinds 2025 is de afdeling Inkomensvoorziening in toenemende mate verantwoordelijk voor het financieel ontzorgen. De concrete doelstelling van het financieel ontzorgen is om statushouders schuldenvrij te houden tijdens de inburgeringsperiode. Er wordt ingezet op het verminderen van financiële risico’s voor statushouders door: „ „ „

Het inhouden van de vaste lasten, zodat zij zich in de beginperiode kunnen focussen op hun inburgering en participatie.[43] Het betalen van de eerste verhuurnota, omdat statushouders op het moment van de sleuteloverdracht nog geen inkomen hebben. Het inzetten van budgetbeheer voor extra kwetsbare statushouders, zodat zij vanuit een situatie van financiële stabiliteit kunnen werken aan het bevorderen van hun financiële zelfredzaamheid.

Daarnaast wordt gewerkt aan het verstevigen van de financiële zelfredzaamheid van statushouders door middel van voorlichting, training en persoonlijke begeleiding. Streven is dat statushouders in staat zijn om zelf hun administratie en financiën te beheren of dat zij weten waar zij hiervoor om hulp kunnen vragen. [44] Op het moment van het interview (april 2025) is men, mede naar aanleiding van een pilot met 30 statushouders, bezig het financieel ontzorgen in te richten binnen de afdeling Inkomensvoorziening en in samenwerking met de Buurtteams. In onderstaande beschrijving is de beoogde – en deels geïmplementeerde - werkwijze weergegeven. Financieel ontzorgen Statushouders worden opgeroepen voor een intakegesprek, direct na de komst naar de gemeente. Bij de afdeling Inkomensvoorziening werken inkomensconsulenten die standaard deze startgesprekken (in het kader van het verstrekken van de bijstandsuitkering) voeren met iedere statushouder die nieuw in een woning komt. Dat wil zeggen dat zij nagaan of iemand recht heeft op een bijstandsuitkering. Sinds de zomer van 2025 zijn er dedicated inkomensconsulenten benoemd. Zij zijn gespecialiseerd in het begeleiden van de doelgroep statushouders: cultuursensitief en meertalig en kunnen zich verplaatsen in de leefwereld van de statushouder. Zij voeren nu het financieel ontzorgen uit (en heten vanaf nu ‘klantbegeleider Inkomen’). 43

Aan de hand van de Nibud checklist financiële redzaamheid wordt getoetst of het inhouden van de vaste lasten nodig is.

44

Gemeente Amsterdam (2021). Programmaplan Amsterdamse aanpak statushouders en inburgering. De uitvoering van het nieuwe inburgeringsstelsel in Amsterdam.

In Amsterdam worden tot op heden de volgende vaste lasten uit de bijstandsuitkering betaald: huur, zorgverzekering, gas en licht. De vaste lasten voor water worden nu nog niet uit de uitkering betaald. Er is wel overleg met Waternet om dit in de toekomst wel mogelijk te maken. Om te voorkomen dat late toekenning van toeslagen in deze periode van inhouden leidt tot financiële problemen, wordt aan statushouders een voorschot verstrekt dat na uitkering van de toeslagen wordt verrekend. Als blijkt dat het inhouden van vaste lasten statushouders onvoldoende ondersteuning biedt, dan kunnen zij te allen tijde (preventief) worden aangemeld voor budgetbeheer. In het eerste (intake)gesprek wordt niet alleen de rechtmatigheid getoetst, maar ook een aanbod gedaan voor een collectieve zorgverzekering Daarnaast wordt in het eerste gesprek het financieel ontzorgen ingeregeld, dat wil zeggen dat de ‘inhoudingen’ (het inhouden van de vaste lasten op de uitkering) worden ingesteld. Na drie maanden vindt een (telefonisch) vervolggesprek plaats. Hierin wordt besproken of de statushouder nog facturen of incasso’s heeft ontvangen en (hierover) nog vragen heeft. Als dit het geval is, kan de klantbegeleider deze ondersteuning bieden, of statushouders doorverwijzen naar een van de Buurtteams en/of VluchtelingenWerk in het kader van de maatschappelijke begeleiding.

Tenslotte is er tijdens dit eerste intakegesprek ook een check op of de huurtoeslag al is aangevraagd en mocht dit niet het geval zijn, dan helpt de klantbegeleider inkomen hier (sinds april 2025) bij. Een derde gesprek is voorzien voor maand vijf. Dit gesprek is gericht op de vraag of het ontzorgen na de verplichte termijn van zes maanden moet worden voortgezet, of kan worden beëindigd. Het voornemen is om dit gesprek te verplaatsen naar de zevende maand. Daardoor zou meer ruimte ontstaan om ervoor te zorgen dat statushouders in de tussentijd de module Geldzaken (gericht op financiële zelfredzaamheid) hebben kunnen volgen. Sinds mei 2024 is het mogelijk om maatwerk te leveren wat betreft het verplicht stellen van de inhoudingen. Als tijdens de intake blijkt dat iemand voldoende redzaam is, kan ervoor gekozen worden om geen inhoudingen toe te passen. In de praktijk komt dit niet vaak voor. Groepstraining module Geldzaken Statushouders krijgen in hun inburgeringstraject een groepstraining aangeboden gericht op financiële zelfredzaamheid. Deze module Geldzaken wordt bij voorkeur tijdens de periode van het financieel ontzorgen gegeven door trainers van de buurtteams. De cursus heeft vooral een preventief karakter en sluit aan op persoonlijke vragen en behoeften van deelnemers.

Thema’s die in de groepstraining aan de orde komen zijn: 1) rondkomen, inkomen, en uitgaven; 2) administratie en geldzaken, 3) toeslagen, 4) gemeentelijke regelingen en 5) schulden.

25

Afronding en (na)zorg In samenspraak met de statushouder wordt bepaald wanneer het inhouden van de vaste lasten beëindigd kan worden. Om extra maatwerk te bieden, krijgen statushouders die dit nodig hebben, budget coaching aangeboden door een schuldhulpverlener. Het buurtteam kan energie coaching bieden voor statushouders met een (te) hoge energierekening. Als statushouders toch in de financiële problemen komen, dan wordt dit door de klantbegeleider opgepakt binnen de Amsterdamse aanpak vroegsignalering, gericht op het voorkómen van schulden.

Professionals constateren dat veel statushouders blij zijn met het financieel ontzorgen en dat zij na de verplichte zes maanden graag nog langer ontzorgd willen worden. Dit bleek ook uit de eerdergenoemde pilot, waarin statushouders die de groepstraining module Geldzaken hadden gevolgd, werd voorgelegd of zij hun vaste lasten voortaan zelfstandig wilden betalen. Betrokkenen willen de komende tijd samen met VluchtelingenWerk een koers uitzetten over hoe om te gaan met statushouders die het financieel ontzorgen willen voortzetten, terwijl zij het wellicht niet echt meer nodig hebben:

3.4.2. Ervaringen Om de ervaringen met (de uitvoering van) het financieel ontzorgen in beeld te brengen, hebben we een groepsinterview gehouden met een aantal professionals die hierbij betrokken zijn. Het ging om een schuldhulpverlener van het buurtteam, coördinator instroomteam, uitvoeringsexpert bij de afdeling Taal en Inburgering met de portefeuille financiële bestaanszekerheid en een medewerker afdeling armoedebestrijding die overheveling van financieel ontzorgen van de afdeling Inburgering en Taal naar de afdeling Inkomensvoorziening leidt. Daarnaast hebben we in de groepsgesprekken die we met statushouders hebben gehouden stilgestaan bij hun ervaringen met het ontzorgen. In deze paragraaf bespreken we de ervaringen van professionals en statushouders.

“ Wij zijn heel erg geneigd om te zeggen: “Blijf nog maar een poosje bij ons en dan gaan we

Bijna alle statushouders worden financieel ontzorgd…. In 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op basis van signalen dat het verplicht ontzorgen niet voor alle statushouders passend is, in een brief aan de Kamer het mogelijk gemaakt voor gemeenten om “tijdelijk een ruimere uitleg te geven aan het wetsartikel over financieel ontzorgen”.[45] Gemeenten mogen hierdoor afwijken van de standaard vorm van ontzorgen en maatwerk toepassen. Naar schatting van betrokken professionals worden in Amsterdam tot nu toe praktisch alle statushouders financieel ontzorgd.

“ Het is niet per definitie zo dat wordt ontzorgd, maar ik kan wel zeggen dat dit bij onge-

veer 98% gebeurt. Er wordt tijdens het eerste intakegesprek beoordeeld of iemand hulp nodig heeft en of het noodzakelijk is. Meestal is dat het geval.” (Groepsinterview financieel ontzorgen)

45

ernaar toewerken dat je het zelf gaat doen.” Terwijl VluchtelingenWerk zegt: “Hoe langer je mensen bij je houdt, hoe afhankelijker je mensen maakt”. Wij zitten heel erg op wat de klant vraagt en wil, terwijl VluchtelingenWerk liever ziet dat iemand sneller ontkoppeld wordt. Dus dat zullen we de komende tijd samen moeten gaan uitvinden.” (Groepsinterview financieel ontzorgen)

… slechts een klein deel volgt de groepstraining module Geldzaken tijdens de periode van het ontzorgen Integraal onderdeel van de aanpak is de groepstraining module Geldzaken die wordt aangeboden aan statushouders. In de praktijk blijkt dat slechts een klein deel deze groepstraining volgt tijdens de periode van het ontzorgen. De werving vanuit de buurtteams verloopt zeer moeizaam en met weinig resultaat. De buurtteams werven via een email en sturen reminders via Whatsapp. Hierop wordt vaak niet gereageerd. Statushouders die wél reageren, antwoorden vaak dat zij niet in de gelegenheid zijn om deel te nemen, bijvoorbeeld vanwege taallessen en/of zorgtaken. In die gevallen wordt samen met de statushouder gezocht naar een ander, geschikt tijdstip. Al met al kost de werving heel veel tijd.

“ Voordat iemand echt bij ons komt, heb je vaak wel minimaal vijf, zeven contacten met

iemand gehad. En als wij ongeveer 30 mensen hebben uitgenodigd, dan komen er uiteindelijk bijvoorbeeld tien. Dus dat is dan een derde van de mensen die komt opdagen. Dit om even een beeld te geven van hoe ingewikkeld het is om tot een groep te komen.” (Groepsinterview financieel ontzorgen)

Kamerbrief over voortgang uitwerking arbeidsmarktpakket | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.

26

Er zijn op dit moment veel statushouders die al langer bezig zijn met inburgeren, maar die de groepstraining nog niet hebben gevolgd. Taallessen gaan vóór en dat maakt het heel uitdagend om geschikte momenten in de week te vinden om voor deze statushouders de training aan te bieden. Betrokkenen vertellen dat zij nadenken over oplossingen voor de groep statushouders die al langer bezig is met inburgeren. Wellicht zouden die in samenwerking met de taalaanbieders tijdens de taalles de module kunnen volgen. Voor nieuwe instromers zou het werkproces (alle ontzorgde statushouders in maand vijf of zeven uitnodigen voor de groepstraining) beter gestroomlijnd moeten worden. Wat ook zou kunnen helpen, is wanneer deelname aan de groepstraining verplicht wordt.

Betrokkenen vertellen dat er sprake is geweest van een late koppeling aan een consulent van VluchtelingenWerk in het kader van de maatschappelijke begeleiding. Naar schatting kon het wel tot zes maanden duren voordat een statushouder een consulent kreeg toegewezen. Dit had volgens betrokkenen ook impact op het financieel ontzorgen. Enerzijds omdat veel (meer) vragen over geldzaken bij de gemeentelijke inkomensconsulenten kwamen te liggen. Anderzijds constateren betrokkenen dat er statushouders zijn die onterecht betalen voor gemeentelijke belastingen – en hierdoor in de problemen komen. Het aanvragen van kwijtschelding hiervan is een taak van VluchtelingenWerk in het kader van de maatschappelijke begeleiding en de late toewijzing van een consulent heeft tot gevolg dat dit lang kan blijven liggen.

Als het gaat om de uitvoering van de groepstraining, dan is de Nederlandse taal een uitdaging. Het is de bedoeling dat statushouders de training volgen op het moment dat zij nog niet zo lang bezig zijn met het leren van de Nederlandse taal. Waar mogelijk wordt voor grote taalgroepen (Arabisch en Tigrinya) een trainer in eigen taal ingezet. Maar de meeste trainingen vinden plaats in het Nederlands. De inhoud van de trainingen wordt zo niet altijd door iedereen goed begrepen. Ook de diversiteit van de groep deelnemers is uitdagend: theoretisch opgeleiden hebben vaak andere vragen, en kunnen sneller door het programma heen, dan personen die geen, of weinig scholing hebben. Dit alles vraagt veel van de trainer. Een van de oplossingen die is benoemd is het gebruik van de Lees Simpel App tijdens de training. Dit is een app die mensen helpt om ingewikkelde brieven te lezen, met hulp van AI.[46] Ook wordt geëxperimenteerd met een online aanbod van de training module Geldzaken in eigen taal.

Uitdagingen bij het voorkómen van schulden In het groepsinterview met betrokkenen bij het financieel ontzorgen is een aantal uitdagingen genoemd bij het voorkómen van schulden bij statushouders die aan het inburgeren zijn.

Uitdagingen in het uitvoeringsproces In het gesprek met betrokken professionals over het financieel ontzorgen is benoemd dat bij woningcorporaties aan het einde van een kalenderjaar meer woningen beschikbaar komen voor statushouders, om zo te voldoen aan de aantallen die in het kader van de Taakstelling Huisvesting Statushouders aan de gemeente zijn toegekend. Dit leidt tot een ‘piek’ in de instroom bij diverse onderdelen van het inburgeringsaanbod, en dus ook bij het financieel ontzorgen. Hierdoor kunnen wachtlijsten ontstaan en kan niet iedereen direct worden geholpen. Het streven is om een meer gelijke instroom te realiseren.

gelijk onder de armoedegrens zit. De eerste kleine achterstand is al direct een probleem.” (Groepsinterview maatschappelijke begeleiding)

“ We [afdeling armoedebestrijding] zijn er nu over in gesprek. Want hoe gelijker het verdeeld

Statushouders krijgen een gift voor inrichtingskosten en stoffering van de woning. Omdat deze bedragen meestal onvoldoende zijn, wordt er ook een lening aangevraagd via de Gemeentelijke Kredietbank. Deze lening moet worden terugbetaald. Voor statushouders met een uitkering is dit lastig op te brengen en als er een betalingsachterstand ontstaat, is dit moeilijk weer in te lopen. Dit punt komt ook naar voren in een gesprek met professionals van VluchtelingenWerk betrokken bij de maatschappelijke begeleiding.

“ Je begint de eerste drie jaar met het aflossen van de lening. Dan kan het gebeuren dat je Andere zaken waarbij gemakkelijk schulden kunnen ontstaan zijn volgens betrokkenen een belabonnement en reiskosten. De gemeente stelt weliswaar hiervoor een vergoeding beschikbaar, maar deze dekt niet altijd alle kosten van reizen naar het inburgeringaanbod. Betrokkenen geven daarnaast aan dat het lastig kan zijn om grip te krijgen op risico’s voor het ontstaan van schulden omdat zicht op informele schulden - betalingsverplichtingen aan familie of vrienden in het land van herkomst - vaak ontbreekt.

wordt, hoe minder wachtlijsten je overal hebt.” (Groepsinterview financieel ontzorgen)

46

De gebruiker maakt een foto van een brief en de app geeft een samenvatting in begrijpelijke taal.

27

“ Mensen moeten inderdaad ook nog informele schulden aflossen, maar die hebben dus daar

Ervaringen van statushouders

ook geen ruimte voor. Je houdt gewoon niet veel over als je van je vrij te laten bedrag ook nog een lening van de gemeente moet aflossen. Hoe ga je dan nog schulden in je land van herkomst aflossen? Het wordt dan wel heel snel problematisch voor een statushouder.” (Groepsinterview financieel ontzorgen)

Ontzorgen We hebben aan statushouders gevraagd naar hun ervaringen met het ontzorgen. Wat vinden zij ervan dat in het begin hun huur, zorgverzekering, gas en licht door de gemeente worden betaald vanuit de bijstandsuitkering?

Desgevraagd vertellen betrokkenen dat het starten met parttime werk risico’s op het ontstaan van schulden met zich meebrengt. Dit komt omdat men deels uitstroomt uit de uitkering en deze niet meer voldoende is om de vaste lasten van te betalen, terwijl het loon pas later wordt uitbetaald. Vooral parttime werk brengt daarnaast fluctuerende inkomsten met zich mee en als statushouders dit niet zorgvuldig en tijdig melden, ontvangen zij te weinig, of te veel geld van de gemeente.

Verreweg de meeste geïnterviewden vinden het fijn dat zij in het begin ontzorgd zijn of worden, omdat zij niet genoegd informatie en/of inzicht hadden in de geldzaken die bij vestiging in de stad allemaal geregeld moeten worden.

“ Ik vind het een heel goed idee. Omdat we niet altijd precies weten wat wel en niet

In het groepsinterview met betrokkenen van VluchtelingenWerk over maatschappelijke begeleiding wordt opgemerkt dat het financieel ontzorgen stopt als statushouders uitstromen uit de uitkering en dat het omzetten van de inhoudingen van de vaste lasten naar automatische incasso’s lang niet altijd goed gaat. Ook dan kunnen statushouders snel achterlopen met betalingen en schulden opbouwen.

betaald moet worden, kunnen we snel fouten maken met geld. Door deze regeling komen we niet in de schulden.” (Eritrese vrouw, 45-50 jaar, Z-route, net begonnen met inburgeren)

Het belang van het ontzorgen voor het voorkómen van financiële problemen of schulden is door veel geïnterviewden genoemd. Het ontzorgen geeft ”rust”. Men hoeft zich geen zorgen te maken over mogelijk onbetaalde rekeningen. Een kanttekening van diverse geïnterviewden daarbij is dat het ontzorgen niet altijd goed is uitgelegd. Omdat men niet goed weet welke betalingen aan wie worden gedaan, ontbreekt grip op de eigen geldzaken, wat juist weer voor een gevoel van onrust zorgt.

In het groepsinterview met betrokkenen bij het financieel ontzorgen zijn groepen statushouders genoemd die minder snel financieel redzaam worden en die mogelijk langer hierbij ondersteund dienen te worden. Het gaat om oudere statushouders die vaak minder digitaal vaardig zijn en om statushouders die (vanwege hun leeftijd, of omstandigheden van de vlucht) niet eerder verantwoordelijk zijn geweest voor hun eigen financiën.

“ Voor ons was het in het begin wel verwarrend. Wij begrepen niet goed hoe het werkte

Tot slot: Nu het voor asielzoekers en statushouders in de centrale opvang gemakkelijker is geworden om te werken, zullen naar verwachting meer statushouders die gehuisvest worden in de gemeente nog geld moeten terugbetalen aan het COA. De eigen bijdrage die werkende azc bewoners moeten betalen voor hun opvang[47], wordt niet altijd tijdig verrekend, zodat statushouders met een schuld naar de gemeente verhuizen.

47

wetten.nl - Regeling - Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 - BWBR0024733.

met de uitkering: hoeveel er werd ingehouden en hoeveel we zelf kregen. Er was weinig uitleg, en daarom vonden wij het eerst lastig.” (Syrische vrouw. 20-25 jaar, Onderwijsroute HvA, 20 maanden bezig met inburgeren)

Een klein aantal geïnterviewden vertelt problemen met het ontzorgen te hebben ervaren. Men wilde bijvoorbeeld graag vanaf de start zelf de eigen geldzaken beheren, maar dit verzoek werd niet ingewilligd[48]. Of de overgang van het ontzorgen naar het zélf betalen van de vaste lasten, is niet goed verlopen.

48

Sinds mei 2024 is maatwerk mogelijk, dat wil zeggen dat bij de intake kan worden besloten of gefaciliteerd dat statushouders hun vaste lasten wél zelf betalen, als zij hier de voorkeur voor hebben.

28

“ In maart 2024 zijn we volledig zelf gaan betalen. De zorgverzekering ging gewoon

door. Omdat ik midden in het jaar zat, konden ze dat niet halverwege stoppen. Ze wachtten tot het einde van het jaar. Toen ze dat beseften, begonnen ze me het geld terug te geven. Ik had het eerst niet eens door. Later vertelde een medewerker dat ik dubbel betaalde: aan hen én aan de verzekering.” (Syrische man, 35-40 jaar, Onderwijsroute HvA, vijftien maanden bezig met inburgeren)

Veel geïnterviewden zijn echter blij met het ontzorgen. Een enkeling vertelt zélf bij de gemeente gevraagd te hebben om een verlenging van het ontzorgen. In één groepsinterview is aan de orde geweest dat de energiekosten per woning verschillend zijn, vanwege de grootte van het huis, maar ook vanwege de mate waarin de woning is geïsoleerd. En aantal geïnterviewden vertelt dat zij – in vergelijking met anderen (te) weinig geld overhouden na aftrek van de vaste lasten, zonder dat zijzelf hebben kunnen kiezen voor de woning. Wat hen betreft zou hierbij bij het toekennen van de bijstandsuitkering rekening mee moeten worden gehouden. Informatie over het regelen van geldzaken in Nederland Desgevraagd vertellen geïnterviewden dat zij in veel gevallen - buiten de informatie die is gegeven in het kader van het ontzorgen – weinig informatie hebben gekregen over het regelen van geldzaken in Nederland. Concrete hulp bij geldzaken wordt gegeven in het kader van de maatschappelijke begeleiding door VluchtelingenWerk (zie paragraaf 3.5).

“ Ik kreeg geen informatie. Ik wist niet hoe het werkte met diploma’s bijvoorbeeld.

Ik wilde mijn Syrische diploma laten vertalen, en dat kostte €192. Ik vroeg aan de gemeente of zij konden helpen, maar zij zeiden dat ik dat zelf moest betalen. Ik dacht toen: “Oké, dan betaal ik het”. Maar gelukkig wees iemand mij op UAF. Zij hebben dat voor mij geregeld. Zonder die persoon had ik zelf betaald, en dat is zonde.” (Syrische vrouw, 20-25 jaar, Onderwijsroute HvA, twee jaar bezig met inburgeren)

Een enkeling heeft een budgettraining gevolgd en vond dit enigszins nuttig. “Ik volgde een verplichte cursus van de gemeente over geldbeheer. Ik kreeg deze cursus samen met vrienden uit andere culturen. Het was algemene informatie over geldbeheer, bijvoorbeeld hoe je met geld omgaat, hoe je voorkomt dat je schulden maakt, wanneer je iets moet kopen als je het nodig hebt, en wanneer niet. Over het algemeen waren het de dingen die we wisten. Maar we hebben het nog eens herhaald.” (Turkse man, 30-35 jaar, B1-route versneld, 20 maanden bezig met inburgeren) Al met al vinden veel geïnterviewden dat het goed zou zijn (geweest) dat zij eerder en meer geïnformeerd zouden zijn over het regelen van geldzaken in Nederland. Diverse geïnterviewden noemen dat schriftelijke informatie qua taal voor hen niet goed te begrijpen was.

“ Ik vond de informatie vaak ingewikkeld en niet duidelijk genoeg. Het zou fijn zijn als er meer uitleg in eenvoudige taal kwam.” (Eritrese vrouw, 25-30 jaar, B1 mbo route, tien maanden bezig met inburgeren)

Verreweg de meeste geïnterviewden hebben (nog) geen budgettraining gevolgd en naar eigen zeggen vooral zelf, of met behulp van familie of vrienden geleerd hoe ze geldzaken moeten regelen. Ook informatie over beschikbare financiële tegemoetkomingen, zoals in het kader van de Stadspas, of de aanschaf van een laptop voor een kind in het voortgezet onderwijs, zijn hen vooral via-via ter ore gekomen.

Aan de andere kant zijn er geïnterviewden die aangeven dat zij zichzelf zonder officiële informatie prima hebben kunnen redden. Sommigen van hen noemen dat een beter informatievoorziening of budgettraining wél belangrijk is, met name voor personen zonder ervaring met geldzaken.

“ Via mensen om me heen hoorde ik over sommige dingen, zoals organisa-

“ Voor mij was het niet nodig. Maar ik kan me voorstellen dat het voor sommige mensen

ties en stichtingen die kunnen helpen. Niet direct via de school of de klantbegeleider.” (Syrische man, 25-30 jaar, Z-route, één jaar bezig met inburgeren)

wel goed is, als ze bijvoorbeeld niet veel weten van bankzaken. En ook voor bijvoorbeeld jonge jongens, die komen als ze zeventien of achttien zijn. Die hebben nog geen ervaring.” (Turkse man, 20-25 jaar, Onderwijsroute, één jaar bezig met inburgeren)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16418205/1