CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20240418-NIPV-Brandveiligheid-van-verduurzaamde-en-snel-gerealiseerde-woningen.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 15 mei 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van het rapport van NIPV: Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen (VN2024-006192)29.938 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

24/79

2.4.2 Voorzieningen ter ondersteuning van brandbestrijding

In algemene zin is het uitgangspunt van de bouwregelgeving dat een te bouwen bouwwerk zodanig is dat hulpverlening (lees: brandweer) binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden, en dat er te allen tijde zo moet worden gebouwd dat hulpverleners hun werk kunnen doen (Artikel 2.119 lid 1 Bouwbesluit 2012 en Nota van toelichting). In het Bbl is dit beschreven in de toelichting bij de functionele eis in artikel 4.83. Om de brandweereenheid te faciliteren bij de brandbestrijding worden vanuit de bouwregelgeving 5 een aantal eisen gesteld: > Elke woning en elk woongebouw moet een brandweeringang hebben, tenzij dat naar oordeel van het bevoegd gezag niet is vereist. In de praktijk wordt een brandweeringang door het bevoegd gezag bij grondgebonden woningen niet altijd noodzakelijk geacht. De voordeur van de woning wordt in dat geval als brandweeringang beschouwd, maar wordt niet als zodanig benoemd. > Binnen 40 meter van een brandweeringang moet een opstelplaats voor een brandweervoertuig aanwezig zijn waarvandaan op een doeltreffende wijze moet kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Vanaf de opstelplaats worden slangen afgelegd naar de woning of het woongebouw waar het brandt. De openbare weg is geschikt voor hulpverleningsvoertuigen en wordt vaak beschouwd als opstelplaats voor de brandweer.

> In bestaande en nieuwe woongebouwen met een woning met een vloer van een verblijfsgebied die hoger gelegen is dan 20 m boven het meetniveau moet een droge blusleiding aanwezig zijn. De droge blusleiding stelt de brandweer in staat om het bluswater op te voeren naar de verdieping waar de brand bestreden moet worden. Dit versnelt de inzet, omdat er geen brandslangen naar boven toe hoeven te worden neergelegd. > In een nieuw te bouwen woongebouw is een brandweerlift verplicht als er een vloer van een verblijfsgebied op meer dan 20 m boven het meetniveau ligt. Deze lift is geschikt om bij brand materieel en personeel veilig naar hogere verdiepingen te vervoeren.

2.4.3 Doctrine en handboek gebouwbrandbestrijding

In het document Doctrine gebouwbrandbestrijding (Brandweer Nederland, 2022) staan de basisprincipes die de brandweer hanteert bij brand in een gebouw. Er wordt altijd naar gestreefd om een brand op een zo veilig mogelijke en efficiënte manier te bestrijden. Bij aankomst zal de eerste basiseenheid van de brandweer een buitenverkenning uitvoeren. Dit wordt gedaan om erachter te komen waar de brand zich in de woning of het woongebouw bevindt, of de brand bereikbaar is om te kunnen blussen en of er voldoende koelend vermogen is (bluscapaciteit) om de brand mee te kunnen bestrijden. Bij de bestrijding van een brand in een woning of woongebouw wordt gekozen voor een blustactiek en -techniek die is afgestemd op de kenmerken van het type brand. Voor de inzetbepaling is een ‘kwadrantenmodel’ ontwikkeld (Brandweeracademie, 2014). Het kwadrantenmodel is toegelicht in het Handboek gebouwbrandbestrijding (Baaij et al., 2023). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een binneninzet en een buiteninzet en tussen een defensieve en offensieve inzet, zie figuur 2.1.

5

De opstelplaats voor een brandweervoertuig, bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor hulpverleningsvoertuigen is per 1 januari 2024 geen onderdeel meer van de bouwregelgeving, maar onderdeel van regeling van het omgevingsplan.

25/79

Figuur 2.1 Het kwadrantenmodel Met een offensieve inzet wordt bedoeld het blussen of bestrijden van de brand en met een defensieve inzet het voorkomen of beperken van het uitbreiden van de brand. Een binneninzet vindt plaats in een gebouw en een buiteninzet buiten het gebouw. De doelstelling van de vier type inzetten zijn verschillend: > Een defensieve buiten inzet is bedoeld om schade te beperken door het voorkomen van uitbreiding naar belendingen, het voorkomen van milieuschade en het beperken van de effecten van rook. > Een offensieve buiteninzet is bedoeld om de brand van buitenaf te blussen, of de overlevingscondities van eventuele slachtoffers te verbeteren (er zijn mogelijk slachtoffers binnen die niet direct via een binneninzet kunnen worden gered, en/of een binneninzet is te gevaarlijk), of een veilige betreding mogelijk te maken door een veilige werksituatie te creëren, en om branduitbreiding te voorkomen. > Een defensieve binneninzet is bedoeld om gelegenheid te bieden voor het uitvoeren van een evacuatie, en om branduitbreiding of rookverspreiding naar een ander compartiment te voorkomen. > Een offensieve binneninzet is bedoeld voor redding en bestrijding van brand binnen de woning of het woongebouw.

Als er bij aankomst van de brandweer sprake is van een uitslaande woningbrand met mogelijke branduitbreiding over de gevel, dan zal de brand voor zover mogelijk eerst van buitenaf worden bestreden (offensieve buiteninzet), gevolgd door een offensieve binneninzet. Als een brand in een woning niet van buitenaf bereikbaar is, dan zal – indien voldoende veilig – een binneninzet uitgevoerd worden om de brand te lokaliseren en van binnenuit te bestrijden (offensieve binneninzet). Als er mogelijk nog personen in de woning aanwezig zijn, zal binnen de woning gezocht gaan worden als dat nog mogelijk is. Niet bereikbaar De brandweer is niet in alle situaties in staat om branddoorslag of -overslag te voorkomen. Met name niet als de locatie waar branddoorslag- of overslag dreigt niet met een straal kan worden bereikt, of de locatie waar branddoorslag naar toe dreigt onvoldoende veilig is voor de brandweer om in op te treden. Dit kan het geval zijn vanwege de hoeveelheid rookverspreiding naar de aangrenzende woningen en het daarbij behorende risico van een (explosieve) rookgasontbranding. De bepalingsmethode voor de wbdbo (NEN 6068:2020) geeft zelfs een reductiemogelijkheid van 30 minuten voor een deel van de gevel onder de 20 m dat bereikbaar is voor de brandweer.

26/79

Als de brand niet gelokaliseerd, voldoende veilig bereikt of geblust kan worden, bijvoorbeeld omdat de brandcondities het te onveilig maken, zal de woning, de verdieping van het woongebouw of in het uiterste geval het hele woongebouw niet worden betreden. Er zal dan een defensieve inzet plaatsvinden, waarbij wordt ingezet op het voorkomen van branduitbreiding naar aangrenzende ruimten of naar aangrenzende woning(en) of gebouwen. Door een defensieve binneninzet in de aangrenzende woningen uit te voeren, al dan niet in combinatie met een defensieve buiteninzet (bijvoorbeeld door een stoplijn op het dak te maken), wordt geprobeerd verdere branduitbreiding te voorkomen. Als het onvoldoende veilig is om een defensieve binnen- of buiteninzet uit te voeren nabij de direct aangrenzende woning, kan ervoor gekozen worden om in een woning verderop een stoplijn te realiseren. Als de brand dan niet van buitenaf kan worden geblust, wordt de woning, de woningen, de verdieping of zelfs het gehele woongebouw opgegeven.

2.5 Eerdere publicaties In de afgelopen jaren zijn diverse publicaties verschenen over kennis en richtlijnen om de brandveiligheid te verbeteren in situaties waarbij veranderde bouwtechnieken worden toegepast. In essentie benadrukken deze publicaties de noodzaak om brandveiligheidsmaatregelen te nemen bij innovatieve bouwpraktijken zoals optoppen en verduurzaming, en wijzen ze op specifieke risico's, zoals branduitbreiding via dakconstructies en problemen met de realisatie van de minimale wbdbo tussen woningen. In deze paragraaf worden de belangrijkste bevindingen uit deze publicaties besproken. De publicaties zijn zoveel mogelijk in chronologische volgorde vermeld, met dien verstande dat publicaties die over hetzelfde onderwerp gaan bij elkaar zijn gezet (paragraaf 2.5.3 en paragraaf 2.5.8).

2.5.1 Theorie en praktijk van het Bouwbesluit

In Bouwbesluit 2003: theorie en praktijk (Overveld, 2003) wordt onder andere ingegaan op de vraag “Op welke wijze kan systematisch worden nagegaan of een voorschrift de beste resultaten in de praktijk geeft?” (Overveld, 2003, p. 125). Een van de antwoorden op deze vraag is dat een voorschrift theoretisch potentieel optimaal is als: “in de praktijk het overheidsdoel daadwerkelijk is bereikt”. Paragraaf 3.5.1 gaat in het bereiken van een overheidsdoel met een voorschrift (Overveld, 2003, p. 50): “Is het overheidsdoel niet bereikt, dan is het voorschrift niet effectief (dus ook niet als het overheidsdoel bijna is bereikt).” Overveld geeft bovendien een beschrijving van een ‘optimaal voorschrift’ (Overveld, 2003, p. 20-21): “Blijkt een voorschrift niet optimaal te zijn, dan zal beleidsmatig een keuze moeten worden gemaakt, tussen: > het bijstellen van het doel (het oorspronkelijke doel was te idealistisch als het resultaat dat is bereikt, alsnog voldoende wordt bevonden), > verbetering van de invloed van de controle, > het verbeteren van de kwaliteit van het voorschrift, of > het niet geven van het voorschrift, of in het geval het een bestaand voorschrift betreft, het dereguleren van het voorschrift.”

27/79

2.5.2 Tropendak bij unitbouw

De wegwijzer brandveiligheid unitbouw (VROM, 2007a) adviseert in het geval van een schilconstructie (tropendak) over het unitdak geen brandbare of brandgevaarlijke dakbedekkingsmaterialen te gebruiken en bestaande materialen te verwijderen. Naar aanleiding van de in onderhavig onderzoek meegenomen casus met het opgetopte woongebouw (Riekerhaven Amsterdam) wordt de wegwijzer geactualiseerd (Tweede Kamer, 2023b).

2.5.3 Brandoverslag vanwege de uitvoeringspraktijk

Een inspectiesignaal uit 2008 (VROM, 2008), opgesteld naar aanleiding van woningbranden waarbij vuur snel naar naastgelegen woningen is overgeslagen, benadrukt het belang van weerstand tegen branddoorslag en -overslag (wbdbo) tussen woningen. Het inspectiesignaal wijst op problemen met het bereiken van de minimale wbdbo van 20 minuten als gevolg van ontwerpfouten, slordigheid tijdens de bouw, of ondeskundige renovatiewerkzaamheden. In 2010 heeft het Ministerie van VROM een Handreiking Brandveiligheid van woningscheidende constructies voor de eigenaar of bewoner uitgebracht met soortgelijke strekking (VROM, 2010). De Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften (ATGB) heeft onderzocht hoe de bevindingen uit het Engelse onderzoek Grenfell Tower Inquiry Phase 1 zich verhouden tot de Nederlandse regelgeving en of er noodzaak is tot handelen in Nederland (ATGB, 2020). In dat onderzoek worden ook de indieningspraktijk, plantoetsing en plantoezicht besproken. Specifiek betreffende de controle en handhaving van de brandklasse en wbdbo-eisen wordt opgemerkt dat de naleving sterk afhankelijk is van de kwaliteit van het ontwerp en een correcte uitvoering op de bouwplaats. In de praktijk vindt ontwerpdetaillering vaak plaats na vergunningverlening, wat risicovol is.

Effectief toezicht vereist voorafgaande toetsing van het ontwerp, maar controle op later ingediende gegevens en uitvoering gebeurt niet structureel, waardoor de kans bestaat dat er niet wordt voldaan aan de vereiste brandklasse en wbdbo-eis. Daarnaast blijkt in de praktijk regelmatig afgeweken te worden van verleende bouwvergunningen, en daardoor vaak ook van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Zo kan bijvoorbeeld een ongelukkige keuze bij verandering van het isolatiemateriaal om alsnog aan de thermische isolatie-eis te voldoen, de brandveiligheid van het gebouw in gevaar brengen.

2.5.4 Protocol inventarisatie en onderzoek brandveiligheid gevels

In een brief d.d. 30 november 2018 naar aanleiding van de brand in de Grenfell tower heeft de ministerie van BZK gemeenten gevraagd om de meest risicovolle gebouwen te inventariseren en er vervolgens op toe te zien dat eigenaren van deze gebouwen onderzoek uitvoeren naar de brandveiligheid van de gevels en indien noodzakelijk maatregelen nemen om de veiligheid te waarborgen (Ministerie van BZK, 2018). De inventarisatie beperkt zich tot gebouwen met gevels waarvan de buitenzijde niet van beton of baksteen is en: 1. die een vloer hebben met een verblijfsgebied op een hoogte van meer dan 13 meter met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, een woonfunctie voor zorg, een celfunctie of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. 2. die een vloer hebben met een verblijfsgebied op een hoogte van meer dan 20 meter met een woonfunctie of een logiesfunctie.

28/79

2.5.5 Risico’s van gevels met brandklasse B

In een ander recent onderzoek van DGMR (2021) naar de risico’s van gevels met brandklasse B zijn voorstellen voor aanpassing gedaan voor de brandklasse voor hogere geveldelen (brandklasse A2 met een uitzonderingsmogelijkheid, afhankelijk van de hoogte en gebruiksfunctie). In het onderzoek wordt gewezen op de risico's van gevels, waarbij een grote gevelbrand kan optreden door grotere ontstekingsbronnen zoals een uitslaande brand. Zelfs bij naleving van brandklasse B zijn er risico's door verschillen tussen deze ontstekingsbronnen en de gebruikte bron voor klassering, vanwege in de beperkingen in de testmethode. DGMR constateert problemen met de toepassing van de huidige eisen tijdens het bouwproces, en benadrukt de noodzaak van een structurele borging van brandveiligheid in gevels. DGMR voorspelt dat deze problemen zullen toenemen, mede door veranderende bouwwijzen en gebruik, en onderstreept het belang van het door het ministerie van BZK ingezette verbeteringsproces.

2.5.6 Branduitbreiding door gevelconstructies bij hoge gebouwen

In een recent onderzoek van Van Mierlo (2022) naar branduitbreiding door gevelconstructies zijn voorstellen gedaan ter aanpassing van de wbdbo-eisen en -bepaling. Deze voorstellen omvatten het verdubbelen van de wbdbo-eis voor bepaalde typen gebouwen waarvan de vloer van een brandcompartiment meer dan 20 meter boven het meetniveau ligt, evenals aanpassingen in NEN 6068 voor de bepaling van weerstand tegen branddoorslag van de gevel. Het onderzoek beschrijft een aantal beperkingen van de huidige eisen, zoals het ontbreken van een bepalingsmethode voor weerstand tegen branddoorslag op het geveltraject en het ontbreken van differentiatie in wbdbo-eisen op basis van het aantal bedreigde brandcompartimenten en vluchtroutes.

2.5.7 Beperkingen van testmethoden

Het onderzoek De invloed van duurzaam, energiezuinig en circulair bouwen op de brandveiligheid van gebouwen (Van Liempd et al., 2022a) wijst op de groeiende invloed van klimaatverandering, energiezuinigheid en duurzaamheid in de bouw. Het benadrukt dat, hoewel innovatieve bouwmaterialen moeten voldoen aan het Bouwbesluit, het gebruik ervan niet automatisch een brandveilig gebouw garandeert. Testmethoden zijn vaak gebaseerd op traditionele toepassingen, en er is veel onzekerheid over de wijze waarop nieuwe materialen zich gedragen bij brand en hoe de brandweer moet reageren.

2.5.8 Brandveiligheid van duurzaamheidssystemen

Het rapport Duurzaam bouwen – brandveiligheid van installaties (Reinders et al., 2023) biedt inzicht in systemen, waaronder zonnepanelen (PV-systemen), die een rol spelen of zullen spelen in duurzame energievoorzieningen. Het onderzoek benoemt specifieke conclusies met betrekking tot zonnepanelen, zoals de oorzaken van brand, mogelijke hinder voor de brandweer, en het steeds frequenter plaatsen van zonnepanelen op buitenmuren met het risico op een ‘schoorsteeneffect’. Brandweer Nederland heeft een handreiking Risicobeheersing advies veilige PV-systemen (2020) gepubliceerd, waarin wordt ingegaan op PV-systemen en brandpreventieve maatregelen. De handreiking benadrukt de invloed van PV-panelen op de brandbaarheid

29/79

van daken, en doet aanbevelingen zoals het volgen van NEN 6063 en het behouden van een strook vrij van zonnepanelen aan weerszijden van brandscheidingen, met als richtlijn een breedte van totaal 1 meter.

2.5.9 Eerdere bevindingen over twee in het onderzoek betrokken casussen

Zowel de casus met verduurzaamde woningen (2023a) als de casus met het woongebouw met woonunits (2023b) is onderzocht door Helsloot et al. (2023 a en b). Dit onderzoek beoogde de niet bij de brand betrokken delen van de woongebouwen te beoordelen op vluchtveiligheid, en om eventuele aanpassingen voor verbetering van de brandveiligheid van het gebouw voor te stellen. De aanbevelingen uit het onderzoek zijn specifiek gericht aan de eigenaar of beheerder van het gebouw.

30/79

3 Overeenkomsten en verschillen tussen de casussen In dit hoofdstuk worden de verschillen en overeenkomsten tussen de drie geselecteerde casussen besproken. Allereerst wordt in paragraaf 3.1 een globaal beeld geschetst van de situatie en het verloop van deze branden. Vervolgens komt het brandverloop aan bod in paragraaf 3.2, gevolgd door de brandbestrijding (paragraaf 3.3). In paragraaf 3.4 wordt ingegaan op de gevolgen van de branden. De belangrijkste overeenkomsten en verschillen worden samengevat in paragraaf 3.5, waarmee antwoord wordt gegeven op de vraag: Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten en verschillen op gebied van het brandverloop en de brandbestrijding tussen de geselecteerde branden?

3.1 Introductie van de geselecteerde casussen Er zijn drie casussen geselecteerd, waarbij sprake was van brand in de gebouwschil van een woonblok met verduurzaamde woningen, van een opgetopt woongebouw en van een complex met woonunits. De casussen worden hierna op hoofdlijnen besproken.

3.1.1 Casus ‘verduurzaamde woningen’

In de ochtend van zondag 18 juni 2023 breekt er brand uit in een woning aan de Van Kinsbergenstraat 44 in Arnhem. Er vallen geen slachtoffers bij de brand. Uiteindelijk raakt de hele rij woningen bij de brand betrokken: er worden vier woningen verwoest en vier andere woningen zijn na de brand onbewoonbaar (Brandweer Gelderland-Midden, 2023).

Figuur 3.1 Overzichtsfoto brand in woningen (bron: team digitale verkenning Brandweer Nederland)

31/79

Het gebouw De woningen zijn gebouwd in 1964. In 2016-2017 zijn ze verbouwd tot zogenoemde ‘nul-opde-meter-woningen’, ofwel energieneutrale woningen. Om dit te realiseren zijn de woningen omkleed met een volledig nieuwe (zeer) goed isolerende ‘buitenschil’. Tegen de gevels en op het dak zijn prefab elementen geplaatst. Op het dak liggen zonnepanelen. De brand De brand is ontstaan in de keuken en ontwikkelt zich tot een uitslaande brand. Hierdoor ontbrandt de gevel van de woning. De brand breidt zich uit, zowel aan de binnenzijde als via de buitenzijde (gevel). De brand bereikt via de buitenzijde het dak en breidt zich verder uit via de ruimte tussen de dakconstructie en de zonnepanelen naar niet alleen de nok van de brandwoning, maar ook naar het dak en de nok van een aangrenzend huis. Er vindt in het beginstadium van de brand ook rookverspreiding plaats naar aangrenzende woningen. Via de nokconstructie en/of bij de woningscheidende wand- en dakconstructie op de zolder vindt er branduitbreiding plaats naar de binnenzijde van de twee aangrenzende woningen (nummer 42 en 46). Via hetzelfde traject breidt de brand zich ook uit naar andere woningen (nummer 40 en 48). De brandweerinzet Bij aankomst van de brandweer is er al sprake van een uitslaande brand en branduitbreiding naar de gebouwschil van de huizen aan weerszijden van de woning waar de brand is ontstaan.

De brandweer probeert van buitenaf branduitbreiding via de gevels te beperken. Er gaan brandweerploegen naar binnen in de aangrenzende woningen om deze te controleren op aanwezigheid van personen. Op de zolders van de aangrenzende woningen blijkt dat het van binnenuit tegenhouden van de brand te gevaarlijk is vanwege de rook en warmte, en daarmee onder andere vanwege het risico van een (explosieve) rookgasontbranding. De defensieve binneninzet in deze woningen wordt daarop gestaakt. Van buiten wordt vanaf de grond geprobeerd om met waterstralen de brand in de nok van de woningen te bestrijden, maar de metalen afdekkap zorgt ervoor dat het vuur onder deze kap niet bereikt kan worden. In meerdere aangrenzende woningen blijkt het niet mogelijk om de brand daar tegen te houden. Branduitbreiding naar woning nummer 38 wordt uiteindelijke voorkomen, doordat daar nog wel een binneninzet mogelijk was en het dak te bereiken was vanuit een redvoertuig. Aan de buitenzijde zijn vanuit een hoogwerker de metalen afdekkappen van de nok verwijderd en wordt geblust om verdere branduitbreiding te beperken. In het dak van een woning (nummer 38) wordt preventief een stoplijn gezaagd; hiervoor worden de zonnepanelen verwijderd. Het dak van woningen 46 en 48 kan niet met een hoogwerker worden bereikt.

Vanwege de branduitbreiding en rookverspreiding naar deze woningen is besloten om geen binneninzet meer uit te voeren. Om de brand in de woningen (en in de constructie) te kunnen blussen, worden de woningen al tijdens het blussen gesloopt.

3.1.2 Casus ‘opgetopt woongebouw’

In de avond van zaterdag 3 juni 2023 woedt er een brand in een woongebouw aan de Joan Muyskenweg 4 in Amsterdam. Als gevolg van de brand heeft – voor zover bekend – één bewoner rookintoxicatie en hebben twee brandweermensen lichte brandwonden opgelopen. Uiteindelijk is het hele woongebouw onbewoonbaar geraakt (Brandweer AmsterdamAmstelland, 2023a).

32/79

Figuur 3.2 Casus ‘opgetopt woongebouw‘, met in lichtgrijs het opgetopte deel (bron: Jeffrey Koper Brandweer Amsterdam-Amstelland) Het gebouw In 2018 zijn er twee kantoorgebouwen samengevoegd en getransformeerd naar één woongebouw. 6 Destijds zijn er drie bouwlagen toegevoegd (opgetopt) aan de vijf al bestaande bouwlagen, waardoor het totaal uitkomt op acht. Er zijn 95 woningen in het woongebouw aanwezig. De brand Er wordt aanvankelijk een brand gemeld ‘in de muren’ op vijfde verdieping van het gebouw; later volgt er nog een melding over een brand achter de gevelbekleding op de zevende verdieping. De brand is ontstaan op de zevende verdieping, breidt zich uit naar de achtste (de bovenste) verdieping en vandaar naar het dak. De brand breidt zich uit tot ongeveer de helft van het dak en breidt zich via de dakconstructie ook uit naar de binnenzijde van diverse onderliggende woningen. De brandweerinzet De brandweer neemt bij aankomst aan de voorzijde van het gebouw geen brand of rook waar, omdat de brand aan de achterkant van het gebouw is. De achtergevel grenst aan de waterkant en is niet bereikbaar met een redvoertuig. Er wordt ingezet op een offensieve binneninzet, waarbij in eerste instantie gebruikgemaakt wordt van een draagbaar blusmiddel om de brand in de constructie te bestrijden.

Als dit niet blijkt te lukken, wordt de droge blusleiding gebruikt om bluswater naar de verdieping te transporteren. Een afsluiter van de blusleiding op de achtste verdieping komt echter los, waardoor de waterdruk wegvalt en blussen niet meer mogelijk is, ook niet op de zevende verdieping waar de ploeg aan het blussen is. Het water dat enige tijd vrij kon uitstromen vanaf de achtste verdieping naar de liftschacht, heeft de brandweerliften onbruikbaar gemaakt. Blussen is door het defect circa 20 minuten niet mogelijk. Er wordt een lagedrukstraal in het trappengat opgebouwd en een hogedrukstraal opgevoerd via een autoladder. Als het blussen kan worden hervat, heeft de brand het dak al bereikt en hebben de ploegen de achtste verdieping verlaten. De brand op het dak wordt eerst met torenstralen vanaf redvoertuigen bestreden en later ook op het dak zelf met stralen lage druk die via een vlizotrap zijn opgevoerd. Voor de brand is geblust, is er

6 http://www.4-u-2afbouw.nl/projecten/transformatie-joan-muyskenweg-te-amsterdam/.

33/79

sprake van branddoorslag naar vier onderliggende woningen. Als de brand op het dak onder controle is, wordt de brand op de zevende en achtste verdieping van binnenuit geblust.

3.1.3 Casus ‘unitwoningen’

Op zondagochtend 13 november 2022 vindt er een brand plaats in een woonunit van een wooncomplex aan Voetbalstraat nummer 87 in Amsterdam. Er vallen geen slachtoffers. De brand richt wel forse schade aan; uiteindelijk moet het gehele woonblok gesloopt worden, omdat het onbewoonbaar is geworden (Brandweer Amsterdam-Amstelland, 2023b).

Figuur 3.3 Casus ‘unitwoningen’ (bron: Jeffrey Koper Brandweer Amsterdam-Amstelland) Het gebouw De brand breekt uit in een van woonunits die zijn geschakeld en gestapeld en zo het wooncomplex vormen. Het woonblok, dat in 2015 is geplaatst, bestaat uit drie bouwlagen met in totaal 75 eenpersoonsunits. De constructie van de units bestaat uit elementen van houtskelet. De brand De brand wordt door de politie ontdekt na een melding van overlast. Op dat moment brandt in een van de woonunits een voorwerp op een bank die onder een open raam staat. Er wordt door de politie een bluspoging gedaan met een klein blusmiddel, maar deze heeft niet het gewenste resultaat. De voordeur van woning blijft openstaan en de brand ontwikkelt zich tot een uitslaande brand. Langs de gevelconstructie breidt de brand zich uit naar het dak van de units. De brand in de unit wordt door de brandweer geblust, maar de brand op het dak verspreidt zich en breidt zich uit naar de onderliggende woonunits. De brandweerinzet Bij aankomst van de brandweer is er sprake van een uitslaande brand en is forse rookontwikkeling zichtbaar. De brand in de woonunit wordt door middel van een offensieve buiteninzet bestreden, gevolgd door een offensieve binneninzet. De tweede verdieping (derde bouwlaag) wordt ontruimd en er wordt verkend op eventuele branddoorslag.

Op de eerste en tweede verdieping wordt de brandweer geconfronteerd met rook op de gangen. Eenmaal in de woonunit waar de brand is ontstaan, blijkt dat de blussing effectief is geweest. Tijdens het nablussen in de unit komt het bericht dat de brandweer het gebouw moet verlaten, omdat de brand over een groot gedeelte van het dak is verspreid. De brand onder

34/79

het schildak is niet bereikbaar voor de brandweer. De woningen op de begane grond en de eerste verdieping worden ontruimd en gecontroleerd op aanwezigheid van personen. Er wordt met waterkanonnen ingezet op het voorkomen van branduitbreiding naar het aangrenzende woonblok dat via het tropendak in verbinding staat met het woonblok waar de brand in is begonnen. Met stralen wordt van buitenaf geprobeerd de brand op het dak te bestrijden. De brand breidt zich vanaf het dak uit naar de bovenste verdieping met woonunits. Voorkomen wordt dat de brand zich uitbreidt naar het naastgelegen woonblok.

3.2 Brandverloop In deze paragraaf wordt het brandverloop beschreven. Er wordt ingegaan op de branduitbreiding en rookverspreiding via de gebouwschil en andere constructies (holle ruimten).

3.2.1 Gebouwschil per casus

De gebouwschil verbindt de woningen met elkaar en kan bestaan uit verschillende constructies. Daarnaast kan de gebouwschil in verbinding staan met inwendige (scheidings)constructies, zoals woningscheidende wanden of vloeren. Door een brand in een constructie (of constructies) van de gebouwschil kunnen meerdere woningen tegelijk worden bedreigd. In de casussen heeft branduitbreiding tussen de woningen plaatsgevonden via de constructie in de gebouwschil en via constructies die in verbinding staan met de gebouwschil. Hieronder worden de relevante kenmerken van de gebouwschil per casus weergegeven. Verduurzaamde woningen Om de bestaande rij woningen is met prefab elementen een extra ‘schil’ aangebracht tegen de gevel- en dakconstructie om de isolatiewaarde hiervan te vergroten. Opgetopt woongebouw Er zijn extra verdiepingen op een bestaand gebouw gezet. Om de hoeveelheid extra gewicht op de bestaande draagconstructie te beperken, zijn lichtgewicht constructies toegepast, ook voor de buitenzijde van het gebouw. Unitwoningen Het betreft een semipermanent gebouw, dat modulair en verplaatsbaar is. Het gebouw is gevormd door units die geschakeld en op elkaar gestapeld zijn. Om de verplaatsbaarheid en het stapelen mogelijk te maken, zijn lichtgewicht houtskeletbouwconstructies gebruikt.

Bij de drie casussen is gebruikgemaakt van lichtgewicht constructies die grotendeels bestaan uit brandbare bouwmaterialen. Het gaat onder andere om constructieonderdelen van hout (plaatmateriaal en stijl- en regelwerk), EPS-isolatiemateriaal in de gevel- en/of de dakconstructie en brandbare dakbedekking (bitumen en EPDM) in de dakconstructie, zie tabel 3.1.

35/79

Tabel 3.1 Toegepaste bouwmaterialen per casus, voor zover bekend Opbouw gevelconstructie (van buiten naar binnen)

Opbouw dakconstructie (van buiten naar binnen)

Steenstrip of stucwerk EPS-isolatie (*) Spaanplaat (*) EPS-isolatie (*) Spaanplaat (*) Metselwerk EPS-isolatie (*) Metselwerk

EPDM-dakbedekking (*) Spaanplaat (*) Glaswolisolatie Houten sporen en dwarsliggers (*) Houten panlatten / tengels (*) Houten dakbeschot (*) Houten gordingen (*)

Gevelbekleding (type onbekend) Glaswolisolatie Houten stijl- en regelwerk (*) OSB-plaat (*) Gipskartonplaat (waarschijnlijk)

Bitumen (*) EPS-isolatie (*) Metalen dakbeplating

Lichtmetalen gevelbekleding Dampwerende bouwfolie (*) Steenwolisolatie Houten stijl- en regelwerk (*) OSB-plaat (*) Glasvezelversterkte gipskartonplaat

Bitumen (*) EPS-isolatie (*) OSB-plaat (*)

De brandbare materialen zijn met (*) aangegeven.

3.2.2 Ontdekken en melden van de brand

De locatie waar de brand is ontstaan, verschilt per casus: in twee gevallen gaat het om een brand die is ontstaan in een ruimte in de woning (keuken en woonkamer), en in het derde geval om een brand die ontstaan is in of nabij de buitenmuur. In alle casussen is de brand ontdekt door de waarneming van aanwezigen in het gebouw, zoals het uitvallen van de stroomvoorziening, het ruiken van een brandlucht, het zien van vlammen en/of rook. De brand is ontstaan in de keuken op de begane grond. De bewoners hebben de brand ontdekt door stroomuitval en een brandlucht. Kort daarna kwam een rookmelder op de vluchtroute in alarm. In de woning was op elke bouwlaag een rookmelder aangebracht. De brand is ontstaan aan de onderkant van een balkonmuur op de zevende verdieping. De ontstaansoorzaak is onbekend. Hoewel de brand op de zevende verdieping is ontstaan, wordt in eerste instantie op basis van de melding aangenomen dat er brand is op de vijfde verdieping. Later volgt er een melding dat er op de zevende verdieping ‘brand zit in de muren’, aldus de melder. Meerdere melders zien rook. Er worden vlammen en rook gemeld op de zevende verdieping. Onbekend is of rookmelders in alarm zijn gekomen. De brand is ontstaan op een bank in de gecombineerde woonslaapkamer. De brand is in het beginstadium door de politie ontdekt en gemeld.

Er is geen informatie beschikbaar over het al dan niet in alarm komen van rookmelders.

36/79

Bij de casus ‘woonunits’ kan op basis van de beschikbare gegevens een inschatting worden gemaakt van de periode tussen ontstaan en melden van de brand; er kan gesteld worden dat deze brand vermoedelijk is gemeld binnen 10 minuten na ontstaan. Bij de andere twee casussen kan vanwege het ontbreken van gegevens geen inschatting worden gemaakt van de periode tussen ontstaan en melden van de brand.

3.2.3 Branduitbreiding via de gebouwschil

Hoewel de toegepaste bouwmethode en bouwmaterialen per casus (in detail) verschillen (zie paragraaf 4.2.1.), is er een overeenkomst in het effect op het brandverloop en de brandbestrijding. Vanwege de brandbaarheid van de materialen waaruit de schil bestond, was er sprake van snelle branduitbreiding naar verschillende constructies en ruimten. Niet alleen was er brand op de ontstaanslocatie (woning of balkonconstructie), maar ook het gebouw zelf of meerdere woningen stond(en) (na verloop van tijd) in brand. In alle casussen heeft de brand zich via de gevel en aangrenzende constructies verspreid naar het dak. Vervolgens heeft de brand zich bij alle casussen via de dakconstructie en naar onderliggende woningen uitgebreid. Bij twee casussen heeft de brand zich in de eerste minuten via de gevelconstructie ook uitgebreid naar de gevelconstructie van de naastgelegen woning. Binnen 7 minuten na het ontdekken heeft de brand vanuit de binnenzijde van de woning de nok van het dak bereikt. De brand heeft zich via een deels openstaand keukenraam naar de gevelconstructie uitgebreid en vandaar zowel naar boven toe als in zijwaartse richting naar een aangrenzende woning. Vanuit de gevelconstructie heeft de brand zich via de ruimte tussen de zonnepanelen en het brandbare dak verspreid naar de nok van het dak.

Het vuur is in de holle ruimte onder de metalen afdekplaat en de houten nok van twee woningen terechtgekomen, waarna het zich via de zolder van een van de woningen en de nok heeft verspreid naar aangrenzende woningen. Vanwege de bouwmethode werd de brand op de zolderruimten van de aangrenzende woningen niet snel uitslaand, wat resulteerde in relatief veel pyrolysegassen en overdruk. Hierdoor verspreidden rook en vuur zich naar andere aangrenzende woningen via naden kieren in de scheidingsconstructie tussen deze woningen. De brand breidt zich vanaf de zevende verdieping uit naar de achtste en – via de gevelconstructie en het balkon – naar het dak. De gevelconstructies op de verdiepingen staan met elkaar in verbinding, maar ook met de vloerconstructie van het aan de gevelconstructie grenzende balkon. De brand heeft zich uitgebreid naar de bovenliggende woning, mede doordat de droge blusleiding waarmee de brandweer wilde blussen defect was geraakt (zie paragraaf 4.5.5). Ongeveer 40 minuten na melding is de brand overgeslagen naar het dak en heeft zich in en over de dakconstructie onder invloed van de wind verder kunnen uitbreiden. Via de dakconstructie heeft de brand zich ook kunnen uitbreiden naar enkele onderliggende woningen op de achtste verdieping.

De brand heeft zich binnen 6 minuten na ontdekken vanuit de binnenzijde van een woning via een opstaand raam kunnen uitbreiden naar het dak van het gebouw. Het is niet duidelijk of en in welke mate de gevelconstructie hieraan heeft bijgedragen. De gevel van de unitwoningen liep over meerdere bouwlagen door en was verbonden met de dakconstructie. De brand heeft zich, nadat het dak werd bereikt, in en over de dakconstructie onder het schildak verder kunnen uitbreiden. Vervolgens heeft de brand zich via de dakconstructie naar de woningen van de onderliggende bouwlagen uitgebreid.

37/79

Naast de holle ruimten in constructieonderdelen is bij alle casussen ook in enige vorm sprake van een holle ruimte onder een extra schil boven of op de dakconstructie, die heeft bijdragen aan de branduitbreiding. De uitvoering en locatie van de extra schil verschillen per casus, net als de wijze waarop de schil heeft bijgedragen aan de branduitbreiding. Over de bestaande schuine dakconstructie (zadeldak) is een extra schil van dakelementen geplaatst waar bovenop over het gehele dakvlak een doorlopende laag met zonnepanelen is gelegd. Over de nok van het dak, daar waar de dakelementen op elkaar aansluiten, ligt een metalen afdekkap waarmee de houten nokconstructie is afgedekt. Op drie manieren is sprake van een extra schil over de dakconstructie en heeft deze extra schil bijgedragen aan de branduitbreiding: 1. Via de ruimte tussen de zonnepanelen en het schuine dak in combinatie met de toegepaste brandbare dakbedekking (EPDM) heeft de brand zich uitgebreid. Binnen één minuut heeft de brand zich vanaf de gevel via deze ruimte naar de nok van het dak van zowel de woning waar de brand is ontstaan als een aangrenzende woning verspreid. 2. De staalplaat die over de nok van het dak was aangebracht vormde een (afschermende) schil. De brand in de onderliggende holle ruimte kon zich via de houten constructie uitbreiden naar de binnenzijde van de aangrenzende woningen. 3.

Ter plaatse van de woningscheidende wanden heeft de brand zich vanuit de spouw tussen de oude en de nieuwe buitenschil via open verbindingen (holle ruimte) naar de aangrenzende woningen kunnen verplaatsen. In de lichte bouwconstructie bevinden zich holle ruimten tussen vloeren, plafonds en schachten. De brand heeft zich langs de in de gevel geïntegreerde hemelwaterafvoer naar boven toe kunnen uitbreiden. De geschakelde en gestapelde units zijn afgedekt met een dakconstructie van EPS en bitumen. Over dit platte dak van de units is een metalen ‘tropendak’ geplaatst in de vorm van een zadeldak. Deze extra schil heeft als doel om het gebouw koel te houden door schaduw te geven en zoninstraling te beperken. Tussen het platte dak van de units en het tropendak is een holle, natuurlijk geventileerde ruimte aanwezig. Als de brand het dak bereikt heeft, zorgt het tropendak voor een afschermende werking waardoor warmte en rook zich onder het tropendak kunnen ophopen. Deze afschermende werking heeft de branduitbreiding in en over het platte dak bevorderd.

3.2.4 Rookverspreiding

Bij alle casussen heeft de rook zich al in de beginfase van de brand verspreid naar aangrenzende woningen. De wijze waarop en de snelheid waarmee dit is gebeurd, verschillen per casus. Bij twee casussen was ook sprake van rookverspreiding via de woningtoegangsdeur naar de gang. Ook heeft de rook zich opgehoopt in holle ruimten (zolderruimten en onder het tropendak), hetgeen risicovol kan zijn voor zowel burgers als hulpverleners. Er was bij de drie casussen sprake van hevige rookontwikkeling en rookverspreiding; er is echter niet duidelijk is geworden wat exact de bron van de rookontwikkeling was: de brand in de woningen of op het balkon, of die in de gebouwschil.

38/79

Voor aankomst van de brandweer had er al rookverspreiding plaatsgevonden naar de aangrenzende woningen. In twee woningen naast de woning waar de brand is ontstaan blijkt er al rook op de zolder te zijn als de brandweer ze betreedt. In ieder geval via de holle ruimten in de gebouwschil (de dakconstructie en waarschijnlijk ook de gevelconstructie) maar ook via naden en kieren in de woningscheidende wandconstructie verspreidt de rook zich naar de aangrenzende woningen. Melders (bewoners van het woongebouw) van de brand nemen rook (en vlammen) waar aan de binnen- en buitenzijde van het gebouw. In het trappenhuis van het gebouw hangt licht rook, net als op de zesde verdieping. Op de zesde en zevende verdieping hangt er ‘behoorlijk veel rook’ volgens de brandweer. Er wordt mede vanwege de rookverspreiding besloten het hele gebouw te ontruimen. De bewoner van de woning waarin de brand is ontstaan is door de politie naar buiten gebracht, waarna de voordeur open is blijven staan. Ook is er een voordeur open blijven staan, nadat een van de buren de eigen woning was ontvlucht. Hierdoor heeft de rook zich (ook) via de gang verspreid naar andere woningen. Op de verdieping boven de brand was er bij aankomst van de brandweer ook al sprake van een behoorlijke hoeveelheid rook. Op de verdieping onder de brand was sprake van lichte rook.

Een grote hoeveelheid rook verzamelde zich onder de schildakconstructie en kon daar mogelijk via installatiesystemen verder het gebouw in worden verspreid.

3.3 Brandbestrijding In deze paragraaf worden de relevante aspecten besproken die van invloed zijn geweest op de (on)mogelijkheden van brandbestrijding.

3.3.1 De omvang van de brand bij aankomst van de brandweer

Bij alle casussen was de brandweer binnen 10 minuten ter plaatse. Bij aankomst werd de eerste basiseenheid geconfronteerd met brand op meerdere bouwlagen. Bovendien waren er meerdere woningen betrokken bij de brand en/of werden bewoners van meerdere woningen bedreigd door rook. De brandweer had mede hierdoor veel taken, zowel op het gebied van hulpverlening bij het ontvluchten van bewoners van (en andere aanwezigen in) het gebouw, als het zoeken naar de locaties van de brand (in de gebouwschil), als de bestrijding van een omvangrijke en moeilijk bereikbare brand. Bij aankomst van de brandweer – circa zes minuten na de melding van de brand – wordt het beeld bevestigd dat er sprake is van een uitslaande brand (aan de voor- en achterzijde van de woning) en zijn vlammen bij de nok zichtbaar. De gevel van het huis links van de woning waar de brand is ontstaan, staat in brand. De nok van de woning rechts staat ook in brand. De brandweer zet in op het voorkomen van verdere branduitbreiding via de gevels, het bestrijden van de brand in de woning en het controleren van aangrenzende woningen op aanwezigheid van personen. Tijdens de brandweerinzet is geschakeld tussen verschillende inzettactieken: van offensief buiten tot defensief binnen en een combinatie van alle vier de inzetkwadranten gelijktijdig.

39/79

Wanneer de eerste eenheden – 8 en 9 minuten na de melding – arriveren, wordt er aan de buitenzijde (de voorzijde) van het gebouw geen brand of rook waargenomen. De twee brandmeldingen die binnenkomen waren, geven geen uitsluitsel over de verdieping waar de brand is; de vijfde en de zevende verdieping worden genoemd. Bewoners verlaten ondertussen het pand. In de woning, en specifiek in de constructie tussen de zesde en zevende verdieping doet de brandweer een bluspoging met een schuimblusser (offensief binnen). Deze heeft niet het gewenste resultaat. Er wordt vastgesteld dat de brand een verdieping hoger zit. De ploeg begint de zesde verdieping te ontruimen. Door de andere eenheid wordt op de zevende verdieping vastgesteld dat de brand in de constructie van twee woningen zit. Ondertussen wordt ook de watervoorziening via de droge blusleiding opgebouwd voor een offensieve binneninzet, maar al snel blijkt dat deze defect is geraakt (zie verder paragraaf 4.3.4). Gedurende de periode dat er geen bluswater is, breidt de brand zich uit naar het dak. Vervolgens is ingezet op offensief buiten om de brand op het dak te blussen, gevolgd door een offensieve binneninzet om de brand in de woningen te bestrijden. Bij aankomst – 4 minuten na de melding van de brand – ziet de eerste brandweereenheid rook boven het dak van het gebouw uitkomen. Dichterbij is er zicht op de uitslaande brand.

Er is sprake van veel rookontwikkeling en de vlammen slaan uit de unit waar de brand is ontstaan. Er wordt besloten een offensieve buiteninzet uit te voeren, gevolgd door een offensieve binnenzet om de brand in de woning te blussen. Nadat duidelijk is dat de brand zich ook op het dak bevindt, is ingezet op defensief buiten en vervolgens op een combinatie met een offensieve buiteninzet.

3.3.2 Bereikbaarheid van de brand

Bij alle casussen was de brand voor de brandweer moeilijk bereikbaar, omdat die zich in de gebouwschil (gevel en dak) en inwendige constructies bevond. Bij een dakbrand is de inzet van een redvoertuig (ladderwagen of hoogwerker) noodzakelijk om de brand te kunnen bereiken. Of een inzet mogelijk is, hangt ervan af of een redvoertuig aanwezig is, of er een opstelplaats is voor een brandweervoertuig nabij de brandhaard(en) en of vanaf die opstelplaats de brand bereikt kan worden. Door de terreininrichting konden niet alle zijden van de gebouwen met een redvoertuig bereikt worden, waardoor ook niet alle branden in de gebouwschil bereikbaar waren. Een tweede complicerende factor was, dat het bij een brand in de gebouwschil niet altijd mogelijk is bluswater op de brandhaard te krijgen, omdat die brandhaard zich in de constructie bevind. Alvorens er geblust kon worden, moest de constructie gesloopt worden om bij de brandhaard te komen. Bovendien was de locatie van de brandhaard vaak moeilijk te bepalen.

40/79

De brand in de gebouwschil was moeilijk bereikbaar. Deze was niet van binnenuit te bestrijden vanwege het risico van een (explosieve) rookgasontbranding. De precieze locatie was moeilijk vast te stellen, omdat deze in de ‘schil’ zat. Bovendien was de brand in de dakconstructie niet vanaf straatniveau te bereiken. Niet overal kon de brand direct en/of effectief worden bestreden: 1. Door de metalen afdekplaat kon de brand in de nok van de woningen niet worden bereikt. (Bovendien was het mede door de zonnepanelen én de uitvoering van de dakconstructie lastig voor de brandweer om een stoplijn in het dak te maken om zo de brand te stoppen). 2. Door de gebruikte materialen in de ‘gebouwschil’ en de hoge mate van isolatie (onder andere door glaswol en driedubbel glas) werd de brand afgeschermd en was daardoor moeilijk bereikbaar. 3. Aan de rechterzijde van de woning waar de brand was ontstaan, konden de daken niet bereikt worden (geen dekking) met een redvoertuig (vanwege een autovrije straat). Aan de linkerzijde kon de brand vanuit een hoogwerker worden gestopt, maar pas drie woningen verder dan de woning waar de brand was ontstaan.

De brand op de zolder naast de woning waar een defensieve binneninzet werd uitgevoerd, kon met de torenstraal van de hoogwerker worden bestreden, waarna het wel mogelijk was om via een offensieve binneninzet de brand te bestrijden en verdere branduitbreiding te voorkomen. 4. Vanwege de rookverspreiding naar aangrenzende woningen kon niet meer in alle woningen veilig binnen worden opgetreden en was de brand van binnenuit de woningen dus niet bereikbaar. De vuurhaard was niet rechtstreeks bereikbaar, omdat deze zich in de wandconstructie bevond. De brand op het dak was niet goed te blussen vanuit het gebouw. Hiervoor was de inzet van redvoertuigen noodzakelijk. In eerste instantie werd de brand in de woonunit bestreden van buitenaf, waarna binnen de brand in de woning werd geblust. Er was op dat moment ook al sprake van brand op het dak. De brand op het dak was echter moeilijk bereikbaar vanwege het tropendak erboven.

3.3.3 Terugtrekken van de brandweer tijdens de inzet

Bij alle casussen was het voor de brandweer noodzakelijk om de ingezette eenheden terug te trekken uit het gebouw vanwege een onveilige situatie. De redenen waarom waren niet hetzelfde. Bij de verduurzaamde woningen was sprake van een onveilige situatie vanwege de ophoping van rookgassen, en bij het opgetopte woongebouw en de unitwoningen vanwege de snelle en onoverzichtelijke branduitbreiding over het dak. Binnen een kwartier na melding werd al duidelijk dat de situatie op zolder van de woning rechts van de woning waar de brand was ontstaan, te gevaarlijk was vanwege het risico van een (explosieve) rookgasontbranding. De brandweer trok zich terug uit de woning. Dezelfde situatie deed zich voor in de woning links naast de woning waar de brand was ontstaan. Mede als gevolg van het falen van de droge blusleiding kon de brand zich enige tijd uitbreiden, voordat er op een andere manier bluswater beschikbaar kwam. Op het moment dat er weer bluswater beschikbaar was, had de brand het dak al bereikt en stond de helft van het dak al in brand. Hierop werd besloten dat de brandweerploeg die aanwezig was in het gebouw op de verdieping onder het dak, zich terug moest trekken.

41/79

Tijdens het ontruimen van de bovenste verdieping werd geconstateerd dat de brand al op het dak zat. Dit was ongeveer 11 minuten nadat de eerste eenheid ter plaatse was. Nadat zeker was dat het gebouw ontruimd was, hebben de eenheden het gebouw verlaten. Ongeveer 1 uur en 20 minuten na de brandmelding, wordt gemeld dat er afstand moet worden genomen van het gebouw, in verband met instortingsgevaar.

3.3.4 Voorzieningen voor de brandbestrijding

In deze paragraaf ligt de focus op situaties, waarbij de voorzieningen voor de brandbestrijding niet functioneerden zoals verwacht. Bij één casus heeft het falen van de droge blusleiding invloed gehad op het incidentverloop. Bij een andere casus heeft het niet kunnen gebruiken van de brandkraan voor vertraging gezorgd, maar hadden andere factoren een meer bepalende invloed op het incidentverloop. De brandkraan in de buurt van de opstelplaats van de eerste tankautospuit bleek niet bruikbaar te zijn. Hierdoor moest er een andere brandkraan worden gebruikt. Tijdens het realiseren van deze alternatieve watervoorziening is gebruikgemaakt van de watervoorraad van de tweede tankautospuit, die net ter plaatse was. Nadat duidelijk was geworden dat de brand niet met een klein blusmiddel kon worden bestreden, werd een poging gedaan de droge blusleiding te gebruiken; echter raakte deze defect. De oorzaak van het defect was in eerste instantie niet duidelijk; de brandweer moet alle verdiepingen nalopen om het defect op te sporen. Het uit de droge blusleiding stromende water liep de liftschacht van de brandweerlift in, waardoor deze onbruikbaar werd. Het opzetten van een alternatieve bluswatervoorziening en alternatieve verplaatsing binnen het gebouw (de brandweerlift was niet meer bruikbaar) nam ongeveer 20 minuten in beslag.

Voor deze casus zijn er geen bijzonderheden wat betreft dit thema.

3.4 Gevolgen van de brand In algemene zin valt bij de drie geselecteerde casussen op dat branduitbreiding naar de gebouwschil (gevel- en dakconstructie) heeft plaatsgevonden en dat de branden hebben geresulteerd in het onbewoonbaar raken van het gehele woonblok of een aanzienlijk deel daarvan. Er zijn geen dodelijke slachtoffers gevallen.

3.4.1 Slachtoffers

Bij twee branden zijn er helemaal geen slachtoffers, bij de casus opgetopt woongebouw heeft één bewoner rook ingeademd en zijn twee brandweermensen lichtgewond geraakt. Er zijn geen gewonden gevallen bij de brand.

42/79

Als gevolg van de brand heeft – voor zover bekend – één bewoner rookintoxicatie opgelopen. Er zijn twee brandweermensen met lichte brandwonden. Er zijn geen gewonden gevallen bij de brand.

3.4.2 Ontvluchting, evacuatie en redding

Bij aankomst van de brandweer waren de bewoners van de brandwoning al gevlucht. Bij alle casussen zijn meerdere woningen bij de brand betrokken geraakt en moesten meerdere bewoners, mede als gevolg van de rookverspreiding, hun woningen verlaten. De omstandigheden waaronder en de wijze waarop de bewoners hun woning konden verlaten, verschillen per casus. Niet altijd hebben bewoners de woning via de reguliere vluchtroute verlaten. Bij twee casussen heeft de brandweer meerdere verdiepingen en gebouwen moeten ontruimen. Ook zijn mensen door de brandweer uit woningen gered. Er zijn vijf personen aanwezig in de woning waar de brand ontstaat. De brand is door één van de bewoners ontdekt – even later gaat ook de rookmelder af. Twee bewoners op de zolder hebben zichzelf via een dakraam over de zonnepanelen in veiligheid gebracht, omdat het door de hoeveelheid rook niet meer mogelijk was om via de vlizotrap naar beneden te vluchten. Drie andere bewoners die zich op de eerste verdieping bevonden, zijn via de trap en voordeur gevlucht. Zij moesten deels door de rook vluchten. Alle bewoners van de door rook en brand bedreigde woningen zijn zelfstandig uit hun woning gevlucht, al dan niet onder begeleiding van de politie of de brandweer.

In de onderzoeksrapporten staat geen informatie over de ontvluchting van de bewoners van de woning waar de brand is ontstaan en ook niet over de bewoner van de onderliggende woning die melding heeft gedaan. Nadat de brand was gemeld, hebben andere bewoners de ontruiming van het gebouw zelf in gang gezet. Ongeveer een kwartier na melding is de rookverspreiding zodanig dat de brandweer besluit om de bovenste drie verdiepingen van het gebouw te ontruimen. De brandweer controleert de woningen. Ongeveer 20 minuten na de start van de ontruiming belt een bewoner van een woning op de zesde verdieping (etage onder de brand) de meldkamer van de brandweer met het bericht vast te zitten in zijn woning. Deze persoon wordt door de brandweer gered. Ongeveer drie kwartier na aankomst van de brandweer is het gebouw ontruimd en is gecontroleerd of er daadwerkelijk geen personen meer in het gebouw zijn. De bewoner van de woning waarin de brand is ontstaan, is door de politie uit de woning gehaald, waarbij de voordeur open is blijven staan. Ook is er een voordeur open blijven staan, nadat een van de buren de eigen woning is ontvlucht. Hierdoor heeft de rook zich (ook) via de gang verspreid naar andere woningen. De politie is gestart met de ontruiming van de verdieping.

De bewoner van de woonunit naast die waar de brand is ontstaan, wilde via het raam vluchten en is door de politie aangespoord om via de gang te vluchten. Deze bewoner is inderdaad via de gang kunnen vluchten, al stond de gang toen al vol rook. Na het vluchten is deze voordeur open blijven staan. De meeste bewoners hebben het woonblok zelfstandig verlaten, soms aangespoord en ondersteund door de brandweer. (vervolg op volgende pagina)

43/79

(vervolg) Ongeveer een half uur na de melding van de brand heeft de brandweer nog één persoon gered uit de woning tegenover de unit waar de brand is ontstaan. Ongeveer een half uur na de melding zijn alle bewoners gevlucht of geëvacueerd. Vanwege het risico van branduitbreiding wordt een blok aangrenzend aan het blok waar de brand woedt preventief ontruimd. Vanwege de rook zijn ook andere woonblokken ontruimd; in totaal 175 woonunits. Dit leidde ertoe dat er 400 mensen hun woning moesten verlaten.

3.4.3 Branduitbreiding naar een andere woningen

In alle drie gevallen blijft de brand niet beperkt tot één woning. De brand richt forse schade aan waardoor een groot aantal woningen onbewoonbaar raakt. De hele rij woningen (8 woningen) raakt onbewoonbaar door de brand.

75 woningen in het woongebouw raken onbewoonbaar door de brand.

95 woningen raken door de brand onbewoonbaar.

3.4.4 Opschaling en inzetduur

Bij alle drie de casussen zijn er meteen na de melding meerdere brandweereenheden gealarmeerd en is opgeschaald naar ‘grote brand’. De tijd vanaf de eerste melding tot en met het sein ‘brand meester’ duurde uren, bij de verduurzaamde woningen zelfs meer dan acht uur. Op basis van de melding dat de gehele woning in brand staat en er mensen naar het dak gevlucht zijn, is meteen opgeschaald naar ‘grote brand’ met alarmering van een redvoertuig. Ongeveer een half uur na de brandmelding wordt er opgeschaald naar ‘zeer grote brand’ en worden zodoende meer brandweereenheden gealarmeerd. Meer dan 8 uur na de brandmelding volgt het sein ‘brand meester’. Op basis van de melding dat er brand ‘in de muren zit’, worden er volgens het standaardprotocol twee blusvoertuigen en een redvoertuig gealarmeerd. Bijna een half uur na melding volgt opschaling naar ‘zeer grote brand’. Na bijna 6 uur (na melding) volgt het sein ‘brand meester’. Op basis van de melding dat er brand is in een woning worden er volgens het standaardprotocol twee blusvoertuigen en een redvoertuig gealarmeerd. Na 15 minuten volgt er opschaling naar ‘zeer grote brand’. Na meer dan 4 uur (na melding) volgt het sein ‘brand meester’.

44/79

3.5 Belangrijkste overeenkomsten en verschillen De belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de drie casussen worden in deze paragraaf samengevat. Er is onderscheid gemaakt tussen het brandverloop en de brandbestrijding. Daarmee wordt antwoord gegeven op de vraag: Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten en verschillen op gebied van het brandverloop en de brandbestrijding tussen de geselecteerde branden?

3.5.1 Relevante gebeurtenissen in tijdlijnen

In bijlage 1 zijn de voor dit onderzoek meest relevante gebeurtenissen per casus samengevat in een tijdlijn. Er is gebruikgemaakt van de informatie die in de betreffende onderzoeksrapporten is gegeven. De tijden in die rapportages zijn gebaseerd op waarnemingen door brandweerpersoneel en/of beeldmateriaal. Niet van alle gebeurtenissen is het tijdstip bekend (weergegeven in de tabel met ‘onbekend’). De drie tijdlijnen zijn vervolgens vergelijkbaar gemaakt door de tijden van de gebeurtenissen te relateren aan eenzelfde referentiepunt (t = 0), in dit geval het moment van melding. In deze paragraaf zijn de drie bewerkte tijdlijnen naast elkaar gezet, zie tabel 3.2. Tabel 3.2 Tijdlijn gebeurtenissen casussen Gebeurtenissen

Verduurzaamde woningen (uu:mm)

UnitWoningen (uu:mm)

Opgetopt woongebouw (uu:mm)

Melding brand bij meldkamer brandweer

00:00

00:00

00:00

Uitslaande brand

<00:06

00:03

n.v.t.

Rookverspreiding (naar andere woningen)

00:12

00:04

00:00

Op beeld is brand zichtbaar in/op gevel

00:05

00:06

00:06

Eerste brandweereenheid ter plaatse

00:06

00:04

00:09

Falen droge blusleiding

n.v.t.

n.v.t.

00:25

Beginnende brand in twee woningen, branddoorslag bovenliggende bouwlaag en gang vol rook: terugtrekken brandweer binneninzet

00:26

Brand op balkon bovenliggende woning

00:33

Brand op / in dak

00:07

00:06

00:41

Alternatief bluswater beschikbaar

n.v.t.

n.v.t.

00:45

Signalen die duiden op gevaar van (explosieve) rookgasontbranding, terugtrekken brandweer binneninzet

00:12

Gehele dak in brand

n.v.t.

00:15

n.v.t.

(vervolg op volgend pagina)

45/79

Tabel 3.3 Tijdlijn gebeurtenissen casussen (vervolg) Gebeurtenissen

Verduurzaamde woningen (uu:mm)

UnitWoningen (uu:mm)

Opgetopt woongebouw (uu:mm)

Opschaling ‘zeer grote brand’

00:31

00:15

00:26

Zichtbaar dat er brand is in de aangrenzende woning

<00:39

onbekend

onbekend

Signalen van instortingsgevaar gebouw Brand meester

01:24 08:08

04:13

05:52

3.5.2 Overeenkomsten

De belangrijkste overeenkomsten tussen de drie casussen met betrekking tot het brandverloop zijn hieronder samengevat: > De brand breidt zich uit naar de gevel van een lichte bouwconstructie met daarin brandbare bouwmaterialen. Bij de melding of binnen 6 minuten na de melding is de brand aanwezig in de gevelconstructie. > De brand breidt zich uit via de gevelconstructie en ontsteekt de dakconstructie. > Zodra de dakconstructie bij de brand betrokken raakt, is de brand moeilijk te bestrijden en raakt (bijna) de gehele dakconstructie bij de brand betrokken. > In korte tijd wordt het gehele woonblok, of een aanzienlijk deel van het gebouw, door de rookontwikkeling en het gevaar van ongecontroleerde branduitbreiding bedreigd. Uiteindelijk konden de bewoners niet naar hun woningen terugkeren en zijn 8 geschakelde woningen en 75, respectievelijk 95 gestapelde woningen door de brand beschadigd (tot onbewoonbaar) geraakt. > Er vallen geen dodelijke slachtoffers bij de branden. Samengevat zijn de belangrijkste overeenkomsten wat betreft de brandbestrijding: > Bij alle casussen is de brandweer(eenheid) binnen 10 minuten ter plaatse. Bij aankomst is er brand in meerdere ruimten of op plaatsen in de gebouwschil (constructie). De brandweer wordt geconfronteerd met een omvangrijk en complex incident.

> Op enig moment heeft de brandweer zich moeten terugtrekken tijdens de inzet, omdat brandbestrijding binnen in het gebouw niet langer veilig (of niet effectief) kon plaatsvinden. > Er is sprake van brand op hoogte waarbij op enig moment redvoertuigen zijn ingezet om de brand te bestrijden. > De branden waren moeilijk te lokaliseren en te bereiken vanwege de combinatie van hoogte, van buitenaf moeten optreden en brand ín de gebouwschil, en omdat een redvoertuig niet altijd in de buurt kon komen.

3.5.3 Verschillen

Er zijn ook verschillen tussen de casussen. De belangrijkste staan hieronder samengevat: > Bij twee van de drie casussen is de brand ontstaan in de woning, bij een de derde in of nabij de buitenmuur (onderzijde van de balkonmuur). > In alle gevallen bereikte de brand op enig moment het dak. Bij het opgetopte woongebouw kon de brand zich enige tijd ongehinderd naar het platte dak uitbreiden, omdat er geen bluswater op hoogte beschikbaar was vanwege een defecte droge blusleiding.

46/79

>

>

>

>

>

Vervolgens heeft de brand zich verder uitgebreid als gevolg van de wind. Bij de unitwoningen raakte het dak al snel bij de brand betrokken, maar dat was vanwege het tropendak en de hevige rookontwikkeling voor de eerste en aanrijdende eenheden in eerste instantie niet zichtbaar. Vervolgens raakte de dakbrand zover ontwikkeld dat deze, mede vanwege de onbereikbaarheid door het tropendak, niet meer te bestrijden was. Bij de casus van de verduurzaamde woningen bevond de brand zich in een holle ruimte onder aaneensluitende zonnepanelen op een schuin dak, en in de holle ruimte onder een metalen nok. De zonnepanelen en de nok konden niet eenvoudig verwijderd worden, waardoor het bluswater de brand moeilijk kon bereiken. De brand in het opgetopte woongebouw is de enige casus waarbij een defect van voorzieningen voor de brandbestrijding (de droge blusleiding en de brandweerlift) van wezenlijke invloed is geweest op het brandverloop. Bij de casus verduurzaamde woningen was een brandkraan weliswaar niet bruikbaar, maar dit heeft geen effect gehad op het brandverloop. Bij twee casussen is er brand en rook zichtbaar wanneer de brandweer aankomt; er is sprake van een uitslaande brand. Bij één casus zijn er bij aankomst geen signalen van de brand waargenomen door de brandweer. Eenmaal binnen gaat de brandweer op zoek naar de brand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14107469/1