CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20240418-NIPV-Brandveiligheid-van-verduurzaamde-en-snel-gerealiseerde-woningen.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 15 mei 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van het rapport van NIPV: Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen (VN2024-006192)29.938 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen De rode draad uit branden in de gebouwschil

Nederlandse Academie voor Crisisbeheersing en Brandweerzorg Postbus 7010 6801 HA Arnhem Kemperbergerweg 783, Arnhem www.nipv.nl info@nipv.nl 026 355 24 00

Colofon © Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV), 2024 Auteurs

M. Kobes, P.J. van der Graaf, M. Leene, L. de Witte

Opdrachtgever Contactpersoon

Nederlands Instituut Publieke Veiligheid L. de Witte

Datum

18 april 2024

Foto’s cover

Jeffrey Koper, Brandweer Amsterdam en Persbureau Heitink

Wij hechten veel belang aan kennisdeling. Delen uit deze publicatie mogen dan ook worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid is bij wet vastgelegd onder de naam Instituut Fysieke Veiligheid.

2/79

Abstract In sustainably renovated and rapidly built homes with a combustible and noncompartmentalized building envelope, there appears to be a risk of rapid and unpredictable fire spread through the building envelope. This is particularly due to the combustibility of materials used in the building envelope and cavity facilitating easy spread of smoke and heat. However, current fire safety regulations are not designed with the specific fire risks associated with modern construction methods in mind. Additionally, building regulation in the Netherlands do not focus on damage mitigation and limiting the societal impact of fires. This combination presents significant challenges for firefighting efforts in such structures and potentially leads to substantial societal consequences. Following the fire at Grenfell Tower (London, June 14, 2017), there has been increased attention to regulations aimed at limiting fire propagation and spread through the building envelope of high-rise residential buildings. However, recent incidents of fires in homes and residential buildings in the Netherlands demonstrate that the challenge of fires in the building envelope extends beyond high-rise residential buildings. The catalyst for this investigation into fires in the building envelope of homes renovated for sustainability and/or rapidly constructed is a fire in Presikhaaf, Arnhem (June 18, 2023).

This fire, originating in a terraced house with an upgraded building envelope, rendered several residences uninhabitable. The fire exhibited more erratic and unpredictable behaviour than a ‘typical residential fire’, resulting in significant challenges in firefighting efforts and placing considerable strain on fire department resources. In recent years, multiple incidents have occurred where a fire in the building envelope has not been confined to a single dwelling but has spread across a larger number of homes. This has posed (potential) danger to multiple residents, firefighters, and resulted in damage to and loss of housing for numerous households. The aim of this study is to learn from three relevant recent fires and provide solutions to mitigate the risks of such fires and their impact in the future. The following fires are investigated: a fire in a topped-up apartment building (Amsterdam, June 3, 2023), a fire in a building with residential units and a shading roof (Amsterdam, November 13 2022) and the fire in a row of sustainable renovated houses with thermal shell and solar panels (Arnhem, June 18, 2023).

The following question is central to this study: What lessons can be learned from fires in the building envelope of sustainable and/or rapidly constructed dwellings, and what potential solutions could improve the fire safety of such homes? The three cases were analysed and compared with each other on aspects relating to fire progression, firefighting and the impact on residents and the fire department. The following lessons and possible solution directions emerge from this analysis:

3/79

Thorough risk assessment Sustainable and rapidly constructed homes present a risk of fast and unpredictable fire spread via the combustible and non-compartmentalized building envelope, with potentially serious consequences for both residents and firefighters. This necessitates a broad public discussion on the risk of rapid and unpredictable fire spread and its consequences, to determine whether that impact is acceptable. Various aspects are important, such as preservation of housing stock, expectations regarding firefighting interventions in relation to building regulations, and the allocation of responsibilities among government, stakeholders involved in (housing) construction and the fire service. Traditional fire safety regulations Current building regulations are insufficiently designed to address the risks posed by contemporary (combustible) construction materials and methods, potentially resulting in fires within the building envelope. The proposed adaptation of regulations for high-rise residential buildings does not apply to buildings such as those in the three examined cases. Furthermore, the test methods and requirements do not match real-world fire scenarios, resulting in rapid and unpredictable fire spread. A system-based approach, based on scientific knowledge, is necessary to improve fire safety.

Challenges and risks in firefighting Building envelope fires progress unpredictably and complicate effective firefighting. To ensure a safe intervention, it is essential to recognize the signs of a building envelope fire, including potential hazards such as smoke gas explosions. The insights from the case studies provide valuable input for developing an action perspective for firefighting personnel. Need for knowledge development Further knowledge development regarding the fire safety of building envelope constructions is needed, given the rapid and unpredictable fire propagation resulting in significant (societal) impact. This requires experimental research into fire behaviour of new materials, evaluation of actual incidents and building statistics. This knowledge should be widely shared with all stakeholders in the construction industry and with fire service personnel.

4/79

Samenvatting Bij verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen met een brandbare en nietgecompartimenteerde gebouwschil, blijkt er een risico van een snelle en onvoorspelbare branduitbreiding via de gebouwschil. Dit komt met name vanwege de brandbaarheid van de in de gebouwschil toegepaste materialen en de holle ruimten waardoor rook en hitte zich eenvoudig kunnen verspreiden. De huidige brandveiligheidsvoorschriften zijn echter niet ontworpen met de specifieke brandrisico's van moderne bouwmethoden in gedachten. Bovendien richt de bouwregelgeving zich niet op schadebeperking en maatschappelijke impact van branden. Dit samen leidt tot grote uitdagingen voor de brandweer bij het bestrijden van branden in dergelijke constructies en kan leiden tot grote maatschappelijke gevolgen. Na de brand in de Grenfell Tower (London, 14 juni 2017) is meer aandacht gekomen voor regelgeving om brandvoortplanting en branduitbreiding via de gebouwschil van (zeer) hoge woongebouwen te beperken. Recente branden in woningen en woongebouwen in Nederland laten echter zien dat de problematiek van branden in de gebouwschil zich verder uitstrekt dan alleen tot de (zeer) hoge woongebouwen. De aanleiding voor dit onderzoek naar branden in de gebouwschil van verduurzaamde en/of versneld gerealiseerde woningen is een brand in Presikhaaf in Arnhem (18 juni 2023).

Door deze brand, die begint in een rijtjeswoning met een verduurzaamde gebouwschil, raken meerdere woningen onbewoonbaar. De brand verliep grilliger en onvoorspelbaarder dan een ‘gebruikelijke woningbrand’, wat tot de nodige uitdagingen in de brandbestrijding heeft geleid en een grote druk heeft gelegd op de brandweercapaciteit. In de afgelopen jaren hebben meerdere incidenten plaatsgevonden waarbij een brand in de gebouwschil niet beperkt is gebleven tot één woning, maar zich over een groter aantal woningen hebben uitgebreid. Dit heeft geleid tot (potentieel) gevaar voor meerdere bewoners, voor brandweerpersoneel en schade aan en verlies van woonruimte voor meerdere huishoudens. Het doel van dit onderzoek is om te leren van een drietal relevante recente branden en oplossingsrichtingen te geven om de risico’s van dergelijke branden en de impact daarvan in de toekomst te kunnen beperken. Het gaat om de brand in een opgetopt woongebouw (Amsterdam, 3 juni 2023), in een gebouw met woonunits en tropendak (Amsterdam, 13 november 2022) en de brand in een rij verduurzaamde woningen met thermische schil en zonnepanelen (Arnhem, 18 juni 2023).

De volgende vraag staat centraal: Welke lessen kunnen worden getrokken uit branden in de gebouwschil van verduurzaamde en/of versneld gerealiseerde woningen, en welke oplossingsrichtingen zijn denkbaar om de brandveiligheid van dergelijke woningen te verbeteren? De drie casussen zijn op basis van de beschikbare informatie nader geanalyseerd en met elkaar vergeleken op aspecten die betrekking hebben op het brandverloop, de brandbestrijding en het resultaat van de brand. Uit deze analyse komen de volgende lessen en mogelijke oplossingsrichtingen naar voren:

5/79

Zorgvuldige risicoafweging Bij verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen is er een kans op snelle en onvoorspelbare branduitbreiding via de brandbare en niet-gecompartimenteerde gebouwschil, met mogelijk ernstige gevolgen voor bewoners en brandweer. Dit vraagt om een brede maatschappelijke discussie over het risico van een snelle en onvoorspelbare branduitbreiding en de gevolgen daarvan, om te bepalen of die impact aanvaardbaar is. Hierbij zijn verschillende aspecten van belang, zoals behoud van de woningvoorraad, de verwachtingen rondom brandweerinzetten in relatie met bouwregelgeving en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid, de bij de (woning)bouw betrokken partijen en de brandweer. Traditionele brandveiligheidsvoorschriften De huidige bouwregelgeving is onvoldoende ingericht op de risico’s van nieuwe (brandbare) bouwmaterialen en bouwmethoden, waardoor branden in de gebouwschil mogelijk zijn. De voorgenomen aanpassing van de regelgeving voor hoge woongebouwen geldt niet voor gebouwen als die uit de drie onderzochte casussen. Bovendien komen de testmethoden en eisen niet overeen met branden in de praktijk, met snelle en onvoorspelbare branduitbreiding als gevolg. Een systeemgerichte aanpak, gebaseerd op wetenschappelijke kennis, is nodig om de brandveiligheid te verbeteren.

Uitdagingen en risico’s bij brandbestrijding Branden in gebouwschillen verlopen onvoorspelbaar en bemoeilijken effectieve brandbestrijding, met complexe taken voor de brandweer en diverse belemmeringen bij het blussen. Om een veilige brandweerinzet te waarborgen, is het van essentieel belang om signalen van een gebouwschilbrand te herkennen, inclusief potentiële gevaren zoals rookgasontbranding. De inzichten uit de drie casussen kunnen, samen met de basisprincipes van brandbestrijding en het kwadrantenmodel, input geven voor de ontwikkeling van een handelingsperspectief voor brandweerpersoneel. Noodzaak van kennisontwikkeling Er is meer kennis nodig over de brandveiligheid van de gebouwschil, gezien de snelle en onvoorspelbare branduitbreiding met grote (maatschappelijke) impact als gevolg. Hiervoor is het essentieel om zowel experimenteel onderzoek naar brandgedrag van nieuwe materialen uit te voeren, als daadwerkelijke brandincidenten te evalueren en statistiek op te bouwen. Deze kennis moet breed worden gedeeld met alle betrokken partijen in de bouwsector en met brandweerpersoneel.

6/79

Inhoud Abstract

3

Samenvatting

5

Inleiding

8

1 1.1 1.2 1.3

Methodologie Verantwoording van de gekozen onderzoeksmethode Selectie van de branden Analyse

12 12 13 13

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Context Versnelde realisatie en duurzaam bouwen Invloed op brandveiligheid Doelstellingen en uitgangspunten brandveiligheid Uitgangspunten brandbestrijding Eerdere publicaties

15 15 16 17 23 27

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Overeenkomsten en verschillen tussen de casussen Introductie van de geselecteerde casussen Brandverloop Brandbestrijding Gevolgen van de brand Belangrijkste overeenkomsten en verschillen

31 31 35 39 42 45

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Vergelijking tussen casussen en doelstellingen van bouwregelgeving Brandverloop Brandbestrijding Gevolgen van de brand Bevindingen uit eerder onderzoek naar de drie casussen Bevindingen uit andere vergelijkbare incidenten

48 48 55 58 60 62

5

Belangrijkste lessen en oplossingsrichtingen

63

Literatuur

68

Bijlage 1 – Tijdlijnen

71

Bijlage 2 - Vergelijkbare branden

74

7/79

Inleiding Aanleiding De aanleiding voor dit onderzoek is een brand in Presikhaaf in Arnhem (18 juni 2023). Door deze brand, die begint in een woning met een verduurzaamde gebouwschil, raken meerdere woningen onbewoonbaar. Deze brand staat echter niet op zichzelf. In de afgelopen jaren hebben namelijk meerdere incidenten plaatsgevonden waarbij een brand in de gebouwschil heeft geleid tot grote schade aan woningen of woongebouwen. Een in het oog springend voorbeeld is de brand in de Grenfell Tower in Londen (14 juni 2017), die wereldwijd, en ook in Nederland, heeft geleid tot aanpassing van de brandveiligheidsvoorschriften. Hier gaat het om hoog woongebouw, terwijl de brand in Presikhaaf plaatsvond in geschakelde grondgebonden eengezinswoningen. Maar er zijn ook voorbeelden van branden in de gebouwschil van andere lagere woongebouwen. Gemene deler is dat deze branden niet beperkt zijn gebleven tot één woning, maar zich over een groter aantal woningen hebben uitgebreid. Dit heeft geleid tot (potentieel) gevaar voor meerdere bewoners, schade aan woningen en een grote maatschappelijke impact, zowel vanwege het verlies van woonruimte voor meerdere huishoudens als het risico voor (kwetsbare) bewoners. Daarom is het wenselijk om een studie uit te voeren naar de lessen die getrokken kunnen worden uit deze vergelijkbare branden; het voorliggende rapport vormt daarvan de weerslag.

Op basis van een korte verkenning (zie verder paragraaf 1.2) zijn de volgende drie branden geselecteerd: >

Brand Presikhaaf aan de Kinsbergenstraat te Arnhem (18-06-2023) Een woningbrand die is uitgebreid naar de gebouwschil van ‘verduurzaamde woningen’ met doorlopende zonnepanelen op het dak.

>

Brand Joan Muyskenweg te Amsterdam (03-06-2023) Een brand in de gebouwschil ter plaatse van een balkon die is uitgebreid naar het dak van een ‘opgetopt woongebouw’.

>

Brand Riekerhaven aan de Voetbalstraat te Amsterdam (13-11-2022) Een woningbrand in een complex van ‘unitwoningen’ die is uitgebreid naar de gebouwschil onder een tropendak.

Bij bovenstaande branden was er sprake van een of twee ontwikkelingen die een rol hebben gespeeld bij de realisatie van de woningen en zouden kunnen hebben geleid tot een verhoogd brandrisico: > >

‘Verduurzaming’: het verbeteren van de energiezuinigheid door het isoleren en luchtdicht maken van de gebouwschil. ‘Versnelde realisatie’: het snel beschikbaar komen van nieuwe woonruimte, bijvoorbeeld door een of meerdere extra bouwlagen op een bestaand gebouw te plaatsen of door het realiseren van tijdelijke woningen met geprefabriceerde en modulaire constructies.

8/79

De casussen verschillen van elkaar met betrekking tot hiervoor genoemde ontwikkelingen en toegepaste bouwmethoden. Er kunnen echter vergelijkbare factoren aanwezig zijn geweest die het verloop, de effectiviteit van de brandbestrijding en het uiteindelijke resultaat van de brand hebben beïnvloed. Deze factoren zullen centraal staan in dit onderzoek.

Enkele begrippen toegelicht Gebouwschil De constructieonderdelen van een (woon)gebouw die grenzen aan de buitenlucht, zoals de gevel- en dakconstructie. Lichte bouwconstructie Constructieonderdelen (waaronder de gebouwschil) die licht van gewicht zijn, zoals houtskelet- of metal-stud-bouw. Doorgaans voorzien van holle ruimten en gemaakt van niet-steenachtig materiaal. Tropendak Een schaduwgevende dakconstructie boven een gebouw, die zoninstraling voorkomt en het gebouw koel houdt. Optoppen Het plaatsen van een of meerdere extra bouwlagen boven op een bestaand gebouw. Tijdelijke unitwoningen Verplaatsbare woningen die relatief snel te realiseren zijn door hun verplaatsbaarheid en flexibele inzetbaarheid; dergelijke woningen zijn maximaal 15 jaar op dezelfde locatie aanwezig. Verduurzaming Het verbeteren van de energiezuinigheid door het isoleren en luchtdicht maken van de gebouwschil. Versneld gerealiseerde woningen Het snel beschikbaar komen van nieuwe woonruimte, bijvoorbeeld door een of meerdere extra bouwlagen op een bestaand gebouw te plaatsen of door het realiseren van tijdelijke woningen met geprefabriceerde en modulaire constructies. Gebruikelijke woningbrand Een brand in een woning, waarbij de inventaris in brand staat. De brand blijft beperkt tot één woning, en vaak zelfs tot één ruimte.

Brand in de gebouwschil Een brand in de gebouwschil, waarbij het gebouw zelf in brand staat. Daarnaast kan ook de inventaris in het gebouw bij de brand betrokken zijn.

Doel en onderzoeksvragen Dit onderzoek draagt bij aan de kennisontwikkeling op het gebied van brandveiligheid en incidentbestrijding van branden in dergelijke woningen. Het doel van het onderzoek is om te leren van de genoemde recente branden en oplossingsrichtingen te geven om de risico’s van dergelijke branden en de impact daarvan in de toekomst te kunnen beperken. Centrale onderzoeksvraag: Welke lessen kunnen worden getrokken uit branden in de gebouwschil van verduurzaamde en/of versneld gerealiseerde woningen, en welke oplossingsrichtingen zijn denkbaar om de brandveiligheid van dergelijke woningen te verbeteren?

9/79

Deelvragen: 1. Welk niveau van brandveiligheidsvoorschriften is van toepassing bij een versnelde realisatie en/of verduurzaming van woningen, en wat zijn de doelstellingen en uitgangspunten die ten grondslag liggen achter deze voorschriften? 2. Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten en verschillen op gebied van het brandverloop en de brandbestrijding tussen de geselecteerde branden? 3. Hoe verhouden het brandverloop, de brandbestrijding en het resultaat van de branden zich met a) de doelstellingen en uitgangspunten van de (bouw)regelgeving op gebied van brandveiligheid en b) al bekende inzichten op het gebied van brandveiligheid van dit type woningen?

Afbakening Het onderzoek richt zich op branden in de gebouwschil van de woningen en woongebouwen, en specifiek op het brandverloop via de gevel- en dakconstructies en de brandbestrijding. Hoewel er meer vergelijkbare branden zijn geweest, beperkt dit onderzoek zich tot de genoemde drie casussen. Een toelichting op de keuze is te vinden in paragraaf 1.2. Dit onderzoek beoogt dus uitdrukkelijk niet om een uitputtend overzicht te geven van branden in de gebouwschil van woningen. De focus van het onderzoek ligt op overeenkomsten (vergelijkbare kenmerken) in het verloop van de drie branden, om daaruit lessen te kunnen trekken. Deze lessen richten zich dus niet op individuele kenmerken van de branden. De betreffende woningen zijn op verschillende manieren verduurzaamd of versneld gerealiseerd; daarmee geven de casussen een beeld van de invloed van verduurzaming en versnelde realisatie op de brandveiligheid van de gebouwschil. Er zijn echter ook andere mogelijkheden om te komen tot verduurzaamde en versneld gerealiseerde woningen, zoals ‘transformatie’ van bijvoorbeeld kantoren naar woningen of ‘splitsing’ van een woning naar meerdere woningen. Dit soort woningen zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Het onderzoek richt zich voornamelijk op de betrokkenheid van en de brand- en rookverspreiding via de gebouwschil.

Hoewel zijdelings meegenomen in de beschrijving van de casussen, richt het onderzoek zich niet op woningscheidende constructies zoals tussenwanden en vloer- of plafondconstructies, en ook niet op de brand- en rookverspreiding via verkeersruimten of andere ruimten. Ook de kenmerken van de bewoners die van invloed kunnen zijn op de vluchtveiligheid, komen in dit onderzoek niet (expliciet) aan bod. De drie geselecteerde branden hebben met elkaar gemeen dat er een relatie is met maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de noodzaak tot versnelde realisatie, verduurzaming en de energietransitie. Deze ontwikkelingen hebben invloed gehad op de (ver)bouw van deze woningen, en daarmee op het brandverloop en de brandbestrijding. Er is in dit onderzoek niet beoordeeld of de woningen daadwerkelijk voldeden aan de bouwvoorschriften.

10/79

Leeswijzer In hoofdstuk 1 staat de methodologie van dit onderzoek centraal, waarbij wordt uitgelegd hoe en waarom het onderzoek op de gekozen wijze is uitgevoerd. In hoofdstuk 2 komt het bredere perspectief van branden in de gebouwschil aan bod. Hierbij wordt ingegaan op de versnelde realisatie en verduurzaming van woningen, de impact ervan op brandveiligheid, en de basisprincipes van de brandveiligheidsvoorschriften in de bouwregelgeving en brandbestrijding. Hoofdstuk 3 richt zich op de overeenkomsten en verschillen tussen de drie in het onderzoek betrokken branden. Daarna worden in hoofdstuk 4 de belangrijkste aspecten van het brandverloop en de brandbestrijding geanalyseerd in relatie tot de doelstellingen en uitgangspunten van de brandveiligheidsvoorschriften en de brandbestrijding. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de centrale onderzoeksvraag beantwoord door de belangrijkste lessen en mogelijke oplossingsrichtingen te presenteren.

11/79

1 Methodologie In de volgende paragrafen wordt de aanpak van het onderzoek nader toegelicht met een verantwoording van de gekozen onderzoeksmethode en de selectie van de gekozen branden, en een beschrijving van de gehanteerde analyse.

1.1 Verantwoording van de gekozen onderzoeksmethode Om te kunnen bepalen of in het verleden in Nederland vaker branden hebben plaatsgevonden in de gebouwschil, is een internetsearch gedaan naar nieuwsberichten over branden in de gebouwschil met uitbreiding naar meerdere woningen, die in de afgelopen vijf jaar hebben plaatsgevonden, en is een verkenning uitgevoerd bij een aantal veiligheidsregio’s. 1 Uit de verzamelde branden zijn drie casussen geselecteerd voor verdere bestudering, zie paragraaf 1.2 voor de gehanteerde selectiecriteria. De basis van het onderzoek vormen de brandonderzoeksrapporten van de drie geselecteerde branden, opgesteld door de betrokken veiligheidsregio. De uit deze rapporten afkomstige informatie is gebruikt om het verloop van de branden en de brandbestrijding in kaart te brengen. In alle rapportages is een beschrijving gegeven van het incidentverloop en de brandweerinzet, hoewel er verschillen zijn in de mate van detailniveau, de diepgang van het brandonderzoek en de focus op bepaalde kenmerken van de branden. Van twee branden is bovendien een adviesrapport aan de gebouweigenaar of -beheerder openbaar en vrij beschikbaar. De bevindingen uit deze twee rapporten zijn ook in de analyse meegenomen. Daarnaast is nader onderzoek gedaan aan de hand van een documentenstudie.

Zo zijn bestaande bouwregelgeving, handreikingen en onderzoeken op gebied van brandveiligheid in relatie tot een versnelde realisatie van woningen en duurzaam bouwen bestudeerd. Bouwregelgeving De brandveiligheid van woningen is mede afhankelijk van de bouwperiode van het bouwwerk en eventuele verbouwingen die naderhand hebben plaatsgevonden. Dit komt vanwege de destijds van toepassing zijnde brandveiligheidsvoorschriften, de toegepaste bouwmethode en de uitvoeringskwaliteit. In dit onderzoek zijn de verschillende bouwvoorschriften in de bouwregelgeving die van toepassing zijn behandeld. Er wordt onder andere aandacht besteed aan tijdelijke bouw, verbouw, renovatie, verduurzaming, optopping en functieverandering. Bestaande handreikingen en onderzoek Relevante handreikingen en onderzoeken op het gebied van de thema’s die naar voren komen uit de vergelijking zijn eveneens bekeken. Er kan gedacht worden aan onderzoek naar bijvoorbeeld de invloed van energietransitie op brandveiligheid en brand- of incidentbestrijding en de invloed van duurzaam, energiezuinig en circulair bouwen op de brandveiligheid.

De documentstudie is uitgevoerd om de uitkomst van de branden te kunnen vergelijken met de doelstellingen en uitgangspunten van de brandveiligheidsvoorschriften in de

1 Er is een oproep gedaan aan de brandonderzoekers van de brandweer met het verzoek om casuïstiek aan te leveren.

12/79

bouwregelgeving, andere reeds beschikbare publicaties en inzichten en om daaruit lessen te kunnen trekken.

1.2 Selectie van de branden Uit de verkenning naar branden vergelijkbaar met de brand in Presikhaaf zijn meerdere casussen naar voren gekomen. De criteria voor de vergelijkbaarheid waren dat de brand heeft plaatsgevonden in een woongebouw (of een rij woningen), er sprake was van brand in de gebouwschil en dat de brand zich heeft uitgebreid naar meerdere woningen. Om een nadere analyse te kunnen doen naar de factoren die van invloed zijn geweest op het brandverloop, de brandbestrijding en het resultaat zijn de branden geselecteerd die voldoen aan de volgende aanvullende criteria: > Er is sprake geweest van verduurzaming en/of versnelde realisatie van woningen/woongebouwen, en de context van verduurzaming en/of versnelde realisatie is verschillend om een zo breed mogelijk palet aan brandveiligheidsproblematiek te onderzoeken. > Er is door de betreffende veiligheidsregio’s onderzoek gedaan naar de brand, waarbij: − het (brand)onderzoeksrapport openbaar en vrij beschikbaar is − de rapportage uitgebreid genoeg is om te kunnen gebruiken voor de analyse. > De brand heeft recent plaatsgevonden en heeft uitgebreide aandacht gehad in de media, en is daarmee voor een breed publiek herkenbaar. Op basis van de selectiecriteria zijn de volgende casussen geselecteerd om nader te onderzoeken: >

>

>

Brand Presikhaaf aan de Kinsbergenstraat te Arnhem (18-06-2023) Een brand in verduurzaamde woningen die terecht is gekomen in de gevel en zich heeft uitgebreid naar de dakconstructie met doorlopende zonnepanelen. De brand heeft geleid tot acht permanent onbewoonbare woningen. Brand Joan Muyskenweg te Amsterdam (03-06-2023) Een brand in de scheidingsconstructie ter plaatse van een balkon die zich via de gebouwschil heeft uitgebreid naar het dak van ‘opgetopte’ woningen op een voormalig kantoorgebouw. De brand heeft geleid tot 95 tijdelijk tot permanent onbewoonbare woningen Brand Riekerhaven aan de Voetbalstraat te Amsterdam (13-11-2022) Een woningbrand die is uitgebreid naar het dak van de bovenste laag woonunits, gelegen onder het tropendak van een tijdelijk complex van containerwoningen. De brand heeft geleid tot 75 onbewoonbare woningen.

1.3 Analyse Eerst is op basis van de informatie in de drie brandonderzoeksrapporten een aantal hoofdthema’s met subthema’s vastgesteld, waarop de drie branden met elkaar worden vergeleken. Het gaat om de hoofdthema’s brandverloop, brandbestrijding en de gevolgen van de brand.

13/79

>

>

>

Voor het brandverloop is ingezoomd op de opbouw van de gebouwschil, het ontdekken en melden van de brand, de branduitbreiding via de gebouwschil, de branduitbreiding via holle ruimten in het dak en de rookverspreiding (via de gebouwschil en holle ruimten). Voor de brandbestrijding ligt de focus op de omvang van de brand bij aankomst van de brandweer, het terugtrekken van de brandweer tijdens de inzet, de bereikbaarheid van de brand en de voorzieningen voor de brandbestrijding. Voor de gevolgen van de brand is nader gekeken naar de slachtoffers, de ontvluchting en evacuatie of redding, de branduitbreiding naar andere woningen en de opschaling en inzetduur van de brandweer.

Per subthema zijn de belangrijkste overeenkomsten en verschillen in relatie tot de brand in de gebouwschil in kaart gebracht. Daarnaast zijn op basis van de informatie in de drie brandonderzoeksrapporten drie tijdlijnen opgesteld, met daarin de belangrijkste gebeurtenissen die van invloed zijn geweest op het brandverloop, de brandbestrijding en de gevolgen van de brand. Om een vergelijking tussen de drie tijdlijnen mogelijk te maken, zijn de kloktijden van de gebeurtenissen te relateren aan eenzelfde referentiepunt (t = 0), in dit geval het moment van melding. Vervolgens zijn de belangrijkste bevindingen uit de drie branden beschouwd vanuit de doelstellingen van brandveiligheid in relatie tot een versnelde realisatie van woningen en duurzaam bouwen, zoals beschreven in de literatuur en de bouwregelgeving. Op basis hiervan zijn lessen getrokken en zijn oplossingsrichtingen voorgesteld. Hoewel geen uitputtende literatuurstudie is uitgevoerd, zijn wel eerdere publicaties over de specifieke brandveiligheidsaspecten van de drie casussen meegenomen in het onderzoek.

14/79

2 Context In dit hoofdstuk wordt de context beschreven van dit onderzoek. Hierbij wordt ingegaan op de versnelde realisatie en verduurzaming van woningen en de impact daarvan op brandveiligheid. Daarnaast wordt ingegaan op de doelstellingen en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de brandveiligheidsvoorschriften in de bouwregelgeving, en op die van de brandbestrijding.

2.1 Versnelde realisatie en duurzaam bouwen 2.1.1 Versnelde realisatie om woningtekort te reduceren

Er is momenteel sprake van een tekort aan betaalbare woningen. Bovendien staan door veranderende economische omstandigheden nieuwbouwprojecten onder druk, zodat alle zeilen bijgezet moeten worden om de woningvoorraad fors uit te breiden. Mogelijkheden om hieraan snel invulling te kunnen geven zijn: > het ‘optoppen’ van bestaande gebouwen (Rijksoverheid, 2023) > het plaatsen van tijdelijke woningen (Ministerie van BZK, 2024). Optoppen Een van de manieren waarop (een deel van) het woningtekort kan worden ingevuld is door creatief om te gaan met de bestaande bebouwing. Daarom komt er onder andere een programmatische aanpak voor optoppen. Om de constructie van het bestaande bouwwerk niet te zwaar te belasten, worden voor de optopping vaak lichte bouwconstructies gebruikt, zoals houtskelet- of metal-stud-bouw. Unitbouw (tijdelijke bouw) Omdat reguliere woningbouw een lange doorlooptijd kent, wordt er ingezet op flexwoningen (verplaatsbare woningen): woningen die sneller worden gebouwd én op tijdelijk beschikbare locaties kunnen worden geplaatst. Verplaatsbare woningen zijn relatief snel te realiseren en flexibel inzetbaar door hun verplaatsbaarheid. Dergelijke tijdelijke bouwwerken kenmerken zich door de aanwezigheid van holle ruimten tussen de afzonderlijke woonunits die aan elkaar worden verbonden.

2.1.2 Duurzaam bouwen

Het onderzoek De invloed van duurzaam, energiezuinig en circulair bouwen op de brandveiligheid van gebouwen (IPPC, 2021) beschrijft dat het de laatste jaren steeds evidenter geworden is dat het klimaat verandert, dat deze verandering steeds sneller gaat en dat ze kan worden toegeschreven aan de uitstoot van broeikasgassen. Het gaat hierbij met name om de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen (aardgas, aardolieproducten en steenkool). Ter beperking hiervan worden er steeds hogere eisen gesteld aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen gebouwen. Hoewel er voor bestaande woningen volgens de bouwregelgeving geen voorschriften gelden voor de energiezuinigheid, worden ook bestaande woningen grootschalig verduurzaamd en energiezuinig gemaakt door onder andere:

15/79

> > > >

het (na)-isoleren van de gebouwschil (begane grondvloer, gevel en dak) het luchtdicht maken van de gebouwschil het toepassen van dubbel (HR++)- of driedubbel (HR+++) glas de toepassing van energiezuinige installaties, zoals warmtepompen en/of zonnepanelen.

Verder zien we de laatste jaren een grote toename in de toepassing van (brandbare) isolatiematerialen, zoals buitengevelisolatie, die als een tweede schil om het gebouw heen wordt geplaatst.

2.2 Invloed op brandveiligheid In deze paragraaf wordt de invloed op brandveiligheid beschreven van de ontwikkelingen die zijn genoemd in paragraaf 2.2.

2.2.1 Lichte bouwconstructies en holle ruimten

Voor het optoppen van gebouwen en voor unitbouw worden vaak lichte constructies gebruikt. De publicatie ‘Wegwijzer brandveiligheid unitbouw’ beschrijft onder andere de brandveiligheidsrisico’s van lichte bouwconstructies met holle ruimten (VROM, 2007, p. 3): “Unitbouwcomplexen die bestaan uit gestapelde units of uit units die zijn omsloten met een schilconstructie blijken evenwel kwetsbaar te zijn voor branduitbreiding en verspreiding van rook, vooral als zich omvangrijke aaneengesloten loze ruimten tussen en/of rond de units bevinden”. Via lichte bouwconstructies met holle ruimten kan warmte en rook zich verspreiden naar andere delen van een bouwwerk. Daardoor kunnen meerdere ruimten (of wooneenheden) betrokken raken bij de brand. Bovendien is de daadwerkelijke brandhaard bij verspreiding van warmte en rook via de gebouwschil moeilijk te lokaliseren. Het bestrijden van een brand in een holle ruimte is daarom lastig, ook omdat de brand moeilijk bereikbaar is en zich via de holle ruimte ongehinderd en snel kan verspreiden.

2.2.2 Verduurzaming met betrekking tot na-isoleren

Het na-isoleren van de gebouwschil heeft consequenties voor de materiaalkeuze, dimensionering van constructies (bijvoorbeeld de isolatiedikte) en de detaillering. We zien mede als gevolg hiervan de laatste jaren een grote toename van (brandbare) isolatiematerialen in zowel spouwmuren als in buitengevelisolatiesystemen, en daarmee een toenemende invloed van deze materialen op de brandveiligheid van het gebouw. Wanneer brandbare materialen zijn gebruikt als isolatie, kan het gebouw zelf betrokken raken bij een brand: er is dan sprake van ‘een gebouw in brand’ in plaats van ‘een brand in (de inventaris van) een gebouw’. Brandbare isolatiematerialen zoals EPS 2 kunnen bij brand ook druppelvorming veroorzaken. Dit kan leiden tot een snellere branduitbreiding. Van petrochemische producten, zoals bitumen en bepaalde isolerende materialen, is bovendien bekend dat een brand hiervan gepaard gaat met grote rookontwikkeling (NIPV, 2023b). Onder invloed van de toepassing van driedubbel glas (HR+++) en luchtdicht bouwen bestaat het risico dat branden in woningen sneller zuurstofgecontroleerd raken, wat wil zeggen dat een brand ‘gesmoord’ wordt door gebrek aan zuurstof. Dit gaat meestal gepaard met een grotere rookproductie, die kan leiden tot drukopbouw, waardoor een verhoogd risico ontstaat 2 Expanded Polystyrene.

16/79

op rookverspreiding via naden en kieren naar aangrenzende woningen(NIPV, 2023b). Het gebruik van lichte bouwconstructies met daarin brandbaar isolatiemateriaal en ook het luchtdicht bouwen, kan leiden tot een brandverloop dat verschilt van wat bekend is van branden in woningen die op traditionele wijze zijn gebouwd.

2.2.3 Verduurzamen met betrekking tot installaties

Op duurzaamheid gerichte installaties, zoals warmtepompen en zonnepanelen, kunnen een nieuw brandrisico vormen in woningen (NIPV, 2023). Zonnepanelen kunnen bijvoorbeeld zelf de oorzaak zijn van een brand, kunnen in bepaalde mate bijdragen aan de branduitbreiding tussen woningen en kunnen ook de brandweerinzet bemoeilijken als de brandweer bijvoorbeeld toegang wil hebben tot het dak. Het is belangrijk hierbij in het oog te houden dat individuele installaties ook aan veiligheidseisen moeten voldoen (producteisen, de Warenwet en dergelijke). De combinatie van onder andere installaties en toegepaste materialen in de constructies is bepalend voor de (integrale) brandveiligheid van het gebouw. Ook wanneer duurzaamheidsinstallaties (of onderdelen daarvan) brand veroorzaken of bij de brand betrokken raken, kan dit resulteren in een brand in de gebouwschil (zoals het dak).

2.3 Doelstellingen en uitgangspunten brandveiligheid In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de technische eisen opgenomen waaraan alle gebouwen in Nederland sinds 1 januari 2024 ten minste moeten voldoen. Een deel van deze eisen betreft eisen aan brandveiligheid. Het Bbl is de opvolger van het Bouwbesluit 2012. Omdat op het moment van de branden het Bouwbesluit 2012 nog van kracht was, is de analyse van de bouwregelgeving in deze paragraaf gebaseerd op het Bouwbesluit 2012. Daar waar het Bbl afwijkt van het Bouwbesluit 2012 wordt dat aangegeven, voor zover dat relevant is voor de analyse. In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de vraag: Welk niveau van brandveiligheidsvoorschriften is van toepassing bij een versnelde realisatie en/of verduurzaming van woningen, en wat zijn de doelstellingen en uitgangspunten die ten grondslag liggen achter deze voorschriften?

2.3.1 Samenhang brandveiligheidsvoorschriften en inzet van de brandweer

De brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012 dienen twee doelstellingen. Deze staan vermeld in de toelichting op het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416, p. 146). Deze doelstellingen zijn: > het voorkomen van slachtoffers (doden en gewonden) > het voorkomen van branduitbreiding naar een ander perceel. Perceel Bouwbesluit 2012 De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen moet aangeven wat het perceel is. > Bij rijtjeswoningen ligt elke afzonderlijke woning doorgaans op een afzonderlijk perceel. > De aanvrager van een omgevingsvergunning, bijvoorbeeld een woningbouwcorporatie, kan er echter ook voor kiezen om een blok rijtjeswoningen samen als één perceel aan te merken. > Bij een woongebouw ligt doorgaans het gehele woongebouw op één perceel. > Opgemerkt wordt dat het perceel als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 niet hetzelfde hoeft te zijn als het kadastrale perceel.

17/79

Perceel (vervolg) Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) 2024 In het Bbl is het begrip ‘perceel’ gewijzigd in ‘bouwwerkperceel’. Dit begrip is gedefinieerd als: ‘perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van een bouwwerk aan de regels van dit besluit’. Dit begrip wordt in het Bbl als volgt toegelicht (Stb. 2018 291, p. 513) “De contouren van het bouwwerkperceel zijn van belang bij het beoordelen van eisen waarbij de ligging van het bouwwerk op het perceel een rol speelt. Een voorbeeld hiervan is de bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (zie onder meer artikel 4.54). Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen moet het bouwwerkperceel bij de indiening worden vermeld. Het is niet in alle gevallen zo dat de contouren van het bouwwerk-perceel het zelfde zijn als de in het kadaster vastgelegde eigendoms-grenzen. Het begrip bouwwerkperceel is inhoudelijk gelijk aan het begrip perceel als eerder in het Bouwbesluit 2012. De toevoeging van de term bouwwerk vloeit voort uit het feit dat perceel zowel in het spraakgebruik als in de context van de Omgevingswet een andere betekenis kent dan het in het Bouwbesluit 2012 bedoelde begrip. Het is in de regel de indiener van een aanvraag om omgevingsvergunning, of bij een bestaand gebouw de eigenaar van het gebouw, die bepaalt hoe de perceelsgrens verloopt.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het de verantwoordelijkheid is van die indiener of eigenaar om daarbij de belangen van de eigenaren van de perceeleigenaar en buurpercelen in acht te nemen. In dit besluit wordt ook gesproken van een aan een bouwwerk perceel grenzend perceel of een ander perceel dan het bouwwerkperceel. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afbakening van de begrenzing van een bouwwerkperceel naar een aangrenzend of een ander perceel, waarbij het niet ter zake doet of dat aangrenzende of andere perceel een bouwwerkperceel is.”

Volgens de toelichting zijn het behouden van het bouwwerk en het voorkomen van schade aan het milieu, monumenten, maatschappelijke voorzieningen of belangen geen doelstellingen van dit besluit. De doelstellingen zijn in Bouwbesluit 2012 verder uitgewerkt in functionele eisen en prestatie-eisen. Aan deze eisen ligt een aantal algemene uitgangspunten ten grondslag. Deze zijn in de algemene toelichting van het Bouwbesluit 2012 als volgt weergegeven: Ook de algemene uitgangspunten zijn vergeleken met van het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd: > binnen 15 minuten na het ontstaan van een brand moet die brand zijn ontdekt en moeten de door die brand bedreigde personen en de brandweer zijn gealarmeerd; > binnen 15 minuten na die alarmering moeten de door de brand bedreigde personen zonder hulp van de brandweer kunnen vluchten; > de brandweer is aanwezig en operationeel binnen 15 minuten na het melden van de brand, en > de brandweer moet de brand binnen 60 minuten na het ontstaan onder controle hebben, hetgeen inhoudt dat voorkomen wordt dat de brand verder uitbreidt. Op dat moment moeten de laatste door de brand bedreigde personen met behulp van de brandweer zijn gered. Deze uitgangspunten worden ook wel ‘normatief brandverloop’ genoemd.

Met de prestatieeisen van het Bouwbesluit 2012 wordt een brandverloop beoogd waarbij een brand binnen 60 minuten onder controle is en de doelen van de bouwregelgeving zijn gehaald (het voorkomen van slachtoffers en van branduitbreiding naar andere percelen). Anders gezegd: uitgangspunt is dat de brand beperkt blijft tot maximaal één woning.

18/79

Een inzet van de brandweer is onderdeel van de uitgangspunten: > voorkomen dat de brand verder uitbreidt, en > redden van de laatste personen die door de brand zijn bedreigd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een samenhang is tussen de brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012 en de inzet van de brandweer. De in deze paragraaf behandelde uitgangspunten zijn in het Bbl niet veranderd.

2.3.2 Niveaus van voorschriften

Het Bouwbesluit 2012 kent twee niveaus van voorschriften: dat voor nieuwbouw en dat voor bestaande bouw. Daarnaast kent het Bouwbesluit 2012 voorschriften voor verbouw en voor tijdelijke bouw. Nieuwbouw en bestaande bouw In BZK (2020, p. 5) is het verschil tussen de nieuwbouwvoorschriften en de voorschriften voor bestaande bouw als volgt toegelicht: De bouwkundige brandveiligheidsvoorschriften voor bestaande bouw zijn lichter dan voor nieuwbouw. Het niveau van de brandveiligheidsvoorschriften voor bestaande bouw kan volgens de wetgever op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd. De reden dat er een niveau bestaande bouw met prestatie-eisen is geïntroduceerd is tweeledig: de wetgever vond het belangrijk dat gemeenten de mogelijkheid hadden om in te grijpen bij bestaande gebouwen. Daarnaast vond de wetgever het ook belangrijk dat een gebouweigenaar moest weten wanneer hij in ieder geval voldeed (rechtszekerheid). Er is voor de inhoud van de voorschriften generiek een afweging gemaakt tussen enerzijds verworven rechten (door de laagste eisen die volgens de toelichting van het Bouwbesluit sinds 1901 ooit gegolden hebben als uitgangspunt te hanteren) en anderzijds veiligheid (door voor een aantal aspecten een hogere eis te stellen dan wat er ooit gegolden heeft).

Verbouw De verbouwvoorschriften zijn bijvoorbeeld van toepassing op woongebouwen die ‘opgetopt’ worden en op woningen die worden verduurzaamd. Bij verbouw moet worden voldaan aan de nieuwbouwvoorschriften, tenzij anders is aangegeven. Het betreft in een aantal gevallen een specifiek niveau, dat tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor bestaande bouw ligt, maar in de meeste gevallen geldt het ‘rechtens verkregen niveau’. Rechtens verkregen niveau Het rechtens verkregen niveau is in het Bouwbesluit 2012 gedefinieerd. Bij het rechtens verkregen niveau gaat om het actuele kwaliteitsniveau van het (onderdeel van) het bouwwerk voorafgaand aan de verbouwing voor zover dat niveau legaal is verkregen. Dat betekent dat de woningen moeten zijn gebouwd volgens de destijds geldende voorschriften en afgegeven vergunningen. In de meeste gevallen komt het rechtens verkregen niveau overeen met het feitelijke kwaliteitsniveau van het bouwwerk. Het feitelijke kwaliteitsniveau is dan het resultaat van toepassing van de geldende eisen bij de oorspronkelijke bouw en de latere verbouwingen (IPLO, 2023). De geldende eisen bij de oorspronkelijke bouw betreffen de eisen op nieuwbouwniveau op het moment dat gebouwd is (bij bouwjaar 1992-2003 niveau nieuwbouw BB1992, bij bouwjaar 2003-2012 niveau nieuwbouw BB2003, et cetera.)

19/79

Tijdelijke bouw De voorschriften voor tijdelijke bouw zijn bijvoorbeeld van toepassing in het geval sprake is van ‘versnelde realisatie’ van gestapelde en geschakelde woonunits. Op het bouwen van dergelijke tijdelijke bouwwerken zijn namelijk de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing, tenzij in de desbetreffende voorschriften anders is aangegeven. Instandhoudingstermijn tijdelijke bouwwerken Tijdelijke bouwwerken mogen maximaal 15 jaar op dezelfde plaats blijven staan. Blijven ze langer staan, dan moeten ze in overeenstemming worden gebracht met de nieuwbouwvoorschriften. Wanneer deze bouwwerken in ongewijzigde samenstelling worden verplaatst naar een andere locatie, dan is er geen aanpassing nodig en mogen ze op de nieuwe locatie wederom maximaal 15 jaar staan.

2.3.3 Overzicht belangrijkste prestatie-eisen bouwregelgeving in relatie tot brand in de gebouwschil

Beperking van branduitbreiding tussen woningen Ter beperking van de kans op een snelle uitbreiding van brand stelt het Bouwbesluit 2012 samengevat de volgende voorschriften: > Elke woning moet een afzonderlijk (beschermd sub-) brandcompartiment zijn. > Tussen de woningen onderling geldt voor nieuwbouw in beginsel een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van tenminste 60 minuten. Dit is een eis die geldt tussen twee ruimten, in het geval van woningen twee (beschermde sub-) brandcompartimenten. > De wbdbo wordt bepaald volgens NEN 6068. Aan de wbdbo-eis wordt voldaan als een brand zich niet binnen de voorgeschreven tijdsduur van de ene naar de andere woning kan uitbreiden. Consequentie hiervan is dat een brand zich vanuit een woning naar een (brandbare) gevel van meerdere woningen kan uitbreiden, zodat de gehele gevel van een blok rijtjeswoningen in brand kan staan, mits deze brand zich niet binnen de voorgeschreven tijdsduur uitbreidt naar de binnenzijde van een ruimte van een andere woning. Uitzonderingen wbdbo-eis Voor woningen waarvan de vloeren van verblijfsgebieden lager dan 7 meter boven meetniveau liggen en waarvan de permanente vuurbelasting lager is dan 500 MJ/m2 geldt een wbdbo-eis van 30 minuten. Deze eis geldt ook voor tijdelijke gebouwen.

Bij verbouw geldt voor het te verbouwen deel het rechtens verkregen niveau, met een ondergrens van 30 minuten, en voor het niet te verbouwen deel geldt een wbdbo-eis van 20 minuten. Voor bestaande bouw geldt eveneens een wbdbo-eis van ten minste 20 minuten. Vanwege deze lagere eisen kan de constructie eerder dan bij het nieuwbouwniveau bezwijken, zodat er voor de brandweer minder tijd beschikbaar is voor het voorkomen van branduitbreiding en redden van achtergebleven personen.

Om de vertaling naar de bouwpraktijk te maken, moet de wbdbo-eis worden vertaald in een brandwerendheid van de scheidingsconstructies tussen de woningen. De brandwerendheid van scheidingsconstructies wordt bepaald volgens NEN 6069. Hierin is een testmethode voorgeschreven (een brandtest in een oven) waarmee de brandwerendheid van de constructie kan worden vastgesteld. Bij deze test wordt uitgegaan van standaardbrand, gebaseerd op een brandkromme die het gestandaardiseerd verband tussen tijd en temperatuur geeft.

20/79

Relatie tussen wbdbo en brandwerendheid Volgens NEN 6068 resulteert een wbdbo van 60 minuten niet altijd in een brandwerendheid van 60 minuten. Volgens artikel 6.8 van NEN 6068 kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van een brandwerendheid van 30 minuten voor het deel van de gevel onder de 20 m dat bereikbaar is voor de brandweer. NEN 6068 geeft aan dat bij ‘voor de brandweer bereikbaar’ kan worden gedacht aan: “bereikbaar in het geval van geveldelen onder de 20 m, tenzij die geveldelen grenzen aan breed water of ontoegankelijk terrein of terrein dat niet zonder gevaar voor hulpverleners kan worden betreden”

Relatie tussen vuurbelasting en wbdbo Er is een relatie tussen de vuurbelasting van een woning en de wbdbo of brandwerendheid. De brandduur wordt namelijk bepaald door de vuurbelasting. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen permanente vuurbelasting en variabele vuurbelasting. De permanente vuurbelasting wordt bepaald door de brandbare constructieonderdelen van de woning. De variabele vuurbelasting wordt gevormd door alle overige brandbare inventaris en goederen in de woning. NEN-EN 1991-12+C3/NB (aangestuurd door Bouwbesluit 2012) gaat voor een woning uit van een gemiddelde variabele vuurbelasting van 780 MJ/m2. Bij een zeer grove schatting is de te verwachten brandduur circa 41 minuten. Bij een variabele vuurbelasting van 41 minuten en een standaard woning van met name onbrandbare bouwmaterialen is deze vuurbelasting opgebrand binnen de 60 minuten brandwerendheid van de scheidingsconstructie tussen de woningen. Hierbij moet worden bedacht dat bovenstaande relatie louter berust op theoretische uitgangspunten. In werkelijkheid wijkt de thermische belasting door brand op constructies af van deze uitgangspunten. Een andere belasting leidt ook tot een andere respons van constructies en daarmee tot andere gevolgen. Op basis van de thermische belasting van een praktijkbrand beoordelen of een constructie heeft voldaan aan de vereiste wbdbo is dus niet goed mogelijk.

Het kan dus voorkomen dat een constructie voldoet aan de vereiste wbdbo en toch branduitbreiding in korte tijd niet kan beperken.

Bedacht moet worden dat de prestatie-eisen en bepalingsmethoden een afsprakenstelsel betreft dat is gebaseerd op genormaliseerde en gestandaardiseerde uitgangspunten. Het brandverloop en de consequenties hiervan kunnen bij een brand in de praktijk hiervan afwijken door bijvoorbeeld: > De hoeveelheid brandbare inventaris en goederen in een woning (variabele vuurbelasting). > De bouwwijze, bijvoorbeeld of de gebouwschil bestaat uit steenachtige of brandbare materialen (permanente vuurbelasting). Er is in het Bouwbesluit 2012 bijvoorbeeld geen maximum gesteld aan de permanente vuurbelasting van een gebouw, terwijl dit wel invloed kan hebben op het brandverloop. > De tijdsduur en temperatuur waaraan brandwerende constructie-onderdelen bij een brand worden blootgesteld in vergelijking met de wijze waarop deze volgens de testmethode zijn getest. Branduitbreidingstraject In het branduitbreidingstraject tussen twee woningen kunnen ook zonnepanelen aanwezig zijn. In de bepalingsmethode voor de wbdbo (NEN 6068) is echter geen rekening gehouden met de toepassing van zonnepanelen. NEN werkt momenteel aan prestatie-eisen voor de brandveiligheid van zonnepanelen.

21/79

Branduitbreidingstraject (vervolg) De wbdbo-eisen zijn erop gebaseerd dat een brand in de brandruimte (= het brandcompartiment) begint en zich vandaar niet binnen de gestelde tijdsduur (30 of 60 minuten) naar een ander brandcompartiment kan verspreiden. Bij de meeste woningbranden ontstaat de brand in een voorwerp in de woning (TBO & TBL Oost 5, 2015). Een brand kan ook buiten het gebouw beginnen. Er geldt echter geen wbdbo-eis tussen de buitenruimte en de woning.

Beperking van brandvoortplanting via de gebouwschil Een eenmaal begonnen brand kan zich via het buitenoppervlak van een gevel of een dak verspreiden naar andere woningen. Om te beperken dat een gevelconstructie vlamvat en brand zich vervolgens snel over een geveloppervlak kan verspreiden, geeft het Bouwbesluit 2012 eisen voor de brandklasse waaraan de gevelconstructie aan de buitenzijde moet voldoen. De bovenzijde van een dak mag niet brandgevaarlijk zijn en moet bestand zijn tegen vliegvuur. Beide principes worden hieronder nader toegelicht. Brandvoortplanting gevel Samengevat betreft het voor de gevel de volgende brandveiligheidsvoorschriften: > brandklasse D (brandbaar, met hoge bijdrage aan brand) > brandklasse B (heel moeilijk brandbaar, met zeer beperkte bijdrage aan brand) − buitenzijde gevel > 13 m (in verband met bereikbaarheid van brandweermaterieel) − onderste deel van de gevel tot 2,5, indien in de woning een vloer van een verblijfsgebied > 5 m boven het meetniveau ligt (voorkomen van vlamvatten van de gevel als gevolg van brandstichting en van een daaropvolgende snelle brandvoortplanting) − in het geval sprake is van een brandoverslagrisico tussen gevelopeningen van verschillende woningen (NEN 6068). Verbouw en tijdelijke bouw Bij verbouw geldt dat eisen alleen gelden voor het te verbouwen deel.

Voor de eis voor hogere gebouwen (met een gevel hoger dan 13 meter) geldt het rechtens verkregen niveau en voor de eis voor het onderste deel van de gevel (tot 2,5 meter) geldt het nieuwbouwniveau. Voor tijdelijke bouwwerken geldt brandklasse 4 (brandbaar) als basiseis voor de buitengevel en brandklasse B voor het onderste deel van de gevel. Zowel voor verbouw als tijdelijk bouw geldt klasse B als er sprake is van een wbdbo-eis.

De brandklasse moet worden bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Voor de brandklasse B, C en D zijn NEN-EN13823 (‘SBI-test’) en NEN-EN-ISO 11925-2 (‘kleine vlamtest’) aangewezen, waarbij de SBI-test vrijwel altijd bepalend is. De testmethode staat model voor een brandende prullenbak of klein meubel in de hoek van een kamer (DGMR, 2021). Bedacht moet worden dat in het geval de gevel wordt blootgesteld aan een grotere ontstekingsbron dan de testmethode dit kan leiden tot een ander brandverloop en brandgedrag van de gevel. Niet brandgevaarlijk dak Een dak mag niet brandgevaarlijk zijn, met als doel te voorkomen dat het door vliegvuur uit de omgeving, afkomstig van bijvoorbeeld een brand in een nabijgelegen bouwwerk, in brand vliegt. Deze eis geldt als in de woning of het woongebouw een voor personen bestemde vloer hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau en het dak minder dan 15 m van de perceelsgrens ligt. De vliegvuurbestendigheid van het dak wordt bepaald met behulp van NEN 6063 (een zogenaamde ‘vuurkorftest’).

22/79

Verbouw en tijdelijke bouw De eis van een niet-brandgevaarlijk dak geldt ook voor tijdelijke bouw. Bij verbouw geldt het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat de brandgevaarlijkheid van het dak na verbouwing ten minste gelijk moet zijn aan die van vóór de verbouwing, of moet voldoen aan het nieuwbouwniveau indien het bedoelde niveau hierboven ligt.

Bedacht moet worden dat als het dak wordt blootgesteld aan een andere of grotere ontstekingsbron dan de ‘vuurkorftest (bijvoorbeeld door rechtstreeks vlamcontact vanaf de gevel of vanuit een gevelopening), dit kan leiden tot een ander brandverloop en brandgedrag van het brand. Rookontwikkeling en rookverspreiding Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan de rookproductie van een constructieonderdelen die grenzen aan de binnenzijde van specifieke ruimten, zoals bijvoorbeeld een vluchtroute. Er gelden geen eisen aan de rookontwikkeling veroorzaakt door brand in de gebouwschil. Rookwerendheid Sinds 1 juli 2021 gelden er strengere eisen aan de mate van rookwerendheid van brand- en subbrandcompartimenten voor nieuw te bouwen woningen. Deze strengere eisen waren echter nog niet van toepassing toen de omgevingsvergunning voor de drie casussen is verleend, en zijn voor de casussen dus ook niet van toepassing.

Besluit bouwwerken leefomgeving De in deze paragraaf behandelde uitgangspunten zijn in het Bbl niet veranderd. Wel is voor hogere woongebouwen een wijziging in voorbereiding voor de brandvoortplanting en wbdbo (Ministerie van BZK, 2023).

2.4 Uitgangspunten brandbestrijding 2.4.1 Inrichting van de brandweerzorg

In de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de brandveiligheidsvoorschriften in de bouwregelgeving is ook de inzet van de brandweer opgenomen. In het Besluit Veiligheidsregio’s (2010) is vastgesteld hoe de brandweerzorg minimaal is ingericht. Zo wordt uitgegaan van de inzet van een basiseenheid, ondersteuningseenheden en een genormeerde opkomsttijd. Voor ‘gebruikelijke woningbranden’, waarbij de brand zich in de (inventaris van de) woning bevindt, is de inzet van een basiseenheid afdoende. Bij woningbranden waarbij het gebouw zelf in brand staat, kan dit anders zijn. Een basiseenheid (artikel 3.1.2 Besluit Veiligheidsregio’s 2010) Een basiseenheid van de brandweer bestaat uit zes personeelsleden. 3 Een bevelvoerder (leidinggevende), een chauffeur / pompbediener en vier manschappen die per tweetal worden ingezet. De eenheid is onder andere belast met brandbestrijding en redding. De basiseenheid beschikt over een voertuig: een tankautospuit met uitrusting. 4 Er zijn regio’s waar de basiseenheid bestaat uit vier personeelsleden (TS4). Het Besluit Veiligheidsregio’s biedt deze mogelijkheid als afwijking. Bij een bevestigde woningbrand worden er dan twee basiseenheden aangestuurd (2x TS4), zodat er voldoende personeel aanwezig is voor een standaard inzet bij een woningbrand.

4 https://nipv.nl/wp-content/uploads/2022/06/20190211-BWNL-Branchevoorschrift-standaardbepakking-voorbrandweervoertuigen-tankautospuit.pdf. 3

23/79

Ondersteunende eenheden (artikel 3.1.1 en 3.2.2 Besluit Veiligheidsregio’s 2010) De basisbrandweereenheden hebben voor redden en blussen op hoogte ondersteuningseenheden beschikbaar (een redvoertuig, ladderwagen of hoogwerker). De eenheid voor redden en blussen op hoogte bestaat uit een bevelvoerder of een manschap, en een chauffeur, tevens voertuigbediener. De eenheid is belast met het redden van mensen en dieren op hoogte, ondersteuning van basisbrandweereenheden bij het blussen op hoogte, en het verlenen van hulp op hoogte. De eenheid beschikt over een redvoertuig met uitrusting. De veiligheidsregio stelt vast voor welke objecten de inzet van een ondersteuningseenheid voor redden en blussen op hoogte altijd noodzakelijk is. Bij deze objecten gelden voor de ondersteuningseenheden dezelfde opkomsttijden als voor de basisbrandweereenheden. Opkomsttijd brandweer (artikel 3.2.1 Besluit Veiligheidsregio’s 2010) De opkomsttijd is de tijdsperiode tussen melding en aankomst ter plaatse van de basiseenheid. Voor gebouwen met een woonfunctie met zelfredzame personen geldt voor de eerst aankomende basiseenheid een normtijd van 8 minuten; voor portiekwoningen, portiekflats of gebouwen met een woonfunctie voor verminderd zelfredzamen geldt een normtijd van 6 minuten. De veiligheidsregio mag andere normen vaststellen, mits de opkomsttijd niet langer is dan 18 minuten.

Opschaling Daarnaast maakt opschaling deel uit van de brandweerzorg. De mate van opschaling bepaalt het aantal eenheden (voertuigen en personeel) en de wijze van aansturing. Hiervoor gelden geen landelijk vastgelegde uitgangspunten. De uitvoering kan per veiligheidsregio verschillen en wordt doorgaans vastgelegd in regionale protocollen. Als er bij een woningbrand meer taken zijn dan een basiseenheid aankan, dan wordt er opgeschaald met een of meerdere basiseenheden naar middelbrand (2 basiseenheden), grote brand (3 basiseenheden), zeer grote brand (4 basiseenheden) of nog verder. Dit kan noodzakelijk zijn als er personen vermist zijn, er niet zelfstandig meer gevlucht kan worden, de brand groter is dan een basiseenheid aankan of als er mogelijk branduitbreiding (vuur of rook) dreigt of heeft plaatsgevonden naar een of meerdere aangrenzende woningen. Dit betreft monodisciplinaire opschaling (alleen brandweer). Daarnaast is multidisciplinaire opschaling mogelijk volgens de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure (GRIP). Hoewel er met GRIP landelijke richtlijnen zijn voor het opschalen, kan de veiligheidsregio zelf invulling geven aan de wijze van opschalen. In het algemeen geldt dat wordt opgeschaald naar GRIP 1 als er coördinatie tussen verschillende hulpdiensten (brandweer, politie, GHOR) nodig is.

Er wordt opgeschaald naar GRIP 2 als er sprake is van een effect van het incident op omringend gebied, bijvoorbeeld vanwege overlast door rookverspreiding. Specialistische eenheden Er zijn specialistische teams die opgeroepen kunnen worden om de brand te bestrijden met middelen die geen deel uitmaken van de standaard bepakking van het brandweervoertuig van de basiseenheid. Voorbeelden zijn een hogedruksnijdende nevelblusser om van buitenaf in of door de gevel te kunnen blussen, of een drone met warmtebeeldcamera om overzicht van bovenaf te krijgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14107469/1