CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_algemeen deel_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)47.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Die begripsomschrijving is vanwege artikel 1.1 ook van toepassing op dit omgevingsplan. Verwezen wordt naar artikel 3.20 van datzelfde besluit. In het eerste lid is bepaald dat het gaat om een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het tweede lid is bepaald dat op het bepalen van het geluidaandachtsgebied de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn. Het geluidaandachtsgebied wordt bepaald op basis van de geluidcontour van de standaardwaarde. De rekenmethode om het geluidaandachtsgebied te bepalen is beschreven in bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Voor het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt gebruikt gemaakt van de geluidbrongegevens. Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt uitgegaan van een worst case-benadering, zodat zeker is dat alle locaties waarbij de standaardwaarde(n) mogelijk worden overschreden, worden meegenomen in het onderzoek. Dit betekent ook dat het alsnog mogelijk is dat uit het geluidonderzoek blijk dat binnen het geluidaandachtsgebied de standaardwaarde niet wordt overschreden (zie uitgebreider onder: nadere informatie over systematiek wegverkeerslawaai). Het bepalen van een geluidaandachtsgebied is een rekenkundige exercitie.

In artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een geluidaandachtsgebied moet worden vastgelegd in het geluidregister. Geluidaandachtsgebieden worden dus niet vastgelegd in het omgevingsplan (zie ook toelichting op artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Geluidaandachtsgebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd. De geluidbrongegevens moeten daartoe worden aangeleverd ten behoeve van het geluidregister, via de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) wordt het digitale systeem voor het uitwisselen van geluidgegevens. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn verplicht geluidgegevens via deze voorziening te delen. De voorziening zorgt ervoor dat deze gegevens eenvoudig vindbaar, inzichtelijk en beschikbaar zijn. De CVGG wordt parallel aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingericht. Naar verwachting komen relevante delen van de CVGG in de toekomst ook in het DSO. Gegevens voor het geluidregister worden aangeleverd met het Informatiemodel Geluid. Dit informatiemodel zal beschikbaar worden gesteld op de website van het Bureau sanering verkeerslawaai. Totdat de hiervoor bedoelde rekenkundige exercitie heeft plaatsgevonden, zal per aanvraag voor een geluidgevoelig gebouw moeten worden onderzocht of die wel of niet is voorzien binnen het geluidaandachtsgebied.

Alleen wanneer dat aantoonbaar niet het geval is, kan beoordeling op grond van dit onderdeel achterwege blijven.

76

In artikel 22.273 zoals dat bij wijze van bruidsschat van rechtswege was opgenomen in dit omgevingsplan was de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen bepaald. De aanwijzing was gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder (eerste lid), of was afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder (tweede lid). In de toelichting erbij was aangegeven dat beide bepalingen bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan kan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied. Niet duidelijk is waarom dit artikel was opgenomen, en op welke gevallen de daar aangegeven zones betrekking zouden moeten hebben. De Omgevingsregeling is immers tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking getreden. De daarin opgenomen regels over de bepaling van het geluidaandachtstgebied zijn daarmee bekend en van toepassing. Artikel 22.273 is om die reden geschrapt. Vergunningplicht Er is voor gekozen om de definitieve beoordeling of een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is te verbinden aan de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik.

Die laatste vergunningplicht geldt voor wijziging naar een vorm van gebruik die passend zijn binnen een ter plaatse geldend gebruiksdoel, maar waarvoor een nadere beoordeling op aanvaardbaarheid vanwege geluid noodzakelijk is. Zoals ook aangegeven in de toelichting op het Aanvullingsbesluit geluid is er bij wijziging van het omgevingsplan dat op een locatie een geluidgevoelig gebouw toelaat, vaak nog geen gedetailleerde informatie over het te bouwen geluidgevoelige gebouw. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een omgevingsplan waarin de geluidgevoelige functies alleen in hoofdlijnen zijn aangegeven of zijn gemengd met andere functies. Dan kan het geluid niet goed worden onderzocht, zeker niet als het gaat om meerdere geluidgevoelige gebouwen die elkaar kunnen afschermen of kunnen zorgen voor onderlinge reflecties. Dat probleem werd onder het oude recht vaak opgelost door het onderzoeken van allerlei mogelijke invullingsvarianten voor een plangebied, met alle kosten en tijdsbeslag van dien. De Omgevingswet biedt echter de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop wel voldoende gegevens beschikbaar zijn. Dat is vaak het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden aangevraagd.

Daarvoor moet het bouwen van het geluidgevoelige gebouw in het omgevingsplan worden aangemerkt als een omgevingsplanactiviteit. In voorliggend plan is dit in zijn algemeenheid gedaan voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Het gebouw wordt dan daadwerkelijk toegelaten door het verlenen van een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Bij die vergunningverlening wordt dan alsnog getoetst aan de regels die in artikel 5.78t en de daaropvolgende artikelen van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gesteld. De toets wordt in feite doorgeschoven naar de omgevingsvergunning. Voor de feitelijke bouw zijn dan twee vergunningen nodig: één voor de bouwactiviteit (toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving) en één voor de omgevingsplanactiviteit. Dat doorschuiven betekent overigens niet dat bij het toelaten van de geluidgevoelige gebouwen helemaal geen onderzoek nodig is. Bij het op grond van het omgevingsplan op een bepaalde locatie toestaan van functies, is reeds op hoofdlijnen getoetst aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij is onderzocht of het niet onaannemelijk is dat omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten voor de realisatie van geluidgevoelige gebouwen verleend kunnen worden.

Het onderbouwende onderzoek wordt afgestemd op de informatie die op dat moment wel voorhanden is.

77

Een en ander wordt in dit regelonderdeel verder uitgewerkt en toegelicht. Opgemerkt wordt nog dat niet alleen nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een omgevingsplan onder de reikwijdte van deze paragraaf vallen, maar ook vervangende nieuwbouw. Ook daarvoor geldt immers dat het een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betreft waarvoor op grond van artikel 4.7 een vergunningplicht geldt. Voor gebruikswijziging van een niet-geluidgevoelig gebouw naar een geluidgevoelig gebouw is, voor zover daarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is, een regeling opgenomen in paragraaf 2.4.5. Tot slot wordt opgemerkt dat het Besluit kwaliteit leefomgeving ook de mogelijkheid bevat een overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen toe te staan, bij een niet-geluidgevoelige gevel zonder bouwkundige maatregelen (artikel 5.78aa Bkl). Het betreft een uiterste mogelijkheid om wanneer de grenswaarden worden overschreden en een geluidwerende constructie niet mogelijk is, een geluidgevoelig gebouw toch toe te laten als zwaarwegende economische of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Hiermee worden in het Besluit kwaliteit leefomgeving de meer generieke mogelijkheden van de Crisis- en herstelwet en de Interimwet stad-en milieubenadering voortgezet.

Bij toepassing van deze mogelijkheid kan niet worden volstaan met het afwegen van geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn. Ook andere, niet doelmatige, maatregelen komen in aanmerking om het geluid te beperken tot de grenswaarde dan wel om de overschrijding van die grenswaarde zoveel mogelijk te beperken. Deze mogelijkheid is in dit regelonderdeel vooralsnog niet opgenomen, omdat het binnen Amsterdam tot op heden niet nodig is gebleken hiervan gebruik te maken. Mocht dit ooit wel het geval zijn, dan kan daarvoor te zijner tijd een specifieke regeling worden getroffen.

Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico PM

10.3.6 Overige algemene regels over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen (regels, voorheen gesteld door het Rijk) Afdeling 2.5 tot slot bevat algemene regels over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen zoals die voorheen door het Rijk waren gesteld. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze regels als rijksregels vervallen, en bij wijze van bruidsschat onderdeel geworden van het omgevingsplan (hoofdstuk 22). Omdat deze regels specifiek gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken, zijn deze regels naar in hoofdstuk 2 geplaatst. De belangen die met de betreffende regels worden gediend, zijn met inwerkingtreding van de Omgevingswet niet komen te vervallen. Er is dan ook geen aanleiding gezien de betreffende regels te wijzigen of te laten vervallen.

10.4 Hoofdstuk 3: Ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken 10.4.1 Algemeen Hoofdstuk 3 bevat ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Met deze regels wordt bepaald welke vormen van gebruik waar zijn toegestaan. Daarmee bevat dit hoofdstuk regels over gebruik zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden opgenomen. Anders dan in bestemmingsplannen staat echter niet de bestemming centraal, maar het gebruik zelf. Er wordt niet per bestemming bepaald welke vorm(en) van gebruik daarbinnen zijn toegestaan, maar er wordt vanuit de regels over de onderscheiden vormen van gebruik bepaald waar die zijn toegestaan en onder welke 78

aanvullende voorwaarden. Daarbij wordt dus wel gebruik gemaakt van een locatiegerichte benadering, waarbij door middel van op een ‘kaart’ (in de DSO-viewer) aangegeven ‘gebruiksdoelen’ wordt bepaald welke vormen van gebruik op een bepaalde plek zijn toegestaan. Het gebruiksdoel van locaties Met de regels in dit hoofdstuk worden aan de gronden en bouwwerken in Amsterdam één of meerdere gebruiksdoelen gegeven. De gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels zijn opgenomen in afdeling 3.2. Elk onderscheiden gebruiksdoel heeft in die afdeling een eigen paragraaf of subparagraaf, met regels die betrekking hebben op dat gebruiksdoel. Elk gebruiksdoel heeft betrekking op een specifieke vorm van planologisch gebruik die daarbinnen is beoogd. Zo zijn de gronden met het gebruiksdoel wonen bedoeld voor een gebruik ten behoeve van wonen. Dat de afzonderlijke regelingen betrekking hebben op zowel het gebruiksdoel als het gebruik dat daarbinnen is beoogd, volgt ook uit het artikel dat het toepassingsbereik bepaalt, waarmee elk afzonderlijk onderdeel mee begint. Zo wordt in artikel 3.8 bepaalt dat ‘paragraaf 3.2.1.1 Wonen’ van toepassing is op het gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' en op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen.

Daarbij is tevens aangegeven dat het betreffende regelonderdeel alleen geldt ter plaatse van locaties ter plaatse van een bepaalde aanduiding. Die aanduiding betreft een geometrisch bepaald vlak op een digitale kaart. De regels van het regelonderdeel gelden dus alleen daar. Het artikel dat het toepassingsbereik bepaalt regelt alleen waarover het regelonderdeel gaat. Het regelt nog niet welk waar het betreffende gebruiksdoel geldt, en welk gebruik daar is toegestaan. Dat gebeurt in een ander artikel dat vast onderdeel is van elk regelonderdeel dat gaat over een bepaald gebruiksdoel. Daarin wordt inhoudelijk het gebruiksdoel aan locaties toegekend, en daarbij wordt het daar beoogde gebruik regelt. Zo regelt artikel 3.9 dat de locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' als gebruiksdoel wonen heeft, en dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen. Door te werken met een gebruiksdoel per vorm van gebruik is het mogelijk dat in de DSO-viewer niet alleen locatiegericht kan worden gezocht naar welke vormen van gebruik daar zijn toegestaan, maar dat ook voor een specifieke vorm van gebruik kan worden nagegaan waar die is toegestaan.

Doordat de regels alleen gelden ter plaatse van de aangegeven aanduiding is wel gezorgd dat bijvoorbeeld wonen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: wonen’, maar daarmee is nog niet bepaald dat wonen op andere locaties niet is toegestaan. Daarvoor zorgt artikel 2.4 in hoofdstuk 2. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels. Artikel 2.4 vormt daarmee als het ware een vangnet, waardoor de regels die gaan over de verschillende gebruiksdoelen alleen hoeven te gelden waar dat gebruiksdoel wel is toegestaan. In aanvullende artikelen kunnen per regelonderdeel met betrekking tot het beoogde gebruik allerlei extra regels worden gesteld, bijvoorbeeld over omvang en situering van het betreffende gebruik. Verreweg de meeste van die aanvullende regels zijn locatiegericht, en gelden alleen daar waar dat in de regel is aangegeven. De betreffende regel geldt alleen daar. De gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels vertonen veel gelijkenis met bestemmingen zoals we die kennen uit bestemmingsplannen. De regels bepalen dat een aangegeven locatie dat bepaalde gebruiksdoel heeft, en dat de gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig de daarop betrekking hebbende regels.

Anders dan bij in bestemmingsplannen opgenomen bestemmingen, bevatten de regels over het gebruiksdoel alleen regels over gebruik, en niet 79

over bouwwerken. Regels over bouwen en bouwwerken zijn opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5. Ook aanlegvergunningplichten zijn elders geregeld, namelijk in hoofdstuk 6. Ook anders dan bij bestemmingen is dat elk afzonderlijk gebruiksdoel betrekking heeft op één specifieke vorm van gebruik. Over die vorm van gebruik bevat het regelonderdeel regels. Waar binnen een hoofdbestemming ook andere functies in ondergeschikte omvang konden worden toegestaan (bijvoorbeeld detailhandel binnen een woonbestemming), zullen in de systematiek van dit omgevingsplan in dat geval meerdere gebruiksdoelen aan de betreffende locatie moeten worden gegeven. Uiteindelijk komt dat de raadpleegbaarheid van het omgevingsplan ten goede. Het zorgt ervoor dat niet alleen op een locatie kan worden bekeken wat dáár is toegestaan, maar ook dat vanuit de regels kan worden gezocht waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik is toegestaan. Het is goed denkbaar dat een reeds bestaande vorm van gebruik nog niet voorkomt in afdeling 3.2. Dit zal blijken wanneer voor een bepaald gebied het bestemmingsplan wordt vervangen door regels uit onder meer afdeling 3.2. Dat gebeurt bij raadsbesluit. In datzelfde raadsbesluit kan locatiegericht worden voorzien in aanvullende of afwijkende regels voor een bepaalde activiteit. Hetzelfde geldt voor activiteiten waarvoor nog geen regels zijn opgenomen.

Indien gewenst kunnen deze bij raadsbesluit worden opgenomen in de regeling. Onderscheid tussen verschillende vormen van gebruik Elke onderscheiden vorm van gebruik krijgt een eigen regelonderdeel. Zo bevat paragraaf 3.2.1 regels over wonen, paragraaf 3.2.2 regels over maatschappelijke dienstverlening, paragraaf 3.2.3 regels over zakelijke en administratieve dienstverlening enzovoort. In een aantal van die regelonderdelen wordt de betreffende vorm van gebruik verder onderverdeeld. De verdeling in verschillende vormen van gebruik maakt een goede sturing mogelijk. Om te bepalen of een bepaald onderscheid relevant is, is gekeken naar de volgende aspecten. Allereerst of een bepaalde activiteit ten opzichte van andere activiteiten relevante verschillen in de effecten op de fysieke leefomgeving heeft. Ten tweede naar de mate van gevoeligheid voor effecten vanuit de fysieke leefomgeving. Ten derde kan het nodig zijn om specifieke vormen van gebruik te onderscheiden omdat de daarvoor geschikte en beschikbare hoeveelheid locaties beperkt zijn. Een beoordeling op basis van bovengenoemde criteria kan leiden tot uiteenlopende normering of beperkingen aan situering tussen verschillende activiteiten die nu nog onder één noemer zijn geplaatst. Ten vierde spelen op de achtergrond ook distributie-planologische aspecten een rol.

Het is evident dat het overal toestaan van bijvoorbeeld detailhandel waar dit gelet op de gevolgen voor of vanuit de fysieke leefomgeving mogelijk is, onwenselijk is. Dat zou niet alleen leiden tot een ongebreidelde versnippering van bepaalde functies, maar ook tot een situatie waarin in bepaalde essentiële functies voor hele gebieden zouden verdwijnen. Dat is vanuit distributie-planologisch oogpunt ongewenst. Er moet een zekere mate van planologisch evenwicht zijn, waarbij gestuurd moet worden op omvang van bepaalde activiteiten, en waarbij gezocht moet worden naar de meest optimale positionering ervan. Al deze aspecten hebben betrekking op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Toekennen van gebruiksdoelen Per paragraaf wordt het daarin bedoelde gebruiksdoel geregeld en gereguleerd. In enkele gevallen is de paragraaf onderverdeeld in subparagrafen, en wordt per subparagraaf het daarin bedoelde gebruiksdoel gereguleerd.

80

Elk van deze onderdelen begint met een artikel waarmee het toepassingsbereik van de betreffende paragraaf worden bepaald. Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.8 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'.

Hiermee wordt bepaald op welk gebruiksdoel het onderdeel van toepassing is, op welke vormen van gebruik, en waar het onderdeel geldt. Daarop volgt een artikel waarin wordt bepaald waar het betreffende gebruiksdoel geldt, en welk gebruik daar is toegestaan. Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.9 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' heeft als gebruiksdoel wonen.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen.

In het eerste lid wordt bepaald welke locaties het betreffende gebruiksdoel hebben. Het tweede lid bepaalt het gebruik dat binnen het betreffende gebruiksdoel is toegestaan. Het verbinden van een gebruiksdoel aan locaties gebeurt door wijziging van het omgevingsplan. De wijziging wordt nadat de gemeenteraad (of indien daartoe gemandateerd: het college) een wijzigingsbesluit heeft genomen gepubliceerd in de landelijke voorzieningen. In de viewer van die landelijke voorziening is op een kaart vindbaar waar welke gebruiksdoelen gelden. Aanvullende beperkingen gebruik In de verschillende regelonderdelen zijn aanvullende regels opgenomen met betrekking tot het gebruik dat binnen het gegeven gebruiksdoel is toegestaan. Deze aanvullende regels kunnen nooit betrekking hebben op vormen van gebruik die buiten het toepassingsbereik van het betreffende onderdeel vallen. Aanvullende beperkingen kunnen algemeen geldend zijn binnen een bepaald gebruiksdoel. Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.12 Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis 1.

Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan, maar uitsluitend voor zover: a.

het gebruik van de woonruimte en het erf ten behoeve van bewoning overheersend blijft; en

b.

het beroep of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend.

2.

Op degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent berust de bijzondere zorgplicht datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis te voorkomen.

3.

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is een vorm van gebruik die passend is binnen het gebruiksdoel wonen, maar er gelden wel beperkingen. Deze beperkingen gelden overal waar het gebruiksdoel wonen geldt. 81

Aanvullende beperkingen kunnen ook een vergunningplicht voor het daadwerkelijk uitoefenen van de toegestane vormen van gebruik inhouden. Met het aan een locatie toegekend gebruiksdoel wordt op die locatie dan al wel voorzien in de daarmee samenhangende vorm van gebruik, maar met het oog op een aantal aspecten is nog een nadere beoordeling van het specifieke geval nodig. Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.60 Vergunningplicht voor bedrijf 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bedrijf een bedrijf op te richten of de bedrijfsvoering van een bedrijf te wijzigen.

2.

Het verbod geldt niet voor het wijzigen van een bedrijf als die wijziging niet leidt tot meer uitstoot van geluid, stof en geur.

De betreffende vergunningplicht is opgenomen in het regelonderdeel dat gronden en bouwwerken met het gebruiksdoel bedrijf reguleert. Binnen die gronden zijn bedrijven in de vorm van industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport toegestaan. Maar vanwege de mogelijke effecten op de omgeving is er wel een vergunningplicht opgenomen. Op een vergunningplicht zijn tevens beoordelingsregels en aanvraagvereisten opgenomen. Veelal gelden er ook uitzonderingen op die vergunningplicht. De keuze voor de vergunningplicht wordt in onderdelen waar die is opgenomen gemotiveerd in de artikelgewijze toelichting. Bij de wijziging van het omgevingsplan waarmee een gebruiksdoel aan een locatie wordt gegeven, kan bij de motivering van dat wijzigingsbesluit worden rekening gehouden met de vergunningplicht, en de nadere beoordeling die die mogelijk maakt. Aanvullende locatiegerichte beperkingen gebruik Aanvullende regels kunnen ook locatiegericht zijn. Zo kunnen ze betrekking hebben op omvang en situering van het toegestane gebruik op bepaalde locaties. Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.10 Omvang en situering van wonen 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte wonen' is de maximum brutovloeroppervlakte die ten behoeve van wonen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen is toegestaan' is wonen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.

4.

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan' is wonen niet toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag.

Er kunnen maxima gesteld worden aan het totale bruto-oppervlakte voor het betreffende gebruik, of aan het maximum aantal eenheden dat is toegestaan. Ook kunnen beperkingen worden gesteld aan de bouwlaag waarin de betreffende vorm van gebruik is toegestaan. Dergelijke beperkingen worden alleen gesteld waar dat met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig is. Deze beperkingen gelden ook alleen ter plaatse van de aangegeven locaties. Aanvullende regels kunnen ook betrekking hebben op specifieke vormen van gebruik die passend zijn binnen het gebruiksdoel, maar die niet overal binnen dat gebruiksdoel kunnen worden toegestaan. Zo bevat de regeling over detailhandel en consumentgerichte dienstverlening allerlei beperkingen ten aanzien van specifieke vormen van detailhandel.

82

Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.49 Beperkende regel over waar loketverkoop is toegestaan De uitoefening van loketverkoop is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'loketverkoop toegestaan'. Artikel 3.50 Beperkende regel over waar sekswinkels zijn toegestaan Een sekswinkel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sekswinkel toegestaan'.

Van de betreffende vormen van detailhandel is het met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ongewenst dat die overal plaats kunnen vinden waar detailhandel is toegestaan. Ze mogen niet op alle locaties met de aanduiding ‘gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening’ worden uitgeoefend, maar alleen op daarbinnen aangegeven locaties. Aanvullende beperkingen kunnen ook betrekking hebben op het gebruik van specifieke locaties binnen de locaties die een bepaald gebruiksdoel hebben. Zie bijvoorbeeld: Artikel 3.57 Locaties bedoeld voor grootschalige detailhandelsvestigingen en perifere detailhandel 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend grootschalige detailhandel' is detailhandel alleen in de vorm van een grootschalige detailhandelsvestiging toegestaan. Shop-in-shop en verkoop van dagelijkse artikelen zijn binnen een grootschalige detailhandelsvestiging niet toegestaan.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend perifere detailhandel' is detailhandel alleen in de vorm van perifere detailhandel toegestaan.

Dergelijke locatiegerichte beperkingen worden opgenomen wanneer dat met het oog op een evenwichtige toedeling van functies op locaties nodig is. In het voorbeeld van het hiervoor staande artikel is dat het geval voor het toestaan van detailhandel op bijvoorbeeld bedrijventerreinen. Als daar detailhandel is toegestaan, dan moet die toestemming beperkt blijven tot perifere vormen van detailhandel. Het tweede lid zorgt hiervoor. Nadat aan de betreffende locatie naast de aanduiding ‘gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening’ én de aanduiding ‘uitsluitend perifere detailhandel’ zijn gegeven, bepaalt dit tweede lid dat andere vormen van detailhandel zijn uitgesloten. Motivering van het rechtsgevolg Pas bij wijziging van het omgevingsplan waarmee voor een locatie nieuwe gebruiksdoelen gaan gelden, of bestaande gebruiksdoelen worden gewijzigd, ontstaat er een rechtsgevolg. Door het op een locatie laten gelden van een nieuw gebruiksdoel mag daar een nieuwe vorm van gebruik plaatsvinden. Of door het laten vervallen van een gebruiksdoel is een voorheen toegestane vorm van gebruik niet langer toegestaan. De bestuurlijke en juridische onderbouwing van de rechtsgevolgen van die wijzigingen wordt opgenomen in de motivering bij het betreffende wijzigingsbesluit. Dat geldt ook voor de locatiegerichte doorwerking van locatiegerichte regels.

10.4.2 Algemene bepalingen Het hoofdstuk begint met een afdeling ‘Algemeen’. Het bevat een artikel waarin het toepassingsbereik van dit hoofdstuk is bepaald. Aangegeven is dat de regels in dit hoofdstuk betrekking hebben op het gebruiksdoel van locaties en het gebruik van gronden en bouwwerken. Daarbij is aangegeven dat dit hoofdstuk niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daar wordt het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken bepaald door de bestemming die op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt. 83

Daarnaast bevat deze afdeling meet- en rekenbepalingen die specifiek op dit hoofdstuk van toepassing zijn.

10.4.3 Gebruiksdoelen van locaties, toegestaan gebruik en regels over dat gebruik Afdeling 3.2 bevat de daadwerkelijke regels over de gebruiksdoelen van locaties, het toegestaan gebruik en regels over dat toegestane gebruik. De afdeling is onderverdeeld in een groot aantal paragrafen. Een aantal van deze paragrafen, of onderdelen daarvan, vraagt op deze plaats een nadere toelichting. Bedrijvenregeling (paragraaf 3.2.5) Noodzaak bedrijvenregeling Dit onderdeel regelt de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in verband met het aspect milieuhinder. De regels in deze subparagraaf gelden naast de milieuregels die op verschillende niveaus (Europees, landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau) zijn gesteld. Die regels hebben de bescherming van het milieu als oogmerk. Op basis van de milieuregels moeten bedrijven (en andere milieubelastende activiteiten) alle redelijke maatregelen treffen om gevolgen voor het milieu te voorkomen. Ook als een bedrijf volledig voldoet aan de milieuregels, kan het enige hinder naar de omgeving veroorzaken. Teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen moet een aanvullende afweging plaatsvinden tussen de toe te laten bedrijfsactiviteiten in relatie tot de gevoelige functies.

Met betrekking tot het aspect milieuhinder worden de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in dit omgevingsplan geregeld via de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hoewel de VNG deze brochure inmiddels heeft ingetrokken, blijft Amsterdam deze de systematiek als uitgangspunt gebruiken. De Brochure blijkt in de praktijk een goed werkend instrument dat in de afgelopen decennia zijn nut heeft bewezen. Indien nodig, zal de gemeente de Lijst van bedrijfsactiviteiten (opgenomen in Bijlage IV) actualiseren of bijwerken. Korte samenvatting van de bedrijvenregeling Onderdeel van de regeling is de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage IV. Hierin zijn bedrijfsactiviteiten opgesomd en is de potentiële milieubelasting met betrekking tot de milieuhinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof bepaald. De potentiële milieubelasting wordt uitgedrukt in een milieuhindercategorie. De milieuhindercategorieën worden ingedeeld in hoofdcategorieën en in een aantal subcategorieën en lopen op naarmate de milieuhinder toeneemt. Per gebied wordt een maximum milieuhindercategorie bepaald. Van bedrijven die in die aangewezen (of in een lagere) milieuhindercategorie vallen wordt verondersteld dat ze qua milieugevolgen passen in dat gebied.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat bedrijven voldoen aan de milieuregelgeving. De meeste milieuregels zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in hoofdstuk 10 van dit omgevingsplan te vinden. Voor gemengde gebieden is er een afwijkende systematiek. Hiervoor is een korte lijst van bedrijfsactiviteiten opgesteld die daar inpasbaar zijn. Uitwerking bedrijvenregeling in dit omgevingsplan Bedrijven die vallen in de voor een gebied aangewezen of een lagere milieuhindercategorie zijn toegelaten in dat gebied. Dit is als volgt vastgelegd in de regel van dit omgevingsplan. Ten eerste wordt in artikel 3.61, eerste lid een verbodsbepaling opgenomen om zonder omgevingsvergunning een bedrijf op te richten of wijzigen. De vergunningplicht geldt echter niet voor bedrijven waarvan de bedrijfsactiviteiten in een toegestane milieuhindercategorie vallen (zie artikel 3.62) of die past in de regeling voor gemengde gebieden (zie artikel 3.63). Met een omgevingsvergunning kunnen ook andere bedrijven toegestaan worden die 84

weliswaar in een hogere milieuhindercategorie vallen of die niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voorkomen, maar die vergelijkbare milieu-emissie hebben als de rechtstreeks toegestane bedrijven (zie artikel 3.64). De vergunningplicht geldt niet voor bedrijven die op het moment van de gelding van deze paragraaf reeds activiteiten verrichtten. Deze bedrijven kunnen zonder vergunning hun bestaande bedrijfsvoering voortzetten. Het verbod heeft wel betrekking op het wijzigen van de bedrijfsvoering van (bestaande en nieuwe) bedrijven. Wijzigingen in de bedrijfsvoering die niet leiden tot meer uitstoot van geluid, geur en stof behoeven eveneens geen vergunning. Dat is geregeld in het tweede lid van artikel 3.60. Omdat de vergunningplicht ingesteld is om te kunnen sturen op de milieuhinder van nieuwe activiteiten, is er geen aanleiding om 'milieuneutrale' wijzigingen te beoordelen. Samenhang met vergunning voor Bal-mba's Onder de Omgevingswet is het mogelijk om in het omgevingsplan een vergunningplicht op te nemen voor bepaalde activiteiten (omgevingsplanactiviteiten). In dit artikel is een verbodsbepaling opgenomen om zonder omgevingsvergunning een bedrijf op te richten of de bedrijfsvoering van een reeds bestaand bedrijf te wijzigen (omgevingsplanactiviteit bedrijf). De verbodsbepaling is gesteld met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bij het toelaten van bedrijven op een concrete locatie (door het geven het gebruiksdoel 'bedrijf' aan de betreffende gronden) heeft een afweging van evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsgevonden. Deze vergunningplicht staat los van het verbod om zonder vergunning een aangewezen milieubelastende activiteit te verrichten, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid van de Omgevingswet. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn categorieën bedrijfsactiviteiten (en andere milieubelastende activiteiten) aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vereist is. Dit zijn activiteiten waar niet volstaan kan worden met algemene rijksregels met het oog op het beschermen van het milieu en waar een individuele beoordeling en een belangenafweging moet plaatsvinden die is toegespitst op een concreet geval. In sommige gevallen vraagt het internationaal recht expliciet om een vergunning. Zoals in de inleiding van de toelichting op dit artikel reeds opgemerkt, heeft die vergunning een ander oogmerk (bescherming van het milieu) dan deze vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bedrijven (aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties).

In aanvulling op het voorgaande zijn in de volgende subparagraaf beperkingen gesteld aan de locatie voor de vestiging van bijzondere categorieën bedrijven, zoals bedrijven met veiligheidsrisico’s en datacenters. Nadere toelichting op de Lijst van bedrijfsactiviteiten De Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV bij dit Omgevingsplan is gebaseerd op de Richtafstandenlijsten van milieubelastende activiteiten die als bijlage 1 bij Bedrijven en milieuzonering, editie 2009. Ten aanzien van die lijst is een aantal aanpassingen doorgevoerd. Ten eerste bevat de lijst in bijlage IV alleen die activiteiten die als 'bedrijf' kunnen worden aangemerkt als bedoeld in deze paragraaf. Activiteiten die onder een ander gebruiksdoel vallen (bv. horeca, onderwijs, zakelijke dienstverlening etc.) komen niet meer terug in de lijst. Voor die activiteiten die niet onder het begrip bedrijf vallen, geldt de bedrijvenregeling niet en wordt de systematiek van milieuhindercategorieën niet gebruikt om te sturen op de vestigingsmogelijkheden. Dat kan anders opgelost worden; of met een aparte vergunningplicht (horeca) of met een toets bij het toelaten van de activiteit op een locatie. Het feit dat een activiteit op de Lijst in bijlage IV voorkomt vormt weliswaar een indicatie dat die activiteit een bedrijf in de zin van deze paragraaf is, maar dat hoeft niet in alle gevallen zo te zijn.

Of een activiteit op een locatie als een bedrijf valt te kwalificeren wordt bepaald aan de hand van de begripsbepaling zoals opgenomen in artikel 3.58. Bij sommige activiteiten is het mogelijk dat zowel productie- als kantoorwerkzaamheden plaats vinden. De kantoorwerkzaamheden vallen in principe onder het gebruiksdoel Zakelijk en administratieve dienstverlening (dat is gereguleerd door paragraaf 3.2.3). Onder voorwaarden is het gebruikt van ondergeschikt kantoorruimte bij bedrijven 85

toegestaan (zoals geregeld in artikel 2.25). Het hoofdkantoor van een groot productiebedrijf dat niet ondergeschikt is aan dat productiebedrijf of op een andere locatie is gevestigd is aldus geen bedrijf als bedoeld in deze paragraaf. Ten tweede is informatie uit de Richtafstandenlijst van de VNG die voor de toepassing van de bedrijvenregeling niet relevant zijn, niet overgenomen. Zo zijn de zogenaamde SBI-codes voor de omschrijving van bedrijfsactiviteiten geschrapt. De Standaard Bedrijfsindeling (SBI) is een indeling van economische activiteiten die het Centraal Bureau voor Statistiek heeft ontwikkeld om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit. De SBI-indeling was de basis voor de Richtafstandenlijst van de VNG. Sinds de laatste actualisatie van de Richtafstandenlijst in 2009 is de SBI-indeling meerdere keren gewijzigd. Omdat de SBI-codes uit de Richtafstandenlijst niet meer corresponderen met de codes die het CBS en de Kamer van Koophandel gebruiken, hebben de verouderde codes geen toegevoegde waarde meer en zijn dus niet overgenomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten. De indeling van activiteiten volgt grotendeels wel de indeling van de SBI-2008. Ook de indices voor verkeer, visueel, bodem en lucht komen op de lijst van de bedrijfsactiviteiten niet terug. Deze indices werden in het verleden (in Amsterdam noch landelijk) niet toegepast.

Tot slot is overige informatie uit de Richtafstandenlijst (zoals welke activiteiten geluidzoneringplichtig zijn, op welke activiteiten het Besluit externe veiligheid inrichting van toepassing was, welke activiteiten in het algemeen continue worden uitgevoerd, etc.) niet overgenomen. Met betrekking tot de richtafstanden ten aanzien van de verschillende milieuaspecten wordt het volgende opgemerkt. De hoogste afstand bepaalt de milieuhindercategorie die aan een activiteit wordt toegekend. Voor de toelating van bedrijfsactiviteiten is de milieuhindercategorie bepalend. Het zou daarom mogelijk zijn om alleen de milieuhindercategorie te vermelden op de lijst. De richtafstanden per milieuaspect geven echter waardevolle informatie voor het geval dat een activiteit in een hogere categorie valt dan ter plaatse toegelaten. In die situatie wordt duidelijk welk milieuaspect(en) maatgevend is (zijn) en waar het treffen van eventuele maatregelen nodig kan zijn. Daarom is die informatie behouden. De richtafstanden zijn bovendien bruikbaar als hulpmiddel in de volgende situaties. Ten eerste kunnen ze gebruikt worden om te bepalen bedrijven uit welke milieuhindercategorie op een bepaalde locatie aanvaardbaar zijn (gelet op de afstand tot bestaande woningen).

Ten tweede kunnen ze ook gebruikt worden om te bepalen op welke afstand van bestaande bedrijven (of bedrijventerreinen) nieuwe woningen aanvaardbaar zijn. De afstanden in de lijst zijn indicatief van karakter; de concrete bedrijfsvoering van bedrijven kan aanleiding geven om een kleinere of grotere afstand aan te houden. De richtafstanden op de lijst zijn geschikt om het woon- en leefklimaat passend bij een rustige woonwijk te behalen. Indien er sprake is van een gemengd gebied met meer 'stedelijk karakter' is het ook aanvaardbaar om de afstanden te 'halveren'. Daarbij wordt de afstand behorend bij één milieuhindercategorie lager aangehouden. Onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieuhindercategorieën en richtafstanden tot gebiedstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weer.

86

Relatie milieuhindercategorieën en richtafstanden Vertaling overnachtingsbeleid (paragraaf 3.2.7) Het Overnachtingsbeleid is van toepassing op verblijfsaccommodaties die verblijf aanbieden van één nacht tot en met twaalf maanden. Het beleid (en ook deze paragraaf) is niet van toepassing op woonruimte of bij woningen behorende erfbebouwing die aangeboden worden voor toeristisch verblijf (vakantieverhuur of B&B). Evenmin is het beleid (en deze paragraaf) van toepassing op short stay. Bij short stay gaat het om het gebruik van woonruimte voor het aanbieden van short stay. Het gebruik van woonruimte en het bijbehorend erf is geregeld in paragraaf 3.2.1. Het Overnachtingsbeleid is restrictief en heeft betrekking op hotelontwikkeling op locaties waar dit nog niet planologisch is mogelijk gemaakt. Bij de notitie ‘Uitwerking Overnachtingsbeleid, deel I’, is een kaart gevoegd waarin de gehele gemeente is ingedeeld in twee gebiedstypen, de zogenaamde ‘nee’ en ‘nee, tenzij’ gebieden’. Uitsluitend in de ‘nee, tenzij’ gebieden is hotelontwikkeling onder strikte voorwaarden mogelijk. Zo dient bijvoorbeeld sprake te zijn van een kwaliteitsimpuls voor de omgeving en moet de duurzaamheidstoets worden doorstaan. Er moet sprake zijn van een bijzonder, onderscheidend en innovatief concept, buurtbetrokkenheid en sociaal ondernemerschap.

Dit brengt met zich mee dat in de ‘nee’ gebieden uitsluitend aan locaties met een bestaand hotel en aan locaties waar een hotel op grond van het omgevingsplan (met inbegrip van de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan) is toegestaan, een functie 'hotel’ wordt gegeven. Locaties voor nieuwe hotelontwikkelingen en uitbreidingen van bestaande hotels in ‘nee, tenzij’ gebieden kunnen uitsluitend worden toegestaan indien voldoende juridisch is geborgd dat het te ontwikkelen hotel aan alle voorwaarden uit het overnachtingsbeleid voldoet. Dit kan bijvoorbeeld via gronduitgifte maar ook via een separate overeenkomst met de grondeigenaar die dit waarborgt. Een buitenplanse vergunning voor een omgevingsplanactiviteit is de andere optie om een nieuwe hotelontwikkeling toe te staan. Ook daarbij is voldoende borging van de voorwaarden van het grootste belang zijn. Op 26 oktober 2021 heeft het college voor de in het beleid aangegeven 'nee-gebieden' de Notitie ‘Afremmen hotelgroei door inzet erfpachtinstrument’ vastgesteld, inhoudende in nee-gebieden niet wordt meegewerkt aan een wijziging van het erfpachtrecht voor een hotel(uitbreiding), ook al is dit juridisch-planologisch wel toegestaan.

Met het hierin geformuleerde beleid wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk belang zoals opgenomen in het Beleid bestemmings- en bebouwingswijziging. Bij een wijziging van het omgevingsplan op een locatie waar een hotel juridisch-planologisch wel is toegestaan, maar niet is gerealiseerd, of waar niet van de volledige mogelijkheid gebruik is gemaakt, is het in zijn 87

algemeenheid de intentie dat die niet benutte juridisch-planologische mogelijkheid komt te vervallen. Of dat daadwerkelijk, kan zal per geval worden afgewogen. Hoogspanningsverbindingen (paragraaf 3.2.15) In artikel 5.159, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat als een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, het omgevingsplan het tracé van die hoogspanningsverbinding bevat. Het omgevingsplan moet daarbij het gebruik als hoogspanningsverbinding en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen toelaten. Met paragraaf 3.2.15 wordt hierin voorzien. De locaties van de betreffende hoogspanningsverbindingen zijn opgenomen in de Bijlage XV, onder C van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De geometrische begrenzing van de tracés zijn bij ministeriële regeling vastgelegd. In Amsterdam gaat het om het tracé tussen de locaties Beverwijk – Oostzaan – Diemen. Deze verbinding heeft een spanning van 380 kV. Beheerder is Tennet. Zie ook de HoogspanningsNet Netkaart: https://webkaart.hoogspanningsnet.com/index2.php#12/52.3319/5.0151. Op het grondgebied van Amsterdam bevindt zich ook een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV, met een tracé van Diemen via landelijk noord naar Wormerveer.

Hoewel bovengenoemde instructieregel niet geldt voor deze verbinding van 150 kV zijn de regels in deze paragraaf ook van toepassing op deze bovengrondse hoogspanningsverbinding. Omdat het Rijk bevoegd gezag is voor het toelaten van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, terwijl de gemeente alleen bevoegd is ten aanzien van de aanleg van hoogspanningsverbindingen tot 150 kV wordt het gebruik en de locaties van de verbindingen van tenminste 220 kV en van 150 kV wel apart geregeld. Dat gebeurt in artikel 3.145. Daarmee wordt ook apart uitdrukking gegeven aan de genoemde instructieregel die alleen geldt voor de bovengrondse hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV. Hoogspanningsleidingen hebben een elektromagnetische straling. In verband met de gezondheidsrisico’s heeft het Rijk in 2005 voorzorgbeleid vastgesteld voor nieuwe situaties rond hoogspanningslijnen. Het Rijk adviseert om bij de vaststelling van ruimtelijke plannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen daarvan, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone).

Dit voorzorgbeleid geldt alleen voor nieuwe situaties bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Het geldt niet voor andere bronnen van magneetvelden, zoals ondergrondse kabels, hoogspanningsstations en transformatorhuisjes en ook niet voor bestaande situaties. Voor de omvang van de magneetveld zone is afstemming met de leidingbeheerder nodig. Er is nog geen nieuw voorzorgbeleid vastgesteld. Er is geen instructieregel voor het opnemen van magneetveldzones van hoogspanningsverbindingen in het omgevingsplan. Magneetveldzones worden daarom niet opgenomen in het omgevingsplan. De toelichting over dit onderwerp is hier dan ook bedoeld om het voorzorgbeginsel onder de aandacht te brengen bij initiatiefnemers met planvorming van nieuwe gevoelige functies voor kinderen nabij hoogspanningsverbindingen. Deze paragraaf heeft alleen betrekking op hoogspanningsverbindingen van 150 kV en hoger. Voor hoogspanningsverbindingen lager dan 150 kV bestaat geen aanleiding specifieke regels in het omgevingsplan op te nemen die bepalen waar deze zijn toegestaan. In Amsterdam liggen veel ondergrondse kabelverbindingen met een spanning tot 150 kV. De ligging daarvan wordt niet in het omgevingsplan gereguleerd. Voor deze verbindingen geldt geen wettelijke regeling voor aanleg en bescherming en er zijn beleidsmatig ook geen aanwijzingen of aanleidingen om dit te regelen.

Het aanleggen en beschermen van deze leidingen wordt geregeld via de Wior (verordening Werken in de 88

openbare ruimte) en de WIBON (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken).

10.5 Hoofdstuk 4 Algemene regels over bouwwerken en activiteiten met betrekking tot bouwwerken 10.5.1 Algemeen In hoofdstuk 4 zijn algemene regels opgenomen over bouwwerken en activiteiten met betrekking tot bouwwerken. Het hoofdstuk begint met een algemeen deel in afdeling 4.1, waarin onder meer het toepassingsbereik en meet- en rekenbepalingen zijn opgenomen. Het hoofdstuk bestaat verder uit verschillende onderdelen, die onder oud recht in verschillende regelingen waren opgenomen. Zo bevat afdeling 4.2 regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals die voorheen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of het Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Het betreft onder meer een vergunningplicht voor die activiteit, als ook een regeling voor gevallen waarvoor die vergunningplicht niet geldt. Deze afdeling bevat ook beoordelingsregels, geeft aan waarover vergunningvoorschriften kunnen worden gesteld, en bevat aanvraagvereisten. Een van de beoordelingsregels bepaalt dat de vergunning alleen wordt verleend, wanneer de aanvraag in overeenstemming is m te de ruimtelijke regels over bouwwerken. Die ruimtelijke regels over bouwwerken zijn in afdeling 5.2 opgenomen. Het betreft regels zoals die voorheen in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten werden opgenomen, en waaraan aanvragen om een bouwvergunning werden getoetst.

Die systematiek wordt voortgezet. In afdeling 4.3 zijn overige regels over activiteiten met betrekking tot bouwwerken opgenomen. Het betreft regels die voorheen in landelijke wet- en regelgeving waren opgenomen, maar die zijn komen te vervallen. Bij wijze van Bruidsschat zijn deze regels bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van dit omgevingsplan. Voor zover de regels betrekking hebben op bouwwerken of activiteiten met betrekking tot bouwwerken zijn deze samengebracht in deze afdeling. Het gaat bijvoorbeeld om een specifieke zorgplicht bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden, maar ook om de regeling van het repressief welstandstoezicht.

10.5.2 Algemene bepalingen Het hoofdstuk begint met een afdeling ‘Algemeen’. Het bevat een artikel waarin het toepassingsbereik van dit hoofdstuk is bepaald. Aangegeven is dat de regels in dit hoofdstuk betrekking hebben op bouwwerken en op het bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken. Daarnaast bevat deze afdeling enkele overgangsrechtelijke bepalingen met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

10.5.3 Vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Algemeen Afdeling 4.2 reguleert de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dit wordt bepaald in paragraaf 4.2.1. Met die activiteit wordt gedoeld op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. 89

Afdeling 4.2 begint met een paragraaf ‘Algemeen’. Afdeling 4.2 bevat voor die activiteit een vergunningplicht. Die vergunningplicht kent ook uitzonderingen. Voor de betreffende bouwwerken geldt geen vergunningplicht, maar dat betekent niet dat ze zondermeer zijn toegestaan. Dat is alleen het geval wanneer zo ook zijn toegestaan op grond van algemene regels over bouwwerken, zoals opgenomen n hoofdstuk 5. Verder bevat Afdeling 4.2 de beoordelingsregels die op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken van toepassing zijn. De betreffende vergunning kan alleen worden geweigerd wanneer die o grond van die beoordelingsregels niet kan worden verleend. Tot slot bevat deze afdeling ook aanvraagvereisten. Een en ander wordt hieronder nader toegelicht. Hoofdstuk 4 is in zijn geheel van toepassing op heel Amsterdam. Dat betekent dat in heel Amsterdam dezelfde vergunningplicht met bijbehorende beoordelingsregels van toepassing zijn, maar ook dat overal dezelfde bouwwerken zijn aangewezen waarvoor de vergunningplicht niet geldt. Daar waar sprake kan zijn van een samenloop met regels uit een ruimtelijk plan van het tijdelijk deel omgevingsplan dat nog niet is komen te vervallen, wordt voorzien in voorrangsregel of overgangsbepaling.

Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken In paragraaf 4.2.2 wordt een vergunningplicht in het leven geroepen voor deze activiteit met betrekking tot bouwwerken. Met deze vergunningplicht kan worden gestuurd op de ruimtelijke inpassing van bouwwerken. De vergunningplicht gaat gepaard met beoordelingsregels. Vergunningaanvragen worden aan de hand daarvan beoordeeld. Net als onder oud recht geldt niet voor alle bouwwerken dat ze vergunningplichtig zijn. Voor een aantal bouwwerken is bepaald dat daarvoor geen vergunning is vereist. Dat neemt niet weg dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van die bouwwerken alleen is toegestaan wanneer dat passend is binnen algemene regels die over bouwwerken zijn gesteld. Alvorens nader op deze aspecten in te gaan, wordt opgemerkt dat in de Omgevingswet zelf ook een vergunningplicht met betrekking tot bouwwerken is opgenomen (artikel 5.1, tweede lid, onder a, Omgevingswet).

Daar waar de regels in dit omgevingsplan betrekking hebben op wat de wetgever wel noemt de ‘ruimtelijke bouwactiviteit’, heeft de vergunningplicht in de Omgevingswet betrekking op de ‘technische bouwactiviteit’.32 Knip tussen de ruimtelijke bouwactiviteit en de technische bouwactiviteit33 In de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was voorzien in een vergunningplicht voor bouwactiviteiten waarbij werd getoetst aan zowel regels voor technische bouwkwaliteit als aan ‘ruimtelijke regels, zoals de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke welstandsnota. Met de Omgevingswet is deze gecombineerde toets verlaten. Er is in de Omgevingswet een aparte vergunningplicht in het leven geroepen voor bouwactiviteiten met het oog op een preventieve toets aan de regels voor technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en een afzonderlijke vergunningplicht. Naast deze vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit kunnen gemeenten in het omgevingsplan een vergunningplicht in het leven roepen voor bouwactiviteiten met het oog op een preventieve toets aan de ruimtelijke regels uit het omgevingsplan. Die vergunningplicht, die dus betrekking heeft op de ruimtelijke bouwactiviteit, is in deze afdeling opgenomen.

De vergunningplicht die betrekking heeft op een toets aan de regels voor technische bouwkwaliteit van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet. Deze technische vergunningplicht geldt op grond van het genoemde artikellid uitsluitend voor zover het gaat om een in het Besluit bouwwerken leefomgeving aangewezen geval. Voor 32 Staatsblad 2020 400, p. 1174.

33 Zie ook Staatsblad 2020 400, Nota van Toelichting, paragraaf 3.2.

90

al het bouwen geldt dat aan de regels voor technische bouwkwaliteit van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet worden voldaan. Dat geldt dus ook voor het bouwen waarvoor geen technische vergunningplicht geldt. Bij vergunningplichtig bouwen wordt het bouwen door het bevoegd gezag in de vergunningprocedure preventief beoordeeld op mogelijke strijd met de van toepassing zijnde technische regels en wordt de vergunning bij dergelijke strijd geweigerd. Bij vergunningvrij bouwen kan het bevoegd gezag bij strijd met de technische regels repressief (tijdens en na de bouw) handhavend optreden. Gemeenten gaan niet over de regels voor technische bouwkwaliteit. Maar door de ‘knip’ kan ook in het omgevingsplan een vergunningplicht worden opgenomen die betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Naast een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit, kan dus een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden opgenomen waarbij getoetst wordt aan de daarover opgenomen regels in het omgevingsplan. Nu de vergunningplicht voor bouwactiviteiten die betrekking heeft op een toets aan de regels uit het omgevingsplan niet langer op rijksniveau vormgegeven, krijgen gemeenten meer ruimte om deze vorm te geven.

Dat betekent dat gemeenten zelf gaan over de afbakening van de vergunningplicht, maar ook over de beoordelingsregels aan de hand waarvan de vergunningaanvragen worden getoetst. In het omgevingsplan Amsterdam is van dat laatste gebruik gemaakt door aanvullende beoordelingsregels op te nemen, bijvoorbeeld met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken In afdeling 4.2 is deze vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken opgenomen (paragraaf 4.2.2). Deze vergunning wordt in het omgevingsplan verder aangeduid als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Op deze vergunningplicht geldt een aantal uitzonderingen (paragraaf 4.2.3). Voor de in artikel 4.12 aangegeven gevallen geldt geen vergunningplicht. Dat betekent echter nog niet dat ze dus zijn toegestaan. Ook voor bouwwerken die vergunningvrij zijn geldt dat ze moeten passen binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in afdeling 5.2. Alleen als dat het geval is, mogen ze zonder vergunning worden uitgevoerd. In afdeling 4.2 zijn ook de beoordelingsregels met betrekking tot de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken opgenomen (paragraaf 4.2.4). Aanvragen worden beoordeeld op: a.

passendheid binnen de ruimtelijke regels voor bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.1); b. het uiterlijk van het bouwwerk (subsubparagraaf 4.2.4.2.2); c.

normering autoparkeerplaatsen en fietsstalling (subsubparagraaf 4.2.4.2.3);

d. toelaatbare kwaliteit van de bodem bij bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie (subsubparagraaf 4.2.4.2.4); e. windhinder en windgevaar (subsubparagraaf 4.2.4.2.5); f.

de aanvaardbaarheid van geluidbelasting bij geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden (subsubparagraaf 4.2.4.2.6);

g. (grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.7); h. Externe veiligheidsaspecten bij beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (subsubparagraaf 4.2.4.2.8). Een beoordeling aan bouwtechnische vereisten, is niet opgenomen. Dat betreft immers de technische bouwactiviteit, die wordt gereguleerd door het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ten opzichte van de beoordelingsregels zoals die in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen, is er een aantal beoordelingsaspecten bijgekomen. De reden 91

daarvoor is dat die beoordeling beter is te doen op het detailniveau van de concrete bouwaanvraag. Zo is de mate waarin windhinder of windgevaar kan optreden niet alleen afhankelijk van het bouwvolume, maar ook van het architectonisch ontwerp. In andere gevallen is gekozen voor een beoordelingsregel omdat dit de mogelijkheid biedt daaraan flexibiliteitsregels te verbinden waarmee kan worden afgeweken van een algemeen geldende norm. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beoordeling aan parkeernormen. Gekoppeld aan de beoordelingsregels zijn ook de mogelijkheden bepaald tot het aan de vergunning verbinden van voorschriften. Het doel van die voorschriften moet altijd samengaan met het oogmerk van de betreffende beoordelingsregel. In afdeling 4.2 zijn tot slot ook de aanvraagvereisten opgenomen die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 4.2.5). De aanvrager moet voldoen aan deze vereisten om een ontvankelijke vergunningaanvraag in te dienen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op aan te leveren stukken, aan de hand waarvan de beoordeling op grond van de beoordelingsregels kan plaatsvinden.

Ruimtelijke bouwactiviteiten, gereguleerd door het Rijk Hoewel gemeenten met de ‘knip’ zelfstandig een vergunningplicht voor ruimtelijke bouwactiviteiten in het leven kan roepen, heeft het Rijk voor een beperkt aantal bouwwerken zelf bepaald dat die zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zijn toegestaan. Het betreft de bouwwerken zoals aangegeven in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Die zijn op grond van dat artikel zonder vergunning overal toegestaan. Het omgevingsplan kan daarover geen beperkende regels bevatten. De vergunningplicht is hierop in beginsel dan ook niet van toepassing. Het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat echter ook weer uitzonderingen op artikel 2.29, namelijk wanneer de activiteit plaatsvindt in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Op grond van artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving dan niet van toepassing. Dat betekent dat het omgevingsplan daarop dan alsnog van toepassing is.

In dit omgevingsplan zijn deze bouwwerken in dat geval niet vergunningvrij gemaakt, maar vergunningplichtig, waarbij de beoordeling beperkt blijft tot het belang van het behoud van cultureel erfgoed (zie artikel 4.23 van dit omgevingsplan). Bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken De vergunningpplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals opgenomen in dit omgevingsplan, heeft niet alleen betrekking op het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Deze omschrijving wijkt af van de omschrijving in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met deze nieuwe omschrijving wordt expliciet gemaakt dat deze vergunningplicht niet alleen ziet op een toestemming om het bouwwerk te mogen bouwen maar eveneens ziet op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming met de opgave in de vergunningaanvraag. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet en is geen materiële wijziging beoogd. Hiermee wordt, in overeenstemming met de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet, gecodificeerd dat bij de vergunningaanvraag wordt getoetst of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187351/1