2 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_algemeen deel_versie 14 september 2022.docx
Tekst van het document
Omdat de basisregeling eerst in procedure gebracht moet worden alvorens die kan worden vastgesteld en in werking kan treden, en omdat hoofdstuk 22 gefaseerd zal worden vervangen, zal er in eerste instantie sprake zijn van een hoofdstukindeling tot en met hoofdstuk 23. In hoofdstuk 10 van deze algemene toelichting wordt op de inhoud van de verschillende hoofdstukken ingegaan.
6.3.2 Verdere uitbouw: het vervangen van ruimtelijke besluiten De basisregeling vormt het uitgangspunt voor het vervangen van ruimtelijke besluiten. In de basisregeling is voorzien in regels over die onderwerpen die ook door ruimtelijke besluiten werden gereguleerd. Het gaat hoofdzakelijk om ruimtelijke regels over gebruik, bouwwerken en aanlegactiviteiten. Met de ruimtelijke regels zoals die in de basisregeling zijn opgenomen, kan een groot deel van de ruimtelijke besluiten worden vervangen. Dat gebeurt door de benodigde regels ook voor het gebied (of locaties binnen het gebied) waarop het te vervangen ruimtelijk besluit betrekking heeft, van toepassing te laten worden. Dat gebeurt door middel van wijzigingsbesluiten. Een wijziging van het omgevingsplan hoeft dus niet te betekenen dat er nieuwe regels worden toegevoegd of dat bestaande regels wijzigen. Een wijziging van het omgevingsplan kan ook bestaan uit alleen het wijzigen van het werkingsgebied van een al bestaande regel. In hoofdstuk 7 zal hier nader op worden ingegaan. In de basisregeling is voorzien in vervangende regels voor de meest voorkomende vormen van gebruik, voor de meest voorkomende aanlegactiviteiten, en voor de meest voorkomende regels over bouwwerken. Bij het vervangen van een specifiek ruimtelijk besluit kan het altijd voorkomen dat aanvullende regels nodig zijn.
In dat geval kan bij het wijzigingen van het omgevingsplan tevens worden voorzien in die aanvullende regels. Op die manier zal de inhoud van het omgevingsplan steeds verder worden uitgebouwd. De term ‘basisregeling’ duidt dan ook alleen op de eerste wijziging van het omgevingsplan waarmee het nieuwe deel inhoud wordt gegeven. Vanaf dat moment zal het omgevingsplan continu aan wijziging onderhevig zijn.
6.3.3 Verdere uitbouw: het opnemen van (delen van) verordeningen die geen deel zijn van het ‘omgevingsplan van rechtswege’ Met uitzondering van de in paragraaf 6.2.2 genoemde (onderdelen van) verordeningen, maken gemeentelijke verordeningen geen deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Dat geldt voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, maar ook voor de onderdelen van) verordeningen erin moeten worden opgenomen. De gemeentelijke verordeningen zijn 54
na inwerkingtreding van de Omgevingswet gewoon als zodanig blijven bestaan. En ze kunnen ook gewoon worden gewijzigd. Voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen, hebben gemeenten naar verwachting tot en met 2028 de tijd om dit te realiseren. Voor (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen geldt dat die integratie ook na 2028 kan plaatsvinden. Van daaruit zit er weinig druk op integratie van de verordeningen. Bovendien zijn de meeste verordeningen sterk thematisch van inhoud. Daarmee wordt bedoeld dat ze betrekking hebben op een of meerdere specifieke, op zichzelf staande activiteiten. Zo is de activiteit ‘vellen van een houtopstand’ zoals die middels de Bomenverordening wordt gereguleerd, een op zichzelf staande activiteit met een geheel eigen, daarop van toepassing zijnde regeling. Inhoudelijke afstemming met regels over andere activiteiten is veelal niet, of slechts in beperkte mate aan de orde. Tot slot hebben de meeste verordeningen geen locatiegerichte benadering (zie ook hoofdstuk 7). Dat betekent dat ze zich als regeling ervoor lenen om op enig moment integraal voor heel de gemeente in het omgevingsplan te worden geïntegreerd. Hoewel de integratie in het omgevingsplan uiteindelijk de vindbaarheid van de betreffende regels ten goede komt, is er in de meeste gevallen geen sprake van urgentie.
Daar waar wel sprake is van een sterke mate van inhoudelijke verwevenheid van (delen van) verordeningen of van een locatiegerichte benadering wordt integratie naar voren gehaald. Dat is bijvoorbeeld het geval met delen van de huidige Erfgoedverordening. Om die reden wordt een groot deel van die verordening wel vervangen door de basisregeling. Een deel van de Erfgoedverordening blijft echter zelfstandig bestaan, omdat het geen regels betreft die betrekking hebben op activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat bijvoorbeeld om procedureregels rond advisering.
6.3.4 Verdere uitbouw: het aanvullen met nieuwe regels Het omgevingsplan zal niet alleen verder worden uitgebouwd door toevoeging van regels uit bestaande verordeningen, en met regels die nodig zijn ter vervanging van ruimtelijke besluiten. Het omgevingsplan biedt ook ruimte voor opname van regels over nieuwe onderwerpen. Afhankelijk van het onderwerp en oogmerk van die regels kunnen die regels worden ingepast in bestaande regelonderdelen. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de Hemelwaterverordening en het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders, die nog niet zo heel lang geleden zijn vastgesteld. Dergelijke regels zullen rechtstreeks in een al bestaand regelonderdeel van het omgevingsplan kunnen worden ingepast. Het kan ook nodig zijn dat voor een specifiek nieuw onderwerp een geheel nieuw, zelfstandig regelonderdeel (een hoofdstuk, een afdeling) moet worden ingevoegd. Ook dat is mogelijk.
55
7 Locatiegerichte regels in het omgevingsplan 7.1 Inleiding Zoals eerder aangegeven lijkt het omgevingsplan in meerdere opzichten meer op een gewone gemeentelijke verordening dan op een bestemmingsplan. In één belangrijk opzicht is het omgevingsplan wel anders dan de meeste gemeentelijke verordening. Het omgevingsplan bevat namelijk (net als voorheen het bestemmingsplan) locatiegerichte regels. Het gaat om regels met een beperkt werkingsgebied (ze gelden alleen in bepaalde delen van Amsterdam), om regels die bepalen waar binnen Amsterdam een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan, en regels met een locatiegerichte norm. Dergelijke regels kwamen voorheen veel voor in ruimtelijke besluiten en zijn ook weer in het omgevingsplan opgenomen. Zo bevat het omgevingsplan regels over planologisch gebruik, waarmee onder meer wordt bepaald waar een bepaalde vorm van gebruik wel of niet is toegestaan, en in welke omvang. En ook bevat het omgevingsplan allerlei locatiegerichte bouwregels waarmee onder andere wordt bepaald waar gebouwd mag worden, en hoe hoog. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende vormen van locatiegerichte regels.
7.2 De geografische component van regels Elk juridische regel heeft een geografische component, omdat elke regel een werkingsgebied heeft. Daarmee wordt gedoeld op het gebied waar de regel geldt. Veel regels in het omgevingsplan hebben (net als bij de meeste verordeningen) heel de gemeente Amsterdam als werkingsgebied; ze gelden overal. Vaak geldt ook dat de normering overal gelijk is. Maar het omgevingsplan bevat ook heel veel regels die locatiegericht zijn. Die locatiegerichtheid kan erin zitten dat het werkingsgebied van een regel beperkt is, of dat er in de regel naar een specifieke aangewezen locatie binnen het werkingsgebied wordt verwezen waar iets wel of juist niet is toegestaan. Ook kan het gaan om regels met locatiespecifieke normen, waarbij de regel in heel Amsterdam geldt, of binnen een bepaald gebied, maar waarbij de norm zelf van locatie tot locatie verschilt. Die uiteenlopende geografische componenten van regels zijn juridisch zeer relevant. Ze bepalen waar een regel geldt, en waar een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan. Ze bepalen dat er op de aangegeven locatie gebouwd mag worden, dat daarbij wel of geen maximum bouwhoogte is gegeven, maar ook per locatie hoe hoog die maximum bouwhoogte is.
Tegelijkertijd is het vaststellen van dergelijke regels complex, in die zin dat het bepalen van waar een locatiespecifieke regel moet gelden, waar een bepaalde activiteit is toegestaan, waar een bepaalde norm moet gelden, niet ineens voor heel de gemeente kan worden gedaan. Dat zal moeten gebeuren bij het gebiedsgewijs vervangen van de ruimtelijke besluiten. Tegelijkertijd is het, om tot een integraal en geharmoniseerd geheel te komen, wel nodig dat die regels in de basisregeling komen te staan, zodat vanuit die al vastgestelde regels het vervangen van de ruimtelijke besluiten kan plaatsvinden.
7.3 Het werkingsgebied van een regel Elke juridische regel heeft een geografisch werkingsgebied. Daarmee wordt gedoeld op het geografisch gebied waar de regel geldt. Uitgangspunt van elke gemeentelijke juridische regeling is dat die overal binnen het grondgebied van de gemeente geldt, tenzij dit in of blijkens de regels is beperkt. Binnen een
56
juridische regeling geldt voor elk onderdeel of elke afzonderlijke regel binnen een onderdeel dat het werkingsgebied gelijk is aan dat van de regeling, tenzij dit is beperkt. Dit principe geldt ook voor het omgevingsplan. Het omgevingsplan geldt voor heel het grondgebied van de gemeente Amsterdam (hierna: het ambtsgebied). Alle regelonderdelen en regels daarbinnen, gelden dus overal, tenzij dit is beperkt. Er is voor gekozen dit algemeen geldend juridisch principe in artikel 1.3 van de planregels expliciet vast te leggen. Wanneer niet in de regels is bepaald dat er een beperkt werkingsgebied geldt, of wanneer dat niet uit de regels volgt, dan geldt het hele ambtsgebied als werkingsgebied. Het in de regel expliciet bepalen van een beperkt werkingsgebied vindt vaak plaats bij het beperken van het werkingsgebied voor een heel regelonderdeel. In zo’n regelonderdeel wordt dan aan het begin een bepaling opgenomen waarmee het werkingsgebied van alle regels in dat onderdeel wordt beperkt. Alle regels binnen zo’n regelonderdeel hebben in dat geval als werkingsgebied het gebied dat is aangegeven in die ene bepaling. Zie bijvoorbeeld artikel 3.8, tweede lid: Artikel 3.8 Toepassingsbereik 1.
2.
Deze paragraaf is van toepassing op: a.
het gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'; en
b.
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'.
Daarmee wordt bepaald dat paragraaf 3.2.1, dat over wonen gaat, alleen geldt ter plaatse van de betreffende aanduiding. Het geografisch gebied van die locatie wordt door de gemeenteraad vastgesteld en in de viewer op kaartbeeld weergegeven. Alle regels binnen paragraaf 3.2.1 gelden dus uitsluitend daar. Regels binnen een regelonderdeel met een beperkt werkingsgebied kunnen zelf wel weer een meer beperkt werkingsgebied hebben. Vaak volgt dat uit de regelformulering in de regel zelf, zonder dat dit expliciet is gedaan. Zie bijvoorbeeld artikel 3.16, dat onderdeel is van de paragraaf die over wonen gaat: Artikel 3.16 Locaties aangewezen voor studentenhuisvesting Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend studentenwoningen’ mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als studentenwoning.
Die regel heeft alleen betrekking op de aangegeven locatie, en heeft dus die locatie als werkingsgebied. Koppeling van de regel aan het werkingsgebied Het werkingsgebied van een regel wordt in plansoftware aan de regels gekoppeld. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt. Binnen het DSO is ook mogelijk om voor een locatie alleen die regels in beeld te krijgen die daar gelden. Dat draagt bij aan de toegankelijkheid van de regeling. Overgangsfase Veel regels zijn geschreven om heel de gemeente Amsterdam als werkingsgebied te hebben. Ze moeten overal gelden. Maar in een aantal gevallen bevat ook een besluit uit het tijdelijk deel, dat nog niet is vervallen, een regel die hetzelfde beoogt te regelen. Zo zal het omgevingsplan een ‘artikel 1.1 begripsbepalingen’ bevatten, dat overal binnen Amsterdam moet gelden. Tegelijkertijd zitten ook in de ruimtelijke besluiten die in het tijdelijk deel zitten, begripsbepalingen. Om te voorkomen dat onduidelijkheid bestaat over welke begripsbepalingen dan van toepassing zijn, wordt in die gevallen een voorrangsregel opgenomen. Zie bijvoorbeeld artikel 1.1, waarin 57
de eerste twee leden overal gelden, maar in het derde lid een voorrangsregels is opgenomen met betrekking tot begripsbepalingen in het tijdelijk deel: Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
2.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Dergelijke voorrangsregels bevatten een locatieaanduiding waarmee op de kaart het gebied wordt aangegeven waar de ruimtelijke besluiten nog niet zijn komen te vervallen. Het derde lid heeft dus een beperkt werkingsgebied. De voorrangsregel bepaalt dat binnen dat gebied de in het ruimtelijk plan opgenomen begripsbepalingen van toepassing zijn. Het werkingsgebied van deze voorrangsregels zal met het gebiedsgewijs vervangen van de ruimtelijke besluiten uiteraard steeds kleiner worden. Uiteindelijk vervallen deze voorrangsregels.
7.4 Regels met een locatieaanduiding kleiner dan het werkingsgebied van de regel Behalve dat regels een al dan niet beperkt werkingsgebied hebben, kan in een regel een locatie binnen dat werkingsgebied worden aangeduid waar vervolgens blijkens de regel iets wel of juist niet mag. Zie bijvoorbeeld artikel 5.13 dat bepaalt waar bovengrondse gebouwen zijn toegestaan: Artikel 5.13 Waar bovengrondse gebouwen zijn toegestaan 1.
Een bovengronds gebouw is, tenzij elders anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
Deze regel geldt binnen heel Amsterdam. De regel bepaalt waar binnen Amsterdam een bovengronds gebouw is toegestaan, namelijk ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’. Maar tegelijkertijd bepaalt deze regel dat op locaties waaraan niet de aanduiding ‘bouwvlak’ is gegeven, géén bovengronds gebouw is toegestaan. Dit type regel werkt dus twee kanten op. Dat is ook de reden waarom artikel 5.13 heel Amsterdam als werkingsgebied moet hebben. Koppeling van de regel aan het werkingsgebied en nadere locatieaanduiding Ook voor dit type regel geldt dat werkingsgebied van een regel wordt in plansoftware aan de regels gekoppeld. Dat geldt ook voor de nadere locatieaanduiding. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt, en waar de begrenzing van de locatieaanduiding ligt. Doordat in het DSO zowel de regel als de daarbij behorende locaties (werkingsgebied en locatieaanduiding) in samenhang worden weergegeven is het mogelijk om locatiegericht te zien waar een betreffende activiteit wel of niet is toegestaan. Onderscheid tussen een aanduiding werkingsgebied en nadere locatieaanduiding volgt uit de strekking van de regel Het verschil tussen het in een regel beperken van het werkingsgebied of het binnen een bepaald werkingsgebied aanduiden van een locatie, is niet altijd even makkelijk te zien.
Uit de regelopbouw en de strekking van de regel blijkt of sprake is van het werkingsgebied of van een nadere locatieaanduiding. 58
Zo bevat de regeling over detailhandel een onderdeel supermarkten, waarin beide vormen naast elkaar voorkomen: Artikel 3.53 Beperkende regels over waar supermarkten en mini-supermarkten zijn toegestaan 1.
Detailhandel in de vorm van een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt toegestaan'.
Artikel 3.54 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend supermarkt toegestaan' is detailhandel alleen in de vorm van een supermarkt toegestaan. Consumentgerichte dienstverlening als zelfstandige activiteit is niet toegestaan.
Het eerste lid van artikel 3.53 moet overal gelden waar detailhandel is toegestaan. Binnen dat gebied geldt voor detailhandel de beperking dat detailhandel in de vorm van een supermarkt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt toegestaan’. De in de regel opgenomen locatieaanduiding is dus kleiner dan het werkingsgebied. Het is de activiteit detailhandel in de vorm van een supermarkt waarop de beperking is gericht. Zonder de beperking zou die activiteit in het gehele werkingsgebied zou zijn toegestaan. De beperking voorziet erin dat dit niet het geval is. Voor artikel 3.54 is dat anders. Ook die regel maakt deel uit van de regels over detailhandel, maar de beperking geldt niet een vorm van detailhandel, maar de bepaalde locatie. Het is ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend supermarkt toegestaan' dat de beperking geldt. Omdat de beperking alleen die locatie geldt, blijft het werkingsgebied van die regel ook beperkt tot die locatie.
7.5 Een locatiegerichte norm Er zijn ook regels die een locatiegerichte norm bevatten. Binnen het werkingsgebied van de betreffende regel wordt dan voor verschillende locaties een uiteenlopende norm gegeven. Zie bijvoorbeeld artikel 5.14 dat regels over de bouwhoogte van gebouwen bevat: Artikel 5.14 Bouwhoogte van gebouwen 1.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een bovengronds gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte.
2.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
Het eerste lid bevat als hoofdregel dat de maximum bouwhoogte van een gebouw de bestaande bouwhoogte is. Die regel heeft de hele gemeente Amsterdam als werkingsgebied. Voor situaties waar geen sprake is van bestaande gebouwen maar waar die wel zijn voorzien, of waar uitbreiding van de bouwhoogte van bestaande gebouwen gewenst is, is het tweede lid van toepassing. Dat tweede lid heeft een beperkt werkingsgebied, namelijk de locatie met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte gebouw’. De locatie bevat uit allemaal afzonderlijke locaties, met elk een eigen norm:
59
Koppeling van de regel aan het werkingsgebied en normen aan locaties binnen dat werkingsgebied Ook voor dit type regel geldt dat werkingsgebied van een regel wordt in plansoftware aan de regels gekoppeld. Dat geldt ook voor de normen en de locaties waar die gelden. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt, en waar welke norm geldt. Doordat in het DSO zowel de regel als de daarbij behorende locaties en normen in samenhang worden weergegeven is het mogelijk om locatiegericht te zien waar de regel geldt en waar welke norm geldt.
7.6 Betekenis voor vaststelling en wijziging Dat sommige regels overal moeten gaan gelden, en andere regels binnen meer beperkte werkingsgebieden, heeft gevolgen voor de wijze waarop de regels kunnen worden vastgesteld. Regels die overal moeten gelden, zouden ineens voor heel Amsterdam van toepassing kunnen worden. Voor regels met een beperkt werkingsgebied zal gebied voor gebied bekeken moeten worden of die regels binnen dat gebied moeten gaan gelden. Dat laatste geldt ook voor alle regels die een locatieaanduiding bevatten die valt binnen een groter werkingsgebied (dus ook wanneer het werkingsgebied heel Amsterdam is). En dit geldt uiteraard ook voor regels met locatiegerichte normen. Die regels kunnen niet ineens over heel Amsterdam worden uitgerold, dat zal gebied voor gebied moeten gebeuren. Omdat het hoofdzakelijk gaat om ruimtelijke regels, zal dit moeten gebeuren bij het gebiedsgewijs vervangen van de geldende ruimtelijke besluiten. Om een regel vast te kunnen stellen, is echter een werkingsgebied nodig. Dat geldt ook voor de ruimtelijke regels uit de basisregeling die pas bij het gebiedsgewijs vervangen van ruimtelijke besluiten aan het beoogde werkingsgebied gekoppeld kunnen worden. Hieronder wordt toegelicht hoe ook die regels al in de basisregeling, voorzien van een werkingsgebied, kunnen worden vastgesteld.
Regels met het ambtsgebied als werkingsgebied Regels die overal moeten gaan gelden, krijgen bij vaststelling van de basisregeling in principe direct het hele ambtsgebied als werkingsgebied meekrijgen. Omdat bij vaststelling van de basisregeling deze regels direct aan het beoogde werkingsgebied (heel Amsterdam) worden gekoppeld, werken die regels ook direct voor heel Amsterdam. Regels waarom het gaat zijn bijvoorbeeld de regels opgenomen in hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 4, hoofdstuk 10 en hoofdstuk 11. Echter ook in de andere onderdelen komen regels voor die heel Amsterdam als werkingsgebied hebben. Hoewel al voornoemde regelonderdelen dus regels bevatten die overal binnen Amsterdam gaan werken, kunnen zich gedurende de transitieperiode bijzondere situaties voordoen. Zo kan sprake zijn van: a. overal geldende regels die gaan over een onderwerp waarover ook het tijdelijk deel regels bevat; b. overal geldende regels met een locatieaanduiding die kleiner is dan het ambtsgebied. 60
Voor deze situaties moet in de regeling een voorziening worden getroffen. Allereerst zijn er regels die overal moeten gaan gelden, maar waarbij de regel betrekking heeft op een onderwerp dat óók in het tijdelijk deel wordt geregeld. Dat geeft het risico van tegenstrijdige regels in één en hetzelfde omgevingsplan. Het tijdelijk deel maakt immers ook deel uit van het omgevingsplan. Dit doet zich reeds voor bij artikel 1.1, dat bepaalt dat bijlage I van het omgevingsplan begripsbepalingen bevat voor de toepassing van dit omgevingsplan. In die bijlage zullen ook begripsbepalingen worden opgenomen die betrekking hebben op de toepassing van ruimtelijke regels. In alle afzonderlijke ruimtelijke besluiten zijn echter ook begripsbepalingen opgenomen, die betrekking hebben op de uitleg van dat specifieke ruimtelijk plan. Die begripsbepalingen kunnen onderling verschillen. Het doel is dat uiteindelijk voor elk begrip één uitleg wordt gehanteerd; de uitleg die in het omgevingsplan staat. Maar bij het vaststellen van de afzonderlijke ruimtelijke besluiten is uitgegaan van de uitleg die daarin is opgenomen, en totdat een ruimtelijk plan is komen te vervallen, moet die oorspronkelijke uitleg van toepassing blijven. Anders ontstaat het risico dat door het opeens hanteren van een andere, oorspronkelijk niet beoogde begripsbepaling, een nieuwe betekenis aan een regel wordt gegeven.
De gevolgen van die nieuwe betekenis kunnen alleen bij het gebied voor gebied vervangen van de ruimtelijke besluiten worden beoordeeld. Totdat een ruimtelijk plan is vervallen, moeten de daarin opgenomen begripsbepalingen van toepassing blijven voor de uitleg van de in dat ruimtelijk plan opgenomen regels. Er zijn meer artikelen waar dit zich voordoet. De oplossing voor dit probleem is het opnemen van een voorrangsregel. Die bepaalt dat voor zover regels uit het tijdelijk deel nog niet zijn vervallen, daarin opgenomen begripsbepalingen van toepassing zijn op de uitleg van de desbetreffende regels. Zie bijvoorbeeld de algemene bepalingen van afdeling 2.4. Artikel 2.8 bepaalt dat die afdeling van toepassing is op het gebruik van gronden en bouwwerken. In de afdeling worden regels gesteld over onderwerpen die veelal ook in bestemmingsplannen werden geregeld. Omdat die regels, zolang een bestemmingsplan, dat onderdeel is geworden van het omgevingsplan, nog niet is vervallen, moet worden bepaald welke regel in dat geval voorgaat. Dat gebeurt in artikel 2.9. Daarin is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze afdeling buiten toepassing blijven voor zover deze regels in strijd zijn met regels die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Op deze manier kunnen ook materiele regels over allerlei onderwerpen die nu nog in ruimtelijke besluiten worden geregeld, maar die zich ervoor lenen generiek in heel Amsterdam van toepassing te worden, worden opgenomen in de basisregeling met heel Amsterdam als werkingsgebied. Alleen wanneer sprake is van strijd met de ruimtelijke regels die zijn opgenomen in een nog niet vervallen ruimtelijk plan, gaan de regels uit dat ruimtelijk plan voor. Daarmee wordt voorkomen dat in een bepaald gebied geen regels zijn gesteld over de bedoelde onderwerpen (namelijk als het ruimtelijk plan die regels niet bevat). Er wordt ook voorkomen dat bij het vervangen van een ruimtelijk besluit uit het tijdelijk deel wel de ruimtelijke regels die dat ruimtelijk besluiten vervangen van een werkingsgebied worden voorzien, maar niet de algemeen geldende regels. Voornoemd probleem doet zich ook alleen voor bij ruimtelijke besluiten die nog onderdeel zijn van het tijdelijk deel. Omdat die gebied voor gebied worden vervangen, wordt het gebied waar de voorrangsbepaling nodig is, steeds kleiner. Dat betekent dat ook het werkingsgebied van de voorrangsregel steeds kleiner kan worden.
Daarin wordt voorzien door de voorrangsbepaling te koppelen aan een specifiek aangeduid werkingsgebied (met de noemer ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’). Elke keer als bij raadsbesluit regels uit het tijdelijk deel komen te vervallen, dient ook het werkingsgebied van de voorrangsbepaling evenredig te worden verkleind. 61
Deze voorrangsbepaling is ook de oplossing voor regels waarvan het werkingsgebied het hele ambtsgebied omvat, maar waarbij in de regel een daarbinnen gelegen locatie aanwijst waar iets wel of niet mag. De afweging waar de betreffende locatieaanduiding moet komen, valt alleen maar gebiedsgewijs te maken. Maar ook voor die regels heeft het wel de voorkeur om deze al wel voor heel Amsterdam vast te stellen, en dus het hele ambtsgebied als werkingsgebied te geven. Gedacht kan worden aan de eerder als voorbeeld gegeven regel die bepaalt waar wel én geen bovengrondse gebouwen zijn toegestaan: Een bovengronds gebouw is, tenzij elders anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. Deze regel zal heel Amsterdam als werkingsgebied moeten hebben. Door op dit artikel de voorrangsbepaling van toepassing te laten zijn, blijft deze regel waar een ruimtelijk plan nog niet is vervallen buiten toepassing. De voorrangsbepaling is in dit geval opgenomen in artikel 5.2. Op deze wijze kan dus ook voor regels die voor heel Amsterdam moeten gaan gelden, maar die een specifieke locatieaanduiding bevatten, heel Amsterdam als werkingsgebied worden vastgesteld. Zolang het ruimtelijk plan uit het tijdelijk deel nog niet is vervallen, blijft de regel voor dat gebied dan buiten toepassing.
Regels met een beperkt werkingsgebied Voor regels met een beperkt werkingsgebied geldt dat het onmogelijk is direct en ineens voor heel Amsterdam het werkingsgebied te bepalen. Maar om de regels met een beperkt werkingsgebied toch in als onderdeel van de basisregeling vast te stellen, moet er een werkingsgebied aan de regel worden gekoppeld. Anders kan een regel niet worden vastgesteld en gepubliceerd. Bedacht is om de geometrie van deze locaties bij vaststelling van de basisregeling te beperken tot ‘één vierkante millimeter’ ergens in het IJmeer, aan de rand van het gemeentelijk rondgebied:
Door de omvang en de ligging van deze locatie is de kans dat die locatie bij ‘zoeken op de kaart’ wordt betrokken vrijwel nihil. Maar belangrijker is dat je op een vierkante millimeter niet kunt bouwen, niet wonen, geen detailhandel bedrijven. Het koppelen van de betreffende regels aan dit ultrakleine werkingsgebied leidt daarmee niet tot een daadwerkelijk rechtsgevolg. Het is de enige manier waarmee deze regels, vooruitlopend op effectuering bij het gebiedsgewijs vervangen van ruimtelijke besluiten, daadwerkelijk door de gemeenteraad kunnen worden vastgesteld. Voor het eventuele geval dat tegen deze methode in beroep wordt gegaan, zou een dergelijk beroep moeten sneuvelen wegens een gebrek aan belanghebbendheid. Wanneer een regel geen rechtsgevolg heeft, dan is van belanghebbendheid immers geen sprake. In geval van beroep is het uiteindelijk uiteraard wel aan de Raad van State om te bepalen of ze daarin mee gaan.
62
Voor alle regels met een beperkt werkingsgebied zal deze methode worden toegepast. Daarbij wordt voor alle werkingsgebieden dezelfde locatie gebruikt. Hierop bestaat één uitzondering, namelijk het werkingsgebied van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Dat werkingsgebied betreft immers eerst het gehele ambtsgebied, om daarna steeds verder te krimpen. Voor regels met een locatieaanduiding binnen een groter werkingsgebied geldt hetzelfde als voor regels met een beperkt werkingsgebied. De geometrie van de locatieaanduidingen kan alleen gebied voor gebied worden bepaald. Ook hiervoor geldt dat deze in eerste instantie worden gekoppeld aan de hiervoor besproken ‘vierkante millimeter’ in Het IJ. Dat geldt ook voor regels met locatiespecifieke normen.
63
8 Digitale raadpleegbaarheid PM
64
9 Beleid en regelgeving 9.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een relevante samenvatting opgenomen van geldende regelgeving en geldend beleid. Dit hoofdstuk bevat op dit moment uitsluitend een inhoudsopgave. In aanloop naar vrijgave van het ontwerp zal dit hoofdstuk gevuld worden.
65
9.2 Rijkskaders 9.2.1 Nationale Omgevingsvisie (Novi), Strong 9.2.2 Instructieregels Rijk via Bkl (algemeen) 9.2.3 Luchthavenindelingsbesluit 9.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking
9.3 Provinciale kaders 9.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 9.3.2 Omgevingsverordening Noord-Holland 9.3.3 Instructieregels Provincie via Omgevingsverordening (algemeen)
9.4 Regionaal beleid / Metropoolregio / Stadsregio 9.5 Stedelijk beleid 9.5.1 Omgevingsvisie Amsterdam 2050 9.5.2 Kantorenbeleid 9.5.3 Detailhandelsbeleid 9.5.4 Economisch beleid 9.5.5 Overnachtingsbeleid 9.5.6 Woonbeleid 9.5.7 Groen- en natuurbeleid 9.5.8 Duurzaamheidsbeleid
9.6 Thema’s 66
9.6.1 Verkeer en vervoer 9.6.2 Geluid 9.6.3 Omgevingsveiligheid 9.6.4 Milieuhinder bedrijven 9.6.5 Gezondheid (bevordering) 9.6.6 Gezondheid (bescherming) 9.6.7 Bodem 9.6.8 Water 9.6.9 Ecologie 9.6.10 Cultuurhistorie 9.6.11 Duurzaamheid 9.6.12 Hoogbouw 9.6.13 Luchtkwaliteit
67
10 Nadere toelichting van de regels per hoofdstuk 10.1 Algemeen Het omgevingsplan bevat regels over uiteenlopende onderwerpen, en van uiteenlopende aard. Het bevat planologische regels zoals die in het verleden werden opgenomen in bestemmingsplannen, en die bepalen waar en in welke omvang mag worden gebouwd, of waar welk gebruik is toegestaan. Dergelijke regels hebben een sterk locatiespecifiek karakter. Het omgevingsplan bevat ook regels die algemeen van aard zijn, vergelijkbaar met regels zoals die worden opgenomen in verordeningen, en die daar veelal ook vandaan komen. Deze diversiteit aan regeltypen is terug te zien in de opbouw van de verschillende regelonderdelen van het omgevingsplan. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de regeling per hoofdstuk. Dit gebeurt op hoofdlijnen, zodat duidelijk is waar de regels over bepaalde onderwerpen vindbaar zijn. In de artikelgewijze toelichting wordt meer inhoudelijk ingegaan op de juridische strekking van de regels. Door de tijd heen zullen er hoofdstukken worden toegevoegd, gewijzigd, of komen te vervallen. Ook in de afzonderlijke hoofdstukken zullen regelonderdelen worden toegevoegd, gewijzigd of komen te vervallen. Wanneer daartoe aanleiding bestaat, zal dit hoofdstuk in de algemene toelichting als gevolg daarvan worden aangepast.
Verwijzingen in de regels naar een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan In verschillende artikelen in het omgevingsplan wordt gerefereerd aan een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat is met name het geval bij zogenoemde voorrangsbepalingen en overgangsrechtelijke bepalingen. Met de verwijzing wordt gedoeld op ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, met inbegrip van experimentele bestemmingsplannen die krachtens de Crisis- en herstelwet zijn vastgesteld, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, inpassingsplannen, exploitatieplannen, voorbereidingsbesluiten, hogere waarde besluiten en vastgestelde veiligheidscontouren. Deze besluiten zijn bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel geworden van het omgevingsplan. Ze blijven dat, totdat ze bij wijzigingsbesluit van het omgevingsplan zijn vervallen. Dat zal gebiedsgewijs gebeuren. Waar deze besluiten nog niet zijn vervallen, kan soms een overgangsrechtelijke bepaling nodig zijn. Bijvoorbeeld om een in dat besluit opgenomen bevoegdheid, die blijft bestaan totdat het besluit is vervallen, op juiste wijze te duiden.
Dat gebeurt bijvoorbeeld het volgende artikel: Artikel 4.8 Overgangsrecht met betrekking tot de binnenplanse afwijkmogelijkheid van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat voor zover in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als een verbod, bedoeld in artikel 4.7.
Met dit artikel wordt de vaak in bestemmingsplannen opgenomen bevoegdheid om af te kunnen wijken van de planregels van dat bestemmingsplan gelijkgesteld aan een verbod om de activiteit zonder een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
68
Regels en hun locaties, geografische informatieobjecten, verbeelding Het omgevingsplan bevat, net als voorheen bestemmingsplannen, veel locatiegerichte regels. Anders dan het bestemmingsplan bevat het omgevingsplan echter geen integrale plankaart of verbeelding. Maar regels hebben wel minstens één juridisch-relevante geografische component, namelijk waar de regel geldt (het werkingsgebied van de regel). Daarnaast kan in een regel een locatie worden aangewezen die niet het werkingsgebied van de regel is, en kan er in een regel een locatiegerichte omgevingsnorm of omgevingswaarde worden gesteld die voor afzonderlijke locaties een verschillende normwaarde kan hebben. Elke regel heeft dus een juridisch-relevante geografische component, en die juridisch-relevante geografische component kan op een kaart worden weergegeven. Daarmee heeft elke regel in feite een eigen bijbehorende 'kaart', namelijk een begrenzing van het werkingsgebied, de begrenzing van eventueel in de regel aangewezen gebieden of locaties, en eventuele andere geografische informatie zoals bijvoorbeeld bouwhoogtes. Deze bij de regel behorende geografische componenten wordt samen met de regels als geografische informatieobjecten op www.overheid.nl gepubliceerd.
De wetgever zegt zelf het volgende over deze geografische informatieobjecten (zie veel uitgebreider het Toepassingsprofiel omgevingsplan (versie 1.0.1, 30 oktober 2020, par. 6.2.2.2)): In besluiten en regelingen kan informatie worden vastgelegd die niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven is. De geometrische begrenzing van werkingsgebieden of in de regels aangeduide locaties is daar een voorbeeld van [...]. In de digitale standaarden voor het omgevingsplan wordt het 'informatieobject' als bedoeld in Aanwijzing 3.50 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (waarin de voorwaarden staan waar verwijzingen naar informatie op internet aan moeten voldoen) gebruikt om dergelijke informatie op een juridisch juiste manier vast te leggen en er vanuit de tekst van een besluit naar te verwijzen. Een informatieobject dat de geometrische begrenzing van werkingsgebieden of andere in de regels aangewezen locaties vastlegt wordt een geografisch informatieobject genoemd. Een informatieobject is een op zichzelf staand object voor het opslaan en via internet ontsluiten van de niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven informatie. In de tekst moet met een tekstuele aanduiding worden verwezen naar het geografisch informatieobject. Daardoor wordt de inhoud ervan onderdeel van besluit en regeling.
Met deze tekstuele aanduiding van geografisch informatieobject kan een lezer begrijpen op welke locatie de tekst betrekking heeft. Hiervoor is al ingegaan over de wijze waarop in de tekst van de regels wordt verwezen naar geografische informatieobjecten. Van belang is dat die geografische informatieobjecten niet de vorm krijgen van een plankaart of verbeelding. Het informatieobject is geen onderdeel of bijlage bij de tekst van het besluit, maar is een zelfstandige entiteit, aldus het Toepassingsprofiel omgevingsplan. Het wordt tegelijk met het besluit in het publicatieblad van het betreffende bevoegd gezag op www.officielebekendmakingen.nl gepubliceerd. Door in de tekst van het besluit naar het informatieobject te verwijzen krijgt het informatieobject juridische status. Om informatieobjecten in het publicatieblad op www.officielebekendmakingen.nl te publiceren, moeten de informatieobjecten echter als bijlage in het omgevingsplan zijn opgenomen. Het betreft bijlage VI. Omdat dit overzicht een feitelijk onderdeel is van de bijlagen, en een juridische regeling geen bijlage kan bevatten zonder een juridische regel die daarnaar verwijst, is er voor gekozen het tweede lid in weerwil van het Toepassingsprofiel omgevingsplan op te nemen. De regels krijgen betekenis in combinatie met de bijbehorende geografische informatieobjecten.
Die geografische informatieobjecten zijn alleen in hun digitale vorm goed raadpleegbaar voor de hele gemeente Amsterdam.
69
10.2 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Hoofdstuk 1 getiteld ‘Algemene bepalingen’ bevat regels over begrippen, het oogmerk, het geografisch werkingsgebied van regels en de normadressaat van regels, en regels over het verstrekken van gegevens en bescheiden. Deze bepalingen hebben een algemeen karakter en zijn van belang voor de volledige Omgevingsregeling. Deze bepalingen zijn zowel van belang voor de overheid als voor burgers en bedrijven.
10.3 Hoofdstuk 2: Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken 10.3.1 Algemeen Hoofdstuk 2 bevat algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Samen met hoofdstuk 3, dat regels bevat over het gebruiksdoel van locaties, vervangt dit hoofdstuk de regels over gebruik zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt met locatiegerichte regels bepaald welk gebruik op een bepaalde plek in de stad is toegestaan. Zo wordt in hoofdstuk 3 bepaald dat wonen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: wonen’. Dat op een bepaalde plek met die aanduiding wonen is toegestaan, betekent echter nog niet dat op een andere plek wonen niet toegestaan is. Dat laatste is geregeld in dit hoofdstuk 2 door middel van één regel die overal geldt (art. 2.4). Daarnaast bevat dit hoofdstuk nog allerlei andere regels over gebruik, die allemaal als kenmerk hebben dat ze een generiek karakter hebben, niet locatiegericht zijn. Daarin onderscheid dit hoofdstuk 2 zich ook van hoofdstuk 3. Hoofdstuk 2 bevat regels over gebruik van gronden en bouwwerken, maar bevat dus niet alle regels over gebruik. Locatiegerichte regels over planologisch gebruik, zoals die voorheen worden opgenomen in ruimtelijke besluiten, zijn opgenomen in hoofdstuk 3.
Daarnaast is er een apart hoofdstuk 10 opgenomen dat betrekking heeft op de uitoefening van milieubelastende activiteiten. Het gaat om regels over activiteiten die voorheen werden gereguleerd door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dergelijke milieubelastende activiteiten vinden veelal plaats binnen de uitoefening van een vorm van planologisch gebruik. Maar omdat die milieubelastende activiteiten veelal plaats kunnen vinden binnen uiteenlopende vormen van planologisch gebruik, is er in dit omgevingsplan voor gekozen ze in een apart hoofdstuk op te nemen.
10.3.2 Algemene bepalingen Het hoofdstuk begint met een afdeling Algemeen’. Het bevat een artikel waarin het toepassingsbereik van dit hoofdstuk is bepaald. Aangegeven is dat de regels in dit hoofdstuk betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken. Daarnaast bevat deze afdeling meet- en rekenbepalingen die specifiek op dit hoofdstuk van toepassing zijn.
10.3.3 Toegestaan planologisch gebruik Afdeling 2.2 bevat regels over planologisch gebruik. In combinatie met hoofdstuk 3 wordt hier bepaald welke vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan op een bepaalde locatie. Artikel 2.4 bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels. Dit artikel geldt overal binnen Amsterdam. De betekenis van het 70
begrip ‘gebruiksdoel’ komt vrijwel overeen met het begrip ‘bestemming’ zoals we dat onder de Wet ruimtelijke ordening kenden. Een locatie kan als gebruiksdoel bijvoorbeeld ‘wonen’ hebben, ‘maatschappelijke dienstverlening’, of ‘groen’. Aan locaties worden één of meerdere gebruiksdoelen gegeven. Artikel 2.4 bepaalt dat het gebruik daar dan mee in overeenstemming dient te zijn. Regels over de gebruiksdoelen zelf zijn opgenomen in hoofdstuk 3. In dat hoofdstuk wordt met locatiegerichte regels bepaald waar de gebruiksdoelen gelden. Daarin worden ook per gebruiksdoel waar nodig beperkingen gesteld, bijvoorbeeld over de omvang van een bepaald gebruik. De systematiek met de in artikel 2.4 opgenomen vangnetbepaling maakt mogelijk dat de regels die in afdeling 3.2 een beperkt werkingsgebied kunnen krijgen. De regels over wonen hoeven bijvoorbeeld alleen te gelden ter plaatse van de gronden met als gebruiksdoel wonen. Er hoeft niet per gebruik te worden bepaald dat die elders niet zijn toegestaan. Die 'negatieve' regel wordt immers in zijn algemeenheid overgenomen door artikel 2.4, eerste lid, dat daarmee als het ware als vangnet fungeert.
Waar artikel 2.4 bepaalt dat het gebruik van gronden en bouwwerken in overeenstemming dient te zijn met een ter plaatse gegeven gebruiksdoel, is in artikel 2.5 voor een aantal vormen van planologisch gebruik expliciet bepaald dat die alleen op bepaalde aangewezen locaties zijn toegestaan. Daarbij wordt ook weer verwezen naar de regels die zijn gesteld in hoofdstuk 3 en die op de verschillende vormen van planologisch gebruik van toepassing zijn. Daarbij is in beide artikelen voorzien in een voorrangsregeling voor locaties waar het ruimtelijk plan, dat onderdeel is geworden van het tijdelijk deel, nog niet is vervallen. Waar een dergelijk ruimtelijk plan nog niet is komen te vervallen, zijn de daarin opgenomen regels over gebruik van toepassing.
10.3.4 Overgangsbepalingen met betrekking tot afwijkmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten in het tijdelijk deel omgevingsplan Afdeling 2.3 bevat enkele bepalingen van overgangsrechtelijke aard met betrekking tot afwijkmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten in het tijdelijk deel omgevingsplan. Deze bepalingen zorgen ervoor dat binnenplanse mogelijkheden die zijn opgenomen in een nog niet vervallen ruimtelijk plan kunnen worden gebruikt onder nieuw recht. Het gaat om binnenplanse afwijkmogelijkheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten die een ruimtelijk plan kon bevatten.
10.3.5 Algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken In afdeling 2.4 zijn algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. Deze regels gaan over onderwerpen die gebruiksdoel overstijgend zijn. Ze zijn van toepassing op meerdere vormen van ruimtelijk gebruik. Het gaat om de volgende onderwerpen: Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing Parkeernormen voor auto’s, scooters en fietsen bij gebruik van gronden en bouwwerken Ondergeschikte en additionele vormen van gebruik Wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw (vergunningplicht) Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk (gereserveerd) 71
Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (gereserveerd) Deze regels zijn niet op één specifiek gebruiksdoel vast te pinnen. Ze hebben betrekking op uiteenlopende gebruiksdoelen, en zijn dan ook veelal binnen heel Amsterdam van toepassing. Een aantal onderdelen vraagt op deze plaats een nadere toelichting. Voor de overige onderwerpen kan hier worden volstaan met een verwijzing naar de artikelgewijze toelichting.
Parkeernormering auto’s In subparagraaf 2.4.3.1 zijn regels opgenomen over het aantal parkeerplaatsen dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar mag en moet zijn ten behoeve van het gebruik. De regeling is een vertaling van het beleid zoals vastgesteld in de Nota parkeernormen Auto 2017 (hierna: Nota parkeernormen). In de Nota parkeernormen is reeds een voorschot genomen op de wijze van regeling in het omgevingsplan. Beoogd is te komen tot een integrale wijze van normering. Met de komst van één omgevingsplan voor heel de gemeente kunnen de normen direct in het omgevingsplan worden opgenomen. Een wijziging van in de norm werkt dan voor alle gevallen waarop de normen van toepassing zijn automatisch door naar alle gebieden waar die norm op grond van het omgevingsplan van toepassing is. Een werkwijze zoals die onder de Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd, waarbij in bestemmingsplannen een open norm werd opgenomen, die nader werd ingevuld door een beleidsregel, is niet langer nodig. De regels hebben betrekking op heel Amsterdam. In zijn algemeenheid geldt dat het gebruik van gronden en bouwwerken passend moet zijn binnen het gebruiksdoel en de daaromtrent gestelde regels over gebruik. Welk gebruik van gronden en bouwwerken op een bepaalde locatie is toegestaan, volgt uit de regels zoals opgenomen in afdeling 3.2.
Bij dat gebruik dient een bepaald aantal parkeerplaatsen beschikbaar te zijn op het eigen terrein. Hiermee wordt uitgedrukt dat de zorg voor het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar dient te zijn voor vormen van gebruik voor de ondernemer, verhuurder, de bewoner, beperkt blijft tot het eigen terrein. De zorg over het aantal parkeerplaatsen dat in de openbare ruimte beschikbaar mag of moet zijn, ligt bij de beheerder die gaat over de inrichting van die openbare ruimte. Verder gaat het om het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar mag en moet zijn. Daarmee wordt uitgedrukt dat het aantal parkeerplaatsen zowel door een ondergrens als een bovengrens wordt bepaald. Die onder- en bovengrens kunnen een bandbreedte inhouden, maar kunnen ook dezelfde zijn. De bovengrens strekt er mede toe de automobiliteit terug te dringen. De ondergrens dient ertoe te voorzien in de minimale behoefte, zodat geen onevenredige parkeerdruk ontstaat. De minimale parkeernorm kan ook een norm van nul parkeerplaatsen inhouden. Er bestaat in dat geval geen verplichting om parkeerplaatsen ten behoeve van het planologisch gebruik te realiseren. De beleidsmatige onderbouwing van deze balans is opgenomen in het op enig moment geldende parkeernormenbeleid. Het gaat om parkeerplaatsen die feitelijk beschikbaar mogen en moeten zijn.
Een op eigen terrein met markeringen als parkeerplaats aangegeven plaats waar een betonnen plantenbak staat, is geen parkeerplaats die feitelijk beschikbaar is. Dat is bijvoorbeeld van belang wanneer vanwege een wijziging van het gebruik het aantal parkeerplaatsen naar beneden moet worden bijgesteld. Elke maatregel die erin voorziet dat het feitelijk gebruik van een parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt, kan daarin voorzien. Er hoeft in die gevallen geen sprake te zijn van een onomkeerbare maatregel. Tot slot gaat het om het aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar mag en moet blijven. Uitgangspunt voor de regeling is de bestaande situatie. De regels in dit onderdeel hebben betrekking op het wijzigen van die bestaande situatie. Dit vraagt een wat meer uitgebreide toelichting.
72
In de Nota parkeernormen worden drie verschillende beoordelingssituaties onderscheiden: a. Sloop/nieuwbouw: als een pand wordt gesloopt en op dit perceel een nieuw pand wordt gebouwd. b. Nieuwbouw: als een pand wordt gebouwd op een perceel zonder bebouwing. c.
Transformatie: Er is sprake van transformatie als een bestaand pand een andere functie krijgt. Het gaat uitsluitend om veranderingen van wonen naar een andere functie dan wonen, van kantoor naar een andere functie dan kantoor, of van een voorziening niet zijnde wonen of kantoor naar wonen of kantoor. Alleen in geval van die wijzigingen is sprake van transformatie als bedoeld in de Nota parkeernormen. Verbouwingen aan een bestaand pand om dit geschikt te maken voor zo een nieuwe functie, of het daarvoor verhogen van een bestaand pand met één of meerdere verdiepingen is geen nieuwbouw, maar valt onder transformatie.
Het gaat telkens om wijziging van de bestaande situatie. Uitgangspunt van het beleid, en ook van de voorgestelde regeling, is dat de bestaande situatie (voor zover legaal) mag worden voortgezet. De voorgestelde regeling is dan ook gericht op wijziging van de bestaande situatie. Er worden drie gevallen van wijziging onderscheiden, dien binnen de regels van dit omgevingsplan en de daarbij gestelde voorwaarden mogelijk zijn. Allereerst is het mogelijk dat een initiatiefnemer het bestaand gebruik wil wijzigen in een andere vorm van gebruik die op grond van de regels van het omgevingsplan eveneens is toegestaan (we kennen dat onder de Wro als een vorm van gemengde bestemming). In bepaalde gevallen is dan sprake van transformatie zoals bedoeld in de Nota parkeernormen. Voor die gevallen waarin het omgevingsplan reeds voorziet de nieuwe vorm van planologisch gebruik, bevat artikel 2.13 de regels voor deze wijziging. Ten tweede is het mogelijk dat een initiatiefnemer het bestaande aantal parkeerplaatsen op eigen terrein wil wijzigen, zonder dat het planologisch gebruik op het perceel wijzigt. Deze vorm van wijziging wordt in de Nota parkeernormen niet expliciet genoemd, maar is wel relevant. Artikel 2.15 geeft hiervoor de regels. Ten derde zullen er initiatieven zijn die voorzien in nieuwbouw of sloop-nieuwbouw.
In dat geval zal een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig zijn. Beoordelingsregels over parkeernormering zijn gesteld in onderdeel 4.2.4.2.3. Voor zover een aanvraag om een bouwvergunning tevens ziet op een ander dan het bestaand gebruik, dan kan sprake zijn van een wijziging van gebruik dat in de Nota parkeren als transformatie wordt gezien. De beoordeling aan de daarop van toepassing zijnde normen wordt in dat geval meegenomen in de aanvraag van de bouwvergunning. Nadat een bouwwerk is vergund en gerealiseerd is sprake van een bestaande situatie. Vanaf dat moment zijn de regels zoals gesteld in dit onderdeel 2.4.3.1 van toepassing. Het zijn de hiervoor genoemde drie wijzigingen waarover in het omgevingsplan met betrekking tot parkeernormering regels worden gesteld. Er wordt geen algemene regel gegeven die stelt dat bij planologisch gebruik aan de parkeernormen moet worden voldaan. Dat zou er immers toe leiden dat bij elke wijziging van de norm ook bestaande situaties in overeenstemming moeten worden gebracht met de nieuwe norm. Dat is niet wenselijk. Bestaande rechten worden gerespecteerd. Met betrekking tot het voortzetten van de bestaande situatie bevat het omgevingsplan op het punt van parkeernormering geen regels, en dat is dus zonder meer toegestaan.
Uitgangspunt is dat in navolging van het huidige beleid een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende typen locatie, met elk een eigen parkeernormering. Het gaat om de volgende gebieden: A-locaties: kenmerken zich door een zeer goede OV-bereikbaarheid. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn als A-locatie aangemerkt. Ook de binnenstad van Amsterdam en de Wibautas zijn als A-locatie geclassificeerd. In deze gebieden schrijft de gemeente alleen een maximumparkeernorm voor.
73
B-locaties: hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. C-locaties: bestaan uit Landelijk Noord, Driemond, het Havengebied en een aantal bedrijventerreinen en sportlocaties. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is minder goed dan in de rest van de stad. Bij nieuwbouwplannen in deze gebieden is maatwerk nodig. Het kan zijn dat de gemeente eist dat het parkeren op eigen terrein opgelost wordt, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn. De onderscheiden locaties worden door middel van aanduidingen in het omgevingsplan aangegeven. Het is dan duidelijk welke locatie-type op een specifieke locatie van toepassing is. Het digitale stelsel maakt het mogelijk dat de toepasselijke normen aan de betreffende locaties worden verbonden. Daardoor worden per onderscheiden locatie alleen die normen zichtbaar die ook daadwerkelijk van toepassing zijn. Het streven is op termijn hierin te voorzien. De onderscheiden gebieden hoeven overigens niet beperkt te worden tot de bovengenoemde drie gebieden.
Er kunnen meerdere gebieden worden aangewezen (denk aan de Haven-Stad norm van maximaal 0,2 parkeerplaatsen per woning etc.). Deze opsomming is uit te breiden, maar vormt een uitgangspunt. Uitbreiding moet wel gebeuren via dit artikel in combinatie met bijlage V. Uitgangspunt bij die onderverdeling zijn de bestaande A-, B- en C-locaties. Het is echter mogelijk dat bij nieuwe gebiedsontwikkelingen of transformatie op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm, en waarbij de ontwikkeling nog niet is afgerond. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm specifiek van toepassing wordt verklaard. Pas wanneer de ontwikkeling is afgerond is immers sprake van een bestaande situatie die, ongeacht de algemeen geldende parkeernorm, in stand gehouden mag worden. Voor wonen en kantoren geldt een minimale en/of maximale norm per A-, B- of C-locatie. Voor voorzieningen wordt verwezen naar de kencijfers van de CROW gecombineerd met de actuele Amsterdamse gegevens over de verkeersgeneratie van specifieke functies.
In de regeling is een mogelijkheid opgenomen om door middel van een maatwerkvoorschrift af te kunnen wijken van de gegeven normen. Daaraan kan toepassing worden gegeven wanneer naar het oordeel van het gevoegd gezag:
op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien;
sprake is van een bestaand gebouw of van bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of
het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
Een belanghebbende kan verzoeken om een maatwerkvoorschrift. Met het oog daarop zijn aanvraagvereisten opgenomen. Opgemerkt wordt nog dat er ook initiatieven zijn voor wijziging van gebruik of nieuwbouw die niet rechtstreeks passend of vergunbaar zijn binnen de regels van dit omgevingsplan. In dat geval kan een initiatiefnemer een aanvraag indienen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Bij de beoordeling van die aanvraag zal eveneens worden gekeken naar het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat bij het planologisch gebruik van gronden en bouwwerken op eigen terrein feitelijk beschikbaar dient te zijn ten behoeve van dat planologisch gebruik. Het verdient aanbeveling dat de normen zoals die in het 74
omgevingsplan worden opgenomen, ook als beleidsregel vast te stellen als zijnde van toepassing op buitenplanse omgevingsvergunningen. Sowieso zal, zolang nog niet alle bestemmingsplannen binnen Amsterdam zijn komen te vervallen, nodig zijn dit bij aanpassing van de normen ook te doen voor die bestemmingsplannen. Voor de huidige normen is dit overigens niet nodig, omdat de vastgestelde Nota al als zodanig geldt.
Wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw (vergunningplicht) Paragraaf 2.4.5 bevat een regeling voor het wijzigingen van het gebruik van een gebouw als nietgeluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Met deze regeling wordt invulling gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit onderdeel is van toepassing op het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein. Geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten De beoordelingsregels hebben alleen betrekking op geluidgevoelige gebouwen. In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor wat onder een geluidgevoelig gebouw moet worden verstaan verwezen naar artikel 3.21 van datzelfde besluit. Vanwege het bepaalde in artikel 1.1 van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. In artikel 3.21 van het is in het eerste lid bepaald dat een geluidgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c.
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. In het tweede lid van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat het eerste lid niet geldt voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. Het derde lid bepaalt dat onder een geluidgevoelig gebouw ook wordt verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor een omschrijving van wat een geluidgevoelige ruimte is verwezen naar artikel 3.22 van datzelfde besluit. Daar is bepaald dat een geluidgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied is van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c.
gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of
d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.
75
Woonschepen en woonwagens Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden voor woonschepen en woonwagens enkele specifieke regels. Onder een woonschip wordt verstaan een drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip (artikel 3.10 Bkl). Onder een woonwagen wordt verstaan een woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen (begripsbepaling in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving). In artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een woonschepen en woonwagens geen geluidgevoelige ruimten hebben. Dat betekent dat daar geen binnenwaarden gelden (artikel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Artikel 3.23 bepaalt vervolgens dat voor woonschepen en woonwagens de standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden op de begrenzing van de locatie. Dat wil dus zeggen op de begrenzing van de locatie die als ligplaats voor een woonschip is aangewezen, en op de begrenzing van de locatie die is bestemd voor een woonwagen. Geluidaandachtsgebieden De beoordelingsregels gelden verder alleen wanneer een geluidsgevoelig gebouw wordt toegestaan in een geluidaandachtsgebied. Wat onder een geluidaandachtsgebied moet worden verstaan is eveneens bepaald in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving.