CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Toelichting_algemeen deel_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)47.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste staat van een met het omgevingsplan strijdig gebruik, dan is dit een reden om de vergunningaanvraag mede aan te merken als aanvraag voor een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De vergunning moet dan worden geweigerd wanneer die met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet kan worden

92

verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Van belang is op te merken dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik op grond van het omgevingsplan geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Verder is van belang op te merken dat een verleende vergunning voor de desbetreffende omgevingsplanactiviteit voorziet in toestemming voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, op grond van het omgevingsplan zoals dat luidt ten tijde van de genomen beslissing. Latere wijzigingen in een omgevingsplan, waarbij nieuwe rechtstreeks werkende regels worden toegevoegd, kunnen inbreuk maken op rechten die krachtens een eerder verleende vergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn ontstaan.

Dit kan zowel vergunningen voor binnenplanse als buitenplanse omgevingsplanactiviteiten treffen. In hoofdstuk 23 is met betrekking tot die situaties overgangsrecht opgenomen. Overgangsrecht met betrekking tot binnenplanse afwijkmogelijkheden tijdelijk deel omgevingsplan In paragraaf 4.2.2 is verder nog een bepaling van overgangsrechtelijke aard opgenomen. In ruimtelijk besluiten, zoals bestemmingsplannen, die zijn vastgesteld onder oud recht waren vaak binnenplanse afwijkmogelijkheden opgenomen. Het overgangsartikel bepaalt dat die mogelijkheid wordt gelijkgesteld met de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Voor een meer inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij het artikel.

Vergunningvrije bouwactiviteiten In paragraaf 4.2.3 is een regeling opgenomen voor bouwwerken waarvoor de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt. Met deze regeling wordt een voortzetting gegeven aan de situatie onder oud recht. Op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren bouwwerken aangewezen waarvoor geen vergunningplicht voor het bouwen gold (de gevallen zoals opgenomen in artikel 3, bijlage II van het toenmalige Besluit omgevingsrecht). In artikel 4.12 is een soortgelijke regeling opgenomen. Dit artikel 4.12 komt grotendeels in de plaats van artikel 22.27 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. In het eerste lid is bepaald dat voor de daarin aangegeven gevallen, de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt. De inhoud van de opgesomde gevallen is ongewijzigd. Het feit dat een bepaalde bouwactiviteit op grond van dit artikel vergunningvrij is, betekent nog niet dat het dus ook is toegestaan. Dat is alleen het geval wanneer de bouwactiviteit ook in overeenstemming is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in afdeling 5.2. Onder oud recht gold dit ook.

Was een bouwwerk, waarvoor geen bouwvergunning nodig was, in strijd met het bestemmingsplan, dan was een vergunning nodig om af te wijken van dat bestemmingsplan (een buitenplanse afwijkvergunning). In die situatie wordt met het tweede lid van artikel 4.12 aanpassing beoogd. Dat tweede lid bepaalt dat het eerste lid uitsluitend van toepassing voor zover het betreffende bouwwerk in overeenstemming is met de ter plaatse geldende ruimtelijke regels voor bouwwerken. Is dat niet het geval, dan bepaalt het tweede lid dat het betreffende bouwwerk dus niet vergunningvrij is. Dat opent de weg om voor deze bouwwerken een binnenplanse afwijkmogelijkheid te creëren, met beperkte beoordelingscriteria. Hierin is voorzien in artikel 4.24. Dit geldt ook voor bouwactiviteiten die vanwege cultureel erfgoed zijn uitgezonderd van artikel 4.12 (zie artikel 4.13). 93

Beoordelingsregels en vergunningvoorschriften Aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten worden aan de hand van beoordelingsregels getoetst aan de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwactiviteiten of het gebruik van bouwwerken. In artikel 8.oa van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat de vergunning moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde beoordelingsregels over het verlenen van de vergunning. Buiten het omgevingsplan om kunnen dus geen aanvullende redenen worden gevonden om de vergunning te weigeren. Een vergunningplicht moet dus vergezeld gaan van in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels. De beoordelingsregels die van toepassing zijn op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zijn opgenomen in paragraaf 4.2.4. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen op die beoordelingsregels getoetst. Een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt dus niet getoetst aan alle andere regels die in een omgevingsplan zijn gesteld. Ook niet in geval die andere regels een belemmering zouden kunnen opleveren voor het bouwplan. Zo wordt een aanvraag voor een bouwactiviteit niet getoetst aan regels in het omgevingsplan over het kappen van bomen.

Ten opzichte van de beoordelingsregels zoals die onder oud recht op grond van de Wet, algemene bepalingen omgevingsrecht op aanvragen om bouwvergunning van toepassing waren, is het aantal aspecten waarop wordt beoordeeld uitgebreid. Er zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot: 

ruimtelijke regels over bouwwerken

het uiterlijk van het bouwwerk

normering autoparkeerplaatsen en fietsstalling

bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie

windhinder en windgevaar

geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden

(grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken

beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico

zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk (gereserveerd)

zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (gereserveerd)

De beoordeling op deze meeste van deze aspecten vindt altijd plaats aan de hand van een open beoordelingsnorm. In die gevallen is sprake van een specifiek oogmerk dat is verweven in de beoordelingsregel. Het is met het oog daarop dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden. Zie bijvoorbeeld de beoordelingsregel met betrekking tot windhinder en windgevaar bij hoogbouw: Artikel 4.37 Beoordelingsregel windhinder en windgevaar bij hoogbouw (30 meter of hoger) 1.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk van 30 meter of hoger wordt alleen verleend als het bouwwerk niet leidt tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar.

Het oogmerk van deze beoordelingsregels is het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Voorschriften op grond van deze beoordelingsregel kunnen alleen aan de vergunning worden verbonden met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder en windgevaar. 94

In subsubparagraaf 4.2.4.2.11 is nog een restbepaling opgenomen waarmee de mogelijkheid wordt gegeven specifieke voorschriften aan de vergunning te verbinden, zonder dat daarvoor een specifieke beoordelingsregel is opgenomen. Er geldt op die aspecten geen specifieke weigeringsgrond, maar wel is mogelijkheid opgenomen met het oog op het aangegeven doel bij wijze van vergunningsvoorschrift een maatwerkvoorschrift te stellen.

Beoordeling aan ruimtelijke regels over bouwwerken Net als onder oud recht het geval was bij de bouwvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is voorzien in een preventieve toets aan de algemene ruimtelijke regels over bouwwerken. Die algemene ruimtelijke regels over bouwwerken zijn gesteld in afdeling 5.2. Het gaat om regels waarmee onder meer wordt bepaald waar een gebouw of ander bouwwerk mag komen, en wat de omvang ervan mag zijn. Het volgende artikel voorziet in een toets aan die algemene regels: Artikel 4.19 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met de in dit hoofdstuk en afdeling 5.2 gestelde regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.

Het tweede lid bevat een regel van overgangsrechtelijke aard, inhoudende dat waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is vervallen, de vergunning alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de daarin gestelde regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Gebruik van bouwwerken Omdat in paragraaf 5.2.2 ook regels zijn gesteld over het gebruik van bouwwerken, wordt ook daaraan getoetst. Dat geldt ook als in een ruimtelijk plan van het tijdelijk deel omgevingsplan regels over gebruik zijn gesteld. Daarmee wordt een voortzetting beoogd van de praktijk waarin wordt beoordeeld of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk voldoet aan de in het omgevingsplan gestelde regels over het gebruik van bouwwerken. De in de rechtspraak ontwikkelde lijn kan hierbij worden voortgezet dat bij de toetsing van een bouwplan aan het omgevingsplan niet alleen wordt bezien of het bouwwerk in overeenstemming met het geldende gebruiksdoel kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk met het oog op het daarbinnen toegestane gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwplan in strijd met het gebruiksdoel moet worden geoordeeld als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere vormen van gebruik dan waarin gegeven de ter plaatse geldende gebruiksdoelen is voorzien.

Binnenplanse afwijkmogelijkheden Wanneer een voorgenomen bouwwerk waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft niet past binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, dan kan de binnenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet worden verleend. In dat geval moet beoordeeld worden of een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In subparagraaf 4.2.4.2 is echter ook een aantal binnenplanse afwijkmogelijkheden opgenomen. Daarmee is mogelijk om in de aangegeven gevallen en op basis van een beperktere beoordeling toch een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verlenen, ook al is het bouwwerk in strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken. De mogelijkheid om in afwijking van de ruimtelijke regels over bouwwerken binnenplans een omgevingsvergunning te kunnen verlenen is geregeld in verschillende artikelen. De verschillende 95

artikelen hebben betrekking op verschillende gevallen, en bevatten elk een eigen beoordelingskader. Er zijn afwijkmogelijkheden opgenomen voor: 

gevallen waarover het nog niet vervallen ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid bevat (artikel 4.21)

gevallen waarover het nog niet vervallen ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een afwijkmogelijkheid bevat (artikel 4.22)

gevallen, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluiten bouwwerken leefomgeving, voor zover die vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij zijn toegestaan (artikel 4.23)

gevallen, bedoeld in artikel 4.12 van het omgevingsplan, voor zover die vanwege de uitzonderingsregels, opgenomen in artikel 4.13, niet vergunningvrij zijn (artikel 4.24)

gevallen, aangewezen in artikel 4.26, waarbij het gaat om: o

bouwwerken, genoemd i artikel 4.12, die vanwege artikel 4.12a niet vergunningvrij zijn

o

bouwwerken die onder de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsplan als zogenoemd ‘kruimelgeval’ waren aangewezen, en

o

gevallen die voorheen veelal in bestemmingsplannen middels algemene bouwregels of algemene afwijkmogelijkheden konden worden vergund.

Voor een inhoudelijke toelichting wordt kortheidshalve naar de artikelgewijze toelichting bij de betreffende artikelen verwezen.

Het uiterlijk van het bouwwerk Met de komst van de Omgevingswet is een landelijke regeling voor welstandstoezicht komen te vervallen. Het is aan gemeenten om hiervoor een regeling in het omgevingsplan op te nemen. In het omgevingsplan zijn hiertoe beoordelingsregels voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken opgenomen in paragraaf 4.2.4.3. Naast deze beoordelingsregels zijn in paragraaf 4.3.3 ook regels opgenomen met betrekking tot repressief toezicht van het uiterlijk van bouwwerken op een goede omgevingskwaliteit. De Omgevingswet laat gemeenten vrij invulling te geven aan het welstandstoezicht. Wel is in artikel 4.19 van de Omgevingswet bepaalt dat als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken. Hiermee wordt de verplichting van artikel 12a van de Woningwet tot het vaststellen van beleidsregels in de vorm van een welstandsnota inhoudelijk voortgezet.

Artikel 12a Woningwet bepaalde dat in die welstandsnota in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Anders dan in artikel 12a Woningwet spreekt Artikel 4.19 Omgevingswet alleen nog maar van regels over het uiterlijk van bouwwerken, en niet over uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Dat neemt niet weg dat het beoordelingscriterium wel betrekking kan hebben op zowel het uiterlijk als de plaatsing van bouwwerken. En over dat laatste kunnen dan eveneens beleidsregels worden vastgesteld (zij het dat daartoe uit artikel 4.19 Omgevingswet geen verplichting volgt). 96

In de beoordelingsregels die het preventieve welstandstoezicht vervangen, is gekozen om deze betrekking te laten hebben op uiterlijk en plaatsing van bouwwerken. Bepaald is dat de omgevingsvergunning voor een bouwwerk alleen wordt verleend als uiterlijk of plaatsing, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit. Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan de wens de onder oud recht bestaande rechtspraktijk voort te zetten. Dat houdt tevens in dat de ruimte om bij de beoordeling over plaatsing van het bouwwerk mede wordt bepaald door de mate van concreetheid van de ruimtelijke regels over bouwwerken. De beoordeling van het uiterlijk en plaatsing van een bouwwerk dient zich net als onder oud recht te richten naar de bouwmogelijkheden die de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in afdeling 5.2, bieden. Hiermee wordt de lijn in de rechtspraak zoals die gold onder out recht, voortgezet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1139: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 10 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1129), dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.

Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandstoets een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven.”. Een voortzetting van deze lijn houdt concreet in dat naarmate de ruimtelijke regels over bouwwerken in het omgevingsplan, zoals opgenomen in afdeling 5.2, meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, het college meer ruimte heeft om in het kader van de beoordeling van het bouwplan het bouwplan in strijd te achten met een goede omgevingskwaliteit. Andersom geldt dat indien uit de ruimtelijke regels over bouwwerken volgt dat een keuze niet of nauwelijks aanwezig is, deze bij de beoordeling als dwingend gegeven moeten worden beschouwd.

Normering autoparkeerplaatsen en fietsstalling In onderdeel 4.2.4.2.3 zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot autoparkeerplaatsen en fietsstalling. Artikel 4.30 tot en met 4.32 bevat beoordelingsregels over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s. De beoordeling vindt in beginsel plaats aan de hand van concrete normen. De regels zijn opgenomen in het onderdeel dat de beoordelingsregels bevat, omdat de mogelijkheid is opgenomen om bij vergunningvoorschrift af te wijken van die concrete normen. De regeling is een vertaling van het beleid zoals vastgesteld in de Nota parkeernormen Auto 2017 (hierna: Nota parkeernormen). In de Nota parkeernormen is reeds een voorschot genomen op de wijze van regeling in het omgevingsplan. Beoogd is te komen tot een integrale wijze van normering. Met de komst van één omgevingsplan voor heel de gemeente kunnen de normen direct in het omgevingsplan worden opgenomen. Een wijziging van in de norm werkt dan voor alle gevallen waarop de normen van toepassing zijn automatisch door naar alle gebieden waar die norm op grond van het omgevingsplan van toepassing is. Een werkwijze zoals die onder de Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd, waarbij in bestemmingsplannen een open norm werd opgenomen, die nader werd ingevuld door een beleidsregel, is niet langer nodig.

In de Nota parkeernormen worden drie verschillende beoordelingssituaties onderscheiden: 97

a. Sloop/nieuwbouw: als een pand wordt gesloopt en op dit perceel een nieuw pand wordt gebouwd. b. Nieuwbouw: als een pand wordt gebouwd op een perceel zonder bebouwing. c.

Transformatie: Er is sprake van transformatie als een bestaand pand een andere functie krijgt. Het gaat uitsluitend om veranderingen van wonen naar een andere functie dan wonen, van kantoor naar een andere functie dan kantoor, of van een voorziening niet zijnde wonen of kantoor naar wonen of kantoor. Alleen in geval van die wijzigingen is sprake van transformatie als bedoeld in de Nota parkeernormen. Verbouwingen aan een bestaand pand om dit geschikt te maken voor zo een nieuwe functie, of het daarvoor verhogen van een bestaand pand met één of meerdere verdiepingen is geen nieuwbouw, maar valt onder transformatie.

Het gaat telkens om wijziging van de bestaande situatie. Uitgangspunt van het beleid, en ook van de voorgestelde regeling, is dat de bestaande situatie (voor zover legaal) mag worden voortgezet. De voorgestelde regeling is dan ook gericht op wijziging van de bestaande situatie. Er worden drie gevallen van wijziging onderscheiden, dien binnen de regels van dit omgevingsplan en de daarbij gestelde voorwaarden mogelijk zijn. Allereerst is het mogelijk dat een initiatiefnemer het bestaande aantal parkeerplaatsen op eigen terrein wil wijzigen, zonder dat het planologisch gebruik op het perceel wijzigt. Deze vorm van wijziging wordt in de Nota parkeernormen niet expliciet genoemd, maar is wel relevant. Artikel 2.15 geeft hiervoor de regels. Ten tweede is het mogelijk dat een initiatiefnemer het bestaand gebruik wil wijzigen in een andere vorm van gebruik die op grond van de regels van het omgevingsplan eveneens is toegestaan (we kennen dat onder de Wro als een vorm van gemengde bestemming). In bepaalde gevallen is dan sprake van transformatie zoals bedoeld in de Nota parkeernormen. Voor die gevallen waarin het omgevingsplan reeds voorziet de nieuwe vorm van planologisch gebruik, bevat artikel 2.13 de regels voor deze wijziging. Ten derde zullen er initiatieven zijn die voorzien in nieuwbouw of sloop-nieuwbouw.

Ten derde zullen er initiatieven zijn die voorzien in nieuwbouw of sloop-nieuwbouw. Dit onderdeel 4.2.4.2.3 heeft betrekking op deze gevallen. Anders dan in de Nota parkeernormen wordt geen onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en sloop-nieuwbouw. Uitgezonderd enkele concreet aangewezen vergunningvrije bouwwerken, geldt op grond van artikel 4.7 een vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Die vergunningplicht is van toepassing op nieuwbouw, sloop-nieuwbouw en op uitbreiding van bestaande bebouwing. De beoordelingsregel zorgt voor een preventieve toetsing aan de geldende parkeernormen bij nieuwbouw. Er vindt geen beoordeling plaats aan de hand van een open norm. De van toepassing zijnde normen zijn concreet bepaald, en vastgelegd in een bijlage bij de regels. Daarmee maken ze onderdeel uit van de regels. Daar waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is vervallen, is geregeld dat aan de daarin opgenomen regels over parkeernormering wordt getoetst. Uitgangspunt is dat in navolging van het huidige beleid een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende typen locatie, met elk een eigen parkeernormering. Het gaat om de volgende gebieden: A-locaties: kenmerken zich door een zeer goede OV-bereikbaarheid. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn als A-locatie aangemerkt.

Ook de binnenstad van Amsterdam en de Wibautas zijn als A-locatie geclassificeerd. In deze gebieden schrijft de gemeente alleen een maximumparkeernorm voor. B-locaties: hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

98

C-locaties: bestaan uit Landelijk Noord, Driemond, het Havengebied en een aantal bedrijventerreinen en sportlocaties. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is minder goed dan in de rest van de stad. Bij nieuwbouwplannen in deze gebieden is maatwerk nodig. Het kan zijn dat de gemeente eist dat het parkeren op eigen terrein opgelost wordt, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn. De onderscheiden locaties worden door middel van aanduidingen in het omgevingsplan aangegeven. Het is dan duidelijk welke locatie-type op een specifieke locatie van toepassing is. Het digitale stelsel maakt het mogelijk dat de toepasselijke normen aan de betreffende locaties worden verbonden. Daardoor worden per onderscheiden locatie alleen die normen zichtbaar die ook daadwerkelijk van toepassing zijn. Het streven is op termijn hierin te voorzien. De onderscheiden gebieden hoeven overigens niet beperkt te worden tot de bovengenoemde drie gebieden. Er kunnen meerdere gebieden worden aangewezen (denk aan de Haven-Stad norm van maximaal 0,2 parkeerplaatsen per woning etc.). Deze opsomming is uit te breiden, maar vormt een uitgangspunt. Uitbreiding moet wel gebeuren via dit artikel in combinatie met bijlage V. Uitgangspunt bij die onderverdeling zijn de bestaande A-, B- en C-locaties.

Het is echter mogelijk dat bij nieuwe gebiedsontwikkelingen of transformatie op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm, en waarbij de ontwikkeling nog niet is afgerond. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm specifiek van toepassing wordt verklaard. Pas wanneer de ontwikkeling is afgerond is immers sprake van een bestaande situatie die, ongeacht de algemeen geldende parkeernorm, in stand gehouden mag worden. Voor wonen en kantoren geldt een minimale en/of maximale norm per A-, B- of C-locatie. Voor voorzieningen wordt verwezen naar de kencijfers van de CROW gecombineerd met de actuele Amsterdamse gegevens over de verkeersgeneratie van specifieke functies. In de beoordelingsregels is de mogelijkheid opgenomen om bij vergunningvoorschrift van de van toepassing zijnde parkeernormen af te kunnen wijken. Daaraan kan toepassing worden gegeven wanneer naar het oordeel van het gevoegd gezag: 

op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien;

sprake is van een bestaand gebouw of van bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of

het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie De regels voor bouwen op verontreinigde bodem zijn en blijven grotendeels gedecentraliseerd. De gemeente is bevoegd tot het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Rijk stelt in paragraaf 5.1.4.5 (Bodemkwaliteit) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor de gemeente om te waarborgen dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt die voorkomen dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan. Met onderdeel 4.2.4.2.4 wordt met beoordelingsregels die betrekking hebben op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken invulling gegeven aan deze instructieregels. Voor een inhoudelijke toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting.

99

Windhinder en windgevaar In onderdeel 4.2.4.2.5 zijn beoordelingsregels opgenomen die er aan moeten bijdragen dat als gevolg van nieuwbouw geen onaanvaardbare windhinder of windgevaar zal ontstaan. In de beoordelingsregels is onderscheid gemaakt tussen hoogbouw (3o meter en hoger) en laagbouw (tot 30 meter). Met de beoordelingsregel wordt voor hoogbouw een concrete invulling gegeven aan de zorg voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Voor hoogbouw geldt dat de aanvraag altijd aan de hand van onderzoek wordt beoordeeld op mogelijke onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Windhinder of windgevaar treedt vooral op rond hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Door onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder of windgevaar zal optreden. Ook kan bekeken worden welke maatregelen mogelijk zijn om windhinder of windgevaar te voorkomen of te beperken. Of en zo ja in welke mate windhinder of windgevaar op zal treden is in belangrijke mate afhankelijk van het concrete ontwerp en eventuele concrete maatregelen.

Dat maakt dat onderzoek naar windhinder pas goed te doen is op het niveau van een bouwaanvraag. Bij wijziging van het omgevingsplan waarmee bepaalde bouwvolumes mogelijk worden gemaakt kan wel worden onderzocht of op voorhand al dan niet onuitvoerbaar zijn, maar de uiteindelijke beoordeling dient te gebeuren in het kader van concrete bouwvoornemens. Daarbij komt dat wanneer bij gebiedsontwikkeling met hoogbouw alleen het eindbeeld maar niet de gefaseerde ontwikkeling ervan wordt onderzocht, tussentijds onaanvaardbare maar op voorhand niet voorziene situaties kunnen optreden. Bijvoorbeeld doordat de fasering anders loopt dan vooraf gedacht, waardoor tijdelijk een onaanvaardbare situatie kan ontstaan. Ook onaanvaardbare situaties die tijdelijk zijn, moeten worden voorkomen. Of sprake is van onaanvaardbare windhinder of windgevaar wordt beoordeeld aan de hand van onderzoek waaruit blijkt in welke mate windhinder als gevolg van de beoogde bebouwing zal optreden. Daarmee wordt aangesloten op het beslismodel in de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar .In dat beslismodel is aangegeven dat windonderzoek nodig is bij gebouwen hoger dan 30 meter (zie ook https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/omgevingsthema/windhinder/). Daarbij is bepaald dat op het onderzoek de norm NEN 8100 van toepassing is. Ook bij bebouwing lager dan 30 meter kan windhinder of windgevaar optreden.

Dat zal echter sporadisch voorkomen, en vooral het gevolg zijn van de reeds bestaande situatie. In de beoordelingsregels is bepaald dat bij bebouwing lager dan 30 meter de vergunning wordt geweigerd als er bij het bevoegd gezag een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Het bevoegd gezag moet zich daarbij wel baseren op concrete argumenten. Wanneer sprake is van een redelijk vermoeden, dan kan dat worden weggenomen door de een concreet onderzoek. Wanneer sprake is van een redelijk vermoeden op onaanvaardbare windhinder of windgevaar, dan dient het bevoegd gezag de initiatiefnemer in de gelegenheid te stellen onderzoek te overleggen waaruit de mate van windhinder of windgevaar blijkt. Op deze wijze wordt voorkomen dat voor elk initiatief voor een bouwwerk lager dan 30 meter een onderzoek naar windhinder en windgevaar moet worden overlegd. In verreweg de meeste gevallen zal immers geen sprake zijn van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Alleen wanneer sprake is van een redelijk vermoeden daarop, kan het bevoegd gezag een dergelijk onderzoek eisen.

Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Regelonderdeel 4.2.4.2.6 bevat beoordelingsregels met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Met deze regeling wordt invulling gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.4 van 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187351/1