CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Nota v beantwoording AAV.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 5 juli 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting (VN2023-015450)52.190 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Reactie college We hebben begrip voor de zorgen die worden geuit door de organisaties en individuen die zich bezig houden met de verhuur van woningen. De ondersteuning van Amsterdam voor de voorgestelde huurprijsregulering van het Rijk zorgt voor een daling van de huren en daarmee voor een daling van de huurinkomsten van de verhuurder. Het is echter zoeken

28

2.9.2.2 Positief De positieve inspraakreacties gaan over betaalbaarheidsproblemen die veel huurders ervaren en met de voorgestelde regulering van het Rijk eindelijk serieus worden aangepakt. Verschillende insprekers, waaronder FHCS en Wooncafé 020, geven aan dat er nu eigenlijk geen opties zijn om met een middeninkomen in Amsterdam te blijven wonen. Wooncafé 020 benadrukt daarbij dat alleenverdieners bijna nergens meer terecht kunnen. Enkele insprekers pleiten voor meer goedkope huurwoningen en meer regulering middels de huisvestingsvergunning. Een aantal insprekers vinden dat de woningmarkt nog verder gereguleerd moet worden en dat de WWS-grens verder opgehoogd mag worden. Stichting !WOON vindt dat de WOZ-cap voor alle woningen zou moeten gelden, maar is blij dat Amsterdam in ieder geval pleit voor een wijziging naar 141 punten. HNA geeft aan dat de WOZ volledig uit de puntentelling gehaald moet worden om de huurprijsstijging te beperken. Ook Huurdersvereniging Arcade pleit voor een intensieve lobby richting Rijk voor verdere regulering van de huurmarkt. De FHCS pleit voor verdere regulering tot 300 WWS-punten. De AFWC vraagt de gemeente om ook van de particuliere sociale huursector een bijdrage te vragen aan het behoud van sociale huur in alle buurten.

En ook HNA vraagt om gericht beleid voor commerciële verhuurders om hen aan te spreken op het bieden van oplossingen voor de wooncrisis.

naar de balans. De balans is in Amsterdam al langere tijd zoek. Een huurder die momenteel op de Amsterdamse woningmarkt een betaalbare woning zoekt is slecht af. De huurder betaalt vaak zeer hoge huren en krijgt vaak geen vast huurcontract wat grote impact heeft op de bestaanszekerheid van deze huurders. Dat is een gegeven waar wij als overheid iets mee moeten. Het college ziet wonen als een basisbehoefte en niet als een verdienmodel. De marktwerking heeft deze problemen in Amsterdam niet op kunnen lossen. Daarbij zien we een discrepantie tussen enerzijds ondernemers/ZZP’ers die extra woning(en) hebben gekocht voor hun pensioen en anderzijds (startende) ondernemers/ZZP’ers die niets voor zichzelf kunnen kopen, overgeleverd zijn aan de dure huurmarkt, laat staan een extra investering kunnen doen in extra woning(en) voor hun eigen pensioen. De verwachting is dat een deel van de verhuurders als gevolg van de voorgestelde regulering van het Rijk haar bezit gaat verkopen. Het is echter niet zo dat deze woningen vervolgens onttrokken worden aan de woningmarkt, ze verschuiven alleen van de huur- naar de koopmarkt. Ook op de koopmarkt is de vraag naar woningen groot. De verwachting is dat dit starters en middeninkomens op de koopmarkt ten goede komt.

De afgelopen jaren heeft het college de tegengestelde beweging gezien: veel koopwoningen werden opgekocht om te verhuren, het zogenaamde buy-to-let. Dit heeft voor stijgende koopprijzen gezorgd en de kansen van koopstarters ernstig verkleind. Ondertussen stegen de huurprijzen in de vrije sector door. De sterke groei van woningen in de vrije huursector heeft nooit gezorgd voor dalende huurprijzen in dit segment, sterker nog: die zijn alleen maar meer gestegen. Dit was wel de verwachting van de voorstanders van de liberalisatie van de huurmarkt. We zullen de effecten van een mogelijke regulering door het Rijk de komende jaren volgen en monitoren om te kijken of het middensegment voldoende tot wasdom komt. Wanneer dit onvoldoende het geval is zullen we opnieuw in gesprek gaan met het Rijk. Een betaalbare en diverse woningmarkt staat hierbij voorop.

Reactie college Het college is blij met de ondersteuning van onze ambitie om de middeldure huurmarkt verder te reguleren en betaalbaarheidsproblemen in Amsterdam aan te pakken. Wij wijzen al vele jaren op de gevolgen van de zeer krappe woningmarkt in onze stad: de hoge marktdruk zorgt voor zeer hoge prijzen. Veel woningen in Amsterdam zijn geliberaliseerd als gevolg van het Rijksbeleid van de afgelopen jaren en hebben dus geen maximale huurprijs. Daar komt nog eens bij dat in het huidige systeem huurders zelf het initiatief moeten nemen om hun huur aan te vechten, wat om verschillende redenen vaak niet wordt gedaan. Dit alles zorgt voor een groeiende ongelijkheid in onze stad waarbij een steeds groter deel van onze bewoners een steeds groter deel van hun inkomen kwijt is aan woonlasten. Door het WWS dwingend te maken en door de liberalisatiegrens te verhogen wordt de betaalbaarheid in de huurmarkt voor het eerst in vele jaren serieus aangepakt door het Rijk. We zullen dan ook blijvend aansturen bij het Rijk op het aanpakken van deze problematiek en het wijzigen van het beleid, zodat ook particuliere verhuurders bijdragen aan het behoud van betaalbare huur in Amsterdam.

Het is een bewuste keuze om expats met een hoog inkomen niet specifiek te ondersteunen. Net als andere woningzoekenden kunnen zij zich begeven op de reguliere huur- en koopmarkt. Op de reacties over betaalbaar bouwen in plaats van reguleren wordt verder ingegaan in paragraaf 2.7. Zorgen over verloedering, achterstallig onderhoud en het verduurzamen van woningen als gevolg van regulering komt terug in de beantwoording van inspraakreacties betreffende doel 5 Duurzame woningen van goede kwaliteit.

29

2.10 Opkoopbescherming

ment geen aanleiding om de regels op dit gebied aan te passen. Bij speciale situaties, waardoor de eigenaar langer dan een jaar in het buitenland zal verblijven, is het mogelijk om een ontheffing te vragen. Elke ontheffingsaanvraag wordt individueel beoordeeld.

Er zijn twee individuele reacties over het onderwerp opkoopbescherming binnen gekomen. Een starter vraagt om soepel om te gaan met de situatie als een eigenaarbewoner die langere tijd naar het buitenland gaat een kamer wil verhuren. De ander had graag gezien dat de regeling eerder was ingevoerd, want dan waren de koopprijzen wellicht niet zo sterk gestegen. Ook de organisatie Vastgoed Belang reageert op het onderwerp opkoopbescherming. Zij vraagt om de bedragen te verlagen of om de opkoopbescherming helemaal te laten vervallen wanneer een woning wordt verhuurd aan iemand met een maatschappelijk beroep. Op die manier zouden juist mensen van buiten de stad makkelijk in Amsterdam woonruimte kunnen vinden.

Het college is blij dat de landelijke bevoegdheid voor gemeenten om de opkoopbescherming in te voeren op 1 januari 2022 eindelijk is gekomen. Kort daarna heeft Amsterdam als één van de eerste gemeenten in Nederland de opkoopbescherming ingevoerd.

2.11 Servicekosten Stichting !WOON en de FAH hebben een reactie gegeven rondom het thema servicekosten. Deze inspraak richt zich op de lobby om servicekosten in te perken evenals op het verplicht afnemen van diensten. Stichting !WOON steunt het initiatief in de AAV om de lobby richting het Rijk in te zetten. Daarnaast vraagt stichting !WOON om een eenvoudige procedure om deze kosten voor een heel complex juridisch aan te kaarten.

Reactie college De afgelopen jaren zijn er veel woningen gekocht (buy-to-let) en aangehouden (keep-to-let) om tegen een hoge prijs te verhuren. Om buy-to-let tegen te gaan, heeft de gemeente Amsterdam in 2022 de opkoopbescherming ingevoerd. Deze geldt voor alle stadsdelen van de gemeente Amsterdam en houdt in dat koopwoningen met een WOZ-waarde tot en met € 512.000 (prijsgrens voor 2022) na aankoop voor vier jaar niet verhuurd mogen worden, tenzij er een vergunning of ontheffing is verleend. Verhuur is bijvoorbeeld wel toegestaan met een vergunning voor verhuur aan eerste- en tweedegraadsfamilie of als de eigenaar na een jaar tijdelijk ergens anders gaat wonen. Het is de bedoeling dat een eigenaar zelf in de woning gaat wonen in plaats van deze te verhuren voor rendement.

Reactie college Het college is blij met de steunbetuiging van stichting !WOON op dit onderdeel in de AAV. We willen in de toekomst blijven samenwerken met stichting !WOON om misstanden rondom servicekosten aan te pakken. Mede dankzij een succesvolle lobby van het college zijn inmiddels in de algemene regels van de Wet goed verhuurderschap mogelijkheden opgenomen om te kunnen handhaven op het oneigenlijke gebruik van servicekosten. Daarnaast wordt door het Rijk nog gewerkt aan een herziening van het Besluit servicekosten waar het college ook nauw bij betrokken is. Eén van de punten die het college daarbij meegeeft is de roep van stichting !WOON voor een eenvoudigere procedure zodat zaken ten aanzien van servicekosten ook op complexmatig niveau aanhangig kunnen worden gemaakt bij de Huurcommissie.

In de AAV is opgenomen dat als het wettelijk mogelijk is we de grens van de opkoopbescherming uitbreiden naar 80% van de voorraad. Op dit moment kunnen we keep-to-let niet verbieden. Omdat uit onderzoek blijkt dat keep-to-let meer voorkomt dan buy-to-let, gaan we ook dit aan banden leggen zodra we hier de wettelijke mogelijkheden voor krijgen. Daar gaan we voor lobbyen bij het Rijk. Het college is er geen voorstaander van om de bedragen met betrekking tot de opkoopbescherming te verlagen.

2.12 Woningen in bezit en beheer van de gemeente

Het is goed voor te stellen dat eigenaren van een woning, al dan niet voorzien, tijdelijk elders verblijven vanwege bijvoorbeeld werk, studie of relatie. De regeling opkoopbescherming voorziet momenteel in de mogelijkheid de woning voor maximaal een jaar te verhuren nadat de eigenaar er eerst zelf een jaar heeft gewoond. Verder is het verhuren van een kamer in een woning waar de opkoopbescherming voor geldt met een vergunning toegestaan. Vier jaar na de koop van de woning is de opkoopbescherming niet meer van toepassing op de woning. Het college ziet op dit mo-

Twee insprekers hebben voorgesteld dat de gemeente zelf woningen beheert en verhuurt. Eén van hen stelt voor dat de gemeente het bezit van de corporaties over zou moeten nemen. Reactie college De gemeente is op dit moment in gesprek met de corporaties en de huurderskoepels voor het maken

30

op van invloed zijn. Het geven van huurkortingen is een Rijksaangelegenheid. Het Rijk heeft aangekondigd vanaf 2030 met een huurkorting te gaan rekenen voor woningen met een E, F of G label. Het college heeft reeds bij het Rijk aangekaart dat zij vindt dat slechte energetische kwaliteit gezien moet worden als gebrek (met een huurkorting als gevolg). De gemeente werkt aan het bestrijden van energiearmoede door middel van de inzet van energiecoaches en de FIX-brigade. Ook wordt er gewerkt aan een vangnetregeling en is er een subsidieregeling in het leven geroepen om buurtinitiatieven te ondersteunen bij hun energiebesparingsprojecten. Huishoudens met een laag inkomen ontvingen in 2022 een energietoeslag van in totaal €1.800 en in 2023 nog eens €800.

van nieuwe Samenwerkingsafspraken voor de periode 2024 t/m 2027. Daarbij is de inzet vanuit de gemeente “geen verkoop van sociale huurwoningen, tenzij”. Het opkopen van woningen is daarom nu niet aan de orde. Daarnaast past woningen aankopen en verhuren niet bij de kerntaak van de gemeente. Corporaties zijn bij uitstek de partij om voor de langere termijn sociale huurwoningen te ontwikkelen en te beheren. Het college ziet de woningcorporaties als belangrijke partners om de doelen vanuit de AAV te behalen.

2.13 Woonlasten Drie individuen en de FHCS, HNA, Huurdersvereniging Arcade en de FAH hebben aangekaart dat de woonlasten te hoog zijn. De reacties zijn vooral gericht op specifieke aandachtspunten. De FHCS maakt zich zorgen over de hoge woonlasten door energielabels. Een inwoner merkt op dat met name stijgende energieprijzen bijdragen aan de stijgende woonlasten. Ook Huurdersvereniging Arcade kaart de te hoge energielasten aan die van grote invloed zijn op de betaalbaarheid van het wonen hebben en vraagt om een huurkorting voor woningen met een DEFG-label. Deze woningen zouden eigenlijk per direct een huurkorting moeten krijgen. Ook de FAH vraagt om huurkorting voor woningen met een DEFG-labels. De FAH is er voorstander van om de financiële positie van huurders toe te spitsen op woonlasten inclusief energiekosten. HNA vraagt ook om huurverlaging van slechte energielabels en om rekening te houden met de financiële mogelijkheden van de huurder vanwege de totale woonlastenontwikkeling, zoals ook door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) bepleit wordt.

Er is op dit moment een landelijke huurverlaging voor alle huishoudens met een inkomen tot maximaal 120% van het sociaal minimum. Ook werkt het Rijk aan de uitbreiding van het WWS, een op punten gebaseerd systeem om de maximale (toegestane) huurprijs van een woning vast te stellen. Dit geldt op dit moment alleen voor sociale huurwoningen. Het is de bedoeling dat vanaf 2024 het WWS ook gaat gelden voor een deel van de woningen in de vrije sector. Een verbeterd energielabel zal daarbij inderdaad een hoger aantal punten en zodoende een hogere huurprijs betekenen voor de huurder. Het idee daarbij is wel dat een huurder minder geld kwijt zal zijn aan de energierekening. Daarnaast maakt de gemeente gebruik van de Wet Gemeentelijke schuldhulpverlening (WGs). Deze wet verplicht woningcorporatie en andere verhuurders van woonruimte om betaalachterstanden te melden aan de gemeente. Deze verplichting geldt ook voor energiebedrijven. Het doel van deze wet is om in een vroeg stadium schulden te signaleren. Zo krijgt de gemeente mensen met schulden of betalingsachterstanden op tijd in beeld en kan er ook tijdig naar een oplossing worden gezocht. Hierdoor voorkomen we ontruimingen of afsluitingen van water, gas en elektra.

De gemeente heeft afspraken kunnen maken met de grote woningbouwcorporaties, maar zoekt nog contact met (kleinere) verhuurders van woonruimte die nog niet op de hoogte zijn van deze meldplicht. Verder doet de gemeente ook aan andere armoedevoorzieningen. Naar aanleiding van de energiecrisis is het vangnet voor huishoudens die in de financiële problemen dreigen te raken omdat zij hun energierekening niet kunnen betalen geïntensiveerd. Dit is een breed vangnet dat wordt uitgevoerd door de buurtteams en onder andere bestaat uit sociale incasso door de energiebedrijven, budget- en energiebesparingsadvies en financiële ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van een schuldenrustlening. Voor individuele situaties kan de individuele bijzondere bijstand (IBB) mogelijk

HNA wil extra bescherming en ondersteuning voor huurders in de vorm van financiële coaching en schuldhulpverlening om huisuitzettingen door financiële problemen te voorkomen. Ook de FAH spreekt de gemeente aan op haar verantwoordelijkheid bij armoedebestrijding. Andere insprekers wijzen op te hoge woonlasten voor alleenstaande ouders en de kosten van zowel huur als zorgverzekeringen voor mensen met een klein inkomen. Reactie college Het college begrijpt de zorgen die er zijn en neemt deze serieus. Het Rijk en de gemeente werken momenteel op verschillende manieren aan het betaalbaar houden van de woonlasten. We zijn ons daarbij bewust dat de verhoogde energierekening en de toename van kosten voor het algemene levensonderhoud daar ook

31

aansluiten bij te hoge woonlasten voor huurtoeslaggerechtigden (inclusief de lobby op inzet op behoud van de huurtoeslag/voorkomen van normhuur van €550 in de sociale sector).

uitkomst bieden. Ook wordt in een pilot samengewerkt met netbeheerder Alliander om afsluitingen te voor­ komen. In vergelijking met andere gemeenten kent de gemeente Amsterdam een relatief uitgebreid pakket aan armoederegelingen. Minimahuishoudens kunnen bijvoorbeeld aanspraak maken op gratis uitstapjes met de Stadspas, een gratis ID-kaart en een collectieve zorgverzekering tegen gunstige voorwaarden. Vanaf 2023 is de inkomensgrens voor deze regelingen verhoogd van 120% naar 130% van het sociaal minimum, waardoor een bredere groep huishoudens hiervoor in aanmerking komt. Voor kindregelingen (bijvoorbeeld de scholierenvergoeding voor het aanschaffen van kleding, schoolspullen of de kosten van een schoolreisje, of het ondernemen van activiteiten met de Stadspas), wordt de inkomensgrens zelfs verhoogd tot 150% van het sociaal minimum.

Daarnaast zet het college zich met de inspanningen uit de AAV in om de behoefte aan woningmarktsegmenten aan te laten sluiten bij inkomens (door onder andere nieuwbouw, en lobby voor regulering van het middensegment), en willen we met corporaties afspreken dat het aanbod sociale huurwoningen onder de aftoppingsgrenzen niet lager is dan 70% van alle sociale huurwoningen die worden aangeboden. Dit zijn huurprijsgrenzen die het Rijk vaststelt en corporaties kunnen via hun eigen huurbeleid woonlasten betaalbaar houden voor verschillende doelgroepen.

2.14 Vragen en definities rondom betaalbaarheid Zes insprekers, waaronder HNA, vragen het college om een duidelijke definitie van betaalbaarheid. Voor sommige huishoudens is een maximale huur in het sociale segment al te duur, terwijl dat qua inkomen wel passend wordt geacht. Een ander heeft een hoog middeninkomen en kan daarmee een hogere huur betalen dan de grens die gehanteerd wordt voor een middeldure huurwoning. Van deze insprekers stelt één inspreker voor om 35% van het inkomen als grens aan te houden wat een huishouden kan besteden aan huur. Reactie college Het college heeft oog voor betaalbaarheidsproblemen en trekt net als de insprekers de conclusie dat betaalbaarheid afhangt van vele factoren, zoals je leeftijd, je huishoudenssamenstelling en inkomen. Het is daarom ook lastig om tot een eenduidige definitie van betaalbaarheid te komen. Zoals het HNA terecht stelt: voor veel huishoudens die een inkomen hebben waarmee ze toegang hebben tot een sociale huurwoning is €808 een te hoge huur. Uit onderzoek van het NIBUD weten we dat ook een aanzienlijk deel van de huishoudens met een sociale huurwoning die past bij het inkomen, problemen heeft om rond te komen. Een maximale huurquote (het percentage van het inkomen dat aan huur wordt betaald) zoals een inspreker voorstelt, doet hier geen recht aan.

Dit percentage is voor sommige huishoudens veel te hoog, terwijl andere huishoudens meer dan voldoende overhouden om van rond te komen. Dit is ook de reden dat we met de AAV inzetten op een lobby om het inkomensbeleid te laten

32

Doel 3 Meer woningen voor hen die ze het hardst nodig hebben 3.1 Algemene reactie op meer woningen voor het die ze het hardst nodig hebben

Door alle wettelijke eisen en maatschappelijke vragen is in de loop van vele jaren een ingewikkeld voorrangssysteem tot stand gekomen, dat bij de jaarlijkse wijziging van de Huisvestingsverordening wordt bijgesteld. Het college kiest ervoor om eerst het huidige voorrangssysteem te evalueren voordat eventueel nieuwe lokale voorrangsregels worden voorgesteld (op grond van de ruimte die de Huisvestingswet daarvoor biedt).

Over de doelstelling ‘Meer woningen voor hen die ze het hardst nodig hebben’, hebben twee organisaties en 21 burgers ingesproken. Zeven insprekers zijn positief over deze doelstelling. De andere insprekers vinden dat de gemeente niet mag kiezen tussen groepen of bepaalde groepen mag voortrekken. De gemeente dient volgens hen de belangen te behartigen van alle Amsterdammers, want iedereen heeft een woning nodig en de pijn van de wooncrisis wordt door iedereen gevoeld. Ook door mensen die niet kwetsbaar zijn, een hoger inkomen hebben of die woningeigenaar zijn. Voor sommigen is het niet duidelijk hoe bepaald wordt wie er het hardst een woning nodig heeft en welke groepen dit precies zijn. Het HNA deelt het uitgangspunt van meer woningen voor hen die ze het hardst nodig hebben, maar vreest ook dat deze doelstelling kan zorgen voor een voortzetting van de landelijke politiek die van volkshuisvesting ‘huisvesting voor de armen’ maakt. Volgens het HNA mag de positie van andere woningzoekenden niet verslechteren. Er zijn drie persoonlijke reacties die laten zien dat de verdeling van schaarste kan leiden tot pijn. De FHCS beschrijft bij dit doel de complexiteit van het oplossen van de huidige wooncrisis.

Het college betreurt de persoonlijke situaties van de drie insprekers. Het college kijkt zeer kritisch naar de verdeling van schaarste zodat de mensen in de meest schrijnende situaties geholpen worden, maar kan niet voor iedereen een oplossing bieden. Het college herkent de geschetste complexiteit van de FHCS.

3.2 Nieuwe woonruimteverdeling, ander systeem Er zijn drie inspraakreacties binnengekomen over de nieuwe woonruimteverdeling. De FAH geeft aan dat zij betwijfelt of de nieuwe regeling de positie van de reguliere woningzoekende (zonder enige voorrang) verbetert aangezien er niet meer woningen beschikbaar komen, het is enkel een andere verdeling van schaarste. Een andere inspreker stelt dat het nieuwe systeem voor veel woningzoekenden slechter is geworden. Hierbij wordt een voorbeeld gegeven van twee mensen die beiden een jongerenwoning huurden en waarbij de één wel in aanmerking komt voor startpunten en de ander niet. De inspreker vindt dit oneerlijk en stelt voor om iedereen die de afgelopen jaren een jongerenwoning verlaten heeft ook in aanmerking te laten komen voor startpunten. Een andere spreker oppert om woningen te verloten. Een inspreker geeft aan dat sommige mensen in een kwetsbare positie niet in aanmerking komen voor urgentie. Tegelijkertijd komt deze groep ook niet in aanmerking voor situatiepunten in WoningNet. Deze groep valt tussen wal en schip en is daarom genoodzaakt om zelf een oplossing te zoeken. De inspreker geeft aan dat dit deze groep extra kwetsbaar maakt. Ten slotte geeft de FAH aan dat er aandacht en ondersteuningsmogelijkheden dienen te zijn voor mensen die onvoldoende vaardigheden hebben om optimaal te kunnen omgaan met het woonruimteverdeelsys-

Reactie college Het verdelen van schaarste kent geen winnaars. Rekening houdend met wettelijke kaders, waaronder ook de taakstelling voor het huisvesten van statushouders, moet de woonruimteverdeling op een rechtvaardige wijze kansen bieden aan alle doelgroepen die afhankelijk zijn van de sociale huursector. Voorrang of urgentie voor bepaalde doelgroepen is een middel om dat doel te realiseren, maar het voorrangssysteem moet zorgvuldig ‘ingeregeld’ worden. Het college realiseert zich, zeker waar het de woningtoewijzing betreft aan woningzoekenden die geen gebruik kunnen maken van een voorrangsregeling (urgentie of gelabelde woningen), dat de beeldvorming over die rechtvaardigheid een cruciale rol speelt. Een overzicht van alle groepen die in aanmerking komen voor urgentie of een voorrangsregeling kan men vinden in de bijlage Woonzorgmenu Doelgroepen van de AAV.

33

soortgelijke afweging worden gemaakt. Als te veel groepen in aanmerking komen voor situatiepunten, dan hebben die punten minder waarde voor alle groepen die in aanmerking komen. Om die reden kiest het college er op dit moment niet voor om meer groepen in aanmerking te laten komen voor urgentie of voor situatiepunten. Wel is het uitgangspunt van de nieuwe woonruimteverdeling dat ook groepen die niet in aanmerking komen voor situatiepunten een grotere kans hebben op een sociale huurwoning. Door veel te reageren op het aanbod kan iemand maandelijks een zoekpunt verdienen (met een maximaal van 30 punten) zodat de positie wordt verbeterd.

teem. Ook vraagt het om heldere monitoring van dit systeem. Reactie college De nieuwe woonruimteverdeling is, zoals de FAH aangeeft, inderdaad een andere verdeling van schaarste. De woonruimteverdeling bevat nieuwe regels voor de verdeling van sociale huurwoningen die beter rekening houden met starters en met woningzoekenden die hard een woning nodig hebben. Deze nieuwe verdeling op grond van punten heeft effect op wie de woning krijgt, maar lost de schaarste aan sociale huurwoningen niet op. Daarom zet het college ook in op het vergroten van de voorraad sociale huurwoningen door nieuwbouw te stimuleren en afspraken te maken over de verkoop van sociale huurwoningen (Zie doel 1 Meer Woningen en doel 2 Betaalbaarder Wonen). Met betrekking tot startpunten, kunnen jongeren die in een jongerenwoning wonen waarvan het contract afloopt en die voldoende gedaan hebben om zelf een woning te vinden, in aanmerking komen voor startpunten. De regel is dat hun jongerencontract moet aflopen nadat de nieuwe woonruimteverdeling inging op 16 januari 2023. Dit betekent dat jongeren van wie het jongerencontract afliep voor 16 januari 2023 niet in aanmerking komen voor startpunten. Het college snapt dat dit oneerlijk wordt gevonden.

Maar, op basis van regionale afstemming tussen gemeenten en corporaties hebben de respectievelijke gemeenteraden het beleidsvoorstel voor de nieuwe woonruimteverdeling vastgesteld zonder een overgangs- of coulanceregeling. Omdat er sprake is van een fundamentele systeemwijziging, is ervoor gekozen om de effecten van de nieuwe woonruimteverdeling na drie jaar te evalueren (dit houdt verband met de opbouw en geldigheidsduur van zoek-, situatie- en startpunten). Naar aanleiding van twee tussentijdse evaluatiemomenten (steeds na een jaar) van de resultaten kunnen gemeenten en corporaties besluiten om het beleid en de regels aan te passen. Het verloten van woningen is met de wijziging van de Huisvestingsverordening per 2019 komen te vervallen, m.u.v. het loten voor jongerenwoningen (max. 25%). Loten past niet bij de nieuwe woonruimteverdeling, waarbij men zelfstandig extra punten kan opbouwen door actief te zoeken en indien mogelijk start- of situatiepunten aan te vragen. Het college is vanwege de schaarste op de Amsterdamse woningmarkt genoodzaakt om pijnlijke keuzes te maken als het gaat om de groepen die urgentie krijgen of die in aanmerking komen voor situatiepunten. De wachttijden voor urgenten lopen met de bestaande urgentiecategorieën ook op: in 2023 zijn er ongeveer twee keer zo veel woningen nodig voor urgente groepen als dat er beschikbaar zijn.

In het geval van de situatiepunten moest er een

Het is voor gemeente en corporaties erg belangrijk dat de nieuwe woonruimteverdeling voor alle woningzoekenden toegankelijk is. Bij de totstandkoming van de nieuwe woonruimteverdeling is, middels uitgebreide testpanels, onderzocht in hoeverre het platform geschikt is voor de minder digitaal vaardigen. Op basis hiervan zijn enkele aanpassingen gedaan. Daarnaast is na de ‘live-gang’ in samenwerking met de OBA fysieke ondersteuning geboden vanuit zestien locaties in Amsterdam gedurende een periode van drie maanden. En is het nog steeds mogelijk voor woningzoekenden om met vragen naar stichting !WOON en de buurtteams te gaan voor extra ondersteuning. De gemeente onderhoudt extra contact met stichting !WOON, de buurtteams, de Regenbooggroep en cliëntenbelang om zo te kunnen inspelen op signalen vanuit deze organisaties. Momenteel wordt vanuit de corporaties en gemeente Amsterdam een extra onderzoek voorbereid om te kijken in hoeverre het digitale platform toegankelijk is voor minder digitaal vaardigen. Het woonruimteverdeelsysteem zal na drie jaar worden geëvalueerd. Daarnaast zal er jaarlijks een rapportage regionale woonruimteverdeling worden opgesteld door de AFWC.

3.3 Meer kans voor reguliere woningzoekenden, evaluatie voorrangsregels Zes inspraakreacties, waaronder die van de FAH en het HNA, gaan over de slaagkansen van reguliere woningzoekenden. Men vraagt zich af of er niet te veel voorrangsregels zijn. Vanwege de vele voorrangsregelingen en urgenties kunnen mensen die hier niet voor in aanmerking komen nog nauwelijks een sociale huurwoning vinden. Hierbij worden de slechts 23 woningen die in 2021 aangeboden werden op WoningNet zonder urgentie of voorrangsregel vaak genoemd. Eén inspreker beschrijft hoe hij als werkende dertiger tussen wal en schip belandt, terwijl ook hij en anderen

34

een belangrijke groep vormen voor het functioneren van de maatschappij. Het tekort aan huisvesting is voor deze groep zwaar en gevraagd wordt om hiermee rekening te houden bij het opstellen van beleid. De FAH stelt voor om van de regulier woningzoekende ook een garantiecategorie te maken van tenminste 50%. Ook het HNA stelt voor om minimaal 50% van de vrijkomende woningen beschikbaar te stellen voor regulier woningzoekenden, daarnaast stelt zij voor om afspraken te maken met commerciële verhuurders over het beschikbaar stellen van vrijkomende woningen voor voorrangsgroepen. De AFWC stelt voor om eerst voorrangsregels te schrappen, voordat nieuwe voorrangsregels of -groepen worden toegevoegd. Daarnaast geeft zij aan graag meewerken aan de evaluatie van de bestaande voorrangsregels. Ook Huurdersvereniging Arcade vindt het een goed idee om niet meer voorrangsregels te introduceren en het verstandig om de huidige regels te evalueren.

Dat gezegd hebbende, wil het college dat sociale huurwoningen toegankelijk blijven voor woningzoekenden die voor geen enkele voorrang in aanmerking komen maar wel een laag inkomen hebben. Er is daarom met de AAV gekozen om te stoppen met het introduceren van nieuwe voorrangsregels en om de huidige regels, wanneer de eerste effecten van de nieuwe woonruimteverdeling duidelijk zijn, te evalueren. Het college is verheugd te horen dat het AFWC hierbij wil meedenken. Met de evaluatie wordt bekeken of groepen tussen wal en schip vallen en of bijsturing noodzakelijk is. Of een garantiecategorie voor reguliere woningzoekenden hierbij een oplossing kan zijn, zoals de FAH voorstelt, kan dan worden bekeken.

3.4 Voorrang voor specifieke groepen 3.4.1 Lokale voorrang Er zijn vier reacties binnengekomen over lokale voorrang. De FAH pleit ervoor om standaard 25% van de nieuwbouw te reserveren voor buurtbewoners, en voegt toe dat met name voor ouderen het van belang is om in de eigen sociale omgeving te blijven wonen. De FHCS stelt voor om de stadsdeelvoorrang voor aangewezen nieuwbouwcomplexen ook mogelijk te maken voor commerciële huurders. Red Amsterdam Noord vraagt om voorrang voor de huidige inwoners van Noord. De AFWC geeft aan dat vanuit het doel van de ongedeelde stad (doel 7 Leefbare en veerkrachtige wijken met toegang tot voorzieningen en zorg) ook doorstroommogelijkheden buiten de eigen buurt van belang zijn.

Reactie college Het college deelt de zorg van de insprekers over de positie van reguliere woningzoekenden op de Amsterdamse woningmarkt. Tegelijkertijd heeft Amsterdam juist een groot aantal voorrangsregelingen om te zorgen dat de meest urgent woningzoekenden aan bod komen en dat woningen passend zijn bij de samenstelling van het huishouden (passend toewijzen). De woningen die met voorrang worden aangeboden op WoningNet, gaan voor een groot deel naar reguliere woningzoekenden. Zo zorgt het label ‘jongerenwoning’ (waarvoor alleen jongeren in aanmerking komen) dat jongeren van 18-28 jaar voldoende kans maken op de woningmarkt. Seniorenwoningen gaan met voorrang naar 65-plussers en soms 55-plussers. Alle huishoudens met kinderen hebben voorrang op woningen met drie of meer kamers en woningen van meer dan 61m2.

Reactie college Het college wil de stadsdeelvoorrang voor aangewezen nieuwbouwcomplexen inzetten om de band tussen bestaande wijken en nieuwbouw te versterken en bewoners te laten doorstromen binnen hun eigen stadsdeel. Dit wordt ook genoemd in de AAV. Via deze regeling is het ook mogelijk om nieuwbouwcomplexen van particulieren aan te wijzen, de regeling is dus al beschikbaar voor commerciële huurders zoals de FHCS in haar reactie voorstelt. Doordat de regeling op stadsdeelniveau is ingericht, is het ook mogelijk voor stadsdeelbewoners om tussen buurten door te stromen zoals de AFWC voorstelt. Volgens artikel 14 van de Huisvestingswet mogen gemeentes bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor maximaal 50% voorrang geven aan mensen die binding hebben de regio in kwestie. Hiervan mag maximaal de helft (25%) van de vergunningen met

Andere voorrangsregelingen stimuleren de doorstroming om grote woningen en rolstoelwoningen beschikbaar te krijgen, zoals ‘Van Groot naar Beter’ en ‘Verhuizen uit rolstoelwoningen’. Daarnaast is er logischerwijs urgentie voor mensen die na een calamiteit, bijvoorbeeld een brand hun woning zijn kwijtgeraakt. Dat er in 2021 maar 23 woningen buiten de urgentie en de voorrangsregelingen vielen, wil overigens niet zeggen dat Amsterdammers zonder urgentie of voorrang totaal geen kans maakten op een woning. Niet alle met voorrang gelabelde woningen worden ook altijd toegewezen aan de doelgroep, bijvoorbeeld omdat er vanuit de doelgroep geen belangstelling is voor de woning.

35

voorrang gaan naar mensen uit de gemeente1. Op die manier wordt het recht op vrije vestiging beschermd. In het sociale segment van woningcorporaties bestaan al veel regelingen waarbij een bindingscriterium wordt gehanteerd, zoals de beroepsgroepenvoorrang of de voorrang voor Amsterdamse jongeren. Daarnaast komen door de verschillende voorrangsregelingen steeds minder woningen beschikbaar voor mensen die niet voldoen aan de specifieke voorwaarden, maar die op basis van hun inkomen wel aangewezen zijn op sociale huur. Om deze redenen wil het college niet standaard 25% van alle nieuwbouw reserveren voor bewoners uit de buurt zoals de FAH voorstelt voor de stad en Red Amsterdam Noord voor stadsdeel Noord.

vestingswet mogen gemeentes bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor maximaal 50% voorrang geven aan mensen die binding hebben de regio in kwestie. Hiervan mag maximaal de helft (25%) van de vergunningen met voorrang gaan naar mensen uit de gemeente. Op die manier wordt het recht op vrije vestiging beschermd. Met een generieke voorrang voor Amsterdammers wordt deze grens overschreden. Voor Amsterdamse jongeren is er reeds voorrang. Sinds september 2022 is de voorrang voor Amsterdamse jongeren operationeel in WoningNet. Een jongere krijgt voorrang als deze in de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar aaneengesloten in Amsterdam heeft gewoond. Met deze voorrangsregeling krijgen jongeren die in aanmerking komen voorrang op alle jongerenwoningen van woningcorporaties die in Amsterdam worden aangeboden via WoningNet.

3.4.2 Amsterdammers Er zijn twintig inspraakreacties binnengekomen waarin mensen vragen om voorrang voor Amsterdammers. Men vindt het niet eerlijk dat mensen die hier al langere tijd wonen of zijn opgegroeid geen voorrang krijgen boven mensen die van buiten de stad komen. Een enkeling stelt ook voor om mensen uit Amsterdam voorrang te geven op koopwoningen in Amsterdam.

3.4.3 Amsterdamse jongeren Er zijn vijf inspraakreacties die vragen om meer aandacht voor de huisvesting van jongeren die zijn opgegroeid in Amsterdam. Vanwege de schaarste aan woningen wordt het voor hen steeds lastiger om in Amsterdam te blijven wonen. Vier insprekers vragen daarom om voorrang voor Amsterdamse jongeren. Er is ook een inspreker die vindt dat jongeren juist geen voorrang moeten krijgen boven mensen die langer staan ingeschreven.

Ook bij doel 6 Betere positie van Amsterdammers op de woningmarkt, zijn reacties gekomen over voorrang voor Amsterdammers. Dit komt waarschijnlijk doordat het woord ‘Amsterdammers’ in het doel staat. Hierbij is ook het geluid dat Amsterdammers meer kans moeten maken op een woning. Een aantal insprekers geeft aan dat er juist geen reden is om Amsterdammers voorrang te geven. Er komen volgens hen ook mensen naar Amsterdam om te werken, zij moeten hier ook kunnen wonen.

Het Wooncafé 020, de FAH en drie andere insprekers vinden dat jongeren geen tijdelijke contracten aangeboden mogen krijgen, maar dat zij meteen een vaste woonplek moeten krijgen of na afloop van het contract alsnog een vast huurcontract. Tijdelijke contracten zorgen voor onzekerheid over de toekomst.

Reactie college

Reactie college

Het college begrijpt dat de schaarste aan woningen veel inwoners frustreert in hun zoektocht naar een woning. Met de stadsdeelvoorrang voor aangewezen nieuwbouwcomplexen geeft het college, op kleine schaal, al ruimte aan voorrang voor mensen die binding hebben met een stadsdeel. Samen met de woningcorporaties wordt gekeken welke nieuwbouwcomplexen in de komende jaren het beste voor deze regeling aangedragen kunnen worden binnen de grenzen van de Huisvestingswet. Een generieke voorrangsregeling voor Amsterdammers op alle vrijkomende woningen in Amsterdam zal voor woningzoekenden wonende in Amsterdam niet veel oplossen, het grootste gedeelte van de vrijkomende sociale huurwoningen in Amsterdam gaat al naar mensen die in Amsterdam wonen. Daarnaast mogen volgens artikel 14 van de Huis-

1

Sinds september 2022 is de voorrang voor Amsterdamse jongeren operationeel in WoningNet. Een jongere krijgt deze voorrang als deze in de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar aaneengesloten in Amsterdam heeft gewoond. Met deze voorrangsregeling krijgen jongeren die in aanmerking komen voorrang op alle jongerenwoningen van woningcorporaties die in Amsterdam worden aangeboden via WoningNet. Deze woningen zijn bedoeld voor jongeren tussen de 18 en 27 jaar en worden aangeboden met een contract voor vijf jaar. Na de invoer van de voorrang voor Amsterdamse jongeren, is gebleken dat de regeling soms onrechtvaardig uitpakt. Jongeren die hun hele leven al in Amsterdam wonen, maar bijvoorbeeld korte tijd voor hun studie elders verbleven, vallen nu geheel buiten de boot. Om die reden wordt er voor de Huisvestingsverordening

Het ministerie van BZK stelt in de wetswijziging van de Huisvestingswet voor om dit aan te passen naar maximaal 50% lokale en regionale voorrang.

36

2024 voorgesteld om de voorrang voor Amsterdamse jongeren op 30-50% van de vrijkomende jongerenwoningen toe te passen.

na overlijden van de ouder, maar stelt daarbij dat de verhuurder hier zeggenschap heeft. Dit betekent dat het aan de corporatie is om een verzoek van medehuurderschap wel of niet te honoreren. In de praktijk zien we dat corporaties hier soms (te) streng mee omgaan. Het college wil dit punt daarom meenemen in de gesprekken met de corporaties en huurderskoepels over de nieuwe Samenwerkingsafspraken.

Door woningen voor jongeren te labelen, zorgt de gemeente Amsterdam ervoor dat ook starters een kans hebben op de Amsterdamse woningmarkt. De gedachte daarachter is dat veel jongeren maar een paar jaar een sociale huurwoning nodig hebben, waarna ze op eigen kracht een woning kunnen vinden. Op jonge leeftijd maken veel jongeren immers grote sprongen in inkomen, al is het maar omdat zij bijvoorbeeld gaan samenwonen. Omdat dit uiteraard niet voor iedereen opgaat, behouden bewoners hun inschrijftijd als woningzoekende. Dit is zo geregeld in de Huisvestingswet. Met vijf jaar extra inschrijftijd hebben ze meer kans om na afloop van hun jongerencontract te kunnen doorstromen naar een andere passende woning. Het college is het ermee eens dat woningzoekenden van wie het jongerencontract afloopt perspectief moeten hebben op een nieuwe (vaste) woning die past bij hun levensfase. Zoals gezegd behouden mensen met een jongerencontract hun inschrijftijd, daarnaast is Amsterdam samen met Zaanstad een experiment gestart waarin jongeren na afloop van hun jongerencontract startpunten kunnen aanvragen. Met deze punten maken zij meer kans in hun zoektocht naar een nieuwe woning. Het college is echter niet geneigd om de tijdelijke contracten voor jongeren geheel af te schaffen. Helaas dwingt de extreme woningschaarste in Amsterdam het college om ook met tijdelijke contracten te werken.

Op die manier is de doorstroom van bepaalde groepen geregeld. Juist de groep jongeren is in staat om door te stromen vanwege veranderingen in het huishouden.

3.4.5 Essentiële beroepen/economische binding Er zijn dertien inspraakreacties binnengekomen over de voorrang voor maatschappelijke beroepsgroepen, drie hiervan zijn van huurdersverenigingen. Over het algemeen is men positief over de bestaande regeling waarbij Amsterdam onder bepaalde voorwaarden voorrang geeft op sociale en middeldure huurwoningen aan onderwijs-, zorg- en politiepersoneel. Wel ziet men dat er ook andere beroepssectoren urgent kunnen zijn, en zijn er ideeën om werkenden aan de stad te binden. Samenvattend zijn er de volgende reacties: › Ook voorrang voor mantelzorgers. › Voorrang voor mensen werkzaam in de culturele sector. › Leegloop van Amsterdam uit de beroepssectoren, kijk naar de vertrekkers. › De nieuwe voorrangscategorie van beroepsgroepen moet niet in de reguliere 50% worden opgenomen. › Mensen die in Amsterdam werkzaam zijn moeten voorrang krijgen, voorkomt files en reiskosten. › Werkenden (zorg, onderwijs, hulpverlening) zouden voorrang moeten krijgen op basis van werkduur. › Het huisvesten van beroepssectoren in tijdelijke woningen staat in contrast met het doel van de regeling; het binden van mensen aan de stad uit beroepen die we het hards nodig hebben. › Naar aanleiding van lerarentekorten in Geuzenveld, speciale voorrang geven voor het basisonderwijs.

› Docenten moeten hun sociale huurwoning kunnen kopen (en inwonende kinderen boven de zestien kunnen registreren als medehuurder). › Mix diverse doelgroepen met realistische percentages in de verschillende prijsklassen voor essentiële beroepen.

3.4.4 Na overlijden ouders Eén inspreker wil dat het makkelijker wordt voor meerderjarige kinderen om na het overlijden van de ouder(s) in de sociale huurwoning te blijven wonen. Een andere inspreker was mantelzorger voor zijn of haar ouders en is na het overlijden van de ouders door haar huurbaas gevraagd te verhuizen, zodat de woning geliberaliseerd kan worden. De inspreker vraagt of er voor mantelzorgers in deze situatie hulp geboden kan worden bij het vinden van een nieuwe passende woning.

Eén inspraakreactie pleit voor een inkomenstoeslag omdat veel beroepssectoren, zoals verplegers en leraren, te veel verdienen voor sociale huur. Beroepssectoren moeten in staat worden gesteld een huis te kunnen kopen of te huren. Dit zou het minste kosten.

Reactie college Het college heeft veel begrip voor het door de insprekers ingebrachte punt en is bekend met een aantal schrijnende zaken van kinderen die uit de woning van de ouders moeten verhuizen nadat deze zijn overleden. Artikel 7:267 en of artikel 7:268 van het Burgerlijk Wetboek bepalen dat een kind een verzoek tot medehuurderschap bij de verhuurder kan indienen

Reactie college Het college betreurt het dat de aanhoudende woningnood zijn effecten heeft op verschillende doelgroepen,

37

Het college is het eens met de reactie dat je essentiële beroepen het beste aan de stad bindt met vaste huurcontracten. Toch worden in de huidige regeling aan jongeren tot 28 jaar (tijdelijke) jongerencontracten aangeboden. Daarmee worden zij hetzelfde behandeld als andere jongeren in de stad. Deze jongeren houden perspectief op een woning, omdat zij tijd hebben om wachtduur op te bouwen en ook kunnen zij na afloop van hun contract startpunten aanvragen, hiermee maken zij meer kans om door te stromen naar een woning die dan meer bij de levensfase past. Daarnaast is het zo dat het college onderzoekt of flexwoningen een optie kunnen zijn voor de beroepssectoren. Het college is voorstander van het mengen van diverse doelgroepen en inkomensgroepen maar wil tegelijkertijd voorkomen dat er te veel (voorrangs)regels en uitzonderingen ontstaan. Het voorstel dat docenten hun sociale huurwoning zouden moeten kunnen kopen en kinderen als medehuurder kunnen registreren wordt daarom niet verder uitgewerkt. De inspraakreacties geven voor het college geen aanleiding om de huidige regeling en de beleidsvoornemens uit de AAV aan te passen. Het college is m.b.t. de inkomenstoeslag van mening dat maatschappelijke beroepsgroepen geholpen moeten worden om een huis te kunnen huren of kopen. Voor Amsterdamse leraren geldt de Grotestedenbonus als extra financiële impuls om in de stad te komen werken.

Sinds 2020 geldt een voorrangsregeling voor sociale- en middeldure huurwoningen voor de maatschappelijke beroepsgroepen zorg, onderwijs en politie. Voorrang op een (huur) woning is niet de enige manier om beroepsgroepen aan de stad te binden. Een goede bereikbaarheid, parkeervoorzieningen maar ook een extra financiële waardering kunnen bijdragen aan het terugdringen van de tekorten. Bevoegde Amsterdamse leraren in het (speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs ontvangen de Amsterdamse toelage. Leraren werkzaam op scholen waar de leerlingenpopulatie een grotere kans heeft op een onderwijsachterstand ontvangen meer compensatie dan scholen waar dit in mindere mate het geval is. Onderwijsprofessionals in het primair onderwijs kunnen daarnaast een landelijke arbeidsmarkttoelage krijgen als zij werken op een school waar de leerlingenpopulatie een grote kans heeft op een onderwijsachterstand. De (hogere) toelage op deze scholen is bedoeld om leraren te motiveren op deze scholen te komen werken. Omdat het lerarentekort op deze scholen vaak groter is, dragen de toelagen ook bij aan het gelijkmatiger verdelen over de stad.

en dus ook op beroepsgroepen die essentieel zijn voor de stad. Vooral het tekort aan leerkrachten, politieagenten en professionals in de zorg is een groot probleem. Het college probeert meer van deze beroepsgroepen aan te trekken en te behouden voor de stad. Hiervoor is de voorrangsregeling voor beroepsgroepen in het leven geroepen, waarbij deze groepen voorrang kunnen krijgen voor sociale en middeldure huurwoningen. De keuze voor voorrang op huurwoningen voor de drie sectoren politie- zorg- onderwijs is weloverwogen tot stand gekomen. Het gaat hier namelijk om beroepen met een grote maatschappelijke betekenis, een tekort betekent een aantasting van het fundamentele recht van Amsterdammers op onderwijs, zorg en veiligheid. Personeelstekorten in deze sectoren hebben een directe impact op de burgers van de stad. Bij de invoering is specifiek voor deze drie groepen aangetoond dat het niet hebben van woonruimte een belangrijke reden is om niet te gaan werken in de stad. Naast de voorrangsregeling hebben deze drie sectoren overigens ook op andere onderdelen een integraal plan gemaakt om de tekorten aan te pakken. Vanwege het alsmaar toenemende lerarentekort wordt de regeling ingezet op de plekken waar de tekorten het meest nijpend zijn.

Er is daarom binnen deze groep een prioritering, waarbij kandidaten van basisscholen met de hoogste schoolweging bij passende geschiktheid voor gaan op leraren van andere basisscholen. Na het primair onderwijs volgt het voorgezet onderwijs. Met onder andere corporaties zijn afspraken gemaakt over de toewijzing aan de maatschappelijke beroepsgroepen in de Samenwerkingsafspraken 2019-2023 tussen gemeente, huurdersorganisaties en corporaties. De afspraak is om jaarlijks vijftig tot honderd sociale huurwoningen en vijftig tot honderd middeldure huurwoningen beschikbaar te stellen. Het college ziet de maatschappelijke beroepsgroepen als regulier woningzoekenden die met hun beperkte aandeel ook binnen de 50% toewijzing aan regulier woningzoekenden vallen. Er is afgesproken dat als corporaties meer dan de afgesproken aantallen uit de Samenwerkingsafspraken willen toewijzen, zij dit doen in hun eigen 5% vrije toewijzingsruimte. Uitbreiding van de regeling naar andere beroepsgroepen, acht het college gezien de grote schaarste aan betaalbare sociale en middeldure huurwoningen niet gewenst. De regeling kan ook niet worden uitgebreid naar alle werkenden, toewijzing op basis van werkduur is niet raadzaam omdat starters die je wilt binden aan de stad dan minder kans hebben. Daarnaast pleit een inspreker ervoor om ook mantelzorgers voorrang te geven op een huurwoning.

Verleners en ontvangers van mantelzorg kunnen in sommige gevallen echter al urgentie aanvragen.

3.4.6 Gezinnen Er zijn twee inspraakreacties binnengekomen met betrekking tot gezinnen. Eén inspreker vraagt om voorrang op een woning voor gezinnen met

38

kinderen. Een andere reactie is van een koppel dat in verwachting is van hun eerste kind. Voor hen is het niet duidelijk of zij al beschouwd worden als gezin en of er hulp bestaat bij het vinden van een woning voor stellen in verwachting.

buiten de stad vertrekken. Ondanks de erkenning van het belang van betaalbare woon- en werkruimte voor kunstenaars, is de ‘ijzeren voorraad’ atelierwoningen onvoldoende beschermd en worden deze vaak verkocht of geliberaliseerd. Er wordt gevraagd om openbaarheid van de ‘ijzeren voorraad’, een stop op de verkoop van atelierwoningen en een uitbreiding van de voorraad. Ook maken zij zich zorgen over het gebruik van jongerencontracten voor atelierwoningen en de rechtszekerheid voor huurders van woon- en werkruimten in broedplaatsen. Tenslotte wordt er om aandacht gevraagd voor het ondersteunen van coöperaties en beheersvormen, waardoor bewoners meer zeggenschap hebben over hun eigen woon- en werkomgeving.

Reactie college Het college vindt het belangrijk dat gezinnen met kinderen een passende woning kunnen vinden. Daarom krijgen gezinnen in WoningNet voorrang op bepaalde vrijkomende grotere woningen. De drie­kamerwoningen binnen deze regeling zijn met voorrang bestemd voor huishoudens met minimaal één kind of maximaal twee kinderen. Grotere woningen (vier of meer kamers en groter dan 70m2) zijn met voorrang bestemd voor gezinnen met minimaal drie kinderen onder de achttien jaar.

Reactie college Ook het college vindt dat kunstenaars een belangrijke plek innemen binnen de stad, daarom moeten er voldoende betaalbare atelierwoningen beschikbaar zijn. Er zal bij het traject van de Samenwerkingsafspraken vanuit het college daarom ingezet worden op het behoud en bij voorkeur uitbreiding van het aantal atelierwoningen: › Het naleven van de al bestaande afspraak dat er na vijf jaar opnieuw wordt getoetst (toptoets) volgens het vigerend Amsterdams broedplaatsenbeleid of er nog aanspraak kan worden gemaakt op de atelierwoning. › Dat corporaties atelierwoningen betaalbaar houden voor de doelgroep.

Voor gezinnen in dringende situaties is het daarnaast mogelijk om situatiepunten aan te vragen, hiermee wordt de kans verhoogd op het vinden van een geschikte woning. Gezinnen die inwonen bij een ander huishouden of gezinnen waarbij ouders met kinderen uit elkaar gaan kunnen ook in aanmerking komen voor deze punten. Het is niet mogelijk om urgentie of voorrang te krijgen als iemand zwanger is. De extreme woningschaarste in Amsterdam noopt het college om lastige keuzes te maken als het gaat om het geven van voorrang. Er is voor gekozen om alleen gezinnen met minderjarige kinderen die dakloos dreigen te raken in sommige gevallen urgentie te verlenen. Als ook mensen die in verwachting zijn urgentie zouden krijgen, zouden er te veel gezinnen voor urgentie in aanmerking komen.

3.5 Kwetsbare groepen 3.5.1 Tegen voorrang voor statushouders Er zijn veertien insprekers die het niet eerlijk vinden dat statushouders met urgentie een woning toegewezen krijgen, terwijl het aanbod van sociale huurwoningen schaars is en de gemiddelde inschrijfduur die nodig is om kans te maken op een woning lang.

3.4.7 Kunstenaars Er zijn drie inspraakreacties binnengekomen van bezorgde kunstenaars. Ze missen aandacht voor cultuur en atelierwoningen in de plannen. Het wordt voor kunstenaars steeds lastiger om een woning te vinden in Amsterdam. Onredelijke huurverhogingen en de verkoop van atelierwoningen liggen hier volgens hen aan ten grondslag. De FAH geeft aan dat bijzondere woonvormen zoals atelierwoningen beschermd dienen te worden en pleit voor het behoud van de ijzeren voorraad atelierwoningen. De Kunstbond en Platform Beeldende Kunst hebben samen een uitgebreide inspraakreactie ingediend. Volgens hen moet de AAV meer aandacht besteden aan de positie van kunstenaars en makers in de stad. Betaalbare woon- en werkruimte is essentieel voor deze groep om te kunnen blijven werken in de stad en bij te dragen aan het culturele klimaat. De inkomenspositie van kunstenaars staat onder druk, waardoor steeds meer van hen noodgedwongen naar

Reactie college Door de woningschaarste moeten veel mensen jarenlang zoeken naar een passende woning. In dat kader snapt het college dat het geven van urgentie aan statushouders bij sommige insprekers gevoelig ligt. Statushouders zijn echter niet de oorzaak van de huidige wooncrisis, daarnaast gaat het overgrote gedeelte van de vrijkomende sociale huurwoningen naar andere groepen dan statushouders. Desalniettemin erkent het college dat de groeiende groep statushouders zorgt voor een verdere druk op de woningmarkt. Asielzoekers worden statushouders (of vergunninghouders) zodra zij een verblijfsvergunning krijgen. Vanaf dat moment maken zij deel uit van de Nederlandse

39

samenleving. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) koppelt de vergunninghouders aan gemeenten. De Rijksoverheid bepaalt elk half jaar hoeveel vergunninghouders gemeenten moeten huisvesten in een wettelijke taakstelling voor huisvesting vergunninghouders. De taakstelling per gemeente hangt af van het aantal inwoners. Gemeenten met veel inwoners moeten meer vergunninghouders woonruimte bieden dan gemeenten met weinig inwoners. Voor het eerste half jaar van 2023 had Amsterdam een taakstelling van 1.081 statushouders. Statushouders zijn vanuit het Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen (PHKG) als kwetsbare doelgroep aangemerkt en worden met urgentie gehuisvest. Om die reden heeft de gemeente Amsterdam statushouders in de Huisvestingsverordening als urgente doelgroep aangewezen. Voor heel 2023 worden er vanuit het PHKG in Amsterdam 889 woningen voor statushouders beschikbaar gesteld. Dit aantal woningen is onvoldoende om alle aan Amsterdam gekoppelde statushouders te huisvesten en betekent dat de huidige achterstand op de taakstelling verder oploopt. Als een gemeente de wettelijke taakstelling niet haalt, stijgt deze gemeente op de interventieladder. Dit is een toezichtinstrument dat bestaat uit zes stappen.

Bij een hoge achterstand op de taakstelling vindt indeplaatsstelling plaats door de Provincie Noord-Holland, wat betekent dat de provincie het huisvesten van statushouders overneemt en op kosten van de gemeente uitvoert. Dit moet te allen tijde worden voorkomen. Om een indeplaatsstelling te voorkomen, wil het college de opgave regionaal aanpakken door middel van gesprekken met de Provincie en het Rijk. Opvang, integratie en huisvesting zijn integraal met elkaar verbonden. Om die reden wordt in diverse gesprekken ingezet op het vergroten van het aantal opvangplekken in Amsterdam en meer inzet op huisvesting van statushouders in de Metropoolregio Amsterdam. Tevens zet het college in op de toevoeging van 2.500 tot 3.000 flexwoningen, die voor 33% zullen worden ingezet voor statushouders. De eerste flexwoningen zullen eind 2023 worden opgeleverd.

meters per persoon in combinatie met de groei van het inwoneraantal. Daarnaast vraagt de inspreker om psychisch kwetsbare daklozen en daklozen met verslavingsproblematiek met de juiste zorg te huisvesten en niet zelfstandig te laten wonen. Een andere inspreker vraagt om een einde aan dakloosheid te maken in Amsterdam door werkelijk passende woningen voor mensen met een zorgbehoefte aan te bieden, maar niet op de duurste plekken van de stad. Daarnaast vraagt deze inspreker om niet iedereen voor te laten gaan op deze groep. Deze inspreker meent dat 66% van de huurvoorraad voor sociaal kwetsbaren genoeg is, omdat dit veel meer is dan landelijk zou worden voorgeschreven. Ook moedigt deze inspreker aan om tijdelijke noodwoningen neer te zetten en daarmee dakloosheid op te lossen. Als flexibele schil om de woningnood te ledigen. Deze inspreker toont begrip voor de huisvesting van statushouders, maar vraagt zich wel af waarom dit in Amsterdam moet gebeuren, omdat dit de duurste stad is en de wachtlijsten het langst zijn. Ook de AFWC geeft in haar inspraakreactie aan dat zij zich niet kan vinden in het aantal van 2.100 woningen voor kwetsbare groepen. De woningcorporaties stellen dat dit aantal is gebaseerd op een te hoge mutatiegraad, namelijk 7.000 vrijkomende woningen per jaar.

Als de mutatiegraad de komende jaren lager zal zijn, dan zullen er ook minder woningen naar kwetsbare groepen gaan. In 2021 werden er volgens het jaarbericht van de AFWC 8.037 woningen verhuurd via WoningNet. Daarnaast geeft de AFWC in haar reactie aan dat de ambitie om in 2040 alle kwetsbare Amsterdammer binnen drie maanden een passende woonplek aan te bieden mooi is, maar niet haalbaar. Ze roept de gemeente op om corporaties en zorgpartijen te betrekken bij het formuleren van een realistischere ambitie. Ook vraagt de AFWC op de woonbehoefte van mensen met een fysieke, verstandelijke en/of psychische beperking op te nemen in de AAV. Huurdersvereniging Arcade breekt een lans om mensen die zich in een kwetsbare situatie bevinden in geen geval op een tijdelijke woonplek te huisvesten. Zij vindt het schrijnend dat deze groep, die mogelijk nog meer dan anderen behoefte heeft aan woonzekerheid, de zekerheden van het hebben van een thuis wordt ontnomen. Ook de FAH waarschuwt voor tijdelijke contracten bij kwetsbare groepen. Stichting !WOON vraagt het college op te passen met het aanpassen van de urgentiecriteria. De criteria voor sociaal medisch urgenten zijn al meermalen aangescherpt en bijzonder streng. De oplossing ligt volgens stichting !WOON niet in het kunstmatig terugbrengen van de vraag, maar in het creëren van meer aanbod.

De AFWC vraagt waarom er twee extra urgentiegroepen worden toegevoegd, terwijl in de AAV ook de wens wordt uitgesproken om het aantal voorrangen te

3.5.2 Woonbehoeften en aantallen voor kwets­ baren en tijdelijke woningen Eén inspreker vindt dat er een goede analyse gemaakt moet worden van de woonbehoeften van dak- en thuislozen. Hij is bang dat de begrippen woningzoekende en dakloze niet juist gehanteerd worden. Hij ziet bijvoorbeeld mensen op bankjes buiten slapen die volgens hem niet dakloos, maar toerist zijn en een hotel willen uitsparen. Ook meent de inspreker dat het credo “doorstroming is de sleutel in de wooncrisis” niet volledig juist is. De wooncrisis is volgens hem veroorzaakt door een toename van het aantal vierkante

40

gebaseerd zou zijn op een te hoge mutatiegraad. Het college heeft de ambitie om in de komende jaren 2.500 tot 3.000 tijdelijke woningen te realiseren. De planning is om eind 2023 al de eerste 1.000 woningen op te leveren. De urgentie van overvolle AZC’s en de forse taakstelling van het Rijk om statushouders te huisvesten gaat het college aan het hart. We willen de tijdelijke woningen daarom ook voor deze groep kwetsbaren inzetten. Uit eerdere ervaring blijkt echter dat een hoog aandeel statushouders in grote complexen (>150 woningen) de leefbaarheid onder druk zet. In de “Raadsbrief stand van zaken gemengde huisvestingslocaties voor statushouders en woonstarters” staat daarom het voornemen om het percentage statushouders per nieuw complex naar beneden bij te stellen, van 50% naar tenminste 33%. Het gaat dan niet alleen meer om jongeren, ook statushouders van 28 jaar en ouder zullen hier gehuisvest kunnen worden. Op deze manier wil het college haar verantwoordelijkheid nemen en tegelijkertijd rekening houden met de wensen van de inwoners van Amsterdam. Het college hecht veel waarde aan de ambitieuze doelstelling om in 2040 alle kwetsbare Amsterdammer binnen drie maanden een passende woonplek aan te bieden en wil graag met de AFWC in gesprek hoe dit gerealiseerd kan worden. De ambitie zal niet worden aangepast in de AAV.

Wat betreft het opnemen van de woonbehoefte van mensen met een fysieke, verstandelijke en/of psychische beperking. Deze mensen behoren ook in onze opvatting en in onze beleidsterreinen tot een groep die een plek verdient in de stad. Afhankelijk van de woon- en zorgbehoefte die het best bij deze mensen past, zal er een geschikte woonvorm gevonden moeten worden. Als deze niet bestaat, dan zal er samen nagedacht moeten worden over wat er precies mist en wat mogelijk is. Het college staat altijd open voor deze gesprekken. Het college begrijpt de oproep van Huurdersvereniging Arcade en de zorgen van de FAH om in het geval van kwetsbare groepen niet met tijdelijke contracten te werken. Helaas is de woningnood in Amsterdam zo groot dat het college genoodzaakt is om alle oplossingen aan te grijpen en daarbij een zorgvuldige afweging te maken. Er zal rekening worden gehouden met de specifieke hulpvraag van kwetsbare Amsterdammers. Op dit moment kunnen alle kwetsbare groepen die een tijdelijk contract krijgen gebruik maken van de Ruggensteunregeling. Dit betekent dat nadat het tijdelijke contract afloopt en het niet zelf is gelukt om vervangende huisvesting te vinden zij een woningaanbod krijgen van de gemeente. In de AAV geeft het college aan dat zij wil inzetten op het ontwikkelen van alternatieve woonvormen voor kwetsbare groepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12913851/1