CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Naar een volwaardige en volwassen positie van energiegemeenschappen in de energietransitie in Amsterdam.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 16 januari 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over een volwaardige en volwassen positie van energiegemeenschappen in de energietransitie (VN2024-017497)18.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Van mei tot en met september zijn de wenkende perspectieven nader uitgewerkt in de eindrapportage, met een duidelijk accent op het vormgeven van de publiek-civiele samenwerking. Het eindrapport benoemt kleine en haalbare stappen, met mogelijkheden om bij te stellen, om toe te werken naar de realisatie van een gedeeld toekomstperspectief. In dit achterliggend document is meer verdieping opgenomen dan in het eindadvies en maakt zo ook onderdeel uit van de eindrapportage.

Amsterdam heeft de politieke keuze gemaakt dat bij de energietransitie lokale energiecoöperaties een volwaardige en volwassen positie krijgen en ondersteuning verdienen. Maar er zijn veel onduidelijk­ heden bij de uitwerking. Wat is precies lokaal? Wat betekent volwaardig en volwassen? Hoeveel ondersteuning? In deze tussenrapportage wordt geprobeerd dieper in te gaan op deze vragen om de voorwaarden voor de samenwerking te verbeteren. Ook willen we scherper krijgen waar de samenwerking toe moet leiden.

29

Bijlagen deel II

Is snelheid van de energietransitie van belang? Of moet het zo efficiënt mogelijk plaatsvinden met zo hoog mogelijk rendement van elke geïnvesteerde euro? Gaat het om geld verdienen? Of om een energietransitie met zoveel mogelijk lokale kracht? Vaak wordt op meerdere doelen ingezet. Dat komt de transparantie niet ten goede en de doelen zijn ook (zeker deels) tegenstrijdig. Zoals geïnterviewden aangeven, wordt ernaar gestreefd de relatie tussen de coöperaties en de gemeente zo simpel mogelijk te maken. We moeten ons realiseren dat we nog in een fase van uitproberen zitten. Elkaar scherp houden, met compassie voor ieders achtergrond en kritisch zijn op het eigen handelen, helpt om verder te bouwen aan het vertrouwen in elkaar.

30

Het belang van energiecoöperaties bij de energietransitie

7

Bijlagen deel II

De opgave voor de energietransitie is ambitieus, groots, urgent en weerbarstig. Het is een ingrijpende herordening van een essentiële levensbehoefte: warmte en energie. Dat kan geen enkele partij alleen. De coöperaties hebben van de gemeente Amsterdam een vaste stoel aan de tafel gekregen, naast andere belangrijke stakeholders.

Coöperaties kunnen én willen een belangrijke rol spelen bij de uitvoering en versnelling van de energietransitie in Amsterdam. Ze zijn in staat te bouwen aan groter draagvlak onder de bevolking en zo een solide betrouwbare basis bij bewoners leggen. Dat is belangrijk omdat de burger de overheid en grote bedrijven met een monopolie wantrouwt. Daarnaast is een coöperatie in wezen een onder­ nemingsvorm die niet op winst gericht is maar op het versterken van de gemeenschap, ook in financiële zin. De eventuele revenuen kunnen (zichtbaar) ten goede komen aan Amsterdammers.

Een wat ambitieuzer doel dat regelmatig benoemd wordt, is dat het betrekken van bewonersinitiatieven in de energietransitie ook bijdraagt aan maatschappelijke waardecreatie. Vaak wordt dan gesproken over koppelkansen (bv extra werkgelegenheid, investeringen in andere terreinen dan energie­ transitie etc.). Dat maakt het uitdagend maar kan het ook complex maken8.

8 Zie Squarewise (2024) Als Utrecht bij de energietransitie kiest voor een grote marktpartij, verliezen de burgers. Zij bepleiten een wijkenergiebedrijf dat de verduurzaming van de woningen aanpakt, de gemeenschap wordt ook gebruikt voor creatie van werkgelegenheid. Het beheer wordt door de gemeenschap gedaan en sociale ondernemingen die verduurzamings­ maatregelen uitvoeren en mensen lokaal en goed aan werk helpen. Amsterdam wordt dit ook nagestreefd door in te zetten op Community Wealth Building.

32

Bijlagen deel II

Voor de potentie van het maatschappelijk initiatief en aanvullende argumenten citeren we graag Waag Futurelab (Veenkamp et al., 2023): • Maatschappelijke initiatieven zoals burger­ coöperaties mobiliseren de gevoelde urgentie en het enthousiasme van burgers voor de energietran­sitie. Ze brengen kennis mee over hun omgeving, initiëren veranderingen met een hogere mate van sociale acceptatie en legitimiteit dan conventionele top-down aanpakken en dragen bijvoorbeeld bij aan draagvlak voor hernieuwbare energie in de publieke ruimte. • De verbondenheid van maatschappelijk initiatief met de lokale omgeving draagt bij aan een integrale gebiedsgerichte aanpak van opgaven. Grote transities zijn in het dagelijks leven innig met elkaar verweven. In maatschappelijke initiatieven komt die verwevenheid goed tot zijn recht. • Het versterken van de positie van maatschappelijk initiatief, in haar relatie tot publieke en private partijen, draagt de belofte in zich dat opbrengsten van investeringen terugvloeien naar de (lokale) omgeving. In financieel opzicht is er kostenbesparing mogelijk waarmee wordt bijgedragen aan brede welvaart en bestaans­ zekerheid. Daarnaast wordt het sociale weefsel van de maatschappij opgebouwd. Het levert handelingsperspectief op voor bewoners ­waarmee ze grip krijgen op hun leven en leefomgeving.

Argumenten • Maatschappelijke waardecreatie: het versterken van het sociale weefsel en de maatschappelijke betrokkenheid in de samenleving door toenemend eigenaarschap en zeggenschap. • Waardecreatie en lokale economie: naast het versterken van sociale cohesie (zoals hierboven benoemd), ontstaat ook financiële waarde. De waarde die ontstaat kan lokaal worden geherinvesteerd. Hiermee ontstaan nieuwe waarde-modellen en versterkt de lokale economie. Een energievoorziening in civiel-publieke handen komt tegemoet aan de wens voor brede welvaart en bestaanszekerheid. • Innovatie voor sterke decentrale energiesystemen: Energiecoöperaties spelen een rol in onderzoek en innovatie. Bijvoorbeeld levering van energie aan leden tegen kostprijs+, werken aan cable pooling, opzet van een grote (buurt)batterij en onderzoek naar een coöperatieve aggregator. De inzet op het afstemmen van lokaal gebruik op energieproductie en ontsluiten van flexibiliteit brengt de ontwikkeling van decentrale energiesystemen verder en biedt oplossingen voor netcongestie. • Innovatie in energiedienstverlening: nieuwe kennis over het inrichten van (open source) technologie oplossingen en juridische entiteiten om energie onderling uit te wisselen of onderling te optimaliseren. • Strategische autonomie en veerkracht. Zowel op geopolitiek als op lokaal niveau wordt de autonomie vergroot.

Door in te zetten op lokale opwek en lokaal gebruik en gedistribueerd systemen vergroten burgers en MKB de controle over hun energie en hun zelfvoorzienendheid. • Verduurzamingsdoelen dichterbij. De opgave om energie te verduurzamen is groot en complex. Maatschappelijk initiatief zet veranderkracht en handelingsperspectief van de samenleving in en vergroot draagvlak voor ingrijpende duurzaamheidstransities. Zo kan maatschappelijk initiatief de ­energietransitie in het algemeen versnellen.

Als coöperaties bijdragen van de overheid ontvangen is de vraag gerechtvaardigd hoe een coöperatie zich ontwikkelt. Behoudt ze een lokale identiteit (voor en door bewoners) of wil ze groeien naar een sociale onderneming (met bescheiden winst voor lokale aandeelhouders) of naar een zelfstandige marktpartij? Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners verwoordt het best mooi: als gemeenschap zoek je geen verdienmodel maar een dienmodel om in basisbehoeften te voorzien (Notten & Hekman 2022).

33

Gemeente zet op alle fronten in voor succesvolle transitie

8

Bijlagen deel II

De gemeente onderkent het belang van de energiecoöperaties bij de energietransitie. Maatschappelijke initiatieven kunnen nooit in de gehele energievraag voorzien en zijn bij uitstek geschikt om een rol te spelen in lokale opwek voor lokaal gebruik. Daarnaast zal het bedrijfsleven een belangrijke rol blijven spelen. Belangrijk om te onderkennen dat het gaat om én én: iedere partij is nodig om de energietransitie te laten slagen en goede samenwerking is een absolute voorwaarde. De gemeente beseft dat ze vanuit verschillende posities moet opereren op het gebied van de energietransitie. Dat vertaalt zich in activiteiten vanuit elke mogelijke rol van de overheid (Steen et al., 2015). De coöperaties moeten zich beseffen dat de gemeente deze rollen tegelijk inzet om de ambitie van de energietransitie te realiseren. De Rechtmatige overheid is evident aanwezig door het maken van beleid, regelgeving en vormgeven aan een rechtvaardige energietransitie. De Presterende overheid is een overheid zelf de verantwoordelijkheid neemt, die zelf uitvoert of laat uitvoeren als opdrachtgever9. Het komt ook naar voren door het vormgeven aan bv ‘right to challenge’, de gedachten aan een eigen energiebedrijf, opwek van warmte via het Afval Energie Bedrijf. Door de 9 De gemeente Groningen zit ook sterk in dit kwadrant: Groningen voert windprojecten voortaan in eigen beheer uit.

De gemeente bepaalt vervolgens zelf waar de voorziene opbrengsten in het kader van de energietransitie aan worden besteed. (Bestrijding energiearmoede, compensatie naastliggende bewoners etc.)

Vanuit resultaten naar randvoorwaarden Presterende overheid

Samenwerkende overheid

New Public Management (NPM)

Network Governance (NG)

Vanuit de overheid naar de samenleving

Vanuit de samenleving naar de overheid

Public Administration (PA)

Societal Resilience (SR)

Rechtmatige overheid

Responsieve overheid

Vanuit randvoorwaarden naar resultaten Bron: Steen et al., 2015:23

35

Bijlagen deel II

opdrachtgever–opdrachtnemer relatie vallen aanbestedingen (merendeels) in deze categorie. Aan deze rol is ook een sterke neiging tot control en beheersing verbonden. De Netwerkende overheid komt ook regelmatig aan de orde. Ze voert nadrukkelijk regie op basis van een agenda (bijvoorbeeld Nieuw Amsterdams Klimaat: Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050) en probeert partijen te verbinden aan de uitvoering daarvan. Dit is voor de energietransitie een belangrijke rol van de overheid. Ze weet dat ze het niet alleen kan en voor uitvoering van de agenda afhankelijk is van vele andere stakeholders. Niet alleen in samenwerking met ‘de markt’, maar het kan ook samenwerking zijn met maatschappelijke partners en civiel-publieke samenwerking. Denk aan de samenwerking van de gemeente met Vattenfall, netbeheerders, woningbouwcorporaties en ook de samenwerking met (koepels van) energiecoöperaties. Steeds op basis van een duidelijke agenda van de gemeente. Wanneer de coöperaties spreken over een gelijkwaardige samenwerking past dit goed bij de netwerkende overheid (horizontale samenwerking is kernelement van dit kwadrant). De Responsieve/participerende overheid is het lastigst vorm te geven. Hieronder vallen met name bottom-up-initiatieven. De overheid mag zich aanbieden om mee te doen maar is dat niet verplicht. De overheid biedt vervolgens ruimte en ondersteuning aan een initiatief.

En het hoeft niet te gaan om een al geïnstitutionaliseerde partij. Lokale initiatieven vallen hieronder. De overheid zal niet elk initiatief ondersteunen, vooral niet als er bij de netwerkende overheid een duidelijk framework ligt over wat wel en wat niet past in het gewenste beeld van de overheid, en dient

hier helder over te communiceren Voor onderling vertrouwen en samenwerking tussen overheid en initiatieven is duidelijkheid gewenst over het opereren van de gemeente: wat doet ze vanuit welke belang en welke rol? Wanneer kiest de gemeente bijvoorbeeld voor het warmtenet van Vattenfall? Wanneer prefereert ze in een gebied een warmtecoöperatie? Het vormgeven aan een netwerkende en vooral aan een responsieve overheid is relatief nieuw en er is nog geen solide instrumentarium dat werkt. De energiecoöperaties bieden soms iets aan waar de gemeente nog niet op is voorbereid of vraagt een energiecoöperatie iets van de gemeente waarover ze simpelweg nog niet beschikt. Voor de gemeente is het ontwikkelen van een nieuw instrumentarium ook uitdagend. De neiging om op oude, vertrouwde instrumenten terug te vallen is groot. ‘Nieuw’ wordt gezien als een risico. Het vereist moed en doorzettingskracht van de gemeente om vol te houden om voor iets veelbelovends, maar onbekends te gaan. Het vraagt ook een nieuwe houding van de coöperaties: als je samenwerkt met een responsieve overheid, moet je ook oppassen dat je haar niet aanspreekt in de rol van presterende overheid.

36

Wenkende perspectieven

9

Bijlagen deel II

In de gesprekken met APEC en de Gemeente werd door meerdere mensen de wens geuit te willen werken aan een gezamenlijk gedragen toekomstperspectief. Een stip op de horizon die richtinggevend is voor het handelen. En behalve dat toekomstperspectief moeten we ook concrete (kleine) stapjes benoemen, die nodig zijn om dat perspectief op langere termijn te bereiken. Het gaat dus zowel om het samen definiëren van dat langetermijnperspectief als om de korte termijn­ acties. Het perspectief biedt een helder kader waarbinnen de acties geplaatst kunnen worden. Hier wordt een voorzet voor twee perspectieven die richting kunnen geven aan het handelen voor de energietransitie en vorm kunnen geven aan de samenwerking tussen gemeente en energie­­­ coöpeaties. Beide perspectieven vullen elkaar aan en versterken elkaar. We proberen de perspectieven zo simpel mogelijk te houden: voorstelbaar, ­realiseerbaar en (hopelijk) aantrekkelijk. Na dit hoofdstuk gaan we in op een aantal bouwstenen waarmee we stapsgewijs kunnen werken aan de realisatie van de perspectieven.

Perspectief 1 Op weg naar energie(warmte-) gemeenschappen De introductie van het begrip gemeenschap biedt een gewenste verbreding buiten het veld overheid en markt. Momenteel is dit echter nog niet geheel uitgekristalliseerd. Energiegemeenschappen mogen (onder andere) de volgende activiteiten uitvoeren: opwekking, distributie, levering, verbruik en aggregatie van energie, energieopslag, diensten voor energie-besparing, oplaaddiensten voor elektrische voertuigen. De nieuwe vorm van energiegemeenschappen is veelbelovend voor een nadere invulling van publiek-civiele samenwerking. Hij biedt de overheid een ander perspectief dan marktdenken of zuivere nutsvoorziening onder verantwoordelijkheid van de overheid zelf (gemeentelijk energiebedrijf). Daarvoor

kunnen ook andere financiële arrangementen gelden (meer subsidie, minder/geen aanbesteding). De EU-regelgeving geeft de overheid de ruimte om een energiegemeenschap rechten (voor ont­ wikkeling, realisatie en exploitatie) toe te kennen, zonder toepassing van het aanbestedingsrecht. Dat zou betekenen dat door het instellen van energiegemeenschappen er naast een publiek-­privaat domein meer ruimte komt (onder andere voorwaarden) om een meer publiek–civiel domein vorm te geven. Subsidies zijn een geëigend middel om maatschap­ pelijke initiatieven te ondersteunen. Dit schept kansen voor een meer bottom-up benadering van de energietransitie. Het biedt ook meer ruimte voor invulling van een netwerkende en participerende overheid en verbreedt daarmee het instrumentarium van de overheid. Die moet daar wel bewust mee aan de slag willen. Anders valt ze terug op instrumentarium dat paste in een andere rol, die van de presterende overheid.

38

Bijlagen deel II

Advies

Advies

Laat juristen bij de gemeente (liefst in samenspraak met het Rijk) op korte termijn nagaan of de EU-regelgeving inderdaad mogelijkheden biedt om rechten aan energiegemeenschappen toe te kennen, zonder dat aanbestedingsrecht van toepassing is. En zo ja, onder welke voorwaarden.

Ga beleid van de gemeente Amsterdam zo snel mogelijk richten naar het systeem van de energiegemeenschap (en warmtegemeenschap als subcategorie) en stel dit in plaats van de (preferente) positie van de coöperaties.

EnergieSamen noemt drie kenmerken van een energiegemeenschap: • Het is democratisch georganiseerd. • De zeggenschap ligt bij lokale belanghebbenden (leden of aandeelhouders die in de nabijheid van de hernieuwbare energieprojecten zijn gevestigd). • Hoofddoel is het bieden van milieu-economisch of sociale gemeenschapsvoordelen aan haar leden of aandeelhouders (en niet het realiseren van winst voor aandeelhouders). Het is wenselijk dat de gemeente samen met de (potentiële) gemeenschappen gaat bepalen wat de nadere invulling voor Amsterdam kan zijn en waar ‘gemeenschappen’ meer kansen bieden voor de energietransitie en voor een publiek-civiele instrumentarium. Amsterdam kan de energiegemeenschap ontwikkelen als (nieuwe) benchmark. Amsterdam kan daar een voorhoederol in spelen, los van de discussies op Rijksniveau. Dat vereist durf en commitment van meer stakeholders dan de gemeente alleen.

Onderzoek ook de mogelijkheden voor synergie en partnerschap tussen lokale gemeenschap, lokale (kleine) bedrijven, en lokale overheid in een energie-(warmte-) gemeenschap als (nieuwe) rechtsvorm. Regel in het beleid rond energiegemeenschappen zowel de sociale participatie, de financiële participatie als het eigendom van en de zeggenschap over een project.10

Juist de kans om de publiek–civiele relatie te versterken is zeer waardevol bij het vormgeven van energiegemeenschappen. Tegelijk moeten we er voor zorgen dat civiel ook civiel blijft. De geschiedenis leert dat een coöperatie zich kan ontwikkelen tot een marktbedrijf. Als bij de ontwikkeling van de coöperatie publiek geld gemoeid is geweest, is het belangrijk dat er vanaf het begin duidelijkheid is over de voorwaarden die gesteld worden. Het advies van de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam over lokaal eigendom gaat dan ook in op het voorkomen van doorverkoop en geeft aan dat onderzocht moeten worden of het uitsluiten van doorverkoop juridisch haalbaar is op grond die wel en die niet in eigendom is van de overheid.

10 Gelijk aan advies SARA (2024)

Perspectief 2 Systeemintegratie: Naar een integrale aanpak Op dit moment richten de meeste energiecoöperaties in Amsterdam zich op de productie van energie. De energietransitie gaat niet alleen om energieproductie: het gaat ook om isolatie van de woningen, beheersbaar en voorspelbaar houden van de kosten van energieen warmtelevering (betaalbaarheid nu en op langere termijn), zorgen voor een balans in de energieproductie en energie-afname (cultuur­verandering/slim gebruik en opslag). We bepleiten dan ook om de transitie­ opgave voor energie (naast lokaal - zie perspectief 1) meer integraal te benaderen. Groei toe naar een aanpak waarin in een gebied gestreefd wordt naar een lokale balans van energie door een combinatie van opwek (met name warmte en zon), opslag (grote batterijen maar ook laadpalen), distributie en levering. Coöperaties hebben, juist bij aanpassingen in de directe leefomgeving en in de eigen woning, een groot voordeel door hun verankering bij bewoners. Hoe inzichtelijker en hoe meer zeggenschap hoe beter het commitment is. Een belangrijks sleutel daarvoor zit ook bij lokale gemeenschappen. Sommige coöperaties (bijvoorbeeld Weesp Duurzaam) bieden al een meer integrale benadering. Behalve aan een lokale integrale benadering moet ook aandacht besteed worden aan de samenhang tussen de lokale gemeenschappen in Amsterdam.

Die samenhang op Amsterdams niveau leidt tot een betrouwbaar en samenhangend energiesysteem. Zo’n samenhangend systeem kan ook een goed verhaal opleveren van een Amsterdamse aanpak waarbij betrouwbaarheid, betaalbaarheid en gezamen­lijkheid leiden tot acceptatie onder burgers (één verhaal voor Amsterdam).

39

Bijlagen deel II

Advies

Advies

Ontwikkel als gemeente met de coöperaties (en eventueel ook met andere marktpartijen) een toekomstperspectief waarbij er in het eindbeeld meer een integrale (coöperatieve) benadering tot stand komt waarbij opwek, opslag, distributie en levering directer met elkaar verbonden zijn en verbonden met een energiegemeenschap en de gemeenschappen in Amsterdam verbonden met elkaar.

Ga tussen de gemeente en coöperaties (niet alleen (zonne-)productie maar ook bijvoorbeeld ook coöperaties als Meerdelen) het gesprek aan hoe gemeenten en coöperaties zich voorbereiden op de volgende fase waarin lokale opslag (battery-ready) in de gemeente een belangrijkere rol gaat spelen. Zijn coöperaties rond lokale opslag gewenst zijn? Of kunnen bestaande lokale coöperaties met opslag kunnen worden uitgebreid?

Versterk de communicatie rond het belang van coöperaties bij de energietransitie. - Maak een gezamenlijk verhaal over belang van energietransitie én lokaal eigenaarschap. - Ontwikkel gezamenlijk (gemeente en ­coöperaties) een communicatiestrategie en uitvoeringsplan.

Onderzoek binnen de gemeente of er een prikkel gegeven kan worden aan gebruik van batterijen, met name waar het de lokale (buurt-)balans kan versterken.

Einde salderingsregeling Door de groeiende beschikbaarheid van zonne-­ energie en de netcongestie door teruglevering, rijst de vraag hoe Amsterdam zich voorbereidt op de netcongestie en op het einde van de salderings­ regeling11. Een rol hierbij speelt ook de aanleg van laadpalen en laad­pleinen waarbij het niet alleen meer gaat om laden maar ook van tweezijdig beschikbaar stellen van energie. Deze koppeling tussen opwek en laadinfrastructuur kan samen met de bestaande energiecoöperaties gebruikt worden als 1e uitwerking van lokale integratie.

11 In Hoofdlijnenakkoord tussen fracties PVV, VVD, NSC en BBB voorzien op 1 januari 2027

Bron: Zuiderlicht

40

Bouwstenen

10

Bijlagen deel II

Sterke troef voor energie­ coöperaties is de lokale verankering Belangrijk is dat de coöperaties/gemeenschappen lokaal verankerd zijn. De meest gewenste vorm is een aanpak in een buurt waar het initiatief door de lokale gemeenschap wordt gedragen. Zonder een sterke lokale borging is het lastiger aan te geven waarom een coöperatie echt een voorrangspositie verdient. Ze concurreren vaak ook met andere organisatievormen en missen een duidelijke link met de buurt waarin het project plaatsvindt (dit speelt vooral bij windcoöperaties, behalve bij coöperaties op bedrijfsterreinen). In buitenlandse voorbeelden (EcoPower) blijkt lokale binding afwezig, wordt aan aandeelhouders een rendement van 4% uitgekeerd en is de scheidslijn met een Social Enterprise dun. De gemeente streeft naar een groot aandeel lokaal eigendom. Maar wat we precies onder lokaal eigendom verstaan, blijft onduidelijk. Hierdoor ontstaat een grote interpretatievrijheid en die vrijheid wordt ook genomen. Het rapport van de Rebelgroup (27-10-2023) constateert dit ook en doet concrete aanbevelingen om lokaal eigendom goed te definiëren.

Zij omschrijven de kern van lokaal eigendom als: • Eigen vermogen ingelegd door (een deel van) de lokale gemeenschap.12 • De lokale gemeenschap bestaat uit de directe omgeving van het project.

Advies De gemeente moet veel preciezer definiëren wat in de Amsterdamse context verstaan wordt onder ‘lokaal’ en ‘lokaal eigendom’, en wat daarmee beoogd wordt.

In de context van het toenemende belang van energiegemeenschappen is het wenselijk om niet alleen over het begrip ‘lokaal’ scherp te zijn, maar ook over het begrip ‘eigendom’.

Wat is lokaal? Dat sluit het beste aan wat volgens mij voorwaardelijk is om lokale coöperaties een preferente positie te geven: voor de door de lokale gemeenschap. Misschien kunnen of willen burgers in de directe omgeving geen eigen vermogen inleggen, maar ze staan wel achter het project dat in hun ‘achtertuin’ wordt gerealiseerd. In het beleid van de gemeente staat dat het gericht is op het steunen van initiatieven en coöperaties waarbij windturbines worden ontwikkeld met minimaal 50 procent lokaal eigendom. Het is onduidelijk wat hier precies verstaan wordt onder ‘lokaal’.

12 In dit stuk wordt regelmatig gesproken over burger. Echter ook lokaal eigenaarschap door bedrijven (bedrijvencoöperatie) past hierin (denk aan Westelijk Havengebied) waar ook lokale oplossingen gezocht worden voor de energietransitie.

Achterliggend doel is dat de opwek ten gunste komt van de lokale gemeenschap en dat eventuele opbrengsten gedeeld kunnen worden in binnen die gemeenschap. In tegenstelling tot bijvoorbeeld windmolens in gemeenten in Friesland is in Amsterdam de verbinding tussen lokaal initiatief en de omgeving waarin een windmolen gebouwd wordt veel minder sterk. Wat is in Amsterdamse context de directe omgeving? Het rapport Meer Draagvlak voor de Energietransitie zegt terecht dat “maatschappelijk initiatief ontstaat vanuit de intrinsieke motivatie van burgers om vorm te geven aan hun directe omgeving. De nabije omgeving is de plek waarop maatschappelijke initiatieven direct waarde opleveren: mensen die met elkaar iets organi­seren versterken het sociale weefsel in buurten” (Veenkamp et al., 2023). Ik zou ook het liefst zo dicht mogelijk blijven bij begrippen als de wijk/buurt of de directe leefomgeving13. Ook in het advies van de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam wordt hierop ingegaan. Er wordt aangegeven dat mensen alleen binnen een redelijke straal (postcode of maximaal een wijk) lid kunnen worden van een energiegemeenschap14.

13 Amsterdam kent 110 wijken en 518 buurten 14 SARA-Advies lokaal eigendom (2024)

42

Bijlagen deel II

Advies Vul als gemeente samen met de (energie-)coöperaties een meer lokale benadering op buurt-/wijkniveau in waardoor de directe gemeenschap zich meer verbonden voelt en verbinding (zeggenschap/eigenaarschap) kan voelen met de energietransitie. Zorg dat coöperaties van zon en wind een sterke lokale (buurt/wijk-gebonden) binding hebben waarbij duidelijk is dat de buurt ook meer profiteert dan van alleen coöperatief stroom opwekken. Definieer als gemeente veel scherper wat verstaan wordt onder lokaal en koppel dit aan een beperkt geografisch gebied (maximaal wijkniveau). Daardoor wordt beter invulling gegeven aan voor-en-door-de-buurt en wordt meer lokaal eigenaarschap (met aandelen of door verantwoordelijkheidsgevoel) ook beter gestimuleerd. Koppel aan deze definitie ook scherper de mogelijk­ heden voor (aanvullende) subsidiëring van of leningen onder gunstige voorwaarden voor coöperaties.

Wat is eigendom? Het is het overwegen waard om het begrip ‘lokaal eigendom’ te vervangen door het wat bredere begrip ‘lokaal eigenaarschap’. Je kan je verantwoordelijkheid nemen en je eigenaar voelen van een project, zonder je ingekocht te hebben (eigen vermogen te hebben ingebracht). De enge definitie van eigendom past eigenlijk niet bij een beweging die over meer wil gaan dan over bezit. Het gaat over lokaal engagement, verantwoordelijkheid voelen en nemen.

Van belang is hierbij dat de betrokkenen (al dan niet als ‘aandeelhouder’) direct belang ervaren bij het project in hun buurt/wijk. Dit betekent dat een initiatief met een project dat een stadsdeel of zelfs Amsterdam als gebied definieert, niet aan de eisen voldoet. Daaruit volgt dat een warmte-energieproject als bijvoorbeeld Ketelhuis-WG volledig aan die eisen voldoet. Een windenergieproject met aandeelhouders buiten de buurt/wijk zelf, voldoet niet aan die eisen. Door een strakkere definitie te hanteren kan de gemeente ook beter afwegen waar gemeentegeld kan worden ingezet als subsidie of goedkope lening.

Advies Onderzoek of het begrip lokaal eigendom verbreed kan worden naar lokaal eigenaarschap en lokale verantwoordelijkheid om de betrokkenheid te vergroten van bewoners die niet direct financieel kunnen participeren. Geef als gemeente precies aan wat onder lokaal eigenaarschap wordt verstaan.

Herijking Transitievisie Warmte In de huidige Transitievisie Warmte geeft Amsterdam aan voor iets meer dan de helft voor de verwarming in te zetten op grootschalige warmtenetten. Deze keuze werd ingegeven door de verwachting dat dit gepaard ging met de laagste maatschappelijke kosten. De vraag is of dit - nog los van de problemen met draagvlak in de buurt en garanties voor betaalbaarheid - heden ten dage nog steeds geldt.

Het is de vraag of een grote stadsverwarmingsnet rendabel zal zijn in de buurten die destijds zijn aangewezen. Daarnaast is er weerstand bij bewoners die vaak aangeven moeite te hebben met een commerciële monopolist. Natuurlijk draagt een groot warmtenet bij aan de energietransitie, maar de vraag is of dat in dezelfde omvang zal zijn als in eerste instantie werd gedacht. Een warmtenetwerk dat warmte over grote afstand moet transporteren zal ook niet erg kostenefficiënt zijn. Veel warmte gaat al tijdens het transport verloren. Daarom moeten we de mogelijkheid van buurt­ warmtenetten onderzoeken. Lokale opwek en lokaal gebruik van warmte kan in sommige delen van Amsterdam efficiënt zijn. Een bijkomend voordeel is dat ze van onderop tot stand komen waardoor het initiatief en het draagvlak verankerd is bij bewoners en ondernemers in de buurt. In navolging van MeerEnergie en KetelhuisWG komen er steeds meer initiatieven voor lokale warmtenetten. Zonder een duidelijk perspectief voor lokale warmtenetten blijft onduidelijkheid bestaan over de kansen voor coöperaties voor lokale warmtenetten.

43

Bijlagen deel II

Advies De gemeente moet bij de herziening van de Transitievisie Warmte zo snel mogelijk met onder andere warmte-coöperaties bezien waar alternatieven voor grootschalige warmtenetten overwogen kunnen worden en meer ruimte kan worden gegeven aan lokale warmtenetten. Ook zal de gemeente duidelijkheid moeten verschaffen in welke gebieden ze daarover nog niet kan beslissen en waar ze lokale warmtenetten als niet realistisch beschouwd. Waar de gemeente ruimte ziet voor lokale warmte-­ initiatieven, moet ze de bijzonder positie van buurt­ initiatieven erkennen en stimuleren. Vervolgens zullen voor die locaties buurtwarmtenetten verder ondersteund moeten worden door kennis beschikbaar te stellen en waar mogelijk gebruik te maken van gestandaardiseerd instrumentarium om vaart te kunnen maken.

Bijstelling Transitievisie Warmte Amsterdam Aanleiding onder andere

Werkproces Warmteprogramma

• Actuele ontwikkelingen • Fluctuerende energieprijzen • Meer inzet op isolatie • Normering verwarmingsinstallaties per 2026 • Nieuwe wetgeving

1. Analyses om te komen tot een geactualiseerde warmtekoers 2. Notitie van uitgangspunten (najaar 2024) 3. Uitvoeringsstrategie 4. Vaststelling warmteprogramma door college (begin 2026) 5. Buurtuitvoeringsplannen 6. Wijziging Omgevingsplan

Gestart wordt met een herijking van de uitgangs­punten (onder andere keuzes op basis van de laagste ­maatschappelijke kosten en het leveren van een bijdrage aan de reductie van CO2-uitstoot). Onderdeel van die herijking zijn onder andere gesprekken met interne en externe stakeholders en participatie (bewoners en bewonersinitiatieven) tot najaar 2024.

Kaart Transitievisie Warmte 2020 met per buurt het voorkeursalternatief voor een warmteoplossing

44

Bijlagen deel II

Bouw een solide ondersteunend instrumentarium

Advies

Veel gesprekspartners geven aan dat we nog aan het pionieren zijn. Tegelijk is er een roep om een eenduidig instrumentarium en gestandaardiseerde processen. Deze dragen bij aan voorspelbaarheid en kan de uitvoering versnellen. Eerder werd al aange­ geven dat vooral het vormgeven aan publiek-civiele samenwerking nog in ontwikkeling is. Toch zijn er een aantal instrumenten waarmee al ervaring is opgedaan en die nu beter verankerd kunnen worden in beleid. In Zelfbeheer in de warmtetransitie (Notten & Hekman 2022) worden een aantal instrumenten beschreven die bij kunnen dragen aan het versterken van de positie van de gemeenschap.

Werk het opgroeirecht nader uit voor de gemeenschap als nieuwe vorm van publiek-civiel instrumentarium en als alternatief voor de traditionele verhouding markt-overheid.

Een passend instrument dat veel wordt genoemd is het opgroeirecht. Ook daarin wordt een aantal fasen benoemd die achtereenvolgens doorlopen worden (Veenkamp et al., 2023). Pas als een fase succesvol wordt afgesloten kan doorgegaan worden naar de volgende fase. 1. Initiatiefrecht 2. Bewonersinitiatief heeft mogelijkheid voor zelfbeheer en mag daarvoor een plan maken 3. Ontwikkelrecht 4. Realisatie

Onderzoek ook wat dit betekent voor het omgaan met staatssteun en de financieringsmogelijkheden. Zorg dat opgroeirecht verankerd wordt in bovenstaande fasen voor in ieder geval warmte-energie-initiatieven.

Bij initiatieven voor warmtenetten door lokale energiegemeenschappen is het belangrijk dat een initiatief vlot doorontwikkeld kan worden naar ontwikkeling en exploitatie, mits het haalbaarheids­ onderzoek (lokale borging, technisch, businesscase) ook succesvol wordt doorlopen. Voor de initiatieffase kan (beperkte) subsidie verstrekt worden. Daarbij moet de gemeente vooraf wel heldere criteria stellen in welke gevallen een initiatief voor subsidie in aanmerking komt. Wellicht is niet overal in de stad een (warmte-)initiatief gewenst. Na een positief afgesloten initiatieffase geeft de gemeente een eerste ontwikkelrecht aan het initiatief. Verwacht mag worden dat een van de eerste onder­ delen van de 2e fase het ­haalbaarheidsonderzoek is. We gaan er niet van uit dat het initiatief in deze ontwikkelfase al over voldoende financiële middelen beschikt, dus ligt het voor de hand dat de gemeente het haalbaarheidsonderzoek (mede-) financiert. Een haalbaar plan kan vervolgens tot kaveltoewijzing aan de gemeenschap leiden.

Deze aanpak zou een gezamenlijke ontwikkelvorm kunnen zijn waarbij samenwerking centraal staat. De energiegemeenschap heeft het initiatief en is eigen opdrachtgever. De gemeente heeft meer een regierol (al dan niet op afstand), maakt waar nodig de ontwikkeling mogelijk en houdt (zo licht mogelijk) toezicht.

Advies Er moet een duidelijk kader komen over welke fasen een initiatief kan doorlopen, welke ondersteuning de coöperatie per fase mag verwachten, welke instrumenten in welke fase ingezet kunnen worden en welke eisen de gemeente stelt aan het begin en eind van elke fase. Daarbij dient gebruik gemaakt te worden van de geleerde lessen van de pilots die reeds hebben plaatsgevonden (met name voor warmtecoöperaties).

Nutsvoorziening en de vrije markt Hoewel de komst van energiegemeenschappen een impuls kan geven aan een invulling van het speelveld tussen publiek-civiel, merken we dat er nog steeds veel aandacht uitgaat naar hoe de energietransitie vormgegeven kan worden, als we uitgaan van de huidige ordeningsprincipes. Daarom geven we hier ook aandacht aan een bouwsteen die meer aansluit bij een traditionele benadering.

45

Bijlagen deel II

Beschikbaarheid van energie en warmte is een nutsvoorziening. Iedere burger moet daarover kunnen beschikken. Bovendien is het een economische activiteit15. Soms zal er ten aanzien van energie sprake zijn van een reguliere markt (bij zonne-energie is dit (bijna) het geval), vaak ook van een onvoldragen markt: er zijn onvoldoende marktinitiatieven. Daardoor zal de overheid extra geld beschikbaar moeten stellen om de transitie binnen het afgesproken tijdvak (2040-2050) te voltooien. Hierdoor zullen transacties wel snel als staatssteun aangemerkt worden. Lysias16 betoogt dat als er sprake is van een onvol­ dragen markt, het in dat geval aan te bevelen is de regels van voor de Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) toe te passen. In haar advies aan Vallei Energie geeft Lysias aan dat de DAEB een goede rechtmatige staatsteunroute is. Als de financiering minder het karakter heeft van een opdracht, ligt het verstrekken van een subsidie meer voor de hand dan een aanbesteding. Een subsidie kan prima verantwoord worden onder de DAEB. Het voordeel van het geven van een subsidie is dat de overheid zelf mag bepalen wie wel of geen subsidie krijgt: op subsidie zit geen aanbestedingsplicht17.

15 Nog onduidelijk is wat het begrip gemeenschap zal doen voor de herordening tussen overheid en markt. Dit kan een derde positie gaan betekenen. In een volgende versie van het advies zal daar meer aandacht aan worden besteed. 16 Lysias, 16 november 2021, advies aan Vallei Energie Advies en Projecten. 17 Zo wordt ook onder een DAEB jaarlijks door de deelnemende gemeenten subsidie verleent aan een BV die onder AGEM (de koepel van energiecoöperaties en gemeenten in de Achterhoek) hangt. AGEM is daarvoor als DAEB aangewezen (bron: zelfbeheer in warmtetransitie).

Advies

Advies

Laat de juridisch experts bij de gemeente nagaan of het Lysias-advies valide is.

Ga ervaring opdoen als gemeente Amsterdam met het instrument DAEB. Start komend jaar een 2 of 3 experimenten waarin bekeken wordt hoe een DAEB als instrument gebruikt kan worden om aan de energietransitie bij te dragen of deze te versnellen. Stel een groslijst op van mogelijke projecten voor pilots met een DAEB (en selectiecriteria om daaruit te kiezen).

Onderzoek waar de gemeente voor de projecten rond de energietransitie gebruik kan maken van de regels van de DAEB. En ga daarbij na waar ze meer gebruik kan maken van subsidie in plaats van aanbestedingen.

Verschillende gemeenten hebben reeds ervaring opgedaan met het inzetten van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) voor lokale initiatieven die niet (direct) rendabel in de markt gerealiseerd kunnen worden. Omdat er meerdere partijen kunnen intekenen bij een DAEB, is het van belang dat de selectiecriteria goed gekozen worden. Bij de uitvraag is CO₂-reductie meer leidend dan de meest kosteneffectieve technologie.

Advies Als er gebruik gemaakt moet worden van een aan­ besteding (al dan niet binnen de regels van een DAEB), onderzoek dan welke specifieke randvoorwaarden aangescherpt kunnen worden, zodat de kans op lokale verankering (draagvlak, eigenaarschap) binnen (buurten van) Amsterdam kan worden verkregen.

Tot nu toe lijkt het eerder een (theoretische) ­overtuigingenstrijd binnen Amsterdam of een DAEB wel of niet kan bijdragen aan de energietransitie. Het is tijd om er praktische ervaring mee op te doen. Daarbij is het van belang om vóór de selectie van een aantal pilots met een DAEB aan te geven wat we ervan willen leren.

Dienstencentrum: Kennisdeling en kennisborging Amsterdam heeft voor de energietransitie gekozen voor een lerende aanpak. Een terecht keus, want dé aanpak is er (nog) niet en de ontwikkelingen (zowel technisch als qua beleid) volgen elkaar snel op. De trajecten met voorlopers en subsidies (bijvoorbeeld via het Duurzaamheidsfonds) helpen de ontwikkeling verder vorm te geven. In de gesprekken komt naar voren dat er weinig kennis wordt gedeeld en dat kennis versnipperd aanwezig is. De wens is om de kennisdeling en -borging structureler te organiseren, gebruikmakend van de ervaring van de koplopers. Er is behoefte aan een platform waar de juiste kennis en kenniseigenaar gekoppeld kan worden aan de kennisvrager. Het lijkt geen optimale route om de kennis per coöperatie te borgen. Als je als coöperatie al goed functioneert, kost het je alleen maar tijd om kennis te brengen en zal de kennis ook niet gestructureerd aangeboden kunnen worden. Voor een individuele coöperatie is het belangrijk te zorgen dat opgedane kennis geborgd wordt en niet verdwijnt als essentiële (interne) sleutelpersonen verdwijnen. Dat lijkt vooral een vraagstuk van de professionaliteit van de organisatie.

46

Bijlagen deel II

Kennisborging buiten de eigen coöperatie is essentieel om van nieuwe initiatieven te leren. Maar we moeten ook streven naar het ontwikkelen van ‘best practices’, om dan waar mogelijk te standaardiseren en te protocolleren. Daardoor kan er in het vervolg meer snelheid gemaakt worden, omdat we dan weten wat er nodig is en wat de beste route is. Het betekent ook kennis opdoen om te bepalen wanneer pionieren afgerond is en we in een meer reguliere fase zijn terechtgekomen. En om te bepalen wanneer een (aanvullende) subsidie of goedkope financieringsconstructie afgebouwd kan worden: ofwel omdat we in een volwassen fase terecht zijn gekomen, ofwel omdat we kunnen constateren dat we wel geleerd hebben maar ook weten dat het beoogde resultaat niet zal worden bereikt (technologisch niet haalbaar, financieel niet haalbaar, organisatorisch niet praktisch et cetera). Om bovenstaande redenen is het belangrijk om die kennisborging niet bij de coöperatie zelf te beleggen maar bij een groter verband waar breed leren gestimuleerd kan worden. Je hebt een platform nodig dat gezien wordt als (neutrale) kennisorganisatie en dat de juiste kennis snel beschikbaar kan stellen. Op die manier zorgen we ook voor versnelling: hetzelfde niet nog eens doen, maar overnemen wat werkt; geld toewijzen waar het echt nodig is.

In zo’n dienstenbedrijf wordt de kennis en het lokale netwerk ontwikkeld, gebundeld en beschikbaar gesteld. Een goed voorbeeld waar momenteel voor warmte-energie aan wordt gewerkt is het aangaan van een verbond met Energie Samen. Onderzocht kan worden of de koppeling aan de landelijke koepel kan plaatsvinden via een meer regionale/stadsregio-satelliet.

Advies Organiseer de kennisontwikkeling en -borging vooral in een apart Dienstencentrum. Ga uit van het samenbrengen van kennisontwikkeling en -borging in een reeds bestaande organisatie (Energie Samen?). Stel daar ook vanuit de gemeente Amsterdam subsidie voor beschikbaar. Onderzoek of er kennisontwikkeling, bundeling en beschikbaarstelling van kennis is die essentieel is maar niet via de bredere koepel geborgd kan worden. Overweeg om de bijdrage (en ondersteuning voor de initiatieffase) aan energie-initiatieven ook via deze organisatie te laten lopen. Voor goede borging met zowel gemeenschappen als de gemeente, overweeg om vanuit de gemeente 1 of 2 fte’s in die koepel te detacheren als liaison officer.

In de gesprekken komt regelmatig als onderdeel van kennisbehoefte de gewenste professionalisering naar voren. Veel coöperaties zijn gestart met bevlogen bewoners die steeds meer kennis en ervaring opbouwen maar lang niet altijd experts zijn in de energietransitie. Nu coöperaties een steeds belangrijkere rol spelen neemt ook de vraag naar professionalisering toe. Soms wordt aangegeven dat wanneer er niet geprofessionaliseerd wordt, de continuïteit van de coöperatie onder druk kan komen te staan (verjonging, carrièreperspectief).

Professionele ondersteuning maakt besturing door bewoners mogelijk. De gemeente Amsterdam kreeg al eerder advies over professionalisering van coöperaties18. We herhalen dat advies hier:

Advies “Ondersteun coöperaties met een professionalisering. Dat kan met directe middelen, maar met name door ervaring op te doen zoals reeds gebeurt. Stel daarbij wel eisen aan kennisborging en uitgangspunten op over hoe ver je als gemeente wil gaan in het ondersteunen van coöperaties”.

Tegelijk wordt ook duidelijk dat vraag naar en de vorm van professionalisering enorm verschilt bij coöperaties. Sommige willen vooral het bestuur professionaliseren, andere willen projectbureaus borgen et cetera, anderen willen de professionele ondersteuning graag extern inhuren (bijvoorbeeld bij het Dienstenbedrijf zoals hierboven beschreven). Het is nodig om goed na te denken over welke expertise je steeds op je eigen payroll wil hebben en welke je wil inhuren. Immers het gaat niet alleen om de professionalisering van de ene energiecoöperatie maar we moeten er ook voor zorgen dat nieuwe initiatieven zo snel mogelijk professioneel ondersteund worden om snel tot goede uitvoering te komen.

18 Rebel Group (27/10/2023) Onderzoek en advies financiële participatie Amsterdamse wind en zon

47

Bijlagen deel II

Een andere mogelijkheid is een model waarbij de gemeente in een coöperatie zelf gaat deelnemen. Dat is overigens een bekend model: denk aan deelnemingen in de RAI, Schiphol, NV Zeedijk.

Hoe kunnen we dat zo efficiënt mogelijk vormgeven? Voor de professionalisering gelden de eerdere adviezen (iets aangepast) over het traject met het Dienstencentrum. Ook om te zorgen dat de coöperaties zo lean and mean ingericht blijven en delen van expertise maximaal wordt gestimuleerd. Op die manier wordt het Dienstencentrum de ‘back-office’ van de coöperaties en worden die daarmee ontlast.

Advies Organiseer de professionalisering vooral door gebruik te maken van experts uit een Dienstencentrum. Haak daarbij aan bij een reeds bestaande organisatie (EnergieSamen). Stel daar als gemeente Amsterdam ook subsidie voor beschikbaar. Onderzoek of er expertise voor de individuele coöperatie is, die niet via de bredere koepel geborgd kan worden.

Amsterdams Transitiefonds Het is aan te bevelen om te onderzoeken of er binnen de gemeente één breder transitiefonds kan komen. Het is niet wenselijk om alleen naar het Rijk te kijken voor vulling van het fonds. De gemeente kan verschillende bestaande potjes en fondsen bij elkaar voegen en kijken wat er dan nog ontbreekt om de ambitie te realiseren. Kan dat niet bijgeplust worden, dan moeten we de doelen realistische bijstellen, zonder dat we de ambitie opgegeven. Daar moet dan wel over gecommuniceerd worden. Op basis van de realistische mogelijkheden kan een afweging gemaakt worden in het belang van de projecten (op basis van een heldere prioritering en de beleidsdoelen). Met name voor warmte (en in mindere mate voor wind) geldt dat er in de pre-uitvoeringsfase veel ontwikkelgeld nodig is, die tot nu toe moeizaam uit de markt gehaald kan worden. Dit komt omdat de markt het risico van mislukken voor de exploitatiefase vrij hoog inschat. De gemeente kan hier een rol spelen door garantstelling of door zelf een lening te verstrekken vanuit een fonds (al dan niet met andere partners gefund).

Als eerste stap kan je ook beginnen met een fonds met een aantal miljoen waarbij de energiecoöperaties (maar wel een bredere definitie dan alleen de coöperaties in de huidige APEC) samen met de gemeente het geld verdelen. Daar moeten nog wel criteria voor opgesteld worden. Denk bijvoorbeeld aan: besteding aan versnelling van de uitvoering, of dat een deel van de voeding van het fonds in latere jaren moet komen uit de opbrengsten van de coöperaties et cetera.

Advies Onderzoek de mogelijkheden van een fonds waarvan alle energiecoöperaties samen met gemeente de besteding bepalen. Onderzoek of het fonds (deels) ook gebruikt kan worden om het opgroeirecht beter te verankeren. Wanneer de gemeente ook financieel bijgedragen heeft bij de totstandkoming van de energiecoöperatie (ook in de vorm van subsidie) zouden voorziene opbrengsten eerst kunnen terugvloeien in dit fonds, dat gericht is op het verder brengen van de energietransitie (hetzij als investeringsfonds voor nieuwe initiatieven, hetzij als bron om energiearmoede tegen te gaan).

48

Bijlagen deel II

Specifieke problematieken

Zon-coöperaties

Producerende coöperaties die zich richten op zon, wind of warmte, zitten in verschillende (technische) fases en hebben met andere problematieken te maken en dus ook een andere samenwerkings­ behoefte met de gemeente. Omdat we ons in deze tussenrapportage vooral richten op de hoofdlijn en bouwstenen, gaan we hier nu niet uitgebreid op in. Wind en warmte vergen veel ontwikkelingstijd en een grote voorinvestering en hebben een hoog risico. Dat betekent dat duidelijk aangegeven moet worden waar ontwikkelgeld vandaan moet komen en wie het risico loopt als het project niet haalbaar blijkt te zijn. Warmte-coöperaties hechten met name waarde aan afdekken van risico’s in de pre-exploitatiefase. Het is belangrijk dat de gemeente een instrument heeft om ervoor te zorgen dat ze meer garant staat voor de risico’s als het project niet van de grond komt.

Deze lijken op projectniveau een goede samen­ werking te hebben, maar er is op lange termijn geen duidelijk (gedeeld) perspectief. Ze zitten in de fase van focus op uitvoering en beheer. De organisaties hebben ervaring met projecten, hebben veelal een professionele projectenorganisatie en kunnen eenvoudiger kopiëren van wat elders al werkte. Voor zon zijn de huidige regelingen voor financiële ondersteuning meestal toereikend. Wel lopen ze in de uitvoering tegen belemmeringen aan waarbij de gemeente een bemiddelende of wellicht regelstellende rol kan vervullen om de uitvoering te versnellen. Voor zonne-energie is de beschikbaarheid van zonnedaken in Amsterdam het belangrijkst. De coöperaties geven aan dat er in de komende periode vooral kansen liggen op daken van VVE-s en woningbouwcorporaties.

Zoals eerder benoemd is voor wind de binding met de lokale gemeenschap lastiger te maken. Ook de zoekruimte voor wind is zeer beperkt. Met name voor windmolens op bedrijventerreinen liggen er wel kansen voor coöperaties.

Advies Geef bij een preferente positie van wind-coöperaties bij de ontwikkeling van windmolens veel explicietere eisen/randvoorwaarden mee wat er met de voorziene opbrengsten dient te gebeuren en waarvoor die mogen worden aangewend.

Zij beseffen dat de gemeente daar niet direct invloed op heeft. Maar er zijn 2 activiteiten die de gemeente kan op pakken: • De gemeente kan een bemiddelende rol op zich nemen om de partijen dichter bij elkaar te brengen. • De gemeente kan (feitelijke onnodige) obstakels proberen weg te nemen. Op beide gebieden is de gemeente al in enige mate actief. Toch is het resultaat daarvan voor de coöperaties niet zichtbaar. Daarom zou een gesprek tussen beide in kaart kunnen brengen waar de problematiek zich nu op richt, kan men gezamenlijk bekijken waar de mogelijkheden en onmogelijkheden zitten en wat voor beide gewenste acties zijn die op korte en langere termijn uitvoerbaar zijn.

Advies Voer op korte termijn een gesprek tussen zonne-coöperaties en de gemeente over concrete bottlenecks voor het gebruik van daken van VvE’s en WBC’s en wat concrete afspraken kunnen zijn om deze te slechten. Maak daarbij een tijdlijn voor komende 1,5 jaar met zo concreet mogelijke acties. Intensiveer als gemeente het gesprek met woning­ bouwcorporaties (en energiecoöperaties) om ervoor te zorgen dat: - De daken van corporaties volledig worden benut voor zonnepanelen. - VvE’s niet belemmerend optreden bij daken waarvan de corporatie mede-eigenaar is om het te kunnen gunnen aan een (lokale) energiecoöperatie.

49

Sleutels voor succes

11

Bijlagen deel II

In de eerste fase is verkend wat de kansen en barrières zijn bij de samenwerking tussen de gemeente en energiecoöperaties. Dat leidde tot wenkende perspectieven en meer inhoudelijke bouwstenen zoals we die hierboven hebben beschreven. Het leverde ook inzichten op over de voorwaarden voor een succesvolle samenwerking. In dit laatste hoofdstuk houden we de gemeente en de coöperaties een spiegel voor: dilemma’s en vraagstukken die vooral (beleid en organisatie van) de gemeente en coöperaties zelf betreffen. Ze vormen een sleutel voor succes. En omgekeerd kan het niet adresseren van deze aandachtpunten een barrière worden in het bereiken van resultaten.

Aandachtspunten voor de gemeente Er zijn een aantal voorwaarden belangrijk om te komen tot een succesvolle energietransitie waarin energiecoöperaties een belangrijke rol spelen. In het algemeen moet de gemeente zich beter beseffen dat transformaties, of ze zich nu beperken tot energietransitie of tot bredere waardecreatie, alleen doorlopen kunnen worden als de gemeentelijke organisatie ook verandert: meer van hetzelfde volstaat niet meer en een veel meer integrale benadering van waardecreatie is gewenst. Wat we nu zien is dat de transformatie van de organisaties en hun werkwijze niet voldoende hoog op de agenda staat. Onderstaande aandachtspunten vormen daarbij de sleutels voor succes.

• Staat (versnelde) energietransitie voorop of werken we aan dubbeldoelstellingen? Binnen de gemeente Amsterdam lijkt de energie­ transitie vooral gericht op efficiëntie en versnelling. Toch komt in de gesprekken en documenten ook regelmatig naar voren dat er minimaal secundaire doelstellingen zijn. Zo was er bij de aanbesteding van de gemeente Amsterdam voor de tijdelijke zonneweide op Strandeiland, naast het opwekken van zonne-energie, sprake van van nog twee secundaire projectdoelstellingen, namelijk lokaal eigenaarschap en meervoudig ruimtegebruik. Kan de gemeente meer duidelijkheid geven in hiërarchie van beleidsdoelen? Wees terughoudend in stapelen van doelstellingen bij aanbestedingen, vooral wanneer die niet direct in het verlengde van de energietransitie liggen. Zorg ervoor dat de doelstellingen in elkaars verlengde liggen. Waarbij ook redelijkerwijs verwacht kan worden dat de aanbesteder daar ook expertise over heeft. Eenzelfde problematiek zit bij het benoemen van koppelkansen. Hoe verder de koppelkansen afliggen van het voornaamste doel (de energie­ transitie) hoe lastiger het wordt voor een partij om daaraan te voldoen (het spreekwoord is niet voor niets: ‘schoenmaker blijf bij je leest’). Het benutten van koppelkansen is overigens zeker mogelijk. Houd het wel behapbaar, want met elke

toegevoegde doelstelling of koppelkans (vooral als die ver van oorspronkelijke doel afligt) neemt de complexiteit van het project sterk toe. Wees als gemeente bewust dat koppelkansen niet een gratis bonus zijn, die meegeleverd wordt. Sommige gekoppelde doelen dienen meer als ‘freerider’ zonder dat daar beleidsmatig geld voor beschikbaar wordt gesteld (bijvoorbeeld sociale doelen, sociale cohesie, extra werkgelegenheid, participatie). Het lijkt erop dat de rekening voor die gekoppelde doelen zo ongewenst en te veel bij de energietransitie komt te liggen (zowel ambtelijk als bij de stakeholders). Werk eerder andersom: kapitaliseer wat de maatschappelijke meerwaarden (de bijvangst) zijn die gecreëerd worden (bijvoorbeeld meer werkgelegenheid, meer sociale cohesie et cetera) en voeg die gekapitaliseerde meerwaarde als extra geld toe aan het project. Dat betekent dat er financiering uit andere financieringsbronnen dan die voor de energietransitie (bijvoorbeeld armoedebestrijding, aanpak kwetsbare gebieden) toegevoegd wordt aan de energietransitie om die extra doelen mogelijk te maken.

51

Bijlagen deel II

• Transparante en sterkere gemeentelijke regie De energietransitie vereist dat de gemeente zich sterk positioneert in de rol van de samenwerkende overheid en steeds het maatschappelijk belang benadrukt. De bewoners zijn dan ook nadrukkelijk een gelijkwaardige belanghebbende. ​Hoe meer de aanpak lokaal en in samenspraak met bewoners geformuleerd wordt, hoe beter. Regie betekent ook dat de gemeente aangeeft waar iets wel kan en waar niet. Dat helder gemaakt wordt welke rol de gemeente dan precies ziet voor een coöperatie, maar ook waar ze geen rol ziet. Dat geldt zowel voor de bijdrage van de coöperaties aan de energietransitie als geheel als in welke buurt er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn voor een lokale warmtecoöperatie. In dat opzicht zijn algemene termen als ‘preferente positie voor de coöperaties’ zeer risicovol: het wekt verwachtingen en het is lang niet altijd duidelijk of dat de juiste verwachtingen zijn. En al is dat wel het geval, dan nog geldt dat onduidelijk is wat de gemeente daarvoor over heeft. • Meer aandacht voor lokale integrale benadering De energietransitie gaat niet alleen over het veranderen van het type product van leverantie (gas voor iets anders), maar ook over opslag en distributie, stabiliteit van het netwerk et cetera. Dat vereist ook een meer integrale kijk naar lokale balans.

De gemeente stimuleert nu vooral andere productiebronnen van energie en warmte. De vraag is of de gemeente niet nadrukkelijker de totale keten moet beschouwen en moet kijken waar meer regie of ondersteuning gewenst is. Bij een aantal zaken kunnen coöperaties zeker een belangrijke rol vervullen, waar dat tot nu toe niet het geval is (denk aan isolatie en opslag).

We moeten nagaan hoe er een meer integrale wijkaanpak voor de energietransitie tot stand kan komen. Voor sommige bedrijventerreinen wordt dit al gedaan. Voor buurten (nog) onvoldoende. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor logische koppelingen19. Daardoor komt de bewoner van de buurt ook meer centraal te staan en komt er meer draagvlak. Deze benadering kan ook zorgen voor een duidelijker invulling van het begrip ‘lokaal eigenaarschap’ die in de tussenrapportage staat beschreven. Op korte termijn werken aan een meer lokale/ gebiedsgerichte benadering (beleidsmatig en in de uitvoering) is ook wenselijk vanwege de komst van energie- (en warmte-) gemeenschappen. • Rollen van de overheid We hebben in dit document aandacht gehad voor de rollen van de overheid zoals deze door het NSOB gepresenteerd worden. Kijkend naar de visie op de energietransitie en klimaatneutraliteit klinkt sterk door dat de gemeente beseft het niet alleen te kunnen en weliswaar wel sterke regie wil voeren (doelen stellen) en stake­ holders (van burgers tot grootkapitaal) verzoekt om mee te doen en (mede-) verantwoordelijkheid te nemen. In de uitvoering blijkt de gemeente Amsterdam zich toch vooral als rechtmatige overheid en presterende overheid op te stellen.

19 Voorbeeld WG Ketelhuis moet voor de warmteleverantie ook stroom inkopen. Dat lijkt nu te gebeuren bij coöperaties elders in het land maar de potentie van het gebied zelf is onvoldoende uitgenut: de daken van de corporaties in het gebied zijn geschikt voor zonne-energie maar de verbinding tussen beiden komt niet tot stand.

Vaak presenteert de gemeente zich als regelgever en opdrachtgever met een daarbij horend instrumentarium (dus aanbestedingen, right to challenge, controle et cetera). We moeten in de gemeente het gesprek voeren hoe we de netwerkende en responsieve overheid meer kunnen vormgeven bij de energietransitie. En de gemeente er dus niet –bijna als in een reflex- voor kiest om het GEB (her-) op te richten (met als argument dat het geen echte markt is, de markt het niet waarmaakt, het een publiek goed is et cetera). Als de gemeente daarvoor kiest, rest er voor de coöperaties weinig anders dan in te zetten op ‘right to challenge’ en zal hun rol in de energietransitie marginaler wordt. Burgers zullen zich dan ook automatisch als veeleisende ‘klant’ blijven zien en zich als kritische burger opstellen. Waarschijnlijk zal de gemeente alle vier de rollen moeten spelen om de ambitie van de energietransitie waar te maken. Het is alle hens aan dek. Dat betekent wel dat er veel meer aandacht moet gaan naar vanuit welke rol je wat doet. Heldere communicatie over welk type overheid hier aan het werk is en waarom, is essentieel als we de stakeholders aangesloten willen houden bij wat de gemeente beoogt en doet! • Gemeentelijke organisatie De energietransitie is een enorme opgave, vergelijkbaar met de stadsvernieuwingsoperatie uit de jaren tachtig.

Net als nu kwam de stadsvernieuwing op stoom door grote hoeveelheden geld (toen het stadsvernieuwingsfonds) beschikbaar te stellen vanuit het Rijk. Ook bij de stadsvernieuwing was het essentieel dat het betaalbaar bleef voor de

52

Bijlagen deel II

bewoners. De gemeentelijke organisatie werd destijds ook aangepast (er kwamen projectgroepen stadsvernieuwing met veel bevoegdheden en directe toegang tot de wethouder buiten de lijndiensten om). De vraag is of er momenteel ambtelijk voldoende gefocuste aandacht is voor de energietransitie. Dat is ook verklaarbaar. In vergelijking met de stadsvernieuwing is de ellende veel minder zichtbaar: het burning platform is voor vele bewoners nog niet genoeg voelbaar. En er zijn beleidsmatig veel concurrerende prioriteiten (bijvoorbeeld kwetsbare wijken, polarisatie in de samenleving, woningtekorten et cetera). Er is rond de energietransitie ook veel beleidsconcurrentie: gaat het om versnelling? Om efficiency en effectiviteit? Om rechtvaardigheid (betaalbaarheid), om lokale participatie? Ook blijft de interne ambtelijke versnippering groot. Wanneer in de gesprekken en workshops ambtenaren laten weten zich eenzaam te voelen in hun directie/afdeling en weinig (gezamenlijke) slagkracht te ervaren, dan mist de gemeente wel een kans om met meer effectiviteit en efficiëntie de energietransitie vorm te geven. Dat werkt ook verlammend op de gemeentelijke organisatie zelf. De coöperaties hebben hier last van.

Verkokering zorgt niet voor snelle beantwoording van vragen en voor voldoende ondersteuning en elke koker komt met een apart eisenpakket, tegenstrijdige uitspraken, parallelle rapportagestromen et cetera. Natuurlijk kunnen we oplossingen aandragen (bijvoorbeeld meer lokaal en integraal organiseren van de transitie naar analogie van de stadsvernieuwing). Maar mogelijk is het daarvoor nog te vroeg. Eerst moet er meer duidelijkheid te komen in de hiërarchie van beleidsdoelen.

Bij de stadsvernieuwing werkte het om de ‘grote diensten’ te passeren met een zware projectorganisatie met mandaat. Of dat nu ook de oplossing zou zijn, is nog een open vraag die onderzocht moet worden. Overigens kan uit het maken van heldere keuzes ook volgen dat het primaat van coöperaties misschien lang niet altijd voor de hand ligt, als je snelheid wil maken en efficiënt om wil gaan met beschikbare middelen. Dat is tegenovergesteld van wat de coöperaties nu benoemen als de wens voor gemeentelijk focus en bredere ondersteuning voor coöperaties. • Betrouwbare overheid – betrouwbare coöperaties? Soms lijkt het erop dat de gemeente minder vertrouwen heeft in coöperaties dan in het bedrijfsleven. De gemeente stelt zonder omhaal 50 miljoen beschikbaar voor Vattenfall om 10.000 woningen aan te sluiten. Ook hebben coöperaties het gevoel dat de gemeente Amsterdam extra regels toevoegt bovenop de regels die het Rijk stelt. Dat helpt niet om te zorgen voor ‘zo simpel mogelijk’. Coöperaties geven regelmatig aan dat ze door allerlei hoepels moeten springen die soms extra zijn en soms ook niet eerder duidelijk benoemd waren. Dat zorgt voor vertraging. Daarbij ontstaat het beeld dat de gemeente coöperaties minder vertrouwt dan Vattenvall en woningbouwcorporaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14939231/1