CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Naar een volwaardige en volwassen positie van energiegemeenschappen in de energietransitie in Amsterdam.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 16 januari 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over een volwaardige en volwassen positie van energiegemeenschappen in de energietransitie (VN2024-017497)18.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Naar een volwaardige en volwassen positie van energiegemeenschappen in de energietransitie in Amsterdam Versterken van publiek-civiele samenwerking naast en met overheid en markt oktober 2024

Voorwoord Dit eindrapport is het resultaat van een intensieve dialoog tussen ambtenaren van de gemeente Amsterdam en deelnemers bij energiecoöperaties in Amsterdam. Het is tot stand gekomen met steun van de betrokken wethouders Duurzaamheid en Democratisering. De aanleiding van dit rapport is het verlangen van beide partijen om focus aan te brengen en vaart te maken met de energietransitie. Beide partijen zien in dat het belangrijk is om elkaar te vertrouwen, en dat ze niet in woorden en een wenkend perspectief mogen blijven steken. We moeten gezamenlijk in actie komen. Daar hebben we de afgelopen periode van februari tot september 2024 belangrijke stappen in gezet.

Gemeente en de APEC beseffen dat ze deze weg van publiek-civiele samenwerking nog verder moeten invullen en concreter maken. Beginnen met kleine en haalbare stappen, mogelijkheden om bij te stellen openhouden, toewerken naar de uitvoering. Bij dit eindrapport horen bijlagen. Daarin staan de eerder verschenen tussen­ rapportage en de twee side letters (één voor de gemeente en één voor de APEC). In deze eindrapportage besteden we aandacht aan een eerste globale tijdlijn met eerste acties voor de komende periode.

Ik heb deze dialoog als ‘coalitiebouwer’ ondersteund. In dit rapport staat het resultaat van de dialoog.

Als we deze acties uitvoeren en open blijven staan voor voortdurende ontwikkeling en bijstelling zal de energietransitie daadwerkelijk tot stand komen en versnellen. Daarvoor moeten in Amsterdam strategische en politieke keuzes gemaakt worden.

Gemeente en coöperaties hebben vanaf eind maart gewerkt aan een gezamenlijke route: intensievere publiek-civiele samenwerking voor de energietransitie. Het is niet de enige route voor de energietransitie, maar het is een kansrijke aanvulling die nu meer dan ooit vorm kan krijgen door Europese en nationale wetgeving rond energiegemeenschappen.

Zijn we er dan? Nee, het zal een voortdurende zoektocht blijven waarin we gezamenlijk onder­ zoeken, proberen, de nek uitsteken, fouten maken en leren, vastleggen en verankeren. De afgelopen periode heeft laten zien dat de wil er bij de gemeente en bij de APEC is en dat ze beide beseffen ook een veranderopgave te hebben. Nu actie, en verder.

Leeswijzer In deel 1 van deze publicatie wordt de koers weergegeven zoals deze – als resultaat van het samenwerkingstraject – gezamenlijk door de betrokken energiecoöperaties en de gemeente wordt gedragen. In deel 2 van deze publicatie (bijlage) is de tussen­rapportage opgenomen en de ‘sideletters’ die ik als adviseur en coalitie­ bouwer heb opgesteld. Die verwoordt vooral mijn observaties en adviezen.

Frank van Erkel (V4N) Coalitiebouwer voor gemeente Amsterdam en APEC

Eindrapport Energiegemeenschappen Gemeente en coöperaties zetten zich in voor een succesvolle energietransitie

1

5

Vormgeven aan publiek-civiele samenwerking en energiegemeenschappen7

2 3 Cruciale elementen voor verdere ontwikkeling 4 Eerste stappen

11

5

Middellange termijn

22

6

Tot slot

24

14

I

Bijlagen Het belang van energiecoöperaties bij de energietransitie

29

Gemeente zet op alle fronten in voor succesvolle transitie

32

Wenkende perspectieven

35

7 8 9

10 Bouwstenen

39

11 Sleutels voor succes

48

II

Gemeente en coöperaties zetten zich in voor een succesvolle energietransitie

1

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Gemeente De gemeente Amsterdam heeft ambitieuze doelen gesteld om de klimaatverandering tegen te gaan en de uitstoot van broeikasgassen drastisch te verminderen. Die ambities staan in verschillende documenten1. Enkele belangrijke ambities zijn: klimaatneutraal in 2050, CO₂-uitstoot halveren in 2030, van aardgas af in 2040. De gemeente Amsterdam kent drie hoofddoelen die bij deze ambities voor de energietransitie horen: 1. Duurzaamheid/klimaatdoelen halen. Er is een grote urgentie om bij te dragen aan een sterke CO₂-reductie. 2. Betaalbaarheid. Voor de consument en vooral de Amsterdammers met een kleine portemonnee. Een betaalbare energierekening voor iedereen. 3. Leveringszekerheid. Energie moet betrouwbaar en duurzaam op korte en lange termijn geleverd kunnen worden. De gemeente Amsterdam moet deze doelen in de komende periode nog wel uitwerken. Inclusief hoe de doelen ten opzichte van elkaar gewogen dienen te worden. Zijn ze allemaal even belangrijk of hebben sommige doelen meer prioriteit? Deze doelen gelden voor iedereen die aan de energietransitie werkt. Als een initiatief of onderneming (commercieel of een energiegemeenschap) in staat is deze doelen sneller en/of beter en/of goedkoper te realiseren, dan ligt het voor de hand om ze voorrang te geven bij de uitvoering.

1 Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (2020); Transitievisie warmte (2020); Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (2021)

Het huidige college van b&w onderkent dat iedere partij nodig is om de energietransitie te laten slagen. Een goede samen­werking is daarvoor een absolute voorwaarde. Dit staat ook duidelijk in ‘Onze Stad van Morgen’. Het college wil de duurzaamheidsdoelen samen met bewoners, ondernemers, marktpartijen en energiecoöperaties realiseren. Ze stimuleert lokaal eigenaarschap en biedt ondersteuning aan energiecoöperaties.

coöperaties krijgen van de gemeente Amsterdam een stoel aan de tafel naast andere belangrijke stakeholders. Dit komt ook doordat coöperaties zich goed kunnen verbinden met een lokale gemeenschap. Ook landelijk en binnen de EU wordt dat gezien en wordt ruimte geboden aan energiegemeenschappen. Het is nog wel zoeken naar wat we precies onder een energiegemeenschap moeten verstaan en welke positie ze in het krachtenveld gaan innemen.

Dat vertaalt zich in de activiteiten die voortkomen uit de vier rollen van de overheid (presterende overheid, rechtmatige overheid, samenwerkende overheid, responsieve overheid) zoals beschreven door de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (Steen et al., 2015). In deel II van dit rapport wordt dit toegelicht.

Coöperaties kunnen én willen een belangrijke rol vervullen bij de uitvoering en versnelling van de energietransitie in Amsterdam. Ze zijn in staat te verbinden en zo te bouwen aan een zelfstandige en betrokken rol van bewoners. Dat is belangrijk omdat sommige burgers de overheid en grote bedrijven met een monopolie wantrouwt. Tegelijk ervaren energie­ coöperaties in de praktijk veel praktische barrières in hun samenwerking met de gemeente. Ze hebben het gevoel hebben dat hun (sociale) meerwaarde onvoldoende meeweegt in de afwegingen met andere (commerciële) energieontwikkelaars. Bovendien zijn er nog geen soepele werkmethodes (vooral bij warmte).

Het vormgeven aan een netwerkende en vooral aan een responsieve overheid is relatief nieuw en het instrumentarium daarvoor is nog in ontwikkeling. De energiecoöperaties bieden soms iets aan waar de gemeente nog niet op is voorbereid of vraagt een energiecoöperatie iets van de gemeente waarover ze simpelweg nog niet beschikt.

Energiecoöperaties De opgave voor de energietransitie is ambitieus, groots, urgent en weerbarstig. Het is een ingrijpende herordening van een essentiële levensbehoefte: warmte en energie. Dat kan geen enkele partij alleen. Energiecoöperaties zijn belangrijk bij de energietransitie. Maatschappelijke initiatieven kunnen nooit in de volledige energievraag voorzien en zijn bij uitstek geschikt om een rol te spelen in lokale opwek voor lokaal gebruik. De

De huidige energiecoöperaties kunnen zowel een rol spelen in publiek-private samenwerkingen (als speciaal type marktpartij) als bij publiek-civiele samenwerking (als ze zich ontwikkelen tot een energiegemeenschap).

6

Vormgeven aan publiekciviele samenwerking en energiegemeenschappen

2

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Op basis van deel II van deze publicatie hebben gemeente en coöperaties verder verkend welke positie de energiecoöperaties innemen. Het uitgangspunt daarbij was om energiegemeenschappen te zien als serieuze partij om invulling te geven aan publiek-civiele samenwerking2. De introductie van het begrip gemeenschap biedt een gewenste verbreding buiten het veld overheid en markt. In dit hoofdstuk wordt daar dieper op ingegaan.

Om als club mensen samen energie op te mogen wekken, is een rechtsvorm nodig. Een coöperatie is hiervoor de meest gebruikelijke vorm. Een coöperatie bestaat net als een vereniging uit leden en een bestuur. De leden beslissen over de plannen van de coöperatie in een Algemene Ledenvergadering.

Wat zijn energiegemeenschappen? Om burgerparticipatie in hernieuwbare energie­ projecten verder te stimuleren heeft de EU het concept ‘energiegemeenschappen’ geïntrodu­ceerd in de energiewetgeving. Energiegemeen­schappen zijn een vorm van samenwerking tussen burgers, al≈dan niet met deelname van lokale overheden zoals gemeenten en kleine onder­nemingen. Het is een juridische entiteit, gebaseerd op vrijwillige en open deelname, democratisch, gericht op het bieden van milieu-, economische of sociale gemeenschaps­ voordelen aan haar leden of aan de lokale gebieden waar ze actief zijn.

2 In dit rapport sluiten we aan bij de definitie van burger energiegemeenschappen (Citizen Energy Communities). Deze kunnen zich ook richten op niet-hernieuwbare energie. De betrokkenheid van burgers staat in deze definitie centraal, zoals opgenomen in de Hernieuwbare Energierichtlijn (RED II) en de Elektriciteitsrichtlijn (onderdeel van het Clean Energy Pact).

Energiegemeenschappen

te iva pr g ekin iek er bl nw me sa

Wat zijn energiecoöperaties?

Overheid Pu

Initiatieven van Amsterdammers die ‘iets’ willen organiseren om hun leefomgeving te verbeteren, zoals een buurtfeest of schoonmaakactie, of lang­ duriger buurtinitiatieven en collectieve acties. Van initiatieven in voedselsolidariteit en stadslandbouw voor en door de buurt tot computerlessen en kleding­ ruilen, van energie- en wooncoöperaties tot allerlei financiële solidariteitsnetwerken zoals broodfondsen, kasmoni’s en (in)formele zorgnetwerken.

Over nieuwe projecten, maar ook over de begroting en activiteiten van de coöperatie. Enkele energieinitiatieven zijn georganiseerd als stichting en kennen derhalve geen leden.

Pu bl iek sa eme civ nw iel er kin e g

Wat zijn bewonersinitiatieven:

Civiel-private samenwerking

Markt

8

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Een energiegemeenschap is een samenwerkings­ verband van burgers, mogelijk samen met bedrijven, en/of lokale overheden die gezamenlijk duurzame energie opwekken, beheren en verbruiken. Een energiegemeenschap gaat uit van lokaal eigenaarschap en democratische controle. De voordelen van de energieopwekking blijven binnen de (lokale) gemeenschap. Het doel van energiegemeenschappen is om ecologische, sociale en economische voordelen te behalen, niet om alleen maar winst te maken.​ De EU-regelgeving opent de weg om een energie­ gemeenschap meer rechten (voor ontwikkeling, realisatie en exploitatie) toe te kennen. Door energiegemeenschappen een volwaardige ruimte te geven naast publieke en private partijen, kunnen zij een volwassen rol gaan spelen in de energietransitie. Dat geeft de overheid een nieuw perspectief naast marktdenken of zuivere nutsvoorziening onder verantwoordelijkheid van de overheid zelf (gemeentelijk energiebedrijf). Het biedt een nieuwe route waarbij de overheid ruimte biedt aan energiegemeenschappen.

2.1 Kracht van Energiegemeenschappen De recente besluitvorming in Tweede Kamer over de Energiewet biedt de mogelijkheid om veel meer gebruik te maken van de kracht van energie­ gemeenschappen. De wet biedt de mogelijkheid om energiegemeenschappen, zoals coöperaties van burgers die samen duurzame energie opwekken, beter te faciliteren en te ondersteunen​. Burgers kunnen daardoor een grotere rol nemen in de energie­transitie. Een van de kernpunten van de

nieuwe wet is het versterken van de mogelijkheden om energie collectief op te wekken en te leveren. De wet maakt het eenvoudiger voor energiegemeenschappen om zelf opgewekte energie te verkopen en te distribueren onder de leden. Daarnaast wordt de toegang tot het elektriciteitsnet verbeterd, wat cruciaal is voor energiegemeenschappen die hun duurzame energie willen delen. Zo biedt de wet een sterke basis om energiegemeenschappen te stimuleren en hun positie in de energiemarkt te verbeteren​. In de Energiewet is het concept van energiegemeenschappen overgenomen, maar de uitwerking van specifieke regels en definities is nog niet volledig afgerond. De wetgeving erkent het belang van energiegemeenschappen voor de energietransitie, maar de juridische en praktische kaders moeten nog verder worden uitgewerkt in lagere regelgeving, zoals algemene maatregelen van bestuur. Deze verdere uitwerking is van groot belang om bestaande en

nieuwe energiegemeenschappen duidelijkheid te geven en juridische barrières weg te nemen die de oprichting of werking van deze initiatieven kunnen belemmeren. De gemeente en APEC hebben gezamenlijk de taak om de rol van energiegemeenschappen verder in te vullen en concreter te maken. Naast gemeenschappen kunnen ook andere groepen van georganiseerde bewoners een rol spelen in de energietransitie.

2.2 Energietransitie en publiekciviele samenwerking De Energiewet en het concept van energiegemeenschappen vormen een kader voor publiek-civiele samenwerking. Ze stellen lokale overheden, burgers en bedrijven namelijk in staat om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de energie­ transitie, zonder dat dit noodzakelijkerwijs een marktgerichte of puur commerciële aanpak vereist. Deze samenwerking kent verschillende aspecten:

9

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

1. Faciliterende rol van de overheid In een publiek-civiele samenwerking biedt de overheid steun en een kader waarbinnen burgers (en bedrijven) hun eigen initiatieven kunnen ontplooien. De Energiewet maakt dit mogelijk door wet- en regelgeving op te stellen die energiegemeenschappen ondersteunt. Dit gebeurt bijvoorbeeld door: • Regels voor nettoegang en energieopslag. Daarbij kunnen lokale energiegemeenschappen gebruik maken van flexibele netwerkmogelijkheden, zoals gedeelde aansluitingen of congestiemanagement​. • Financiële ondersteuning via subsidies of gemeentelijke bijdragen. De overheid faciliteert en ondersteunt daarbij. 2. Lokaal eigenaarschap en participatie Bij energiegemeenschappen treedt de gemeente op als partner die lokaal eigenaarschap en participatie mogelijk maakt. De overheid ondersteunt deze initiatieven door juridische en technische obstakels weg te nemen en/of subsidies te verstrekken voor duurzame energieprojecten. De overheid is dan geen opdrachtgever. Er is sprake van een gelijkwaardige samenwerking. Het publieke belang om de energietransitie te versnellen is in dit geval verweven met de civiele belangen van burgers en lokale organisaties. 3. Geen marktgerichte benadering Een publiek-civiele samenwerking onderscheidt zich van puur marktgerichte benaderingen.

Energie­ gemeenschappen richten zich niet primair op winst, maar op het lokaal beheren en delen van energie. Dit levert sociale, ecologische en economische voordelen op voor de gemeenschap. De Energiewet maakt deze vorm van samenwerking mogelijk door de rechten van lokale energiecoöperaties en de mogelijkheden om lokaal opgewekte energie te verdelen, te waarborgen.

4. Co-creatie tussen overheid en burgers Burgers actief betrekken bij de opwekking van hun eigen energie en lokaal eigenaarschap stimuleren, zorgt voor een vorm van co-creatie. De overheid creëert het wettelijke kader en biedt technische en financiële ondersteuning, terwijl burgers (en bedrijven) de daadwerkelijke energieopwekking en -verdeling op zich nemen. In deze publiek-civiele samenwerking werken beide partijen samen aan een gemeenschappelijk doel, zonder dat de overheid een dominante uitvoerende rol speelt​. Concluderend zijn energiegemeenschappen een invulling van publiek-civiele samenwerking omdat het de overheid en de samenleving in staat stelt om gezamenlijk bij te dragen aan de energietransitie, waarbij de nadruk ligt op lokale betrokkenheid en samenwerking.

2.3 Intensiveren van de samenwerking in Amsterdam De publiek-civiele samenwerking tussen de gemeente Amsterdam en de coöperaties vergroot mogelijkheden voor een gedragen energietransitie en maakt het mogelijk om uit meer te kiezen dan alleen de markt of een nutsvoorziening. Tevens biedt het ook kansen om uit slepende discussies over staatssteun, aanbestedingsrecht en preferente positie voor coöperaties te komen. De energiecoöperaties kunnen gezien worden als een opmaat naar deze lokale energiegemeenschappen. Daarbij geldt dat een energiegemeenschap haar eigen beleid bepaalt. Ze is geen onderdeel of opdrachtnemer van de gemeente. Maar ze moet wel heel goed samenwerken met de gemeente.

De gemeente zal vanuit vertrouwen meer los kunnen laten en de energiegemeenschappen zullen transparant verantwoording moeten afleggen. De gemeente Amsterdam en de APEC willen de komende periode het potentieel van deze weg goed uitwerken. Dit vereist het verder uitwerken van de relatie tussen overheid en energiegemeenschappen. Daarbij helpt het ontwikkelen van een gezamenlijk gedragen toekomstperspectief van wat energie­ gemeenschappen kunnen bijdragen om de ambities op het gebied van de energietransitie te halen. Een perspectief waar de komende tien jaar – met verschillende snelheden – naar toe gewerkt wordt in concreet benoemde (kleine) stapjes. De gemeente Amsterdam wil energiegemeen­ schappen een volwaardige en volwassen positie geven in de energietransitie3. Dat betekent onder andere dat de gemeente duidelijk aangeeft wat de rol van publiek-civiele samenwerking is en hoe ze om wil gaan met lokale energiegemeenschappen/coöperaties in de gehele keten van warmte en energievoorziening. Daarbij horen ook duidelijke kaders voor het soort initiatieven, en zij zullen helder moeten maken welke ondersteuning initiatieven kunnen verwachten en in welke vorm.

Hier hoort ook de afweging bij of en hoe er structureel meer capaciteit en middelen vrijgemaakt kunnen worden om bewoners en maatschappelijke initiatieven te betrekken, te faciliteren of te ontzorgen en hoe zij die willen ondersteunen.

3 Dit bouwt voort op het coalitieakkoord waarin staat dat de ondersteuning van energiecoöperaties lokaal eigenaarschap stimuleert.

10

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Amsterdam kan de energiegemeenschap ontwikkelen als (nieuwe) benchmark. Amsterdam kan een rol in de voorhoede spelen, los van de discussies op Rijksniveau. Dat vraagt durf en commitment van gemeente en coöperaties. Het gaat zowel om het samen definiëren van het lange termijnperspectief en tegelijk concrete acties uitvoeren. Dit rapport gaat vooral over de acties die op korte termijn genomen moeten worden. Op die manier wordt de ‘gemeenschapsroute’ al doende ingevuld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op concrete eerste stappen.

11

Cruciale elementen voor verdere ontwikkeling

3

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Voor een goede invulling van de publiek-civiele samenwerking en de rol van energiegemeenschappen zijn twee elementen van belang: lokale verankering en het versterken van de systeemintegratie. Hieronder worden deze begrippen uitgelegd. 3.1 Lokale verankering Het is belangrijk dat de gemeenschappen lokaal verankerd zijn. Lokale verankering kan een sterke troef van de coöperaties zijn. De meest gewenste vorm is een aanpak in een buurt of wijk waar het initiatief door de lokale gemeenschap wordt gedragen. Dit sluit aan op de bestuursopdracht die het college al gegeven heeft: ‘Ook zetten we in op gebiedsgerichte sturing. Hierdoor krijgt ieder gebied een eigen plan dat past bij de buurt, om transities rechtvaardig en inclusief vorm te geven’.4 Het past ook naadloos bij het uitgangspunt van het gemeentebestuur: versterking van de gemeenschapszin en de sociale cohesie in buurten en wijken van de stad. Het is voor het draagvlak en voor het gevoel van lokaal eigenaarschap belangrijk dat de Gemeente Amsterdam gaat definiëren wat zij bedoelen met de directe omgeving in Amsterdam. Anders dan bijvoorbeeld windmolens in de lokale gemeenschap in een gemeente in Friesland is in Amsterdam de link tussen lokaal initiatief en de omgeving waar windmolens komen te staan veel minder sterk.

In het rapport “Meer Draagvlak voor de 4 Onze stad van morgen - Duurzame toekomst gemeente Amsterdam; Bestuursopdracht Duurzame Toekomst Stad en Organisatie

Energie­transitie” staat terecht dat “maatschappelijk initiatief ontstaat vanuit de intrinsieke motivatie van burgers om vorm te geven aan hun directe omgeving. De nabije omgeving is de plek waarop maatschappelijke initiatieven direct waarde opleveren: mensen die met elkaar iets organiseren versterken het sociale weefsel in buurten” (Veenkamp et al., 2023).

Windcoöperaties zullen in Amsterdam minder vaak in een buurt geworteld zijn, de band met de lokale gemeenschap zal daar zwakker zijn. Ook omdat coöperaties geen winstdoel hebben en daarmee de energievoorziening voor de burgers lagere kosten zal hebben, verdienen ze een aparte positie ten opzichte van andere organisatievormen.

Om te zorgen voor draagvlak is het belangrijk dat de bewoners in een wijk zich medeverantwoordelijk voelen voor de energietransitie. Dat ze eigenaarschap tonen voor de transitieopgave. Er moet sprake zijn van lokaal engagement, mensen moeten verant­ woordelijkheid voelen en nemen en plezierig samenwerken. Lokaal betrokkenen (al dan niet als formeel ‘aandeelhouder’) moeten een direct belang ervaren bij het project in hun buurt of wijk. Dit is iets anders dan dat ze ervaren dat ze ‘het algemeen belang’ dienen. Daar kopen ze niet zoveel voor. Ze moeten samen het gevoel hebben dat de energietransitie bijdraagt aan verbetering van hun directe leefomgeving. Een goed voorbeeld is het warmte-energieproject Ketelhuis-WG.

De gemeente streeft naar een groot aandeel lokaal eigendom. Zo kan de gecreëerde waarde lokaal benut en gebruikt worden. Echter wat precies onder lokaal eigendom verstaan wordt verdiend verduide­ lijking. De kern van lokaal eigendom bestaat uit een aantal elementen: • De lokale gemeenschap omvat de directe ­omgeving van het project. • (Een deel van) van de lokale gemeenschap legt eigen vermogen in5. • De gemeenschap produceert een bredere maatschappelijke waarde.

Coöperaties hebben vaak een sterke band met de lokale gemeenschap. Deze band is wel mede afhankelijk van de vorm van energie. Zo zal de band met een warmtecoöperatie sterk zijn, omdat dit de energievoorziening van de buurt betreft.

Voor en door de lokale gemeenschap. Het kan zijn dat bewoners in de directe omgeving geen eigen vermogen kunnen/willen inleggen, maar wel achter 5 In dit stuk wordt regelmatig gesproken over burgers. Maar ook lokaal eigenaarschap door bedrijven (bedrijvencoöperatie) past hierin (denk aan Westelijk Havengebied). Ook zij zoeken lokale oplossingen voor de energietransitie.

13

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Bron: Zuiderlicht

het project staan dat in hun ‘achtertuin’ wordt gerealiseerd. Bekeken dient te worden hoe het begrip ‘lokaal eigendom’ verbreedt kan worden naar ‘lokaal eigenaarschap’ en ‘lokale verantwoordelijkheid’ om de betrokkenheid te vergroten van bewoners die niet direct eigen vermogen kunnen inleggen. Dit draagt bij aan een rechtvaardiger energietransitie6. De gemeente moet duidelijk maken wat ze precies onder ‘lokaal eigenaarschap’ verstaat. De komende periode zullen gemeente en de energie-coöperaties een meer lokale benadering op buurt-/wijkniveau moeten vormgeven waardoor de directe gemeenschap zich meer verbonden voelt met de energietransitie.

3.2 Op weg naar systeemintegratie Binnen de energietransitie wordt steeds meer toegewerkt naar systeemintegratie. Opwek van zowel warmte als elektriciteit vindt steeds vaker decentraal (in de buurt) plaats. Ook krijgen ze een grilliger profiel (afhankelijk van weersomstandigheden). 6 Zie ook: Een rechtvaardige energietransitie. Stedelijk Strategieteam (2023)

Om netwerken te ontlasten is het daardoor zinvol om te bepalen hoe deze opgewekte energie zoveel mogelijk lokaal kan worden gebruikt. In Amsterdam kijken we op het moment nog onvoldoende naar de gehele energieketen. Er is geen heldere afweging wie op welke onderdelen van die keten een goede rol kan vervullen: opwek, isolatie, opslag, distributie, levering en gebruik (inclusief bewustwording en gedrag/ besparing). Ook hier kan de ‘gemeenschapsweg’ een meerwaarde leveren: in de publiek-civiele samenwerking kunnen coöperaties op al deze gebieden een rol spelen en zich ontwikkelen tot een bredere energiegemeenschap (citizen energy community). In de doorontwikkeling naar energiegemeen­ schappen dient op termijn uiteindelijk ook gekeken te worden naar het creëren van een balans tussen aanbod en vraag van energie door meer systeem­ integratie. Ook hiervoor zijn veranderingen in de directe leefomgeving en in de eigen woning nodig waar coöperaties een groot voordeel hebben door hun band met bewoners.

Voor de gemeente betekent systeemintegratie dat er meer gekeken moet worden naar de verbetering van de hele keten (opwek, opslag, transport, levering en principes als stabiliteit en veiligheid). Ook zal de gemeente expliciet moeten maken welke rol ze ziet voor energiegemeenschappen bij de systeemintegratie. Naast de meer lokale integrale benadering moeten we ook aandacht besteden aan de samenhang tussen de lokale gemeenschappen in Amsterdam. Op termijn zorgt die samenhang voor meer integratie. We moeten naar een aanpak waarin voor een gebied gestreefd wordt naar een lokale balans van energie, en tegelijk moeten we bouwen aan een betrouwbaar en samenhangend energiesysteem voor de hele stad. Zo’n samenhangend systeem kan ook een goed verhaal opleveren van een Amsterdamse aanpak waarin betrouwbaarheid, betaalbaarheid en gezamenlijkheid leiden tot acceptatie onder burgers (één verhaal voor Amsterdam).

14

15

Eerste stappen

4

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Hierboven gingen we wat uitgebreider in op de kansen die ‘gemeenschapsroute’ biedt: een volwaardige, volwassen positie van energiegemeenschappen naast en met overheid en markt. Nu in Europese en landelijke wetgeving de energiegemeenschappen een duidelijke rol krijgen, wordt het ook makkelijker om deze route vorm te geven. Maar die route komt niet vanzelf tot stand. De afgelopen periode hebben de gemeente en APEC concrete acties benoemd over wat nodig is om hier gezamenlijk maar ook met eigen verantwoordelijkheid aan te werken. De gemeente en coöperaties gaan die gezamenlijke samenwerking verder invullen om de kansen te verzilveren die deze route biedt. In dit hoofdstuk wordt een aantal essentiële acties beschreven, die soms al lopen, waar het komende half jaar voortgang gewenst is. Dit kan gezien worden als het ‘uitvoeringsprogramma’ voor APEC en de gemeente voor (in ieder geval) de eerste helft van 2025.

4.1 Beleidsmatige borging In aansluiting op wat we hierboven al aangeven, willen we benadrukken dat de doelen die de gemeente stelt aan de energietransitie helder moeten worden verwoord, en ook hoe deze doelen zich tot elkaar verhouden. De gemeente moet een paar concrete (meetbare) indicatoren benoemen voor elk van de doelen. Momenteel lopen doelen,

kwaliteits-/ontwerpeisen en procesvereisten of -wensen nog te veel door elkaar. Het is aan de gemeente om de ambities van de coördinerend wethouder Duurzaamheid nader in te vullen en uit te voeren. Dat is overigens best complex met meerdere betrokken bestuurders en directies. Het advies is om de stappen voor een nadere uitwerking bestuurlijk vast te leggen, bij voorkeur dit jaar nog. Het zal lastig zijn om deze discussie de komende maanden volledig te voeren. Wel is het belangrijk het (gezamenlijk) te belopen pad te benoemen. De gemeente moet de komende periode de drie hoofdroutes (zelf doen, in markt zetten, in publiek-civiele domein vormgeven) verhelderen en aanscherpen. De overheid moet de regie voeren op doelen, op het speelveld (de actoren inclusief rol gemeenschappen), op buurt- wijkgerichte opties, op kwantiteits- en kwaliteitseisen. Daar hoort ook het besef bij dat niet alles direct in beton gegoten kan worden en het pad samen met de energiegemeenschappen en andere partners afgelopen dient te worden.

Het is ook belangrijk om een integrale afweging van de doelen te maken. Dat wil zeggen, dat we de energietransitie vanuit een breder perspectief bekijken. Het gaat niet alleen om tempo en kostenefficiëntie maar ook om ongelijk investeren voor gelijke kansen en het versterken van lokale zeggenschap. Deze elementen kunnen elkaar versterken, maar ze liggen niet altijd in elkaars verlengde. Om de ‘gemeenschapsroute’ goed te borgen, moet in het beleid voor de energietransitie in Amsterdam dan ook ruimte komen voor energiegemeenschappen. Bij het vormgeven van de rol en positie van energiegemeenschappen moeten we in de stad ook rekening houden met elementen als sociale participatie, de financiële participatie en de invulling van het eigendom en zeggenschap over een project.7 Dit komt overeen met het advies van de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA). De SARA bestaat uit lokale vertegenwoordigers van verschillende belangengroepen met verschillende visies op windenergie binnen de stadsgrenzen van Amsterdam.

7 Gelijk aan advies SARA (2024)

17

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

4.2 Versterken van instrumentarium Om publiek-civiele samenwerking goed vorm te geven, hebben we een eenduidig instrumentarium en gestandaardiseerde processen nodig. Er moet bijvoorbeeld duidelijkheid komen over meerjarige financiële ondersteuning van de energiegemeenschappen. Onder welke voorwaarden kunnen ze hier aanspraak op maken en welke ondersteuning geeft de gemeente daarbij? Die financiële ondersteuning zal in een passende vorm beschikbaar gesteld moeten worden. Deze en andere instrumenten dragen bij aan voorspelbaarheid en kunnen de uitvoering versnellen. Met een aantal instrumenten is voldoende ervaring opgedaan en die kunnen nu beter verankerd worden in beleid. We besteden hier aandacht aan: 1. Kader voor fasering bij activiteiten van ­energiecoöperaties/ -gemeenschappen 2. Verankeren van opgroeirecht

Kader voor fasering bij activiteiten van energiegemeenschappen Een activiteit van een coöperatie/gemeenschap (momenteel vooral zon, wind of warmte) bestaat uit een aantal fases (van initiatief tot beheer). Er moet een duidelijk kader te komen over de fasen die een initiatief doorloopt, welke ondersteuning de coöperatie (en op termijn energiegemeenschap) daarbij per fase mag verwachten, welke instrumenten in welke fase ingezet kunnen worden en welke eisen de gemeente stelt aan het begin en eind van elke fase. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden in het

type activiteit (voor zon, wind en warmte verschillen de fasen van elkaar). Uiteindelijk moet er een helder kader komen dat voor alle energiegemeenschappen van Amsterdam geldt en waarin per fase is aangegeven wat verwacht mag worden en welke vergoeding daartegenover staat. Als een fase goed wordt afgesloten kan de volgende fase beginnen. Als een fase niet succesvol wordt afgesloten, dan stopt het project (en stopt de financiële bijdrage van de gemeente). Zo kunnen we een vinger aan de pols houden om (zwaar) verlies­ latende of risicovolle businesscases tegen te gaan. Momenteel werkt de gemeente Amsterdam aan een duidelijk kader. Het op relatief korte termijn opstellen van een stappenplan voor initiatieven is zeer behulpzaam, net als het beschikbaar stellen van kennis uit eerdere trajecten.

Verankeren van Opgroeiruimte Opgroeiruimte is een instrument dat past bij het verder vormgeven van publiek-civiele samenwerking. Opgroeiruimte houdt in dat bewoners, vaak georganiseerd in coöperaties of buurtinitiatieven, de ruimte krijgen om stap voor stap ervaring en capaciteit op te bouwen. Zo kunnen ze zich geleidelijk ontwikkelen tot een professionele energiegemeenschap die verantwoordelijk is voor de energievoorziening in een buurt of wijk. Dit proces verloopt in fases: • Initiatieffase: De bewoners hebben het recht om een plan te maken voor een lokale energievoor­ ziening en dit voor te leggen aan de gemeente. In deze initiatieffase kan de Gemeente Amsterdam (beperkte) subsidie verstrekken. De gemeente zal vooraf heldere criteria geven wanneer een initiatief voor subsidie in aanmerking komt.

• Ontwikkelfase: Als het plan voldoet aan de gestelde voorwaarden, krijgen de bewoners het recht om dit plan verder uit te werken en te formaliseren, bijvoorbeeld door een coöperatie op te richten. In deze ontwikkelfase beschikken initiatieven meestal niet over voldoende financiële middelen. Financiële ondersteuning van gemeente of overheid is daarom in deze fase erg belangrijk. • Realisatie: Vervolgens krijgen de bewoners het recht om de energievoorziening daadwerkelijk aan te leggen en te beheren. Dit geldt voor bewoners van een specifieke ­gemeenschap, zoals een buurt of wijk. Het geeft invulling aan de publiek-civiele samen­ werking omdat de gemeente Amsterdam in dit proces een belangrijk partner is: zij heeft immers de regie over de warmtetransitie op lokaal niveau. Via beleid en juridische kaders, zoals Europese richtlijnen voor energiegemeenschappen, kan de gemeente dit recht ondersteunen. Bewonersinitiatieven voor de energietransitie die gebruikmaken van opgroeiruimte hebben de verantwoordelijkheid om stap voor stap een professioneel niveau te bereiken. In elke fase van het project moeten ze zich bewijzen door een solide plan op te stellen dat technisch, financieel en organisatorisch haalbaar is. De gemeente controleert per fase of het initiatief voldoende is gegroeid om door te gaan naar de volgende fase.

Deze energie-initiatieven dragen bij aan publieke doelen, zoals duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. Bewoners dragen hiermee bij aan een eerlijke en duurzame energievoorziening voor de gehele gemeenschap.

18

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

De energiegemeenschap heeft het initiatief en is eigen opdrachtgever. De gemeente heeft meer een coördinerende of faciliterende rol: waar dat nodig is, maakt ze de ontwikkeling mogelijk en houdt (zo licht mogelijk) toezicht. We moeten ook bekijken welke ondersteuning bijvoorbeeld een Energie Diensten Organisatie (zie de volgende paragraaf) kan geven aan de energiegemeenschap om hen te ontlasten in de (uitvoerende) werkzaamheden. De komende maanden kunnen de gemeente en de APEC de opgroeiruimte voor de gemeenschap nader uitwerken als nieuw instrument van publiek-civiele samenwerking.

4.3 Energie Diensten organisatie (EDO) De energiecoöperaties hebben ondersteuning nodig voor kennisdeling en professionalisering. Amsterdam heeft in haar aanpak van de energietransitie gekozen voor een lerende aanpak. Daarvoor moet voortdurend structureel kennis gedeeld worden. Structureler georganiseerd en gebruikmakend van de ervaring van de koplopers. Daar is een platform voor nodig, een dienstencentrum waar de juiste kennis en kenniseigenaar gekoppeld kan worden aan de kennisvrager. Om te kunnen leren hebben nieuwe initiatieven kennis nodig van buiten de eigen coöperatie. We moeten ernaar streven om ‘best practices’ vast te leggen, waar mogelijk te standaardiseren en vast te leggen in protocollen. Dan kan er in het vervolg meer snelheid gemaakt worden, omdat al bekend is wat nodig is en wat de beste route is.

We moeten ook kennis opdoen om te bepalen wanneer het pionieren afgerond is en een initiatief in een meer reguliere fase terechtgekomen is. En om te bepalen of en wanneer een (aanvullende) subsidie of goedkope financieringsconstructie afgebouwd kan worden: ofwel omdat een meer volgroeide fase is aangebroken ofwel omdat duidelijk is geworden dat het beoogde resultaat niet zal worden behaald (technologisch niet haalbaar, financieel niet haalbaar, organisatorisch niet praktisch et cetera). Nu coöperaties een steeds belangrijkere rol spelen, neemt ook de vraag naar professionalisering toe. Dit geldt zowel voor de reeds verder ontwikkelde coöperaties als voor de vele energie-initiatieven die bewoners nemen. Ook geldt dat de behoeftes van de verschillende coöperaties sterk verschillen. Zo zijn zon, wind en warmte verschillende processen en zitten ze in andere fasen van ontwikkeling. Investeren in professionalisering op weg naar volwassen energiegemeenschappen past in de lijn van intensivering van publiek-civiele samenwerking. Daarom heeft wethouder Duurzaamheid de opdracht gegeven om scenario’s voor een Energie Diensten Organisatie (EDO) uit te werken. Het doel is de ondersteuning van initiatieven en de kennisborging te verbeteren. In een EDO wordt de kennis ontwikkeld, gebundeld en beschikbaar gesteld.

Het is essentieel dat het dienstencentrum een praktische, hand-on werkwijze heeft: slim en snel. Momenteel wordt dit langs twee lijnen verder uitgewerkt: 1. Het onderzoek naar een EDO 2. De uitvoering van een praktijkpilot met een EDO

Het onderzoek naar een EDO Samen met coöperaties verkent de gemeente Amsterdam de mogelijkheid van een EDO. Doel van de adviesopdracht van wethouder Pels is om samen met gemeente, bestaande energiecoöperaties, initiatieven, APEC en relevante stakeholders te komen tot meerdere scenario’s van de EDO, op basis waarvan beslist kan worden of, en op welke wijze de gemeente Amsterdam in samenwerking met de energiecoöperaties een EDO kan faciliteren. De gemeente Amsterdam gaat met deze verkenning ook in op een verzoek van Ketelhuis WG, Meer Energie en Energie Samen om na te gaan of een dienstencentrum zinvol en haalbaar is de gemeente. Dat sluit ook goed aan op de vraagstukken die de coalitiebouwer heeft geadresseerd. We verwachten de resultaten van dit onderzoek begin 2025 op te leveren.

De uitvoering van een praktijkpilot van een EDO Naast dit onderzoek is er bij coöperaties ook de behoefte om in de praktijk met een EDO aan de slag te gaan. Er zijn concrete opgaves waarmee nu reeds gestart kan worden. Dit sluit aan bij de strategie van leren door te doen die de gemeente Amsterdam hanteert: op beperkte schaal ervaring opdoen in de praktijk. Vervolgens kunnen beide (het onderzoek naar een EDO en praktijkpilot) bij elkaar worden gebracht. Er is besloten om naast het lopende onderzoek naar scenario’s te beginnen met een praktijkpilot van de EDO gericht op warmte om ervaring op te doen. De praktijkpilot combineert ‘doen’ met ‘onderzoeken en leren’. De ervaringen (zowel positief als negatief) worden benut voor het scenario-onderzoek EDO.

19

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

De leerdoelen zijn om inzicht te krijgen in: • Welke inrichting (werkwijze, aanpak, governance) van een dienstencentrum bevordert de snelheid van warmtetransitie? • Welke inrichting van een dienstencentrum bevordert de bundeling en de borging van kennis? • Wat zijn criteria zijn randvoorwaardelijk om de ondersteuningsbehoefte te vervullen? • Hoe financier je een EDO? • Hoe werft en behoudt een EDO de benodigde experts? • Wat is een goede taakverdeling tussen lokale coöperatie en EDO? • Hoe verzeker je gemeentelijke inzet (kennis, besluitvorming)? De pilot heeft een looptijd van ongeveer een jaar. Dat is voldoende om concrete resultaten op te leveren en geeft voldoende tijd om de praktijkervaringen mee te nemen in besluitvorming over een eventuele structurele EDO (op basis van het onderzoek en de ervaringen in het de praktijkpilot). De praktijkpilot start in december 2024. Uiteindelijk moet de EDO een plek zijn waar Amsterdammers geholpen worden door een DOE-organisatie die gaat helpen, doorverwijzen, fysieke ontmoetingen faciliteert en expertise biedt. De gemeente zal deze organisatie dan (meerjarig) moeten ondersteunen met financiële middelen. Zo stimuleert de gemeente versnelling door ­expertise en professionaliteit samen te brengen in een dienstencentrum en dit (op projectbasis) beschikbaar te stellen voor coöperaties.

Dit is een goed voorbeeld hoe de gemeente de huidige coöperaties kan ondersteunen en waar op termijn de energiegemeenschappen profijt van kunnen hebben. Op deze manier zorgen we voor versnelling bij de uitvoering van projecten.

4.4 Professionalisering en verbreding koepel van coöperaties Momenteel is de APEC vooral een lobbygroep die de belangen behartigt van zeven grote Amsterdamse energieproducerende coöperaties. Ze is niet de vertegenwoordiger van alle energie-initiatieven en -gemeenschappen. Nu het gesprek met de gemeente gaande is, is het tijd om opnieuw te bekijken waar APEC voor staat, wat haar taken en doelen zijn. De doelstelling van de APEC moet worden verbreed en er moeten zich meer coöperaties aansluiten, zodat de APEC de breedte van de energiegemeenschappen vertegenwoordigt. Daarom gaat de APEC onderzoeken hoe er op termijn een koepel van alle energie­ gemeenschappen in Amsterdam kan ontstaan. Bij de doorontwikkeling van de APEC ontstaat een koepel die de energiegemeenschappen op stedelijk niveau vertegenwoordigt bij alle onderwerpen waarin ze een gedeeld belang hebben. Zij is de gespreks­ partner van de gemeente voor afspraken over het speelveld (zoals haar positie ten opzichte van overheid en marktpartijen) en afspraken over financiële kaders voor en ondersteuning van energiegemeenschappen. Over deze rol is brede eensgezindheid.

Het streven is dat op termijn alle energiegemeenschappen in Amsterdam lid worden van de koepel (op voorwaarde dat ze voldoen aan toetredings­ voorwaarden). Vooralsnog beperkt de APEC zich tot coöperaties rond energieproductie. De APEC is doende dat te verbreden. Deze koerswijziging moet nader worden uitgewerkt in, onder meer, aansluitcriteria. Binnen de koepel zullen verschillende soorten coöperaties actief zijn. De aankomende periode zal APEC een organisatiestructuur uitwerken voor de verschillende thema’s waarop zij actief zijn. In eerste instantie zon, warmte en wind. Dit is een pragmatische keuze voor dit moment. Daarnaast wordt de brede vertegenwoordigende koepelrol de komende tijd uitgewerkt in overleg met de gemeente. Onderdeel van die uitwerking is een (nieuwe) interne en externe governance. Dan gaat het zowel om het type rechtspersoon als over de organisatiestructuur zelf. Waarschijnlijk krijgt de APEC dan ook een nieuwe naam. Zowel gemeente als APEC onderschrijven de ­noodzaak voor de doorontwikkeling en het profes­ sionaliseren van de koepel. Vanuit de deelnemende coöperaties is er onvoldoende menskracht beschikbaar voor deze doorontwikkeling. De gemeente heeft daarom toegezegd om dit najaar middelen ter beschikking te stellen om in 2024 en 2025 de eerste stappen te zetten naar een brede koepel van energiegemeenschappen.

Medio 2025 zal bekeken dienen te worden wat vanaf 2026 een passende meerjarige financiering kan zijn.

20

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

4.5 Opzetten van een Kamer van Commons voor Energie Zoals aangegeven biedt de energiewet meer ruimte voor publiek-civiele samenwerkingen. Een Kamer van Commons voor Energie kan daarin een onder­ steunende rol spelen, ook omdat de ‘citizen energy community’ inmiddels al in Europese wetgeving erkend is. Een van de acties is het ontwikkelen en lanceren van een register: een Amsterdamse ‘kamer van commons’ voor energie. Belangrijk is dat de gemeente legitimiteit en positie kan bieden aan de initiatieven van bewonerscollectieven door middel van een dergelijk register. De energiegemeenschappen/energiecoöperaties kunnen zich inschrijven in het commonsregister wanneer zij voldoen aan bepaalde eisen en voorwaarden. Die eisen moeten nog precies geformuleerd worden, maar kunnen bijvoorbeeld bevatten: lokale verankering (gebiedsgericht), voor en door de gemeenschap, open en democratisch georganiseerd, eventuele opbrengsten vloeien terug naar de samenleving in het betreffende gebied, de gemeenschap kan niet omgezet worden in een commerciële partij (geen winstoogmerk en/of onverkoopbaar). De gemeente Amsterdam verkent momenteel welk aanvullend instrumentarium ontwikkeld kan worden.

Dat betekent ook specifiek omschreven beleid en randvoorwaarden voor bewonerscollectieven en gemeenschappen om toegang te krijgen: gedegen inrichten van samenwerkingen, subsidies, inkoop- en aanbestedingsprocedures.

Het Commonsregister voor energiegemeenschappen kan ook helpen bij de doorontwikkeling van de APEC naar een koepel van energiegemeenschappen. Initiatieven die ingeschreven staan in het register zijn een betrouwbare samenwerkingspartner voor de gemeente en kunnen in aanmerking komen voor specifieke subsidies of samenwerkingen waarvan het college heeft besloten die door energiege­ meenschappen wil laten invullen. Daarnaast kan de koepel van energiegemeenschappen het ‘lidmaatschap’ ook reguleren door voor te schrijven dat een energie-initiatief ingeschreven moet staan in het commonsregister om lid van de koepel te worden. Ook zou ‘ingeschreven in het commonsregister’ een afdoend criterium kunnen zijn om energiegemeenschappen uit te nodigen om deel te nemen aan specifieke aanbestedingen (publiek-civiel), samenwerkingsprojecten of in aanmerking te laten komen voor subsidie. Het is dan wel van belang dat de gemeente de drie hoofdroutes (zelf doen, in markt zetten, in publiek-­ civiele domein wegzetten) scherp weet te definiëren. Hier speelt een rol dat de gemeente kan laten zien het niet op de commerciële markt te willen inkopen en/of kan aantonen dat er geen sprake is van reguliere marktwerking. De komende periode zal de gemeente Amsterdam het precieze doel en de criteria voor het commonsregister samen met energiecoöperaties ontwikkelen.

We willen begin 2025 duidelijk hebben welke mogelijkheden een register kan bieden en vervolgens bij een positieve beoordeling een werkend register te lanceren.

4.6 Herijking Transitievisie Warmte In de huidige Transitievisie Warmte geeft Amsterdam aan voor iets meer dan de helft voor de verwarming in te zetten op grootschalige warmtenetten. Deze keuze werd ingegeven door de verwachting dat dit gepaard ging met de laagste maatschappelijke kosten. De vraag is of dit - nog los van de problemen met draagvlak in de buurt en garanties voor betaalbaarheid - heden ten dage nog steeds geldt. Het is de vraag of een grote stadsverwarmingsnet rendabel zal zijn in de buurten die destijds zijn aangewezen. Daarnaast is er weerstand bij bewoners die vaak aangeven moeite te hebben met een commerciële monopolist. De herijking van de Transitievisie Warmte gaat in eerste instantie over de techniekkeuze en de fasering (op basis van een nog vast te stellen uitgangspuntennotitie). Waarschijnlijk zal lokale opwek en lokale gebruik van warmte in sommige buurten van Amsterdam meer mogelijkheden bieden dan in andere buurten. Restwarmte, geothermie, aquathermie, etcetera: allerlei bronnen zijn mogelijk maar niet alles is overal mogelijk. In gebieden zijn vaak meerdere mogelijkheden waartussen gekozen moet worden. Maar techniek en fasering zijn niet de enige criteria om te bepalen welk warmtenet waar in Amsterdam ontwikkeld wordt.

Al gaat de herijking veel minder over de wijze waarop het georganiseerd wordt, een doel als ‘Versterking gemeenschapszin en sociale cohesie in buurten en wijken van de stad’ kan leiden tot een andere prioritering van de warmtenetten. Het meewegen van ‘van onderop tot stand komen’ en ‘verankering van draagvlak bij bewoners en ondernemers in de buurt’ kan van belang zijn.

21

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Wellicht dient minder gestuurd te worden op de laagste maatschappelijke kosten en meer op de hoogste maatschappelijke (of lokale) opbrengsten. Het bestuur heeft aangegeven dat er ruimte voor eigen initiatief moet zijn om als samenleving tot oplossingen te komen. Geadviseerd wordt dit element ook aandacht te geven in de Herijking Transitievisie Warmte. De herijking zal een kaart opleveren van preferente warmtetechnieken, waarbij voor de technieken waar lokale organisatievormen/buurtinitiatieven passend zijn, gekeken wordt hoe hun positie vastgelegd wordt. De gemeente zal bij de herijking de puzzel gaan leggen welke bron in welke gebied de voorkeur verdient, uitgaand van de 3 doelen van de energietransitie (zie hoofdstuk 1). Deze keuzes maakte de gemeente samen met de stad. Een duidelijk perspectief voor lokale warmtenetten geeft helderheid over de kansen voor coöperaties/ energiegemeenschappen voor lokale warmtenetten. Het is belangrijk dat transparant wordt waar de gemeente ruimte ziet voor lokale warmte-initiatieven.

4.7 Financieel instrumentarium De gemeente Amsterdam kent een gedegen proces rond aanbestedingen. Dit past ook bij de rol van een rechtmatige, doelmatige en presterende overheid. Echter wanneer publiek-civiele samenwerking wordt beoogd, dan is een dominante focus op aanbestedingen minder gewenst. De overheid is dan immers niet per se de opdrachtgevende partij.

Hier wordt kort een aantal onderwerpen benoemd die de komende periode meer aandacht en doorontwikkeling vereisen. Hier is een goede programmering vanuit de gemeente nog onvoldoende aanwezig.

randvoorwaarden aangescherpt kunnen worden zodat er kans is op lokale verankering (draagvlak, eigenaarschap) binnen (wijken/buurten van) Amsterdam.

Gebruik alternatieven voor aanbestedingen

Bij verder vormgeven van de publiek-civiele samenwerking zal ook nagegaan worden welke mogelijk­ heden er zijn voor energiegemeenschappen zonder dat mededingingsrecht van toepassing is. Daarbij in acht nemend dat er ook veel nog niet bekend is en er dus gebruik gemaakt kan worden van de ruimte die dat biedt (ook als voortrekker binnen Nederland van het vormgeven van gemeenschapseconomie) met een aparte positie voor energiegemeenschappen.

Momenteel wordt voor zon en wind met name ingezet op opdrachtverlening/aanbesteding richting coöperaties. Eén van de belangrijke aanleidingen om de samenwerking tussen gemeente en energiecoöperaties te intensiveren, waren de problemen met de aan­ bestedingen en gunningen. Dit vraagt dringend om een andere manier van samenwerking door nieuwe/ aanvullende regelgeving. De gemeente heeft eerder toegezegd om hiervoor op korte termijn actie te ondernemen. De noodzaak om de financiële arrangementen te herzien, is het afgelopen jaar alleen maar toegenomen. Om publiek-civiele samenwerkingen te ondersteunen, moet de gemeente met de (in ontwikkeling zijnde) energiegemeenschappen nagaan wat voor de publiek-civiele samenwerking en ondersteuning van een gemeenschapseconomie goede, passende arrangementen zijn. Dit dient helder in het beleid verankerd te worden. Als de rol van de gemeente niet louter die ­opdrachtgever is, is een inkooprelatie niet voor de hand liggend en ligt het meer voor de hand om een subsidie te verstrekken. Op subsidie zit geen aanbestedingsplicht al is er wel vaak een mede­ dingingsprocedure. Als er wel sprake is van een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie en aanbesteding de enig mogelijke manier blijkt te zijn, is het van belang na te gaan (al dan niet binnen de regels van een DAEB – zie hieronder) welke specifieke

Verkenning DAEB Een DAEB (Dienst van Algemeen Economisch Belang) is een concept uit het Europees recht dat verwijst naar diensten die van bijzonder belang zijn voor de maatschappij en die de overheid onder specifieke voorwaarden aanbiedt of reguleert. Deze diensten kunnen zowel publiek als privaat worden geleverd, maar ze moeten aan bepaalde eisen voldoen die in het algemeen belang zijn. Bij de energietransitie kan een DAEB een belangrijke rol spelen, omdat de energietransitie een ingrijpende verandering is die veel publieke belangen raakt, zoals betaalbaarheid, toegankelijkheid, en duurzaamheid van energie. Door bepaalde energie-gerelateerde diensten als DAEB aan te wijzen, kan de gemeente maatregelen nemen die deze publieke belangen beschermen, zelfs als dit betekent dat de normale concurrentieregels op de interne markt van de EU worden aangepast.

22

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Het inzetten van een DAEB kan de volgende waarde opleveren: • Garantie op toegankelijkheid en betaalbaarheid. De energietransitie vereist dat duurzame energie toegankelijk en betaalbaar is voor iedereen. Door bepaalde energiediensten als DAEB aan te wijzen, kan de overheid ingrijpen als deze diensten anders te duur of ontoegankelijk zouden worden. • Ondersteuning van duurzame energie. Door DAEB’s kan de overheid projecten ondersteunen die anders niet rendabel zouden zijn op de vrije markt, zoals warmtenetten, windparken of zonne-energieprojecten. Amsterdam heeft tot nu toe weinig tot geen ervaring met het instellen van een DAEB bij de energietransitie. Het is aan te bevelen te onderzoeken waar de gemeente gebruik kan maken van een DAEB voor projecten rond de energietransitie, hier een groslijst van te maken, en hier komend jaar mee te experimenteren. Een DAEB zou kunnen leiden tot toekenning aan één gewenste partij, met name als er marktfalen is (bijvoorbeeld als de markt niet aan de beleidsmatige voorwaarden kan voldoen). Onderzoek waar meer gebruik gemaakt kan worden van subsidie in plaats van aanbestedingen. Ook een subsidie kan prima geborgd worden onder de DAEB.

Uitdaagrecht Ook bestaat er een route vanuit uitdaagrecht. Deze moet nog beter worden onderzocht. Als een Energie gemeenschap zelf initiatief toont voor het aanleggen van een warmtenet, windmolen of zonopwek project, dan kan de overheid dit faciliteren, zelfs door een financiële bijdrage. Daarmee is niet de gemeente opdrachtgever, maar de energie gemeenschap. Mogeljk is dit de gemeenschapsroute. Bron: Zuiderlicht

23

Middellange termijn

5

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Naast de acties die al in gang zijn gezet of de komende periode in gang gezet worden, kunnen ook een paar acties benoemd worden die in de routekaart voor nadere uitwerking in 2025 in aanmerking komen, bijvoorbeeld: • Verbeteren van de communicatie over het belang van energiegemeenschappen bij de energie­transitie door een gezamenlijk (gemeente en coöperaties) verhaal over het belang van de energietransitie én lokaal eigenaarschap. Dit moet gepaard gaan met een gezamenlijke communicatiestrategie en een gezamenlijk uitvoeringsplan. • Opstellen van een innovatieprogramma energie waarin voorgesorteerd wordt op nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld einde saldering, positionering van lokale opslag, pilot energie­ delen, Energy as a Service, publieke rol van warmtegemeenschappen). • Onderzoeken of en hoe één Amsterdams Transitiefonds voor verduurzaming in publiekciviele samenwerking kan worden ingericht, waarbij de eventuele opbrengsten ook weer kunnen terugvloeien in het fonds. • Intensiveren van het overleg met woningbouw­ corporaties en de koepel van VVE’s om ervoor zorgen dat daken volledig benut worden voor zonnepanelen (en daaraan gekoppeld opslag van energie). • Vormgeven van de integrale (coöperatieve) benadering waarbij opwek, opslag, distributie, levering en besparing directer met elkaar verbonden worden en gelinkt aan lokale energiegemeenschappen.

Bron: Zuiderlicht

25

Tot slot

6

Eindrapport Energiegemeenschappen deel I

Het afgelopen half jaar hebben de gemeente en de onder de noemer APEC samengekomen energie­coöperaties, gezamenlijk de mogelijkheden voor coöperaties verkend om zo goed mogelijk bij te dragen aan de uitvoering en het versnellen van de energietransitie in Amsterdam. Dat was vruchtbaar en soms ook moeizaam. De verkenning heeft wind in de zeilen gekregen door het vaststellen van de Energiewet waarin de positie van energiegemeenschappen versterkt is. Gaandeweg kreeg het perspectief van de publiek-civiele samenwerking en de rol van energiegemeenschappen vorm met concrete acties. De komende periode zal beslist niet eenvoudig zijn. Het vormgeven van publiek-civiele samenwerking vraagt vasthoudendheid en ook ontegenzeggelijk een pioniersgeest: er is nog veel onduidelijk over de invulling van en de ruimte voor energiegemeenschappen. Maar daarin schuilt ook een enorme kans. Het past in de traditie van Amsterdam om ook op dit gebied de voorhoede te vormen en anderen te gidsen. Dat vergt de durf om te experimenteren, om de randen van wat kan samen op te zoeken en tegelijk te zorgen dat dit wel verantwoord gebeurt. Het vraagt van de gemeente een instrumentarium dat goed bruikbaar is voor de publiek-civiele samenwerking en de middelen die daarvoor nodig zijn. Van de APEC vereist het dat ze zich omvormt tot een koepel van energiegemeenschappen in Amsterdam, met een sterke lokale verankering.

Gemeente en APEC geven aan die weg in te willen slaan. Natuurlijk zijn ze zich bewust van het feit dat de richting weliswaar duidelijk is maar de route regelmatig zal moeten worden bijgesteld. Samen koers houden is essentieel om deze aanpak doelmatig en daarmee rechtmatig te maken. Deze hierboven beschreven weg van publiek-civiele samenwerking in de energietransitie sluit aan op de ambitie in het coalitieakkoord en biedt zicht op meer lokaal eigenaarschap en sociale cohesie. Voor en door de gemeenschap. Zo biedt deze weg naar een lokale gemeenschapseconomie ook zeker kansen om te gaan voor maatschappelijke meerwaarde voor Amsterdammers in de energietransitie in plaats van te focussen op de laagste maatschappelijke kosten.

27

Bijlagen Tussenrapportage en Sideletters van Coalitiebouwer

II

Bijlagen deel II

Inleiding Dit document gaat over het verbeteren van de samenwerking tussen de gemeente Amsterdam en de Amsterdamse energiecoöperaties (APEC). Van februari tot en met september 2024 hebben de gemeente en APEC zich beziggehouden met onderwerpen die ze nu of in de nabije toekomst kunnen beïnvloeden. De komst van de energiegemeenschappen heeft veel aandacht gekregen omdat we verwachten dat dit een zeer positieve invloed zal hebben op de energie­ transitie en op de samenwerking tussen de gemeente en de energiecoöperaties. Het document is samengesteld uit de eerder verschenen tussenrapportage Samenwerking Gemeente Amsterdam – Energiecoöperaties en twee side letters (een voor de gemeente en een voor de APEC) uit mei 2024 en dient als achtergrond bij de eindrapportage van de coalitiebouwer. Wat tijdens het traject opviel, is dat iedereen begaan is met de energietransitie en dat iedereen oprecht streeft naar verbetering van de samenwerking. Tegelijk beseft iedereen hoe ingewikkeld de opgave is. Er is een hoge ambitie en lang niet altijd is duidelijk hoe die ambitie gerealiseerd kan worden. Er is veel ‘learning on the job’: er wordt gezocht naar nieuwe manieren van samenwerken, naar nieuwe technieken, naar draagvlak bij bewoners, betaalbaarheid van de transitie is geen gegeven, et cetera.

Iedereen is bereid om zich steeds aan te passen aan nieuwe inzichten, maar dat is tegelijk ook een uitdaging. Lang niet altijd hebben (of kunnen) de partijen een gelijke snelheid ontwikkelen en soms blijkt dat niet iedereen is meegenomen in de veranderde omstandigheden.

Aanleiding Wat ook opvalt, is dat er al een veelheid aan rapporten en adviezen ligt over de toegevoegde waarde van coöperaties en energiegemeenschappen voor de energietransitie. Lang niet altijd is duidelijk wat er met de adviezen is gedaan. Ze gaan over veel verschillende onderwerpen: inhoud, organisatie, beleid. Ze hebben vaak ook een relatie met verbeteren van de samenwerking. De adviezen zijn ook niet eenduidig. Toch zitten er veel goede aanbevelingen bij die het verdienen om overgenomen te worden. In deze tussenrapportage is dankbaar gebruik gemaakt van deze reeds verschenen adviezen. Ik neem de adviezen over die - volgens mij - passen bij de opgave van deze opdracht. Dat roept wel de vraag op hoe gezorgd kan worden dat er een duidelijke uitspraak gedaan wordt over die adviezen. Worden ze al dan niet overgenomen? Welke worden aangepast overgenomen? En hoe zorgen we ervoor dat ze ook daadwerkelijk ­geïmplementeerd worden?

De aanleiding voor het traject met een coalitiebouwer is dat zowel de gemeente als de energiecoöperaties de samenwerking willen verbeteren. Voor de realisatie van de energietransitie is samenwerking hét sleutelwoord. Niemand kan het alleen. Gemeenten, Rijk, coöperaties, bedrijven, kennisinstellingen, burgers en maatschappelijke organisatie hebben elkaar nodig om de transitie tot een succes te maken. Maar wat verstaan we onder samenwerking? Het gaat om de interactie en dynamiek tussen betrokkenen met verschillende posities, taken en verantwoordelijkheden. Bewust en sensitief omgaan met nabijheid en distantie is de kern van goede samenwerking. Het is rationeel kunnen handelen, maar ook je kunnen verplaatsen in de positie van de ander. Het is zowel met burgers samen optrekken, als weten waar en wanneer de deskundigheid van de overheid het werk moet doen. Het is ruimte geven aan creativiteit en vernieuwing, vertrouwen geven én waarmaken, beheersen en controleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14939231/1