CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Monitoringsrapportage MLK 2024.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 17 april 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de raadsinformatiebrief Luchtkwaliteit in Amsterdam waarin de resultaten uit de Monitoringsrapportage MLK 2024 (bijlage 2) en de Monitor Actieplan Schone Lucht 2024 (bijlage 3) worden toegelicht. (VN2025-004372)23.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

RIVM-rapport 2024- 0133

aangegeven dat ze onterecht zijn. De verticale schaal is niet gelijk in beide figuren.

4.4

Onzekerheden en statistisch verwachte overschrijdingen NO2 langs wegen De berekende resultaten van de monitoring zijn onderhevig aan verschillende onzekerheden. Voor een deel zijn onzekerheden in de resultaten het gevolg van onzekerheden in de generieke gegevens in de monitoring. Een gedetailleerde opsomming van onzekerheden in de generieke gegevens en modelonzekerheden is te vinden in paragraaf 5.2 in Van Zanten et al. (2013). Voor de lokale invoergegevens afkomstig van het lokaal bevoegd gezag ligt de verantwoordelijkheid – en dus ook de kwaliteitsborging – bij het desbetreffende gezag. Het bevoegd gezag beoordeelt de effecten van projecten en maatregelen en verwerkt deze in de invoer. Het RIVM draagt geen verantwoordelijkheid hiervoor. De onzekerheden in de lokale gegevens zijn vaak niet bekend. Elke berekening van luchtkwaliteit kent een intrinsieke onzekerheid; op basis van vergelijkingen met metingen bedraagt de modelonzekerheid in de berekeningen langs wegen ongeveer 20-25 procent (95 procentbetrouwbaarheidsinterval). Als een berekende concentratie bijvoorbeeld nagenoeg gelijk is aan de grenswaarde van 40 µg/m3, dan is er dus 5 procent kans dat de feitelijke concentratie lager is dan ongeveer 31 µg/m3 of hoger is dan ongeveer 49 µg/m3.

Om na te gaan hoe gevoelig de resultaten van de monitoring – en dus de aantallen overschrijdingen – voor NO2 zijn voor onzekerheden, is voor alle toetspunten bepaald hoe groot de kans is dat de achtergrondconcentraties of de lokale concentratiebijdragen zodanig toe- of afnemen dat er sprake is van een overschrijding, of juist niet meer. De som van alle kansen op overschrijdingen, klein en groot, geeft het statistisch verwachte aantal overschrijdingen. Meer informatie over de werkwijze is te vinden in Bijlage 4: Onzekerheden in aantallen NO2-overschrijdingen langs wegen in het MLK. Resultaten voor 2023, 2025 en 2030 De combinatie van het aantal locaties met NO2-concentraties in de buurt van de grenswaarde en de geschatte kans op lagere of hogere concentraties dan berekend, leidt tot een statistisch verwacht aantal overschrijdingen voor NO2 in 2023 van ongeveer drie (overeenkomend met 0,3 km weg, per rijrichting). Dit statistisch verwachte aantal overschrijdingen is dus geen worst case-aantal, maar het aantal overschrijdingen dat wordt verwacht als de concentratie op elke rekenlocatie exact kan worden bepaald. Dit berekende aantal statistisch verwachte overschrijdingen voor 2023 ligt ruim lager dan het aantal voor 2022: toen waren het er ongeveer 116. Het jaar 2023 werd gekenmerkt door veel regen.

Dit heeft een gunstig effect gehad op de concentraties en dus ook op het statistisch verwacht aantal overschrijdingen. Daarnaast hebben de herverdeling van de

Pagina 32 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

koudestartemissies en het schoner worden van het wagenpark een rol gespeeld. Dit aantal statistisch verwachte overschrijdingen is groter dan het aantal volgens de wettelijk vastgelegde methode berekende overschrijdingen in paragraaf 4.2, omdat nu de kansen van alle ‘net-niet-overschrijdingen’ ook in kaart zijn gebracht. Dit aantal wordt een klein beetje – maar lang niet volledig – gecompenseerd door locaties die net boven de grenswaarde zijn gemodelleerd, en er in werkelijkheid net onder zitten. Deze analyse toont aan dat er sprake is van enkele bijna-overschrijdingen die niet uit het oog mogen worden verloren. Voor 2025 en 2030 bedraagt het statistisch verwachte aantal overschrijdingen respectievelijk 5 en 1. In Bijlage 5 is de ruimtelijke verdeling van de hoogste kans op overschrijding van de NO2-grenswaarde in 2023, 2025 en 2030 op gemeenteniveau weergegeven (Figuur B5.1). 4.5

Aangenomen herziene Europese richtlijn In 2030 moet Nederland voldoen aan nieuwe Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. De herziene Europese richtlijn stelt de grenswaarden bij naar een jaargemiddelde van 20 μg/m3 voor NO2 en PM10, en naar 10 μg/m3 voor PM2,5. Om een inschatting te geven van wat dit gaat betekenen voor het aantal overschrijdingen in Nederland, worden de resultaten voor 2030 van de huidige monitoringsronde gepresenteerd, waarbij de drempelwaarden uit de bovengenoemde nieuwe Europese richtlijn worden gehanteerd. In 2030 stijgt voor NO2 het landelijk aantal overschrijdingen op toetspunten ten opzichte van de bestaande richtlijn naar 6247, oftewel 624,7 km per rijrichting. Nederland telt in 2030 25,7 en 43,8 km per rijrichting aan overschrijdingen voor respectievelijk PM10 en PM2,5. Dit aantal ligt hoger dan het aantal dat is gerapporteerd in RIVMbriefrapport 2023-0167. Meerdere factoren hebben een rol gespeeld, waaronder de onvolkomenheid in de verwerking van de gegevens (paragraaf 3.3.2) en verandering in verkeersintensiteiten bij de actualisatie. Mogelijk heeft het toevoegen van veroudering in de emissiefactoren voor vrachtverkeer ook een rol gespeeld. Deze cijfers zijn nog puur indicatief. Bevoegde gezagen moeten nog beoordelen of deze punten ook daadwerkelijk toetspunten zijn.

Ook moet nog eens kritisch gekeken worden naar de invoergegevens van deze punten en de bijbehorende wegsegmenten. Hiervoor is een verdere analyse nodig. De verdelingen van de overschrijdingen per stof staan geïllustreerd in Bijlage 8, figuur B8.1. In deze bijlage is ook de tabel te vinden van het aantal km overschrijding voor NO2 en PM10 in de betreffende gemeenten. De getallen zijn uitgesplitst naar verantwoordelijk bevoegd gezag. Pagina 33 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Pagina 34 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

5

Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen

Dit hoofdstuk presenteert de resultaten van de berekeningen voor fijnstof nabij veehouderijen. De Monitoring Luchtkwaliteit besteedt speciaal aandacht aan de intensieve veehouderij, omdat veehouderijen lokaal een significante bijdrage kunnen leveren aan de concentraties fijnstof. 5.1

Criteria voor invoer van veehouderijen De bevoegde gezagen van aandachtsgebieden is verzocht veehouderijen in de monitoringstool in te voeren, als ze voldoen aan ten minste één van de onderstaande criteria 42: • De totale vergunde emissie fijnstof van een veehouderijbedrijf is groter dan 500 kg per jaar, in een gebied waar de jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijnstof hoger is dan 27 μg/m3. • De totale vergunde emissie fijnstof van een veehouderijbedrijf is groter dan 800 kg per jaar, ongeacht de hoogte van de jaargemiddelde achtergrondconcentratie. Veehouderijen die verder weg liggen of een kleinere emissie hebben, mogen ook ingevoerd worden. Maar dat is niet verplicht. Tijdens de berekeningen constateerde het RIVM nog enkele onvolkomenheden in de invoergegevens, waardoor de concentratie fijnstof niet op alle receptoren was te berekenen. Het RIVM informeert de bevoegde gezagen hierover in de aanloop naar de aankomende Monitoringsronde 2025, met het verzoek de oorzaken van de onvolkomenheden weg te nemen.

5.2

Werkwijze luchtkwaliteit nabij veehouderijen In de Monitoringsronde 2024 zijn zowel de generieke als de lokale veehouderij-specifieke invoergegevens geactualiseerd. De generieke gegevens bestaan onder meer uit de grootschalige jaargemiddelde achtergrondconcentraties, de meteorologische gegevens en de emissiefactoren. De lokale veehouderijgegevens bestaan onder meer uit vergunde aantallen dieren, stalsystemen, locaties en kenmerken van emissies, en ligging van toetspunten. De actualisatie van deze lokale veehouderijgegevens is door de bevoegde gezagen in het monitoringsinstrument CIMLK uitgevoerd. De rekenresultaten voor de fijnstofconcentraties in relatie tot veehouderijen zijn gebaseerd op de vergunde gegevens, zoals die door het bevoegd gezag zijn ingevoerd in CIMLK. Voor de berekeningen is gebruikgemaakt van de in juni 2024 beschikbaar gekomen versie van het ISL3a-model 43. In dit model zijn onder meer de meteorologische parameters, jaargemiddelde achtergrondconcentraties toegepast die in

42 43

Zie ook Stappenplan cumulatief rekenen veehouderij | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl) https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/isl3a/ Pagina 35 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

maart 2024 zijn bekendgemaakt door de staatssecretaris van IenW. 44 Er is voor deze ronde besloten de RAV-codes, zoals ze in maart 2023 45 bekendgemaakt zijn, te gebruiken. Bij de berekening met het ISL3amodel wordt de veehouderijbijdrage bij de achtergrondconcentratie opgeteld. Dit zorgt voor dubbeltellingen, omdat de veehouderijen ook worden meegenomen in de berekening van de achtergrondconcentraties. De resultaten zijn hiervoor gecorrigeerd. De concentraties fijnstof worden berekend voor het gepasseerde jaar 2023 en de zichtjaren 2025 en 2030. Voor de berekening van het gepasseerde jaar is onder meer gebruikgemaakt van de geactualiseerde lokale veehouderijgegevens, jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor 2023 en meteorologische gegevens voor 2023. Voor beide prognosejaren zijn dezelfde veehouderijgegevens van bronhouders gebruikt als in het gepasseerde jaar 46. Alleen is voor de generieke gegevens de meerjarige meteorologie en de GCN voor 2025 en 2030 gebruikt. Dit is afwijkend vergeleken met voorgaande monitoringsronden. Toen werd het resultaat van het gepasseerde jaar gebruikt en gecombineerd met de verwachte achtergronden voor 2025 en 2030. Het effect van deze werkwijze is klein. De berekende waarden zijn vervolgens getoetst aan de grenswaarden voor fijnstof.

De resultaten voor de zichtjaren 2025 en 2030 moeten als ‘indicatief’ worden beschouwd, aangezien lokale veehouderijgegevens in de komende jaren danig kunnen veranderen. De Monitoringsrapportage 2013, Bijlage 3 (Van Zanten et al., 2013) bevat aanvullende informatie over de werkwijze van de monitoring nabij veehouderijen. In het kader van de monitoring zijn de rekenresultaten getoetst aan de grenswaarden op locaties die buiten het terrein van een inrichting liggen. Deze locaties heten toetspunten. 47 Het betreft hier locaties van b.urgerwoningen, plattelandswoningen 48 en een categorie Overig 49. Er zijn deze ronde 1.401 veehouderijen meegenomen in de luchtkwaliteitsberekeningen voor het gepasseerde jaar 2023 en de zichtjaren 2025 en 2030. In totaal hebben bronhouders 9.010 locaties opgegeven om door te rekenen. Twaalf locaties in deze dataset hadden ongeldige coördinaten en zijn niet doorgerekend. In totaal is er dus op 8.998 gerekend. Daarnaast zijn diverse locaties meerdere keren in de database ingevoerd, omdat ze in de buurt liggen van verschillende dicht bij elkaar gelegen veehouderijen, die elk afzonderlijk in het monitoringsinstrument zijn ingevoerd met een overlap in de door te rekenen locaties. Zonder deze overlap is er op 8.161 unieke locaties gerekend. De toetsing aan de grenswaarden uit de EU-richtlijn gebeurt op locaties buiten de bedrijfswoningen.

Uiteindelijk is de fijnstofconcentratie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen 45 Invoergegevens luchtkwaliteit 2023 | Publicatie | Rijksoverheid.nl 46 Zie ook paragraaf 3.3.5 47 Dit uitgangspunt wijkt af van de toetsing bij de vergunningverlening. Bij vergunningverlening hoeft een individuele veehouderijlocatie alleen niet op zijn eigen terrein van de inrichting te toetsen. In het kader van het NSL hoeft een individuele veehouderijlocatie niet op diens eigen terrein van de inrichting te toetsen en ook niet op het terrein van een andere inrichting. 48 Een plattelandswoning is een voormalige agrarische woning die op grond van het bestemmingsplan mag worden bewoond door derden. 49 Zie voor meer uitleg Bijlage 1 Begrippenkader: Toetspunten en rekenpunten veehouderijen. 44

Pagina 36 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

voor de monitoringsjaren op 5.001 unieke toetspunten beoordeeld aan de Europese grenswaarden voor PM10. Paragraaf 5.4 gaat nader in op de aantallen doorgerekende toetspunten en betrokken veehouderijen door de jaren heen. Het aantal toetspunten is hiermee gedaald in vergelijking met vorige monitoringsronden. Ter vergelijking: in Monitoringsronde 2022 werden in totaal 1.407 veehouderijen meegenomen in de luchtkwaliteitsberekeningen. De fijnstofconcentratie werd toen op 5.315 unieke toetspunten beoordeeld aan de Europese PM10grenswaarden. Bronhouders (ook buiten de aandachtsgebieden fijnstof) hebben ook in deze monitoringsronde wijzigingen aangebracht in de datasets. En het lijkt dat bevoegde gezagen in deze monitoringsronde hebben gewerkt aan het invoeren van recente gegevens over veehouderijen en relevante receptoren (woningen) rondom veehouderijen, in lijn met eerdere verzoeken van Bureau Monitoring. De resultaten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de gegevens, zoals die door de bevoegd gezagen zijn ingevoerd in het monitoringsinstrument CIMLK. Deze gegevens – en daarmee ook de rekenresultaten voor de desbetreffende locaties – bevatten mogelijk onvolkomenheden. Gemeenten en provincies zijn in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de invoergegevens en de daaruit berekende overschrijdingen.

Van een aantal van de berekende en gerapporteerde overschrijdingen kan het bevoegd gezag achteraf aangeven dat deze onterecht zijn. Veelal betreft dit locaties die ten onrechte als toetspunt aangemerkt zijn, of toetspunten die per abuis op de verkeerde locatie zijn ingevoerd. De desbetreffende overschrijdingen worden in zo’n geval in de rapportage benoemd als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. In Bijlage 6A geven de bevoegde gezagen een toelichting op de door hen als ‘onterecht’ aangemerkte overschrijdingen. Het bevoegd gezag kan eventuele onvolkomenheden in de invoerdata corrigeren tijdens de actualisatiefase van de volgende monitoringsronde, in dit geval die van 2025. De invoergegevens van enkele bevoegde gezagen bevatten onvolkomenheden, waardoor op een aantal receptoren geen concentratie was te berekenen. Het RIVM zal de betreffende bevoegde gezagen hierop in de aanloop naar de volgende monitoringsronde attenderen, zodat deze onvolkomenheden in een volgende ronde zijn te vermijden. Het RIVM wijzigt gegevens tijdens of na de actualisatieperiode niet eigenhandig, zelfs niet op verzoek van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dient de gegevens zelf te controleren en te corrigeren. 5.3

Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2023 In deze paragraaf staan de resultaten van de fijnstofconcentraties voor het gepasseerde jaar 2023. In Tabel 5.1 en Tabel 5.2 zijn deze resultaten opgenomen. In drie gemeenten zijn overschrijdingen van de etmaalnorm voor fijnstof op de locaties van één of meerdere woningen (toetspunten) rondom vier veehouderijen berekend. De concentratiebijdragen van deze veehouderijen leiden – meestal in combinatie met de bijdragen van Pagina 37 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

andere bronnen die in de achtergrondconcentraties zijn verwerkt – tot overschrijdingen van de grenswaarde. In totaal betreft het zes toetspunten met een overschrijding, waarvan vier in Asten en in Duiven en Nederweert ieder één. De overschrijdingen vinden plaats in Gelderland, Limburg, Noord-Brabant. Daarbuiten is op geen enkel toetspunt een overschrijding van de jaarnorm berekend. De overschrijding in Duiven is ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. De reactie van de gemeente Duiven staat in Bijlage 6A. Tabel 5.1 Aantal overschrijdingen van de PM10-etmaalnorm, berekend nabij veehouderijen in 2023. Het ‘maximumaantal overschrijdingsdagen’ is bepaald zonder toepassing van de zeezoutaftrek.

Aantal veehouderijen dat bijdraagt aan overschrijding

Aantal Maximumaantal toetspunten overschrijdingsdagen met overschrijding

1

1

40

Nederweert

1

1

58

NoordBrabant Asten

2

4

89

Totaal

4

6

Gelderland Duiven Limburg

Het aantal overschrijdingen (en overschrijdingsdagen) is erg gevoelig voor een beperkte toename in de berekende concentraties. Om deze gevoeligheid en de onzekerheden in de berekening te kwantificeren, zijn twee situaties in Tabel 5.2 weergegeven. De tabel geeft per gemeente het aantal toetspunten weer waar sprake is van een aantal overschrijdingsdagen dat groter is dan de etmaalnorm van 35 overschrijdingsdagen (met zeezoutaftrek) en het aantal toetspunten waar sprake is van een aantal overschrijdingsdagen groter dan dertig, zonder zeezoutaftrek. Deze bandbreedte 50 van vijf overschrijdingsdagen, vertaald naar concentratie, komt overeen met een bandbreedte van ruim 1 µg/m3 onder de etmaalnorm. Per gemeente geeft de tabel ook het aantal veehouderijen, dat bijdraagt aan de overschrijding op de toetspunten. Tabel 5.2 illustreert dat de berekende concentraties fijnstof op een aantal locaties nabij veehouderijen net onder de etmaalnorm liggen. Bij een verhoging van de concentratie met ruim 1 µg/m3 neemt het aantal overschrijdingen voor 2023 toe naar 8. Er liggen dus nog enkele punten rond de grenswaarde voor PM10.

50

Meer informatie over de toetsing met toepassing van een bandbreedte is te vinden in Bijlage 1.

Pagina 38 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Tabel 5.2 Aantal toetspunten per gemeente waarvoor in 2023 een overschrijding is berekend van de PM10-etmaalnorm (> 35 overschrijdingsdagen, inclusief zeezoutaftrek) en met een bandbreedte (> 30 overschrijdingsdagen, zonder zeezoutaftrek) en het aantal veehouderijen met een bijdrage aan deze overschrijdingen.

Gelderland Duiven Barneveld

Aantal toetspunten Aantal toetspunten (veehouderijen) met >(veehouderijen) 35 dagen met > 30 dagen overschrijding van overschrijding van grenswaarde grenswaarde 1 (1)

1 (1)

-

1 (1)

1 (1)

1 (1)

4 (2)

4 (2)

-

1 (1)

6 (4)

8 (6)

Limburg Nederweert Noord-Brabant Asten Someren Totaal

5.4

Vergelijking Monitoringsronde 2023 met voorgaande ronden Door de jaren heen zijn de methodologische uitgangspunten bij de monitoring van de veehouderijen regelmatig aangepast. Gedurende Monitoringsronden 2014 t/m 2017 is de systematiek ruwweg gelijk gebleven. In Monitoringsronde 2018 zijn de criteria gewijzigd om veehouderijen in te voeren. Dit jaar valt de monitoring onder de Omgevingswet. Er zijn opnieuw methodologische veranderingen doorgevoerd. De actualisatie is alleen verplicht voor de aandachtsgebieden 51. Daarnaast is het criteria ‘De individuele luchtkwaliteitsberekening bij vergunningverlening van een veehouderijbedrijf resulteert in een totaal aantal overschrijdingsdagen van dertig of meer per jaar’ komen te vervallen. In de huidige monitoringsronde is de systematiek verder grotendeels gelijk aan die in voorgaande ronden. De gegevens worden ook jaarlijks geactualiseerd, waardoor van jaar tot jaar de invoergegevens van elkaar kunnen verschillen. De resultaten van de afgelopen ronden zijn daarom alleen op hoofdlijnen met elkaar te vergelijken. Tabel 5.3 geeft voor de laatste negen monitoringsronden een overzicht van het aantal overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof voor de gepasseerde jaren. Het aantal veehouderijen en doorgerekende toetspunten is in de loop van de jaren gestegen naar ongeveer 1.400 en 5.000. Dit jaar lijkt dat aantal te stabiliseren.

Het aantal toetspunten met een overschrijding van de etmaalnorm is tussen 2013 en 2023 gedaald van 111 naar 3. Het aantal toetspunten met een overschrijding van de jaarnorm is in deze periode gedaald van vier naar nul. De afname in het aantal overschrijdingen is voor een groot deel toe te schrijven aan de dalende achtergrondconcentraties. In 2023 zijn deze 51

Zie paragraaf 2.3 Pagina 39 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

achtergrondconcentraties nog lager, mede doordat het jaar zeer nat was. Dit verklaart voor een groot deel de verdere daling, maar sluit een lichte toename in toekomstige jaren niet uit. Tabel 5.3 Het aantal toetspunten waarvoor een overschrijding van de PM10etmaalnorm en van de PM10-jaarnorm is berekend, en het aantal veehouderijen met een bijdrage aan de overschrijdingen van deze normen. Let op: dit overzicht bevat ook overschrijdingen waarvan gemeenten hebben aangegeven dat ze onterecht zijn. MR = monitoringsronde.

Jaartal (MR)

2013 (MR2014) 2014 (MR2015) 2015 (MR2016) 2016 (MR2017)2 2017 (MR2018) 2018 (MR2019) 2019 (MR2020) 2020 (MR2021) 2021 (MR2022) 2022 (MR2023) 2023 (MR2024)

Aantal Aantal Aantal Aantal toetspunten veehoude- unieke toetspunten met met jaarnormoverrijen toetspunten etmaalnormover- schrijding1 schrijding1 509 2.558 111 (63) 4 (5) 565

2.586

89 (57)

3 (3)

636

2.678

46 (34)

1 (1)

636

2.678

35 (29)

0 (0)

1.175

4.245

44 (36)

2 (2)

1.297

4.613

64 (47)

3 (2)

1.358

4.792

25 (27)

0 (0)

1.369

4.823

13 (10)

0 (0)

1.376

4.856

15 (16)

0 (0)

1.407

5.315

19 (13)

0 (0)

1.401

5.001

6 (4)

0 (0)

Tussen haakjes staat het aantal veehouderijen met een bijdrage aan een overschrijding. In MR2017 zijn de veehouderijgegevens niet geactualiseerd, en daarmee gelijk aan MR2016. In deze ronde zijn alleen de achtergrondconcentraties geactualiseerd. Zie voor meer informatie hierover in de Monitoringsrapportage 2017, hoofdstuk 3 (Rutledge-Jonker et al., 2017). 1 2

Vijf van de berekende overschrijdingen voor 2023 (Tabel 5.3) komen voor in gemeenten die in één of meer eerdere monitoringsronden ook overschrijdingen hadden: Nederweert en Asten. Het betreft grotendeels toetspunten, waarvoor in één of meer voorgaande monitoringsronden – al dan niet onterecht – ook een overschrijding werd berekend. Het gaat daarbij meestal om de bijdragen van dezelfde veehouderijen. De overschrijding in de gemeente Duiven is nieuw. De gegevens van de veehouderijen zijn dit jaar geactualiseerd met een toename van de emissies. Dit verklaart dat er overschrijding is geconstateerd op een toetspunt nabij een veehouderij. De gemeente Duiven heeft een reactie gegeven op de overschrijding en bestempeld deze als onterecht. De reactie is te vinden in Bijlage 6A.

Pagina 40 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

De berekende overschrijdingen van de etmaalnorm vinden vaak plaats in gebieden in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant waar veehouderijen dicht bij elkaar liggen. De achtergrondconcentraties in de gebieden met intensieve veehouderijen zijn relatief hoog. Dit komt mede door de cumulatieve uitstoot van fijnstof in of nabij een dergelijk gebied. De gevonden overschrijding in Duiven is hierbij uitzonderlijk, maar gezien de aangeleverde gegevens wel verklaarbaar. 5.5

Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2025 en 2030 In deze paragraaf zijn de indicatieve resultaten van de fijnstofconcentraties nabij veehouderijen voor de prognosejaren 2025 en 2030 beschreven. Op basis van de door bevoegde gezagen aangeleverde vergunde emissies van de veehouderijen, zoals ingevoerd in het CIMLK, gecombineerd met achtergrondconcentraties voor de toekomstige jaren, zijn zowel in 2025 en 2030 in twee gemeenten nog een overschrijdingen van de etmaalnorm op een toetspunt voor fijnstof berekend (Tabel 5.4 en Tabel 5.5). In de gemeente Nederweert zorgt één veehouderij voor een overschrijding. In de gemeente Asten gaat het om twee veehouderijen met vier overschrijdingen. In totaal betreft het vijf toetspunten met een overschrijding. De toetspunten met door het RIVM berekende concentraties die hoger zijn dan de etmaalnorm – ook die met een als onterecht aangemerkte overschrijding – bevinden zich voornamelijk in gebieden waar relatief veel veehouderijen dicht bij elkaar liggen. Het betreft in de genoemde gemeenten dezelfde veehouderijen en toetspunten als die berekend zijn voor 2023. Het aantal toetspunten met een overschrijding van de etmaalnorm is voor 2030 vergelijkbaar met 2023, en het betreft voor Nederweert en Asten in 2030 dezelfde locaties als voor 2023. Het jaar 2023 was een nat jaar en kent relatief lage achtergrondconcentraties.

De achtergrondconcentraties dalen dan ook gering en de bronbijdrage is in sommige gevallen zelfs wat hoger door het gebruik van de meerjarige meteo.

Pagina 41 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Tabel 5.4 Aantal indicatieve toetspunten per gemeente waarvoor in 2025 een overschrijding is berekend van de PM10-etmaalnorm (> 35 overschrijdingsdagen, inclusief zeezoutaftrek) en met een bandbreedte (> 30 overschrijdingsdagen, zonder zeezoutaftrek), en het indicatieve aantal veehouderijen met een bijdrage aan deze overschrijdingen.

Overijssel

Aantal toetspunten Aantal toetspunten (veehouderijen) met (veehouderijen) > 35 dagen met > 30 dagen overschrijding van overschrijding van grenswaarde grenswaarde

Dalfsen

-

1 (1)

-

2 (1)

1 (1)

1 (1)

4 (2)

4 (2)

Meierijstad

-

1 (1)

Someren

-

1 (1)

5 (3)

10 (7)

Gelderland Barneveld Limburg Nederweert Noord-Brabant Asten

Totaal

Tabel 5.5 Aantal indicatieve toetspunten per gemeente waarvoor in 2030 een overschrijding is berekend van de PM10-etmaalnorm (> 35 overschrijdingsdagen, inclusief zeezoutaftrek) en met een bandbreedte (> 30 overschrijdingsdagen, zonder zeezoutaftrek), en het indicatieve aantal veehouderijen met een bijdrage aan deze overschrijdingen.

Overijssel Dalfsen

Aantal toetspunten Aantal toetspunten (veehouderijen) (veehouderijen) met > 35 dagen met > 30 dagen overschrijding van overschrijding van grenswaarde grenswaarde -

1 (1)

-

2 (1)

1 (1)

1 (1)

4 (2)

4 (2)

-

1 (1)

5 (3)

9 (6)

Gelderland Barneveld Limburg Nederweert Noord-Brabant Asten Someren Totaal

Net als voor 2023 is de gevoeligheid van het aantal toetspunten met een overschrijding in 2025 en 2030 onderzocht voor een beperkte toename van de berekende concentraties, en het daarmee samenhangende aantal Pagina 42 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

overschrijdingsdagen. Tabel 5.4 en Tabel 5.5 geven het aantal toetspunten per gemeente weer waar sprake is van een aantal overschrijdingsdagen dat groter is dan de etmaalnorm (inclusief zeezoutaftrek) en bij toepassing van een bandbreedte van vijf dagen, zonder de aftrek van het aantal toegestane zeezoutdagen voor de toekomstige jaren 2025 en 2030. Tussen haakjes staat het aantal veehouderijen in de gemeente dat een bijdrage aan de overschrijdingen levert. In 2025 wordt op tien toetspunten in zeven verschillende gemeenten het aantal overschrijdingsdagen berekend op meer dan dertig per jaar. In 2030 gaat om negen toetspunten in zes verschillende gemeenten. Deze bandbreedte laat zien dat de berekende concentraties fijnstof voor 2030 op een beperkt aantal locaties nabij veehouderijen net onder de etmaalnorm liggen. 5.6

Invoer en onzekerheden De kwaliteit van de rekenresultaten wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van de invoer. Voor invoergegevens die afkomstig zijn van de lokale overheden ligt de verantwoordelijkheid – en dus ook de kwaliteitsborging – bij het betreffende bevoegd gezag. Op basis van de beschikbare informatie is het voor het RIVM niet mogelijk om een generieke analyse van alle aspecten van de kwaliteit en de onzekerheden van de invoergegevens uit te voeren. Wel heeft er een technische beoordeling plaatsgevonden om een berekening met het ISL3a-model te kunnen uitvoeren, op basis van de lokale invoergegevens die zijn aangeleverd door de lokale overheden. Er is niet beoordeeld of de gegevens in lijn zijn met de bestaande (vergunde) situatie bij de veehouderijen. De inhoudelijke kwaliteit van de gegevens, zoals aantallen dieren en stallen, is niet gecontroleerd. Deze gegevens zijn voor ‘correct’ aangenomen.

5.7

Aangenomen nieuwe Europese richtlijn en veehouderijen In 2030 moet Nederland voldoen aan nieuwe omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Een nieuwe Europese richtlijn stelt de grenswaarden bij naar een jaargemiddelde van 20 μg/m3 voor NO2 en PM10, en naar 10 μg/m3 voor PM2,5. Om een inschatting te geven van wat dit voor het aantal overschrijdingen in Nederland gaat betekenen, worden de resultaten voor 2030 van de huidige monitoringsronde gepresenteerd. Daarbij wordt de grenswaarde van het jaargemiddelde van 20 μg/m3 PM10 uit de bovengenoemde nieuwe Europese richtlijn gehanteerd. De berekening is inclusief dubbeltellingcorrectie en zeezoutaftrek. In 2030 stijgt voor PM10 het landelijk aantal overschrijdingen ten opzichte van de bestaande richtlijn, naar zeventien toetspunten. Het gaat hierbij om zeven gemeenten in voornamelijk Gelderland, NoordBrabant en Limburg. Deze cijfers zijn nog puur indicatief. Bevoegde gezagen moeten nog beoordelen of deze punten ook daadwerkelijk toetspunten zijn. Daarnaast is al eerder in dit hoofdstuk benoemd dat het hier de Pagina 43 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

invoergegevens van 2023 betreft en de status van de veehouderijen in 2030 veranderd kan zijn. Ook is hier alleen gekeken naar het jaargemiddelde en niet naar de nieuwe grenswaarde voor het daggemiddelde of de grenswaarde van PM2.5.

Pagina 44 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

6

Kwaliteit lokale invoergegevens

Dit hoofdstuk bespreekt zaken die zijn gerelateerd aan de kwaliteit van de lokale invoergegevens. 6.1

Validaties met CIMLK en controles Bronhouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de aangeleverde brongegevens. Bij Bureau Monitoring proberen we de bronhouders hierbij te ondersteunen. Dit begint bij de aanlevering van gegevens met CIMLK. Hierbij worden automatische tests (validaties) uitgevoerd op de gegevens. Hierbij wordt gekeken of de gegevens voldoen aan het informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit 52 Mocht de aangeleverde data niet voldoen, dan worden de gegevens niet geaccepteerd en krijgt de gebruiker van CIMLK een foutenrapport, zodat de fouten te herstellen zijn. De gebruiker kan hierbij assistentie krijgen bij het oplossen van de fouten van de helpdesk van Bureau Monitoring tijdens de openstelling van CIMLK. Als de gegevens zijn geaccepteerd, krijgt de gebruiker een actualisatierapport met daarin het aantal wijzigingen in bronnen, maatregelen, correcties en door te rekenen punten. Deze getallen kan de bronhouder gebruiken voor een controle van de aangeleverde gegevens. De bronhouder of gemachtigde kan kijken of er daadwerkelijk correct is geactualiseerd. Als dat niet het geval is, kan de bronhouder besluiten de dataset nogmaals te actualiseren en te uploaden in het CIMLK. De automatische testen kunnen niet alles afvangen. Een gebruiker kan nog steeds geldige data aanleveren, die onjuist zijn. Vandaar dat ook na afloop nog controles worden uitgevoerd.

Dat betekent niet dat er geen omissies meer in de gegevens zitten. Daarom wordt de dataset na afloop nog eens gecontroleerd en vergeleken met de gegevens van het voorgaande jaar. Als hierbij fouten naar voren komen met grote impact op resultaten van de berekeningen, dan volgt er overleg hoe hiermee om te gaan. In de afgelopen ronde is de actualisatie voor een beperkt aantal bronhouders opnieuw opengezet, zoals vermeld in paragraaf 3.3.3. Het CIMLK wordt verder ontwikkeld. Hierdoor worden er nieuwe validaties toegevoegd. Dit kan ertoe leiden dat invoergegevens uit de afgelopen monitoringsronde in de nieuwe ronde een fout geven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om rekenpunten buiten de landsgrenzen. Daarnaast worden er ook waarschuwingen geïntroduceerd. Deze data worden wel geaccepteerd, maar geven verder inzicht in de dataset.

6.2

Onderbouwen en accorderen invoergegevens Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de jaarlijks aangeleverde invoergegevens, is informatie nodig over de uitgangspunten, over de

52

Documentatie | CIMLK Pagina 45 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

effecten van maatregelen en over de gebruikte methode bij de totstandkoming van de invoergegevens. Wegbeheerders zijn verplicht om een referentie naar een verantwoordingsdocument in het CIMLK op te nemen. In de opgegeven referenties wordt vaak verwezen naar een model en/of naar telgegevens, of (in mindere mate) naar een online beschikbare onderbouwing. In de Monitoringsronde 2024 zijn alleen wegbeheerders van aandachtsgebieden en Rijkswaterstaat verplicht de invoergegevens voor verkeer te actualiseren. Dat zijn in totaal 53 bronhouders. Deze ronde hebben 93 van de 376 bevoegde gezagen met actualiseringsrechten – dat wil zeggen: wegbeheerders zijnde gemeenten, provincies, waterschappen en RWS – verkeersgegevens geactualiseerd. Hiervan hebben 93 bevoegde gezagen de gegevens van 2023, 88 bevoegde gezagen de gegevens van 2025 en 88 bevoegde gezagen de gegevens van 2030 geactualiseerd. Van deze groep hebben 74 hun actualisatie geaccordeerd een onderbouwing gegeven. Tweeëntwintig bevoegde gezagen hebben geen actuele gegevens aangeleverd, maar wel geaccordeerd en een onderbouwing gegeven. De andere 261 bevoegde gezagen met actualisatierechten hebben in deze actualisatieronde geen activiteit getoond. Deze gegevens voor wegverkeer zijn wel meegenomen in de berekeningen van overschrijdingen.

De onderbouwingen van de wegbeheerders staan in de digitale bijlage ‘Rapport 2024-0133, Bijlage onderbouwingen verkeer en veehouderijen’ 53 bij deze monitoringsrapportage. Ook voor de actualisatie van veehouderijgegevens zijn alleen bronhouders in aandachtsgebieden verplicht de veehouderijgegevens te actualiseren. Dat zijn in totaal zeven bevoegde gezagen. Daarnaast hebben bevoegde gezagen door te accorderen, bevestigd dat ze de invoercriteria voor veehouderijgegevens, zoals beschreven in paragraaf 5.1, volledig in acht hebben genomen bij het actualiseren van de gegevens. Als ervoor is gekozen om van de criteria af te wijken, dan is deze keuze soms bij het accorderen verantwoord. De vrijwillige onderbouwingen van de bevoegde gezagen met veehouderijen zijn te vinden in de digitale bijlage ‘Rapport 2024-0133, Bijlage onderbouwingen verkeer en veehouderijen’ bij deze monitoringsrapportage. In deze monitoringsronde hebben 376 bevoegde gezagen de rechten ontvangen om veehouderijgegevens te actualiseren en te accorderen. In totaal hebben 79 bevoegde gezagen gegevens geactualiseerd, waarvan er 50 hun actualisatie accordeerden en 23 bevoegde gezagen een vrijwillige onderbouwing hebben toegevoegd. Tweeëntwintig bevoegde gezagen hebben geen actuele gegevens aangeleverd, maar wel geaccordeerd.

Hiervan hebben 21 bevoegde gezagen een onderbouwing toegevoegd, omdat zij stellen dat er geen wijzigingen zijn, of omdat veehouderijen binnen het bevoegd gezag niet van belang zijn voor de monitoring. De andere 274 bevoegde gezagen met actualisatierechten hebben in deze actualisatieronde geen activiteit getoond. Dit betekent

53 De tabellen met de door de bevoegde gezagen ingevoerde onderbouwingen (voor verkeer en veehouderijen) staan in de digitale bijlage ‘Rapport 2024-0133 Bijlage onderbouwingen verkeer en veehouderijen’ bij deze rapportage op de website van het RIVM (https://www.rivm.nl).

Pagina 46 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

dat het RIVM voor 2023, 2025 en 2030 rekent met veehouderijgegevens van het monitoringsjaar 2022 uit de vorige monitoringsronde. 6.3

Beperkte controle voor invoergegevens van veehouderijen Na sluiting van de actualisatieperiode is een beperkt aantal automatische controles op de veehouderijgegevens uitgevoerd bovenop de automatische controles bij de aanlevering van gegevens door bronhouders. Bij de automatische controles op de veehouderijgegevens in Monitoringsronde 2024 is voornamelijk gekeken naar de volgende aspecten: A. Geldige invoerparameters voor de rekentools, bijvoorbeeld stalafmetingen, bronhoogten, uittreesnelheid en afmetingen emissiepunt. B. Locaties van emissiebronnen: liggen alle bronnen van één veehouderijbedrijf voldoende dicht bij elkaar en is de afstand tot de opgegeven toetspunten logisch? De dataset was voldoende om de berekeningen voor veehouderijen te starten. De gevonden issues worden voor het begin van de Monitoringsronde 2025 aan de bevoegde gezagen teruggekoppeld. • Een aantal controles dat nu na afloop wordt uitgevoerd, gaat verschuiven naar de automatische testen bij de actualisatie van bronhouders in CIMLK. Er wordt vanaf volgend jaar getoetst of de aangeleverde gegevens in Nederland liggen; • of er toetspunten zijn zonder veehouderij; • of er veehouderijen zijn zonder toets- en rekenpunten. Ook worden waarschuwingen geïntroduceerd in CIMLK. De gegevens worden wel toegelaten, maar bevatten onregelmatigheden.

De bevoegde gezagen kunnen hiermee beoordelen of de data goed zijn of toch nog aandacht verdienen.

Pagina 47 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Pagina 48 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Referenties

De Smet, P.A.M., Visser, S., Geijer, M.N., Valster, N.L., Huitema, M.S., Wesseling, J.P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2021), Monitoringsrapportage NSL 2021: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2021-0018. De Smet, P.A.M., Visser, S., Valster, N.L., Schuch, W.J.L., Geijer, M.N., Wesseling, J.P., Van den Beld, W.A., Drukker, D., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2020), Monitoringsrapportage NSL 2020: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2020-0164. De Smet, P.A.M., Visser, S., Valster, N.L., Schuch, W.J.L., Wesseling, J.P., Hooydonk, P.R. van, Van den Beld, W.A., Drukker, D., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2019), Monitoringsrapportage NSL 2019: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2019-0170. Eijk, E. van, Ligterink, N.E., Ruiter, J.M. de (2024), Emissiefactoren wegverkeer 2024: Wijzigingen in de ER en SRM emissiefactoren, voor luchtkwaliteit, stikstofdepositie en klimaat, TNO, Exemplaarnummer 2024-STL-RAP-100353608. Hoogerbrugge, R., Hazelhorst, S., Huitema, M., Siteur, K., Smeets, W., Soenario, I., Visser, S., De Vries, W.J., Wichink Kruit, R.J.

(2023), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2023. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2023-0113. Hoogerbrugge, R.Nguyen, P.L., Wesseling, J., Schaap, M., Wichink Kruit, R.J., Kamphuis, V., Manders, A.M.M., Weijers, E.P. (2012), Assessement of the level of sea salt in PM10 in the Netherlands Yearly average and exceedance days, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Report 680704014. Maas, R.J.M., Ruyssenaars, P.G., Berkhout H., Gerlofs-Nijland, M M.E., Hoogerbrugge, R., Huitema, M., Stefess, G.C., Teeuwisse, S., Wesseling, J. (2023), Gevolgen van de voorgestelde Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor Nederland, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2023-0167 Mijnen-Visser, S., Jongh, L.A. de, Hazelhorst, S., Hoogerbrugge, R., Soenario, I., Stolwijk G.J.C., Huitema, M., Vries, W.J. de, Wichink Kruit, R.J., Zuidberg, S., (2024), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2024. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2024-0059. Minister van VROM (2009), Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg29033.pdf Pagina 49 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

PBL, TNO, CBS, RIVM, RVO en WUR (2022), Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4838. PBL, RIVM, TNO en WUR (2023), Geraamde ontwikkelingen in nationale emissies van luchtverontreinigende stoffen 2023. Rapportage bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4930. PBL (2023), Beleidsoverzicht en factsheets beleidsinstrumenten. Achtergronddocument bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4952. RIVM (2022), Gemeten en berekende concentraties luchtkwaliteit 2019. RIVM notitie, https://www.rivm.nl/documenten/gemeten-en-berekendeconcentraties-luchtkwaliteit-in-2019. RIVM (2024), Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord (SLA) – Tweede voortgangsmeting. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2023-0383. Rutledge-Jonker, S., Wesseling, J.P., Nguyen, P.L., Visser, S., Van Hooydonk, P.R., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2018), Monitoringsrapportage NSL 2018: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2018-0135. Rutledge-Jonker, S., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A.

(2017), Monitoringsrapportage NSL 2017: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2017-0156. Smeets W., Nijdam, D., Geilenkirchen, G.P. (2023), Lichte actualisatie van de emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2023. Notitie ten behoeve van de RIVM-berekeningen voor luchtkwaliteit en stikstofdepositie, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBLpublicatienummer: 5225. (In aanvulling op PBL et al., 2023). Van Zanten, M., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2016), Monitoringsrapportage NSL 2016: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Rapport 2016-0138. Van Zanten, M., Van Alphen, A., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Verbeek, C. (2013), Monitoringsrapportage NSL 2013: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 680712005. Visser, S., Wesseling, J. (2020), Acualisering en addenda SRM-1 en SRM-2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0118. Pagina 50 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

VROM (2009), ministerie van VROM, briefnummer DGM/NSL 2009029281, april 2009. Wesseling, J., Zandveld, P., Valster, N.L., Visser, S. (2020), Validatierekenhart AERIUS Lucht. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0119. Wesseling, J., Nguyen, L., Hoogerbrugge, R. (2018), Gemeten en berekende concentraties stikstofdioxiden en fijnstof in de periode 2010 t/m 2015 (Update); Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2016-0106. Wesseling, J., Velze, K.V., Hoogerbrugge, R., Nguyen, P.L., Beijk, R., Ferreira, J.A. (2013), Gemeten en berekende (NO2-)concentraties in 2010 en 2011: Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 680705027.

Pagina 51 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Pagina 52 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Bijlage 1 Begrippenkader

Hieronder volgt een toelichting bij belangrijke begrippen in de rapportage. Toetspunten en rekenpunten wegverkeer De monitoring berekent met standaard rekenmethoden (SRM) 54 de luchtkwaliteit voor een groot aantal locaties. De wegbeheerders geven de exacte geografische locaties op waar moet worden gerekend. Elke ingevoerde locatie (minimaal één punt per honderd meter wegdeel) is dus per definitie een rekenpunt waar de luchtkwaliteit wordt bepaald. De resulterende concentraties kunnen vervolgens voor verschillende doelen worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de resultaten te toetsen aan de grenswaarden, om de bevolkingsblootstelling te bepalen, of om de luchtkwaliteit om andere redenen inzichtelijk te maken. Als het gaat om het eerste doel – het wettelijk toetsen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit – heeft een dergelijk rekenpunt het kenmerk ‘toetspunt’. Om in heel Nederland te voldoen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit, gaat het dus specifiek om berekening van de luchtkwaliteit op de toetspuntlocaties. De andere rekenpunten vergroten het inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland en de blootstelling van de bevolking. Windtunnelonderzoek De standaard rekenmethoden (SRM) voor wegverkeer berekenen de concentraties van de luchtvervuilende stoffen goed en betrouwbaar in standaardsituaties.

Maar bij tunnelmonden, rondom hoge gebouwen en in andere ingewikkelde situaties is de concentratie vaak niet goed te berekenen. De luchtstromingen zijn in die situaties niet te vatten in de standaard rekenregels. Windtunnelonderzoek 55 bootst ingewikkelde situaties na, die niet passen binnen het toepassingsbereik van de standaard rekenmethoden. De wegbeheerder kan met resultaten uit dergelijk onderzoek de concentratie in die situaties vaststellen. Wegbeheerders mogen in geval van dergelijke situaties op aanvraag gebruikmaken van resultaten uit windtunnelonderzoek voor de actualisatie van invoergegevens voor wegverkeer in de monitoring. Toetspunten en rekenpunten veehouderijen In de monitoring van de veehouderijen is op alle rekenpunten (zowel woningen op het terrein van inrichtingen als daarbuiten) de luchtkwaliteit bepaald. De rekenpunten zijn gebouwen die voor menselijk wonen of menselijk verblijf zijn bestemd. In de monitoring wordt de luchtkwaliteit alleen op de rekenpunten buiten een terrein van de inrichting in de omgeving van de veehouderijlocaties aan de jaar- en etmaalnorm voor fijnstof getoetst. Dit wordt aangeduid als ‘toetspunten’. Het betreft hier alleen locaties van burgerwoningen, plattelandswoningen 56 en een categorie Overig. Die worden ook wel de ‘te beschermen objecten’ (TBO’s) genoemd.

https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/berekenen-luchtkwaliteit-langs-wegen/ https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/windtunnelonderzoek/ 56 Een plattelandswoning is een voormalige agrarische woning, die op grond van het bestemmingsplan mag worden bewoond door derden. 54 55

Pagina 53 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Het lokale bevoegd gezag van de veehouderijlocatie is verantwoordelijk voor het aanleveren van de exacte geografische locaties van deze toetspunten. Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium De Europese luchtkwaliteitsnormen gelden overal in Nederland. De Europese richtlijn kent echter een toepasbaarheidsbeginsel, dat stelt dat niet overal aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. De kern van het toepasbaarheidsbeginsel is dat niet hoeft te worden getoetst op plekken waartoe het publiek formeel geen toegang heeft, zoals op rijbanen en middenbermen van wegen. In de richtlijn is ook opgenomen dat toetsing aan de grenswaarden daar plaatsvindt ‘waar de hoogste concentraties voorkomen, waaraan de bevolking rechtstreeks of indirect kan worden blootgesteld, gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde(n) niet verwaarloosbaar is’. Dit is het zogeheten blootstellingscriterium. Zowel het toepasbaarheidsbeginsel als het blootstellingscriterium is in 2010 in de Nederlandse wetgeving ingevoerd en dus ook in de Omgevingswet. Vooral in de toepassing van het blootstellingscriterium zijn interpretatieverschillen mogelijk. De uiteindelijke wijze van toepassing van het toepasbaarheidsbeginsel, of het blootstellingscriterium en het gebruik ervan, is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende (lokale) overheid.

Voor het toetsen aan de grenswaarden bij bedrijven (inrichtingen 57) geldt ook dat alleen buiten het terrein van een inrichting hoeft te worden getoetst. Bevolkingsblootstelling De monitoringsrapportage besteedt ook aandacht aan het gezondheidsaspect van luchtkwaliteit. Dit gebeurt in de vorm van bevolkingsblootstelling. Bevolkingsblootstelling is gedefinieerd als de gemiddelde concentratie van een stof waaraan de bevolking in een bepaald gebied wordt blootgesteld, bijvoorbeeld per gemeente, per provincie of in heel Nederland. Dit is op basis van woonadres berekend voor de buitenluchtconcentratie op de meest belaste gevel van een gebouw, voor zowel het gepasseerde jaar als voor zichtjaren. Uit deze resultaten valt op te maken of de concentratie waaraan de bevolking in een bepaald gebied gemiddeld wordt blootgesteld, wel of niet afneemt. Toetsing resultaten met toepassing van een bandbreedte De resultaten van de uitgevoerde berekeningen kennen een aanzienlijke onzekerheid, inherent aan luchtkwaliteitsmodellen en de aannamen in de monitoring. Deze onzekerheid bepaalt mede de waarschijnlijkheid van het halen van de grenswaarden. Ook kunnen zich tegenvallers voordoen. Bijvoorbeeld tegenvallende maatregeleffecten, een andere economische ontwikkeling of een trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, die anders is dan eerder was aangenomen.

Om hierin meer inzicht te geven, worden ook resultaten gepresenteerd van een toetsing aan een waarde die lager is dan de grenswaarde, de zogenoemde bandbreedte. Voor NO2 worden resultaten getoond, waarbij is getoetst op 38,0 μg/m3 jaargemiddeldeconcentratie (2,5 μg/m3 lager 57

Een inrichting betreft hier het terrein van een bedrijf waar de Arbowetgeving van kracht is.

Pagina 54 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

dan de toetswaarde van 40,5 μg/m3). Voor PM10 worden daartoe resultaten gegeven, waarbij is getoetst op dertigdagenoverschrijding (vijf dagen lager dan de norm). Op deze wijze wordt enig inzicht gegeven in de mogelijke risico’s die zijn verbonden aan de bestaande onzekerheden. Zie ook Bijlage 4 voor aanvullende informatie over de effecten van onzekerheden op het aantal overschrijdingen. Toetsing resultaten met toepassing van de zeezoutaftrek Bij toetsing van berekende concentraties fijnstof aan de grenswaarden mag het aandeel zeezout in de totale concentratie buiten beschouwing worden gelaten, als er sprake is van een grenswaardeoverschrijding. De zeezoutaftrek op het jaargemiddelde is gemeente-afhankelijk en varieert tussen de 1 en 6 µg/m3. Voor de etmaalnorm is per provincie een aftrek op het aantal overschrijdingsdagen bepaald. Het aantal dagen dat bij toetsing buiten beschouwing wordt gelaten, varieert tussen de twee en vier dagen. In deze rapportage gelden vanwege de empirische relatie tussen de twee normen voor de berekeningen nabij wegen – na aftrek van het aandeel zeezout – jaargemiddelde fijnstofconcentraties groter dan 31,2 μg/m3 als overschrijding van de etmaalnorm. De zeezoutaftrek van de eerste twee dagen is equivalent aan 0,5 μg/m3 jaargemiddelde concentratie.

Voor elke daaropvolgende extra correctiedag mag 0,2 μg/m3 van de jaargemiddelde concentratie worden afgetrokken. Overschrijdingen per kilometer wegzijde (of rijrichting) Het punt waar de luchtkwaliteit nabij wegen aan de grenswaarden moet worden getoetst, dient volgens de Europese richtlijn representatief te zijn voor honderd meter weglengte, een ‘wegvak’, ‘wegdeel’ of ‘wegsegment’. In de huidige monitoringstool liggen in veel gevallen aan beide kanten van een weg rekenpunten. Deze worden individueel meegenomen in de resultaten. Dat betekent: een rekenpunt is representatief voor één wegzijde (vaak dus één rijrichting). Deze rapportage gebruikt ‘km (per) rijrichting’ om dit aan te duiden. Grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt jaarlijks gegevens bekend 58, die overheden moeten gebruiken bij de berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De gegevens bevatten onder meer de achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten; Hoogerbrugge et al., 2024) en de emissiefactoren (voor verkeer en veehouderij). De invoergegevens van 2023 zijn in maart en april 2024 gepubliceerd. De gegevens zijn verwerkt in de nieuwe versies van de rekenmodellen voor luchtkwaliteit, zoals in het monitoringsinstrument CIMLK.

Veehouderijgegevens in de GCN Bij de GCN-kaarten is gebruikgemaakt van de werkelijke dieraantallen volgens de gecombineerde opgave (voorheen ‘meitelling’). De emissies worden verdeeld volgens de GIAB+-verdeling. Binnen GIAB+ is de ligging van elk agrarisch bedrijf vastgelegd. Aan deze locaties zijn ook diverse bedrijfsgegevens gekoppeld, zoals dieraantallen en staltypen. De 58 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen

Pagina 55 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

emissie is berekend door het dieraantal per staltype te vermenigvuldigen met de bijbehorende emissiefactor. Voor het berekenen van de grootschalige achtergrondconcentraties worden de emissies op het niveau van 1 x 1 km gebruikt. Bij toekomstige jaren is ook rekening gehouden met de doorwerking van het landbouwbeleid en met regionale groei- of krimpscenario’s. De emissies, methode van concentratieberekeningen en scenario’s die ten grondslag liggen aan de GCN-kaarten, zijn uitgebreider toegelicht in de GCN-rapportage 2024 (Mijnen-Visser et al., 2024) 59.¶Bij de berekening in het MLK wordt de veehouderijbijdrage bij de achtergrondconcentratie opgeteld. Dit zorgt voor dubbeltellingen, omdat de fijnstofbijdrage van de veehouderijsector ook wordt meegenomen in de berekening van de GCNachtergrondconcentraties. De rekenresultaten in het MLK zijn gecorrigeerd voor deze dubbeltelling.

59

Grootschalige concentratiekaarten Nederland Rapportage 2024 (rivm.nl)

Pagina 56 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Bijlage 2 Validatieresultaten rekenhart AERIUS Lucht

Onderzoek door het RIVM (Wesseling et al., 2018; RIVM, 2022) heeft uitgewezen dat de Nederlandse rekenmodellen voor luchtkwaliteit langs verkeerswegen, die SRM-1- en/of SRM-2-implementaties zijn en waarvan AERIUS Lucht een voorbeeld is, ruimschoots voldoen aan de door de EU gestelde eisen voor onzekerheden bij gebruik van rekenmodellen voor het toetsen aan de grenswaarden. Dit blijkt uit vergelijkingen tussen gemeten en berekende concentraties. In deze monitoringsronde is in het monitoringsinstrument CIMLK gebruikgemaakt van rekenmodel ‘AERIUS Lucht’ versie 2024. Voor de validatie vergelijkt het RIVM de rekenresultaten met het eigen rekenmodel TREDM. Er wordt voor alle rekenjaren apart gekeken naar verschillen in berekende NOx-bijdragen en de totale NO2- en PM10concentraties. De validatie voor de in Monitoringsronde Luchtkwaliteit 2024 te gebruiken versie van AERIUS Lucht laat – als gelijke interpretaties van de invoergegevens worden toegepast op de invoer voor zowel AERIUS als TREDM – voor de PM10-concentraties in 2025 en 2030 een beperkt verschil zien in rekenresultaten tussen AERIUS Lucht en TREDM, dat groter is dan de validatiecriteria. Dit verschil is vermoedelijk te begrijpen en verklaren doordat de verhoudingen tussen relatieve afwijkingen in NOx en PM10 de afgelopen jaren iets zijn verschoven.

Gegeven de beperkte verschillen en de mogelijke verklaring hiervoor, die weinig afdoen aan de onderliggende vergelijking van de modellen, is AERIUS Lucht 2024 voldoende valide om vrij te gebruiken in CIMLK. Het rekenmodel kan daarom voor de Monitoringsronde Luchtkwaliteit 2024 worden toegepast. Het is wel belangrijk de mogelijke redenen voor de gevonden verschillen nader te onderzoeken. Validatie van rekenresultaten verkeer Na de landelijke berekeningen met de invoergegevens voor de huidige monitoringsronde en het uitvoeren van berekeningen met TREDM zijn de resultaten van de monitoringstool – met AERIUS Lucht als rekenhart – en TREDM op basis van de receptor-ID aan elkaar gekoppeld. Zowel de totale concentraties als de concentratiebijdragen van Standaard Rekenmethoden 1 en 2 (SRM-1 en SRM-2) zijn met elkaar vergeleken. Bij de vergelijking is geteld hoe vaak de verschillen groter zijn dan de vooraf gedefinieerde criteria. Hierbij is rekening gehouden met kleine verschillen tussen TREDM en AERIUS Lucht. Omdat de correctie voor luchtvaart rond Schiphol niet expliciet in TREDM is geïmplementeerd, is het gebied rond de luchthaven niet in de vergelijking meegenomen. Verder verschillen de modellen op kleine details ten aanzien van wat geldige situaties zijn (zie ook Visser en Wesseling (2020) en Wesseling et al. (2020)).

Daarom worden alleen geldige punten in beide modellen meegenomen.

Pagina 57 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Op basis van eerdere analyses voor SRM-1 en SRM-2 is in het verleden vastgesteld wat zinvolle criteria zijn waaraan de resultaten zouden moeten voldoen: • De in SRM-1 berekende bijdragen van de verschillende stoffen zouden in AERIUS Lucht en TREDM binnen de afronding van 0,1 µg/m3 identiek moeten zijn (‘SRM-1-bijdrage’ in Tabel B2.1). Grotere verschillen betekenen dat de rekenregels verschillend worden geïmplementeerd. Dat kan in enkele gevallen gebeuren. Een bekend verschil is bijvoorbeeld dat TREDM een SRM-1bijdrage tot 90 meter afstand in rekening brengt, waar AERIUS Lucht bijdragen tot 60 meter afstand meerekent. Dit soort verschillen kunnen en mogen enkele keren voorkomen. • De in SRM-2 berekende bijdragen van de verschillende stoffen kunnen tussen AERIUS Lucht en TREDM iets verschillen (‘SRM-2bijdrage’ in Tabel B2.1), omdat dit rekenvoorschrift niet volledig is gedefinieerd. Software-implementaties kunnen enkele onderdelen van de berekeningen verschillend interpreteren. Een simpel voorbeeld is de wijze waarop lijnbronnen worden doorgerekend. Dat kan op verschillende manieren, die in de praktijk iets van elkaar verschillende resultaten kunnen geven. In de praktijk kunnen TREDM en AERIUS Lucht NOx-bijdragen berekenen, die enkele microgrammen van elkaar verschillen.

Voor PM10 zijn de verschillen tussen beide modellen relatief vergelijkbaar met NO2, maar in absolute zin zijn ze vanwege de kleinere wegbijdragen uiteraard kleiner. • De verschillen in berekende totale NO2-concentraties worden geheel bepaald door de verschillen in SRM-2-NOx-bijdragen en mogen 1 à 2 μg/m3 bedragen (‘NO2 totaal’ in Tabel B2.1). • Net als voor NO2 worden de verschillen voor PM10 geheel door verschillen in de SRM-2-bijdragen bepaald. Omdat de wegbijdragen voor PM10 veel kleiner zijn dan voor NOx en NO2, is het absolute verschil in totale PM10 (‘PM10 totaal’ in Tabel B2.1) ook kleiner. De resultaten van AERIUS Lucht en TREDM zijn voor de doorgerekende jaren 2023 en 2030. De resultaten van de vergelijking tussen de twee modellen staan in onderstaande Tabel B2.1. Het jaar 2025 heeft geen volledige validatie gehad. Er zijn enkele provincies doorgerekend. Daar waren de resultaten vergelijkbaar aan de andere doorgerekende jaren.

Pagina 58 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

Tabel B2.1 Overzichtstabel van de aantallen toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen TREDM en AERIUS Lucht 2024 voor het gepasseerde jaar 2023 en het toekomstige jaar 2030, inclusief op beide modellen toegepaste gelijke interpretatiewijze van de invoergegevens. In de eerste rij staat het totale aantal beschikbare toetspunten in beide modellen, dat in de vergelijking is meegenomen. De validatiecriteria (eisen) zijn ook weergegeven.

Gepasseerd jaar

2023

Totaal aantal toetspunten

Eis 2023

362.813 22

36

Verschil in SRM-2-NOx-bijdrage > 4 µg/m3

213

2.176

Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3

189

725

182

550

Verschil in SRM-1-NOx-bijdrage > 0,05 µg/m

Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m Toekomstige jaren Totaal aantal toetspunten Verschil in SRM-1-NOxbijdrage > 0,05 µg/m3 Verschil in SRM-2-NOxbijdrage > 4 µg/m3 Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3 Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

3

3

2030

Eis 2030

363.726 13

36

136

363

141

181

104

109

Uit Tabel B2.1 blijkt dat voor 2023 een goede overeenkomst tussen de resultaten van AERIUS Lucht en TREDM (inclusief gelijke interpretatiewijze invoergegevens) wordt gevonden. Het aantal toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen beide modellen is voor 2023 wat op basis van de implementaties van de SRM-1- en SRM-2-rekenvoorschriften algemeen kan worden verwacht. Voor 2030 is dit ook van toepassing. In de validatie komen de volgende aandachtpunten naar voren: • In principe mogen er praktisch geen verschillen zijn in de voor SRM-1 berekende NOx-concentraties. Inspectie van de in de huidige tests geconstateerde verschillen laat zien dat er in verschillende jurisdicties maatregelgebieden voorkomen, waarbij wegsegmenten in verschillende maatregelgebieden liggen. Dit is een situatie die niet mag voorkomen, aangezien een segment een constante set van kenmerken moet hebben. De emissies van verkeer mogen in een enkel segment dus niet veranderen. In de situaties waarin segmenten de grenzen van maatregelgebieden doorsnijden, leveren TREDM en AERIUS Lucht verschillende resultaten. TREDM neemt het maatregelgebied waar het eerste punt van het segment in ligt als maatgevend. AERIUS Lucht kijkt in welk gebied het grootste deel van het segment ligt.

De geconstateerde verschillen voor SRM-1 waarin bovenstaand verschil optreedt, tellen we niet mee in de validatiecriteria. Voor 2022, 2025 en 2030 blijft het aantal toetspunten met verschillen in de SRM-1 resultaten boven de gedefinieerde afwijking Pagina 59 van 78

RIVM-rapport 2024- 0133

•

daarmee onder het maximum geaccepteerde aantal. De SRM-1 resultaten voldoen zodoende aan de validatiecriteria. Visuele inspectie van de gevonden verschillen in SRM-1 leert dat er in 2022 in (minstens) 131 gevallen sprake is van bovenstaand effect. Voor 2025 is hiervan in minstens 100 gevallen sprake, en in 2030 in minstens 41 gevallen. De manier waarop met de ongeldige ligging van segmenten en maatregelgebieden wordt omgegaan, zegt uiteraard iets over de vergelijkbaarheid van de twee setsresultaten, maar niets over de juistheid van de onderliggende SRM1-berekeningen. De jurisdicties waarin deze situatie voorkomt, moeten hierop worden gewezen. Bij de test voor PM10-totaal is voor 2023 in rekening gebracht dat er 475 bekende locaties met verschillen zijn door de correcties in de IJmond, die wel in AERIUS Lucht zijn verwerkt en niet in TREDM. De wel/niet ingevoerde correctie zegt uiteraard iets over de vergelijkbaarheid van de twee setsresultaten, maar niets over de juistheid van de onderliggende berekeningen. De waarden van de PM10-achtergronden in de IJmond zijn voor 2023 steekproefsgewijs met de onderliggende GCN-bestanden vergeleken, en kwamen overeen. Evenzo zijn waarden van de correcties rondom Schiphol steekproefsgewijs met de onderliggende bestanden vergeleken en correct bevonden. De geconstateerde verschillen in correctiegebied IJmond tellen niet mee in de validatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15371562/1