2. (Klimaat)Verplichtingen gemeente Amsterdam - algemeen kader en bijzondere wetten
Tekst van het document
Het KlimaSeniorinnen-stappenplan voor de gemeente Wat betekent dit nu praktisch gezien voor de gemeente Amsterdam? In de KlimaSeniorinnenuitspraak heeft het EHRM een procedureel stappenplan uitgestippeld voor staten om op nationaal niveau klimaatneutraliteit te bereiken. De gemeente Amsterdam dient ook aan dit stappenplan te voldoen om zo het hare te doen om op nationaal niveau klimaatneutraliteit te bereiken.
Ontwikkeling tijdpad Om te beginnen dient de gemeente voldoende aandacht te besteden aan de noodzaak om algemene maatregelen te nemen waarin een tijdlijn voor het bereiken van koolstofneutraliteit op nationaal niveau wordt gespecificeerd. Hierbij moet ook worden gekeken naar het resterende koolstofbudget voor dezelfde tijdsperiode of een andere equivalente methode om toekomstige broeikasgasemissies te kwantificeren. Deze algemene maatregelen en tijdlijn dienen in lijn te zijn met het overkoepelende doel van nationale of mondiale verplichtingen voor klimaatmitigatie.
Tussentijdse doelstellingen en trajecten De gemeente moet tussentijdse reductiedoelstellingen en trajecten voor broeikasgasemissies vaststellen. Deze kunnen per sector of andere relevante methode worden bepaald en dienen geschikt te zijn om de algemene reductiedoelen voor broeikasgasemissies binnen de in beleid vastgestelde tijdperiodes te behalen. Het belang van deze tussentijdse doelstellingen ligt voornamelijk in het voorkomen dat de maatregelen naar de toekomst verschuiven.
20
14 april 2025
Bewijs voldoen aan (tussentijdse) doelstellingen De gemeente dient bewijs te leveren waaruit blijkt of zij daadwerkelijk heeft voldaan aan, of bezig is om te voldoen aan, de relevante reductiedoelen voor broeikasgasemissies.
Actualisatieplicht De gemeente heeft ook de verplichting om de relevante reductiedoelen voor broeikasgasemissies met gepaste zorgvuldigheid bij te werken, gebaseerd op de best beschikbare gegevens.
Tijdig, passend en consistent handelen bij het opstellen en uitvoeren van regelgeving Ten slotte dient de gemeente tijdig, op passende en consistente wijze, te handelen bij het opstellen en implementeren van de relevante wetgeving en maatregelen.
6. Tussenconclusie • •
• • •
•
Op de gemeente Amsterdam rust de mensenrechtelijke verplichting om de mensen binnen haar rechtsmacht te beschermen tegen gevaarlijke klimaatverandering. Klimaatverandering is een mondiaal probleem. Dit ontslaat de gemeente niet van verantwoordelijkheid. Van de gemeente mag worden verwacht dat zij het hare doet om te voorkomen dat gevaarlijke klimaatverandering zich verwezenlijkt. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2 en 8 EVRM en behelst een positieve verplichting om redelijke en passende klimaatmaatregelen te nemen. De verplichting strekt zich uit tot het nemen van zowel mitigatie- als adaptatiemaatregelen. Binnen de eisen dat de maatregelen redelijk en passend moeten zijn, kiest de gemeente de middelen om het doel te bereiken. Daarbij heeft de gemeente de vrijheid om haar eigen beleid vorm te geven en keuzes te maken ten aanzien van prioriteiten en financiën. Van de gemeente kan worden verlangd dat zij voldoet aan de vijf procedurele eisen die volgen uit de KlimaSeniorinnen-uitspraak.
7. Risico’s: wat als de gemeente niet aan deze verplichting voldoet? Als de gemeente de procedurele eisen uit de KlimaSeniorinnen-uitspraak niet volgt, bestaat een reële kans dat dit gezien wordt als schending van artikel 2 en artikel 8 EVRM. Het niet houden aan de procedurele eisen kan verschillende vormen hebben, zoals: •
De gemeente formuleert geen klimaatbeleid.
•
De gemeente formuleert klimaatbeleid dat internationaal-wetenschappelijk onvoldoende is om klimaatneutraliteit op nationaal niveau te behalen.
•
De gemeente formuleert geen of onvoldoende tussentijdse doelstellingen en trajecten.
•
De gemeente heeft klimaatbeleid geformuleerd, maar geeft hier (door bijvoorbeeld financiële overwegingen of andere opgaven) geen of onvoldoende uitvoering aan. 21
14 april 2025
•
De gemeente stelt haar klimaatbeleid en reductiedoelstelling zonder goede reden en nadere motivering naar beneden bij.
•
De gemeente is niet in staat om met bewijs te onderbouwen of en hoe het voldoet aan de reductiedoelen voor broeikasgasemissies.
•
De gemeente actualiseert de reductiedoelen voor broeikasgasemissies niet of onvoldoende op basis van de best beschikbare gegevens.
Zoals toegelicht, vloeien uit artikel 2 en 8 EVRM ook voor gemeenten positieve verplichtingen voort. Of en wanneer sprake zal kunnen zijn van een schending van deze verplichtingen zal onder meer afhangen van het vermogen van de desbetreffende decentrale overheid om maatregelen te treffen. De gemeente Amsterdam is een grote gemeente waarbinnen veel activiteiten worden verricht in sectoren die een grote bijdrage leveren aan de uitstoot van emissies en kan daarom ook, mogelijk meer dan sommige andere overheidsorganen, impact hebben door haar handelen. In de literatuur wordt benadrukt dat mensenrechten effectieve en daadwerkelijke bescherming dienen te genieten.87 Het EHRM heeft in de KlimaSeniorinnen-uitspraak benadrukt dat het bijzondere karakter van gevaarlijke klimaatverandering rechterlijke toetsing rechtvaardigt. Tegen deze achtergrond, bestaat het risico dat een burgerlijke rechter (bijvoorbeeld aangezocht door een (milieu)organisatie op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek) een oordeel zal willen vellen over de vraag of de gemeente Amsterdam aan haar positieve verplichtingen op grond van artikel 2 en 8 EVRM heeft voldaan. Hierbij zal de ernst van een eventuele tekortkoming aan de zijde van de gemeente Amsterdam ook van belang zijn.
Ook de staat kan interbestuurlijke actie tegen de gemeente ondernemen omdat schending van deze artikelen er ook toe leidt dat de staat niet aan zijn verdragsverplichtingen onder het EVRM voldoet. In beide gevallen kan het niet nakomen van haar verplichtingen de gemeente Amsterdam imagoschade opleveren. Een juridische procedure leidt naast aanzienlijke kosten en een onzekere uitkomst ook tot (negatieve) media-aandacht. De gemeente Amsterdam kan zelf ook (enige) invloed uitoefenen op de juridische afdwingbaarheid van haar klimaatdoelstellingen. De gemeente kan er bijvoorbeeld actief voor kiezen om zichzelf uitdrukkelijk te binden door de reductiedoelstellingen op te nemen in een bindend document, zoals een gemeentelijke verordening.88 Ook kan zij bij het formuleren van de doelstellingen benadrukken dat het niet alleen maar gaat om ambities maar om bindende doelstellingen. Een rechter kan het type document en de bewoordingen van de doelstellingen meenemen in zijn beoordeling om daaruit af te leiden in hoeverre het gaat om een bindende doelstelling.
Een tekortkoming op één aspect van het stappenplan uit de KlimaSeniorinnen-uitspraak betekent niet automatisch dat de overheid haar beoordelingsmarge heeft overschreden of dat er een schending is van artikel 2 en 8 EVRM.89 Als bijvoorbeeld één specifieke maatregel niet effectief blijkt of niet wordt uitgevoerd, zal een rechter naar verwachting niet oordelen dat sprake is van schending van artikel 2 en 8 EVRM. Het is ook onwaarschijnlijk dat de rechter een individueel onderdeel van het totale pakket aan beleid en maatregelen zal beoordelen en op die basis een schending van artikel 2 en 8 EVRM zal vaststellen. Naast procedures over de boeg van artikel 2 en 8 EVRM, kan de gemeente Amsterdam ook op andere manieren worden geconfronteerd met de tekortkomingen in het voldoen aan de klimaatdoelstellingen. Een burger of belangenorganisatie kan zich met verschillende instrumenten wenden tot de gemeente. Denk aan een verzoek om een verleende vergunning te wijzigen of in te trekken of bezwaar maken en in beroep gaan tegen een nieuw verleende vergunning. Daarnaast kan via de privaatrechtelijke weg een vordering ingediend worden tot het permanent staken of gestaakt 87 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 545. Zie ook Bothof 2022, p. 275.
88 Zie voor een voorbeeld de Klimaatverordening van gemeente Eindhoven 2016 https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR410114 (laatst geraadpleegd 11 februari 2025). 89 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 551.
22
14 april 2025
houden van handelingen door de gemeente, zoals het gunnen van een overheidsopdracht, uitgeven van grond of verlenen van een subsidie zonder inachtneming van passend emissiebeleid. Dergelijke procedures kunnen gepaard gaan met diverse risico’s. Het gaat dan om risico’s die zich in alle fasen van de gebiedsontwikkeling kunnen voordoen, van planvorming tot en met uitvoering. Deze risico’s kunnen leiden tot aanzienlijke stagnatie van bijvoorbeeld de bouwopgave.
8. Uitdagingen en onzekerheden Hoe om te gaan met scope 3 emissies? Bij de uitstoot van broeikasgassen door organisaties worden de emissies vaak verdeeld in scope 1, 2 en 3 emissies.90
Scope 1
Scope 2
Scope 3
Emissies zien op de directe emissies van bronnen die in eigendom zijn of onder controle van de organisatie.
Emissies zijn indirecte emissies afkomstig van installaties van derden bij wie de organisatie elektriciteit, stoom of warmte inkoopt ten behoeve van haar eigen activiteiten.
Emissies zien op de overige (niet in scope 2 inbegrepen) indirecte emissies die ontstaan in de waardeketen van de organisatie, waaronder emissies die ontstaan bij het ge- of verbruik van producten die de organisatie levert aan derden, zoals andere organisaties of consumenten.91
99,6 % van de totale CO2-uitstoot van de gemeentelijke organisatie Amsterdam is uitstoot in scope 3.92 De uitstoot van de gemeente Amsterdam als geheel is buiten Amsterdam zeven keer groter dan de uitstoot die binnen de stad plaatsvindt.93 Ondanks het aandeel van scope 3 emissies en de mogelijke impact van een decentrale overheid hierop, heeft de gemeente Amsterdam tot op heden geen reductiedoelstelling voor scope 3 emissies (van haar eigen organisatie en/of van de stad) geformuleerd. Hoewel het moeilijk kan zijn om effectieve instrumenten te vinden die de indirecte emissies van de inwoners en het bedrijfsleven van de gemeente zullen verminderen, heeft de gemeente wel rechtstreeks invloed op de indirecte emissies van de eigen bedrijfsactiviteiten. Zo kan de gemeente invloed uitoefenen op bijvoorbeeld de reisbewegingen van de medewerkers van de eigen organisatie.94 In de literatuur en rechtspraak bestaat onduidelijkheid over de vraag in hoeverre een organisatie
90 Gerechtshof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2099, r.o. 3.5. 91 In de Regionale Klimaatmonitor worden scope 3 emissies beschreven als: "emissies die elders in de levenscyclus optreden door gebruik van elders geproduceerde producten in het beschouwde gebied." Deze definitie is gebaseerd op het Green House Gas Protocol, zie https://klimaatmonitor.databank.nl/faq/Scope-van-de-RKM (laatst geraadpleegd 13 februari 2025). 92 Verduurzamingsrapportage over 2023, maart 2024, p. 9. 93 Monitor Circulaire Economie 2022, Amsterdam, juni 2024, p. 28. 94 Gemeente Oslo staat in haar klimaatbeleid ook stil bij de indirecte emissies van de eigen organisatie, zie Klimabudsjett 2025 gemeente Oslo, p. 11, raadpleegbaar op: https://www.klimaoslo.no/rapport/klimabudsjett-for-2025/ (laatst geraadpleegd 2 april 2025).
23
14 april 2025
verantwoordelijk is voor scope 3 emissies en wat een dergelijke verantwoordelijkheid zou inhouden.95 Deze emissies worden namelijk niet door de organisatie zelf geëmitteerd. In de Shell-uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat op ondernemingen een zorgplicht rust voor scope 3 emissies. Wat deze zorgplicht precies behelst, is door het Hof echter niet nader gespecificeerd.96 Het is onduidelijk of deze zorgplicht ook geldt voor overheden en hoe een dergelijke zorgplicht zou worden ingevuld bij een (decentrale) overheid. Deze vragen zijn nog niet concreet aan bod gekomen in een rechtszaak. Tegelijkertijd heeft het Hof in de Shell-uitspraak wel overwogen dat, om het gevaar te bestrijden dat van klimaatverandering uitgaat, iedereen een verantwoordelijkheid heeft. Zo bezien kan ook van overheden worden verwacht dat zij zich inspannen om hun ketenemissies te verminderen, passend bij hun mogelijkheden en plaats in de ketens. Het is niet ondenkbaar dat daar waar een (decentrale) overheid invloed en bevoegdheden heeft, meer verantwoordelijkheid wordt verwacht. Voor de gemeente Amsterdam is de vraag welke emissies, anders dan emissies die binnen haar grondgebied worden uitgestoten, relevant zijn voor de invulling van haar verplichting om het hare te doen om gevaarlijke klimaatverandering af te wenden. De indeling in scope 1, scope 2 en scope 3 emissies is daarbij niet één-op-één toepasbaar.
Denk bijvoorbeeld aan de volgende emissies: 1. Emissies in de supply chain van de gemeente, i.e. daar waar de gemeente zelf goederen inkoopt of verder brengt. 2. Emissies die buiten de gemeente worden uitgestoten ten behoeve van inwoners van de gemeente, bijvoorbeeld voor productie van voedsel en consumptiegoederen. 3. Emissies die buiten de gemeente worden uitgestoten omdat inwoners van de gemeente zich buiten de gemeentegrenzen begeven en daar emissies veroorzaken, bijvoorbeeld door vliegbewegingen. 4. Emissies die worden veroorzaakt buiten de gemeentegrenzen door reisbewegingen van bezoekers aan de gemeente. 5. Emissies die buiten de gemeentegrenzen worden uitgestoten, maar die het gevolg zijn van productieactiviteiten binnen de gemeentegrenzen. Aan de tweede categorie emissies heeft het EHRM aandacht besteed in de KlimaSeniorinnenuitspraak.
Het EHRM kwalificeert deze emissies – die gegenereerd worden door de invoer van goederen en hun consumptie97 – als ‘embedded’ emissies en oordeelt dat deze emissies binnen de reikwijdte van de zaak vallen.98 Volgens het EHRM zou het moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, om de verantwoordelijkheid van Zwitserland voor de effecten van zijn broeikasgasemissies op de rechten van de verzoekers te bespreken zonder rekening te houden met deze ‘embedded’ emissies.99 Bij de beoordeling van de vraag óf Zwitserland afdoende klimaatmitigatiemaatregelen had getroffen, besteedt het EHRM echter geen aandacht aan deze emissies. Op dit moment zijn bij het EHRM ook twee zaken aanhangig die zien op de vijfde categorie emissies en die zien op emissies die zullen worden uitgestoten door verbranding van in Noorwegen gewonnen olie buiten Noorwegen.100 Bij de huidige stand van de rechtspraak, is onduidelijk óf voor overheden een verantwoordelijkheid bestaat ten aanzien van scope 3 emissies en, zo ja, wat een dergelijke verantwoordelijkheid precies zou behelzen. Op zichzelf is goed voorstelbaar dat scope 3 emissies buiten het eigen grondgebied kunnen behoren tot de positieve verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2 en 8 EVRM, maar veel moeilijker is in te schatten wat dat concreet zou betekenen. Zo zien de huidige carbonbudgetten 95 Zie E.H.P. Brans & M.T.
Peters, Liability of Non-State Actors for Scope 3-Emissions, Journal for European Environmental & Planning Law (21) 2024, afl. 2, p. 116-134, https://brill.com/view/journals/jeep/21/2/article-p116_004.xml; en EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, NJ 2024/343, m.nt. J. Spier, onder 23. Zie ook het verweer van Shell in Gerechtshof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2099, r.o. 7.97 en 7.98. 96 Gerechtshof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2099, r.o. 7.22. 97 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 280. 98 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 283. 99 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 280. 100 Greenpeace Nordig and Others v. Norway, appl.no. 34068/21 en The Norwegian - Grandparents’ Climate Campaign and others v. Norway, appl.no. 19026/21.
24
14 april 2025
van staten op de emissies die binnen hun grondgebied worden uitgestoten.101 Emissies die buiten het grondgebied van één staat of overheid worden uitgestoten, worden in beginsel altijd uitgestoten binnen het grondgebied van een andere staat of overheid en vallen daarmee (in ieder geval ook) in het carbonbudget van die andere staat. Een verantwoordelijkheid voor scope 3 emissies buiten het eigen grondgebied zal dan ook altijd afstemming vragen tussen verschillende staten en overheden.
Afstemming verschillende overheidslagen De verplichting onder het Klimaatakkoord van Parijs, de EU Klimaatwet en de Klimaatwet om broeikasgasemissies te reduceren, rust in eerste instantie op de Nederlandse staat.102 Of aan deze reductieverplichting wordt voldaan, wordt daarom ook in eerste instantie beoordeeld op het niveau van Nederland als geheel.103 Binnen Nederland bestaan meerdere overheidslagen en is een groot aantal overheidsorganen belast met de zorg voor decentrale of functionele belangen. De gemeente Amsterdam is er hier één van. Deze overheidsorganen hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om te verzekeren dat de Nederlandse staat aan zijn verplichtingen kan voldoen. Zoals toegelicht heeft de gemeente Amsterdam echter – op grond van mensenrechten - ook een eigen juridische verantwoordelijkheid om het hare te doen om gevaarlijke klimaatverandering af te wenden.104 De gemeente kan hierbij de aan haar toekomende bevoegdheden aanwenden om maatregelen te nemen. Deze gedeelde én individuele verantwoordelijkheden van nationale, decentrale en functionele overheidsorganen vergen een grote mate van afstemming en samenwerking tussen de verschillende overheidsorganen om te bewerkstelligen dat de vereiste of beoogde emissiereductie wordt bewerkstelligd.
Dit blijkt ook uit de rechtspraak, zoals de Belgische zaak waarin zowel de Belgische staat als twee gewesten individueel verantwoordelijk werden gehouden voor falend klimaatbeleid.105 Deze verplichte afstemming en samenwerking kan ook vergen dat er keuzes worden gemaakt over waar binnen Nederland welke emissies worden uitgestoten, wat een impact kan hebben op de mogelijkheid of het tijdpad voor een specifiek overheidsorgaan om binnen zijn grondgebied wel of niet gemakkelijk emissies te reduceren (denk bijvoorbeeld aan de Amsterdamse haven). Ook vergt deze verplichte afstemming en samenwerking dat geen enkel overheidsorgaan achteroverleunt of iets doet wat het behalen van de nationale verplichting in de weg staat. Als een overheidsorgaan dat wel doet, riskeert het individueel aangesproken te worden op zijn eigen verantwoordelijkheid. De in maart 2020 ondertekende Krachtenbundeling Rijk-Regio Circulaire Economie 2025-2026 is een goed voorbeeld van samenwerking op het gebied van de circulaire economie.106
Belangenafweging gemeente Amsterdam De gemeente Amsterdam heeft een eigen verantwoordelijkheid om het hare te doen om gevaarlijke klimaatverandering af te wenden. De gemeente heeft daarnaast ook andere verplichtingen en belangen waarvoor zij de zorg draagt. Bij elke handeling die de gemeente uitvoert, moet zij alle betrokken belangen afwegen. Uit de rechtspraak volgt dat, gelet op de vele en ernstige gevolgen van klimaatverandering, klimaatbescherming veel gewicht in de schaal legt bij de weging van tegenstrijdige belangen.107 En dat de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van klimaatbeleid wordt gerechtvaardigd door het 101 Hooggerechtshof van Noorwegen 22 december 2020, HR-2020-2472-P, par. 159. 102 Dit is anders bij de mensenrechtelijke verplichting om broeikasgasemissies te reduceren, die ook rust op decentrale overheden. 103 Zie wel het hiervoor beschreven dilemma hoe om te gaan met emissies die buiten het grondgebied van een staat worden uitgestoten maar wel samenhangen met activiteiten op of import binnen het grondgebied van die staat. 104 Om de precieze reikwijdte van deze individuele verantwoordelijkheid te kunnen bepalen, is van belang wat binnen het vermogen van de gemeente ligt, waarbij ook rekening kan worden gehouden met de controle en invloed van de gemeente over de emissies op haar grondgebied.
105 Hof van Beroep te Brussel 30 november 2023, 2021/AR/15gs, 2022/AR/737 en 2022/AR/891. 106 Overeenkomst krachtenbundeling rijk-regio circulaire economie, 20 maart 2025, www.nederlandcirculairin2050.nl/documenten/2025/03/20/ krachtenbundeling-rijk-regio-circulaire-economie-2025-2026 (laatst geraadpleegd 3 april 2025). 107 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 542.
25
14 april 2025
risico dat kortetermijnbelangen en -overwegingen de overhand krijgen op en ten koste gaan van de dringende noodzaak van duurzaam beleid.108 Dit vergt van de gemeente Amsterdam dat ze moeilijke keuzes maakt, waarbij het belang om gevaarlijke klimaatverandering af te wenden zwaar zal moeten wegen.
108 EHRM 9 april 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020, r.o. 420.
26
14 april 2025
(Klimaat)Verplichtingen gemeente Amsterdam op basis van bijzondere wetten
Deel 2 27
14 april 2025
Deel 2 – (Klimaat)Verplichtingen gemeente Amsterdam op basis van bijzondere wetten Inleiding Naast de algemene klimaatverplichtingen die rusten op de gemeente Amsterdam (zoals uiteengezet in deel 1 van dit rapport), heeft de gemeente Amsterdam ook specifieke verplichtingen die voortvloeien uit bijzondere wetten. Deel 2 van dit rapport bevat een overzicht van specifieke verplichtingen die gelden voor de gemeente op basis van 22 (wettelijke) regelingen. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • • • •
De 22 (wettelijke) regelingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam geselecteerd. Hieronder is per wettelijke regeling een tabel opgenomen waarin belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam zijn benoemd. De tabellen zijn niet uitputtend per wettelijke regeling. Veel wettelijke regelingen worden nader uitgewerkt in beleid. In afstemming met de gemeente Amsterdam wordt niet ingegaan op beleid, tenzij dat uitdrukkelijk is vermeld. Het beleid kan wel van belang zijn om de precieze verplichtingen van de gemeente Amsterdam te duiden. De wettelijke regelingen zijn onder te verdelen in de thema’s klimaatmitigatie en -adaptatie, circulaire transitie en natuurkwaliteit. Sommige wettelijke regelingen zijn relevant voor meerdere thema’s. Indien dat het geval is, wordt dat in de tabel vermeld. Elke tabel bevat de volgende elementen: o Aanduiding wettelijke regeling o Thema: klimaatmitigatie en -adaptatie, circulaire economie en/of natuurbescherming o Wat is het? – korte toelichting op de regeling o Verplichtingen voor de gemeente Amsterdam o Gevolgen niet voldoen aan de verplichtingen o Tijdlijn o Uitzonderingen en bijzonderheden
28
14 april 2025
1
KLIMAATMITIGATIE EN -ADAPTATIE 1.1
Klimaatwet en Nationaal Klimaatakkoord
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Klimaatwet en Nationaal Klimaatakkoord
Wat is het?
• •
De Klimaatwet is een formele wet waarin de nationale reductiedoelen voor broeikasgassen zijn vastgelegd. Het Nationaal Klimaatakkoord is een beleidsdocument met afspraken tussen overheid, decentrale overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties over de uitvoering van de Klimaatwet.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
•
•
Klimaatwet: o Geen directe verplichtingen voor gemeenten. Mogelijke verplichtingen worden uitgewerkt in nadere regelgeving en beleidsprogramma’s. o Gemeenten worden in brede zin geacht bij te dragen aan de nationale klimaatdoelen via hun inzet. Nationaal Klimaatakkoord: o Regionale Energiestrategieën (RES): Gemeenten hebben in 30 RES-regio’s een RES moeten ontwikkelen om ruimtelijke plannen voor duurzame energieopwekking te ontwikkelen: RES 1.0.1 § § §
Regierol bij het opstellen van de RES, waarin regionale plannen worden ontwikkeld voor de opwekking van duurzame energie (wind- en zonne-energie). Coördinatie van de ruimtelijke inpassing van duurzame energieprojecten binnen hun grenzen, inclusief het identificeren van locaties voor windturbines en zonneparken. Afspraken uit de RES zijn op zichzelf juridisch niet bindend, maar via het vastleggen in de Wet ruimtelijke ordening – vanaf januari 2024 de Omgevingswet – bij nadere regelgeving wel.
1 Klimaatakkoord, p. 222.
29
14 april 2025
1.1
Klimaatwet en Nationaal Klimaatakkoord
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie o
o
o
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
•
•
Tijdlijn
•
•
Transitievisie Warmte: Het opstellen en vervolgens uitvoeren van een transitievisie warmte, waarin is vastgelegd hoe wijken gefaseerd van het aardgas afgaan en welke alternatieve warmteoplossingen worden ingezet.2 § Ontwikkelen van wijkuitvoeringsplannen in overleg met bewoners, woningcorporaties en bedrijven. Mobiliteit: Gemeenten moeten bijdragen aan laadinfrastructuur en duurzaam transport.3
Energieloket: Gemeenten openen een energieloket, waar inwoners en bedrijven terecht kunnen voor informatie, advies en ondersteuning bij energiebesparing, verduurzaming van gebouwen en toegang tot subsidies.4
Klimaatwet: o Geen directe sancties voor gemeenten, maar de overheid kan bestuurlijk ingrijpen als het nationale beleid niet voldoet aan de doelen. o Politieke en maatschappelijke druk bij onvoldoende medewerking door de gemeente.5 Nationaal Klimaatakkoord: o Afspraken zijn niet juridisch bindend, maar het niet naleven ervan kan leiden tot: § Verlies van publieke financiering (bijv. subsidies). § Vertraging van de nationale klimaatdoelen, wat indirect tot druk op gemeenten kan leiden.
Klimaatwet: o 2030: 55% reductie van broeikasgassen (t.o.v. 1990).6 o 2050: 95% reductie en klimaatneutraliteit. o Jaarlijkse voortgangsrapportages (Klimaat- en Energieverkenning, Klimaatnota). Nationaal Klimaatakkoord:
2 Klimaatakkoord, p. 27. 3 Klimaatakkoord, p. 55. 4 Klimaatakkoord, p. 28. 5 De realisatie van de klimaatdoelen kan niet plaatsvinden zonder de inzet van actoren zoals decentrale overheden en waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Daarom is in de Klimaatwet in artikel 8 een bepaling opgenomen die de participatie van deze partijen regelt. Op basis hiervan moet de minister overleg voeren met deze partijen. Het idee is dat in dit overleg in ieder geval de voortgang van de uitvoering van het vigerende klimaatplan en voorstellen voor maatregelen voor het in voorbereiding zijnde klimaatplan worden besproken. In het kader van dit overleg behoort de minister ook het sluiten van overeenkomsten te bevorderen, gericht op het behalen van de doelen. 6 Deze doelstelling is in 2023 verhoogd van 49% naar 55%.
30
14 april 2025
1.1
Klimaatwet en Nationaal Klimaatakkoord
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie o o o o o o
Uitzonderingen en bijzonderheden
2021: Transitievisie warmte opgesteld 2021: Energieloket geopend 2024: Vaststelling RES 2.0 2025: Eerste wijkuitvoeringsplannen operationeel 2030: Minimaal 49% reductie bereikt door sectorale maatregelen. Continu: Regelmatige monitoring door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
De Klimaatwet implementeert de verplichting uit het Klimaatakkoord van Parijs om nationale reductiedoelen juridisch vast te leggen en een wettelijk kader te creëren voor het behalen van klimaatneutraliteit in 2050. Het Nationale Klimaatakkoord is daar weer een verdere uitwerking van. Dit akkoord en deze wet leggen zodoende geen rechtstreekse juridische verplichtingen op aan de gemeente Amsterdam, maar vormen wel de bronnen van waaruit het beleid wordt geformuleerd en moeten zodoende altijd in het achterhoofd worden gehouden. De belangrijke verantwoordelijkheden voor de gemeente Amsterdam betreffen het coördineren van de Regionale Energiestrategie (RES) en de Warmtetransitie. Juridische verplichtingen vloeien voort uit beleid dat is opgesteld voor de uitvoering van het Klimaatwet en het Nationaal Klimaatakkoord.
31
14 april 2025
1.2
Energiewet
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Regels over energiemarkten en energiesystemen (Energiewet)
Wat is het?
De Energiewet moderniseert en voegt de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet samen. Het doel van de Energiewet is de energietransitie te ondersteunen en het Nederlandse energiesysteem toekomstbestendig te maken. De Energiewet is op 10 december 2024 aangenomen
door de Eerste Kamer.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
•
•
•
•
Vergunningverlening: o Gemeenten zijn verplicht om vergunningen te beoordelen en af te geven voor de aanleg en uitbreiding van infrastructuur, zoals kabels, leidingen en transformatorstations. o Zij zorgen voor een goede ruimtelijke inpassing van duurzame energieopwekking (zoals wind- en zonneparken) en energie-infrastructuur. Lokale energienetten: o De Energiewet verplicht gemeenten samen te werken met netbeheerders bij de planning en aanleg van lokale netten, inclusief warmtenetten en elektriciteitsnetten, om de capaciteit te waarborgen. Verbinding met landelijke netplanning: o Gemeenten moeten hun energieprojecten afstemmen met investeringsplannen van de landelijke (TSB) en regionale (DSB) netbeheerders, zodat deze tijdig kunnen anticiperen op groeiende vraag naar netwerkcapaciteit. Monitoring en rapportage: o Gemeenten hebben een verplichting om de voortgang van hun energieprojecten te monitoren en gegevens te delen met netbeheerders en het Rijk, zodat systeemplanning efficiënt kan worden uitgevoerd.
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
De Energiewet kent geen sancties voor niet-naleving van de bepalingen die verplichtingen voor gemeenten bevatten, maar benadrukt vooral de regierol van gemeenten bij de energietransitie en vormt een nadere uitwerking van de RES en de Warmtetransitie. Bij gevolgen kan worden gedacht aan: 32
14 april 2025
1.2
Energiewet
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie • • •
Tijdlijn Uitzonderingen en bijzonderheden
Vertraging in projecten: het niet tijdig verlenen van vergunningen of plannen kan leiden tot stagnatie in de uitbreiding van energieinfrastructuur. Knelpunten in netcapaciteit: gemeenten die hun samenwerking met netbeheerders niet goed invullen, riskeren netcongestie in hun regio. Bestuurlijke gevolgen: Gemeenten kunnen onder druk komen te staan vanuit het Rijk of provincies als hun bijdrage aan de energiewetgeving onvoldoende is. De Energiewet treedt bij nader besluit in 2025 in werking en vervangt de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Vanaf 2025 moeten gemeenten de samenwerking met netbeheerders versterken om groei in infrastructuur te ondersteunen.
• • • •
Geen directe verantwoordelijkheid voor landelijke netten: Gemeenten hebben vooral een ondersteunende rol bij de planning en ruimtelijke inpassing van energieprojecten, maar zijn niet verantwoordelijk voor de aanleg of het beheer van landelijke netten. Samenwerking essentieel: De wet benadrukt samenwerking tussen gemeenten, netbeheerders en andere stakeholders om knelpunten in het netwerk te voorkomen. Ondersteuning door netbeheerders: Gemeenten kunnen rekenen op technische en organisatorische ondersteuning van netbeheerders bij de uitvoering van hun taken. De verantwoordelijkheden die uit de Energiewet volgen benadrukken met name de taak die de gemeente heeft in het coördineren van de Regionale Energiestrategie als onderdeel van het integrale energiebeleid.
33
14 april 2025
1.3
Wet collectieve warmtevoorziening
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw)
Wat is het?
De Wcw is een wetsvoorstel dat de Warmtewet van 2014 beoogt te vervangen en regels stelt voor de aanleg, exploitatie en regulering van collectieve warmtesystemen in Nederland. Het biedt een juridisch kader voor de verduurzaming, betrouwbaarheid en betaalbaarheid van warmtenetten. Het regelt de exploitatie van warmtenetten, stelt eisen aan de duurzaamheid van warmtebronnen en versterkt de positie van gebruikers. Voor gemeenten bevat de wet bepalingen die hun rol bij de ontwikkeling en planning van warmtenetten juridisch verankeren.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
•
•
•
Verantwoordelijkheid voor warmtetransitieplanning: o Gemeenten moeten, als onderdeel van hun Transitievisie Warmte (verplicht op basis van de Wgiw, zie tabel 1.4), warmtenetten opnemen als een mogelijke oplossing voor aardgasvrije wijken. o De Wcw vereist dat gemeenten duurzame warmteoplossingen prioriteren en de infrastructuur voor collectieve warmte faciliteren. Regierol & Aanwijzingsbevoegdheid: 7 o Gemeenten kunnen vanuit hun regierol warmtebedrijven aanwijzen om warmtenetten te exploiteren in specifieke gebieden. o Deze aanwijzingen worden gedaan op basis van duurzaamheidscriteria, betaalbaarheid en betrouwbaarheid.8 o Ze spelen een coördinerende rol bij het afstemmen van plannen voor warmtenetten met andere infrastructuren, zoals elektriciteits- en gasnetten. Ruimtelijke inpassing: o Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van warmtenetten. Dit omvat het verlenen van vergunningen voor aanleg en uitbreiding van infrastructuur.9 o
De wet legt gemeenten de plicht op om plannen af te stemmen met ruimtelijke ordening en andere beleidsdoelen.
7 Zie MvT Kamerstukken II 2023/24, 36576, nr. 3, p. 7, 32, 49 en 91-95. 8 Zie MvT Kamerstukken II 2023/24, 36576, nr. 3, p. 9 en 19. 9 Zie MvT Kamerstukken II 2023/24, 36576, nr. 3, p. 285.
34
14 april 2025
1.3
Wet collectieve warmtevoorziening
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
•
Bescherming van gebruikers: o Gemeenten moeten toezien op de naleving van de wettelijke eisen voor consumentenzaken, zoals betaalbaarheid en transparantie van tarieven. o Gemeenten hebben een adviserende rol richting de Autoriteit Consument & Markt (ACM), die toezicht houdt op de tarieven en voorwaarden.10
•
Vertraging in warmtetransitie: Gemeenten die geen adequate plannen of vergunningen afgeven, lopen het risico dat projecten stagneren, wat de landelijke klimaatdoelen kan ondermijnen. Toezicht door Rijksoverheid: het Rijk kan gemeenten aanspreken op hun regierol als de voortgang van warmtenetprojecten onvoldoende is. Impact op bewoners: onvoldoende actie vanuit gemeenten kan leiden tot hogere kosten of onzekerheid voor gebruikers van warmtevoorzieningen.
• •
Tijdlijn
•
1 juli 2025: Huidige (verwachte) datum van inwerkingtreding van de Wcw.
Uitzonderingen en bijzonderheden
•
Flexibiliteit in uitvoering: Gemeenten hebben beleidsruimte om te bepalen hoe zij de warmtetransitie vormgeven binnen hun Transitievisie Warmte. Samenwerking essentieel: de wet benadrukt samenwerking tussen gemeenten, warmtebedrijven, netbeheerders en andere stakeholders. Waar de Energiewet vooral inhaakt op de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het coördineren van de RES, geldt dat voor de
• •
Wcw op het regisseren van de warmtetransitie. Zo haken deze wetten in op de pijlers uit het Nationaal Klimaatakkoord.
10 Zie MvT Kamerstukken II 2023/24, 36576, nr. 3, p. 126.
35
14 april 2025
1.4
Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)
Wat is het?
De Wgiw geeft gemeenten de mogelijkheid om lokale regels te maken om de overgang van aardgas naar duurzame vormen van energie uit te voeren.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
•
•
•
•
Opstellen van Transitievisies Warmte o Gemeenten zijn verplicht een transitievisie warmte vast te stellen.11 § De visie moet een tijdlijn bevatten voor het aardgasvrij maken van wijken. § Identificatie van alternatieve warmtebronnen voor specifieke gebieden. Vaststellen van Wijkuitvoeringsplannen o Gemeenten moeten wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) maken en uitvoeren. § Per wijk wordt vastgelegd welke duurzame warmteoplossing wordt gebruikt, wie verantwoordelijk is voor de uitvoering en hoe bewoners worden betrokken. § Een WUP is juridisch bindend en moet door de gemeenteraad worden goedgekeurd.12 Aanwijzing van Gebieden voor Warmtetransitie o Gemeenten kunnen gebieden aanwijzen waarin een aardgasverbod geldt voor nieuwbouw en bestaande bouw. § Dit geeft gemeenten de bevoegdheid om aansluitingen op het aardgasnet te verbieden. 13 Subsidies en Stimulansen14
11 Zie MvT Kamerstukken II 2022/23, 36387, nr. 3, p. 10. 12 Zie MvT Kamerstukken II 2022/23, 36387, nr. 3, p. 32. 13 De gemeenteraad stelt dan een maatwerkregel in het omgevingsplan. Onderdeel van de aanwijzing is dat de gemeenteraad een redelijke termijn vaststelt waarbinnnen een wijk moet zijn overgeschakeld op een alternatieve, duurzame energievoorziening. Ook moet de gemeenteraad de haalbaarheid en maatschappelijke kosten onderbouwen. 14 Artikel 5 van de Wgiw.
36
14 april 2025
1.4
Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie Gemeenten hebben de verplichting om financiële regelingen op te zetten om verduurzaming te stimuleren.15 § Verstrekken van subsidies aan huishoudens voor de overstap op duurzame warmte. § Financiële ondersteuning voor kleinschalige energie-initiatieven. Bewonersparticipatie en Communicatie o Gemeenten moeten bewoners en andere stakeholders actief betrekken bij de besluitvorming.16 § Organiseren van inspraakavonden en informatiebijeenkomsten. § Verstrekken van duidelijke en toegankelijke informatie over plannen en alternatieven. o
•
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
Gemeenten die geen transitievisies of wijkuitvoeringsplannen vaststellen, riskeren: o Bestuurlijk ingrijpen door het Rijk. o Verlies van toegang tot subsidies voor verduurzamingsprojecten.
Tijdlijn17
• • •
Uitzonderingen en bijzonderheden
Samenhang met Wcw en Energiewet: • De Wgiw is complementair aan de Wcw (regulering warmtenetten) en Energiewet (breed energietransitiebeleid).
2021: Transitievisies warmte gereed. 2025: Eerste wijkuitvoeringsplannen operationeel. 2030: Implementatie van warmtetransitie in minstens 1,5 miljoen woningen.
15 Zie MvT Kamerstukken II 2022/23, 36387, nr. 3, p. 45. 16 Zie MvT Kamerstukken II 2022/23, 36387, nr. 3, p. 45. 17 De Wgiw treedt gefaseerd in werking. Per 1 januari 2025 zal eerst de Warntewet worden gewijzigd. Per 1 januari 2026 zal de gehele Wgiw en het Bgiw in werking treden.
37
14 april 2025
1.5
EU-richtlijn Luchtkwaliteit
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie; ook relevant voor Natuurkwaliteit NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Richtlijn Luchtkwaliteit18
Wat is het?
Deze richtlijn heeft als doel de luchtverontreiniging te reduceren en de luchtkwaliteit binnen de Europese Unie te optimaliseren tot veilige niveaus, met de ambitie om in 2050 een gifvrije omgeving te realiseren. De richtlijn definieert grenswaarden en doelstellingen die zijn aangepast aan de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie en draagt bij aan bredere milieudoelstellingen zoals het behoud van biodiversiteit en ecosystemen binnen het beleid van de Europese Unie. De bepalingen van de richtlijn moeten uiterlijk op 11 december 2026 door de lidstaten zijn omgezet in nationaal recht.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
De nieuwe regels in de richtlijn vormen de basis voor bijvoorbeeld strengere grenswaarden in nationale wetgeving (in Nederland opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving). Lidstaten moeten voor 2030 een routekaart opstellen als de nieuwe normen niet gehaald dreigend te worden. Als er na 2030 toch nog overschrijdingen zijn, dan moeten binnen 2 jaar na constatering aanvullende maatregelen vastgelegd worden in een luchtkwaliteitsplan. Om de nationale reductiedoelen te halen is de inzet van actoren zoals decentrale overheden vereist. Gemeenten kunnen daarnaast lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht opnemen in het omgevingsplan. Dit kan een strengere omgevingswaarde zijn dan de waarde op rijksniveau of een aanvullende omgevingswaarde. Een decentrale omgevingswaarde is niet vrijblijvend. Bij het vaststellen daarvan moet een gemeente onderbouwen welke taken en bevoegdheden ze inzet om de omgevingswaarde te bereiken of te behalen.19 Er geldt een monitoringsplicht.20 En er is een programmaplicht als niet wordt voldaan of dreigt te worden voldaan aan een omgevingswaarde.21 Gemeenten moeten ook de luchtkwaliteit monitoren en de verzamelde gegevens rapporteren aan hogere overheden en het publiek. Bovendien is het van belang dat gemeenten hun inwoners informeren over de luchtkwaliteitsniveaus en de bijbehorende
18 Richtlijn (EU) 2024/2881 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa. 19 Artikel 2.10 lid 3 Omgevingswet. 20 Artikel 20.1 Omgevingswet. 21 Artikel 3.10 lid 1 Omgevingswet.
38
14 april 2025
1.5
EU-richtlijn Luchtkwaliteit
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie; ook relevant voor Natuurkwaliteit gezondheidsrisico's, en hen aanmoedigen om bij te dragen aan de vermindering van emissies. Raakvlakken met energietransitie De richtlijn beoogt een afname van luchtverontreinigende stoffen, wat ook kan worden bevorderd door de overstap naar duurzame energiebronnen en het verbeteren van energie-efficiëntie. Gemeenten spelen een rol in het verbeteren van de luchtkwaliteit door het stimuleren van lokale, schone energieoplossingen zoals zonne- en windenergie.
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
Naleving van deze verplichtingen kan worden gehandhaafd door middel van een Europese inbreukprocedure tegen Nederland en ingrijpen door de nationale overheid.
Tijdlijn
Het doel is om in uiterlijk 2050 een gifvrij milieu te verwezenlijken.22
Uitzonderingen en bijzonderheden
Lidstaten hebben de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden en om specifieke redenen, een verzoek in te dienen voor een verlenging van de nalevingstermijn met betrekking tot de grenswaarden voor luchtkwaliteit.23 (i) Deze verlenging kan maximaal duren tot 1 januari 2040 voor gebieden waar de richtlijn niet tijdig kan worden nageleefd vanwege unieke klimatologische en orografische omstandigheden, of waar noodzakelijke reducties alleen kunnen worden gerealiseerd ten koste van bestaande verwarmingssystemen.24
(ii) Daarnaast is er de optie om de termijn tot uiterlijk 1 januari 2035 te verlengen, met een mogelijke bijkomende verlenging van twee jaar, indien prognoses aantonen dat de grenswaarden niet tijdig kunnen worden bereikt.25
22 Onderdeel 5 van de preambule en artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn (EU) 2024/2881. 23 Onderdeel 36 van de preambule en artikel 18 van de Richtlijn (EU) 2024/2881. 24 Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn (EU) 2024/2881. 25 Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn (EU) 2024/2881.
39
14 april 2025
1.6
Overstromingsrichtlijn
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Overstromingsrichtlijn.26 In nationale regelgeving geïmplementeerd in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsregeling.
Wat is het?
Deze richtlijn heeft als doel een kader te creëren voor de evaluatie en het beheer van overstromingsrisico's, met als streven de schadelijke effecten van overstromingen binnen de EU op de volksgezondheid, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische activiteiten te verminderen.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
•
• •
De gemeente draagt de verantwoordelijkheid voor het evenwichtig toewijzen van functies aan locaties binnen het omgevingsplan. 27 Dit houdt in dat de gemeente bijvoorbeeld de functie van waterberging kan toekennen aan een bepaald perceel. Wanneer een perceeleigenaar niet in staat is om afstromend hemelwater zelf te verwerken, is de gemeente verplicht om dit water te verzamelen, mits de benodigde maatregelen efficiënt zijn. De gemeente heeft de mogelijkheid om regels op te nemen in het omgevingsplan of in de omgevingsverordening die inwoners verplichten om bepaalde maatregelen te treffen tegen wateroverlast.28 In de omgevingsvisie of een gemeentelijk rioleringsprogramma kan de gemeente aangeven welke mate van wateroverlast acceptabel is.29
De volgende verplichtingen van de provincie vormen een kader voor de uitvoering door de gemeente van haar verplichtingen:
26 Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s. 27 Artikel 4.2 van de Omgevingswet. 28 Artikel 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet. Het omgevingsplan moet in ieder geval zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2), maar kan ook regels bevatten over activiteiten met een breder doel, namelijk over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 van de Omgevingswet is een niet uitputtende opsomming van het begrip fysieke leefomgeving opgenomen. Daar is vastgelegd dat de fysieke leefomgeving in ieder geval ook omvat het onderwerp water (onder d). De Omgevingswet bevat grondslagen voor verschillende soorten regels in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld een regel waaruit volgt dat in bepaalde gevallen (bijv. bij nieuwbouw) een waterberging met een bepaalde capaciteit moet worden aangelegd en in stand gehouden. Gemeenten kunnen ook een doel voor waterberging in een gebied of een doel voor de kans op wateroverlast in een gebied juridisch vastleggen met omgevingswaarden in het omgevingsplan. Zie ook: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2020/04/30/handreiking-regelgeving-klimaat-adaptief-bouwen-en-inrichten. 29 Artikel 3.1 van de Omgevingswet.
40
14 april 2025
1.6
Overstromingsrichtlijn
Thema: Klimaatmitigatie en -adaptatie • • •
Gedeputeerde Staten stelt een regionale waterprogramma’s vast.30 Gedeputeerde Staten stelt overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten vast.31
Gedeputeerde Staten verzamelt gegevens over overstromingsgevaar en overstromingsrisico’s.32
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
Naleving van deze verplichtingen kan worden gehandhaafd door middel van een Europese inbreukprocedure tegen Nederland en ingrijpen door de nationale overheid.
Tijdlijn
• • •
Uitzonderingen en bijzonderheden
De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling is voor het laatst op 11 december 202433 vastgesteld en wordt daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld.34
De overstromingsgevaarkaarten en de overstromingsrisicokaartenzijn sinds 20 december 2019 beschikbaar 35 en worden daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld.36 De overstromingsrisicobeheerplannen zijn eind 2021 vastgesteld.37 De nieuwe overstromingsrisicobeheerplannen moeten uiterlijk 22 december 2027 worden vastgesteld. .38 .
De gemeente heeft de verplichting en draagt de verantwoordelijkheid om in het omgevingsplan of in de omgevingsverordening rekening te houden met de functie van waterberging, dan wel zelf het afstromend hemelwater te verwerken en kan inwoners verplichten om bepaalde maatregelen te treffen tegen wateroverlast. Ook kan de gemeente in de omgevingsvisie of een gemeentelijk rioleringsprogramma aangeven welke mate van wateroverlast acceptabel is.
30 Artikel 3.8, tweede lid, van de Omgevingswet. 31 Artikel 20.17, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet en artikel 6 van de Overstromingsrichtlijn. 32 Artikel 11.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 6, derde, vierde en vijfde lid, van de Overstromingsrichtlijn. 33 https://iplo.nl/publish/pages/237979/vorb-overstromingsrisicos-in-nederland-finale-versie-oktober-2024.pdf (openen vanuit de internetbrowser). 34 Artikel 14, eerste lid, van de Overstromingsrichtlijn. 35 Raadpleegbaar via https://www.risicokaart.nl/ 36 Artikel 14, tweede lid, van de Overstromingsrichtlijn. 37 Raadpleegbaar via Overstromingsrisicobeheerplan Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027 38 Artikel 14, derde lid, van de Overstromingsrichtlijn.
41
14 april 2025
2
CIRCULAIRE TRANSITIE
2.1
Herziene energie-efficiëntie richtlijn
Thema: Circulaire transitie; ook relevant voor Klimaatmitigatie en -adaptatie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Herziene energie-efficiëntie richtlijn (herziene EED)39 en Besluit bouwwerken leefomgeving
Wat is het?
Deze richtlijn bevat bepalingen die gericht zijn op het prioriteren van energie-efficiëntiemaatregelen in alle sectoren. Daarnaast beoogt zij het wegnemen van obstakels op de energiemarkt en het aanpakken van marktfalen dat de efficiëntie belemmert in de productie, transmissie, opslag en het gebruik van energie. Tevens omvat de richtlijn de vaststelling van indicatieve nationale bijdragen aan energie-efficiëntie voor het jaar 2030.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
•
Gemeente Amsterdam als gebouweigenaar: o Op basis van de oude EED, is de gemeente Amsterdam voor de gebouwen waarvan zij eigenaar is, verplicht om alle energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.40
•
Gemeente Amsterdam als overheidsorgaan: o Voor de gemeente Amsterdam als overheidsorgaan gelden specifieke verplichtingen, waaronder: § Jaarlijks reduceren totale energieverbruik samen met andere overheidsinstanties met minstens 1,9% ten opzichte van 2021.41 §
Bijdrage leveren aan de verplichting op nationaal niveau om jaarlijks minstens 3% van de totale vloeroppervlakte van
39 Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955. De relevantie van de EED voor de circulaire economie is goed zichtbaar in het Energy Efficiency First-principe. Dit principe benadert energie-efficiëntie als de ‘eerste brandstof’, een opzichzelfstaande energiebron. Bij het analyseren van een energievraag wordt eerst gekeken naar de alternatieve mogelijkheden. Dit kan inhouden dat de focus ligt op energiebesparing in plaats van een investering in de energie-infrastructuur. Of dat vaker gekozen wordt voor hernieuwbare energiebronnen. Daarnaast ondersteunt de circulaire economie ook de doelstellingen van de EED. Door bij het ontwerpen van een product te sturen op een langere levensduur of een hogere mate van herbruikbaarheid of recyclebaarheid, is minder energie nodig om nieuwe producten te maken of oude producten te recyclen. 40 Artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 41 Artikel 5, eerste lid, van de herziene EED.
42
14 april 2025
2.1
Herziene energie-efficiëntie richtlijn
Thema: Circulaire transitie; ook relevant voor Klimaatmitigatie en -adaptatie verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van overheidsinstanties te renoveren tot bijna-energieneutrale gebouwen of emissievrije gebouwen.42 Deze bijdrage kan ook financieel worden vormgegeven door middel van een jaarlijkse
bijdrage aan het nationaal fonds voor energie-efficiëntie die overeenkomt met het bedrag van de investeringen die nodig zijn om aan die verplichtingen te voldoen.43 § § §
Opstellen lokale verwarmings- en koelingsplannen.44 In de langetermijnplanning specifieke energie-efficiëntiemaatregelen op te nemen, zoals decarbonisatieplannen of plannen voor duurzame energie.45 Bij aanbestedingen dienen gemeenten prioriteit te geven aan energie-efficiënte producten en diensten, en bedrijven onder
hun beheer moeten energieaudits uitvoeren en energiebeheersystemen implementeren.46
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
•
•
Gemeente Amsterdam als gebouweigenaar: o Naleving van deze verplichtingen kan worden gehandhaafd door middel van het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang. Gemeente Amsterdam als overheidsorgaan: o Naleving van deze verplichtingen kan worden gehandhaafd door middel van een Europese inbreukprocedure tegen Nederland en ingrijpen door de nationale overheid.
Tijdlijn
Lidstaten hebben tot 2025 de tijd om de herziene EED in nationale wetgeving om te zetten.47 Vanaf 11 oktober 2027 geldt de verplichting van de Energie-efficiëntierichtlijn om jaarlijks het finaal energieverbruik te verminderen met minstens 1,9% ten opzichte van 2021.
42 Artikel 6, eerste lid, van de herziene EED. 43 Artikel 30, dertiende lid, van de herziene EED. 44 Artikel 25, zesde lid, van de herziene EED. 45 Artikel 5, zesde lid, van de herziene EED. 46 Artikel 7, eerste lid, van de herziene EED. 47 Artikel 36 van de herziene EED.
43
14 april 2025
2.1
Herziene energie-efficiëntie richtlijn
Thema: Circulaire transitie; ook relevant voor Klimaatmitigatie en -adaptatie
Uitzonderingen en bijzonderheden
Gemeente Amsterdam dient zich ervan bewust te zijn van wanneer welke verplichting zal gelden en hierop tijdig te anticiperen. De plannen voor de vermindering van het jaarlijks finaal energieverbruik dienen tijdig uitgewerkt te worden en hierbij dient een meerjarenplan te worden opgesteld. De gemeente dient tijdig te overzien waar welke maatregelen genomen kunnen worden en in hoeverre dit conform aanverwante regelgeving is. Het inventariseren hiervan kan daarom niet wachten tot oktober 2027.
44
14 april 2025
2.2
Richtlijn energieprestatie van gebouwen IV
Thema: circulaire economie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Wettelijke regeling(en)
Richtlijn energieprestatie van gebouwen IV EU 2024/1275 (EPBD IV), Besluit bouwwerken leefomgeving
Wat is het?
Richtlijn voorziet in de verplichting om emissies en energiegebruik van gebouwen te verminderen door minimale energieprestaties vast te stellen en bestaande gebouwen te renoveren.48 De regels hebben tot doel om tegen 2050 een klimaatneutrale bouwsector te creëren.
Verplichtingen gemeente Amsterdam
• Gemeente Amsterdam als eigenaar Voor de gebouwen waarvan de gemeente Amsterdam eigenaar is, geldt dat ze verplicht is om: o Over een energielabel te beschikken.49 o o
o o
Bij verbouw of renovatie te voldoen aan toepasselijke energiezuinigheidseisen.50 Te voldoen aan de verplichting dat vanaf 1 januari 2028 de nieuwe gebouwen die eigendom zijn van overheidsinstanties emissievrij moeten zijn.51 Geschikte zonne-energie-installaties uit te rollen, uiterlijk op 31 december 2026: op alle nieuwe openbare en niet voor bewoning bestemde gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m.52 Geschikte zonne-energie-installaties uit te rollen, voor zover dit technisch geschikt en economisch en functioneel haalbaar is op alle bestaande openbare gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan:53 § 2.000 m2, uiterlijk op 31 december 2027
48 De prestaties gedurende de gehele levenscyclus van gebouwen moeten niet alleen bij nieuwbouw, maar ook bij renovaties in aanmerking worden genomen, door beleidsmaatregelen voor de vermindering van de broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus op te nemen in de nationale plannen voor de renovatie van gebouwen van de lidstaten. De richtlijn koppelt de CO₂-emissie van gebouwen niet alleen aan het energieverbruik van gebouwen. De EU-landen dienen rekening te houden met het aardopwarmingsvermogen (global warming potential, GWP) tijdens de levenscyclus van een gebouw. Dit vormt een eerste stap naar meer aandacht voor de prestaties gedurende de gehele levenscyclus van gebouwen en naar een circulaire economie. 49 Artikel 3.87 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 50 Artikel 8, lid 1 van de EPBD IV en artikel 5.20 van het Bbl De verplichtingen in het Bbl zijn nu nog gebaseerd op de oude Richtlijn energieprestatie van gebouwen. Bij de implementatie van de EPBD IV zullen mogelijk aanvullende eisen worden gesteld. 51 Artikel 7, eerste lid, onder a van de EPBD IV. 52 Artikel 10, lid 3, onder a EPBD IV. 53 Artikel 10, lid 3, onder b EPBD IV.
45
14 april 2025
2.2
Richtlijn energieprestatie van gebouwen IV
Thema: circulaire economie § § o
750 m2, uiterlijk op 31 december 2028 250 m2, uiterlijk op 31 december 2030
In het geval van gebouwen die eigendom zijn van of worden gebruikt door overheidsinstanties, te waarborgen dat uiterlijk op 1 januari 2033 de installatie van voorbekabeling voor ten minste 50 % van de autoparkeerplaatsen met 20 of meer parkeerplaatsen wordt gegarandeerd.54
Gevolgen niet voldoen aan verplichtingen
•
Tijdlijn
Nederland moet voor de zomer van 2026 onderdelen van de EPBD IV implementeren.
Uitzonderingen en bijzonderheden
De gemeente Amsterdam dient zich ervan bewust te zijn dat voor haar in hoedanigheid van eigenaar van gebouwen verplichtingen gelden. De gemeente dient tijdig te overzien waar welke maatregelen genomen kunnen worden en in hoeverre dit conform aanverwante regelgeving is. Het inventariseren hiervan kan daarom niet wachten tot de zomer van 2026.
•
Naleving van de eerste twee verplichtingen die in bovenstaande rij zijn genoemd, kan worden gehandhaafd door middel van het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang. De overige verplichtingen moeten nog geïmplementeerd worden, zodat op dit moment nog onduidelijk is op welke wijze deze gehandhaafd kunnen worden.
54 Artikel 14, lid 2, onder b EPBD IV.
46
14 april 2025
2.3
Green public procurement
Thema: Circulaire transitie NB: Deze tabel benoemt enkele belangrijke verplichtingen van de gemeente Amsterdam die voortvloeien uit de genoemde regelgeving. Deze tabel is niet uitputtend. Deze verplichtingen zijn op verzoek van de gemeente Amsterdam uitgewerkt.
Relevante documenten
Green Public Procurement55, Handelingskader Duurzaam Inkopen voor Amsterdam56, Manifest Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (Manifest MVOI)57
Wat is het?
•
Green Public Procurement Green procurement is een proces waarbij overheidsinstanties goederen, diensten en werken trachten aan te schaffen die gedurende hun volledige levenscyclus minder milieueffecten hebben dan goederen, diensten en werken met dezelfde primaire functie die anders zouden worden aangeschaft. Het basisconcept van Green procurement berust op duidelijke, verifieerbare, gerechtvaardigde en ambitieuze milieucriteria voor producten en diensten, gebaseerd op een levenscyclusbenadering en wetenschappelijk bewijs.
•
Handelingskader Duurzaam Inkopen voor Amsterdam Dit handelingskader is ontwikkeld voor opdrachtgevers, inkopers en andere medewerkers die betrokken zijn bij inkoopprocessen en aanbestedingen. Het biedt praktische richtlijnen voor het omzetten van de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente naar inkooptrajecten. Dit kader verschaft inzicht in welke doelstellingen haalbaar zijn voor bepaalde productgroepen en biedt voorbeelden van duurzame indicatoren die in de aanbestedingsdocumenten kunnen worden opgenomen.
•
Manifest MVOI Het Manifest voor Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI), ondertekend door ruim 90 overheidsorganisaties en semi-overheidsorganisaties, waaronder de gemeente Amsterdam, is een belangrijk initiatief waarbij overheden en publieke instellingen zich inzetten voor duurzame en sociale doelstellingen binnen hun inkoopstrategieën. Dit manifest heeft als doel de circulaire economie te bevorderen, de uitstoot van CO₂ te reduceren en eerlijke arbeidsomstandigheden te ondersteunen. Door maatschappelijk
55 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Overheidsopdrachten voor een beter milieu, zie ook EC: Buying Green - A Handbook on green public procurement. 56 Handelingskader Duurzaam Inkopen voor Amsterdam. 57 Manifest Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen.