2.0 Handboek Groen 2021.pdf
Tekst van het document
Wijk- en buurtgroen
bomen
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
fruitbomen
V
V
V
X
X
V
V
V
V
V
V
X
X
X
V
V
X
V
V
V
V
X = niet toepasbaar
tabel 4.1 Uit Beleidskader Puccinimethode: toepasbaarheid van bomen en fruitbomen in de openbare ruimte
08 Gras en ruigte
recreatiegebieden
Groengebieden
09 Water- en oeverbeplanting
bossen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
01 Toelichting voor de gebruiker
In het Beleidskader Puccinimethode is vastgesteld (zie tabel 4.1) waar bomen in de openbare ruimte toegepast mogen worden.
10 Bijlagen
Groenobjecten
stadsparken
Bomen
4.1
Verschijningsvorm
Bomen in een lijn (zie figuur 4.2) zijn: • wisselend van soort, • en/of maat, • en/of plantafstand.
Bomen zijn een belangrijk element in het ontwerp en de (her)inrichting van de openbare ruimte. Soms gaat het om het integreren van bestaande bomen maar veelal moeten er nog (ontwerp) keuzes worden gemaakt voor nieuwe bomen. Bij deze keuzes spelen de ruimtelijke kwaliteiten (boomsoort, boomgrootte, boomhoogte, kroondiameter, rij of een lijnbeplanting) van de boomsoorten een rol en de eisen en randvoorwaarden op het gebied van bovengrondse- en ondergrondse groeiomstandigheden. Verder is het belangrijk om bij de toepassing van boomsoorten te weten wat de stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn, wat de cultuurhistorische context is en of de boom bijvoorbeeld onderdeel is van de Hoofdboomstructuur (HBS), de Hoofdgroenstructuur, de Ecologische structuur Amsterdam (ESA), beschermd stadsgezicht of van een rijksmonument. Daarnaast is van belang te weten in welke mate en op welke wijze ze bijdragen aan biodiversiteit en klimaatadaptatie.
Specifiek voor rijbeplanting langs grachten: h.o.h. afstand tussen bomen is 8-14 m op grachten/kades waar geparkeerd wordt. • h.o.h. afstand tussen bomen mag kleiner op grachten/kades waar niet geparkeerd wordt.
•
De keuze voor een rij of lijnbeplanting is afhankelijk van de stedenbouwkundige randvoorwaarden, de cultuurhistorische context en de ontwerpopgave (onder andere de uitgangspunten voor klimaatadaptie). Iepenrijen langs de grachten zijn bijvoorbeeld onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed en daardoor niet vervangbaar door andere boomsoorten in een rij of door een lijnbeplanting. Ook Plan Zuid en de Westelijke Tuinsteden hebben een van oudsher uitgekiend bomenplan zodat daarbij aansluiten van belang is. In gebieden waar een specifieke groene cultuurhistorische context ontbreekt, kunnen bomen heel goed in een lijn worden geplant. Let op dat bomenstructuren met één boomsoort over het algemeen kwetsbaarder zijn voor ziekten en plagen dan gemixte boombeplantingen (op het schaalniveau van de hele stad is die kwetsbaarheid vrij beperkt). Meerdere soorten wordt daarom aangeraden. Bij menging van boomsoorten moet er wel goed gekeken worden naar bijvoorbeeld groeisnelheid, kroonvorm en hoogte van de individuele boom, zodat de soorten elkaar niet gaan beconcurreren waardoor de beheerbaarheid in gevaar komt. In situaties waar wel gekozen wordt voor een monocultuur en ondergroei is mogelijk, dan wordt onderbegroeiing in de vorm van bloemrijk gras (zie Hoofstuk 8) aangeraden. Het hoge gras vormt onderdeel van de biotoop van de roofdieren die jagen op de plaagdieren in de bomen.
Het hoge gras ontmoedigt recreatie in de vorm van picknicken en spelen, waardoor de kans op aanraking met een plaag zoals de eikenprocessierups minder groot is.
4.1.1
toepassing in rij of lijn Bomen in een rij worden geplant met een gelijke plantmaat en staan min of meer op een gelijke plantafstand. In principe is de bomenrij van een gelijke soort of bestaat uit een mix van boomsoorten die een gelijk groeiritme en een gelijke kroonvorm hebben. Bomen in een rij (zie figuur 4.1) zijn: • van gelijke soort, • hebben gelijke maat/gelijke plantafstand (1e grootte 5-25 m uit elkaar, 2e en 3e grootte 5-10 m uit elkaar), • groeien met de kronen tegen elkaar. Bomen in een lijn staan op een wisselende plantafstand, bestaan uit verschillende boomsoorten en/of worden geplant als enkel- en of meerstammig. Lijnbeplantingen strekken zich in het algemeen over grotere afstand uit dan bomenrijen.
figuur 4.1 Bomen in een rij
34
figuur 4.2 Bomen in een lijn
De belangrijke aspecten van de verschijningsvorm van een boom zijn: grootte, kroonvorm, kroondichtheid, textuur en structuur. Deze vormaspecten kunnen worden ingezet bij het ontwerp. Locatie, plantafstand en beheer/ snoeiwijze hebben een grote invloed op de verschijningsvorm van de boom. Zo zal een boomkroon boven een rijweg, vaarweg of een trambaan tot een bepaalde hoogte moeten worden opgekroond om geen overlast aan het verkeer te veroorzaken. Zie voor deze maten paragraaf 4.2.2 ‘afstand boom tot rijbaan’ en paragraaf 4.2.6 ‘afstand boom kadeconstructies en beschoeiingen’.
figuur 4.3 Kroonvormen zuilvormig (Z), rond (R), breed (B) en piramidaal-ovaal (P)
35
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
grootte De boomgrootte is een maat voor de hoogte van de boom. We maken onderscheid in drie klassen: 1e , 2e en 3e grootte. Bomen van 1e grootte bereiken een hoogte van >15 m, bomen van de 2e grootte bereiken een hoogte tussen de 10-15 m en bomen van de 3e grootte bereiken een hoogte tussen de 6-10 m. Deze indeling van 1e, 2e en 3e grootte, is belangrijk bij de keuze van bomen in het ontwerp in relatie tot bijvoorbeeld de breedte van het straatprofiel of de afstand tot de gevel. In bijlage 10.1 wordt een overzicht gegeven van welke bomen tot welke grootte behoren en staat de maximale hoogte van de boom na 25-30 jaar in meters vermeld. De maximumhoogte die een volgroeide boom kan bereiken, is grotendeels afhankelijk van de groeiomstandigheden onder de grond.
01 Toelichting voor de gebruiker
kroonvorm De kroonvorm bepaalt in belangrijke mate de toepassing en het gebruik van de boom. Er zijn verschillende kroonvormen zoals zuilvormig, rond, breed en piramidaal-ovaal (zie figuur 4.3). In een straat met een smal profiel komt een boom met een zuilvormige kroon beter tot zijn recht dan een boom met een brede kroon. Bomen met een brede kroon kunnen het beste worden toegepast in een straat of laan met een breder profiel. De kroonvorm bepaalt ook in belangrijke mate de onderlinge plantafstand. Zo kunnen bomen met een zuilvormige of piramidaal ovaalvormige kroon dichter op elkaar worden geplant dan bomen met een brede of ronde kroonvorm.
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
toepassing grootte, kroonvorm, kroondichtheid, textuur en structuur
03 Basisprincipes
4.1.2
kroondichtheid Verder is van belang of de soort een open of dichtere kroon heeft (zie figuur 4.4).In het algemeen passen bomen met dichte kronen het beste in lanen, groenstroken en parken. In smalle straten zorgen ze snel voor overlast zoals weinig daglichttoetreding in de benedenwoningen. Deze klachten leiden vaak tot extra snoei waardoor de natuurlijke boomvorm verloren gaat. In straten en op drukke pleinen hebben bomen met een transparante kroon daarom de voorkeur.
figuur 4.4 Gesloten en open kroon
Haagbeuk, gesloten kroon
36
Trompetboom, open kroon
Berk, fijne textuur
01 Toelichting voor de gebruiker
37
Kastanje, grove textuur
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
figuur 4.5 Fijne en grove textuur
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
textuur De textuur van de boom wordt bepaald door de vorm en grootte van de bladeren. Kleine bladeren geven de boom een fijne textuur, grote bladeren zorgen voor een grove textuur (zie figuur 4.5).
structuur De takken bepalen in belangrijke mate de structuur van de boom. Staan de takken grillig verspreid of juist regelmatig, is er sprake van een zware hoofdstam of juist sprake van vergaffeling, waarbij geen van de takken domineert) (zie figuur 4.6)
•
•
Vormaspecten als kroonvorm, kroondichtheid, textuur en structuur bepalen in belangrijke mate de toepassing en het gebruik van de boom. De locatie en beschikbare ruimte boven de grond, de plantafstand en het beheer/ snoeiwijze hebben grote invloed op de verschijningsvorm van de boom.
figuur 4.6 Onregelmatige en regelmatige takkenstructuur
Acacia, onregelmatige takkenstructuur
38
Els, regelmatige takkenstructuur
straatprofielen en ontwerp Bij de afweging voor de boomgrootte in de straat moet rekening worden gehouden met de hoogte van de gevels. De bomen moeten in de volwassen fase in verhouding tot de gevels voldoende hoogte en volume bereiken. Bij bredere straten is meer keuzevrijheid over hoe de bomen onderling geplant kunnen worden (in een rij, twee rijen of als losse beplanting).
•
04 Bomen 05 Bosplantsoen en struweel 06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 07 Kruidachtigen 08 Gras en ruigte
•
09 Water- en oeverbeplanting
•
De bovengrondse groeiplaatsomstandigheden worden in belangrijke mate bepaald door het stedenbouwkundig plan of ontwerp, de breedte, inrichting en gebruik van de straat. De doorwortelbare ruimte (het beschikbare bodemprofiel) wordt bepaald door ligging van kabels en leidingen, de gemiddelde hoogste grondwaterstand/reductiezone en eventuele ondergrondse obstakels. Voorafgaande aan het toepassen van bomen in nieuwe of bestaande situaties (bij herinrichtingen) is onderzoek benodigd naar de bestaande bodem en grondwaterstand om randvoorwaarden op te stellen voor de inrichting van de groeiplaats. Voor maatvoering en eisen boven- en ondergrondse groeiplaatsomstandigheden zie paragraaf 4.4 aanleg
10 Bijlagen
•
03 Basisprincipes
Om bij nieuwe aanplant of vervanging een duurzame boomgroei te realiseren, is de keuze van de soort boom met bijbehorende groei-eisen, boomgrootte en kroonvorm en de technische randvoorwaarden van de boven- en ondergrondse groeiomstandigheden van groot belang. De bovengrondse groeiplaatsomstandigheden worden in belangrijke mate bepaald door het stedenbouwkundig plan of ontwerp, de breedte, inrichting en gebruik van de straat, straatmeubilair en lichtmasten. De beschikbare ondergrondse groeiplaatsruimte wordt bepaald door de gemiddelde hoogste grondwaterstand (reductiezone), de ruimte waar de kabels en leidingen liggen (of komen te liggen) en andere obstakels zoals wegtracés, laad- en losplekken en ondergrondse vuilcontainers. De reductiezone in de bodem is cruciaal; de reductiezone is de vrijwel permanent met (grond-) water verzadigde bodemlaag die geen bodemzuurstof bevat. Boomwortels kunnen niet groeien in deze zone. De inrichtings- en dwarsprofielen in dit hoofdstuk geven oplossingsrichtingen en inrichtingsprincipes om schade aan bomen (takken en stam) te voorkomen. Deze maten zijn gebaseerd op CROW. De precieze maatregelen en techniek zijn maatwerk en mede afhankelijk van de lokale situatie en vragen daarom om onderzoek.
01 Toelichting voor de gebruiker
Randvoorwaarden
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
4.2
39
4.2.1
afstand boom tot gevel Bij het aanplanten van bomen is het belangrijk om voldoende afstand te houden tot de gevel. Deze afstand wordt bepaald door de grootte en kroonbreedte van de boom in de volwassen fase en de dichtheid van de kroon. Een dichte kroon van een paardenkastanje zal een ander effect hebben dan een transparante en open kroon van een valse acacia. Ook maakt de oriëntatie van de gevel uit, zijn het noord- of zuidgevels. Randvoorwaarde is dat de boomgroei niet leidt tot overlast/klachten en er regulier beheer kan worden uitgevoerd. Vuistregel is om bomen te planten op een afstand van minimaal 3 m van de gevel gerekend vanaf het hart van de boom (zie figuur 4.7). In smalle woonstraten < 20 m kunnen alleen bomen van de 1e grootte worden gebruikt met een zuilvormigeof piramidale kroon. Ook kan er gekozen worden voor een kleiner formaat (2e of 3e grootte). Per locatie moet nagegaan worden welke boomsoort het beste past in de precieze maaiveldindeling. Afstand boom tot gevel (foto: Hans Kaljee)
figuur 4.7 Afstand 1e grootte boom tot gevel
40
01 Toelichting voor de gebruiker
4.2.2
afstand boom tot rijbaan
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
profiel van vrije ruimte autoweg > 70 km/u
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
De minimale vereiste vrije doorgang van de boom boven de weg, bedraagt bij een autoweg (>70 km/u) minimaal 4,60 m. Binnen 4,50 m vanaf de kantstreep mogen geen bomen staan (zie figuur 4.8).
figuur 4.8 Profiel van vrije ruimte bij autoweg > 70 km/uur
41
profiel van vrije ruimte autoweg 50 - 70 km/u Bij wegen met een snelheidsregime van 50 - 70 km/uur is de minimale vrije doorgang 4,20 m. De afstand tussen hart boom en de wegkant/binnenkant opsluitband moet 1 m zijn (zie figuur 4.9).
Profiel van vrije ruimte autoweg 50 - 70 km/u (foto: Hans Kaljee)
figuur 4.9 Profiel van vrije ruimte bij autoweg 50 - 70 km/uur
42
01 Toelichting voor de gebruiker
profiel van vrije ruimte autoweg < 50 km/u
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Profiel van vrije ruimte autoweg < 50 km/u (foto: Hans Kaljee)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Bij wegen met een snelheidsregime < 50 km/uur is de vrije doorgang 4,20 m en de afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de opsluitband moet minimaal 0,50 m zijn (zie figuur 4.10).
figuur 4.10 Profiel van vrije ruimte bij autoweg < 50 km/uur
43
profiel van vrije ruimte fietspad, trottoir en parkeervak De vrije doorgang ter plaatse van fietspaden, trottoirs en parkeervakken moet minimaal 2,50 m zijn. De afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de opsluitband van parkeerstrook of fietsstrook moet minimaal 0,50 m zijn (zie figuur 4.11).
Profiel van vrije ruimte fietspad (foto: Hans Kaljee)
figuur 4.11 Profiel van vrije ruimte bij fietspad, trottoir en parkeervak
44
01 Toelichting voor de gebruiker
profiel van vrije ruimte bij middenof zijberm
figuur 4.12 Profiel van vrije ruimte bij fietspad, trottoir en parkeervak
45
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Profiel van vrije ruimte bij middenberm (foto: Hans Kaljee)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
De breedte van een open zij- of middenberm moet minimaal 2,00 m tussen de banden zijn om bomen te planten (zie figuur 4.12). Het streven is 2,5 – 3,0 m bermbreedte aan te houden (optimaal).
4.2.3
afstand boom in parkeersituaties
afstand van >0.50 meter van geparkeerde auto tot boom in verhoogd plantvak
Bomen in parkeersituaties kunnen, als ze goed zijn ingepast, een grote bijdrage leveren tegen hittestress. Voor een optimale bijdrage tegen hittestress dekt de uiteindelijke koon het parkeervak geheel af met schaduw. Voor maximale schaduw wordt aanbevolen om het aantal parkeerplaatsen tussen bomen te beperken en de boom te voorzien van voldoende substraat (zie factsheet 4, bomen in parkeervoorziening). • Langsparkeren maximaal 2-3 parkeerplaatsen tussen 2 bomen. • Schuinparkeren maximaal 2-4 parkeerplaatsen tussen 2 bomen. • Haaksparkeren maximaal 2- 5 parkeerplaatsen tussen 2 bomen.
Bij verhoogde ‘oren’ en ‘vakken’, wordt een afstand van >0.50 m auto tot boom gehanteerd (zie figuur 4.13).
Bij de verschillende inrichtingsvarianten, zoals haaks-, schuin-, of langsparkeren, worden bomen verhoogd aangeplant in zogenaamde ‘oren’ of ‘vakken’, of à niveau met de geparkeerde auto’s. Er moeten voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat bij het in- en uitparkeren de stam geraakt wordt.
Bomen in oren, verhoogd plantvak tussen parkeervakken (foto: Hans Kaljee)
46
figuur 4.13 Afstand tussen boom en geparkeerde auto
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
47 05 Bosplantsoen en struweel
Bomen en parkeren à niveau (foto: Hans Kaljee) 04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
01 Toelichting voor de gebruiker
4.2.4
afstand boom tot lichtmasten, tram en spoorweg De standplaats van een boom wordt medebepaald door lichtmasten, tramleidingen en -constructies en spoorwegen.
afstand boom tot lichtmasten De (plant)afstand van een boom tot hoge lichtmasten (hoogte > 6 m) moet 5 m zijn; bij lage lichtmasten (hoogte 3-6 m) minimaal 3 m (zie figuur 4.14). Bij bestaande bomen moeten nieuwe lichtmasten zoveel mogelijk midden tussen de bomen worden geplaatst. N.B. Feestverlichting in bomen wordt alleen in overleg met de beheerder van de boom opgehangen.
Afstand boom tot lichtmast (foto: Hans Kaljee)
figuur 4.14 Afstand boom tot lichtmast (verschillende hoogte)
48
01 Toelichting voor de gebruiker
afstand boom tot tramleiding en -constructie
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Vanuit directie Metro en Tram gelden er, ten aanzien van het profiel van vrije ruimte in relatie tot bomenbeplanting, twee ontwerpvoorschriften: • De afstand tussen geleiders of bovenleidingconstructies en takken moet minimaal 2,50 m bedragen • Een trambaanconstructie moet gedurende de gehele levensduur op een minimale afstand van 1 m tot wortels van bomen en struiken liggen.
Profiel van vrije ruimte trambaan (foto: Hans Kaljee)
afstand boom tot spoorweg
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
De Spoorwegwet verbiedt bomen binnen een afstand van 11 m uit het hart van het buitenste spoor in een rechtstand voor metro en trein. Langs de binnenzijde van het spoor mogen in een boog binnen een afstand van 20 m geen bomen staan.
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
Bij bomen langs een trambaan worden soorten van de 1e grootte gekozen, die goed beheerd/ gesnoeid kunnen worden en na verloop van tijd ruim boven de tramleidingen uitgroeien. De toe te passen boomsoorten moeten goed windbestendig zodat de risico’s op takbreuk bij harde wind minimaal zijn. Door gebruik te maken van een wortelscherm of -folie kan de ondergrondse groeiplaats aansluiten op de trambaanconstructie. Zie ook groeiplaatsprofiel 9 in paragraaf 4.4.3 voor meer technische details.
figuur 4.15 Profiel van vrije ruimte trambaan
49
4.2.5
afstand boom tot ondergrondse kabels en leidingen Afstand tot kabels en leidingen is belangrijk. Niet alleen om schade aan de ondergrondse infrastructuur te voorkomen maar ook om te voorkomen dat bij onderhoudswerkzaamheden aan kabels en leidingen het wortelpakket van de boom dusdanig beschadigd raakt dat dit tot sterfte van bomen en/of gevaarlijke situaties leidt. Bomen met beschadigde zware wortels kunnen jaren later zomaar omvallen met alle gevolgen van dien. In Amsterdam hanteren we in situaties met bestaande bomen en nieuwe ondergrondse infra het algemene principe dat de grondverbeteringsstroken voor bomen worden gescheiden van de ondergrondse infratracés. Kabels en leidingen bundelen we zo veel mogelijk op een zo groot mogelijke afstand van de boom. Hierbij volgen we de voorschriften uit Handboek Ondergrondse Inrichting. De belangrijkste voorschriften zijn: • De minimale afstand tussen kabels en leidingen en hart stamvoet van een boom van de 1e grootte is 2 m. Bij een boom van de 2e grootte is dit 1,50 m (zie figuur 4.16). Bij een boom van de 3e grootte is dit 1 m. • Voedingskabels voor lichtmasten kunnen zonder aanvullende maatregelen binnen een afstand van 0,50-1,00 m worden aangelegd. • Er moet een afstand van minimaal 5 m worden aangehouden ten opzichte van ondergrondse hoogspanningsleidingen (50-150 kV) en hogedruk gastracés.
Afstand boom tot ondergrondse kabels en leidingen (foto: Hans Kaljee)
In situaties met bestaande ondergrondse infra en nieuwe bomen is het mogelijk om de bomen dichter op het ondergrondse infratracé aan te planten door gebruik te maken van een wortelscherm of –folie. Dit moet afgestemd worden met de kabel- en leidingbeheerder en de groenbeheerder. Let op, dat bij akkoord op het toepassen van scherm of folie, deze tot voorbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt aangebracht (zie figuur 4.17).
figuur 4.16 Bestaande boom en nieuwe infra, afstand boom tot leidingen bij 1e en 2e grootte boom
50
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Passages van kabels en leidingen tussen de bomen door, zoals bij huisaansluitingen, moeten midden tussen de bomen worden aangebracht via van tevoren aangebrachte voorzieningen zoals mantelbuizen.
03 Basisprincipes
Als de ondergrondse ruimte beperkt is, kan een integraal leidingentracé (een bundeling van (transport-)leidingen op grote diepte en in het grondwater) onder bomenstroken aangelegd worden. Vanaf zogenoemde koppelvelden, bovengrondse werkruimte, kunnen tussentijds werkzaamheden aan de leidingen plaatsvinden zonder dat schade aan de bomen optreedt. De koppelvelden moeten zoveel mogelijk vrij van bomen blijven.
figuur 4.17 Bestaande infra met nieuwe bomen, dan is afstand boom tot leiding te verkleinen bij gebruik van wortelscherm of -folie
51
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
Bij herinrichtingen met bestaande bomen moet, zo vroeg mogelijk in de planvorming, een Bomen Effect Analyse (BEA) plaatsvinden. Hiermee wordt bepaald of er conflicten zijn tussen kabels en leidingen en eventuele conflicten met het wortelgestel van bomen (in paragraaf 4.4.4 Bomen in bestaande situaties, wordt de BEA nader toegelicht). In overleg met nutsbedrijven kan worden besloten om: • Bestaande kabels en leidingen te laten liggen en niet op te graven ter voorkoming van wortelschade. • Nieuwe kabels en leidingen op grotere afstand van bomen aan te leggen dan het Handboek Ondergrondse Infrastructuur, Amsterdam (HOI) voorschrijft. • Bomen binnen enkele uren te verwijderen via de noodkapprocedure als er sprake is van ernstige wortelschade door calamiteiten met kabels en leidingen.
4.2.6
afstand boom tot ondergrondse afvalcontainer De aanleg en het gebruik van ondergrondse afvalcontainers kan zorgen voor schade aan boven- en ondergrondse delen van bomen. In situaties waarbij een ondergrondse container bij nieuwe bomen geplaatst wordt, is de richtlijn dat deze, in het geval van een bomenrij, bij voorkeur midden tussen de bomen komt te staan, met de zijkant van het ondergrondse deel op tenminste 3,0 meter uit het hart van de boom. Bij situaties met een ondergrondse container op de minimale afstand van 3,0 meter is het van belang om te kiezen voor bomen van de 1e grootte die (redelijk) hard groeien zodat na verloop van tijd het legen van de containers onder de kronen plaatsvindt. Kleine of langzaam groeiende soorten zoals sierkers, haagbeuk of eik worden hier niet toegepast omdat deze gemakkelijker beschadigen.
Voor het legen van ondergrondse afvalcontainers is bovensgronds voldoende ruimte nodig (foto: Herman Best)
toevoegen dwarsprofiel inpassing oac
figuur 4.18 Bestaande boom en nieuwe ondergrondse afvalcontainer
52
Afvalcontainer in een bomenrij (foto: Herman Best)
01 Toelichting voor de gebruiker 10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
In situaties met bestaande bomen is het belangrijk dat, voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, een BEA (Bomen Effect Analyse) wordt uitgevoerd. Op basis van kroonprojectie, verspreiding van het wortelgestel etc. kan dan de meest geschikte locatie voor de ondergrondse container worden bepaald. Mogelijke schade aan bomen (boven- en ondergronds) wordt op deze manier zoveel mogelijk voorkomen. Het gaat hier om locaties die buiten boomstructuren liggen of op ‘open plekken’ waar zich geen conflicten met boomwortels en kronen voordoen. Het is belangrijk bij de BEA en locatiekeuze een boomspecialist te betrekken.
53
4.2.7
afstand boom tot kadeconstructies en beschoeiingen Het maken van een grachtenprofiel is een specifieke ontwerpopgave. Zie paragraaf 4.1.1. voor afstanden in het lengteprofiel (toepassing in rij of lijn). Hieronder staat de maatvoering voor het breedteprofiel beschreven. Ter plekke van kade- en walmuren moet de afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de dekzerk minimaal 1 m zijn. Zodat de risico’s verminderd worden dat in de volwassen fase het wortelpakket de kade of walmuur schade toebrengt of ondermijnt. Zie figuur 4.18. Regulier beheer snoeit de bomen langs grachten en vaarten normaal gesproken zo dat ze niet gaan overhangen. In principe mogen de kronen alleen overhangen mits het waterverkeer niet wordt gehinderd.
Doorhangende boom (foto: Hans Kaljee)
figuur 4.19 Afstand boom tot gracht of kademuur
54
figuur 4.20 Afstand boom tot rand beschoeiing > 0,75, dan moet onderlinge afstand tussen de bomen > 10 meter zijn
01 Toelichting voor de gebruiker 03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Ter plaatse van open bermen en taluds langs water moet rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor de schouw (jaarlijkse controle) en onderhoud van de waterwegen. De keur van het waterschap (zie ook paragraaf 4.2.7. Afstand van boom tot waterkerende dijken) bepaalt dat: • Als de bomen op meer dan 10 m van elkaar staan, of solitair zijn geplaatst, de bomen op minimaal 0,75 m van de rand van de beschoeiing worden geplant (zie figuur 4.19). In dit geval wordt het onderhoud met machines tussen de bomen door uitgevoerd. • Als de bomen op minder dan 10 m van elkaar staan, er een obstakelvrije zone met een breedte van 3 m gehanteerd wordt, zodat er voldoende ruimte is voor onderhoudsmachines tussen kade en bomen (zie figuur 4.20).
04 Bomen
In sommige gevallen bepaalt de keur of er wel of geen opgaande beplanting langs watergangen geplant mag worden.
Richting waterloop
figuur 4.21 Afstand boom tot beschoeiing met schouwruimte, onderlinge afstand tussen de bomen kan dan < 10 meter zijn
N, NO, O Z, ZO, NW ZW
W
1
1
N-Z NO-ZW
0,5
1
NW-ZO
1
1
O-W
0,5
1,4
tabel 4.2 plantafstandsfactor bomen tot waterlijn
55
07 Kruidachtigen 08 Gras en ruigte 09 Water- en oeverbeplanting
Oeverligging
10 Bijlagen
In de Ecologische structuur Amsterdam (ESA) worden bomen in de buurt van water zo aangeplant dat de negatieve effecten van de boom (bladval in het water en schaduwwerking) geminimaliseerd worden. De minimale afstand tussen de aan te planten boom en de waterlijn wordt berekend door de hoogte van de boom (in volwassen toestand) te vermenigvuldigen met de plantafstandsfactor (zie tabel 4.2). Voorbeeld: een zomereik wordt 25 m hoog en de gewenste locatie voor aanplant ligt op de zuidoever van een oostwest lopende watergang. De minimale afstand tot de waterlijn wordt dan factor 1,4 x hoogte 25 = 35 m. Knotbomen (els, es en wilg) langs watergangen vormen een uitzondering. Als het mogelijk is, is de minimale plantafstand tot de waterlijn 2 m, de minimale onderlinge plantafstand is 5 m.
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
Bomen aan de gracht (foto: Hans Kaljee)
4.2.8
afstand boom tot waterkerende dijken De regels voor de bescherming van onder andere dijken zijn vastgelegd in de keur van een waterschap/hoogheemraadschap. Dit is belangrijk om te weten bij de aanplant van bomen op of in de buurt van waterkerende dijken. Ook Rijkswaterstaat heeft regels vastgesteld ten aanzien van dijken. Andere overheden, zoals de gemeente Amsterdam, hebben ook eisen en regels waar eerdergenoemde partijen zich aan moeten houden. Dat kan botsen. Aanplant van bomen op of nabij (verholen) dijken is mogelijk onder voorwaarden. Amsterdam ligt verdeeld over drie waterschappen: • Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) • Hoogheemraadschap Van Rijnland • Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) heeft haar uitvoeringsorganisatie ondergebracht in Waternet. AGV neemt de besluiten en stelt bijvoorbeeld de Keur en het beleid vast en Waternet handhaaft en voert uit. Neem bij plannen met bomen op dijken altijd contact op met Rijkswaterstaat of een van de waterschappen.
• • •
•
Buiksloterdijk (foto: Daniëlle Niederer)
Bepaal met welk waterschap je te maken hebt of dat je met Rijkswaterstaat te maken hebt. Bepaal of je te maken hebt met een primaire, secundaire of eventuele verholen dijk en bepaal de exacte ligging. Let met je beplanting op dat je voorkomt dat boomwortels in dijken groeien en daarmee het theoretisch dijkprofiel aantasten. Boomwortels groeien over het algemeen niet dieper dan 80100 cm. Het aanbrengen van een uitgekiende groeiplaats inclusief wortelwerende materialen, voorkomt dat wortels dijkprofielen aantasten. Zorg ervoor dat de beplanting niet in de weg staat van onderhoud aan de dijk.
Als het hoogheemraadschap vanuit het beheer van de dijken geen risico ziet voor bomen op een locatie, dan is het mogelijk om met een maatwerkbesluit af te wijken van de hiervoor genoemde regels.
56
Voor de HBS (zie figuur 4.31) zijn de soorten vastgesteld in de lijst Hoofdbomenstructuur. De meest voorkomende soorten in de hoofdbomenstructuur zijn iep, linde, plataan, es, populier, esdoorn, eik, kastanje, valse acacia en vleugelnoot. Zie kader toelichting belangrijkste boomsoorten in Amsterdam. Voor bomen in de HBS geldt bij aanplant en vervanging altijd een groeiplaatsverbetering met 25-40 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 25-30 cm. Men kan alléén van de lijst met boomsoorten voor de Hoofdbomenstructuur, de voorwaarden ten aanzien van groeiplaatsverbetering en maat boom, afwijken als de Commissie Puccinimethode hierover een positief advies uitbrengt.
In de Amsterdamse bomenlijst is een onderscheid gemaakt in bomen in de Hoofdbomenstructuur en de bomen daarbuiten. Aan de Amsterdamse bomenlijst zijn, naast de fysieke eigenschappen, ook de eigenschappen toegevoegd op het gebied van biodiversiteit en zogenaamde ecosysteemdiensten. Dit zijn de diensten en bijdragen die bomen leveren aan mens en dier. Denk aan het wegvangen van verontreinigingen zoals fijnstof en NOx/Ox, het vastleggen van CO2, het opvangen van neerslag, het beperken van opwarming en hitte stres en tolerantie tegen droogte en/of wateroverlast. De Amsterdamse bomenlijst is niet statisch maar wordt actueel gehouden naar aanleiding van nieuwe boomziekten of nieuwe soorten. Bij nieuwe soorten is dan aangetoond (via een pilot of met voorbeelden van bomenstandplaatsen in vergelijkbare andere steden) dat deze soorten het goed doen in de Amsterdamse situatie.
•
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
•
HBS in kaart zie: maps.amsterdam.nl/hbs/. De te gebruiken soorten HBS zijn vastgelegd zie bijlage 10.1. Voor bomen in de HBS geldt een groeiplaatsverbetering waarmee 25-40 m3 doorwortelbaar volume wordt gecreëerd en gestreefd wordt naar de maximale hoeveelheid van 40 m3. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 25-30 cm.
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
Amsterdamse bomenlijst ‘best practice’ zie bijlage 10.1
57
Hoofdbomenstructuur Europaboulevard (foto: Geert Timmermans)
10 Bijlagen
•
• •
01 Toelichting voor de gebruiker
Op basis van jaren ervaring (best practice) is een Amsterdamse lijst samengesteld van bomen die te gebruiken zijn als straat- en laanbomen, op pleinen, in bermen en plantsoenen. De best practice is gebaseerd op ervaring met bomen die het qua groei, conditie, groeiomstandigheden, veiligheid en beheer goed doen in Amsterdam. Alle Amsterdamse organisaties maken gebruik van deze lijsten. In de planvorming, bij nieuwe aanplant en bij vervanging.
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
sortiment voor de Hoofdbomenstructuur (HBS)
03 Basisprincipes
Sortimentstoepassing
04 Bomen
4.3.1
05 Bosplantsoen en struweel
4.3
Belangrijkste straatboomsoorten in Amsterdam Iep De iep is de meest gebruikte boom in Amsterdam. Binnen de Singelgracht is de iep de belangrijkste boom langs de grachten en zelfs onderdeel van het Unesco-Werelderfgoed. Buiten de Singelgracht is de iep veel aangeplant langs waterwegen, hoofdstraten en wegen. De monumentaaliep is vooral gebruikt in lange en smalle straten en als solitair of in kleine groepen in de 19e-eeuwse gordel en de Ring ’20’40. Om iepziekte te voorkomen, worden resistente rassen gebruikt. In sommige gevallen worden vanuit cultuurhistorisch oogpunt de oude, karakteristieke (maar vatbare) iepen nog toegepast. De iep is een snelle groeier, heeft een transparante kroon en verdraagt verharding en de stedelijke dynamiek goed. Er zijn meer dan tien verschillende resistente iepen die geschikt zijn voor het stedelijk gebied. Linde Na de iep is de linde de meest gebruikte boom. De linde is vooral toegepast langs lange, brede straten en wegen in Plan Zuid van de Ring ’20-’40, Watergraafsmeer en de westelijke tuinsteden. De linde is een gezonde boom en vrijwel alle soorten verdragen verharding. De linde is een uitmuntende drachtboom voor bijen. Er komen steeds meer linden bij die nauwelijks tot geen last hebben van het zogenaamde ‘druipen’ veroorzaakt door bladluizen.
Plataan De plataan is aangeplant langs de Singelgracht, Lijnbaansgracht, Plantage Middenlaan, Ceintuurbaan, Wibautstraat, IJburglaan, Kruislaan en langs de lanen in Buitenveldert. De plataan is verder gebruikt als pleinbeplanting, solitair en in groepen. Platanen groeien goed, verdragen verharding maar hebben wel de neiging om scheef te groeien, door wind of door groei naar licht. Voor locaties waar permanent de wind waait is een plataan minder geschikt. Es De es is verspreid door de stad aangeplant, maar ontbreekt binnen de Singelgracht. De boom komt voor in rijen, lanen, groepjes en als solitaire boom. In Buitenveldert, Watergraafsmeer en in de lobben van de naoorlogse stad is de es veel aangeplant in landschappelijke beplantingen. De es doet het vooral goed in open bermen langs water en matig in de verharding. De Fraxinus excelsior ‘Westhoff’s Glorie’ is de meest aangeplante soort. De es is zeer gevoelig voor de essentaksterfte en het is daarom belangrijk om de ontwikkeling bij te houden van de verschillinde soorten en bijbehorende gevoeligheid/resistentie. Door toepassing van veel rassen en cultuurvariëteiten is de ziekte in de stad beperkt aanwezig. Populier De verschillende rassen van de populier (Populus canadensis) zijn vooral aangeplant langs grote wegen in de naoorlogse stad en op het grensvlak van de stad met het landschap.
De boom staat verder langs sportvelden, volkstuinparken en vooral in grote open bermen. De rassen van de grauwe abeel (P. canescens) zijn veel toegepast in Zuidoost en de Italiaanse populier, vooral als solitair, is gebruikt in de Ring ’20-’40. Populieren stellen weinig eisen en groeien snel. Enkele cultuurvariëteiten van de Populus canadensis worden vanwege de takbreukgevoeligheid niet meer toegepast. Esdoorn De esdoorn is vooral te vinden in de naoorlogse stad. In winkelstraten of op pleinen is vaak de zilveresdoorn aangeplant vanwege de lichte open kroon. Een esdoorn heeft over het algemeen een ruime open standplaats nodig. De esdoorn verdraagt afhankelijk van de verschillende soorten en rassen de verharding en verdichting van de bodem matig tot goed. Enkele soorten verdragen harde wind slecht en zijn takbreukgevoelig. Eik De eik wordt vooral toegepast als laanboom (moeraseik langs Radioweg en zomereik langs de Gooiseweg) en in mindere mate als straatboom (Quercus robur ‘Fastigiate Koster') in de naoorlogse stad. Eiken slaan moeilijk aan en verdragen afhankelijk van de soorten en rassen verharding en verdichting slecht tot goed. De laatste jaren komt de Turkse eik of moseik (Q. cerris) in de belangstelling. De boom is gezond, groeit redelijk snel en is windvast.
Met de opkomst van de eikenprocessierups is de gemeente terughoudend met het aanplanten van eiken in de buurt van speelplekken, sportterreinen en winkelcentra. Zie voor minder gevoelige soorten bijlage 10.1. Kastanje De paardenkastanje is vooral toegepast op pleinen en plantsoenen en weinig in straten. De boom verdraagt verdichting van de bodem matig. Op plekken met halfverharding of een pleinverharding (Kastanjeplein) groeien de bomen goed. De conditie van de paardenkastanje staat onder druk door de aantasting van de kastanjemineermot en de kastanjebloedingsziekte. Er zijn soorten, zoals Aesculus flava, die minder gevoelig zijn maar het aanbod op de boomkwekerijen is nog beperkt. 58
Linde
Plataan
Es
Populier
Esdoorn
Eik
Kastanje
Vleugelnoot
59
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Iep
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
Valse acacia De verschillende rassen van de valse acacia (Robinia pseudoacacia) zijn vooral aangeplant in de straten van Plan Zuid en de Ring‘20-’40, maar ook in de naoorlogse stad zoals in de Westelijke Tuinsteden, Zuidoost en Buitenveldert. Valse acacia’s zijn gezonde en snelle groeiers, verdragen verharding uitstekend en zijn goed opgewassen tegen de stedelijke dynamiek. De valse acacia heeft een transparante kroon, bloeit uitbundig en is een goede drachtboom voor honingbijen. De bomen staan bekend vanwege het opdrukken van de verharding, maar het lijkt erop dat dit geen probleem vormt bij een optimale groeiplaatsinrichting.
03 Basisprincipes
Vleugelnoot De vleugelnoot is vooral gebruikt op pleinen (Amstelveld, Krugerplein) en in straten in de Westelijke Tuinsteden en als solitairboom in plantsoenen, straathoeken en open plekken in de naoorlogse stad. De boom heeft een voorkeur voor een open standplaats, maar verdraagt verharding matig tot goed, afhankelijk van een groeiplaatsverbetering. De bomen staan bekend vanwege het opdrukken van de verharding, maar het lijkt erop dat dit geen probleem vormt bij een optimale groeiplaatsinrichting.
4.3.2
sortiment voor buiten de Hoofdbomenstructuur Bij sortimentskeuze voor projecten buiten de Hoofdbomenstructuur gebruiken we de vastgestelde soorten uit Amsterdamse bomenlijsten (bijlage 10.1). In overleg met de beheerder en de Commissie Puccinimethode kan de ontwerper afwijken van de voorgestelde soorten. Bij het bepalen van het boomassortiment zijn veel afwegingen te maken. De soortkeuze wordt bepaald aan de hand van de eigenschappen van de boomsoort en de bijdragen aan de ecosysteemdiensten en de situatie van de beschikbare groeiplaats zoals de samenstelling van de bodem, het beschikbare bodemprofiel en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Bij parken en grotere plantsoenen spelen ook de ecologische waarde, het cultuurhistorische karakter of de monumentale status een rol. Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur geldt bij aanplant en vervanging van bomen 1e en 2e grootte altijd een groeiplaatsverbetering met >25 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 20-25 cm. Bij aanplant of vervanging van een boom 3e grootte geldt altijd een groeiplaatsverbetering met >15 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 18-20 cm.
•
•
•
•
•
Bomen buiten de Hoofdbomenstructuur, berken in de Pieter Zeemanlaan (foto: Geert Timmermans)
De ontwerper kan via de Amsterdamse bomenlijst een keuze uit het boomassortiment maken. Amsterdamse bomenlijst ‘best practice’ zie bijlage 10.1. Soortkeuze is afhankelijk de samenstelling van de bodem, het beschikbare bodemprofiel en de gemiddelde hoogste grondwaterstand en voor parken en plantsoenen ook van het cultuurhistorische karakter of de monumentale status. Voor bomen 1e en 2e grootte buiten de HBS geldt een groeiplaatsverbetering van >25 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 20-25 cm. Voor boom 3e grootte buiten de HBS geldt een groeiplaatsverbetering van >15 m3 doorwortelbaar volume. De stamomtrek van de te planten boom is minimaal 18-20 cm Alleen in overleg met de Commissie Puccinimethode kan worden afgeweken van de voorgestelde boomsoorten uit de lijst en de gestelde eisen ten aanzien van de groeiplaatsverbetering.
60
01 Toelichting voor de gebruiker
4.3.3
sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam (ESA)
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Elk soort locatie (straat, plein, plantsoen of park) kent andere toepassingsmogelijkheden, randvoorwaarden voor aanplant en gewenste eindbeelden van bomen. Dit geldt ook voor het toepassen van bomen in de Ecologische Structuur Amsterdam (ESA) (zie figuur 4.31 was 2.2) en gebieden buiten de ESA waar ecologie een hoofddoel is. In het stadsgroen in het algemeen en de ESA in het bijzonder zijn bomen belangrijke bouwstenen van de ecologische waarden. Voor het gebruik van bomen in de ESA zijn drie randvoorwaarden op het gebied van te gebruiken plantmateriaal en plantwijze
• •
07 Kruidachtigen
•
ESA in kaart zie: maps.amsterdam.nl/ ecopassages/ Autochtoon plantmateriaal: www. rassenlijstbomen.nl/nl/Home/Over-Rassenlijst/ Autochtone-herkomsten.htm Randvoorwaarden bomen in ESA zijn (i) inheems, (ii) natuurlijk plantverband en (iii) afstand tot water
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Ecologische Structuur Amsterdam, Brettenzone (foto: Edwin van Eis)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
1. Inheems plantmateriaal Om bomen maximaal bij te laten dragen aan de doelstellingen van de ecologische structuur worden zoveel mogelijk inheemse boomsoorten toegepast en, waar mogelijk, soorten met autochtone eigenschappen. Soorten worden zo gekozen ze passen bij de natuurlijke omstandigheden van de standplaats, zoals: grondsoort, hoogste grondwaterstand en windzonbelasting. Bloemrijke graslanden en ruigten moeten minimaal 75% van de tijd worden beschenen door de zon. Er wordt in principe geen verbetering van de groeiplaats toegepast, tenzij de fysieke omstandigheden ertoe noodzaken, bijvoorbeeld als de bodem te arm is om boomgroei mogelijk te maken. Soorten die in aanmerking komen voor toepassing in de ESA zijn in tabel 10.1 gemarkeerd met een ‘I’ (inheems).
08 Gras en ruigte
2. Natuurlijk plantverband Om de natuurbeleving te behouden en te versterken, worden bomen op onregelmatige afstand en in los verband aangeplant. Knotbomen zijn een uitzondering, deze mogen op rij geplant worden in cultuurrijke delen.
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
3. Afstand tot de waterlijn Bomen worden zo geplant dat deze in volwassen toestand zo min mogelijk schaduwwerking en bladval op en in het water veroorzaken. Voor het bepalen van de minimale plantafstand tot de waterlijn van watergangen en poelen zie tabel 4.2 in paragraaf 4.2.6 afstand boom tot kadeconstructies en beschoeiingen).
61
4.3.4
sortiment voor verhoogde plantvakken/boombakken Verhoogde plantvakken Verhoogde plantvakken (zie figuur 4.21) zijn precies zoals de naam zegt, plantvakken die ten opzichte van het maaiveld verhoogd zijn aangelegd. Het zijn als het ware opgetilde plantvakken met direct contact met de ondergrond. De rand om het plantvak kan vaak worden gebruikt als zitplek. Het beschikbare doorwortelbaar volume binnen het plantvak is essentieel voor het slagen van de boombeplanting. Hoe groter de bakken, hoe eenvoudiger dit is. Afhankelijk van de hoogte-, breedte- en lengtemaat (aantal m3 beschikbare groeiruimte) van opgetilde plantvakken zijn eventueel bomen van 1e of 2e grootte haalbaar.
Bomen planten we bij voorkeur in de volle grond. Er zijn echter situaties te bedenken waar vanwege de ondergrondse infrastructuur en/of de hoge grondwaterstand geen of beperkte ruimte in de ondergrond aanwezig is voor bomen en grondverbetering. Terwijl er wel een wens is om in de openbare ruimte bomen aan te planten. In die situaties kan, in overleg met de groenbeheerder en eventueel netwerkbeheerder(s), nagegaan worden of het haalbaar is bomen in verhoogde plantvakken of (ondergrondse) bakken toe te passen. De toepassing en haalbaarheid van de verschillende soorten bakken is altijd maatwerk en afhankelijk van de maat (en gewicht) van de bak, de porositeit (doorlatendheid) van de bodem van de bak en de grondwaterstand. Met name de porositeit bepaalt in hoeverre het grondwater via capillaire werking bij de boomwortels terecht kan komen.
Boombakken met open bodem Dit zijn hoge bakken met een open bodem (zie figuur 4.22). Toe te passen op plekken waar bovengronds te weinig ruimte is voor een echt groenvak, maar wel een groen beeld met bomen gewenst is. De open bodem zorgt voor contact met het grondwater, waardoor er geen watersysteem nodig is. Afhankelijk van de beschikbare ruimte onder de grond, kan er ook buiten de bak verbetering van de grond plaatsvinden zodat er meer mogelijkheden zijn voor beworteling. In boombakken met open bodem zijn meestal alleen boomsoorten van de 2e of 3e grootte te gebruiken.
Vanuit de boom bekeken, van optimaal tot suboptimaal, zijn er de volgende mogelijkheden; • verhoogde plantvakken • boombakken met open bodem • boombakken met gesloten bodem
figuur 4.22 Verhoogd plantvak, bomen tot 1e grootte mogelijk
figuur 4.23 Boombak met poreuze bodem
62
01 Toelichting voor de gebruiker 03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Boombakken met gesloten bodem Bakken met een gesloten bodem (zie figuur 4.23) worden over het algemeen op de verharding geplaatst op plekken waar boven en onder de grond te weinig ruimte is voor een echt groenvak. Deze bakken moeten worden voorzien van een watersysteem (handmatig of via een constructie) om uitdroging van bomen te voorkomen. Boombakken met gesloten bodem zijn alleen geschikt voor boomsoorten van de 3e grootte.
Figuur 4.24 Boombak met bodem, alleen bomen en struiken < 6 m
63
Boom in verhoogd plantvak (foto: Geert Timmermans)
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Bomen in bakken op mr. Visserplein (foto: Geert Timmermans)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
Op dit moment zijn er nog geen bakken beschikbaar die kunnen worden toegepast. Ze worden ontwikkeld en zullen worden opgenomen in het Handboek Rood. Voor toepasbaar sortiment zie bijlage 10.1.
4.3.5
4.3.6
sortiment voor wadi's
sortiment voor daken van tunnels en parkeergarages
Wadi’s worden verdiept aangelegd om water tijdelijk vast te houden en vertraagd af te voeren. Bij de inrichting van wadi’s en het planten en/of in stand houden van bomen in of vlak naast de wadi gaat het allereerst over hoe water tijdelijk wordt vastgehouden en daarna voldoende snel infiltreert in de bodem. Als water te lang in de wadi blijft staan, gaat de organische stof in bomenzand of bomengrond verrotten, nemen de boomwortels geen zuurstof meer op en sterft de boombeplanting af. Kortstondig onder water staan van boomwortels is geen probleem, mits de bodem in de wadi binnen 48 uur weer droog valt. De bestaande bodem (klei, veen, zand, of combinaties) bepaalt voor een groot deel de infiltratiesnelheid en de afvoer van het water. Eventueel moeten cultuurtechnische maatregelen en/of voorzieningen zoals greppels en drains worden getroffen waardoor het water in de wadi voldoende snel infiltreert in de grond. In situaties, met bestaande bomen, is het belangrijk de wadi’s zo te positioneren dat wortelschade zoveel mogelijk wordt voorkomen. In nieuwe situaties is het belangrijk een optimale groeiplaats aan te leggen. Er is een groot verschil tussen de aanleg van een wadi in een sterk verharde omgeving (dit worden verlaagd liggende groenvakken genoemd) of de aanleg van een wadi in een open grondsituatie . In paragraaf 4.4.3 groeiplaatsprincipe 8 is een wadi weergegeven.
In die situatie is het van belang dat er een voldoende dikke groeilaag van minimaal 0,5 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand aangebracht wordt bij aanplant van bomen. Hiermee wordt voldoende doorwortelbaar volume gecreëerd en staan de bomen niet met hun wortelkluiten in het water. De leeflaag kan na piekbuien tijdelijk met water zijn gevuld, maar moet binnen 48 uur weer droog zijn. In alle situaties met bestaande en/of nieuwe bomen is het belangrijk om vooraf een bodemen bewortelingsonderzoek en een hydrologische analyse uit te voeren.
In Amsterdam worden in toenemende mate bomen en groenvoorzieningen op daken van parkeergarages en tunnels aangelegd. In de meeste situaties is sprake van intensief gebruik van de openbare ruimte op het dak en wordt gestreefd naar een optimaal eindbeeld met een volwassen, gezonde beplanting. Om dit eindbeeld te bereiken, is een goed doordachte groeiplaatsinrichting van cruciaal belang, laat een expert daarom op tijd aansluiten. Om een standaard groeiplaats te creëren, zijn de volgende zaken van belang: • De dikte van de totale bodemopbouw op het dak moet minimaal 1,0 meter zijn. Nog beter is te streven naar een dikte van 1,5 meter. • Op daken moet bij aanplant altijd ondergrondse kluitverankering worden toegepast. • Een hydrologisch onderzoek moet uitwijzen of het grondwater in de nieuwe situatie onder of op het dak komt te staan: Op locaties waar het grondwater (periodiek) op het dak komt te staan, wordt een waterafvoerende laag op het dak aangelegd zodat overtollig water voldoende snel naar de omgeving kan wegstromen. Op locaties waar het grondwater permanent onder het dak komt te staan (hangwaterprofiel) kan overwogen worden op het dak een waterbuffersysteem aan te leggen van bijvoorbeeld kratten voorzien van capillaire conen en een capillair doek. In paragraaf 4.4.3 groeiplaatspincipe 7 staat de opbouw van bomen op daken van tunnels en parkeergarages.
Zie ook bijlage 10.5 voor een uitgebreide beschrijving van de aanleg van een groeiplaatsinrichting voor dakbeplantingen.
Het beplanten van wadi’s met bomen, eventueel in combinatie met vaste planten, heeft voordelen. Water wordt door de bomen opgenomen en verdampt, de (boom)wortels dragen er aan bij dat water sneller in de bodem infiltreert. Bomen die geschikt zijn voor aanplant in wadi’s moeten bestand zijn tegen tijdelijke overstroming én tijdelijke droogte. Een ander voordeel van het beplanten van wadi's in vergelijking tot een grasvegetatie is dat er veel minder snel bodemverdichting optreedt wat gunstig is voor de infiltratiesnelheid. In bijlage 10.1 zijn boomsoorten aangegeven met die zowel natte als droge bodems verdragen. 64
2. Ontwatering In Amsterdam is vooral sprake van een grondwaterprofiel (zie figuur 4.35)..Bij de inrichting van de groeiplaats is het belangrijk om te zorgen voor een goede ontwatering. Dat begint met aanwezigheid van een goed doorlatende (onder)grond van de groeiplaats. Bij een verdichtte ondergrond loopt de groeiplaats vol met water. Wortels groeien niet in het grondwater maar blijven daar altijd vlak boven. Het gaat daarbij altijd om de reductiezone of gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De ontwatering is de afstand tussen maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De gewenste afstand is 1 m en de minimale eis is 0,8 m. Op locaties waar de ontwatering minder is, moet gekeken worden of technische oplossingen toe te passen zijn, zoals: profielverhoging en/of grondwaterstand verlagende maatregelen zoals drainage of een DT-riool om de minimale eis te halen of tenminste te benaderen. Er moet worden voorkomen dat grondwater stijgt tot in het grondsubstraat en daardoor in de wortelzone. Door verdringing van zuurstof vindt dan sterfte van wortels plaats en daarmee kwaliteitsvermindering en zelfs (snelle) sterfte van bomen. Daarom moet er een buffer van minimaal 0,15 m worden aangehouden tussen onderzijde van de grondverbetering en de reductiezone of GHG.
Bij hoge grondwaterstanden of sterke fluctuaties moet drainagezand worden aangebracht ter plekke van de buffer. 65
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes
04 Bomen
1. Afwatering De afwatering moet bij voorkeur van de bomen af plaatsvinden zodat zich geen water verzameld ter plaatse van boomspiegels- en vakken. Hiermee voorkomen we wateroverlast en zoutschade. Zorg ervoor dat bomen op het hoogste punt in het straatprofiel komen te staan, of wanneer dit niet of onvoldoende haalbaar is, dat boomspiegels iets verhoogd worden aangelegd.
05 Bosplantsoen en struweel
In deze paragraaf worden de volgende details behandeld: 1. Afwatering 2. Ontwatering 3. Doorwortelbaar volume 4. Begrenzing doorwortelbaar volume 5. Dikte grondverbetering 6. Beluchtingssysteem 7. Boomspiegel 8. Boomrooster 9. Infiltratie- en watergeefvoorzieningen 10. Verankering
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
In natuurlijke omstandigheden staan bomen in open grond, die is begroeid met vegetatie en afgedekt door een strooisellaag. De begroeiing en de strooisellaag beschermen de boom tegen uitdroging en dragen bij aan een actief bodemleven. De langzame afbraak van de strooisellaag, bestaande uit afgevallen bladeren en takken, zorgt er ook voor dat de bomen onderdeel zijn van de kringloop en voldoende voeding krijgen. In de stedelijke omgeving ontbreekt in beginsel deze natuurlijke kringloop door een afsluitende bestrating, verdichting/belasting, wateroverlast of strooizout. Deze belemmeren een goede water- en zuurstofhuishouding en daardoor wortelontwikkeling in de bodem. Dit heeft negatieve gevolgen voor de groei van bomen en kan zelfs leiden tot sterfte van de nieuwe en bestaande bomen. Daarom is de gemeente Amsterdam al tientallen jaren bezig om in nieuwe en bestaande situaties uitgekiende, hoogwaardige groeiplaatsen voor bomen aan te leggen waarbij de natuurlijke situatie zoveel mogelijk wordt nagebootst. In het algemeen geldt dat een groeiplaats in de open grond, bijvoorbeeld een grasberm of gazon, de voorkeur heeft boven een groeiplaats in de verharding. Hieronder zijn tien veel voorkomende principes voor groeiplaatsen uitgewerkt. De precieze keuze, opbouw en techniek is maatwerk en altijd afhankelijk van de lokale situatie.
Het is belangrijk om bij de afweging en detaillering een boomspecialist te betrekken.
07 Kruidachtigen
detaillering van boven- en ondergrondse groeiplaats
08 Gras en ruigte
Aanleg
09 Water- en oeverbeplanting
4.4.1
10 Bijlagen
4.4
3. Doorwortelbaar volume • Voor bomen in de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaatsverbetering van 25-40 m3 doorwortelbaar volume, waarbij we streven naar de maximale hoeveelheid van 40 m3. • Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaatsverbetering met >25 m3 doorwortelbaar volume.
In Amsterdam is vooral sprake van een grondwaterprofiel (zie figuur 4.24 links). Alleen op hoog gelegen taluds, zoals van spoor- en wegtracés is sprake van een hangwaterprofiel (zie figuur 4.24 rechts). Bij een hangwaterprofiel ligt de grondwaterstand buiten het bereik van de boomwortels en is de boom afhankelijk van de capillaire werking van de grond. In deze situatie is het van belang om boomsoorten te planten die een zeer droge grond kunnen verdragen (zie bijlage 10.1). In sommige situaties kunnen verticale pijlers worden aangebracht, zodat het grondwater alsnog kan worden bereikt. Voor een overzicht van grondwaterstanden zie de peilfilter kaart van Waternet: https://maps.waternet.nl/kaarten/peilbuizen. html?_ga=1.67320529.1557047828.1485769328 (openen in chrome of edge).
De ondergrondse groeiruimte moet voldoende groot zijn, maar kan verschillende vormen hebben (zie figuur 4.25). Het wortelstelsel vormt zich naar de vorm van de beschikbare doorwortelbare ruimte en de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Door deze richtlijn te hanteren, kunnen bomen tot volle wasdom uitgroeien en hun wensbeeld halen. Als dit doorwortelbaar volume niet haalbaar blijkt te zijn, dan is het verplicht om contact op te nemen met een boomspecialist van de gemeente.
figuur 4.25 Wortelkluitontwikkeling bij grondwaterprofiel (links) en hangwaterprofiel (rechts)
66
figuur 4.26 Zelfde m3 doorwortelbaar volume, verschillende vormen
01 Toelichting voor de gebruiker 10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
In het verticale vlak wordt de groeiplaats veelal begrensd door de reductiezone of gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dieper dan deze zone gaat beworteling niet vanwege afwezigheid van zuurstof. Om fluctuaties van het grondwater op te vangen en te voorkomen dat grondwater sti¬jgt tot in de grondverbetering moet er een buffer van minimaal 0,15 m drainagezand worden aangehouden tussen onderzijde van de grondverbetering (bijvoorbeeld bomengrond of bomenzand) en de reductiezone of GHG.
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
6. Beluchtingsysteem In principe wordt een beluchtingssysteem toegepast in verharde situaties onderin het grondsubstraat om het zuurstofpercentage op peil te houden. Het is belangrijk dat er voldoende verticale verbindingen zijn met het maaiveld om de ventilatie van het systeem te waarborgen. Als een beluchtingssysteem wordt toegepast, is het belangrijk dat de uiteinden van de buizen in de boomspiegel <10 cm boven het maaiveld uitsteken en zijn voorzien van een eindkap. Wanneer het beluchtingssysteem in de verharding uitmond, dient dit afgekt te worden met een bijpassend rooster. Dit rooster wordt maximaal 2 jaar gebruikt en daarna vervangen door een trottoirtegel De buizen, T-stukken en eindkap van het beluchtingssysteem zijn vervaardigd van een biologische afbreekbaar kunststof.
03 Basisprincipes
5. Dikte grondverbetering PM
04 Bomen
4. Begrenzing doorwortelbaar volume In het horizontale vlak worden groeiplaatsen doorgaans gecreëerd in open grond-situaties, serviceen parkeerstroken, trottoirs en pleinen. Waar mogelijk worden de functies van wegtracés, kabels en leidingen en andere ondergrondse obstakels gescheiden van die van de ondergrondse groeiplaats van bomen. Zie paragraaf 4.2.5 afstand bomen tot ondergrondse kabels en leidingen.
67
7. Boomspiegel De vorm van boomspiegel is bij nieuwe aanleg vierkant (90x90 cm) of rond (ø90 cm).
De omliggende verharding bij ronde boomspiegels wordt afgezet met een stevige, metalen strip of een verhoogde standaard opsluitband (zie Handboek Rood). Bij de vierkante boomspiegels worden de traditionele opsluitbanden met hoek- en passtukken toegepast. Een boomspiegel wordt met ‘klik’ aangelegd om te voorkomen dat afstromend hemelwater en dooizouten bij wortels van de boom terecht komt.
Bij bestaande bomen worden de volgende boomspiegelmaten aangehouden: • stamdiameter >ø35 cm, boomspiegel 1,50 x 1,50 m • stamdiameter >ø50 cm, boomspiegel 1,80 x1,80 m • stamdiameter >ø70 cm, boomspiegel 2,10 x 2,10 m.
De boomspiegel wordt afgewerkt met grof, zoet zand of met grond en beplant met vaste planten of bodembedekkers. Vaste planten in de boomspiegels vormen stapstenen voor insecten en kleine zoogdieren. Om ervoor te zorgen dat deze bomen goed kunnen aanslaan, mag de boomspiegel pas na één jaar na aanplant worden beplant. Ophogingen van de grond rond de bomen vergroot de kans op inrotten van de stam en het belemmert jonge bomen in hun ontwikkeling.
Bij elke herstrating wordt gekeken of de boomspiegel moet worden aangepast. De boomspiegel wordt vergroot als de boom gaat groeien en de stam dikker wordt. De boomspiegel wordt verkleind bij herplant, na bijvoorbeeld kap. Standaardmaten zijn niet altijd toepasbaar. Het streven is dan zoveel mogelijk eenheid en uniformiteit in de te gebruiken boomspiegels in de straat
figuur 4.27 Boomspiegel vierkant, beton
figuur 4.28 Boomspiegel vierkant, staal
68
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes
04 Bomen 05 Bosplantsoen en struweel 06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 10 Bijlagen
Graven en opwerpen van een gronddijkje (zie figuur 4.29) heeft de voorkeur boven een gietrand bij aanplant van een nieuwe boom. . In open-grond-situaties is dit de standaard, tenzij de bomen op bijvoorbeeld een talud worden geplant. Dan wordt een gietrand geplaatst om te voorkomen dat het water direct wegstroomt. Gietranden (zie figuur 4.30) worden toegepast als bomen in de verharding worden geplant. Alleen gietranden van bio-based materiaal mogen worden toegepast. Deze blijven staan gedurende de (raam-)contractperiode van de aannemer. Na deze periode wordt de gietrand verwijderd en gerecycled of hergebruikt. Kunstmatige infiltratiesystemen, vaak in combinatie met vochtsensoren (druppelsystemen), worden alleen in zeer speciale situaties en in overleg met de beheerder toegepast. De praktijk leert dat alle kunstmatige infiltratiesystemen kwetsbaar zijn en slechts enkele jaren goed functioneren. In tijdelijke situaties zoals bij pas verplante, grote bomen, kan een tijdelijk kunstmatig infiltratiesysteem een goede oplossing zijn. Dit kan de bomen door de aanslagperiode van 3-5 jaar heen helpen.