CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2.0 Handboek Groen 2021.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 7 april 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Actualisatie van het Handboek Groen van de Standaard voor het Amsterdamse straatbeeld (Puccinimethode) (ZD2022-000351)26.242 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Handboek Groen Standaard voor het Amsterdamse straatbeeld Onderdeel van de Puccinimethode 23november 5 november2021 2018 1

2

Handboek Groen Standaard voor het Amsterdamse straatbeeld Onderdeel van de Puccinimethode 7 oktober 2021

3

Inhoudsopgave 4

Inhoudsopgave 1. Toelichting voor de gebruiker 1.1 Opmerkingen bij deze versie 1.2 Gebruiksaanwijzing/leeswijzer

10 11 11

2. Doel en overtuigingen Puccinimethode 2.1 Doel Puccinimethode 2.2 Vijf overtuigingen Puccinimethode 2.3 Commissie Puccinimethode 2.4 Stadsbiotopen

12 13 13 16 16

3.Basisprincipes 3.1 Proces van eerste visie tot en met nazorg en beheer 3.2 Uitgangspunten voor duurzaam openbaar groen in Amsterdam 3.2.1 algemene uitgangspunten 3.2.2 uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan 3.2.3 uitgangspunten voorbereiding en aanleg 3.2.4 uitgangspunten beheer 3.3 Particulier medebeheer 3.3.1 proces 3.3.2 inrichting en plantkeuze 3.4 Eetbaar groen

20 21 23 23 26 30 31 31 31 31 31

4. Bomen 4.1 Verschijningsvorm 4.1.1 toepassing in rij of lijn 4.1.2 toepassing grootte, kroonvorm, kroondichtheid, textuur, structuur 4.2 Randvoorwaarden 4.2.1 afstand boom tot gevel 4.2.2 afstand boom tot rijbaan 4.2.3 afstand boom in parkeersituaties 4.2.4 afstand boom tot lichtmasten, tram en spoorweg 4.2.5 afstand boom tot ondergrondse kabels en leidingen 4.2.6 afstand boom tot ondergrondse afvalcontainer 4.2.7 afstand boom tot kadeconstructies en beschoeiingen 4.2.8 afstand boom tot waterkerende dijken 4.3 Sortimentstoepassing 4.3.1 sortiment voor in de Hoofdbomenstructuur (HBS) 4.3.2 sortiment voor buiten de Hoofdbomenstructuur 4.3.3 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam (ESA) 4.3.4 sortiment voor verhoogde plantvakken/boombakken 4.3.5 sortiment voor wadi's 4.3.6 sortiment voor op daken van tunnels en parkeergarages 4.4 Aanleg 4.4.1 detaillering van van boven- en ondergrondse groeiplaats groeiplaatsprincipes 4.4.2 samenstelling bomenzand en toepassing van grondsubstraten en constructies 4.4.3 principes van groeiplaatsinrichting 4.4.4 bomen in bestaande situaties 4.4.5 verplanten van bomen 4.6 Specials 4.6.1 fruitbomen 4.6.2 knot- lei- en vormbomen 4.6.3 meerstammige bomen

32 33 33 34 39 40 41 46 48 50 52 54 56 57 57 60 61 62 64 64 65 65 70 71 90 92 94 94 95 95

5

5. Heesters, hagen, rozen en klimplanten 5.1 Verschijningsvorm 5.1.1 heesters 5.1.2 hagen 5.1.3 bodembedekkende heesters 5.1.4 rozen 5.1.5 klimplanten 5.2 Randvoorwaarden 5.2.1 algemeen 5.2.2 randvoorwaarden specifiek voor heesters 5.2.3 randvoorwaarden specifiek voor hagen 5.2.4 randvoorwaarden specifiek voor bodembedekkende heesters 5.2.5 randvoorwaarden specifiek voor (struik-)rozen 5.2.6 randvoorwaarden specifiek voor klimplanten 5.3 Sortimentstoepassing 5.3.1 sortiment voor pocketparks en ‘om de straat te vergroenen’ 5.3.2 sortiment voor parken en grote plantsoenen 5.3.3 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam 5.3.4 sortiment voor bakken en constructies 5.3.5 sortiment voor wadi’s 5.4 Aanleg 5.4.1 algemeen 5.4.2 groeiplaatsinrichting

96 98 98 98 100 100 101 102 102 102 103 104 104 104 105 105 105 103 106 106 107 107 107

6. Bosplantsoen en struweel 6.1 Verschijningsvorm 6.1.1 eindbeeld struweel 6.1.2 eindbeelden bosplantsoen 6.1.3 hakhout 6.2 Randvoorwaarden 6.2.1 algemeen 6.2.2 voor bosplantsoen en struweel 6.3 Sortimentstoepassing 6.3.1 sortiment voor parken en grote plantsoenen 6.3.2 sortiment voor Ecologische structuur Amsterdam 6.3.3 sortiment voor wadi’s 6.4 Aanleg 6.4.1 algemeen 6.4.2 groeiplaatsinrichting

112 114 115 116 119 120 120 120 121 121 122 122 123 123 123

7. Kruidachtigen (vaste planten, siergrassen, bollen en knollen en perkgoed) 7.1 Verschijningsvorm 7.1.1 mengbeplantingen 7.1.2 groepsgewijze beplantingen 7.1.3 bollen en knollen 7.1.4 perkgoed 7.2 Randvoorwaarden 7.2.1 algemeen 7.2.2 specifiek voor vaste planten en siergrassen 7.2.5 specifiek voor bollen en knollen 7.3 Sortimentstoepassing 7.3.1 sortiment voor vlakken, groepen en randen 7.3.2 sortiment voor accenten 7.3.3 sortiment om te mengen 7.3.4 sortiment voor in de Ecologische structuur Amsterdam (ESA) en Natuurnetwerk Nederland (NNN) 7.3.5 sortiment voor wadi’s 7.3.6 sortiment voor onder bomen

126 128 129 130 131 131 132 132 132 133 134 134 135 135 136

6

136 137

7.4 Aanleg 7.4.1 algemeen 7.4.2 groeiplaatsinrichting 7.5 Specials 7.5.1 perkgoed

138 138 139 143 143

8. Gras en ruigte 8.1 Verschijningsvorm 8.1.1 gazon- A0 (uniform 100% gras) en bloemrijk gazon (A1-A2) 8.1.2 bloemrijk gras (B1-B3) 8.1.3 ruw gras (B4) 8.1.4 ruigte (C1-C3) 8.1.5 specials 8.2 Randvoorwaarden 8.2.1 algemeen 8.2.2 randvoorwaarden specifiek voor gazon 8.2.3 randvoorwaarden specifiek voor bloemrijk gras 8.2.4 randvoorwaarden specifiek voor ruw gras 8.2.5 randvoorwaarden specifiek voor ruigte 8.3 Sortimentstoepassing 8.3.1 sortiment voor pocketparks en 'om de straat te vergroenen' 8.3.2 sortiment voor parken en grote plantsoenen 8.3.3 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam 8.4 Aanleg 8.4.1 algemeen 8.4.2 groeiplaatsinrichting 8.5 Specials 8.5.1 bloemenlinten (D1) 8.5.2 bijzondere introducties 8.5.3 bolgewassen in gras en ruigte 8.5.4 evenemententerrein 8.5.5 valdempend gras (kunstgras) 8.5.6 gepantserd gras (grasbetonstenen)

144 146 147 147 148 149 149 150 150 151 152 152 152 153 153 153 153 154 154 155 160 160 160 160 161 161 161

9. Water- en oeverbeplanting 9.1 Verschijningsvorm 9.1.1 zachte oever 9.1.2 harde oever 9.1.3 brakwatermilieu 9.2 Randvoorwaarden 9.2.1 algemeen 9.2.2 specifiek voor zachte oevers 9.2.3 specifiek voor harde oevers 9.2.4 specifiek voor poelen 9.3 Sortimentstoepassing 9.3.1 sortiment voor parken en grote plantsoenen 9.3.2 sortiment voor de Ecologische structuur Amsterdam 9.4 Aanleg 9.4.1 algemeen 9.4.2 specifiek voor zachte oevers 9.4.3 specifiek voor harde oevers 9.5 Toepassing van groen op kades 9.6 Toepassing van groen op oevers

162 164 164 165 165 166 166 166 168 170 171 171 171 172 172 172 173 175 176

7

10. Bijlagen 176 Deel I Bijlage 10.1 Amsterdamse bomen'best practice' 180 Bijlage 10.2 Amsterdamse heesters'best practice' 206 Bijlage 10.3 Amsterdamse vaste planten 'best practice' 236 Amsterdamse bolgewassen 'best practice' 250 Bijlage 10.4 Amsterdams gras en ruigte en water- en oeverbeplantingen 'best practice' 254 Deel II Bijlage 10.5 voorbeeld van een compleet beplantingsplan met plantlijst, uitzettekening 276 en beheerparagraaf PM Bijlage 10.6 groeiplaatsinrichting voor dakbeplantingen 278 Bijlage 10.7 samenstelling bomengrond 279 Bijlage 10.8 samenstelling bomenzand 280 Bijlage 10.9 samenstelling grondsubstraten 281 Bijlage 10.10 aanbrengen sandwichconstructie ten behoeve van groeiplaats bomen 283 Colofon 286

8

9

01

Toelichting voor de gebruiker 10

Hoofdstuk 2 Doel en overtuigen Puccinimethode. Hoofdstuk 3 Basisprincipes. Hierin is opgenomen een schema van het proces op hoofdlijnen van ontwerp tot aanleg van groen. Daarnaas bevat dit hoofdstuk algemene uitgangspunten en principes voor ontwerp, aanleg en beheer.

In Handboek Groen zijn beleidsmatige principes en de beste voorbeelden uit Amsterdam vertaald naar best practice lijsten, technische details, voorschriften, eigenschappen en voorbeelden van hoe beplanting toe te passen. Tekeningen, informatiebladen en tabellen ondersteunen de tekst. Dit handboek is een mijlpaal in de lange traditie van de inrichting van de Amsterdamse openbare ruimte.

Hoofdstuk 4 t/m 9 De verschillende soorten beplanting in de openbare ruimte. De indeling op hoofdlijnen, gebaseerd op de indeling van het landelijk Informatiemodel Beheer Openbare Ruimte (IMBOR). Deze indeling gebruiken we ook bij het Amsterdamse (groen)beheersysteem. De hoofdstukken 4 t/m 9 hebben een vaste indeling: • Verschijningsvorm: hoe ziet het soort beplanting eruit? • Randvoorwaarden: waarmee moet in het ontwerp rekening gehouden worden om het soort beplanting optimaal te laten groeien? • Sortimentstoepassing: welke soort wordt toegepast in verschillende soorten openbare ruimte? • Aanleg: waar hou je rekening mee bij de aanleg om een optimaal en goed te beheren eindresultaat te krijgen?

Eind 2020 is de eerste versie van het Handboek Groen vastgesteld. Het is een ‘levend en open werkdocument’. Onderdelen waarmee deze versie (2021) zijn aangevuld en verbeterd zijn oa.: • Uitgangspunten (tekst en tekeningen) t.a.v. afstanden ondergrondse afvalcontainers in relatie tot boombeplanting. • Conform de opzet van het handboek zijn zijn aan de hoofdstukken 5 (heesters), 6 (bosplantsoen), 7 (vaste planten) en 8 (gras & ruigten) factsheets toegevoegd. • Tekstaanpassingen van hoofdstuk 8 en 9. De hoofdstukken zijn voor de gebruiker toegankelijker gemaakt en het beschreven soortgebruik is verwerkt in een interactieve soortentabel wilde planten & kruidachtigen (conform de opzet van de bestaande tabellen van bomen, heesters en vaste planten).

In hoofdstuk 10 bevat de bijlagen waaronder tabellen van verschillende soorten beplanting (bomen, heesters, vaste planten en bolgewassen, grassen en water- en oeverplanten) gebaseerd op de beste Amsterdamse voorbeelden. De tabellen geven onder andere inzicht in de fysieke eisen, verschijningsvormen, toepasbaarheid en eventuele ecosysteemdiensten van het assortiment. Daarnaast zijn er tabellen opgenomen met technische omschrijvingen van de verschillende soorten bodemlagen.

01 Toelichting voor de gebruiker 08 Gras en ruigte

Verbeteringen van bestaande onderdelen en toevoegen van nieuwe vinden plaats op basis van ontwikkelingen, innovaties en (maatschappelijke) behoeften. Het handboek wordt aangevuld als dat nodig is. De vloerkaart, die laat zien waar en welke soorten beplanting in Amsterdam toepasbaar zijn, ontbreekt nu bijvoorbeeld nog. Deze zal zeker in een latere editie van het handboek komen.

02 Doel en overtuigingen puccinimethode

Het Handboek Groen is op de volgende manier opgebouwd: Hoofdstuk 1 Toelichting voor de gebruiker.

03 Basisprincipes

Het Handboek Groen is een uitwerking van het Beleidskader Puccinimethode, dat is vastgesteld door de gemeenteraad in januari 2018. Zie ook: Beleidskader Puccinimethode, Groen (Deel C) www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/ puccinimethode/puccinimethode/

04 Bomen

Gebruiksaanwijzing/leeswijzer

05 Bosplantsoen en struweel

Opmerkingen bij deze versie

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

1.2

07 Kruidachtigen

1.1

10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

Dank aan iedereen die aan deze versie heeft meegedacht en meegeschreven. Het handboek kan alleen een ‘levend en open werkdocument’ zijn met jouw bevindingen en verbetervoorstellen. Geef deze daarom aub door aan de makers van het handboek via puccinimethode@amsterdam.nl. Met jouw feedback wordt het handboek één keer per jaar geactualiseerd en door B&W vastgesteld.

11

02 Doel en overtuigingen Puccinimethode 12

In januari 2018 is door de Gemeenteraad het Beleidskader Puccinimethode vastgesteld. Het beleidskader bestaat uit drie delen: Deel A: Puccinimethode Algemeen Deel B: Puccinimethode Rood Deel C: Puccinimethode Groen In het beleidskader zijn algemene uitgangspunten en afspraken vastgelegd voor de inrichting van de openbare ruimte in Amsterdam. Het bevat algemene afspraken over de vormgeving van de openbare verlichting en het straatmeubilair, keuzes voor het materiaal en voorschriften voor de aanleg van groen. De aparte 'technische' handboeken Rood en Groen vullen het beleidskader aan. Hierin is in detail opgenomen met welke soorten inrichtingsprincipes, standaardoplossingen, -detailleringen, materialen en beplantingen we in Amsterdam werken. Voorgeschiedenis

De afgelopen 25 jaar heeft de Amsterdamse openbare ruimte een metamorfose ondergaan. Er is geïnvesteerd in de openbare ruimte en de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving van de Amsterdammer is duidelijk zichtbaar. Grote delen van de binnenstad zijn opgeknapt en heringericht met hoogwaardige materialen (het grachtenprofiel). De IJ-oevers zijn getransformeerd tot succesvol woonwerkgebied met daarbij een belangrijke rol voor de inrichting van de openbare ruimte. In stadsdelen zijn bij stadsvernieuwingsprojecten hele wijken heringericht. Ook veel parken zijn gerenoveerd: het Vondelpark, het Erasmuspark en het Oosterpark bijvoorbeeld. Rond de eeuwwisseling werd steeds duidelijker dat de transformatie van de openbare ruimte van Amsterdam indrukwekkend was en heel veel goeds opleverde, maar ook dat er in de openbare ruimte van de stad onvoldoende samenhang was. Er was te weinig afstemming tussen de vele betrokken diensten en stadsdelen. Er waren verschillende handboeken en beleidskaders voor de inrichting van de openbare ruimte. En de kwaliteit van de uitvoering liet vaak te wensen over. Er werd veel geëxperimenteerd en te weinig gebruik gemaakt van ‘best practice’. In 2001 zijn acties in gang gezet om deze problemen te overwinnen. Uiteindelijk zijn die bekend geworden als ‘De Puccinimethode’. In 2014 is het eerste ‘Handboek Rood’ vastgesteld in het college van B&W.

Dit heeft geleid tot minder verrommeling van verschillende ontwerpen, goede passende detaillering en materialen en een kostenbesparing voor opslag en inkoop. Op deze weg gaan we verder. 13

01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes

De openbare ruimte vormt een ruimtelijk netwerk in de stad, dat invulling biedt aan het drukke stedelijk leven. De maat voor succes is de tevredenheid van de gebruiker. Dat betekent: in gesprek gaan met de gebruiker. Om samen tot een goed programma van eisen te komen als vertrekpunt voor het ontwerp. In het algemeen geldt dat het straatdecor niet de aandacht moet opeisen. De behoefte om op te vallen of iets unieks te maken, leidt (te) vaak tot een overdreven modieuze inrichting. Eén die onnodig veel aandacht vraagt van de gebruiker en waarin samenhang met de omgeving ontbreekt. Een functionele, toegankelijke, vanzelfsprekende, tijdloze en eenvoudige vormgeving, met een tot in detail kloppende uitvoering, is meestal het beste recept. Ook met eenvoudige materialen en een goed assortiment om uit te kiezen, bij beplanting gebaseerd op ‘best practice’, is een hoge kwaliteit te bereiken. Natuurlijk zijn verbijzonderingen mogelijk, maar met mate en op de goede plek.

04 Bomen

1. De gebruiker is gebaat bij eenvoud en vanzelfsprekendheid

05 Bosplantsoen en struweel

De Puccinimethode is gebaseerd op vijf overtuigingen. Deze zijn verwoord en vastgelegd in het Beleidskader Puccinimethode en vormen de basis voor alle ontwerpen in de Amsterdamse openbare ruimte. Op een aantal plekken is de tekst aangevuld om het groene deel van de Puccinimethode te verduidelijken.

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

De Puccinimethode staat voor een kwalitatief goede, fysieke inrichting van alle Amsterdamse openbare ruimte; alle straten, pleinen, parken en plantsoenen. Een kwalitatief goede, fysieke inrichting is gebruiksvriendelijk, veilig, beheerbaar, duurzaam, betaalbaar, samenhangend én mooi. Bij de inrichting van de openbare ruimte brengt de Puccinimethode al deze belangen en eisen samen in breed gedragen voorstellen en afspraken. De Puccinimethode is daarmee niet zozeer een van de belangen die gewogen wordt bij de inrichting van de openbare ruimte, maar juist het eindresultaat van een integrale belangenafweging. De basis voor het succes van de Puccinimethode is een intensieve samenwerking met bestuurders, ontwerpers, beheerders én bewoners en overige gebruikers van de openbare ruimte.

07 Kruidachtigen

Vijf overtuigingen Puccinimethode

08 Gras en ruigte

Doel Puccinimethode

09 Water- en oeverbeplanting

2.2

10 Bijlagen

2.1

2. Ambacht op elk schaalniveau

mooi uitzien na de eerste aanleg met 'duurzame' materialen en principes. Maar als het niet goed beheerd kan worden, omdat bijvoorbeeld groeiplaatsen niet goed zijn uitgevoerd, moet er vervroegd worden ingegrepen wat een nadelige invloed heeft op de duurzaamheid en de beoogde levensduur van de inrichting. Goed beheer komt dus de duurzaamheid ten goede. Eisen vanuit beheer zijn daarom mede maatgevend voor het ontwerp: beheerders zijn van het begin af aan betrokken bij de planvorming. Al in de planfase moet duidelijk zijn dat duurzaam en toekomstige beheer mogelijk is.

Het inrichten en ontwerpen van straten, pleinen, parken en plantsoenen is een ambachtelijke discipline. Niet alleen waar het gaat om concept- en visievorming, maar juist ook in de technische uitwerking en detaillering. De grote en kleine schaal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en allebei even belangrijk. Detaillering, materiaalgebruik en de toepassing van verschillende soorten groen, zoals bomen, heesters, vaste planten grassen en water- en oeverplanten, komen voort uit een concept, zeggen daar iets over en versterken het. In Amsterdam ligt hier vaak integrale samenhang met het ruimtelijke plan (stedebouwkundig ontwerp en gevelbeeld) aan ten grondslag en is er sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden.

4. 'Best practices' én innovatie Succesvolle gewoonten uit de Amsterdamse praktijk vormen de basis van de plannen die we ontwikkelen. Zo is Amsterdam - en Nederland wereldberoemd om zijn 'small element paving', onze 30x30 betontegels en gebakken klinkers. Deze kleine materialen zijn erg geschikt voor onze slappe, moerasachtige ondergrond waarop grote zware materialen sneller verzakken en scheef komen te liggen. Een ander voorbeeld is het unieke iepenbestand van Amsterdam: binnen de grachtengordel maken die zelfs onderdeel uit van het UNESCO-werelderfgoed. Uitgaan van deze 'best practice' is een vorm van standaardisatie: het vastleggen van een Amsterdamse traditie en cultuur bij de inrichting van de openbare ruimte. Dit staat op gespannen voet met het feit dat een samenleving, zeker de Amsterdamse, altijd in ontwikkeling is en behoefte heeft aan verandering en innovatie. We moeten daarom steeds op zoek naar een balans tussen deze twee uitersten. In meer algemene zin is van tevoren niet te zeggen bij welk gestandaardiseerd onderdeel of bij welke 'best practice' een aanpassing of innovatie nodig is. We bekijken het per keer en zijn niet dogmatisch. Eventuele aanpassingen voeren we geleidelijk door, niet allemaal tegelijk, en alleen als ze aantoonbaar een verbetering blijken te zijn.

Voor het goed detailleren is gedegen kennis vereist. In opleidingen wordt hier te weinig aandacht aan besteed. De aanwezige kennis raakt steeds meer versnipperd en er is onvoldoende overdracht. Het 'ambacht' in de vorm van kennis en kunde moet daarom in ere worden hersteld en de versnipperde kennis moet weer gebundeld worden, met elkaar gedeeld en uitgedragen. Het ambachtelijk uitwerken, detailleren en ontwerpen van (beplantings- en beheer) plannen kost tijd. Voor groen geldt ook nog dat het na aanleg nog jaren duurt voordat het beoogde eindbeeld wordt bereikt. Bij bomen pas na 10 tot 20 jaar. Hier moet rekening mee gehouden worden tijdens de planvorming. De inzet van groene beheerkennis is cruciaal in deze periode. Uiteindelijk verdient de investering zich terug op de langere termijn. Zeker als een plan beter wordt uitgevoerd, beter te beheren en dus duurzamer is. 3. Duurzaamheid Een goed plan redeneert vanuit duurzaamheid. Voor de inrichting gebruiken we materialen die zo duurzaam mogelijke zijn en een lange (technische) levensduur hebben. Hergebruik is goed mogelijk en restmateriaal kan goed worden gerecycled. We bekijken op grote en kleine schaal hoe we een plan zo klimaatbestendig mogelijk kunnen uitvoeren. Bij groen en bomen geldt, hoe langer ze mee gaan, hoe groter hun bijdrage is aan duurzaamheid en ecosysteemdiensten.

Ecosysteemdiensten zijn bijvoorbeeld de bijdragen die bomen en planten leveren aan het vastleggen van CO2 en NOx, versterking van biodiversiteit en het tegengaan van hitte stres. Een plan is alleen duurzaam als we het goed kunnen beheren maar ook in hoeverre het assortiment bestand is tegen droogte of wateroverlast. Een straat, plein of park kan er

5. Samenwerken! Bij het inrichten van de openbare ruimte zijn veel specialisten betrokken: landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, cultuurhistorici, ingenieurs, groenspecialisten, verkeerskundigen, ecologen, beheerders en uitvoerders. Al deze disciplines moeten gezamenlijk de vijf overtuigingen in praktijk brengen. Doorloop daarom samen het hele proces, van het eerste idee tot de uitvoering. En: blijf met elkaar communiceren, ook tijdens de beheerfase.

14

Een buurtstraat ingericht volgensaan de de inrichtingsprincipes Olifanten paadjes geven schade bermbeplanting. van de Puccinimethode.

—‹•–‡†‡–ƒ‹ŽŽ‡”‹‰˜ƒ‡‡ͱͬȀ——””—‹•’—–Ǥ Slecht gesitueerd gazon is niet als gazon te onderhouden.

‡–ƒ‹Ž˜ƒ‰‘‡†‡–‘‡’ƒ••‹‰˜ƒ‡‡Ͱͱšͮͬ˜ƒŽ‘Ž‡–”‘ŽŽƒƒ‰ De boomspiegel is te groot aangelegd.

01 Toelichting voor de gebruiker

Bij HekdeofWibautas haag? zijn de Puccinimethode Rood én Groen succesvol toegepast.

en overtuiginͬͮ02 DeDoel Puccinimethode gen puccinimethode

Op vluchtheuvels komen materialen en meubilair vaak samen. Juist daar moet goed ontworpen, ook om beheerproblemen te voorkomen.

Het uitwerken en Ƥnancieren van pilots taak van het betreơende beleidsterrein, de De platanen van de Europaboulevard zijn onderdeel vanvoor de innovaties is primair De iepende in de Sarphatistraat. Hoofdbomenstructuur. betreơende ontwikkeling. Daarbij is het van belang dat pilots Ǧ indien succesvol Ǧ kunnen worden opgeschaald en breed toepasbaar zijn. Het projectteam Puccinimethode denkt graag mee over de mogelijkheden.

Een pilot is per deƤnitie een afwijking van de Puccinimethode en moet daarom worden aangevraagd bij de commissie Puccinimethode (zie Deel A, paragraaf 3.2.1). Pilots dienen altijd geëvalueerd te worden. Indien de uitkomst positief is kunnen nieuwe ontwerpoplossingen worden opgenomen in de handboeken van de Puccinimethode.

05 Bosplantsoen en struweel 06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

Het testen en evalueren van materialen en ontwerpoplossingen in de openbare ruimte gebeurt via proefopstellingen, ešperimenten en pilots. ijvoorbeeld door een proefstraat aan te leggen met materialen die bijdragen aan een betere afwatering en minder wateroverlast, om de stad klimaatbestendiger te maken. Of een plein met innovatieve, duurzamere verhardingsmaterialen. Bij straatmeubilair kan gedacht worden aan toepassing van ‘biobased’ en ‘cradle tot cradle’ materialen in bankjes, afvalbakken of andere objecten.

07 Kruidachtigen

Ruimte voor pilots

04 Bomen

03 Basisprincipes

Daar waar verschillende materialen samen komen zijn goede details nodig.

De groene inrichting trambaan Plantage Middenlaan ter hoogte van de Hortus draagt bij aan waterberging en verhoging biodiversiteit.

traditie en cultuur bij de inrichting van de openbare ruimte. Dit staat op gespannen voet met het feit dat een samenleving, zeker de Amsterdamse, altijd in ontwikkeling is en behoefte heeft aan verandering en innovatie. We moeten daarom steeds op zoek naar een balans tussen deze twee uitersten. In meer algemene zin is van tevoren niet te zeggen bij welk gestandaardiseerd onderdeel of bij welke 'best practice' een aanpassing of innovatie nodig is. We bekijken het per keer en worden niet dogmatisch. Eventuele aanpassingen voeren we geleidelijk door, niet allemaal tegelijk, en alleen als ze aantoonbaar een

verbetering blijken te zijn.

10 Bijlagen

ͱǤƒ‡™‡”‡Ǩ Bij het inrichten van de openbare ruimte zijn veel specialisten betrokken: landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, cultuurhistorici, ingenieurs, verkeerskundigen, ecologen, beheerders en uitvoerders. Gezamenlijk moeten al deze disciplines de vijf overtuigingen in praktijk brengen. Doorloop daarom samen het hele proces, van het eerste idee tot de uitvoering. En: blijf met elkaar communiceren, ook tijdens de beheerfase.

09 Water- en oeverbeplanting

Robert Kochplantsoen: goed voorbeeld van een buurtparkje

08 Gras en ruigte

17

16

15

2.3

2.4

Commissie Puccinimethode

Stadsbiotopen

Deze commissie is door het college aangesteld als ambtelijk adviesorgaan met als taak om gevraagd en ongevraagd te adviseren over voorgenomen ingrepen in de inrichting van de openbare ruimte die afwijken van de standaarden van de Puccinimethode. Als men wil afwijken, is het verplicht om het project te laten toetsen door de commissie Puccinimethode. De status van deze commissie en de algemene uitgangspunten bij advisering zijn vastgelegd in het Beleidskader Puccinimethode, die op 24 januari 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad.

In de natuur is te zien dat bepaalde planten op specifieke plekken groeien. Bijvoorbeeld in een open steppe, aan de kust, in het bos of juist aan de bosrand. Elke plek vormt een eigen biotoop met specifieke groeiplaatsomstandigheden. Plekken in de stad hebben veel overeenkomsten met een natuurlijke groeiplaats. Gebouwen zorgen voor schaduw en zo voor groeiplaatsen die lijken op de situatie in een bos. Terwijl sommige pleinen, waar bijna geen schaduw is, eerder lijken op een open grasland. De stad is dus goed te vergelijken met een verzameling van verschillende biotopen in een dichtbebouwde omgeving. Het zijn stedelijke leefgebieden waar mens, plant en dier samenleven. Iedere plek (plein, dak, straat) heeft een eigen biodiversiteit met specifieke omstandigheden die verschillende voorwaarden voor leven herbergen. Voor de mens zijn dit verschillende vormen van gebruik, voor planten verschillende groeiplaatsomstandigheden en voor dieren schuil-, nest- en voedselgelegenheden.

Adviezen van de Commissie Puccinimethode zijn bindend. Het college van B&W is echter bevoegd om contrair aan het advies van de commissie te besluiten. Als men op projectniveau géén invulling kan of wil geven aan een advies van de Commissie Puccinimethode moet hierover een besluit genomen worden door B&W, waarbij het advies van de commissie aan het college wordt voorgelegd.

Via ontwerp is het mogelijk om groen en water integreren in de openbare ruimte en daarmee de biodiversiteit te vergroten. Zo zijn er specifieke omstandigheden te maken op plekken waar deze in eerste instantie niet zijn. Per stadsbiotoop is het zo ook mogelijk om het accent te verschuiven van mens naar plant of dier. Van belang hierbij is dat de bestaande situatie, de groeiplaats (grondsoort, grondwaterstanden, bestaande bomen, zon/ schaduw, droog/nat), leidend is voor de keuze van de beplanting en niet andersom.

16

NB: de in het Beleidskader Puccinimethode gehanteerde term ‘grachten’ wekt in de praktijk verwarring. Daarom spreken we voortaan over kades die zich langs grachten kunnen bevinden, maar ook langs bijvoorbeeld rivieren, havenwater en kanalen.

figuur 2.1 Kades: waterkanten die zijn ingericht met een verticale kademuur, beschoeiing of damwand

figuur 2.2 Oevers: hellend talud langs een watergang, veelal bezet met basalt

17

01 Toelichting voor de gebruiker 10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

08 Gras en ruigte

07 Kruidachtigen

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

Onder ‘oevers’ verstaan we een hellend talud langs een watergang, veelal bezet met basalt. Meestal ligt op het basalt een deksloof, maar soms is deze achterwege gelaten en sluit er direct groen op aan. Het zijn bijvoorbeeld oude weteringen of ze zijn zo direct aangelegd, zoals in Plan Zuid. Maar ook langs de Singelgracht ligt voor het grootste deel dit type oever. En rond de Plantage, Bickerseiland, Prinseneiland en Ringvaart Watergraafsmeer komt een dergelijke oever veelvuldig voor.

02 Doel en overtuigingen puccinimethode

In het Beleidskader Puccinimethode (2018) is een tabel opgenomen waarin de standaard groentoepassingen voor ‘grachten’ en ‘oevers’ beschreven staan. Afgelopen jaren hebben we in de praktijk gezien dat meer beleidsmatige ruimte voor vergroening langs watergangen wenselijk kan zijn. Enerzijds vanuit de ambities uit de Groenvisie (2020), anderzijds vanuit de wensen van bewoners. Derhalve wordt in dit hoofdstuk van het Handboek Groen nu méér beleidsmatige ruimte geboden voor vergroening op respectievelijk kades en oevers, waarbij is uitgewerkt in welke vorm en onder welke voorwaarden groen kan worden toegepast. Bij de eerstvolgende actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode wordt het vergroenen van kades en oevers nader uitgewerkt. Mogelijk volgt daaruit nog meer ruimte voor vergroening op kades, of meer differentiatie in het beleid op basis van de cultuurhistorische en stedenbouwkundige zones. Een dergelijke verregaande beleidswijziging wordt daarmee pas doorgevoerd na het doorlopen van de inspraak en na een besluit van de gemeenteraad. De actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode staat gepland voor 2022-2023.

03 Basisprincipes

definities Onder ‘kades’ verstaan we de waterkanten die zijn ingericht met een verticale kademuur, beschoeiing of damwand. De verharding loopt van oorsprong door tot aan de deksloof. Er is geen sprake van een sterk aflopend talud. Dergelijke kades komen uiteraard voor langs de grachten in de 17e -eeuwse grachtengordel, maar ook daarbuiten.

04 Bomen

Groen op kades en oevers, herijking ten opzichte van het beleidskader

05 Bosplantsoen en struweel

2.5

2.5.1

Analyse Wie naar de gebruikgeschiedenis van kades en oevers kijkt, ziet dat die op hoofdlijnen door de tijd heen vrij constant zijn gebleven. Harde kades zijn vanwege hun gebruik altijd verhard gebleven, maar het soort objecten dat erop stond wijzigde; eerst alleen handkarren en wandelaars, nu voorzieningen voor fietsen en auto’s. Zachte oevers bleven doorgaans zacht, tenzij er een functionele aanleiding was om basaltblokken te plaatsen en/of om te vormen tot een harde kade. Belangrijke factoren bij het inrichten van kades en oevers zijn waterkering en bestendigheid tegen golfslag en afkalving, bereikbaarheid voor overslag of aanmeren, transport en infrastructuur, schoonheid en ruimtelijke beleving. In het bijzondere voor de binnenstad staat het vergroenen van gehele kades, buiten de groeiplaats van de bomen, op gespannen voet met de aanwezige grote cultuurhistorische waarden. Zo is de binnenstad binnen de Singelgracht een Rijksbeschermd stadsgezicht, en moet de integriteit van het grachtengordel als UNESCO Werelderfgoed gewaarborgd blijven. Daarom dient het groen op kades in dit gebied in het bijzonder zorgvuldig ingepast te worden. Kades in de rest van de stad en vooral oevers, die vaak van oudsher een groener karakter kennen, bieden meer ruimte voor een groene inrichting.

Kade met bomen (foto: Hans Kaljee)

Er zal de komende decennia een en ander veranderen in het gebruik van kades en oevers. Het parkeren op kades wordt verminderd. Meer functies zullen via de grachten geregeld worden om kademuren en de smalle wegen en stoepen te ontzien, zoals logistiek over water. En de Amsterdamse watergangen bieden naast de parken een enorm areaal aan prachtige, recreatieve ruimte in eigen stad. De verkoeling van het water, de schittering en de boten die voorbij gaan trekken veel mensen aan op zoek naar ruimte. Het groen op een kade of oever kan dus een bijdrage leveren aan die recreatieve functie van de stad, naast het belang op het vlak van klimaatbestendigheid en biodiversiteit. Gras op oevers wordt gebruikt om te spelen en elkaar te ontmoeten, grote bomen op kades en oevers bieden schaduw om onder te zitten. Groen mag dus niet de toegankelijkheid van een kade te belemmeren of de openbaarheid beperken. Voor kades geldt daarnaast dat we niet bang moeten zijn om ruimte leeg te laten, in aansluiting op de historische functie van de kade en mogelijk ook de toekomstige functie als ruimte voor overslag van goederen; invulling van vrijgekomen ruimte op kades met groen is dus geen doel op zich.

18

01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode

Bij het aanbrengen van groen op kades en oevers dient in het ontwerp daarom in algemene zin rekening gehouden te worden met: • Het behoud van het zicht op het water; • Het behoud van de bereikbaarheid van de waterkant; • Het behouden van de openbaarheid van de kade of oever; • Een passende beplanting in relatie tot het stedenbouwkundige ensemble en de cultuurhistorische waarden.

10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

08 Gras en ruigte

07 Kruidachtigen

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

Oever met bomen (foto: Hans Kaljee)

05 Bosplantsoen en struweel

04 Bomen

03 Basisprincipes

De toepassing van groen op kades en oevers is verder uitgewerkt in hoofdstuk 9 water- en oeverbeplanting.

19

03

Basisprincipes 20

04 Bomen 05 Bosplantsoen en struweel

•

Een goede inrichting van de (groene) openbare ruimte vereist goede afstemming tussen (groene) ontwerpers, (groene) werkvoorbereiders, (groene) toezichthouders en (groene) beheerders. Deze afstemming tussen ontwerp, aanleg en beheer is beschreven in de vijf overtuigingen van de Puccinimethode (zie paragraaf 2.2). Het proces is schematisch weergegeven In figuur 3.1. Daarin is te zien wie welke rol heeft, wie waar voor verantwoordelijk is en hoe iedereen samenwerkt.

01 Toelichting voor de gebruiker

Proces van eerste visie tot en met nazorg en beheer

Om een aantrekkelijke, robuuste en duurzame groene openbare ruimte te maken en te beheren, zijn er afspraken gemaakt over hoe we met groen in Amsterdam omgaan. Deze afspraken in de vorm van vastgesteld beleid, visies en ambities op het gebied van de bijvoorbeeld de Hoofdgroenstructuur (HGS) , Ecologische structuur (ESA) , Hoofdbomenstructuur (HBS), beschermd groen, Bomenverordening en monumentale bomen, Rainproof, Groenvisie en natuurinclusief bouwen, zijn terug te vinden in de Handleiding Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) Amsterdam, zie: hior.amsterdam.nl Ook voor de maatvoering en techniek zijn afspraken gemaakt. Dit hoofdstuk gaat over deze afspraken. Elke groene openbare ruimte die wordt aangelegd, vervangen, opnieuw ingericht of opnieuw geprofileerd moet aan deze uitgangspunten voldoen. Wordt hiervan afgeweken dan moet het project worden getoetst door de Commissie Puccinimethode (zie hoofdstuk 2.3).

02 Doel en overtuigingen puccinimethode

Basisprincipes

03 Basisprincipes

3.1

Handleiding Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) Amsterdam, zie: hior.amsterdam.nl.

Voor overzichtskaarten:

10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

08 Gras en ruigte

07 Kruidachtigen

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

• HGS in kaart zie: maps.amsterdam.nl/ hoofdgroenstructuur/ • ESA in kaart zie: maps.amsterdam.nl/ ecopassages/ • HBS in kaart zie: maps.amsterdam.nl/hbs/ • Monumentale bomen en beschermd groen in kaart zie: maps.amsterdam.nl/monumentaal_ groen/

21

Processchema, samenhang tussen ontwerp, aanleg en beheer (rolverdeling en interactie van de verschillende betrokken partijen) R&D Ontwerper

IB (Groen)adviseur/-specialist

IB Projectrealisatie en inkoop

V&OR Assetmanagement beheercoördinator/BAT

Stadswerken Gebiedsbeheerder (toezicht dagelijks beheer)

Groenaannemer Aanleg en nazorg (bomen: 4 jaar, overig groen: 3 jaar)

Wie, wat en wanneer: ONTWERP VOORVERKENNING •

Ontwerper start met een voorverkenning (ruimtelijke kwaliteiten (o.a. cultuurhistorie), kansen en randvoorwaarden) met vakspecialistische inbreng van o.a. IB (aspecten bodem, water, duurzaamheid en groen)

•

Ontwerper maakt een ontwerp op basis van een plan van aanpak/nota van uitgangspunten, gebaseerd op bestaand beleid (zie paragraaf 3.2.1 algemene uitgangspunten Puccinimethode Handboek Groen) Ontwerper geeft in ontwerp aan waar welke beplanting toegepast wordt en houdt bij de sortimentskeus rekening met de standpaats en eigenschappen van de plant

DEF. BEPLANTINGSPLAN:

PLAN- en BEHEERKOSTENTOETS:

RUIMTELIJK (GROEN-)ONTWERP: •

•

Toets door beheercoördinator/BAT (let op beheerkostenstijging en areaaluitbreiding) Gebiedsbeheerder schakelt bij aanleg in bijzondere groene plekken (zie vloerkaart) altijd een vertegenwoordiger van dagelijks beheer in, bij overige projecten optioneel IB groenonderzoeken (bomen en natuur), grondwateranalyse en groeiplaatsanalyse en -principes

•

•

•

• •

Beplantingsplan samenstellen (zie paragraaf 3.2.2 uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan) Schakel indien nodig extra groen(ontwerp)- of cultuurhistorisch advies in Vaststellen groeiplaatscondities (randvoorwaarden) en -principes

VOORBEREIDING BEPLANTINGSPLAN EN SPECIFICATIES VOOR CONTRACT • •

•

Afhankelijk van de contractwijze Bij RAW zet IB ontwerp en beplantingsplan om in werktekenigen, plantlijsten (juiste aantallen en de te veren kwaliteit) en bestek Bij UAVGC stelt IB vraagspecificaties op, waarbij marktpartijen verantwoordelijk zijn voor adequate uitvoering. IB daarop toe.

BEHEERPLAN INPUT:

CHECK CONTRACT: • • •

•

Ontwerper neemt contract en werktekening door met de werkvoorbereider Assetmanagement neemt contract en werktekening door met werkvoorbereider Werkvoorbereider geeft aan als er problemen zijn met het vertalen van het ontwerp naar het contract en werktekeningen.

AANBESTEDING

Ontwerper levert input qua eindbeeld en uitgangspunten In overleg met BAT check of beheer past binnen bestaande beheerkaders (norm). Voor plannen die daarvan afwijken kan er een beheerplan nodig zijn.

•

• •

SCHRIJVEN BEHEERPLAN: •

Het (groen-) werk wordt conform RAW of UAVGC aangelegd Borging (garantie) van aanplant (nazorg/inboeten/etc.) van het groen 1e 3 jaar (bomen 1e 4 jaar) wordt door marktpartij meegenomen in het contract, met daarop toezicht van IB

IB-adviseur verzorgt het beheerplan of heeft hier regie op Toets van beheerplan door gebiedsbeheerder

•

UITVOERING STARTBIJEENKOMST UITVOERING: • •

Afhankelijk van contractvorm Bij RAW legt ontwerper plan uit aan projectleider uitvoering en groenaannemer hoe het plan in elkaar zit en wat de aandachtspunten zijn. Projectleider uitvoering maakt afspraken met uitvoerder over planning/ keuren plantmateriaal etc.

UITVOERINGSBEGELEIDING EN TUSSENTIJDS TOEZICHT • De toezichthouder aanleg; - keurt grondwerk, - begeleidt het uitzetten van plantwerk, - keurt plantmateriaal, - eventuele wijzigingen in het ontwerp worden doorgesproken met ontwerper, etc. volgens contracteisen

START NAZORG: • • •

Voorschouw voor start in gebruikname met gebiedsbeheerder. Projectrealisatie en inkoop van IB levert het werk op aan groenaannemer conform contract Overzetten van gegevens in GISIB

BEHEER INBOET OPNAME

BEHEER •

Door groenaannemer conform contract

•

Bij RAW bestek door toezichthouder onder auspiciën au IB, Bij UAVGC is toezicht deel van het contract tot maximaal 4 jaar na oplevering, daarna overdracht naar V&OR

•

• •

TOEZICHT

•

Op basis van contract Bij RAW-bestek door toezichthouder IB (deze neemt na neemt na 1e, 2e en 3e groeiseizoen uitgevallen beplanting op, maakt en communiceert inboetlijsten met aannemer en haakt ontwerper aan om alternatieve soorten door te spreken). Bij UAVGC op basis van resultaatsverplichting, IB toetst op naleving

PROCESVERBAAL VAN IN BEHEERNAME •

Na verstrijken onderhoudscontract (na 3 en/of 4 jaar) neemt Stadswerken het project over in beheer.

figuur 3.1 Samenhang, ontwerp, aanleg en beheer schematisch weergegeven.

22

DAGELIJKS BEHEER DAGELIJKS BEHEER • •

Door Stadswerken Periodieke terugkoppeling van ervaringen (aanleg en beheer) tbv verbeteringen in ontwerp/ planproces

figuur 3.2 De groeiplaats en de bestaande situatie zijn leidend voor de sortimentskeus.

figuur 3.3 Amsterdams groen wordt integraal, toekomstbestendig en duurzaam ontworpen, aangelegd en 23 beheerd

10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

08 Gras en ruigte

07 Kruidachtigen

3. Amsterdams groen wordt integraal, toekomstbestendig en duurzaam ontworpen, aangelegd en beheerd: • We stemmen het (beplantings-)plan af op de stedenbouwkundige structuur, identiteit (genius loci) en de schaal van de omgeving. • We wegen in ieder project afzonderlijk de thema’s ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en sociale cohesie af. • De inrichting van de groeiplaats en het te gebruiken sortiment moeten in relatie staan tot de levensduur van het plan en het beheer ervan. • We behouden en passen zoveel mogelijk bestaand groen (inclusief bomen) in als we een gebied opnieuw inrichten en aanleggen.

01 Toelichting voor de gebruiker

1. Het beleid van de gemeente Amsterdam is van toepassing bij het ontwerpen, aanleggen en beheren van (groen) projecten: zie ook de Handleiding Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) Amsterdam: hior.amsterdam.nl.  2. De groeiplaats en de bestaande situatie (grondsoort, grondwaterstanden, bestaande bomen, zon/schaduw) zijn leidend voor het assortiment. Kies de juiste boom of plant op de juiste plek.

02 Doel en overtuigingen puccinimethode

Naast procesafspraken over afstemming en samenwerking tussen ontwerp, aanleg en beheer is er ook een groot aantal uitgangspunten waar rekening mee gehouden moet worden. Dit zijn algemene uitgangspunten (paragraaf 3.2.1), uitgangspunten voor groenontwerp en beplantingsplan (paragraaf 3.2.2), uitgangspunten voor voorbereiding en aanleg (paragraaf 3.2.3) en uitgangspunten voor beheer (paragraaf 3.2.4).

03 Basisprincipes

algemene uitgangspunten

04 Bomen

Uitgangspunten voor duurzaam openbaar groen in Amsterdam

05 Bosplantsoen en struweel

3.2.1

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

3.2

4. De aanplant van invasieve exoten is niet toegestaan. Check daarom altijd of de soort op de Unielijst staat. nvwa.nl/onderwerpen/ invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten De volgende soorten staan niet op de Unielijst, maar zijn toch ook niet toegestaan: • Japanse duizendknoop • Sachalinse duizendknoop • Boheemse duizendknoop

7. Bevraag tijdens de inventarisatie van de klantvraag (opstellen klanteisenspecificatie) de toekomstige beheerder of er een basisspecificatie beschikbaar is voor de objecten die na realisatie in beheer worden genomen. Basisspecificaties vormen een gestandaardiseerde set aan eisen op basis waarvan een ontwerp gemaakt kan worden. Zo’n set kan een project helpen om aan te tonen dat het ontwerp voldoet aan de eisen van een beheerder en/of bij het opstellen van een eisenspecificatie voor een UAV-gc contract.

5. Het ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het afgesproken beheerniveau (CROW). Niet alle groen elementen zijn geschikt voor alle beheerniveaus. Omdat het ene groen element eerder slijt of dat het qua beheermaatregelen minder goed aansluit bij het beheerniveau. Dit omvat niet alleen snoeien, wieden etc., maar ook afval verwijderen, zodat plaagdieren geen voedsel vinden. 6. Gebruik in het ontwerp groenelementen zoals vastgesteld in het beleidskader Puccinimethode (tabel 3.2).

Groenelement

Toepasbaar in beheerniveau A/B/C/eco (top, verzorgd, sober, ecologisch beheer)

bomen

A/B/C/eco

bosplantsoen

C/eco

struweel

C/eco

heesters

A/B/C/eco

hagen los

B/C/eco

hagen strak

A/B

(struik-)rozen

A/B

klimplanten

A/B

vaste planten en siergrassen

A/B

perkgoed

A

gazon

A/B

bloemrijk gras

B/C/eco

bollen

A/B/C

ruw gras

B/C/eco

ruigte

C/eco

zachte oevers,

B/C/eco

harde oevers

A/B/C/eco

moeras

C/eco

tabel 3.1 groenelementen in relatie tot beheerniveau

24

01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes

recreatiegebieden

ecologische verbindingszones

buurt- en wijkparken

plantsoenen

historisch groen

pleinen

schoolpleinen

postzegelparkjes

straten

lanen

grachten

oevers

bermen

wadi

groene trambanen

bedrijfsterreinen

kantoorgebieden

sportparken

natuurspeelplekken

bomen

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

fruitbomen

V

V

V

X

X

V

V

V

V

V

V

X

X

X

V

V

X

V

V

V

V

bosplantsoen

V

V

V

V

V

X

V

X

V

X

X

X

X

V

V

V

X

V

V

V

V

struweel

V

V

V

V

V

V

V

X

V

X

X

X

X

V

X

X

X

X

X

X

X

heesters

V

X

X

X

V

V

V

V

V

V

V

V

X

V

X

V

X

V

V

V

X

botanische rozen

V

V

V

V

V

V

X

X

X

V

X

X

X

V

V

V

X

V

V

V

V

perk- en struikrozen

V

X

X

X

V

V

V

X

X

V

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

hagen

V

X

V

X

V

X

V

V

V

V

V

X

X

X

X

X

V

X

X

V

X

klimplanten

V

V

V

V

V

X

V

V

V

V

X

X

X

X

X

V

X

V

V

V

V

vaste planten

V

X

V

X

V

V

V

V

V

V

V

V

X

V

V

V

V

V

V

V

V

bolgewas (bot. of sier)

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

X

V

V

V

V

V

V

V

V

wissel- en perkplanten

V

X

X

X

V

X

V

V

X

V

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

bloembakken

V

X

X

X

V

X

V

V

V

V

V

X

X

X

X

X

X

X

V

X

X

gras/gazon

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

X

V

V

V

V

V

V

V

V

ruw gras

V

V

V

V

V

X

X

X

X

X

X

V

V

V

V

V

X

V

V

V

V

bloemrijk gras

V

V

V

V

V

V

X

X

X

V

V

V

X

V

V

V

V

V

V

V

V

ruigte

X

V

V

V

X

X

X

X

X

X

X

X

X

V

V

V

X

V

X

X

V

water-/oeverplanten

V

V

V

V

V

X

V

X

X

X

X

X

X

V

X

V

X

V

V

V

V

X = niet toepasbaar

tabel 3.2 toepasbaarheid groenelementen in de verschillende soorten Amsterdams groen

25

05 Bosplantsoen en struweel 06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 07 Kruidachtigen 08 Gras en ruigte 09 Water- en oeverbeplanting 10 Bijlagen

V = toepasbaar

04 Bomen

Groenobjecten

bossen

Wijk- en buurtgroen

stadsparken

Groengebieden

3.2.2

uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan

6. Het is niet toegestaan zwaar giftige soorten te planten binnen de begrenzing van speelplekken, voedselbossen, pluktuinen, moestuinen, natuurspeelplaatsen en gebieden waar honden mogen loslopen. Plant geen zwaar allergene soorten op plekken waar veel mensen samenkomen of langdurig verblijven.

1. Het groenontwerp en beplantingsplan zijn eenvoudig en overzichtelijk en bestaan uit een beperkt aantal elementen en zijn robuust. De elementen worden in de hoofdstukken 4 t/m 9 van het Handboek Groen besproken en sluiten qua benaming aan op het landelijk Informatiemodel Beheer Openbare Ruimte (IMBOR) van het CROW. Het groenontwerp maakt duidelijk hoe de boven- en ondergrondse groeiplaatsen voor de verschillende beplantingen worden aangelegd en welke voorzieningen er worden getroffen voor flora en fauna.

7. Groen in mobiele systemen zoals gesloten plantenbakken en hangende manden, worden in principe niet toegepast. Bloembakken/potten zijn daarmee nooit een vast onderdeel van een maaiveldontwerp zoals dat door de gemeente wordt opgesteld. Verhoogde plantvakken kunnen wel, mits ze voldoende maat hebben. Alleen als er sprake is van medebeheer, zijn gesloten plantbakken toegestaan. Dat wil zeggen wanneer het dagelijks beheer bij bewoners of ondernemers ligt (zie ook 3.3). Uitzonderingen op dit beleid zijn bloembakken aan brugleuningen en tijdelijke situaties die niet langer dan vijf jaar duren. In die situaties kunnen gesloten plantenbakken door de gemeente geplaatst en beheerd worden om de tijdelijke inrichting vorm te geven.

2. Een beplantingsplan bestaat uit een tekening op schaal waarop de verschillende plant- en boomsoorten zijn aangegeven. Daarbij horen plantlijsten met daarop het aantal planten per groep of plantvak, aantal per m2 en de te leveren maten. Eventueel een uitzettekening en een beheerparagraaf, afhankelijk van de complexiteit van het plan. Voor een voorbeeld van een compleet beplantingsplan met plantlijst, uitzettekening en beheerparagraaf zie bijlage 10.5.

8. Ontwerp plantvakken van voldoende afmeting. Kleine groenstroken (‘snippergroen’) zijn ongewenst omdat ze onderhoudsintensief en slijtagegevoelig zijn. Indien de kwaliteit van het groen onvoldoende is, resulteert dit in vervuiling en verrommeling van het straatbeeld. Daarom moeten plantvakken aan minimale afmetingen voldoen, zie tabel 3.3. Als projecten van plan zijn om van deze maatvoering af te wijken, moet de geplande afwijking altijd ter advies worden voorgelegd aan de Commissie Puccinimethode. Uitzondering op dit beleid zijn kleine groenstroken waarbij er sprake is van medebeheer. Bewoners of ondernemers zijn dan zelf verantwoordelijk voor het beheer en de kwaliteit van dit groen. Indien de kwaliteit van dit ‘snippergroen’ op termijn onvoldoende blijkt (overhangend groen, vervuiling, slijtage, overwoekering, gaten in de beplanting, etc.) behoudt de gemeente het recht om het groen om te vormen tot verharding of een andere functie.

3. Hou in elk plan rekening met de beleving van seizoenen. Daarbij past ook een jaarronde bloei en zaad/vruchtdracht van soorten, waaronder andere bewoners, insecten en vogels van profiteren. Het toepassen van uitheemse met inheemse soorten versterkt de biodiversiteit. 4. Sluit het ontwerp aan op het groen in de omgeving (let op de ruimtelijke en historische context). Maak in het ontwerp duidelijke grenzen tussen openbaar en privé, zodat duidelijk is wie waar verantwoordelijk is voor het beheer. 5. Maak een sociaal veilig ontwerp. Zorg voor voldoende zicht(-lijnen) en verlichting op de juiste plekken die niet belemmerd wordt door beplanting. Voorkom overhangend groen over stoepen en wegen.

figuur 3.4 Maak een sociaal veilig ontwerp

26

01 Toelichting voor de gebruiker

20-25

Voor toelichting zie 4.3.2

bomen 3e grootte

>15

18-20

Voor toelichting zie 4.3.2

Groenelement

Minimale breedte plantvak (m)

Minimale Aanvulling lengte plantvak (m)

bosplantsoen

10

30

Geplant als bosplantsoen.

struweel

5

15

Geplant als bosplantsoen.

heesters

1,5

5

Bij toepassing in middenberm tussen twee rijwegen, of als beplanting onder een boom tussen parkeervakken.

hagen los

1,2

5

Twee plantrijen met paal en draad ertussen.

hagen strak

0,8

5

Twee plantrijen met paal en draad ertussen.

(botanische) rozen

1,5

5

Bij toepassing in midden-berm tussen twee rijwegen.

klimplanten

0,3

0,3

Uitgaande van toepassing op pergola in park.

vaste planten en siergrassen

2

5

Uitzondering: plantvak in een park die in een punt uitloopt..

perkgoed

2

5

Toepassing alleen op locaties waarvoor een uitzondering geldt.

gazon

1

2

Uitgaande van een gazonstrook die onderdeel is van een bredere of langere structuur. Bijvoorbeeld meerdere stroken in een laan of een park.

bloemrijk gras

1

5

Smalle strook toegestaan als berm langs een rijweg of wanneer het vak onderdeel is van een grotere structuur.

bollen

1

5

1 m breed is toegestaan wanneer het gras waar de bollen in worden gepoot ook 1 m breed is. Bij het poten van een berm de gehele berm vol poten. Toepassing van losse groepen (botanische) bollen in bosplantsoen en tussen vaste planten is ook toegestaan.

ruw gras

1

5

Smalle strook is toegestaan als berm langs een rijweg of wanneer het vak onderdeel is van een grotere stuctuur.

ruigte

5

15

zachte oevers

5,5

20

harde oevers

1,5

10

tabel 3.3 minimale afmetingen van de verschillende groenelementen

27

Bij getrapt profiel.

02 Doel en overtuigingen puccinimethode

>25

03 Basisprincipes

bomen 1e en 2e grootte buiten de Hoofdbomenstructuur

04 Bomen

Voor toelichting zie 4.3.1

05 Bosplantsoen en struweel

25-30

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

25-40

07 Kruidachtigen

bomen in de Hoofdbomenstructuur

08 Gras en ruigte

Stamom- Aanvulling strek bij aanplant (cm)

09 Water- en oeverbeplanting

Doorwortelbaar volume (m3)

10 Bijlagen

Groenelement

9. Goede drainage en bewatering is essentieel. Drainage en bewateringssytemen inclusief handmatig watergeven met waterwagen zijn duur in aanleg en beheer. Kijk eerst of er simpelere oplossingen te bedenken zijn voor omstandigheden met te veel water (bv. drainagerichel) of te weinig water (bv. groen met minder waterbehoefte). Als er ten behoeve van nieuwe groenvoorzieningen en bomen in de nazorgfase kunstmatig water gegeven moet worden, is het belangrijk om zoet water te gebruiken en in geen enkele situatie brak of zout water omdat dit schade aan de gewassen oplevert. In figuur 3.8 van Waternet is te zien waar zich zoet water bevindt met een laag chloridegehalte. Bepaal vooraf of het beschikbare water zout, brak of zoet is en of het geschikt is voor het groenvoorzieningen en bomen.

12. Hou langs strooiroutes rekening met strooizout. Over het algemeen kunnen bomen en vaste planten slecht tegen strooizout (dooizouten). Wadi’s aanleggen kan prima langs doorgaande wegen. Voorkom, in die situatie, dat regenwater van rijwegen rechtstreeks in wadi’s terecht komt. Dit kan wel met regenwater vanaf stoepen en fietspaden. Kies voor strooizoutbestendig sortiment (zie bijlage 10,1 t/m 10.4) naast strooiroutes. Of zorg voor 1 m afstand tussen de strooiroute en de beplanting. Bijvoorbeeld in de vorm van een werkpad, met afschot naar de goot. 13. Zorg dat open, opgaande beplanting (bijvoorbeeld solitaire heesters zoals vlinderstruiken) in een onderbegroeiing staat van bodem bedekkende heesters of vaste planten. Hierdoor wordt de groei van onkruid en het inwaaien van zwerfvuil tot een minimum beperkt. 14. Hou rekening met bestaande beplanting bij het ontwerpen van kabels en leidingen. Kabels en leidingen kunnen een haag of plantvak haaks kruizen. Plaats bij voorkeur geen kabels en leidingen onder plantvakken. Als de situatie niet anders toelaat, plaats de kabels en leidingen dan 0,5 m onder de wortels/maaiveld en gebruik geen soorten die diep wortelen. In hoofdstuk 4 Bomen, staat hoe kabels en leidingen toe te passen bij bomen.

Voor wat betreft kabels en leidingen bij vaste planten, hagen of heesters hebben de beheerders van de kabels en leidingen eigen eisen ten aanzien van de diepteligging.

10. Zorg ervoor dat het groen goed te beheren is en bereikbaar voor de beheermachines. Stem de afstanden tussen bomen, randen en meubilair af op maaivoertuigen. Leg eventueel een werkpad aan (60 cm). 11. Plaats banken en andere objecten zoveel mogelijk in de verharding. Plaats banken met voorzieningen op een verhard tableau, bijvoorbeeld tegels of klinkers.

figuur 3.5 Mobiele groensystemen worden in principe niet aangelegd.

28

figuur 3.6 Ontwerp plantvakken van voldoende afmeting

01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode

15. Bij nieuwe aanplant van hagen en vaste planten op intensief gebruikte plekken, pas tijdelijke bescherming toe, in de vorm van paal en draad, om inloop te voorkomen of kies een ander assortiment. Stem dit af met de beheerder aan tafel. Er kan ook gekozen worden voor een hekwerk (eventueel met uitleg waarom het hekwerk er staat). Dit moet na bepaalde tijd weer weggehaald worden.

figuur 3.7 Banken en andere objecten zoveel als mogelijk in verharding plaatsen

05 Bosplantsoen en struweel

04 Bomen

figuur 3.9 Zorg ervoor dat het groen goed beheerd kan

29 worden en bereikbaar is

10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

08 Gras en ruigte

07 Kruidachtigen

18. Hou er rekening mee dat het groen een leefgebied kan vormen voor dieren die een positieve invloed hebben, maar ook voor dieren die overlast kunnen veroorzaken (ratten, muggen of andere ziekte overdragende soorten). Voorkom dicht struikgewas nabij afvalpunten, omdat dit een prettige schuilplek voor ratten vormt. Zorg dat zwerfafval makkelijk te verwijderen is uit de plantvakken.

figuur 3.8 Zoet en zout water in de Amsterdamse grachten, waarbij de blauwe kleuren zoet water aangeven en de gele t/m roze kleuren brak en zout water aangeven (meting juli 2018, bron Waternet)

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

17. Kies aan de randen van speelplekken voor beplanting die snel sluit en sterk is. Voorzie de plantvakken van verhoogde randen om onder andere doorrijden met fietsjes onmogelijk te maken. Zorg bij de uitgangen voor lage beplanting in verband met zicht van en op spelende kinderen en overig verkeer.

03 Basisprincipes

16. Hou bij hoeken, kruisingen en oversteekplekken rekening met de maximumhoogte van beplanting in de obstakelvrijezone (0,40 m) en in de transparante zone (0,75 m). Waar de obstakelvrije en transparante zone liggen, verschilt per type kruising. Vraag hierover advies bij een verkeerskundige.

3.2.3

uitgangspunten voorbereiding en aanleg

7. Voor aanplant zijn de technische bepalingen van de UAV/Standaard, de UAVGC of de raamcontracten van de gemeente Amsterdam van toepassing, afhankelijk van het soort project. Let op: • de afstemming tussen de diverse aannemers; • de controlemomenten; • het op de juiste plek aanplanten van het plantmateriaal.

1. Zorg bij aanleg van nieuw groen dat in het plantvak de juiste bodemopbouw aanwezig is in soort, samenstelling en hoeveelheid. Bekijk de profielen bij de verschillende soorten beplanting in de specifieke hoofdstukken van het Handboek Groen. 2. Plant de juiste hoeveelheid planten per vierkante meter en op de juiste plantafstand. Dit voorkomt ‘overkoken’. Beplanting bij de rand, plant je op een halve plantdiameter (van de plant in volgroeide staat). In de sortimentslijsten zijn aanbevelingen gedaan over plantafstanden in combinatie met plantmaat. Zie sortimentslijsten in de bijlage.

8. Neem contact op met de contractmanager- of categoriemanager Groen voor het gebruik van stadsbrede raamovereenkomsten, die voor onderdelen verplicht zijn.

3. Zet bij het planten van vaste planten en heesters de beplanting uit vanaf de rand en de hoek van het plant vak, en vul in principe aan in verspringend- of driehoeksverband. 4. Gebruik bij voorkeur duurzaam gekweekte planten. Let daarbij op de door Amsterdam gebruikte keurmerken (zie inkoopbeleid Amsterdam, amsterdam.nl/ondernemen/ inkoop-aanbesteden/inkoopbeleid/

3.2.4

5. Een toezichthouder groen houdt toezicht op het grondwerk, tijdens aanleg, aanplant en tijdens de eerste jaren van het beheer door de aannemer (zie stroomschema). Deze toezichthouder spreekt en stuurt de aannemer aan. Daarnaast informeert de toezichthouder de tuinlieden voor een goede overdracht, ook bij het registreren en vervangen van uitgevallen planten.

uitgangspunten beheer 1. Beheer vindt plaats op basis van het vastgestelde beheersysteem, waarbij het afgesproken beheerniveau in stand gehouden wordt binnen de afgesproken middelen. 2. Stadswerken is op de hoogte van de afspraken rondom beheer door bewoners en spreekt bewoners aan als de afgesproken resultaten niet gehaald worden.

6. Bij wijzingen aan het beplantingsplan, bijvoorbeeld door beperkte leverbaarheid van bepaalde soorten, stelt de werkvoorbereider of toezichthouder de ontwerper op de hoogte en legt een alternatieve soort voor.

3. Voorkom structuurschade (verdichting, spoorvorming) aan de bodem. 4. Bemest rozenvakken alleen als het nodig is. Bemest vaste plantenvakken minimaal twee keer per jaar. Bemest in gras indien nodig alleen de bollenstroken. 5. Wanneer soorten uitvallen worden deze in principe een op een vervangen. Als de uitval zeer groot is, als gevolg van een ziekte of een plaag, kies dan, in overleg met de ontwerper, voor een andere soort. 6. Zorg bij de start van de aanleg dat er geen invasieve exoten aanwezig zijn.

figuur 3.10 Zet bij het planten van vaste planten en heesters de beplanting uit vanaf de rand en de hoek van het plantvak

30

Om de verbinding tussen bewoners, groen en voedsel te versterken en bewustwording van een gezonde leefomgeving en gezond voedsel te stimuleren, wordt bij de inrichting van groen waar passend en mogelijk eetbare plantensoorten uitgekozen. Eetbare plantensoorten kunnen bomen of heesters zijn die eetbare vruchten, noten of zaden dragen, maar denk ook aan eetbare klimplanten of kruiden. Eetbaar groen is niet overal wenselijk, bijvoorbeeld op locaties met bodemvervuiling. Beplanting van eetbaar groen is mogelijk op plekken die veilig te bereiken zijn, waarbij plukken of rapen geen schade levert aan omringende beplanting en waar gevallen vruchten of noten niet tot overlast zorgen. Eetbaar groen is goed toepasbaar op het niveau van buurtgroen, bijvoorbeeld als onderdeel van medebeheerprojecten, maar kan ook goed toegepast worden op educatieve locaties in parken en plantsoenen.

3.3.1

proces

05 Bosplantsoen en struweel

Medebeheer is een samenwerking tussen de gemeente en een andere partij, zoals: bewoners, ondernemers, corporaties en/of nonprofitorganisaties. Daarbij voert zo’n partij op vrijwillige basis een deel van de beheertaken uit in de openbare ruimte. Om dit mogelijk te maken, faciliteert de gemeente met kennis, materialen en eventueel fysieke aanpassingen in de openbare ruimte. Alle partijen hebben eigen taken en verantwoordelijkheden. De gemeente blijft altijd eindverantwoordelijk. Op dit moment is een stadsbrede werkwijze in ontwikkeling voor medebeheer van het groen.

01 Toelichting voor de gebruiker

Eetbaar groen

02 Doel en overtuigingen puccinimethode

Particulier medebeheer

03 Basisprincipes

3.4

04 Bomen

3.3

06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten

3.3.2

inrichting en plantkeuze

10 Bijlagen

09 Water- en oeverbeplanting

08 Gras en ruigte

07 Kruidachtigen

De werkwijze waarin de uitgangspunten voor inrichting en beplantingskeuze wordt beschreven, is in ontwikkeling. Onderstaande punten zijn nu al praktisch toepasbaar. Ze worden in de nabije toekomst aangevuld: • Het kweken van groente en fruit (een moestuin houden) kan in volle grond, tenzij verplicht bodemonderzoek aantoont dat dit niet mogelijk is. Dan moet het kweken van groente en fruit in bakken (zie ook 3.2.2 uitgangspunten groenontwerp en beplantingsplan punt 6). • Aanplant van bomen is niet toegestaan, met uitzondering van laag- en halfstam fruitbomen. Kerstbomen zijn dus ook niet toegestaan. • Het is verplicht om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan, door deze actief te verdelgen. Logischerwijs is het niet toegestaan om deze soorten aan te planten. Deze soorten zijn te vinden op de Unielijst. Zie: nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/ unielijst-invasieve-exoten • Chemische bestrijdingsmiddelen zijn niet toegestaan.

31

04

Bomen

32

ecologische verbindingszones

buurt- en wijkparken

plantsoenen

historisch groen

pleinen

schoolpleinen

postzegelparkjes

straten

lanen

grachten

oevers

bermen

wadi

groene trambanen

bedrijfsterreinen

kantoorgebieden

sportparken

natuurspeelplekken

V = toepasbaar

33 07 Kruidachtigen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11344156/1