2.0 Handboek Groen 2021.pdf
Tekst van het document
07 Kruidachtigen
9. Infiltratie- en watergeefvoorzieningen Een boom van de kwekerij krijgt slechts 20%-30% van de actieve wortels mee. De rest blijft achter op de kwekerij. Een pas geplante boom heeft daarom de eerste twee tot drie jaar water nodig in droge perioden. Infiltratiesystemen en systemen om water te geven verbeteren de vochtvoorziening bij standplaatsen. Er zijn verschillende systemen: • Het graven en opwerpen van een klein gronddijkje, aangebracht rond de plantkluit. • Gietranden (bio-based) van ca. 30 cm hoogte die op de plantkluit wordt geplaatst en ca. 10 cm wordt ingegraven. • Een infiltratieslang (bio-based) die vlak onder maaiveld rond de kluit wordt aangebracht.
08 Gras en ruigte
8. Boomroosters In Amsterdam worden geen boomroosters toegepast. Eventuele voostellen worden ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie Puccinimethode.
09 Water- en oeverbeplanting
Vijf jaar na aanplant van de boom mag de boomspiegel, in overleg met de beheerder, worden voorzien van een halfverharding. Daarvoor wordt een kalkgesteente (dolomiet) toegepast. Vaak verkrijgbaar onder de naam Gralux of Gravier d’Or. De grond in de boomspiegel mag maximaal 5 cm worden opgehoogd.
Het beplanten van de boomspiegels, waarbij de grond maximaal 5 cm wordt opgehoogd levert geen problemen op. Het plaatsen van planken of banden rond de stam van een bestaande boom om een verhoogde plantbak te creëren is niet toegestaan. Om belemmering van boomveiligheidsinspecties te voorkomen mag alleen lage beplanting worden toegepast. Het planten van klimplanten of struiken is niet toegestaan. Indien er sprake is van een situatie waar werkzaamheden en inspecties belemmerd worden, de veiligheid in het geding is of er sprake is van slecht onderhoud of en calamiteit, behoudt de beheerder zich het recht om de beplanting te verwijderen. Indien een groter oppervlak aan onderbeplanting gewenst is, dan is er geen sprake meer van een boomspiegel, maar van een plantvak (zie paragraaf 4.3.4 verhoogde plantvakken). Voor het beplanten van boomspiegels oevers en kades, zie 9.5 en 9.6
figuur 4.29 Boomspiegel rond, beton
69
4.4.2
samenstelling en toepassing van grondsubstraten en constructies
10. Verankering Een nieuw aangeplante boom wordt verankerd om ervoor te zorgen dat de boom niet scheefof omwaait, maar ook om te voorkomen dat nieuwe wortelgroei schade oploopt door teveel beweging van de boom. Er zijn twee manieren van verankeren; bovengronds (met twee boompalen en jute banden) en ondergronds (kluitverankering).
Met betrekking tot de verschillende groeiplaatsprincipes worden verschillende grondsubstraten gebruikt waarvan de afzonderlijke eigenschappen bepalend zijn voor het resultaat. Namelijk een goede en duurzame wortelgroei in het substraat waardoor de bomen zonder problemen tot volle wasdom kunnen komen. De grondsubstraten zijn vrij van onkruiden en bevatten vitaal bodemleven. Hieronder worden de twee meest toegepaste grondsubstraten nader toegelicht.
Bovengrondse verankering In Amsterdam is de bovengrondse verankering van bomen met twee boompalen, evenwijdig aan de rijrichting en afbreekbare jute banden de standaard. Nadat de boom in het plantgat is gezet wordt het gaas rond de kluit losgeknipt en bij voorkeur verwijderd. Is dit niet mogelijk dat wordt het gaas tot onderin het plantgat geduwd. Boompalen steken maximaal 1,50 m boven het maaiveld uit en zijn niet verduurzaamd. Deze verankering blijft maximaal vier jaar staan, totdat de boom zelf voldoende verankerd is door middel van zijn stabilisatiewortels. Daarna worden de palen en banden verwijderd. In geval van draai- of valwinden rondom hoge gebouwen, op windlocaties of bij grotere bomen zijn drie palen met een houten juk en jute banden nodig.
1. Bomengrond 5-8% organische stof (os) (samenstelling staat in bijlage 10.7) wordt alleen gebruikt op plekken waar de boom in open grond wordt geplant of bij een groeiplaats met hoge verkeersbelasting (zelfdragende constructie). Bomengrond bevat belangrijke voedingsstoffen en structuureigenschappen voor een goede start van een nieuw aangeplante boom. 2.Bomenzand 4-5% (os) (samenstelling staat in bijlage 10.8), wordt toegepast in een situatie waar de boom in de (half)verharding wordt geplant. Bomenzand wordt gemaakt met speciaal geselecteerd zand en (veen-) compost en zorgt voor een goede water- en luchthuishouding en geeft daarnaast voldoende draagkracht aan de bovenliggende verharding/ bestrating.
Ondergrondse of kluitverankering Deze vorm van verankering wordt alleen in overleg met de beheerder toegepast, is maatwerk en wordt alleen toegepast als bovengrondse verankering niet mogelijk is. Bijvoorbeeld op een parkeerdek met een geringe bodemopbouw. Deze methode van verankeren is windgevoeliger dan bovengrondse verankering. Het gaas rond de draadkluit moet blijven zitten voor stevigheid. De verankering mag alleen over de kluit heen aangebracht worden en nooirt om de stam heengedraaid of vastgemaakt. Nadat bomen scheef gewaaid zijn, is het bij deze methode ook lastiger om de bomen weer rechtop te zetten. Binnen vier jaar moet ondergrondse verankering worden verwijderd of losgesneden.
figuur 4.30 Gietrand in de vorm van gronddijkje (foto: Hans Kaljee)
70
figuur 4.31 Kunsstof gietrand
Constructies: Sandwichconstructie Zelfdragende constructie Voor samenstelling en het aanbrengen van de constructies zie bijlage 10.10 en 10.11.
• •
De negen groeiplaatsprincipes zijn in de hierna volgende factsheets uitgewerkt en verbeeld en zijn van toepassing bij zowel elementverharding als halfverharding (dus ook waterdoorlatenen/passerende verharding) . In beginsel worden bomen niet in een gesloten asfaltverharding geplant.
01 Toelichting voor de gebruiker 07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Het bepalen en aanleggen van het grondsubstraat en/of de constructie is maatwerk. Neem altijd contact op met een specialist. Op hoofdlijnen vindt deze plaats op onderstaande wijze: • Open grondsituatie (bomengrond of bomenzand). • Groeiruimte onder niet belaste verhardingen zoals trottoirs (bomenzand). • Groeiruimte onder belaste verhardingen (sandwichconstructie bestaande uit bomenzand en krattenlaag). • Groeiruimte onder belaste verhardingen met hogere piekbelasting, zoals kiss & ride locaties, in- en uitritten en bij bruggenhoofden (bomengranulaat). • Groeiruimte over verharding met hoge verkeersbelasting zoals verkeerspleinen (zelfdragende constructie met bomengrond/ bosgrond).
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
1. Bomen in open grasberm; 2. Bomen in combinatie met vaste planten en siergrassen; 3. Bomen in verharding; 4. Bomen in parkeervoorziening (belaste verharding); 5. Bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting; 6. Bomen langs gracht; 7. Bomen op dak van tunnels en parkeergarages; 8. Bomen in een wadi; 9. Bomen langs trambaan.
03 Basisprincipes
In Amsterdam komen negen groeiplaatsprincipes voor die zich onderscheiden in bodemopbouw en eventuele voorzieningen die getroffen moeten worden. Dat zijn:
04 Bomen
principes van groeiplaatsinrichting
In Amsterdam worden daarnaast ook de volgende grondsubstraten en constructies gebruikt: Substraten: • Humuscompost-mengproduct, voor toplaag vaste planten • Bladaardecompost voor in sandwichconstructie • Schrale toplaag voor gazon/berm • Bladaarde (mulch) • Drainzand • Bomengranulaat (alleen in zeer specifieke omstandigheden, zoals kiss & ride locaties, inen uitritten en bij bruggenhoofden). Voor samenstelling van de substraten zie bijlage 10.9.
05 Bosplantsoen en struweel
4.4.3
Bovengrondse verankering Wibautstraat (foto: Cécile Obertop)
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
Om het risico op nazakking/insporing na aanleg te beheersen, is het belangrijk dat het substraat op een verantwoorde manier wordt aangebracht. In bijlage 10.10 is per substraatsoort aangegeven waar rekening mee gehouden moet worden.
71
groeiplaatsprincipe 1: bomen in open grasberm Toepassing • Dit principe wordt toegepast in open bermen langs rijwegen en in gazons ter plaatse van plantsoenen en parken. Ten bate van de bomen wordt bomengrond aangebracht met een organisch stofgehalte van 7-8%. Het creëren van een schrale toplaag met een organische stof gehalte van 4-5% garandeert een goede ontwikkeling van de bloemrijke grasvegetatie. • Wanneer nodig kan een wortelscherm of –folie worden aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen. Gebruikswaarde • Uitgangspunt is dat bermen en gazons niet bereden worden en de afwatering van rijwegen en/of hoofdpaden inclusief dooizouten niet rechtstreeks richting de bomen plaatsvindt. • Om de sierwaarde te verhogen, worden in grasbermen en/ of gazons vaak biologische bloembollen en knollen toegepast.
Bomen in grasberm Gooiseweg (foto: Geert Timmermans)
biobased
Figuur 4.32 Opbouw plantvak boom in open grasberm en gazon
72
01 Toelichting voor de gebruiker
Figuur 4.33 Detail bodemopbouw en samenstelling
boom in grasberm Mahlerlaan (foto: Jan Willem Obbink)
73
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
bomen in grasberm Rozenburglaan (foto: Geert Timmermans)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • De schrale toplaag kan in het werk of vooraf bij de leverancier worden voorgemengd. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven (zie figuur 4.30).
Groeiplaatsprincipe 2: bomen in open grond in combinatie met vaste planten en siergrassen Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij de combinatie vaste planten borders en vakken met bomen. Ten bate van de bomen wordt bomengrond aangebracht met een organisch stofgehalte van 7-8%. Het creëren van een rijke toplaag garandeert een goede ontwikkeling van vaste planten en grassen. Gebruikswaarde Uitgangspunt is dat bermen en gazons niet bereden worden en de afwatering van rijwegen en/of hoofdpaden inclusief dooizouten niet rechtstreeks richting de bomen plaatsvindt. • Uitgangspunt is dat de borders of vakken met vaste planten en bomen niet betreden worden.
•
Bomen in combinatie met vaste planten, Kees Boekestraat (foto: Geert Timmermans)
biobased
Figuur 4.34 Opbouw plantvak boom in open in combinatie met vaste planten en siergrassen
74
Figuur 4.35 Detail bodemopbouw en samenstelling
01 Toelichting voor de gebruiker
Bomen in combinatie met vaste planten, Van Weldammelaan
75 (foto: Ton Muller)
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Bomen in combinatie met vaste planten (foto: Geert Timmermans)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • De humuscompost moet goed gemengd worden met bomengrond zodat een rijke toplaag ontstaat. Dit kan in het werk of vooraf bij de leverancier plaatsvinden. • De bladaarde/mulch wordt los aangebracht en niet gemengd met ondergrond. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Het is belangrijk om aaneengesloten groeiplaatsen te creëren binnen de beschikbare ruimte ten gunste van optimale groeiomstandigheden van bomen. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven (zie figuur 4.30).
Groeiplaatsprincipe 3: bomen in verharding Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij bomen in trottoirs en voetgangersgebied waar verharding niet belast wordt door voertuigen. Ten bate van de bomen wordt bomenzand aangebracht met een organisch stofgehalte van 4-5%. • Wanneer nodig wordt een wortelscherm of – folie aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen. Gebruikswaarde Uitgangspunt is dat trottoirs niet bereden worden. • De boomspiegel kan worden gevuld met schraal zoet zand, specifieke halfverharding of beplant met vaste planten of bodembedekkers.
•
boom in trottoir, Stadionweg foto: Herman Best
biobased
Figuur 4.36 Opbouw plantvak boom in trottoir
76
01 Toelichting voor de gebruiker
foto: Figuur 4.37 Detail bodemopbouw en samenstelling
Bomen in verharding Hogeweg (foto: Geert Timmermans)
77
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Bomen in verharding Transvaalstraat (foto: Geert Timmermans)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening wordt een biologisch afbreekbaar beluchtingssysteem onder in het bomenzand aangebracht. • Het is belangrijk om aaneengesloten groeiplaatsen te creëren binnen de beschikbare ruimte ten gunste van optimale groeiomstandigheden van bomen. • Indien nodig een gietrand (biobased) toepassen.
Groeiplaatsprincipe 4: bomen in parkeervoorziening (belaste verharding)
en m bog n geienin e o z oervvoor t o Foatrkee p
Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij bomen in parkeervoorzieningen waar belasting door voertuigen plaatsvindt. • Onder de verharding wordt een drukverdelende sandwichconstructie toegepast. Daaronder wordt bomenzand aangebracht met een organisch stofgehalte van 4-5%. • Wanneer nodig wordt een wortelscherm of – folie aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen.
in
Gebruikswaarde Door (verhoogde) bandenlijnen of speciale voorzieningen wordt aanrijdschade aan de bomen voorkomen.
•
Constructie onder verharding tbv bomen in parkeervoorziening, Balistraat (foto: Jan Wilem Obbink)
biobased
Figuur 4.38 Opbouw plantvak boom in parkeervoorziening (belaste verharding)
78
01 Toelichting voor de gebruiker
foto: Figuur 4.39 Detail bodemopbouw en samenstelling
Bomen in parkeervoorziening (foto: Hans Kaljee)
79
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Schematische tekening van aanbrengen materialen tbv bomen in parkeervoorzieining (aangeleverd door Jan Willem Obbink)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • Om zettingsverschillen tegen te gaan, wordt de sandwichconstructie in een zo groot mogelijke, aaneengesloten oppervlakte toegepast. • Ten behoeve van kabels en leidingen kunnen doorvoeren onder de sandwichconstructie worden gemaakt (mantelbuizen). • Om wortelgroei onder de verharding tegen te gaan wordt aan de binnenkant van de opsluitband nauwkeurig een afsluitende wortelwering toegepast (manchet of doek). • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening wordt een biologisch afbreekbaar beluchtingssysteem onder in het bomenzand aangebracht. • De sandwichconstructie wordt in zijn geheel gevuld met zeer fijne bladaardecompost. Na verloop van tijd ontstaat door inklinking een luchtlaagje boven in de krat. • Het is belangrijk om aaneengesloten groeiplaatsen te creëren binnen de beschikbare ruimte ten gunste van optimale groeiomstandigheden van bomen. • Indien nodig een gietrand (biobased) toepassen.
Groeiplaatsprincipe 5: bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting
enmet m bokenng n gepleklasti e o e oenvdereersb t o e Fotbijzoverk inoge h
Let op! Voor groeiplaatsprincipe 5 is een basisspecificatie beschikbaar die bij de beheerder opgevraagd kan worden. Deze dient als ontwerpuitgangspunt te worden gelezen waarop groeiplaatsprincipe 5 verder uitgewerkt kan worden. Toepassing • Dit principe wordt toegepast op bijzondere locaties in het centrumgebied met hoge gebruiksintensiteit en daardoor zware verkeersbelasting. De zware verkeersbelasting vindt plaats op en/of direct naast de groeiplaats. Bomen op deze locaties worden minimaal 50 jaar oud. • Dit principe bestaat uit een dragende- en drukspreidende constructie (boombunker), van beton en/of kunststof, die er voor zorgt dat de bomengrond door externe druk niet verdicht raakt. Ten gunste van de boom ontstaat onder de afdekplaat een 2e maaiveld met een luchtlaag. • In de constructie wordt bomengrond met een organische stofgehalte van 5-10% toegepast. • Wanneer nodig wordt een wortelscherm of – folie aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen.
Boombunker, Rijnstraat (foto: Hans Kaljee)
biobased
Figuur 4.40 Opbouw plantvak boom op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting
80
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode
enmet m bokenng n gepleklasti e o e oenvdereersb t o e Fotbijzoverk inoge h
•
Figuur 4.41 Detail bodemopbouw en samenstelling
Bomen met hoge verkeersbelasting, Amstelvlietstraat
81 (foto: Hans Kaljee)
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
•
Bij aanplant van grotere boommaten of bomen met “losse” kluit kan, afhankelijk van de windbelasting, naast ondergrondse ook bovengrondse verankering worden toegepast. De wortelkluit wordt zo hoog mogelijk aangeplant ten opzichte van het maaiveld en indien nodig wordt de boomspiegelmaat aangepast. Indien nodig een gietrand (biobased) toepassen.
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
•
07 Kruidachtigen
Ondergrondse constructie voor bomen bij hoge verkeersbelasting, Beursplein (foto: Herman Best)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
Belangrijkste aandachtspunten • Op basis van de toekomstige gebruiksintensiteit wordt vastgesteld aan welke belastingseis de constructie moet voldoen. Hiervoor is afstemming met een constructeur nodig. • Om zettingsverschillen tegen te gaan, wordt de bunkerconstructie in een zo groot mogelijke, aaneengesloten oppervlakte toegepast. • Ten behoeve van kabels en leidingen kunnen doorvoeren door de constructie worden gemaakt (mantelbuizen). • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening wordt een biologisch afbreekbaar beluchtingssysteem onder in de bomengrond aangebracht.
03 Basisprincipes
Gebruikswaarde • Door (verhoogde) bandenlijnen of speciale voorzieningen wordt aanrijdschade aan de bomen voorkomen.
Groeiplaatsprincipe 6: bomen langs gracht
Toepassing • Dit profiel wordt toegepast bij herinrichting of vervanging van bomen langs de gracht waar belasting door voertuigen plaatsvindt. • Onder de verharding van de parkeerplaatsen wordt een drukverdelende sandwichconstructie toegepast; daaronder bomengrond met een organisch stofgehalte van 5-8 %. • Wanneer nodig wordt een wortelscherm of – folie aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen Gebruikswaarde Uitgangspunt is de afwatering van de verharding inclusief dooizouten niet rechtstreeks richting de bomen plaatsvindt. • Door (verhoogde) bandenlijnen of speciale voorzieningen wordt aanrijdschade aan de bomen voorkomen.
•
Bomen langs gracht (foto: Herman Best)
biobased
Figuur 4.42 Opbouw plantvak boom langs gracht
82
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes
04 Bomen 05 Bosplantsoen en struweel
Bomen langs gracht (foto: Hans Kaljee)
foto: Figuur 4.43 Detail bodemopbouw en samenstelling
Maquette van technische constructie bij bomen langs gracht
83 (foto: Hans Kaljee)
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Belangrijkste aandachtspunten • Afstand tussen de binnenkant van de kademuur en nieuw te planten boom is minimaal 100 cm. • Beworteling heeft direct contact met het grondwater. • Om zettingsverschillen tegen te gaan, wordt de sandwichconstructie in een zo groot mogelijke, aaneengesloten oppervlakte toegepast. • Ten behoeve van kabels en leidingen kunnen doorvoeren onder de sandwichconstructie worden gemaakt (mantelbuizen). • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening wordt een biologisch afbreekbaar beluchtingssysteem onder in het bomenzand aangebracht. • De sandwichconstructie wordt in zijn geheel gevuld met bladaardecompost. Na verloop van tijd ontstaat door inklinking een luchtlaagje boven in de krat. • Het is belangrijk om aaneengesloten groeiplaatsen te creëren binnen de beschikbare ruimte ten gunste van optimale groeiomstandigheden van bomen. • Indien nodig een gietrand (biobased) toepassen.
Groeiplaatsprincipe 7: bomen op dak van tunnels en parkeergarages
Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij aanplant van bomen op daken van tunnels en parkeergarages. • De minimale dikte van de bodemopbouw op het dak moet minimaal 100 cm zijn om te zorgen dat bomen tot hun volle wasdom kunnen komen. • De standaard bodemopbouw is 80 cm grondsubstraat en 20 cm waterbufferende en/ of waterafvoerende laag. • Het groeiplaatsontwerp is afhankelijk van de hoogte van de grondwaterstand boven of onder het dak. Een hydrologisch onderzoek wijst uit of er op de dakconstructie een waterbufferende of waterafvoerende laag moet worden aangelegd met bijbehorende specifieke eisen. Gebruikswaarde In een open grondsituatie is de opbouw van de toplaag afhankelijk van het beplantingstype; bij gazons wordt het betreffende groeiplaatsprincipe (1) toegepast.. • In een verharde situatie, bijvoorbeeld op dakpleinen met hoge verkeersbelasting, wordt het groeiplaatsprincipe van een sandwichconstructie (4) of bunkerconstructie (5) toegepast.
•
foto: 4.51 Detail bodemopbouw en samenstelling Figuur
biobased
Figuur 4.44 Opbouw plantvak op dak van tunnels en parkeergarages met waterafvoerende laag
84
01 Toelichting voor de gebruiker
Figuur 4.45 Opbouw plantvak op dak van tunnels en parkeergarages met waterafvoerende voorziening
85
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
biobased
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
foto: 4.53 Detail bodemopbouw en samenstelling Figuur
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • Bij een grondwaterstand boven het dak wordt een waterafvoerende laag toegepast. Een waterafvoerende laag bestaat uit minimaal 20 cm grof drainzand (eventueel) met drainage. Zie groeiplaatsprincipe 7a. • Bij een permanente grondwaterstand onder het dak kan een waterbufferende laag worden toegepast met een waterafvoerende voorziening, zie groeiplaatsprincipe 7b. • Bij aanplant van grotere boommaten of bomen met “losse” kluit kan, afhankelijk van de windbelasting, naast ondergrondse ook bovengrondse verankering worden toegepast. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven (zie figuur 4.30).
Groeiplaatsprincipe 8: bomen in een wadi
Toepassing • Dit profiel wordt toegepast als er maatregelen benodigd zijn in het kader van het Rainproof inrichten van de verharde openbare ruimte. Hierdoor wordt hemelwater tijdelijk vast gehouden in de wadi en vertraagd afgevoerd naar het hemelwatersysteem. • Deze wadi bestaat uit de combinatie van bomen, heesters en vaste planten. • Het creëren van een rijke toplaag garandeert een goede ontwikkeling van vaste planten en grassen. Gebruikswaarde Uitgangspunt is dat de borders of vakken met vaste planten en bomen niet betreden worden. • Om de beplanting in een goede conditie te houden is het een vereiste dat het verzamelde hemelwater binnen 1 etmaal wordt afgevoerd naar het hemelwatersysteem. • Bij de sortimentskeuze moet rekening worden gehouden met periodiek natte en droge omstandigheden.
•
Bomen in wadi, Bernabeuhof (foto: Geert Timmermans)
biobased
Figuur 4.46 Opbouw plantvak boom langs gracht
86
01 Toelichting voor de gebruiker
Figuur 4.47 Detail bodemopbouw en samenstelling
Bomen in wade, Prinses Irenestraat (foto: Ton Muller)
87
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Bomen in wadi, Prinses Irenestraat (foto: Jan Willem Obbink)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • De humuscompost moet goed gemengd worden met bomengrond zodat een rijke toplaag ontstaat. Dit kan in het werk of vooraf bij de leverancier plaatsvinden. • De bladaarde/mulch wordt los aangebracht en niet gemengd. • Bij aanplant van grotere boommaten of bomen met “losse” kluit kan, afhankelijk van de windbelasting, naast ondergrondse ook bovengrondse verankering worden toegepast. • Bij een hoge grondwaterstand kan drainage worden toegepast. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven (zie figuur 4.30).
Groeiplaatsprincipe 9: bomen langs trambaan
Toepassing • Dit principe wordt toegepast bij bomen langs trambaan. • Tussen de trambaanconstructie en de ondergrondse groeiplaats wordt een wortelscherm aangebracht. Het scherm wordt aangebracht tot onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). • In een grasberm wordt bomengrond toegepast met een schrale toplaag, in de verharde situatie bomenzand. Ter plaatse van een tramhalte wordt een sandwichconstructie aangelegd.
n
n
ge e o oeravcht t o Font gs g la
e m o b
Gebruikswaarde Op haltes is uitgangspunt dat de afwatering van de verharding inclusief dooizouten niet rechtstreeks richting de bomen plaatsvindt.
•
Figuur 4.49 Waar houd je nog meer rekening mee bij bomen langs trambaan
biobased
Figuur 4.48 Opbouw plantvak boom langs traambaan
88
Boom naast trambaan (foto: Hans Kaljee)
Figuur 4.50 Detail bodemopbouw en samenstelling
89
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Voorbereiding voor boom naast trambaan, Paulus Potterstraat (foto: Jan Willem Obbink)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
en g e obaan v e toram o t Fongs t la
01 Toelichting voor de gebruiker
n
e m o b
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Belangrijkste aandachtspunten • Het is belangrijk om aaneengesloten (langwerpige) groeiplaatsen te creëren binnen de beschikbare ruimte ten gunste van optimale groeiomstandigheden van bomen. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • De boomsoort moet op eindbeeld zonder problemen boven de tramleidingen uit kunnen groeien. • Indien nodig een gietrand (biobased) toepassen.
4.4.4
bomen in bestaande situaties
Een Bomen Effect Analyse (BEA) bestaat uit twaalf bouwstenen, verdeeld over de volgende vier onderdelen: voorstudie, veldonderzoek, analyse, conclusie en advies. Het gebruik van deze bouwstenen borgt een compleet en gestructureerd onderzoek met als resultaat duidelijkheid over de vraag of behoud van bomen al dan niet mogelijk is.
Behoud van bomen bij herinrichting en nieuwe aanleg Behoud en inpassing van bestaand en gezond groen is het uitgangspunt bij herinrichting en nieuwe aanleg. Dit houdt onder andere in beschermen van bestaande bomen bij bouwwerkzaamheden, rekening houden met bomen bij aanpassingen in en aan het maaiveld en groeiplaatsverbetering bij bestaande bomen. Het betreft monumentale bomen, gezonde bomen die niet meer verplantbaar zijn en oud bosplantsoen met hoge ecologische kwaliteit. Gedurende het planvormingsproces kan blijken dat behoud en inpassing niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege profielwijzigingen. Wanneer er toch bomen moeten worden gekapt, dan moet er een kapvergunning worden aangevraagd en moeten de bomen worden gecompenseerd. In dat geval vraagt de projectleider een kapvergunning aan bij het desbetreffende stadsdeel. De boomadviseur van het stadsdeel geeft een advies en hoe de te kappen bomen gecompenseerd moeten worden (aantal nieuwe bomen). In eerste instantie moeten de bomen in het project gecompenseerd worden. Lukt dit niet, dan in wijdere omgeving van het project of elders in Amsterdam. Als dat niet lukt dan worden de bomen gecompenseerd in de vorm van geld in het bomencompensatiefonds (zie ook bomenverordening en compensatiebeleid).
Bomen effect analyse (BEA) Om bomen op een verantwoorde manier te behouden en in te passen in een ontwerp wordt een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd conform de Richtlijn BEA van de Bomenstichting en CROW. Op deze manier worden de effecten beschreven van de herinrichting of nieuwe aanleg op bestaande bomen en kunnen keuzes gemaakt worden om plannen aan te passen of randvoorwaarden op te stellen tot behoud. Het doel van de BEA is om bomen, met de waarde en functie die zij vertegenwoordigen, een evenwichtige plek te geven in de planvoorbereiding en besluitvorming van een project. Het uitvoeren van een BEA is in iedere fase van planvorming mogelijk mits er ruimte is voor ontwerpaanpassingen. Om op tijd bij te kunnen sturen moet de BEA in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming worden opgesteld. Bij concrete projecten is het uitvoeren van een BEA meestal eenmalig, bij globale plannen met een lang voorbereidingstraject (zoals een gebiedsontwikkeling) is de BEA een doorlopend advies. Tijdens een dergelijk traject kan het ontwerp nog veranderen waardoor het in iedere fase van het plan van belang is om de BEA actueel te houden.
1. Voorstudie De voorstudie bestaat uit de bouwstenen: Uitgangspunten project, Toetsing uitvraag en Functie of waarde van de bomen. Het belang van de voorstudie is om aan het begin van een traject de uitgangspunten van de plannen te doorgronden en te toetsen. Hiermee worden de kaders van het onderzoek duidelijk. Hieronder valt ook de quickscan Wet natuurbescherming. 2. Veldonderzoek Het veldonderzoek bestaat uit de bouwstenen: Kwaliteit bomen, Ruimtestudie en Kansen en knelpunten. Het resultaat van het veldonderzoek zijn objectieve waarnemingen en bevindingen. Het is de nulmeting van de huidige kwaliteit van de bomen. Het is van belang om in de huidige situatie oog te hebben voor zowel kansen als knelpunten. 3. Analyse De analyse bestaat uit de bouwstenen: Impact bovengronds ruimtegebruik, Impact ondergronds ruimtegebruik en Impact uitvoering. Bij de analyse gaat het om de duiding van mogelijke effecten op basis van het globale plan of het concrete project. Dit geldt zowel voor positieve als voor negatieve effecten. Het kunnen de gevolgen van de geplande activiteiten zelf zijn, maar ook de effecten van de wijze van uitvoering. Zowel de bevindingen uit de voorstudie als die uit het veldonderzoek moeten worden afgewogen. Daarnaast moeten de mogelijke effecten voor de boom in de onderlinge samenhang beoordeeld worden. Sommige effecten versterken elkaar immers. 4.
Conclusie en advies De conclusie en het advies bestaan uit de bouwstenen: Eindoordeel effecten, Randvoorwaarden en Alternatieven. De conclusie geeft antwoord op de vraag: Is behoud van de bomen mogelijk als de voorgenomen activiteiten in de omgeving van de bomen plaatsvinden? Is het antwoord op deze vraag “Ja”, dan volgen in het advies de randvoorwaarden en boombeschermende maatregelen en groeiplaatsverbeteringen om dit behoud te realiseren. Is het antwoord op de vraag “Nee”, maar hebben de bomen op zich een goede toekomstverwachting, dan volgt een advies met maatregelen hoe de bomen eventueel wel te behouden zijn. Deze alternatieven zijn eveneens onderdeel van het advies. 90
Uiteindelijk worden alle eerder genoemde randvoorwaarden via een werkplan en/ of bomenbeschermingsplan vastgelegd in een contract (bestek) zodat helder is wat is afgesproken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes
04 Bomen
Maak gebruik van de Checklist ‘Bomen en bouwwerkzaamheden’ uit CROW-publicatie 280 ‘Combineren van onder- en bovengrondse infrastructuur met bomen’: 1. Voorkom dat de bodem binnen de doorwortelde zone wordt verdicht. 2. Voorkom dat de stam wordt beschadigd. 3. Voorkom dat wortels worden beschadigd. 4. Houd bomentoezicht en voer overleg. 5. Voorkom verdroging van bomen door (grond-) wateronttrekking/-bemaling.
05 Bosplantsoen en struweel
•
07 Kruidachtigen
•
08 Gras en ruigte
•
09 Water- en oeverbeplanting
•
Spinnenkopconstructies en daardoor bij huisaansluitingen minder passages langs wortels van bestaande bomen. Volschuimen van kolken die dicht bij bomen staan, de kolken kunnen dan blijven liggen (verwijderen zorgt voor teveel schade aan het wortelgestel). Afwatering door middel van eenlijngoot tussen bomen en gevels in (niet gewenst, maar soms wel een goede oplossing voor behoud van de bomen). Aanbrengen van metalen strippen in plaats van (brede) opsluitbanden Ophogen van maaiveld door parkeervakken gelijk te trekken met trottoir i.p.v. weg (doel behoud van wortels).
10 Bijlagen
•
Bescherming van bomen bij bouwwerkzaamheden Een zorgvuldige voorbereiding is essentieel bij alle bouw- en grondwerkzaamheden waarbij bomen en infrastructurele voorzieningen aanwezig zijn of nieuw gerealiseerd worden. Dit start met het opstellen van een Bomen Effect Analyse (BEA). Uit de BEA vloeit een Werkplan c.q. Bomenbeschermingsplan voort waarin tenminste beschreven staat: 1. Hoe de geadviseerde randvoorwaarden uit de BEA (gefaseerd) worden uitgevoerd bij te handhaven bestaande bomen. 2. Met welke maatregelen de bomen worden beschermd (bijvoorbeeld welk materieel, welk materiaal en in welke tijdsperiode).
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Eenvoudige oplossingen voor het behoud van bomen:
91
4.4.5
verplanten van bomen
Verandering van maaiveld rondom bestaande bomen Het is van groot belang om er bij herinrichting rondom bestaande (oude) bomen rekening mee te houden dat het maaiveld niet zo maar wordt veranderd. Verhoging of verlaging van het maaiveld rondom bomen kan zeer negatieve gevolgen hebben voor de conditie en stabiliteit. Bijvoorbeeld door verhoging van het maaiveld > 0,1 m kan de bovenlaag afgesloten raken, hierdoor stokt de zuurstofuitwisseling met de wortels en sterven deze af. Ook als het gebied rondom de boom wordt ‘uitgespaard’ bij de ophoging kan dit negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld op het moment dat (regen)water uit de omgeving naar de uitsparing stroomt, met zuurstofgebrek door waterverzadiging tot gevolg. Bij een maaiveldverlaging is er grote kans op wortelschade en/of wortelverlies, omdat veel wortels oppervlakkig groeien. Aanpassingen in de hoogte van het maaiveld rondom bestaande bomen is maatwerk en vraagt tijd en vakkennis. Het is daarom verplicht om een boomspecialist in te schakelen voordat er definitief wordt besloten om de hoogte van het maaiveld te veranderen.
• •
In de huidige tijd is de stad volop in ontwikkeling en dat vraagt om ruimtelijke aanpassingen. Na een zorgvuldige afweging (onderandere een quickscan Wet natuurbescherming) van boombehoud, kan de uitkomst zijn dat bomen op de huidige locatie niet gehandhaafd kunnen blijven en dat verplanten een laatste mogelijkheid is om ruimte te scheppen voor ruimtelijke aanpassingen en behoud van bomen. In het algemeen geldt dat een boom alleen verplant wordt als de verwachting is dat de boom de komende 15 jaar nog een goede groei geeft. Daarbij wordt ook een inschatting gemaakt naar de slagingskans van een succesvolle verplanting. Vooraf wordt een verplantbaarheidsonderzoek (zie hiervoor CROW publicatie 280 (digitale verwijzing…)) uitgevoerd bij de boom. Om voor verplanting in aanmerking te komen, moeten bomen aan de volgende biologische en technische eisen voldoen. Biologische verplantbaarheid: • De conditie van de boom moet ‘goed’ zijn. • De leeftijd van de boom mag niet ouder zijn dan circa 35 jaar. In bijzondere situaties kan overwogen worden om bomen op oudere leeftijd wél te verplanten zoals monumentale bomen of bomen met een bijzondere waarde (cultuurhistorisch, zeldzaam, etc.). • De boomsoort is geen snelgroeiende soort zoals populier, niet gevoelig voor boomziekten. • De boomvorm is niet gekandelaberd, heeft geen eenzijdige kroon, niet onderstandig etc..
Bij verwachte verhoging of verlaging van het maaiveld rondom bomen is het verplicht om een boomspecialist in te schakelen. Het is verplicht om bomen te beschermen bij bouwwerkzaamheden zie paragraaf 4.4.5.
Groeiplaatsverbetering bij bestaande bomen Via een BEA (onderdeel Veldonderzoek, bouwsteen Ruimtestudie) wordt het wortelgestel in de planfase in beeld gebracht. Afhankelijk van de maaiveldindeling en de verspreiding van het wortelgestel wordt nagegaan wat de (on)mogelijkheden van grondverbetering zijn. Streven is het voorgeschreven doorwortelbaar volume te realiseren. De uitkomst kan echter zijn dat op beperktere schaal dan voorgeschreven, grondverbetering kan plaatsvinden. De werkwijze bij grondverbetering moet zijn dat geen of minimale wortelschade wordt aangericht, wat haalbaar is door bijvoorbeeld semi-handmatig ontgraven of toepassing van grondzuigtechniek. De principes en richtlijnen van groeiplaatsinrichting uit paragraaf 4.4.1 gelden ook voor bestaande bomen, zij het onder de randvoorwaarde dat het wortelgestel van bestaande bomen zoveel als mogelijk intact moet blijven.
Technische verplantbaarheid: Ligging van kabels en leidingen rondom de kluit. Geen in functie zijnde kabels en leidingen in de kluit. • Beschikbare ruimte voor verplanting. Voldoende bovengrondse ruimte aanwezig om de boom te kunnen verplanten. • De mogelijkheid om de boom over land of via het water te transporteren naar een (tijdelijk) depot. • Onderzocht wordt of een compacte, samenhangende en te transporteren kluit kan worden gevormd (geen platte breed uitgroeiende kluit). Onderzoek naar de kwaliteit van bodem en beworteling van de te verplanten boom is essentieel. • Als de boom jonger is dan circa 15 jaar kan deze zonder voorbereiding verplant worden. Als de boom tussen de 15 en 35 jaar is heeft deze een kluitvoorbereiding (inperken van de kluit) nodig van minimaal 1 jaar. • De nieuwe plantlocatie moet een vergelijkbare doorwortelbare groeiplaats, grondwaterstand (droogstand) en zuurgraad hebben als de oorspronkelijke locatie.
•
92
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode
Naast deze eisen zijn er andere eisen die bij de afweging meegenomen moeten worden. Het gaat daarbij om de toegestane verkeersbelasting op de verplantplek/planplek, de kosten voor het verplanten, de beschikbaarheid van een nieuwe locatie voor de bomen en de route daar naar toe.
03 Basisprincipes
Risico’s bij verplanting Bij het verplanten raakt een boom een aanzienlijk deel van zijn fijne wortels kwijt en kan deze op een sterk afwijkende nieuwe groeiplaats terechtkomen. Hierdoor ontstaat vrijwel altijd een ‘verplantshock’. Dit leidt over het algemeen tot een periode van 1 tot 5 jaar waarin de boom dient te herstellen en moet ‘wennen’ aan de nieuwe locatie.
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Verplanten boom, Amstelstation (foto: Hans Kaljee)
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
Voorbereiding verplantkluit Aan de kluit worden meerdere eisen gesteld. De belangrijkste is dat deze voldoende samenhangend is. De verplantkluit mag bij het optillen en verplaatsen niet uiteen vallen. Deze samenhang is afhankelijk van de bodem (kleien organische stofgehalte) en de hoeveelheid fijne wortels. Daarnaast is het van belang dat de kluit veel fijne wortels bevat en dat er bij het rondsteken niet teveel wortels verloren gaan; voor de stevigheid van de kluit en omdat dit het herstel na de verplanting bevordert. Voorbereiding op verplanting houdt in dat in het eerste jaar de wortels op de verplantmaat worden los gestoken of afgezaagd. Hierna wordt een mantel van goed doorwortelbare grond met ruim voldoende voedingsstoffen aangebracht. Daarna wordt langs de buitenzijde deze plantkluit rondom stevig ingepakt. Gedurende de volgende groeiseizoenen wordt de kluit bemest en beregend om uitdroging te voorkomen. Deze werkwijze is gericht op zo veel mogelijk fijne wortelgroei in de te transporten kluit. Indien de verplantkluit onvoldoende samenhangend is, kan verplanting toch worden uitgevoerd mits er twee tot drie groeiseizoenen beschikbaar zijn om de kluit op verplanting voor te bereiden.
93
4.5
Specials 4.5.1
fruitbomen Fruitbomen (zoals appel, peer en kers) worden vaak niet groter dan 8-10 m en zijn zeer beheerintensief (snoei en bemesting). Gevallen fruit op verhardingen wordt niet altijd door de bewoners gewaardeerd. Op andere locaties (medebeheer groen) leveren fruitbomen een positieve bijdrage aan de binding met de buurt, sociale cohesie, biodiversiteit en educatie. Zogenaamde hoogstamfruitbomen zijn toegestaan op plekken waar de oogst voorop staat zijn plantsoenen, postzegelparkjes, parken, sportveldterreinen, schooltuinen en schoolpleinen. De voorkeur gaat dan uit naar het toepassen van bijzondere en cultuurhistorische interessante rassen. Soortkeuze in overleg met de Pomologische Vereniging Noord-Holland, zie voor informatie: hoogstamfruitnh.com/ Hoogstamfruitbomen worden niet toegepast als straat- of laanboom, in de buurt van scholen, speelplekken en parkeerplekken. Laagstamfruitbomen zijn wel toegestaan in projecten met particulier medebeheer.
Fruitbomen in de openbare ruimte, sportpark de Meer (foto: Geert Timmermans)
94
knot-, lei- en vormbomen
meerstammige bomen
Vormbomen -waaronder dakplatanen, leilindes en bolacacia’s- worden in de Amsterdamse openbare ruimte standaard niet toegepast. Dit vanwege de vereiste snoeideskundigheid en het intensieve beheer. Uitzonderingen op dit uitgangspunt kunnen worden aangevraagd bij de Commissie Puccinimethode en dienen altijd te worden afgestemd met de beheerder (directie Stadswerken).
Bij de toepassing van meerstammige bomen is het van belang dat ze vanuit een wortelgestel zijn opgekweekt en niet, zoals veel gebeurd, drie bomen bij elkaar gezet. Meerstammige bomen worden verhandeld in hoogtematen.
Knotwilgen (foto: Edwin van Eis)
10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
06 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
05 Bosplantsoen en struweel
04 Bomen
03 Basisprincipes
Knotbomen -zoals de knotwilg- worden niet toegepast in straten en lanen, maar kunnen wel worden aangeplant in parken, langs sloten en waterlopen of in het buitengebied om de natuur- en cultuurwaarden van het landschap te versterken.
01 Toelichting voor de gebruiker
4.5.3
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
4.5.2
95
05 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 96
01 Toelichting voor de gebruiker
Heesters, hagen, rozen en klimplanten
03 Basisprincipes
04 Bomen 05 Heesters, hagen, rozen en klimplanten 06 Bosplantsoen en struweel
plantsoenen
historisch groen
pleinen
schoolpleinen
postzegelparkjes
straten
lanen
grachten
oevers
bermen
wadi
groene trambanen
bedrijfsterreinen
kantoorgebieden
sportparken
natuurspeelplekken
X
X
V
V
V
V
V
V
V
V
X
V
X
V
X
V
V
V
X
hagen
V
X
V
X
V
X
V
V
V
V
V
X
X
X
X
X
V
X
X
V
X
botanische rozen
V
V
V
V
V
V
X
X
X
V
X
X
X
V
V
V
X
V
V
V
V
perk- en struikrozen
V
X
X
X
V
V
V
X
X
V
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
hagen
V
X
V
X
V
X
V
V
V
V
V
X
X
X
X
X
V
X
X
V
X
klimplanten
V
V
V
V
V
X
V
V
V
V
X
X
X
X
X
V
X
V
V
V
V
V = toepasbaar
X = niet toepasbaar
tabel 5.1 Uit Beleidskader Puccinimethode: toepasbaarheid van heesters, hagen rozen en klimplanten in de openbare ruimte
97
07 Kruidachtigen
buurt- en wijkparken
X
08 Gras en ruigte
ecologische verbindingszones
V
09 Water- en oeverbeplanting
recreatiegebieden
heesters
10 Bijlagen
Groenobjecten
bossen
Wijk- en buurtgroen
stadsparken
Groengebieden
02 Doel en overtuigingen puccinimethode
In de openbare ruimte gebruiken we diverse soorten houtige gewassen. Deze passen we toe op verschillende manieren. Voor de leesbaarheid van het handboek is ervoor gekozen om de houtige gewassen in twee hoofdstukken te bespreken. In hoofdstuk 5 worden heesters, hagen, bodem bedekkende heesters, (struik-) rozen en klimplanten behandeld. Dit zijn de houtige gewassen die vooral gebruikt worden in het buurtgroen, in postzegelparkjes en om ‘de straat te vergroenen’. Hoofdstuk 6 gaat in op de toepassing van houtige gewassen in de meer natuurlijke/ecologische/grotere groengebieden: bosplantsoen en struweelvormen. In het Beleidskader Puccinimethode is vastgesteld (zie tabel 5.1) waar sierheesters, struik- en perkrozen en heesters in de openbare ruimte toegepast mogen worden. Indien projecten van plan zijn om van deze toepassing af te wijken, moet deze afwijking altijd ter advies worden voorgelegd aan de Commissie Puccinimethode. Heesters, hagen, bodembedekkende heesters, (botanische) rozen en klimplanten dragen bij aan een biodiversere openbare ruimte, ze bevatten, schuil- nest- en voedselgelegenheid voor diverse diersoorten.
5.1
5.1.2
Verschijningsvorm
hagen Een haag is vaak een lijnvormige beplanting van heester- en/of boomsoorten, die regelmatig geknipt of geschoren wordt om hem op de juiste maat te houden. Vroeger werden hagen vaak gebruikt als afscheiding om vee binnen te houden. Tegenwoordig hebben hagen veel meer een sierof ruimtelijke functie.
5.1.1
heesters Heesters (struiken) zijn houtige, wintergroene en bladverliezende planten van verschillende grootte (van 0,30 m - 7 m hoog) die dicht bij de grond vertakken. Ze worden in de openbare ruimte vaak toegepast vanwege hun sierwaarde, zoals: bladkleur en -vorm, bloeiwijze en vruchtvorming. In bijlage 10.2 zijn alle soorten heesters en hun eigenschappen vermeld die vanuit de best practice ervaring toepasbaar zijn in Amsterdam, zoals: hoogte, bloeiperiode, bloemkleur, wel/ niet geschikt voor natte of droge grond, wel/niet inheems en bijdrage aan de biodiversiteit.
Een belangrijke functie van de haag is scheiding. Een haag kan worden gebruikt om verschillende functies of verschillende ruimtes van elkaar te scheiden. Zo kan de haag worden gebruikt om een speelplek van een verkeersfunctie te scheiden of om privé en openbaar van elkaar te scheiden. Daarnaast kan een haag toegepast worden als een groen accent in de openbare ruimte. In Amsterdam zijn op een aantal plekken hagen onderdeel van het stedenbouwkundig concept, zoals de hagen in de Amsterdamse Tuindorpen (als scheiding tussen privé en openbaar) of de hagen in Plan Zuid (vooral als accenten op markante punten).
Bij het eindbeeld van heesters zijn de soorten uitgegroeid tot natuurlijke hoogte en breedte. De breedte van het plantvak bepaalt dus mede de soortkeus. Er zijn verschillende eindbeelden voor plantvakken met heesters. • Eén heestersoort. • Eén heestersoort met een solitair als accent. • Meerdere heestersoorten, groepsgewijs. • Heesters in combinatie met vaste planten.
In bijlage 10.2 zijn de soorten opgenomen die gebruikt kunnen worden als haagplantsoen en die in een bepaalde vorm gesnoeid of geschoren kunnen worden.
figuur 5.1 schematische weergave van eindbeelden met heesters, van links naar rechts, één heestersoort, één heestersoort met solitaire heester, meerdere heestersoorten, groepsgewijs, heesters in combinatie met vaste planten
98
boerenhaag/Zeeuwse haag Wordt gebruikt als windbreker, is dan vaak zo’n 2-2,5 m breed en een paar meter hoog. • Bestaat uit een mengsel van meerdere soorten. • Wordt om de 3 tot 5 jaar gesnoeid door de haag terug te zetten. • In Amsterdam wordt de naam Zeeuwse haag gebruikt voor een gemengde haag van 30% meidoorn, 30% sleedoorn, 30% veldesdoorn, 5% liguster en 5% botanische rozen (hondsroos en egelantier).
•
Haag als onderdeel van stedenbouwkundig concept, Vogelkade (foto: Edwin van Eis)
figuur 5.2 verschijningsvormen haag; strakke haag, losse haag,
99 boerenhaag
01 Toelichting voor de gebruiker 02 Doel en overtuigingen puccinimethode 03 Basisprincipes 10 Bijlagen
09 Water- en oeverbeplanting
08 Gras en ruigte
07 Kruidachtigen
Strakke haag, als afscheiding, Pres. Steynplantsoen (foto: Geert Timmermans)
04 Bomen
losse haag Voor een rustig beeld bestaat een losse haag uit 1 soort, voor een weelderiger beeld kunnen meerdere soorten gebruikt worden. • Wordt 1 keer per jaar geknipt (past in extensief beheer).
•
05 Heesters, hagen, rozen en klimplanten
Eigenschappen van de verschillende verschijningsvormen: strakke haag • Bestaat uit 1 soort. • Wordt meerdere malen per jaar geknipt (afhankelijk van de soort).
06 Bosplantsoen en struweel
Qua beeld zijn er grofweg drie soorten eindbeelden voor hagen; de strakke haag, de losse haag en de boerenhaag/Zeeuwse haag.
5.1.3
bodembedekkende heesters
De heestersoorten die door hun groeiwijze de bodem in meer of mindere mate bedekken vallen onder bodembedekkende heesters. Ze groeien voornamelijk in de breedte en minder in de hoogte. Deze eigenschap maakt ze goed bruikbaar voor beplanting onder bomen, of het beplanten van een talud of helling.
Perkrozen in de openbare ruimte (foto: Geert Timmermans)
Perk- en struikrozen Deze groep rozen en met name de thee-hybriden zijn door hun groeiwijze, gevoeligheid voor ziektes en het deskundige beheer dat ze nodig hebben, minder geschikt voor gebruik in de openbare ruimte. Deze soorten mogen alleen toegepast worden op specifieke plekken (zoals de historische parken). Wanneer een rozenvak met thee-hybriden wordt aangeplant, dienen de rozen in een sluitende onderbeplanting van vaste planten te staan, om het onderhoud enigszins te beperken. Let op dat de vaste planten onder de rozen niet gamaaid/ gemulcht kunnen worden.
5.1.4
rozen
Rozen zijn er in veel verschillende soorten met specifieke verschijningsvormen en eigenschappen. Met name de groeiwijze, gevoeligheid voor ziektes en het benodigde beheer maken sommige soorten te kwetsbaar voor het grootschalig gebruik in de openbare ruimte. Botanische rozen Dit zijn soorten die in hoofdzaak van nature (inheems) in Nederland voorkomen. Botanische rozen zijn, afhankelijk van de soort, zeer goed toepasbaar als bosplantsoen of struweel. Daarnaast dragen ze bij aan de biodiversiteit (voedsel en schuilplaats voor diverse fauna) en zijn ze goed toepasbaar in combinatie met meer uitheemse beplanting. Daarnaast zijn er ook een flink aantal zeer geschikt zijn als haagbeplanting. Botanische rozen bloeien kort en dragen in de herfst veel bottels.
Heesterrozen (rugosatype) Heesterrozen zijn gezond, groeien goed dicht, bloeien lang, krijgen bottels, zijn sterk en zijn qua onderhoud vergelijkbaar met andere heesters. Dit type rozen is goed toepasbaar in grote groepen, met bijvoorbeeld groepen vaste planten of als onderbeplanting. Daarnaast zijn veel heesterrozen, meeldauwresistent en kunnen daarmee prima toegepast worden in de openbare ruimte.
100