CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1a. RVNTASM_Werkgroep I_Concept deelrapport 20210430.pdf

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 8 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van advies kunstraden inzake verkenning museale voorziening slavernijverleden (ZD2021-015738)27.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

36

FOCUSPUNTEN CREOLISERING Het kolonialisme was niet alleen een economisch project dat werd geschraagd door politieke en militaire machtsstructuren. Kolonialisme was ook een mentale structuur in de hoofden van zowel gekoloniseerden (slaafgemaakte Afrikanen) als de witte kolonialen. Het koloniaal bewustzijn reproduceerde de heerschappij en hegemonie van witte mannen over personen), objecten en de natuur. Deze heerschappij stond constant onder druk van het openlijke en verborgen vormen van verzet van slaafgemaakten. Vanuit dit bewustzijn ontwikkelde zich een cultuur, die van belang was voor de ontwikkeling van het koloniale systeem. Er waren codes, die de slaafgemaakten en de kolonialen deelden, en die gehandhaafd werden door economische en psychologische voordelen en straffen. Dit alles was gericht op de acceptatie door slaafgemaakten van de hun opgelegde sociale normen, zoals aanvaarding van het systeem van slavernij, en nieuwe cognitieve categorieën, zoals slaaf en meester. Dit ging gepaard met verinnerlijkte beloningen en straffen als reactie op het verlies van autonomie en lijden onder de onderdrukking. Hun autonomie en vrijheid veroverden de slaafgemaakten op hun eigenaars door verzet, geweld, plantage verlatingen en de stichting van vrije gemeenschappen. Eén van de codes was de vermeende superioriteit van de witte kolonialen en hun cultuur.

Dit heeft zowel slaafgemaakten als witten niet van weerhouden om elementen van elkaars cultuur over te nemen. Naast de Afrikaanse en Europese (Nederlandse) culturen ontstonden transculturele vormen, zoals omgangstalen, geloofs- en waardesystemen, gebruiken, biologische menging, culturele identiteiten etc. Dit transformatieproces dat hybridiseren, of creolisering, wordt genoemd, vond plaats onder hiërarchische verhoudingen en zeer ongelijke verdeling van economische, politiek en culturele macht. Dit weerhield de slaafgemaakten er niet van om niet alleen allerlei ‘witte’ culturele praktijken over te nemen, maar zich deze ook toe te eigenen en zodanig in te passen in Afrikaanse culturele praktijken dat hun oorsprong vaak niet meer duidelijk was. Ook werden er elementen van de ‘witte’ culturele praktijken zonder meer afgewezen door de slaafgemaakten, als ze botsten met de eigen overgeleverde culturele waarden. Het proces van hybridisering, of creolisering, leidde ertoe dat men nog moeilijk kon spreken van zuivere, homogene, culturen. Men kan eerder spreken over een derde cultuur, 37

die het een noch het andere én tegelijkertijd het een én het ander was. Het proces van creolisering is goed zichtbaar in allerlei verhalen die worden verteld door middel van verschillende vormen van zwarte expressie: beeldende kunst, dans, drama, muziek, de wijze van vertellen en luisteren. Dit naast pogingen om terug te grijpen op Afrikaanse vormen van expressie, Creolisering is ontstaan in een hiërarchisch gestructureerde symbolische ruimte waarin slaafgemaakte voorouders en hun witte meesters elkaar ontmoetten. Zij is een combinatie van vrijwillige en gedwongen overname van culturele praktijken, gereguleerd door een stelsel van beloning en straf. Dit proces van creolisering heeft groepen van slaafgemaakten er echter niet van weerhouden om zich door middel van openlijk en stil verzet en geweld zich tegen het systeem van slavernij te keren en in vrijheid en autonomie hun eigen gemeenschappen te stichten. Een focuspunt voor het museum is om het verloop en de betekenis van het creoliseringsproces vanuit zwarte perspectieven te belichten. Daarbij wordt ook ingegaan op de culturele transformatieprocessen die nog steeds gaande zijn, zoals bij de wederzijdse beïnvloeding tussen nazaten en hun medeburgers in Nederland.

COLORISME De constructie van de superioriteit van de witte kolonialen was een complex geheel van specifieke interacties tussen economische, politieke en culturele structuren. In dit geheel nam het lichaam, en dan met name de kleur daarvan, een belangrijke symbolische positie in. De kleur van het lichaam en alles waarmee het werd geassocieerd, was het voornaamste onderscheid tussen zwarte slaafgemaakten en witte kolonialen. Hoewel de specificiteit van de koloniale context niet mag worden gebagatelliseerd, is het duidelijk dat dit onderscheid was gebaseerd op zeventiende-eeuwse processen van racialisering (de indelingen van mensen in rassen op grond van bepaalde ‘kenmerken’) (racialisering) en racisme (de constructie van superioriteit en inferioriteit van rassen). De ‘ontmoetingen’ van Europeanen met hun Ander in werelddelen buiten Europa, die bovendien niet christelijk waren, gaven de stoot hiertoe. In de Antilliaanse en Surinaamse koloniale hiërarchie was het witte superieur aan het zwarte. De witte kolonialen voelden zich ver verheven boven de Afrikanen en gedroegen 38

zich daar ook naar. In de koloniale representaties van de zwarte Afrikanen stond het lichaam centraal. Zwarten werd een grote seksuele potentie en viriliteit toegeschreven. Zwarte vrouwen waren volgens kolonialen happig op seks en de mannen in bezit van grote penissen en behept met een groot seksueel verlangen. Het laatste idee leidde ertoe dat witte kolonialen in constante angst leefden dat witte vrouwen seksueel belaagd zouden worden door zwarte mannen. Maar waar het witte vrouwelijke lichaam constant onder bewaking stond van witte mannen, was het zwarte vrouwelijk lichaam ‘vogelvrij’. Witte mannen konden zich naar gelieven aan zwarter vrouwen vergrijpen al dan niet met gebruik van geweld, terwijl zwarte mannen te weinig macht hadden om dit te voorkomen. Een ander uitvloeisel van de processen van racialisering en racisme was dat het zwarte van de Afrikanen kwam te staan voor het: animale, bestiale, barbaarse, beestachtige, wrede, lelijke, terwijl het wit van de kolonialen schoonheid, beschaving, verfijning, menselijkheid representeerde.

In de witte angst voor zwarte mannen als potentiële belagers van het witte vrouwelijke lichaam komen deze twee representaties samen. In het zwarte verhaal zou het onderzoek van de mythe van het zwarte roofdier (verkrachter) meer aandacht moeten krijgen. De zwarte verkrachter is een mythe (verhaal) waarin de angst van witte kolonialen voor het zwarte verzet doorklinkt. En de vrees voor de aantasting van het zelfbeeld als krachtige heerser over de koloniale maatschappij en beschermer van de eer van witte vrouwen. De vraag is dan of het witte mannen niet eerder was te doen om hun eigen eer dan die van witte vrouwen. In de koloniale pigmentocratie, waarin de kleur van het lichaam zo’n grote betekenis had, ontstond een verdeling tussen zwarte en minder zwarte Afrikanen. De zwarten kwamen in de velden terecht en de minder zwarten in het huishouden van de witten. Kinderen die door witten bij zwarte vrouwen waren verwekt, werden toegevoegd aan het huishouden van de kolonialen. Hoewel alle slaafgemaakten werden geconfronteerd met geweld en vernederingen, werd het onderscheid tussen zwarte en lichter gekleurde lichamen een teken van ongelijkheid. Een lichte huidkleur bracht allerlei economische, politieke en sociale voordelen met zich mee, terwijl iemand met een zwarte huidskleur de nadelen daarvan ondervond. Zwarte personen werd achtergesteld op de arbeids- en 39

huisvestingsmarkt, in het onderwijs. Nageslacht met een licht gekleurde huid werd ook een nastrevenswaardig ideaal, dat kon worden bereikt door kinderen te verwekken met een wit persoon (meestal een man; het was witte vrouwen ten strengste verboden zich af te geven met zwarte mannen). Kinderen van witte vaders en zwarte moeders en hun nazaten werden standaard als zwart geracialiseerd, op een manier die doet denken aan het Noord-Amerikaanse voorschrift dat wie ‘one drop of blood’ heeft van Afrikaanse origine, geldt als zwart. Het verschijnsel ‘manumissie’, vrijlating van slaafgemaakten compliceerde het beeld nog verder. Kinderen van witte vaders en zwarte moeders werden vaak, maar niet altijd, vrijgemaakt door de vader. Hun aanwezigheid en die van de -aanvankelijk weinige- vrijgemaakte zwarten doorbraken het patroon onvrij= zwart, vrij= wit. Weliswaar vrij, maar zeker niet in het bezit van gelijke rechten, vormden zij een stedelijke gemeenschap die een bakermat en voorpost vormde voor de emancipatie van de zwarte cultuur. De ongelijkheid in zwarte gemeenschappen langs lijnen van ‘colorisme’ is zelfs na eeuwen nog merkbaar. Verbintenissen tussen zwarten en lichter gekleurden kunnen op weerstand en afkeuring rekenen.

Westerse (lees) witte schoonheidsidealen zoals begrepen door zwarten, zoals een lichte huid en verandering van de haarstructuur door het gebruik van chemische middelen doen nog steeds opgeld. Tegelijkertijd heeft het zwarte verhaal, mede onder invloed van de Black Power beweging en het Rastafarianisme, aan kracht gewonnen. Mensen van Afrikaanse afkomst noemen zich zwart. Daarmee wordt niet alle de kleur van het lichaam maar soms ook een levenswijze en –filosofie bedoeld. In de Antilliaanse en Surinaamse maatschappij van de jaren vijftig en daarvoor waren er maar weinig die zich als zodanig durfden aan te duiden. Tegenwoordig zijn zowel zwart als Afro-Antilliaan of – Surinamer gangbare aanduidingen voor nazaten van de slaafgemaakte Afrikanen. Het haar wordt steeds meer natural gedragen en er wordt, afhankelijk van de textuur daarvan, volop geëxperimenteerd met verschillende (Afrikaanse) haarstijlen. Het zwarte verhaal heeft ook in dit geval twee kanten: aan de ene kant de internalisering van witte superioriteit en schoonheidsidealen en aan de andere kant de verwerping daarvan. Ook hier geldt dat het verzet tegen de dehumanisering en racialisering van de Afrikaanse voorouder en de toe-eigening van deze erfenis bronnen zijn van tegenverha-

40

len waarin de nadruk ligt op trots en veerkracht. Dit brengt met zich mee dat het witte verhaal niet klakkeloos wordt overgenomen. Een belangrijke vraag die in het kader hiervan moet worden gesteld is of het streven naar een lichtere huidskleur ook niet een streven naar de economische en politiek macht en voordelen was die dit met zich meebracht in plaats van de psychologische elementen waar zo de nadruk op wordt gelegd. In elk geval is het in de voormalige koloniën en ook bij de afro-Caribische gemeenschappen in Nederland niet ongebruikelijk om te horen spreken van een ‘lichtgekleurde elite’ die in de thuislanden ooit de dienst uitmaakte -en dat volgens sommigen nog steeds doet-en in Nederland ook voorgetrokken wordt zou worden. Voor het museum is de transformatie van de processen van racialisering en de culturele, psychologische en morele problematiek van het colorisme een belangrijk focuspunt. Het is relevant voor hedendaagse verschijnselen zoals ‘gemengde’ huwelijken en verhoudingen binnen de afro-Caribische gemeenschappen en de verhoudingen tussen die gemeenschappen en hun omgeving.

INSTITUTIONEEL RACISME Het proces van racialisering beperkt zich niet tot mensen. In een geracialiseerde en racistische samenleving is elk maatschappelijk terrein, institutie en technologie doortrokken van het geconstrueerde idee van ‘ras’: levenskansen en status, vrijheid, economische, politieke en sociale instituties. Dit betekent dat zowel op macro- als microniveau allen die door zichzelf zijn aangemerkt als tot het superieure ‘ras’ bevoordeeld worden boven de leden van het inferieure ‘ras’, die op alle terreinen het onderspit delven. Men spreekt in zo’n geval van institutioneel racisme. In de Antilliaanse en Surinaamse koloniale samenleving stonden witte kolonialen op het gebied van het recht en rechtspraak, economische (slaaf-meester/eigenaar), politieke en culturele verhoudingen aan de top van de raciale hiërarchie. Daarbinnen werd nog onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen witten. Zo werden Joden, zelf ook een geracialiseerde groep, achtergesteld ten opzichte van de machtige witte christelijke Nederlandse witten. De slaafgemaakten die zich onderaan deze hiërarchie bevonden, moesten hun religie in het geniep belijden, hun culturele praktijken in het donker uitoefenen. Ze waren uitgesloten van onderwijs, degenen die op de plantages woonden,

41

kwamen niet verder dan het terrein daarvan, tenzij zij uitdrukkelijke toestemming daartoe hadden. Zij die in Paramaribo woonden en een beroep uitoefenden, hadden meer bewegingsvrijheid, maar waren en bleven eigendom van hun eigenaar die over hun leven en dood beschikten. Zowel op Curaçao – onder leiding van Tula, Carpata, Bastiaan, Mercier en Wacao - als Suriname - onder leiding van onder andere Baron, Boni en Joli Coeur - hebben slaafgemaakten zich verzet tegen de institutionalisering van het racisme in de samenleving door de plantages te verlaten en in opstand te komen tegen het koloniale regime en de witte plantage-eigenaren. De staat in beide samenlevingen was de eerste verantwoordelijke bij pogingen om de opstanden te bedwingen. In de loop van de eeuwen in is nogal wat verander: de vrije licht gekleurde bevolking kreeg meer rechten dan lichtgekleurde en zwarte slaafgemaakten kregen toegang tot rechtspraak, onderwijs, christelijke religies. Het institutionele racisme is nooit verdwenen uit beide maatschappijen. Wie zwart en arm is ontbeert goede gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting etc. Ook in het beleid ten opzichte van degenen die eerst ‘rijksgenoten’ werden genoemd die immigreerden in Nederland zijn koloniale patronen terug te vinden van betutteling, segregatie, verdeel en heers.

Immigranten werden vooral als beheersingsprobleem gezien in het ‘minderhedenbeleid’ is vaak angst voor ‘vreemdelingen’ leidend geweest. Zwarten in de Nederland herkennen de patronen van institutioneel racisme op de terreinen die net zijn genoemd en verzetten zich ook hier daartegen, ondanks de ontkenning vanuit de instituties en de verzekering dat de staat en andere instituties kleurenblind zijn. Voor het museum is het blootleggen van de historische wortels van institutioneel racisme een belangrijk focuspunt. Het transformeren van het beeld van de koloniale en slavernijgeschiedenis is geen vrijblijvende activiteit maar dient ook bij te dragen aan sociale verandering.

OMGANG MET DE VOORMALIGE KOLONIËN De verhouding tussen Nederland en de voormalige koloniën in het Caraïbisch gebied is na en door de tweede wereldoorlog sterk getransformeerd. Er werden vormen van zelfbestuur afgedwongen en uiteindelijk werd door een aantal voormalige rijksdelen onafhankelijkheid verworven. Maar dat wil niet zeggen dat de verhoudingen daarmee

42

geheel van koloniale grondtrekken zijn ontdaan- integendeel. Nu de ex-koloniën geen wingewesten meer zijn blijkt de eeuwenoude verhouding geen basis of reden te zijn voor vriendschappelijke omgang en respect, maar resteert vooral dédain en onverschilligheid van de kant van Nederland. Voor claims en kritiek van de kant van de voormalige koloniën is nauwelijks gehoor. Het lijkt er wel op dat het tegenwoordig weliswaar vrijwel ‘not done’ is voor politici en andere opiniemakers om zich openlijk negatief uit te laten over nazaten die in Nederland vertoeven, maar dat dit niet geldt voor hun landen van herkomst. Bij uitspraken over de Antillen en Suriname komt nog regelmatig onvervalst koloniaal denken opborrelen, tot op het hoogste niveau. Suriname zou een ‘failed state’ zijn en dat zou ook onvermijdelijk zijn omdat multiculturele samenlevingen alleen maar kunnen mislukken. Hiermee werd in één klap een democratisch bestuurd land als mislukking weggezet en het unieke succes van Suriname als vreedzame multi-culturele samenleving ontkend. Curaçao werd een ‘roversnest’ genoemd, commentaar overbodig. Voor de nazaten voelt dit als een continuering van koloniale overheersing met andere middelen. Het is voor nazaten in Nederland extra onverteerbaar dat dit alles nota bene mede in hun naam gezegd wordt. De band van veel van deze nazaten met de oorspronkelijke moederlanden is sterk.

Men heeft er nog veel familie en vrienden en is emotioneel betrokken bij de landen. Ook is men doorgaans heel wat beter op de hoogte van de werkelijke ontwikkelingen in die landen dan de doorsnee Nederlandse politicus of bestuurder. De laatdunkende behandeling van de moederlanden ondermijnt het vertrouwen als volwaardig burger gezien te worden. De expertise en betrokkenheid van nazaten vindt vrijwel geen toegang tot beleidsbepalende circuits en bij de beeldvorming worden zij ook vrijwel overgeslagen. Er is dus een verdere transformatie van de verhouding met de voormalige koloniën nodig, één die wel gebaseerd is op het inzicht en de inzet van nazaten. Het museum zal licht werpen op de complexiteit en de schaduwkanten van de naoorlogse omgang met de voormalige koloniën in samenhang met de doorwerkingen daarin van het verleden en de verlengde doorwerking ervan in het heden.

43

REPARATIONS Het gesprek over excuses en herstelbetalingen komt in Nederland maar heel moeizaam op gang. Te vaak blijft het steken in welles-nietes, of bagatellisering van de verlangens en eisen van nazaten op basis van vaak incorrecte historische aannames en platitudes. Het museum wil bijdragen aan een goed geïnformeerde discussie over deze kwesties. Het uitgangspunt is dat ze voor alle Nederlanders van belang zijn omdat het gaat om het rechtzetten van historisch onrecht, vanuit Nederland aangericht. Het serieus bespreken ervan om tot een vergelijk te komen kan substantieel bijdragen aan het verbeteren van de onderlinge verhoudingen. Het zou een transformationele stap zijn naar werkelijke gelijkheid en rechtvaardigheid en een wending naar groeiend vertrouwen in de omgeving kunnen betekenen voor veel nazaten. De geschiedenis van de sociale verhoudingen, het eeuwenlang ontbreken van zelfs maar elementaire rechten voor de nazaten terwijl in Nederland gestaag een volwaardige rechtsstaat werd opgebouwd, de grote economische bijdrage van afgedwongen arbeid, de emotionele schade, de doorwerkingen van het slavernijverleden, maken onderdeel uit van het hele verhaal. De discussie over het slavernijverleden in het algemeen en de logische consequentie ervan, de roep om excuses en reparations, zijn een belangrijk focuspunt.

Ze dienen als lakmoesproef voor de werkelijke staat van het denken bij brede lagen van de bevolking en een aangrijpingspunt om op te stuwen tot ‘geen woorden, maar daden’, dus voorbijkomen aan louter met de mond beleden sympathie. Vragen en weerstanden rond deze onderwerpen zijn een gegeven dat voor het museum juist kansen biedt om haar rol te nemen om het verleden nu in de volle omvang in beeld te brengen. Voor het museum zijn reparations en excuses een belangrijk focuspunt. Het museum wil bijdragen aan een goed geïnformeerde, genuanceerde en zinvolle diskussie over deze onderwerpen.

44

BRONNEN Bij het prioriteit geven aan zwarte perspectieven hoort onverbrekelijk het doorbreken van de klassieke hiërarchie tussen geschreven en andere bronnen. Slaafgemaakten waren niet in een positie om boeken te schrijven en archieven aan te leggen, maar zij hebben zich wel op tientallen andere manieren geuit. Er is een rijkdom van verhalen te vinden in materieel en immaterieel erfgoed waarvan de betekenis en de geldigheid even hoog moet worden aangeslagen als die van schriftelijk materiaal. Hieronder wordt de aanstaande emancipatie van niet-schriftelijke bronnen in de verhouding tot de archieven uitgewerkt door hun relatieve kracht in beeld te brengen.

ARCHIEVEN Veel van wat in Nederland bij het publiek bekend is over de slavernij en de koloniale tijd is gebaseerd op onderzoek in de Nederlandse archieven. De beraadslagingen binnen de W.I.C, verzoekschriften van planters, plantage-administraties, rechtbankverslagen bevatten een schat aan informatie. Zowel wat er in de koloniën gebeurde als wat er in Nederland plaatsvond is grondig vastgelegd. Er werd ontzettend veel opgeschreven door de betrokkenen aan de witte kant. Wie zich daarin verdiept ziet al gauw dat de schrijvers heel duidelijk bepaalde belangen op het oog hadden en ook bij het vastleggen en presenteren van ‘feiten’ voortdurend bezig waren hun zaak te bepleiten, zichzelf te verantwoorden of voordeel te behalen. In al die teksten zijn het ook vooral de witten die als actoren optreden, de Afrikanen en hun nazaten zijn in de eerste plaats in beeld als handelswaar en arbeidskracht. Voor zover zij als actor naar voren komen is dat als zij opstandig of onwillig zijn. De door witten geschreven teksten gaan dan over de beste manier om opstandigheid te onderdrukken en over de vraag aan wie het ligt dat dit telkens niet lukt. Waar het dus voortdurend om draait in de materialen die we in de archieven vinden is het maken van winst en het onder controle houden van de situatie.

Het gaat daarbij niet alleen om observaties en registraties, het betreft ook allerlei werkdocumenten, teksten die instrumenteel waren om die winsten te kunnen maken en om die controle uit te oefenen. We kunnen dus zeggen: archieven tonen een belangrijk deel van de technologie van onderdrukking. Daarmee zijn ze weliswaar een vindplaats voor onder meer verhalen over 45

wat de witte overheersers met zwarte mensen deden, maar vrijwel niet van verhalen over het leven van de Afrikanen en hun nazaten zoals zij dat zelf vormgaven en beleefden.

Het is weliswaar onmiskenbaar dat sinds de Tweede Wereldoorlog steeds vaker een kritische benadering is gaan overheersen bij het onderzoek naar die technologie van onderdrukking. Zulk onderzoek heeft zeker bijgedragen aan een groeiend bewustzijn van het grote onrecht dat in de slavernij- en koloniale tijd heeft plaatsgevonden, maar het beeld van de Afrikanen en hun nazaten is daarbij nog steeds een van voorwerp van de gebeurtenissen, niet van volwaardige, actieve, creatieve ondernemende mensen. Archieven zijn en blijven dus vooral vindplaatsen van het handelen van witte mensen, de kracht van de voorouders komt alleen in beeld via een omweg, doordat zij de heersers voor een probleem stelden. Recentelijk wordt meer gewerkt gemaakt van het terugvinden van de stemmen van de slaafgemaakten in de archieven. Er blijkt dat hun agency wel degelijk terug te vinden is, in rechtbankverslagen, testamenten en brieven. Daar past wel de kanttekening bij dat al die teksten onder een zekere dwang zijn voortgebracht en dat ze dus zeer goed geïnformeerd en met gevoel voor de verhoudingen moeten worden beoordeeld.

DE TAAL In de gesproken taal leven de slaafgemaakten wel heel direct voort, immers de talen die zij ontwikkelden leven nog door en ze klinken nog steeds, voor zover wij weten, in hoge mate hetzelfde als eeuwen geleden. Wie die talen hoort spreken komt dus zo dichtbij als het maar kan bij de ‘stem van de slaafgemaakten’, helemaal als er gezegden en liederen klinken die uit de slaventijd en koloniale periode stammen. Er is ook een andere manier waarop de taal toegang geeft tot het verleden. Veel begrippen kennen een geschiedenis waarin de sporen van machtsstrijd, onderdrukking en verzet terug te vinden zijn. Verschuivende betekenissen, dubbelzinnigheden en historische verwijzingen bieden aanknopingspunten. De taal is niet alleen op het directe niveau van communicatie een platform en uitdrukking van machtsstrijd geweest, er is ook taalstrijd gevoerd op maatschappelijk niveau. Heel lang zijn de eigen talen van de Afrikanen en hun nazaten gemarginaliseerd en onder-

46

drukt, met een negatieve impact op de eigen ontwikkeling en het zelfbeeld. Daartegen is met succes actiegevoerd, door krachtige individuen en geïnspireerde bewegingen die het vereiste respect voor de talen van de Afrikanen en hun nazaten hebben afgedwongen en die deze talen de plaats hebben bezorgd die ze toekomt. Het verhaal van die strijd is één van de meest sprekende voorbeelden van de emancipatiestrijd die gevoerd wordt tot op de dag van vandaag. Ze is geïnitieerd door mensen die nog opgroeiden te midden van vrijgemaakte ex-slaafgemaakten en die zich dus rechtstreeks verstonden met de doorwerking van de slavernij. Zij voerden die strijd tegen de koloniale verhoudingen in, omdat zij meenden dat emancipatie van de taal onmisbaar was voor hun volk, om ooit verder te komen op de lange weg omhoog uit de barre omstandigheden waarin dat was beland. Lezen van, luisteren naar en duiden van de talen van de Afrikanen en hun nazaten is daarom voor het museum een belangrijke manier om toegang tot het verleden te krijgen.

HET DENKEN Vaak is er gezegd dat van de mentaliteitsgeschiedenis en de ‘intellectual history’ van de slaafgemaakten helaas maar weinig is terug te vinden. Dat zou dan komen doordat het voor hen niet mogelijk was boeken te schrijven en archieven bij te houden. Wie echter aanknoopt bij de kennis van de nazaten ziet een heel ander beeld opdoemen. Er is namelijk een hele encyclopedie van wijsheid en kennis overgeleverd in de odo en de dicho’s, Sranan respectievelijk Papiamentu voor: spreekwoorden en gezegden. Tot op de dag van vandaag spelen deze uitspraken een belangrijke rol bij interpretatie van de wereld en met name menselijk gedrag en sociale verhoudingen. Een goed begrip van de werkelijke betekenis en het belang van dit gedachtengoed is alleen mogelijk vanuit kennis van het alledaags gebruik ervan. Wie de culturen van de nazaten niet van binnenuit kent en alleen kennisneemt van de vertalingen van odo en dicho’s ontgaat volledig het geschakeerde palet aan mogelijke, diepere, betekenissen ervan. Afhankelijk van onder meer de context, de situatie, de spreker, de toehoorders en hun onderlinge relatie krijgen odo en dicho hun lading.

47

Wie gewend is wijsheid en kennis voornamelijk uit boeken en artikelen te halen ziet odo en dicho al gauw als ‘tegeltjeswijsheden’, grappig bedoelde commentaartjes die in het denken in de samenleving nauwelijks een werkelijke rol spelen. Maar in culturen waar de wijsheid en kennis heel lang totaal niet heeft kunnen neerslaan in teksten, maar oraal werden verspreid, ligt dat geheel anders. Odo en dicho zijn geldige, belangrijke teksten die samen een heel groot terrein beslaan. Het is door nazaten ook aangetoond dat een belangrijk deel ervan oorspronkelijk rechtstreeks uit Afrika komen, ze vormen dus ook een levende band met de Afrikaanse roots van de nazaten.

MUZIEK De overwegend negatieve duiding van de muziek van de Afrikanen en hun nazaten door de Europese heersers is een belangrijk onderdeel van het verhaal van racisme en koloniaal denken. Maar vanuit de nazaten gezien is de muziek altijd een belangrijk onderdeel van hun leven en dat van hun voorouders geweest. In de muzikale praktijk werd de band met de eigen herkomst bewaard, tegelijk was zij een belangrijk platform voor verwerking en commentaar op het leven onder nieuwe omstandigheden. De muziek zette tradities voort, maar ontleende ook nieuwe elementen aan de omgeving, er zijn inheemse elementen in te vinden en Europese en uiteraard een samengaan van verschillende Afrikaanse tradities. Muziek heeft een vitale rol gespeeld in het kunnen reproduceren van de veerkracht die men toonde onder zeer zware omstandigheden van onderdrukking en uitbuiting. Muziek was vooral ook een platform voor en een vorm van verzet. Het was voor de planters-elite eenvoudigweg ook niet mogelijk om de muzikale activiteiten van de slaafgemaakten effectief te onderdrukken. Op afgelegen plaatsen en in de nacht, als het toezicht van de plantagedirecteuren wegviel, werd altijd muziek gemaakt. Dat waren de momenten waarop de slaafgemaakten werkelijk konden doen wat zij zelf wilden. Maar ook als zij onder toezicht stonden was er muziek, werden er -dubbelzinnige- liederen gezongen.

Veel van die muziek is van generatie op generatie overgedragen, waarbij niet zelden nauwkeurig de oorspronkelijke versies zijn bewaard en ook kennis over de context en de spirituele betekenissen ervan is meegekomen. In de muziek klinken de stemmen van de Afrikanen en hun nazaten die in slavernij leefden nog vrijwel letterlijk door.

48

DANS Onverbrekelijk verbonden met de muziek is de dans. Ritme van de muziek en dans zijn één. En zoals de muziek ritmisch complex – in twintigste eeuwse termen: zeer geavanceerd- was, zo was en is de dans vaak virtuoos, rijk aan betekenis, in complexe patronen van individuele expressie en sociaal-cultureel betekenisvolle vormen van samen dansen. De dans, de dansgezelschappen, de feestpartijen, waren en zijn ook allemaal onverbrekelijk verbonden met patronen van verwantschapsbanden en sociale organisatie. Dans kan ons veel vertellen over de levensvreugde en de veerkracht van de Afrikanen en hun nazaten die in slavernij en in koloniale tijden leefden.

SPIRITUALITEIT EN RELIGIE De afro-Caribische religies zijn op verschillende manieren lange tijd gemarginaliseerd geweest. Tot op de dag van vandaag zijn vele nazaten nog huiverig om al te openlijk hun spirituele en afro-religieuze denken en handelen te tonen. Velen hebben hun traditionele beleving verbonden met lidmaatschap van een christelijke kerk. Maar dat alles neemt niet weg dat voor vele nazaten de omgang met de nagedachtenis aan de voorouders en hun kracht, de interpretatie van sociale gebeurtenissen en de omgang met bijvoorbeeld de natuur nog steeds sterk stoelen op de overgeleverde spirituele en religieuze normen, waarden en inzichten. Doordat de hedendaagse spirituele en religieuze activiteiten van nazaten rechtstreeks met het verleden verbonden zijn, bieden zij een belangrijke toegang tot het begrijpen van dit verleden vanuit zwarte perspectieven.

GEZINSLEVEN EN GEMEENSCHAPSBANDEN Het gezinsleven van de nazaten komt helaas vaak vooral negatief in beeld. Het veel voorkomen van één-oudergezinnen zou volgens zowel de nazaten als hun omgeving voortkomen uit de tijd van de slavernij en het wordt overwegend negatief geduid. In werkelijkheid is bij de nazaten een veel rijker patroon aan gezins- en familiebanden te vinden, dat zich bovendien uitstrekt tot buren, vrienden en kennissen, dorps- en buurtgenoten. In dat licht is ook het één-oudergezin aan een herwaardering toe. De gedachte ‘it takes a village to raise a child’ is heel concreet terug te vinden in traditionele patronen van wederzijdse ondersteuning, toezicht en interventie bij het opvoeden van de kinderen.

49

‘Jepi makandra’ (‘help elkaar’), belangeloze hulp zonder ruilmotief is aan de orde van de dag en ook het sterk ontwikkelde vrijwilligerswerk in afro-Caribische kringen is een centraal element in de gemeenschappen. Er is enig bewijs dat sterke gemeenschapsbanden mede terug te voeren zijn op de grote solidariteit op de plantages, waar men vaak alles met elkaar deelde, materieel zowel als immaterieel, dus bezit zowel als lief en leed. Het ware verhaal over de ontwikkeling van gezin en gemeenschap moet nog geschreven worden, het museum moet daarin haar rol nemen.

DOORWERKINGEN Er bestaat weliswaar een aantal breed gedeelde opvattingen over de effecten van de doorwerkingen van het slavernij- en koloniale verleden, maar het is niet eenvoudig om daarbij werkelijke toedracht en invloed van huidige omstandigheden te ontwarren. Er was bijvoorbeeld een negatieve impact van de slavernij op gezinsvorming, maar een compleet verhaal zou ook rekenschap moeten geven van de positieve erfenis, alle goede zaken die de Afrikanen en hun nazaten tot stand hebben gebracht. Een evenwichtig verhaal is hard nodig om te voorkomen dat de doorwerkingen van het slavernij- en koloniale verleden vooral worden gezien als veroorzaker van culturele defecten bij de nazaten die ervoor zouden zorgen dat velen nog steeds in achterstandssituaties zitten. In werkelijkheid staan natuurlijk alle culturen voor uitdagingen rond gezin en opvoeding. De nog bestaande achterstanden bij afro-Caribische gemeenschappen toch echt vooral een gevolg van institutioneel racisme, koloniale overheersing en historische achterstelling, doorwerkingen aan de witte kant van de samenleving dus.

50

H E T G R O E I PA D VA N H E T M U S E U M In de bijlage bij dit rapport is een historisch overzicht opgenomen dat beoogt een enigszins verantwoorde weergave te zijn van het ‘corpus’ dat met vereende krachten door witte én zwarte auteurs tot stand is gebracht. Het leunt dus sterk op het werk van Wolbers, Hartsinck, van Hoëvell, maar vooral van latere generaties kritische onderzoekers, zoals Lamur, Dragtenstein, Hira, Oostindie, van Stipriaan, Hoogbergen, de Groot, Neslo, Gomes, Zunder tot en met de aanstormende generatie, Brandon, Lurvink, Fatah-Black. Er is een ruggengraat in te vinden van algemene en economische geschiedschrijving, die typisch gefocused is op het gedrag van naties en organisaties, waarbij individuen vooral als leiders daarvan in beeld komen. Er is ‘gesampled’ uit culturele studies en cultureelantropologisch werk en politieke geschiedenis. Hier en daar wordt een zwart perspectief zichtbaar, maar lang niet overal. Het overzicht is bedoeld als plaatsbepaling, leidraad en uitdaging tegelijk. Dit is het corpus dat nu vanuit zwarte perspectieven verder getransformeerd wordt doordat er verhalen vanuit een zwart perspectief naast komen te staan, rivaliserend, aanvullend, kritiserend, autonoom of in welke verhouding dan ook er door het werk eraan zelf naar voren komt.

Bij het historisch overzicht zijn in kaders voorbeelden van zulke transformationele verhalen gegeven, proefsteken van manieren om toegang tot het verhaal te krijgen vanuit zwarte perspectieven. In deze kaders doemt een sterk en vitaal beeld van een nog steeds levende geschiedenis op. We vinden er getuigenissen van onverwachte wendingen, authenticiteit en verassende (her-)interpretaties. Dit beeld van een corpus en kaders daarbij, geeft dus de huidige verhoudingen weer: het corpus domineert, de verhalen vanuit zwarte perspectieven staan nog los, in kaders. Maar dat zal niet zo blijven. De opdracht voor het museum is om het soort verhalen die in de kaders worden weergegeven naar de voorgrond te halen en te laten uitgroeien tot een transformationele kracht die het corpus beslissend zal veranderen.

51

52

B I J L AG EN

53

H ISTO R ISC H OVE R ZI C HT Het zal inmiddels duidelijk zijn dat het hierna volgende historisch overzicht van belangrijke gebeurtenissen in de tijden van slavernij en koloniale overheersing niet bedoeld is als ‘het verhaal’ van het museum. Het is een min of meer canoniek hulpmiddel, om onderzoekers en bezoekers te oriënteren op dit verleden. Er is gepoogd een redelijk evenwichtig beeld te vormen op basis van wat door zowel nazaten als witte onderzoekers tot nog toe is aangetroffen. Het ligt voor de hand dat curatoren in ieder geval streven naar het in beeld brengen van een aantal van deze markante gebeurtenissen en dat bezoekers bij een beredeneerde tijdlijn gebaat zijn. Het historisch overzicht is dus bedoeld als zoekhulp en context tegelijk en natuurlijk: als platform voor diskussie, want een canon is immers nooit af. Het verhaal is geordend in een aantal episodes, gemarkeerd door belangrijke wendingen in de machtsverhoudingen. De eerste episode (CA. 1450-1600) toont iets van het leven in West-Afrika voor de komst en aan het begin van de ontmoeting met de Europeanen, het begin van de Europese infiltratie en de opkomst van de trans-Atlantische mensenhandel. De volgende episode (1600-1700) behandelt de Europese invasie in de Amerika’s en de opkomst van de plantage-economieën.

In het tijdvak daarna (1700-1800) is er sprake van steeds meer verzet en strijd van de Afrikanen en hun nazaten in de koloniën. Tegelijk bouwen zij een eigen leven en cultuur op en vindt ondanks alles worteling plaats in Amerika. In de periode daarna (1800-1875) wordt eerst steeds duidelijker dat de slavernij niet langer in stand kan worden gehouden en ooit afgeschaft gaat worden en dat gebeurt uiteindelijk ook. De machtsstrijd van de Afrikanen en hun nazaten verschuift naar een strijd om gelijke rechten en om verdieping van de eigen ontwikkelde cultuur en respect voor de eigen identiteit. Na 1875 richt de strijd zich op een volgende mijlpaal: zelfbestuur voor en zelfs onafhankelijkheid voor de voormalige koloniën. De strijd tegen segregatie en culturele onderdrukking is daarmee verbonden. Na 1950 zwelt de immigratie naar Nederland aan. Dan komt door het activisme van de afro-Caribische Nederlanders het omgaan met de erfenissen van de slavernij- en koloniale geschiedenis in Nederland steeds prominenter op de agenda te staan, met als resultaat onder meer de komst van een museum over het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden. 54

In het historisch overzicht wordt gefocust op belangrijke thema’s rond het leven van de Afrikanen die in slavernij gebracht zijn en hun nazaten. Er wordt getoond hoe de strijd om overleven en het verzet tegen onderdrukking vorm kregen, waarbij de kennis en de kunde van slaafgemaakten en hun nazaten centraal staan. Er wordt aandacht besteed aan gezins- en gemeenschapsbanden en aan spiritualiteit en religie. In alle episodes is ook aandacht voor de ontwikkelingen in Nederland, met een focus op de organisatie van de koloniale inspanningen en het denken daarover, dus over de ideologie waarmee onderdrukkingen gerechtvaardigd werd én de kritiek daarop. De teksten in de kaders bij dit historisch overzicht zijn bedoeld om voorbeelden te tonen van het vinden van de toegang tot het verleden, door telkens te beginnen bij nazaten als eerste bron, dan aan te vullen met ander materiaal, ook vaak van de kant van nazaten en waar dat gevonden kan worden van de slaafgemaakten zelf.

Afrika a an het b e g in van d e M e n s e n h a n d e l - C a . 14 5 0 -16 0 0 Er is sinds mensenheugenis contact geweest tussen Afrika en Europa. In veel teksten van de klassieke Grieken zijn vermeldingen daarvan te vinden waaruit duidelijk respect en culturele uitwisseling blijkt. Afrika kende uiteraard alles wat in de Europese geschiedenis voorkwam ook, er waren grote rijken, er was ontwikkeling en strijd, er was sprake van een oprukkende godsdienst, de Islam en het Europees Joods christelijke leer. Het eeuwenoude contact tussen Afrikanen en Europeanen neemt echter rond 1450 een dramatische wending. Europeanen gaan zich steeds agressiever gedragen en gaan over op mensenhandel. Miljoenen Afrikanen zijn over de Atlantische oceaan verscheept naar de Europese kolonies in de Amerika’s voor het verrichten van slavenarbeid.

Strijd en Overleven Minstens zo lang als er geschiedschrijving is, is er al contact geweest in de vorm van uitwisselen van goederen, diensten en ideeën tussen mensen in Afrika en Europa. In de loop van de 15e en 16e eeuw zochten Portugezen en later Engelsen de WestAfrikaanse kusten op en gingen zij allengs naast de handel in goederen over tot handel 55

in mensen. In de 17e eeuw begint het verschepen van Afrikanen naar de Amerika’s. De mensen die in deze trans-Atlantische mensenhandel werden gekocht en verkocht waren vaak geroofd uit samenlevingen buiten de kuststreken van Afrika. Ook ging het in de mensenhandel soms om krijgsgevangenen, veroordeelden of de zogenaamde schuldslaven. Aangelokt door de verhalen over enorme hoeveelheden goud aan de Afrikaanse Westkust, verschenen rond 1600 ook de Zeeuwen en Hollanders op het toneel. Toen de goudoogst tegenviel werd een andere koers ingeslagen. Inmiddels verenigd in de West Indische Compagnie (WIC) gingen kolonialen uit Nederland ook meedoen aan de handel in slaafgemaakte Afrikanen. Zij vestigden zich op de West-Afrikaanse kust door er een paar Portugese forten te veroveren. In het inmiddels beruchte fort Elmina moesten gevangen Afrikanen vaak lang onder schrijnende omstandigheden wachten totdat zij verscheept werden. Intussen ging de strijd van Afrikanen tegen de Europeanen ook door. Zo raakten de Ashanti’s regelmatig met wisselend succes slaags met de Engelsen, waar de Nederlanders dan weer van probeerden te profiteren. In de Congo werd een oorlog uitgevochten met de Portugezen. Naar Nieuw-Amsterdam in Noord-Amerika en Pernambuco in Brazilië gingen de eerste transporten onder regie van Zeeuwen en Hollanders op de gruwelijke ‘middenpassage’.

De gevangen Afrikanen werden door de handelaren en het gezag in de Nederlanden juridisch gezien als ‘dingen’ beschouwd en behandeld, niet als mensen. Daardoor werden de Afrikanen hun rechten ontzegd die zij anders onder de wet zouden hebben. Pas in 1828 zouden de Afrikanen en hun nazaten door de Nederlandse wet als mensen erkend worden. De reis naar de Amerika’s duurde vaak drie tot vier maanden, op schepen waar mensen onder mensonterende omstandigheden op elkaar gepropt zaten. Een kwart van de mensen stierf door ziekte, ondervoeding, geweld of zelfmoord. Vanaf het begin waren er vaak opstanden op de transportschepen, het bekendste verhaal daarover is dat van de film ‘Amistad’ (1839).

Cultuur, Kennis & Kunde Afrikanen werden niet alleen naar de Amerikaanse koloniën verscheept vanwege hun fysieke arbeidskracht, maar ook vanwege hun vaardigheden en kennis op het gebied van de tropische landbouw en houtbewerking. Ook namen zij uiteraard hun cultuur, kennis en kunde op andere terreinen mee. 56

Familie - en gemeenschapsbanden Bij de selectie van slaafgemaakten werd geen rekening gehouden met familie- en gemeenschapsbanden. De Europeanen keken vooral naar fysieke gesteldheid, want ze wilden vooral mensen verhandelen die een grote kans maakten het transport te overleven en dan direct inzetbaar waren op de plantages. De handelaren concentreerden zich dus op mensen in de bloei van hun leven, hun familie en gemeenschap bleven vaak ontredderd achter. Intussen vormden de overlevenden van de transporten banden met lotgenoten die zij aan boord leerden kennen. Ook deze banden werden dan echter deels weer verscheurd als mensen uiteindelijk op verschillende plantages terechtkwamen. Dergelijke ervaringen vinden we terug in Odo en liedteksten, zoals:

Mi doro lanpresi (ik ging naar de steiger] Ma furu sipi mi no si [Maar veel schepen zag ik niet] Watra lon na mi ay [Tranen sprongen mij in de ogen] Mi boto de na Meriam Kondre, [Mijn boot ligt aangemeerd bij Meriam Kondre] Mi pari de na Dahomey [Mijn roeispaan is in Dahomey]

Volgens sommigen gaat dit lied oorspronkelijk over een geliefde. Ik ben hier in Meriam Kondre (zou een plantage kunnen zijn) en mijn geliefde is in Dahomey (vroeger een koninkrijk in het zuiden van de huidige West-Afrikaanse republiek Benin). In de loop van de tijd heeft het een meer algemene lading gekregen als uitdrukking van heimwee. Ik ben hier maar mijn wortels zijn in Afrika.

Spiritualiteit en Religie Religie en spiritualiteit zijn van begin af aan ook inzet van onderdrukking, segregatie en conflict geweest. Europeanen, waren volgens henzelf: christenen en dus in hun eigen ogen superieur. De Afrikanen werden bestempeld als ‘heidenen’ of zelfs als niet volwaardige mensen. In de bijbel meenden Europese theologen geen bezwaren te lezen tegen slavernij. En er waren zelfs theologen die valselijk beweerden dat in de bijbel stond dat zwarte mensen erfelijk vervloekt waren omdat zij de afstammelingen zouden zijn van de 57

zonen van Cham. Deze kreeg in het boek Genesis van de bijbel van zijn eigen vader Noah te horen dat zijn nazaten gedoemd waren als dienaren door het leven te gaan. Deze vervalsing werd al direct door andere theologen bestreden, maar ze zou toch de nodige invloed hebben.

Intussen in Nederland In Nederland was er aanvankelijk enige weerstand tegen de mensenhandel. Sommige dominees uitten hun bezwaren op theologische gronden. Maar al gauw werd vanuit Nederland volop meegedaan aan de handel in slaafgemaakte Afrikanen. Was er aanvankelijk sprake van een ongeorganiseerde ‘goldrush’ richting Afrika en de Amerika’s, al gauw werden de vele kleine compagnieën en andere particuliere initiatieven gebundeld in de West Indische Compagnie. Er werd in Nederland een groot plan ontwikkeld om forten op de Amerikaanse kust te veroveren en hetzelfde te doen met plantagegebieden in Amerika. Intussen hadden Europeanen maar weinig oog voor de grote variëteit van culturen in Afrika. In een proces van ‘race-making’ beschouwden zij alle Afrikanen simpelweg als ‘zwarten’. Zij maakten hoogstens nog een onderscheid tussen verschillende Afrikanen op basis van hun vermeende grotere of kleinere geschiktheid voor bepaald werk, of naar mate van opstandigheid.

58

I n v a s i e i n d e A m e r i k a ’s - C A . 16 0 0 -17 0 0 Europeanen dringen de Amerika’s binnen en stuitte op heftig verzet van de Inheemsen. De Inheemsen waren weliswaar gedecimeerd, maar het lukte de Europeanen niet om hen massaal te dwingen tot slavenarbeid in de mijnen en op de plantages. De Europeanen gingen over tot het importeren van Afrikaanse slaafgemaakten.

Strijd & Overleven ‘Het is beter als jullie je schepen nemen en weer vertrekken’ zeiden de Inheemsen tegen de kolonisten in de Guyana’s, nadat dezen zich onbetrouwbare en agressieve indringers hadden betoond in plaats van eerlijke handelspartners. Toen dezen daaraan geen gehoor gaven, vielen de Inheemsen aan. In Suriname liep toen een groot aantal slaafgemaakten weg en sloot zich bij de Inheemsen aan. Op de Caribische eilanden slaagden de oorspronkelijke bewoners er zelden in om stand te houden. In Brazilië en Guyana slaagden zij daarin wel. Bijna werden de kolonisten geheel uit Guyana verdreven, maar door onenigheid tussen de Inheemse leefgemeenschappen bleef hen die aftocht bespaard. Wel werden er verdragen gesloten waardoor de macht van de Inheemsen over een groot deel van hun leefgebieden intact bleef en werden zij daarna door de kolonisten niet serieus meer lastiggevallen. Een schaduwkant is dat sommige Inheemse gemeenschappen in Essecuebo, Berbice en Demerara, in het vervolg de kolonisten systematisch hielpen bij het opsporen van weggelopen slaafgemaakten en het neerslaan van opstanden, hetgeen met name de opstandige slaafgemaakten in Berbice later ernstig moesten bezuren.

Intussen is kenmerkend voor de Nederlandse ex-koloniën aan de Guyanese kust dat de Inheemsen hier, in tegenstelling tot grote delen van Latijns-Amerika, niet uitgeroeid zijn, maar nog steeds bestaande gemeenschappen kennen die ook wonen waar hun voorouders al woonden, nog voor er Europeanen verschenen. Tijdens de oorlog van de Inheemsen tegen de kolonisten (1678-1686), kwam ook de eerste grootschalige marronage op gang en ontstonden de eerste marrondorpen. Afrikanen en nazaten op Curaçao vluchtten in zelfgemaakte kano’s naar Venezuela. Zij brachten daar het Papiamentu en de tambú, waarvan elementen er nog steeds aangetroffen worden.

59

Cultuur, Kennis en Kunde Al snel na de kolonisatie van de Guyana’s kwamen de eerste slaafgemaakte Afrikanen daar ook aan in een voor hen onbekende wereld. Taal, muziek en kennis van bijvoorbeeld ambachten en de landbouw overleefden vaak de overtocht. Ondanks de onderdrukking en de uitbuiting op de plantages kwam de meegebrachte kennis en kunde tot nieuwe bloei. In korte tijd hebben de slaafgemaakten in Suriname een eigen omgangstaal, tevens contacttaal met de kolonialen, ontwikkeld waaruit uiteindelijk het Sranan ontstond, dat zoals bekend nog heel wat Engelse elementen bevat. Op de Benedenwindse Antillen ontstond op vergelijkbare wijze het Papiamentu op basis van Portugees en Spaans. In het contact met de Inheemsen leerden de slaafgemaakten veel over flora en fauna in Suriname, ook namen zij woorden over van de inheemse talen. Ook meegekomen uit Afrika was een alomvattende levenswijsheid. Deze werd verwoord in spreekwoorden en gezegdes (Odo in het Sranan, Dicho in het Papiamentu) en uitgedrukt in geheime symbolen en tekens. Dat bood ook de mogelijkheid voor ‘dipi taki’ (diepe taal, geheimspraak). Door -gedeelten van- Odo/Dicho te gebruiken of ernaar te verwijzen met bijvoorbeeld beeldspraak, ontstaan mededelingen die door niet-ingewijden niet begrepen worden.

Zo konden slaafgemaakten opstandige mededelingen uitwisselen ten overstaan van witte mensen die dachten hun talen te kennen, maar de werkelijke betekenis van het gezegde niet vatten. Op Curaçao spraken Afrikanen en hun nazaten nog heel lang het ‘Guení’ een direct op Afrikaanse (Guinese) talen gebaseerde taal. Naast het Papiamentu, dat de plantageeigenaren wel konden verstaan, fungeerde dit waarschijnlijk als een soort geheimtaal voor de onderlinge communicatie van slaafgemaakten.

Familie & gemeenschapsbanden Als de geroofde mensen op de plantage aankwamen, vormden zij tegen de verdrukking in hechte gemeenschappen. Slaafgemaakten gingen de lotgenoten op dezelfde plantage zien als een nieuwe familie, ‘pranasifamiri’, en stichtten gezinnen. Het kwam voor dat ze van hun (‘nieuwe’) familie gescheiden werden door verkoop Er ontstonden ook verwantschapsbanden tussen Afrikanen en hun nazaten en de onder60

drukkers door het verwekken van kinderen bij slaafgemaakte vrouwen door Europeanen. Daar dit altijd onder radicaal ongelijke machtsverhoudingen gebeurde, kan betwijfeld worden of hierbij ooit sprake was van authentieke liefdesrelaties. Tegengaan van seksuele exploitatie was een belangrijke inzet van verzet en strijd.

Spiritualiteit en Religie Al snel zijn op de plantages uit de verscheidenheid aan Afrikaanse vormen van spiritualiteit en religies gezamenlijke en aan de nieuwe omstandigheden aangepaste tradities ontstaan, de Winti in Suriname, Brua en Obeah op de Antillen. In deze religies vinden we zowel de grondtrekken die een aantal West-Afrikaanse religies (tot op de dag van vandaag) gemeen hebben terug, alsook specifieke elementen van de religies van bepaalde groepen, die van anderen zijn overgenomen. Het contact met de Inheemsen was ook van grote invloed op de Winti. Afrikanen namen aan dat de lokale geestenwereld van de Inheemsen nu was waar zij zelf ook mee te maken hadden. In de omgang daarmee werden zij door de Inheemsen beïnvloed, intussen bleven zij ook hun spirituele aandacht op Afrika richten.

Mi afo Mi afo k’moto na nengre kondre [Mijn voorouders komen uit Afrika,] Opo-ye, opo nyun gron [Sta op, hier in het nieuwe land] Un no yere [Hoor!] Djen-djen ê loi [Het luiden van de bel] Kar’ mi afo k’moto [Onze voorouders worden geroepen] Na nengre kondre [uit Afrika] (sokopslam: Surinaamse ‘spiritual’)

Op Curaçao werd de Brua fel bestreden door de autoriteiten en de katholieke kerk. Het verschil met de situatie in Suriname kan mogelijk worden toegerekend aan het ‘Asiento’, het contract waaronder het de Nederlanders door Spanje was toegestaan in mensen te handelen. Daarin was nadrukkelijk bepaald dat Afrikanen die als slaafgemaakte aan Spaanse gebieden zouden worden geleverd eerst gekerstend moesten worden. Op Curaçao, 61

het grote ‘depot’ in de Nederlandse mensenhandel, was de katholieke kerk dus zeer actief en werden Afrikanen dus vaak gekerstend, dit in tegenstelling tot Suriname. Ook werd Brua door de koloniale autoriteiten en de kerk afgeschilderd als kwalijke ‘zwarte magie’ en bleef beoefening ervan verboden tot in de 21e eeuw. Er was op Curaçao door de andere ruimtelijke opzet -die samenhing met de andere opzet van de economie- waarschijnlijk minder gelegenheid voor de Afrikanen en hun nazaten om -stiekem- bijeen te komen voor het beoefenen van de eigen religie.

Intussen in Nederland De activiteiten van de Zeeuwen en de Hollanders in de Amerika’s werden aanvankelijk vooral op stapel gezet om de vijand, de Spanjaarden en de Portugezen, dwars te zitten. Door in de koloniën vergaarde rijkdommen van hen af te pakken werden twee vliegen in één klap geslagen. Vandaar dat er in het begin vooral kaapvaart werd beoefend, met als bekend ‘hoogtepunt’ het veroveren van een deel van de zilvervloot door Piet Heyn in 1628. Gaandeweg raakte men ook geïnteresseerd in de mogelijkheden om zelf lokaal te gaan handelen en produceren. Er kwamen vestigingen in Noord-Amerika, waarvan de bekendste Nieuw-Amsterdam is, het latere New York. Ook werd Pernambuco op de Portugezen veroverd, maar pogingen om ook Bahia -en daarmee de macht in koloniaal Brazilië- te veroveren liepen uit op bloedige mislukkingen. Curaçao werd in 1634 op de Spanjaarden veroverd vanwege de uitstekende haven en lucratieve zoutwinning. Suriname kwam in 1667 in bezit van de Zeeuwen. Anders dan de Portugezen en de Spanjaarden begonnen de Nederlanders geen ‘volksplantingen’ in de Amerika’s. Het was eenvoudigweg niet mogelijk om een substantieel deel van het Nederlandse volk ertoe te bewegen te emigreren. In de koloniën kwamen dus vooral avonturiers terecht. Overigens kwamen die lang niet allemaal uit de Nederlandse provinciën.

We vinden van het begin af aan onder meer veel Duitsers en Fransen in de koloniën die onder Nederlands gezag staan. Doordat de kolonisten zich al gauw vooral richtten op verreweg de meest winstgevende activiteit in de Amerika’s, de suikerrietteelt, veranderde ook hun belangstelling voor Afrika. Immers in Afrika kon men de vereiste menskracht halen voor deze zeer arbeidsintensieve activiteit. Curaçao ontwikkelde zich onder Nederlands gezag tot één van grootste stations in de trans-Atlantische mensenhandel. 62

De zilveren vloot Heb je van de zilveren vloot wel gehoord De Zilveren Vloot van Spanje? Die had er veel Spaanse matten aan boord En appeltjes van Oranje! Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein Zijn daden bennen groot, zijn daden bennen groot Die heeft gewonnen de Zilveren Vloot!

S t r i j d e n W o r t e l i n g - C A . 17 0 0 -18 0 0 De in slavernij gebrachte Afrikanen bouwden tegen de verdrukking in op de plantages aan nieuwe gemeenschappen en ontwikkelden een eigen cultuur en religie. Zij waren permanent in verzet, velen slaagden erin om zich te onttrekken aan de plantages en stichtten ver uit het zicht en soms of in moeilijk toegankelijk gebied eigen gemeenschappen. Dat was vooral in de kolonie Suriname het geval.

Strijd & Overleven Het leven op de plantages was ongekend hard. De sterfte was zo hoog dat er voortdurend mensen uit Afrika aangevoerd werden om de werkkracht op peil te houden. In Suriname was dan ook tot eind 18e eeuw de meerderheid van de slaafgemaakten rechtstreeks uit Afrika afkomstig. Zij troffen bij aankomst naast Afrikanen, ook ‘creolen’ aan, dus slaafgemaakten die in de kolonie geboren waren. Er waren op de plantages ‘rangen en standen’ en soms verdeeldheid langs etnische lijnen of tussen nieuwkomers en zij die er geboren waren. Maar over het algemeen was er een sterke gemeenschapszin. Een bindend element was de permanente strijd op alle niveaus in allerlei vormen. Veinzen van ziek zijn om niet te hoeven werken, doen alsof je dom bent om de meesters dwars te zitten, waren voorbeelden van vormen van verzet. Ook werden de kolonialen bespot in een taal die zij niet begrepen (dipi taki). Afrikanen en hun nazaten kwamen in opstand als ze dreigden te worden overgeplaatst naar een ander plantage met slopend

63

werk. Of liepen -massaal- weg, stichtten eigen dorpen en verdedigden die met succes. Zij vielen zelf ook plantages en militaire posten aan. De druk van al deze vormen van verzet en strijd op de kolonialen waren hoog. Daarom bewapenden zij zich, organiseerden zich in ‘burgermilities’ en vroegen voortdurend om meer militaire steun uit Nederland. Afrikanen en hun nazaten werden vooral hard gestraft, om de schrik erin te houden. Het verzet leidde uiteindelijk tot het sluiten van vredesverdragen met de verschillende Marron vrijheidsstrijders in respectievelijk 1760, 1767 en 1860. Wel bleven de kolonialen relatief nieuwe groepen Marrons bestrijden. Met name werd nog een aantal expedities ondernomen tegen de verzetsgroep onder leiding van Boni, hierover gaat het bekende boek van Stedman Het lukte de kolonisten niet de Boni-strijders definitief te verslaan. Ook op de eilanden van de toenmalige Nederlandse Antillen verzetten de Afrikanen en hun nazaten zich op allerlei manieren. Van veinzen en vluchten tot in opstand komen. Op Curaçao begon op 17 augustus 1795 de Grote Opstand onder leiding van Tula. Deze opstand duurde tot oktober van dat jaar, toen een grote groep opstandelingen, waaronder Tula, gruwelijk geëxecuteerd werden. Het is duidelijk dat Tula geïnspireerd was door de idealen van de Franse revolutie. Hij zocht geen wraak, maar wilde een gemeenschap waarin ieder vrij kon zijn.

Boni, Baron, Kwaku, Jolicoeur, ma Amba, Adyako Benti Bastion, Karpata, zijn enkele namen van andere bekende verzetshelden uit deze tijd in de koloniën. Intussen werden ook af en toe individuele Afrikanen en nazaten vrijgelaten, ‘gemanumitteerd’, door plantage-eigenaren. Zij vestigden zich meestal in de stad en begonnen vaak kleine ondernemingen, als zelfstandig timmerman, blikslager, schoenmaker, kleermaker, wasvrouw, markt- of straatventer. Zij vormden zo de voorlopers van de werkende klasse en middenstand van Afrikaanse afkomst.

Cultuur, Kennis en Kunde De uit Afrika meegekomen kennis van onder meer landbouw, houtbewerking en geneeskunst komt goed van pas als Afrikanen en hun nazaten vluchten van de plantages en in Suriname zich vestigen in het oerwoud. Deze ‘Marrons’ slagen erin een stabiel bestaan op te bouwen. Aan voedsel hebben zij geen gebrek. Anders dan op sommige plantages,

64

waar altijd meer mensen sterven dan er geboren worden, groeien de marrongemeenschappen in het bos gestaag. Op de plantages legden de Afrikanen en hun nazaten kostgrondjes (moestuinen) aan om in eigen levensonderhoud te voorzien. Dit bood enige vrijheid en kansen voor het ontwikkelen van een gezinsstructuur en samenwerkingsverbanden. In de loop van de tijd leidde het ook tot enige economische activiteit, door het verhandelen van producten op de markten. Vermaak en educatie van de Afrikanen en hun nazaten draaiden om vertellen van Anansi- en Fostentori en soms ‘baljaren’. (Anansi / Kompa Nanzi / Kwaku of Kweku Ananse. Een mythische spin uit volksverhalen uit West-Afrika en de Caraïben die avonturen beleeft. Deze verhalen worden vaak intergenerationeel doorgegeven.)

Don Don diya Anansi heeft opgeschept en gewed dat hij de tijger Ba Tigri kan berijden. Hij heeft tegen de andere dieren gezegd: wacht op me op het plein, dan kom ik straks aanrijden. Intussen gaat hij langs bij Ba Tigri en zegt hem: ‘je hoeft vandaag niet te jagen, ik zorg ervoor dat je zo een hert kan vangen’. Zo gezegd, zo gedaan. Inderdaad komt Anansi op de rug van Ba Tigri aanrijden. Wat de dieren echter niet weten is dat Anansi met Ba Tigri heeft afgesproken dat deze midden op het plein moet gaan liggen, en doen alsof hij dood is, wachtend op het hert waarvan Anansi heeft beloofd dat het zal komen. Als Anansi arriveert is iedereen verbaasd en klapt luid. Ba Tigri gaat liggen en doet alsof hij dood is. Anansi stapt op een hert af en zegt ‘kom even kijken, dan zie je dat Ba Tigri echt dood is’ Als het hert naar Ba Tigri toeloopt, waarschuwt één van de dieren hem met het lied ‘don don diya, don don diya. Sama dede ma a de blo‘ (dom, dom hert, hij is dood, maar hij ademt nog). Maar het hert begrijpt de hint niet en loopt door…

Moraal: Als iets te mooi is om waar te zijn, is het niet waar.

65

Familie - en gemeenschapsbanden Belangrijke mensen in de plantage gemeenschappen waren de Basja, de Dresiman (vanuit perspectief van witten) en de Krioro Mama. De Basja was officieel dan wel een opzichter benoemd door de directeur, maar hij vertegenwoordigde ook de Afrikanen en hun nazaten op de plantage. De Dresiman was de medicijnman of vrouw, die vaak ook over grote spirituele kennis beschikte. De Krioro Mama ging onder andere over de kinderen die te jong waren om te werken. Op Curaçao werden de Afrikanen en hun nazaten ruwweg verdeeld in ‘veldslaven’, ‘huisslaven’ en ‘ambachtsslaven’. De ‘veldslaven’ deden het zware werk, de ‘huisslaven’ hadden het relatief goed, terwijl er voorbeelden zijn van ‘ambachtsslaven’ die zichzelf vrij konden kopen. Een bijzondere ‘huisslaaf’ was de Jaja. Zij zoogde de kinderen van de plantage-eigenaar. De opzichter – vitó of bomba genoemd- werd als verpersoonlijking van het kwaad gezien. Liederen uit die tijd spreken van de bomba sutadó, ofwel de bomba die geselingen toediende. De kinderen uit relaties tussen Afrikaanse vrouwen en Europese mannen vormden enerzijds een nieuwe ‘groep’ in de geracialiseerde verhoudingen. Anderzijds werden zij sterk verschillend behandeld door hun vaders en moeders en in diens kielzog, de machthebbers. Het wettelijke uitgangspunt was dat de status van een kind dat van de moeder volgde.

Deze kinderen waren dus ‘wettelijk’ gezien al bij geboorte automatisch slaafgemaakt. Sommigen van hen werden ‘gemanumitteerd’, vrijgelaten, maar lang niet allen. Daardoor kwam het voor dat kinderen als slaafgemaakte verbleven op de plantage waar hun vader de baas was.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10884895/1