CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1a. RVNTASM_Werkgroep I_Concept deelrapport 20210430.pdf

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 8 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van advies kunstraden inzake verkenning museale voorziening slavernijverleden (ZD2021-015738)27.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Samenstelling van werk groep 1 ‘Het Verhaal’ Drs. Ur win C . Vyent ; voorzitter van de werk groep en directeur NiNsee. Dr. Kar wan Fatah Black ; historicus en universitair docent Wendeline Flores MSc. ; historica en conservator Caribisch gebied en koloniale geschiedenis Mr. Dr. Daphina Misiedjan ; universitair docent en onderzoeker. Dhr. Daniel Engelsman ; secretaris van de werk groep. Met speciale dank aan Dr. John Schuter, Dr. Eddy Campbell en Drs. Jules Rijssen.

I N H O U D S O P G AV E WAAROM STAAT DIE SLIJPSTEEN DAAR?

7

VOORWOORD

8

INLEIDING

10

MISSIE

14

OPZET VAN HET DEELRAPPORT

15

VISIE

17

WEGEN NAAR HET VERHAAL

24

KANTELINGEN

33

Tonen van geweld

33

Tonen van het volle leven

35

Re-appropriatie van het beeld

36

De kracht van zwarte perspectieven

36

FOCUSPUNTEN

37

Creolisering

37

Colorisme

38

Instituitoineel racisme

41

Omgang kolonien

42

Reparations

44

BRONNEN

45

GROEIPAD V/H MUSEUM

51

BIJLAGEN

53

HISTORISCH OVERZICHT

54

Afrika aan het begin

55

Invasie in de amerika

59

Strijd en worteling

63

Van Tula tot...

69

Strijd om identiteit

73

Omgang met erfenis

77

MUSEALE TOEPASSING

84

Schaarste voorwerpen

84

Verschillen in overlevering

85

Meervoudig gelaagdheid

85

VENSTERS

86

GERAADPLEEGDE PERSONEN

114

6

WA A RO M S TA AT D I E S L I J PS T E E N DA A R ? Een waargebeurd verhaal over een waar verhaal. Het is nog niet zo lang geleden dat een nazaat op werkvakantie was in Suriname met een witte gast. Zij bezochten het bekende dorp Onverwagt in het district Para, op een voormalige plantage, waar in de tijd van de slavernij vooral van houtkap sprake was. Tijdens een wandeling door het dorp stuitten zij op een zeer oud voorwerp, een ‘draiston’ (slijpsteen) waarmee de slaafgemaakten ooit het gereedschap scherpten voordat zij het bos introkken om hout te gaan kappen. ‘Waarom staat die oude slijpsteen daar?’ vraagt de witte gast. ‘O, dat is een monument’, antwoordt de nazaat terloops. ‘Aha’, zegt de gast en: ‘Ja, hij is geblutst en verweerd. Je kan zien dat hij veel te verduren heeft gehad, dat symboliseert duidelijk het harde leven van de slaafgemaakten.’ ‘Zou je kunnen zeggen’, antwoordt de nazaat. ‘Bij die draiston kwamen de voorouders al in de slaventijd elke dag bijeen en wisselden zij het nieuws uit. Later smeedden zij er ook hun plannen om ooit deze plantage te kopen. Want als de slavernij straks zou zijn afgeschaft wilden zij ook echt van niemand meer afhankelijk zijn.

Mede dankzij die draiston hebben de voorouders werkelijk het geld voor de aankoop kunnen verdienen met houtkap voor eigen rekening, waarvan zij hadden afgedwongen dat zij die naast het verplichte werk konden verrichten. In 1881 was het zover en werd Onverwagt bezit van de gemeenschap. Deze draiston is dus een symbool van verzet, kracht en vastberadenheid. Het was en is een belangrijke spirituele ankerplek, waar we nog steeds op hoogtijdagen bijeenkomen.’ De gast, die uit de boeken het heroïsche verhaal kende van de Paranen die na 1863 tal van plantages tot gemeenschappelijk bezit hebben gemaakt, moet wel even om zichzelf lachen. Maar er valt ook opeens heel veel op zijn plaats. De draiston blijkt ook voor hem heel belangrijk te zijn, een slijpsteen van de geest.

VO O RWO O R D Dit deelrapport is de uitkomst van vele tientallen jaren ijveren voor een museale voorziening over het Nederlands trans-Atlantisch Slavernijverleden.Door velen is er langdurig actiegevoerd, gelobbyd en bergen werk verzet om het trans-Atlantische slavernijverleden en de rol van Nederland daarbij onder de aandacht te krijgen van een breed publiek. Die inspanningen hebben in 1999 geleid tot de oprichting van het Landelijk Platform Slavernijverleden en uiteindelijk tot de onthulling van het Nationaal slavernijmonument op 1 juli 2002 in Amsterdam en een jaar later tot de oprichting van het Nationaal Instituut Nederland Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee). Bij een breed en in toenemende mate divers publiek is er een groeiende belangstelling voor het herdenken van de slachtoffers en vieren van de afschaffing van de slavernij. Maar de beweging die dit alles heeft bereikt, is daarmee niet tot een eindpunt gekomen. Want conserveren van het erfgoed en herdenken en vieren van de (afschaffing) van de slavernij, zijn niet louter doelen op zich. Ze dienen juist als startpunt beschouwd te worden om telkens opnieuw ook het heden en de toekomst goed te begrijpen en daarin wegen voor vooruitgang te vinden. Aandacht vragen voor het slavernijverleden is niet los te zien van de wil om nog bestaande achterstanden en negatieve beeldvorming te overwinnen.

Er is ook de noodzaak om de omgeving aan te spreken op nog immer levende vormen van racisme, koloniaal denken en ‘witte onschuld’. Kennis van het Nederlands trans-Atlantische slavernijverleden en hoe dat heden ten dage doorwerkt, is essentieel om inzicht in maatschappelijke en culturele verhoudingen te helpen ontwikkelen. Vooral omdat in de slavernijperiode het maatschappelijke en het persoonlijke wel heel pregnant samenkwamen in een maatschappelijk systeem dat erom draaide individuen louter nog als bron van winst te behandelen. Hierdoor kan het onderwerp dicht bij de mensen komen, hen raken en prikkelen om de kwestie als een serieus onderdeel van de Nederlandse geschiedenis op te vatten. Uitgangspunt bij de oprichting van het NiNsee was activiteiten te ontwikkelen op de domeinen: Cultuureducatie, Museale presentatie, Onderzoek en Documentatie. Dit werk is voortvarend ter hand genomen, hetgeen resulteerde in een tweetal succesvolle tentoonstellingen: ‘Doorbreek de stilte’ en ‘Kind aan de ketting’, en in een aantal publicaties, serie lezingen, bijeenkomsten en lesprogramma’s. 8

Na stopzetting van de Rijkssubsidie in 2012 heeft het NiNsee zich vooral gericht op het borgen en versterken van de herdenkings- en vieringsactiviteiten. Door het unanieme besluit van de Amsterdamse Gemeenteraad om het initiatief te nemen om te komen tot een museale voorziening over het Nederlandse trans-Atlantische slavernijverleden kan het NiNsee het werk aan dat domein weer met volle kracht uitvoeren. En ook voor de andere domeinen, die vooral draaien om de kennisfunctie van het NiNsee, is weer groeiend draagvlak aangetroffen. In het proces om tot een Museum te komen heeft het NiNsee de taak op zich genomen om te rapporteren over de gewenste Missie en Visie en het ‘Verhaal’ van het Museum. Het NiNsee heeft ervoor gekozen om deze opdracht uit te voeren door tientallen betrokkenen van het eerste uur, wetenschappers, erfgoedspecialisten en activisten te raadplegen over de gewenste koers van het Museum om zo datgene dat in tientallen jaren is opgebouwd maximaal te kunnen benutten. Daarbij kwam heel duidelijk naar voren dat het Museum niet een eindpunt zal moeten zijn, maar een nieuwe stap vooruit. Nu het doorbreken van de stilte goeddeels is gelukt, is het tijd om het volledige verhaal over de slavernij- en koloniale periode te vertellen. Het verhaal vanaf de eerste mensenroof in Afrika tot en met het heden met de figuur Zwarte Piet en institutioneel racisme is één verhaal.

Er is grote overeenstemming over dat nu ook de kracht van de voorouders die in slavernij zijn gebracht en van de nazaten getoond moet worden. Dat wil zeggen dat de blik zich niet vernauwt tot slaafgemaakt zijn, dus iets waartoe zij gemaakt waren door anderen. Het wordt dus een Museum waar de creativiteit, levenskracht, het verzet, de spiritualiteit en het doorzettingsvermogen van de voorouders van de Afrikaanse diaspora in Nederland getoond worden. Bij het vertellen van dat verhaal is het nu nodig prioriteit te geven aan zwarte perspectieven en om van meet af aan nazaten van de slaafgemaakte Afrikanen nauw te betrekken en het roer in handen te geven bij de werkzaamheden van het museum. In dit deelrapport zijn deze gedachten uitgewerkt in de missie en visie van het museum. Ook is aangegeven om welke zaken het moet gaan bij het vertellen van het verhaal vanuit zwarte perspectieven en hoe dat gestalte kan krijgen. Wat er van waarde in dit deelrapport wordt aangetroffen, is te danken aan de vele tientallen betrokken deskundigen die door ons werden geraadpleegd. Wat er aan het deelrapport tekortschiet, komt voor rekening van de opstellers. 9

INLEIDING Een ontketend perspectief ‘Black Lives Matter!’ en ‘Er is ook in Nederland systemisch racisme’. Twee uitspraken gedaan vanuit heel verschillende levensbeschouwelijke en maatschappelijke posities, maar ze gaan over hetzelfde. Ze drukken dezelfde urgentie uit om er eindelijk voor te zorgen dat de nazaten van de Afrikanen die ooit in slavernij zijn gebracht als volledig gelijkwaardige burgers behandeld en gewaardeerd worden. Níet nieuw is de gedachte dat om dit te bereiken meer kennis en begrip nodig is van elkaars cultuur en geschiedenis. Wél nieuw is het politieke feit dat de gemeente Amsterdam en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen hebben besloten dat er een nationaal museum komt over de geschiedenis van de Nederlandse trans-Atlantische slavernij, om dat streven krachtig vorm te geven. Op dit historische moment is het goed om vooruit te kijken vanuit een besef van de geschiedenis die tot de komst van dit museum heeft geleid. Voortbordurend daarop kan een museum ontworpen worden dat zijn rol maximaal kan nemen door een belangrijke verdere stap te zetten in de verwerking van dit verleden.

Aandacht voor de trans-Atlantische slavernij was er in Nederland al in de koloniale tijd, maar dan vanuit het perspectief van: ‘hier werd iets groots verricht’. Er werd verhaald van glorie, avonturiers-moed, ondernemerschap en het vermeende bewijs van westerse superioriteit. Er overheerste een ingebeeld superieur perspectief, zonder de slavernij op enige manier als probleem te benoemen. Behalve dan dat kolonialen zich beklaagden dat de ontvoerde Afrikanen en hun nazaten niet hard genoeg werkten, wegliepen of regelmatig in opstand kwamen. Er was vooral sprake van een goedpraten en zelfs een positieve waardering van koloniale verhoudingen en slavernij, die honderden jaren het beeld in Nederland heeft overheerst. Wie het wil zien, vindt deze traditie nog steeds terug in tal van gedaanten. In erfgoed, in straatnamen en in de nog voortlevende vormen van koloniaal-racistisch denken waar de nazaten van de slaafgemaakten dagelijks tegenaan lopen. 10

De strijd tegen die kolonialistische beeldvorming in Nederland kent ook een lange voorgeschiedenis. Al in de achttiende eeuw hebben groepen intellectuelen zich uitgesproken tegen de mensenhandel en slavernij, en werd daarover in het parlement gedebatteerd. In de negentiende eeuw werd de slavernij afgeschaft en het racisme werd daarentegen versterkt. Maar het was ook de eeuw dat Eduard Douwes Dekker zijn zeer kritische Max Havelaar schreef. Belangrijke intellectuelen afkomstig uit Nederlandse koloniën, zoals Anton de Kom, Albert Helman, Eddy Bruma, Astrid Roemer, Frank Martinus Arion, Edgar Caïro, Moises da Costa Gomez en vele anderen, wisten vanaf de dertiger jaren van de twintigste eeuw grote indruk te maken op Nederlanders die open stonden voor een kritisch zelfonderzoek. In de jaren 70 en 80 is belangrijk onderzoek gedaan door zwarte wetenschappers en wetenschappers van kleur zoals Lamur, Van Lier, Siwpersad, Blakeley, CaIro, Dragtenstein, Arion, Allen, Sandew Hira. Ook witte wetenschappers zoals Van Kempen, Oostindie, Hoogbergen, de Groot en van Stipriaan hebben sterk bijgedragen aan een kritisch herbezien van het Nederlandse koloniale verleden.

Vanaf de jaren zeventig heeft vervolgens in Nederland het kritisch geluid van de nazaten van de ontvoerde Afrikanen enorm aan volume gewonnen met de immigratie van velen van hen in die tijd. Zij hadden ook alle reden om de herinnering aan de tijden van slavernij en koloniale overheersing weer krachtig tot leven te roepen. Immers, de ronduit discriminerende manier waarop zij in Nederland behandeld werden, confronteerde hen elke dag met de levende realiteit van het kolonialistische culturele erfgoed. In het recente verleden zijn de lotgevallen van de ontvoerde Afrikanen en hun nazaten aldus vooral onder de aandacht gebracht in verband met aanklachten, over racisme, over de bevoorrechte positie van de witte meerderheid en over de onwil om die onder ogen te zien, laat staan aan te pakken. Met dat activisme is veel bereikt. Generaties van activisten hebben zich ingezet en uiteindelijk met gebundelde krachten indrukwekkende resultaten geboekt. Een monument op het Surinameplein in Amsterdam werd opgericht, een nationaal monument werd onthuld door de koningin en het NiNsee is er gekomen 11

Er is tevens een jaarlijkse Nationale Herdenking en Viering van de wettelijke afschaffing van de slavernij en er is een begin van aandacht voor het slavernijverleden in onderwijsprogramma’s en in steeds meer Gemeenten. Er is ook door tal van culturele en erfgoedinstellingen aandacht besteed aan de transAtlantische slavernij. Presentaties door musea, archieven en theaters hebben bijgedragen aan het doorbreken van de stilte rond de slavernij bij het grote publiek in Nederland. Door het ijveren voor ‘decolonising the institutions’ zijn ook op tal van plekken waar erfgoed beheerd wordt, belangrijke correcties van en commentaar op het koloniale perspectief aangebracht.

Door dit - op zich begrijpelijke - éénzijdige, activistische accent op de aanklacht en het corrigeren van het bestaande koloniale vertoog is echter het dominante beeld van de Afrikanen en hun nazaten vaak versmald tot dat van slachtoffers. Het zicht is daardoor belemmerd op wat de tot slaafgemaakten nog meer waren dan dat, op wie zij werkelijk waren, ondanks datgene waartoe mensenhandelaren en plantage-eigenaren hen wilden maken. Zij waren vanzelfsprekend ook belangrijke, volwaardige, intens levende, cultureel, intellectueel, seksueel, sociaal actieve mensen, kunstenaars, ondernemers, activisten. Zij waren ook degenen die nog steeds levende talen en culturen hebben vormgegeven en daarmee inmiddels ook het Nederlandse culturele landschap hebben verrijkt. Het is voor de nazaten en hun omgeving van groot belang om ook eindelijk dát beeld krachtig naar voren te brengen. Het is demotiverend de eigen voorouders alleen als slachtoffers te zien afgebeeld. Het draagt ook niet bij aan een beeld van gelijkwaardigheid bij de omgeving. Er moet nu voorbijgekomen worden aan het louter doorbreken van de stilte en het corrigeren van koloniaal getoonzette verbeelding van het verleden, waarbij nog steeds-ongewild- het koloniale perspectief toch telkens het vertrekpunt is.

Het onder het motto ‘gedeelde geschiedenis’ op te richten museum biedt de kans om dat te bereiken. Het uitgangspunt daarbij is het besef dat weliswaar sprake is van een gedeelde geschiedenis, maar dat daarbij geen sprake was van gelijk delen. Men deelde wél tijd en ruimte met elkaar, maar niet de ervaringen van onderdrukking en uitbuiting, niet de macht en de welvaart. Ook het beschrijven en presenteren van deze gedeelde geschiedenis

12

vond plaats onder ongelijke machtsverhoudingen. Om voorbij te komen aan het koloniale perspectief is het nodig om die machtsverhoudingen nu verder te doorbreken. Daarom kiest het nieuwe museum principieel voor de veelheid aan perspectieven van de ontvoerde Afrikanen en hun nazaten zélf en voor de duurzame betrokkenheid van nazaten als organisatorisch principe om dat te realiseren. Het vertrekpunt is telkens de eigen stem van de slaafgemaakten en hun nazaten, zoals die nog op tal van manieren teruggevonden kan worden. Daarbij is het cruciaal om de totale geschiedenis en cultuur van de mensen waar het om ging en gaat in beeld te brengen. Dan komt uiteraard als vanzelf een sterke focus op de trans-Atlantische mensenhandel en de slavernij te liggen, want die was sterk bepalend in hun leven. Maar wat vermeden moet worden is om deze extern opgelegde toestand voorop te stellen als allesbepalende lens, want dat zou meteen weer die beperking van de blik meebrengen, waarbij hun eigen handelen, verlangen, dromen, denken en daadkracht tot afgeleide worden gemaakt.

Door die ruime blik wordt dan ook een belangrijke stap gezet om te bereiken dat de geschiedenis van iedereen in Nederland vertegenwoordigd wordt in het museale en educatieve aanbod, op een manier die voortkomt uit de eigen cultuur. Zo’n museum verkrijgt alleen al daardoor nationale betekenis. Het enorme belang ervan is dat het gaat om een onmisbare aanvulling op het palet, doordat de Afrikanen en hun nazaten centraal staan in dit museum. Dat maakt ook dat het voor de nazaten een belangrijke sacrale en spirituele betekenis krijgt. Het museum is ook van groot belang omdat het duidelijk maakt dat de slavernij- en koloniale geschiedenis op talloze manieren doorwerken in de samenleving als geheel tot op de dag van vandaag. En ook dat wordt als belangrijke context en urgent vraagstuk tegelijk getoond in het museum. Het daarover bestaande, verspreid aanwezige, inzicht en materiaal wordt krachtig op één plek gebundeld, aangevuld, vernieuwd en gepresenteerd.

Het museum krijgt aldus een meervoudige transformationele rol. Het beeld van het verleden en de wijze waarop er over gesproken wordt, zal worden verrijkt en veranderd, doordat een ander perspectief is gekozen dan meestal gehanteerd wordt en er onder veranderde machtsverhoudingen gewerkt wordt. Op basis van die vernieuwingen kan

13

aan het publiek een nieuwe ervaring worden geboden. De inzet is om daarmee ook te interveniëren in de beleving bij het brede publiek. Wat nu nog lang niet door iedereen als belangrijke gedeelde geschiedenis wordt gezien, kan dat door de komst van het museum worden. De koloniale en slavernijgeschiedenis ís Nederlandse geschiedenis. Een proces van transformatie van de manier waarop die geschiedenis beschreven en gepresenteerd wordt is een gebeurtenis van nationale betekenis. Het museum staat dus voor een bijzondere uitdaging. Het gaat om een museum waar mensen niet voor recreatie of puur uit historische belangstelling heen zullen gaan. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat het museum door het publiek gevonden zal worden. Er is bij brede lagen van de bevolking belangstelling voor geschiedenis en een positieve grondhouding tegenover een kritische benadering daarvan. Een transparante transformatie van het beeld en het spreken over een belangrijk deel van de geschiedenis kan op de nodige aandacht rekenen. Bovendien zal het museum veel nieuws en verrassends tonen en tegelijk aanknopingspunten bieden voor herkenning. Immers, mensen die in verzet komen tegen hen aangedaan onrecht kunnen op sympathie en waardering rekenen die mede teruggaat op de eigen ervaringen die vrijwel iedereen heeft met verzet, emancipatiestrijd en bevrijding.

Er is geen betere manier om de uitdaging aan te gaan dan door middel van een dynamisch museum. Dus een museum dat een platform voor dialoog creëert op basis van inzicht, historische context en veelzijdige interpretaties, een vrije, veilige ruimte voor gesprek waarbij men elkaar niet direct de maat neemt, maar waar iedereen wat kan leren, de complexiteit van deze geschiedenis kan ervaren, vragen kan stellen en met antwoorden kan komen. Al deze overwegingen komen tot uitdrukking in de missie van het museum.

MISSIE De missie van het museum is het tonen van de perspectieven, de kracht en de strijd van de slaafgemaakten en hun nazaten, waarbij het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden, de erfenissen en de doorwerking daarvan centraal staan. Hierbij is de museale voorziening een katalysator voor sociale verandering. 14

O P Z E T VA N D I T D E E L R A P P O R T In het hoofdstuk over de visie van het museum wordt uitgewerkt hoe het beeld van het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden zal worden opgebouwd door de voorouders centraal te stellen, het verzet in kaart te brengen en doorwerkingen van dat verleden een belangrijke plaats te geven. Er wordt betoogd dat het werk aan iedere presentatie moet beginnen met een gesprek met nazaten, die daarmee het centraal stellen van zwarte perspectieven in de praktijk belichamen. De vernieuwende en onderscheidende rol die het museum wil nemen, wordt hier ook in activiteiten en functies vertaald. Er wordt geschetst hoe het Museum in samenwerking met bestaande musea en andere erfgoedinstellingen op een uitnodigende en inclusieve manier een platform voor dialoog, kennisvermeerdering en betrokkenheid kan bieden voor een breed publiek.

In het hoofdstuk ‘de weg naar het verhaal’ wordt verder uitgewerkt hoe de geschiedenis van de trans-Atlantische slavenhandel en de Afro-Nederlandse gemeenschap in Nederland behandeld wordt in de museale voorziening. Er wordt uitgelegd wat onder ‘zwarte perspectieven’ wordt verstaan en hoe zich die verhouden tot andere perspectieven. Er wordt getoond hoe vanuit zwarte perspectieven een aansprekend verhaal kan worden ontwikkeld op basis van de kennis aanwezig in de afro-Caribische gemeenschappen. De centrale transformatie die wordt bereikt door het prioriteren van zwarte perspectieven is een kanteling van het beeld. De kracht van de voorouders komt nu in beeld. Er vindt een re-approriatie plaats van gevoelige maar belangrijke thema’s als geweld tegen en levensvreugde van de slaafgemaakte voorouders. Belangrijke thema’s worden aangereikt die dienen om de focus van het museum mede te bepalen. Zij draaien om belangrijke manieren waarop het verleden verbonden is met het heden. Het gaat om voorbeelden van transformaties, uit het verleden, die nog voortdurend nu gaande zijn, of gewenst zijn en die draaien om de complexe verhoudingen tussen zwart en niet-zwart, onderdrukt, vrij en onvrij. Creolisering is zo’n thema, als rode draad in de ontwikkeling van de culturen van de Afrikanen en hun nazaten. Colorisme, een in de koloniën ontstaan fenomeen dat nog steeds doorwerkt, is er ook één.

Het ontstaan van institutioneel racisme is een focuspunt, de omgang door Nederland met de 15

voormalige koloniën en de roep om reparations zijn dat ook. Zij geven richting aan de vraag waar het museum zich in de toekomst op zal richten en bieden aanknopingspunten om eventueel ook breder naar de koloniale geschiedenis te kijken dan alleen naar hetgeen in het Caraïbisch gebied, de West-Afrikaanse kust en in Nederland gebeurde en gebeurt. Er wordt ingegaan op de betekenis van de verschillende soorten bronnen en hoe de klassieke hiërarchische verhouding tussen het geschreven woord en andere bronnen doorbroken moet worden om zwarte perspectieven tot hun recht te laten komen. Daarbij komt onder meer naar voren dat ook de activiteiten om tot verwerking van het verleden te komen en de ervaringen met de hedendaagse doorwerkingen ervan belangrijke ingangen bieden naar begrip van het verleden.

Tot slot wordt het groeipad van het museum geschetst. In een bijlage bij het deelrapport wordt een historisch overzicht geboden dat beoogt een weergave te zijn van het corpus aan kennis dat tot nog toe door zwarte en witte onderzoekers is vergaard over het verleden. In vensters zijn manieren weergeven om tot transformationele verhalen te komen en aanzetten tot zulke verhalen. Het transformeren van de verhouding tussen een centraal, dominant corpus en verhalen van zwarte perspectieven die nu nog ernaast staan, in vensters, geeft precies de uitdaging voor het museum aan.

16

VISIE Vooroplopen in het proces van verwerking, door de slaafgemaakten en hun nazaten binnen één generatie een volwaardige plek te geven in de nationale geschiedenis. Het museum maakt gebruik van de kracht en de strijd van de voorouders voor een menswaardig bestaan en staat in het teken van een gelijkwaardige en rechtvaardige samenleving.

Toelichting op de visie Het museum toont het gedeelde verleden vanuit het besef dat het ‘delen’ van dit verleden wel onder zeer ongelijke machtsverhoudingen plaatsvond en dat er van ‘eerlijk delen’ geen sprake was. Die ongelijke machtsverhoudingen hebben ook doorgewerkt bij het bestuderen en presenteren van dit verleden, tot op de dag van vandaag. Het slavernijverleden is ‘contested history’ en de strijd om de geschiedschrijving is onderdeel van het verhaal. Het museum toont dit gegeven en maakt het productief door zelf een publieke werkplaats te zijn waar zichtbaar voor iedereen aan verrijking van kennis en interpretaties van het slavernijverleden wordt gewerkt. Zowel dit transformatieproces als de uitkomsten ervan zijn van nationale betekenis.

Bij het vertellen van het verhaal van de slaafgemaakte Afrikanen en hun nazaten zal het museum er uiteraard voor zorgdragen dat koloniale vooroordelen en denkpatronen niet worden gereproduceerd. Hiertoe wordt al enige tijd op tal van plekken gewerkt aan een nieuwe, dekoloniale manier van denken en een nieuwe (beeld)taal. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het niet meer kritiekloos tonen van beelden van onderdrukking en uitbuiting of overnemen van teksten die in de koloniale periode zijn geproduceerd. Of zonder commentaar koloniaal, racistisch of discriminerend taalgebruik tonen. Maar dat alles verandert het perspectief nog niet wezenlijk. Het museum kiest daarom een fundamenteel andere benadering. Het plaatst de slaafgemaakten en hun nazaten centraal als autonoom denkende, handelende en ondernemend mensen, vaak ook in groepsverband, en niet als weerloos slachtoffer. Door het op een respectvolle en menselijke manier tonen van de verscheidenheid aan manieren van overleven en de veelheid 17

aan menselijke expressies van veerkracht en creativiteit is het mogelijk de bezoeker zich te laten identificeren met deze geschiedenis. Tegelijk toont het hoe onderdrukking werkt.

In het museum ligt de focus op de culturen en talen van de Afrikanen en hun nazaten. Stemmen en handelingen van slaafgemaakten zijn van oudsher onderbelicht gebleven. In het Museum wordt de blik op hen verbreed door hun kracht centraal te stellen, zodat zij als cultureel, intellectueel en sociaal actieve mensen getoond kunnen worden. Tot slaaf gemaakte Afrikanen, vrijgevochtenen en vrijgemaakten hebben tot op heden levende talen en culturen vormgegeven. Het is voor de nazaten en hun omgeving van groot belang om dat te erkennen. Dit betekent dat in het museum de prioriteit ligt bij zwarte perspectieven op het verleden en doorwerkingen naar heden. Dat betekent niet dat andere perspectieven daarmee volledig uit beeld zijn, integendeel. Maar het betekent wel dat een herwaardering daarvan en interactie daarmee ook vanuit zwarte perspectieven plaatsvindt.

De prioritering van zwarte perspectieven én de interactie met andere perspectieven worden in de praktijk gerealiseerd door de inrichting van de centrale werkprocessen van het museum. Het museum vervult haar taak om het verhaal over het slavernij- en koloniale verleden te transformeren door de werkzaamheden aan iedere presentatie of andere activiteit te starten door nazaten uit te nodigen voor rondetafel overleg over een onderwerp of vraagstuk. Met hen worden vormen van hun betrokkenheid bij zo’n project verder uitgewerkt, in samenwerking met degenen die zij daar verder bij willen betrekken. Zo wordt het uitgangspunt om zwarte perspectieven centraal te stellen ook in de praktijk gerealiseerd, door de feitelijke deelname aan de werkprocessen en van degenen die deze perspectieven belichamen. Het museum neemt zelf haar rol door de kantelingen, focuspunten en bronnen die in het volgende hoofdstuk behandeld worden te agenderen bij die processen en door eigen deskundigheid in te zetten.

18

Betekenis voor het publiek Het museum neemt een leidende rol bij het presenteren van het slavernijverleden en wil dit verleden tot een belangrijk onderdeel maken van het standaard historisch-educatieve aanbod in Nederland. Dat is een bijzondere opgave, omdat het voor het brede publiek nog steeds niet vanzelfsprekend is om zich met het slavernijverleden te verstaan. Het museum opereert outreachend en is wervend en overtuigend voor een breed publiek. Het museum is een educatief centrum en ontmoetingsplek voor allen die hun kennis en begrip van de afro-Caribische geschiedenis en cultuur willen verbreden, verdiepen, delen en bespreken. Daarmee draagt het bij aan het gesprek over de erfenis van de trans-Atlantische slavernij en de koloniale tijd.

De specifieke kracht van musea is het vermogen om historische gebeurtenissen dichter bij het publiek te brengen. Het NTASM doet dat door de Afrikanen en hun nazaten, aan het woord te laten en hun emoties en expressie te tonen. Het museum zet sterk in op die kracht en biedt het publiek een venster op de ervaring van de mensen waarom het ging en daarmee mogelijkheden voor identificatie, verdieping van begrip en verwerking. Het tonen van cultuur als vorm van verzet is daarvoor een krachtig middel. Het museum wordt daardoor een belangrijk instrument voor educatoren en een vindplaats voor allen die hun kennis van het slavernij- en koloniaal verleden willen vernieuwen en verdiepen.

Het museum wil bezoekers ook kennis laten maken met de gevolgen van het slavernijverleden voor de huidige samenleving. Het gaat om een gedeeld verleden dat nu nog doorwerkt in vormen van verdeeldheid en achterstelling. Ook tal van problemen die spelen in de afro-Caribische gemeenschap zijn historisch verbonden met dat verleden. Het museum toont en bevraagt het lange proces van ontwikkeling van institutioneel racisme dat doorgaat tot vandaag en hoe strijd daartegen heeft gewerkt en nu werkt. Het verhaal van het museum beperkt zich dus niet tot de periode van de slavernij. Hedendaags burgerschap vereist kennis van deze geschiedenis, omdat een deel van de onvolkomenheden, maar ook juist een deel van de kracht van de huidige samenleving daarin te vinden is.

19

Het Museum is bij uitstek een inclusief museum. Een museum waarin de diversiteit van de samenleving in het fundament van de organisatie, waaronder het programma, het publiek, het personeel, de partners en leveranciers, verankerd is. Door het publiek en stakeholders actief te betrekken bij het verzamelen, duiden en delen van getuigenissen, vergroot het museum het besef van onderlinge verbondenheid. Deze publieke functie krijgt onder meer vorm door lezingen, debatten en conferenties te organiseren. Ook wordt hedendaagse reflectie op het verleden en doorwerking getoond aan de hand van werk van theatermakers, cineasten en andere kunstenaars, al dan niet in opdracht van het museum vervaardigd.

Naast inhoudelijke verdieping voor het onderwijs zal het museum ook ruimte bieden voor verregaande reflectie op deze geschiedenis en het tot stand komen van kennis over deze geschiedenis. Ook bij het werk aan het tot stand komen van presentaties van het slavernijverleden worden collega’s, cultuurmakers en het publiek betrokken.

Realisatie Uitgangspunt voor de presentaties van het museum zullen het handelen en denken zijn van de Afrikanen en hun nazaten. Het museum zoekt, onderzoekt en bewerkt alle materiële en immateriële bronnen waarmee het beoogde verhaal kan worden verteld. De immateriële bronnen zijn onder meer de talen, zegswijzen, spreekwoorden, liederen, muziekstijlen, drumtalen, opvoedingsmethoden, gender- en verwantschapsrelaties, mondelinge geschiedenissen, overgeleverde wereldbeelden, rituelen en festiviteiten en diverse vormen van spiritualiteit, esthetiek, dans, bouwkunst en natuurgeneeskunde,

Ook kan worden geput uit kritische studies van koloniale bronnen, van plantage-boekhouding tot rechtbankverslag en gravure; aan herinterpretatie van archeologische opgravingen en gebouwd erfgoed; aan ambacht, textiel en kleding, voedingspatronen, gebruiksvoorwerpen en kunst. Wat hierover al is uitgezocht en door bestaande erfgoedinstellingen zal in het museum worden geheranalyseerd, geherinterpreteerd en ingepast in het nieuwe verhaal. Met die herinterpretaties kunnen geleende museale objecten ook weer met een nieuwe betekenislaag worden teruggegeven aan de erfgoedinstelling van

20

herkomst, waardoor ook bestaande koloniale collecties en hun beheerders en gebruikers kunnen gaan emanciperen.

Het museum creëert kwalitatief bijzondere presentaties. Het borduurt voort op de veelheid aan dekoloniale kennisproduktie om een samenhangend verhaal te vertellen van het slavernijverleden en de doorwerkingen ervan. Het stimuleert en werkt samen met andere instellingen die actief zijn rond dit verleden of dat willen worden. Voor dit alles beschikt het museum over een werkplaats waar in interactie met bezoekers, museale collega’s, cultuurmakers, opiniemakers, critici en activisten aan nieuwe presentaties wordt gewerkt. Een daarmee geïntegreerd onderzoekscentrum waaraan denkers, onderzoekers en ervaringsdeskundigen en educatoren zijn verbonden, verzamelt nieuwe resultaten van wetenschappelijk en grassroots onderzoek. Daarmee worden nieuwe museale en educatieve projecten gestart en het centrum fungeert als laagdrempelige vraagbaak voor alles met betrekking tot slavernij en doorwerking daarvan.

Het museum heeft een vaste- en wisselende opstelling, waarvan zowel verhalen als objecten onderdeel uitmaken. Wisseltentoonstellingen bieden hedendaagse kunstenaars en tentoonstellingsmakers de mogelijkheid actuele onderwerpen en nieuwe inzichten aan de orde te stellen. Zo gaat het onderwerp op meerdere manieren leven bij de bezoekers en enthousiasmeert het hen om het verhaal door te geven. Het museum is niet alleen een instituut waar bezoekers kennis opdoen, maar ook een plek waar ze aan het denken worden gezet en de geschiedenis kunnen beleven. Kortom, er wordt kennis opgedaan, bewustwording gecreëerd en dialoog gestimuleerd.

Posit ie va n h e t mus e um Door zich te richten op de slaafgemaakte Afrikanen en hun nazaten neemt het museum een eigen positie in tussen museale en andere instellingen in binnen- en buitenland die reeds aandacht besteden aan het slavernijverleden. De inzet is daarbij niet om nu alle presentaties van dit verleden in Nederland te centraliseren in het museum. Integendeel, het museum biedt een gedeelde presentatieplek, waar samen met partners mede vanuit hún sterke kanten aan vernieuwende presentaties gewerkt wordt. Ook kunnen de resultaten van

21

het werk dat door het museum en partners wordt verricht op allerlei manieren opduiken bij collega-instellingen of op andere plekken. Daarbij wordt ingezet op vormen van samenwerking die intensiever zijn dan het gangbare bruikleenverkeer. Het museum wil een ‘hub’ zijn in een netwerk van instellingen. Deze functie gaat goed samen met de publieke functie van podium voor het gesprek over het slavernijverleden en de doorwerkingen daarvan.

Haar presentaties komen tot stand door co-creatie met een mozaïek aan partijen en met gebruikmaking van de resultaten van dekoloniaal en niet-eurocentrisch onderzoek. Haar museale werkplaats en onderzoekscentrum, borgen de leidende rol van het museum op dit thema in het nationale museale en culturele veld.

Het museum wil een onderdeel zijn van en een bijdrage leveren aan de nationale en internationale conversatie over en verwerking van het slavernijverleden en de doorwerking daarvan. Er wordt actief aan gewerkt dat er vanuit het onderzoek naar het Nederlandse trans-Atlantische slavernijverleden aan dat gesprek kan worden bijgedragen. Omgekeerd leert het museum van manieren waarop andere instellingen met het slavernijverleden en het presenteren daarvan omgaan.

22

23

WEGEN NAAR HET VERHAAL In dit hoofdstuk wordt eerst de transformationele kracht van zwarte perspectieven uitgewerkt en hoe deze zich verhouden tot andere perspectieven. Er wordt betoogd dat ieder verhaal over het slavernij- en koloniale verleden kan beginnen bij de nazaten van nu en voorgesteld dat het museum dit principe tot kern van haar werkwijze zal verheffen. De kanteling van het beeld over het leven van de voorouders die bereikt zal worden door zwarte perspectieven te hanteren wordt geschetst. Vijf belangrijke focuspunten voor het museum worden ontvouwd. Dit zijn thema’s die draaien om historische, actuele en gewenste transformaties die nu vanuit zwarte perspectieven belicht moeten worden. Ze betreffen de kern van de complexe dynamische verhoudingen tussen zwart en wit, onvrij en vrij en onderdrukt en machtig. Bij een prioritering van zwarte perspectieven hoort onvermijdelijk ook het doorbreken van de klassieke hiërarchie tussen geschreven, als gezaghebbend beschouwde, bronnen en de rijkdom aan andere bronnen en vindplaatsen. Er wordt beschreven hoe die andere bronnen kunnen emanciperen tot gelijkwaardige en leidende vindplaatsen voor het verhaal van het museum. Tot slot wordt het inhoudelijke groeipad van het museum beschreven.

ZWARTE PERSPECTIEVEN Het verkrijgen van toegang tot de verhalen over de slavernij en de koloniale tijd is op meer dan één manier een gevoelige materie. Alles wat we uit die tijd kunnen vinden is immers tot stand gebracht onder ongelijke machtsverhoudingen. In de samenstelling van collecties bewaarde teksten en afbeeldingen vinden we die ongelijkheid terug. Er is veel meer bewaard gebleven dat door witte handen vervaardigd is dan door die van de Afrikanen en hun nazaten. Ook het eigenaarschap van de instituties waar alles bewaard wordt is overwegend in handen geweest van de voormalige kolonisatoren. Veel van de geschreven teksten die bewaard zijn, waren instrumenteel voor winstmaximalisatie en continuering van de machtsongelijkheid, niet voor het kritisch informeren van het publiek. Voorwerpen die bewaard zijn, werden vooral geselecteerd, tentoongesteld en uitgelegd 24

door de overheersers. Wie argeloos met dergelijke collecties omgaat, loopt het risico in hetzelfde stramien te blijven, dus te kijken naar de onderliggende partijen door de bril van een overheerser.

Het feit dat geschiedschrijving en presentaties van het koloniale en slavernijverleden sterk door witte perspectieven bepaald zijn, is een onderdeel van het totaalverhaal van een verleden dat doorloopt in het huidige postkoloniale tijdperk. Het is nu nodig om het andere verhaal ook te vertellen en daarmee de traditionele machtsverhoudingen rond het presenteren van dit verleden te doorbreken. Er moet worden gekozen voor wat wordt aangeduid met ‘het zwarte perspectief’.

Uitgangspunt daarbij is dat nazaten van de Afrikanen die in slavernij zijn gebracht in principe hedendaagse getuigen zijn van dat verleden, doordat zij de overlevering kennen, doordat zij belangrijke personen gekend hebben die aan de verwerking van dat verleden gewerkt hebben, doordat zij onderdeel zijn van levende culturen die hun roots in de tijd van slavernij hebben en doordat zij nog steeds de talen spreken die door de slaafgemaakte Afrikanen ontwikkeld zijn. Voorop staat dat ook de verwerking en de doorwerkingen van het slavernij- en koloniale verleden belangrijke toegang bieden tot het begrijpen van het verleden. Nazaten van de slaafgemaakten hebben bergen werk verzet om tot lotsverbetering te komen, om het respect voor hun eigen taal en cultuur te verwerven en om de landen waar zij wonen onafhankelijk en democratisch te maken. De verhalen daarover bieden een rijkdom aan inzicht in het de verwerking en doorwerking van het slavernijverleden en de koloniale periode, omdat veel van de activiteit van de nazaten daarmee rechtstreeks in verband stond en staat. Ze zijn ook belangrijk omdat ze gaan over de nog immer niet voltooide emancipatie.

25

Nazaten hebben ook actief gestreden om het slavernijverleden en de doorwerking ervan überhaupt onder de aandacht te brengen. Vaak in verbondenheid met hun strijd tegen het racisme dat zij zelf nog dagelijks ondervonden en ondervinden. Ook dat werk is een onderdeel van de voortdurende emancipatiestrijd en biedt een belangrijke toegang tot het verleden.

Nazaten en hun omgeving leven ook nog steeds in de context van een aantal doorwerkingen van het slavernij- en koloniale verleden. Goede én slechte gewoontes, successen én mislukkingen worden door nazaten daarmee in verband gebracht. Zo wordt gezinsen opvoedingsproblematiek in eigen kring vaak in verband gezien met het verleden. Successen van nazaten worden gezien als voorbeeld van wilskracht om iets te bereiken tegen de stroom in, net zoals de voorouders toonden. Het racisme waar nazaten nog dagelijks mee wordt geconfronteerd, bevestigt een zeker overgeleverd wantrouwen tegen de witte omgeving. Nazaten zien daarin ook een doorwerking van het verleden, een lijk in de kast van het witte ‘culturele archief’. Op tal van manieren zijn nazaten verbonden met het verleden. Door hun directe ervaring met deze erfenis hebben zij een sensitiviteit en bewustzijn die hun interpretaties ervan informeren.

Als de nazaten als getuigen en ervaringsdeskundigen in een positie komen om de regie en het initiatief te nemen bij het onderzoeken en presenteren van het verleden neemt het ‘zwarte perspectief’ een plurale vorm aan: zwarte perspectieven. En het staat dan dus niet voor een -fictief - zwart eenheidsdenken of ‘politiek correct’ perspectief. Zwarte perspectieven vooropstellen levert niet een doctrine op, maar een onderzoeksmethode. Ieder verhaal over het slavernij- en koloniaal verleden kan in feite beginnen bij nazaten van nu. Doordat zij vertellen over wat zij weten, uit ervaring in verband met dat verleden en door de overlevering van belangrijke actoren die zij zelf, of die hun ouders of grootouders gekend hebben. Het baanbrekende voorbeeld van een zwart perspectief dat met kracht naar voren werd gebracht, is het boek van Anton de Kom: ‘Wij slaven van Suriname’. Een antikoloniale herinterpretatie van de Surinaamse geschiedenis en de sociale verhoudingen in zijn tijd.

26

DE COMEBACK VAN ANTON DE KOM Verzetsheld, sociaal strijder en belangrijk schrijver. Een indrukwekkend palmares zou je zeggen. Echt iemand die geëerd zou moeten worden. Toch werd de herinnering aan Anton de Kom in Nederland liever weggedrukt. Voor de Nederlandse overheid was hij vooral de onruststoker met communistische sympathieën die voor volksoplopen in de kolonie Suriname had gezorgd. Onder dwang werd hij van daar weggevoerd en gedwongen in Nederland te immigreren en zijn boek werd in Suriname verboden. Waarschijnlijk wilde men in Nederland ook vooral liever niet aan die dictatoriale acties herinnerd worden. Maar dat zou veranderen. Want onder de naar Nederland geëmigreerde Surinamers waren er wel degelijk velen die zich hem goed konden herinneren en die in hem een belangrijk voorbeeld zagen. Voor veel nazaten van de slaafgemaakten was hetgeen zij zelf ondervonden in Nederland, rechtstreeks verbonden met datgene waar Anton de Kom tegen streed. Het alledaagse en institutionele racisme waar zij tegenop liepen waren verschijningsvormen van het koloniale denken in Nederland. En vanuit die optiek was Anton de Kom voor Surinamers die zich organiseerden voor lotsverbetering en tegen racisme juist heel belangrijk.

De Kom was de eerste auteur van Surinaamse bodem die een zeer duidelijk en kritisch boek over de Surinaamse geschiedenis van slavernij en uitbuiting schreef, ‘Wij Slaven van Suriname’. Hij maakte daarbij weliswaar dankbaar gebruik van Nederlandse geschiedschrijvers, maar plaatste de door hen aangedragen feiten radikaal in een kritisch perspectief. De nagedachtenis aan Anton de Kom werd in de jaren 60 en 70 een focuspunt voor activisten die de stilte rond het slavernijverleden wilden doorbreken. Het formidabele culturele genootschap Wi Egi Sani vestigde de aandacht op zijn werk. De activistische belangen-

27

behartigingsorganisatie Landelijk Overleg van Surinaamse Organisaties in Nederland (LOSON) maakte (her)waardering van het leven en werk van Anton de Kom tot inzet van succesvolle campagnes die uiteindelijk leidden tot de komst van het Anton de Kom centrum in Amsterdam, een Anton de Komplein centraal in de Bijlmer en een kunstwerk/standbeeld van Anton de Kom op dat plein. Inmiddels is Anton de Kom opgenomen in de Nederlandse Nationale Canon van de geschiedenis en heeft een herdruk van zijn boek ‘Wij slaven van Suriname’ de bestsellerslijsten gehaald. Zo heeft uiteindelijk over zijn nagedachtenis de gerechtigheid getriomfeerd, die hem tijdens zijn leven onthouden is. Maar de comeback van Anton de Kom verliep niet zonder rumoer. Surinamers in Nederland wilden een standbeeld van Anton de Kom zoals zij hem voor zich zagen: een waardig man, goed in het pak. Dit perspectief is verloren gegaan ergens in de procedures die in Nederland gevolgd worden om tot een kunstwerk in de openbare ruimte te komen. Er werd een opdracht gegeven aan een kunstenares, die

28

in artistieke vrijheid een autonoom kunstwerk maakte. De Surinamers waren zeer teleurgesteld. Zij betwistten niet de artistieke kwaliteit van het kunstwerk, maar daar ging het de nazaten ook helemaal niet om. Zij hadden niet een autonoom kunstwerk verwacht, maar een waardig portret. Velen hopen nog steeds dat het ooit zal gebeuren.

29

INTERACTIE MET ANDERE PERSPECTIEVEN De keuze voor zwarte perspectieven houdt niet in dat bepaalde materialen, bronnen of teksten worden uitgesloten. Dat zou ook strijdig zijn met het uitgangspunt dat de Afrikanen en hun nazaten zelf aan het woord komen. Zij bepalen dus ook waar het over gaat, wat als bron, wat als belangwekkend fenomeen wordt gezien. Daarbij ligt het voor de hand dat juist voortdurend wordt geïnteracteerd met verhalen die vanuit andere perspectieven zijn voortgebracht. Er is een corpus aan uitvoerige historische, culturele en cultureel-antropologische studies naar het verleden én naar de levende afro-Caribische culturen dat richtinggevend is voor educatie en beeldvorming over het verleden Er is aan dit corpus door zwarte én witte auteurs gewerkt, vaak in samenwerking, zij het onder ongelijke machtsverhoudingen. De verhouding van dit corpus met verhalen vanuit zwart perspectief is complex. Om te beginnen is bij geschiedschrijving en antropologische studies veelal geen sprake van een klip en klaar onderscheid tussen witte en zwarte bronnen. Als een historicus zich bijvoorbeeld verdiept in testamenten van gemanumitteerden, worden bewijzen van het handelen en denken van zwarte mensen bestudeerd. Maar die teksten zijn wel sterk medebepaald door een juridisch en feitelijk kader dat door witte machthebbers is gecreeerd.

Ze bevatten dus verplichte elementen, strategieën om met een precaire situatie om te gaan en voorgeschreven formuleringen. Of neem het voorbeeld van een witte antropoloog die een tijd bij één van de Marron-naties verblijft. Dan kan het zijn dat een speciaal voor buitenstaanders gemunte versie van de cultuur wordt gepresenteerd. Het kan ook zijn dat de antropoloog daar na een tijdje achter komt, daarover gedeeltelijk in vertrouwen wordt genomen en dus met een zeer gelaagd verhaal terugkomt. Het corpus bevat dus een staalkaart aan interacties met bronnen, een complex patroon van kruisende perspectieven. Het is ook een levend corpus, er wordt voortdurend aan doorgewerkt, waarbij ook al een voortdurend opschuiven richting zwarte perspectieven waarneembaar is. En ook al overheersen in bepaalde zones van het corpus de op witte archieven gebaseerde en vanuit witte perspectieven geschreven studies, dat wil niet zeggen dat die teksten per sé in hun geheel bestreden of verworpen worden door degenen die van zwarte perspectieven uitgaan. In de praktijk heeft een bepaald algemeen historisch kader dat

30

deel uitmaakt van het corpus steeds meer het karakter van een coproductie gekregen, die voor allen houvast biedt. Het corpus is ook alleen daarom al interessant, omdat de ontwikkeling en de huidige conditie ervan zélf een uitdrukking zijn van historische verhoudingen, van machtsstrijd rond beeldvorming, interpretatie, geldigheid van perspectieven en kennisoverdracht. Als nu het museum voor een belangrijk deel van haar presentaties zwarte perspectieven als uitgangspunt neemt betekent dat dus niet het negeren of doorstrepen van het corpus. De verhouding tot het corpus is meervoudig, de vorm die ze telkens aanneemt is afhankelijk van wat elk onderzoek oplevert. Dat kan leiden tot correctie van een historisch beeld, maar ook tot aanvulling ervan of vervanging door een wezenlijk andere interpretatie. Er zullen presentaties komen die geheel los (lijken te) staan van het corpus, er zullen ook presentaties komen waarbij dankbaar gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden tot contextualisering die het corpus biedt. Kritische presentaties zullen er komen, en presentaties waarbij onderdelen van het corpus zelf als object op de korrel genomen zullen worden. Met dit in gedachten kan ook de rol van witte wetenschappers en curatoren enigszins in perspectief geplaatst worden.

Het ligt sowieso voor de hand dat zij een rol spelen bij het ontwikkelen van het deel van het verhaal over hetgeen zich in Nederland heeft afgespeeld en zich nog steeds afspeelt. Het ‘witte perspectief’ biedt belangrijke kennis van binnenuit van de ontwikkeling van koloniaal denken en vermeende witte superioriteit. En bij allerlei vormen van interactie tussen nieuw onderzoek vanuit zwarte perspectieven en het corpus zijn onderzoekers die niet vanuit een zwart perspectief werkten en werken altijd nog belangrijke partners. Een verdergaande betrokkenheid zou het zijn als witte onderzoekers zich door middel van inleving proberen te verplaatsen in een zwart perspectief. Dit is geenszins een eenvoudige materie. Aan de ene kant is het toe te juichen als er transcultureel begrip ontstaat en de betekenis van handelen van mensen met verschillende culturele achtergronden steeds beter geduid wordt op basis van geïnformeerd zijn over die culturele achtergronden. Daartegenover staat dat zeer enthousiaste inleving ook als grensoverschrijdend kan worden ervaren. Bepaalde ontleningen aan en pogingen om mee te doen aan cultuurge-

31

bonden handelen, worden gezien als ‘culturele appropriatie’. Een bijzonder perspectief ontstaat als wat nazaat Saidya Hartman, ‘critical fabulation’ noemt, wordt bedreven. Een belangrijke mengvorm van feit en fictie, die kan ophelderen wat we niet letterlijk kunnen vernemen, mogelijk ook over culturele grenzen heen. In de context van het nieuwe museum is ook voor wat betreft die kwestie het woord aan de nazaten. Kon Miep Dieckman in haar indrukwekkende en onthullende kinderboek ‘Marijn bij de lorredraaiers’ werkelijk de emoties en gedachten van de Afrikaanse hoofdrolspelers vatten en weergeven? Heeft Pater Rikken werkelijk de diepere gedachten, emoties en drijfveren beschreven van de slaafgemaakte vrouwen en mannen die deel uitmaakten van de ‘Doe’ -gezelschappen, in zijn historische roman ‘Ma Kankantri? Het boek van Dieckman heeft diepe indruk gemaakt op veel jonge lezers in Nederland, die er vaak hun eerste stukje antiracistische educatie door ontvingen. Het boek van Rikken is geprezen door niemand minder dan Gloria Wekker. Het museum biedt ook een platform om de dialoog over zulke kwesties te voeren.

WERKEN AAN VERHALEN De prioritering van zwarte perspectieven én de interactie met andere perspectieven worden in de praktijk gerealiseerd door de inrichting van de centrale werkprocessen van het museum. Het museum vervult haar taak om het verhaal over het slavernij- en koloniale verleden te transformeren door de werkzaamheden aan iedere presentatie of andere activiteit te starten door nazaten uit te nodigen voor rondetafel overleg over een onderwerp of vraagstuk. Met hen worden vormen van hun betrokkenheid bij zo’n project verder uitgewerkt en de samenwerking met degenen die zij daar verder bij willen betrekken. Zo wordt het uitgangspunt om zwarte perspectieven centraal te stellen ook in de praktijk gerealiseerd, door de feitelijke deelname aan de werkprocessen en van degenen die deze perspectieven belichamen. Het museum neemt zelf haar rol door telkens het initiatief te nemen en de kantelingen, focuspunten en bronnen die hierna behandeld worden te agenderen bij die processen. Het museum biedt ook het professionele kader en het netwerk waardoor uit het onderzoek telkens meer-dimensionale presentaties kunnen ontstaan. 32

K ANTELINGEN HET VOLLEDIGE VERHAAL Bij het presenteren van het verhaal van de slaafgemaakte Afrikanen en hun nazaten staat voorop hen als actoren te tonen, dus als volwaardige mensen die nog veel meer waren dan dat waar de kolonisatoren hen toe gemaakt hadden: tot slaven. Eén consequentie daarvan is dat het volle verhaal over hun leven verteld wordt. Het antwoord op de voor de hand liggende vraag ‘gaat het dan nog wel over slavernij?’ is dat juist op deze manier de slavernij in haar volle samenhang met het leven getoond wordt en daardoor ook pas goed begrepen kan worden. In de verhalen van de Afrikanen en hun nazaten zal de slavernij voortdurend naar voren komen. Belangrijk is dat door de keuze voor zwarte perspectieven zichtbaar wordt hoe de Afrikanen en hun nazaten zelf spreken over wanneer en hoe de slavernij en de doorwerkingen ervan een rol speelden in hun leven. Het gaat om hun ervaringen en hun omgang ermee in hun inspanningen om hun leven te leiden. Dat betekent dat juist ook hun kracht, ambities dromen en levensvreugde (tegen de verdrukking in) onderdeel zijn van het verhaal. Deze invalshoek wijst ook de weg naar de omgang met bekende dilemma’s rond het tonen van geweld en van levensvreugde.

TONEN VAN GEWELD Een bekende observatie is dat het niet tonen van het geweld dat alomtegenwoordig was in de tijd van slavernij, de indruk zou kunnen wekken dat de slaafgemaakten zich vanzelf schikten in hun positie. Daartegenover staat de stelling ‘geweld tonen is het reproduceren’. Dit lijkt misschien meer een beeldende slogan te zijn dan een letterlijke uitspraak, maar er zit in de context van de slavernij een bittere harde kern van waarheid in. Immers, het geweld dat tegen de slaafgemaakten werd gepleegd was vaak juist bedoeld als afschrikwekkende vertoning, om opstandigheid te kop in te drukken en de machtsverhoudingen duidelijk te tonen. Het zonder meer presenteren van afbeeldingen van zulk demonstratief geweld komt akelig dichtbij een herhaling van zo’n vertoning.

Het tonen van beelden laat ook allerlei interpretaties toe. Door koloniale machthebbers werd een interpretatie ervan bevorderd als zou het gaan om excessen, individuele ontsporingen van immorele geweldenaars. Abolitionisten kwamen daartegen in het geweer 33

en legden de nadruk op het structurele karakter ervan. Maar hoe dan ook is bij het maken en tonen van afbeeldingen van geweld destijds niets aan de slaafgemaakten gevraagd en hun interpretatie van wat er gebeurde kwam niet mee. Wat door het tonen van ‘incidenten’ niet blootgelegd werd, was het fundamenteel structurele karakter van het geweld. De plantage-ekonomiën waren systemen waarbinnen het gebruik van geweld voor de uitbuiters noodzakelijk was om de uitbuitingsverhoudingen te reproduceren, op ieder niveau en tegen iedere vorm van verzet. Mensen tot slaaf maken is goed beschouwd niet een moment, maar een continu proces, waarbij voortdurend de wil van de slaafgemaakten onderdrukt wordt. Belangrijke methodes daarbij waren: geweld plegen of met geweld dreigen. De koloniale machthebbers konden als ze geconfronteerd werden met opstanden ook voortdurend kiezen tussen praten of geweld gebruiken. Daartegenover hadden opstandige slaafgemaakten die keuze niet, want als zij wilden onderhandelen werd er doorgaans niet geluisterd. Als zij gewelddadig verzet pleegden werd dat altijd geduid als crimineel en barbaars gedrag. Die duiding was en is een belangrijk bestanddeel van het witte superioriteitsdenken. Het onderdrukkend geweld vond plaats in een juridisch en politiek-bestuurlijk kader waarbinnen de planters alle rechten hadden, de slaafgemaakten helemaal geen.

Leden van de plantersklasse werden ook in de regel benoemd tot rechters, aanklagers en hoofden van politie. Daarbij had de overheid een rol, als maker, legitimeerder en mede-uitvoerder van een geweldsmonopolie dat éénzijdig tegen de slaafgemaakten werd ingezet. Dat betekent ook dat het geweld niet een kwestie was van louter ontsporende individuen, maar dat iedereen die betrokken was bij de koloniale economie er medeverantwoordelijk voor was. Het in Europa in beeld brengen van geweld was in die context vaak eerder een vorm van afschuiven van de die verantwoordelijkheid op de klasse der planters, dan een werkelijk kritische activiteit. De werkelijkheid van een gewelddadig totaalsysteem dat voortkwam uit het geheel van de Nederlandse samenleving echter, leeft nog steeds voort in het wantrouwen bij de nazaten jegens een land dat hen nog steeds niet gelijkwaardig behandelt. Het tonen en erkennen van de ware aard van het structurele geweld in de koloniale tijd is een noodzakelijke stap in een proces naar volwaardig burgerschap op basis van vertrouwen. 34

TONEN VAN HET VOLLE LEVEN Aan het andere kant van het spectrum van de menselijke ervaring staat levensvreugde. Ook het tonen daarvan kent dilemma’s. Al in de slaventijd werden tekenen van levensvreugde door slaafgemaakten in de koloniale denktrant geduid als ‘bewijs’ van het feit dat het allemaal wel meeviel. Onverbrekelijk verbonden daarmee waren regelrecht racistische noties, als zou het bij Afrikanen gaan om simpele blije zielen, een soort krachtige oermensen die veel minder gevoelig waren voor lijden dan fijnbesnaarde, ‘beschaafde’ Europeanen. Zulke gedachten werken nog steeds door, zoals duidelijk wordt als er door witte mensen geuit wordt dat nazaten toch vooral goed zijn in expressieve en fysieke activiteiten zoals dans, muziek en sport. Vandaag de dag wordt, vanuit goedbedoelende opvattingen over de noodzaak om een breed publiek bewust te maken van de harde realiteit van het slavernijverleden, bij het presenteren daarvan het onderwerp ‘levensvreugde’ nauwelijks in beeld gebracht. Er speelt daarbij ook de angst mee het verwijt te krijgen het slavernijverleden te romantiseren. Daarbij komt natuurlijk ook dat wat men in eerste instantie aantreft aan beelden over levensvreugde van slaafgemaakten doorgaans besmet is met de ‘koloniaal-voyeuristische’ blik. Vanuit zwarte perspectieven gezien ligt het echter heel anders.

De realiteit van het leven in slavernij was namelijk ook dat de levensvreugde van de voorouders gewoonweg niet finaal te onderdrukken viel. Het is een teken van kracht, verzet, hoop en ambities dat de voorouders er wel degelijk in slaagden om ondanks alles te zingen, te feesten, grappen te maken, te genieten van kleine dingen. Hun levensvreugde wortelde in diepgevoelde spiritualiteit en grote saamhorigheid, waarbij gemeenschappen niet zelden alles met elkaar deelden, zowel materieel als emotioneel. Vormen van het tonen van levensvreugde waren ook regelrechte daden van verzet. Als je die levensvreugde niet toont, toon je nog steeds niet de volledige mens.

35

RE- APPROPRIATIE VAN HET BEELD Het is dus tijd voor een grondige transformatie van het beeld van de betekenis van zowel het geweld als de levensvreugde van de slaafgemaakten en hun nazaten in de koloniale tijd, vanuit zwarte perspectieven. Er is een re-appropriatie nodig van de beeldvorming rond en het presenteren van geweld en levensvreugde, waarbij wordt voorbijgekomen aan de tot nog toe dominante overwegingen, vragen, twijfels en pre-occupaties van witte mensen. Vanuit zwarte perspectieven is het kwestieus dat er nog steeds vooral individueel geweld en leed getoond zou moeten worden om een breed publiek op te voeden. Wat wél prominent in beeld moet komen is de grote mate van betrokkenheid van de toenmalige Nederlandse samenleving en het nog steeds doorleven van het ontkennen daarvan. Voor de nazaten is de levensvreugde van de slaafgemaakten een zeer herkenbaar en belangrijk voorbeeld van de kracht en het verzet van hun voorouders.

DE KRACHT VAN ZWARTE PERSPECTIEVEN IS DE KRACHT VAN DE VOOROUDERS Met het voorgaande in gedachten wordt de kracht van het de keuze voor zwarte perspectieven als methode duidelijk. Als de Afrikanen en de nazaten aan het woord komen over het verleden, zullen daarbij geweld en levensvreugde ongetwijfeld in beeld komen. Maar daarbij liggen dan de dilemma’s in de juiste handen. Er wordt zeker niets klakkeloos gereproduceerd, het gaat niet meer over de hoofden van de betrokkenen heen, de duiding en de context zijn adequaat en kritisch. In de traditie van verwerking van het verleden door nazaten zijn hier al de nodige voorbeelden van te vinden (Anton de Kom, Eddy Bruma, Frank Dragtenstein). Door op die traditie voort te bouwen krijgt onderdrukking en geweld op een verantwoorde manier een plek in het verhaal. En dat verhaal kan dus één verhaal worden waarin strijd, hoop, angst, succes, leed, levensvreugde en rouw een complex geheel vormen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10884895/1