1. Vierde rapportage monitor moslimdiscriminatie.pdf
Tekst van het document
Zo hebben niet-islamitische jongeren het idee dat het ‘schelden’ tegen moslims meestal een reactie is op het gedrag van islamitische jongeren zelf, of dat het gebeurt vanwege een ruzie of conflict tussen een moslim en een niet-moslim. Islamitische jongeren hebben daarentegen het idee dat religieuze symbolen, de religie, oproepen van politici en berichtgeving in de media vaker een aanleiding voor het schelden vormen. Factoren die een rol spelen in de oordelen over moslims en moslimdiscriminatie bij volwassenen bleken in grote mate dezelfde zijn als bij jongeren. Specifieke factoren voor moslimdiscriminatie In vergelijking met andere vormen van discriminatie onderscheidt moslimdiscriminatie zich volgens de onderzoekers door een aantal specifieke (trigger)factoren, zoals: de negatieve berichtgeving over moslims in de media; als negatief ervaren ‘oppervlakkige’ contacten; een culturele en/ of veiligheidsdreiging door de aanwezigheid van moslims in Nederland; grotere impact van gepercipieerde sociaal-culturele tegenstellingen; de aanslagen die uit naam van de islam worden gepleegd. Minister Asscher kondigde naar aanleiding van het rapport activiteiten aan om moslimdiscriminatie tegen te gaan in aanvulling op de al lopende activiteiten vanuit het Nationaal Actieprogramma tegen discriminatie.
Hij verwees onder andere naar de ontwikkeling van de eerdergenoemde ‘Handreiking Veilige Moskee’ en de door projectbureau Zasja georganiseerde regionale bijeenkomsten over moslimdiscriminatie. Ook wees de minister op een debatreeks met studenten over het thema meten met twee maten, een serie dialoogbijeenkomsten die had plaatsgevonden over thema’s als identiteit, het omgaan met discriminatie en het thuisgevoel in Nederland en een nog te plannen ‘brede bijeenkomst’ over het onderwerp in het najaar van 2017.
VIERDE RAPPORTAGE | 39
3. MOSLIMDISCRIMINATIE IN DE POLITIEKMAATSCHAPPELIJKE CONTEXT Net als in vorige afleveringen wordt in deze monitor aandacht besteed aan de landelijke politiekmaatschappelijke context. In deze vierde Monitor kijken we naar de politieke agendering van én specifiek beleid tegen moslimdiscriminatie (paragraaf 4.2.). Internationale kritiek op het Nederlandse beleid komt aan de orde in paragraaf 3.3.. Ook gaan we uitgebreid in op rechts-populistische en radicaal- en extreemrechtse partijen en formaties, die veel invloed hebben op de wijze waarop in Nederland over moslims wordt gesproken (3.4. en 3.5.). In de inleidende paragraaf doen we een stap terug in de tijd en beschrijven we de wisselwerking tussen de invloed in de reguliere politiek van het idee van onverenigbare, botsende beschavingen en de invloed van de meer extreme versie van dit gedachtegoed in kringen van radicaal- en extreemrechts op de toenemende weerstand tegen de islam.
3.1.
Inleiding
De openlijke publieke en politieke weerstand tegen de institutionalisering van de islam in Nederland en de komst van moslimmigranten dateert van begin jaren 1990. Sinds de aanslagen op de Twin Towers van het World Trade Center in New York op 11 september 2001 heeft deze onderstroom een breder en meer geaccepteerd karakter gekregen. De stigmatiserende en soms ronduit racistische tendensen binnen het huidige politieke krachtenveld komen dus niet uit de lucht vallen, maar vormen een verharde en (soms extreem) ver doorgetrokken versie van de beeldvorming over de (fundamentalistische) islam als ‘nieuwe vijand’ na het wegvallen van de Berlijnse muur in 1989.115 Na de Rushdie-affaire (1989) en de Eerste Golfoorlog (1990-1991) werd ‘de islam’ in de publieke discussie steeds meer tegenover ‘het westen’ gesteld, waarbij beide vaak als uniforme, statische eenheden werden voorgesteld. Deze tegenstelling werd ontleend aan het werk van de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington, die sprak van een Clash of Civilizations (Botsende Beschavingen).116 Volgens Huntington zou het einde van de Koude Oorlog tot gevolg hebben dat geopolitieke conflicten niet langer zouden voortkomen uit ideologische botsingen, maar uit culturele en religieuze verschillen. Huntington zag onder andere een botsing tussen enerzijds het (christelijke) Westen en anderzijds de islam.
Hij schreef: “Als moslims beweren dat het Westen oorlog voert tegen de islam en als westerlingen beweren dat islamitische groeperingen oorlog voeren tegen het Westen, dan mogen we de conclusie trekken dat er inderdaad zoiets als een oorlog gaande is.”
In Nederland spraken onder andere Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Paul Scheffer in hun eigen woorden over een Clash of Civilizations. Dit idee werd tegelijkertijd ook omarmd door radicalen van islamistische huize. Mede dankzij een toename in het Westen van aanslagen van terroristen uit deze hoek werden ‘de westerse beschaving’ en de islamitische beschaving”’ steeds scherper tegenover elkaar gesteld.
Wederzijdse beïnvloeding In navolging van Bolkestein en Fortuyn werd in de Nederlandse politieke context steeds vaker in termen van een botsing van beschavingen gesproken. Politicoloog en socioloog Merijn Oudenampsen ziet hierbij een wisselwerking tussen enerzijds conservatieve stromingen in het CDA en de VVD en anderzijds radicaalrechts-populistische stromingen binnen het politieke landschap. In zijn boek De conservatieve Revolte stelt hij dat het radicaalrechts-populisme van 115 116
http://www.republiekallochtonie.nl/blog/achtergronden/dertig-jaar-onderzoek-naar-berichtgeving-overmoslims- in-nederlandse-media-deel-ii Voor een uitvoerige uitwerking van dit idee, zie: Huntington, S.P. (1996), The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order, New York: Simon & Schuster
40 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
nu een groot deel van zijn politieke agenda aan de conservatieve stromingen binnen de VVD en het CDA ontleent en dat deze stromingen op hun beurt het populisme als instrument gebruiken om de eigen agenda te realiseren.117 Het waren de rechterflanken van de traditionele middenpartijen die de eerste aanzet gaven voor sentimenten die door het discours van rechtsnationaal-populisten als Fortuyn, Wilders en nog recenter Baudet verder werden gevoed en in het publieke en politieke debat door hen electoraal werden en worden verzilverd. De gedoogconstructie die CDA en VVD in 2010 met de PVV overeenkwamen, kan in dat licht worden bezien. Deze constructie was onder meer gebaseerd op een afspraak om het niet eens te zijn over de islam; de uiteenlopende meningen hierover werden niet ter discussie gesteld en zouden geen breuk veroorzaken. De samenwerking leidde tot veel frustratie bij beide partijen en diepe verdeeldheid binnen het CDA, dat na de val van het kabinet in 2012 naar een historisch laag aantal zetels zakte. En hoewel beide partijen ‘dit nooit meer’ verklaarden, werd na de overwinning van Forum voor Democratie (FvD) bij de Provinciale Statenverkiezingen in 2019 slechts in voetnoten of omfloerst gerept over de extreemrechtse elementen in Baudets’ ideologische bagage. Het CDA in Brabant vormde in april 2020 met FvD, VVD en Lokaal Brabant het provinciale bestuur.
Dat samenwerking met FvD binnen de CDA-achterban een gevoelig thema is, bleek ook tijdens de laatste lijsttrekkersverkiezingen van het CDA (2020) waarin kandidate Keijzer als enige samenwerking met FvD niet principieel uitsloot.118 Zij behaalde 11% van de stemmen. Deze onderlinge toenadering past in de Nederlandse traditie van verzuiling. In deze traditie worden mainstream groepen met contrasterende meningen door middel van ‘polderen’ bij elkaar gebracht; er is vaak sprake is van een repressieve vorm van tolerantie en oppositionele bewegingen worden ingekapseld. 119 Op die manier heeft Rutte het afgelopen decennium geprobeerd de opmars van Wilders en de groeiende aanhang voor radicaalrechts populisme te neutraliseren.120 Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 2017, vlak na de vluchtelingencrisis en terroristische aanslagen in 2015 en 2016, werd de campagne onder invloed van het rechtspopulisme gedomineerd door vage noties als de Nederlandse identiteit en de daarbij passende normen, waarden en tradities (Buma, CDA) en het ‘normaal doen – of anders vertrekken’ (Rutte, VVD). Dit was koren op de molen van de PVV en Forum, die deze discussies aangrepen om hun ‘de-islamisering’-, veiligheids- en antivluchtelingenagenda vaker voor het voetlicht te brengen.
Politicoloog Cas Mudde stelt dat de sleutel bij het tegengaan van alle vormen van intolerantie en extremisme juist ligt bij de positie die wordt ingenomen door de traditionele middenpartijen. Maar deze partijen hebben volgens hem inmiddels een fors deel van het uitsluitende ideeëngoed politiek geaccordeerd.121 Mudde: “Many (right wing) parties now advance a nativist, authoritarian, and populist discourse, including Euroscepticism, Islamophobia, and opposition to ‘do-goodism’ and ‘political correctness’ […] Mainstream politicians are no longer just paying lip service to populist radical right policies, they are actually introducing stricter policies on immigration, integration, and terrorism themselves.”122 117 118 119 120 121 122
Oudenampsen, M. (2018), De conservatieve revolte. Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand, Nijmegen: Uitgeverij Vantilt. Ze zei daarover: “Dan lever je jezelf op een presenteerblaadje uit aan partijen als GroenLinks, D66 of PvdA. En daar zitten ook nog wel wat visies op Nederland die de mijne niet zijn.” Zie: https://www.trouw.nl/opinie/ mona-keijzer-wekt-het-spook-van-de-gedoogconstructie-met-geert-wilders-weer-tot-leven~b82190d8/ Met repressieve tolerantie wordt gedoeld op een door een heersende macht toegepaste strategie waarbij ideeën of organisaties die voor die macht ongewenst zijn juist een plaats wordt gegund om ze zodoende onschadelijk te maken. Valk, I. van der (2019), Wilders’ Party for Freedom and the Dutch Alt-right, in: Alan Waring (ed.); The New Authoritarianism Vol. 2 - A Risk Analyses of the European Alt-right Phenomenon, Stuttgart: Ibidem-Verlag, pp. 251-278. ‘De politieke elite is zelf bijna radicaal-rechts’ - NRC, 8 juni 2018 https://spectator.clingendael.org/nl/publicatie/de-wereldwijde-normalisering-van-radicaal-rechts
VIERDE RAPPORTAGE | 41
Illustratief is dat het ongrondwettelijke PVV-voorstel om geen nieuwe meer moskeeën te bouwen, bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 door diverse stemwijzers werd opgenomen en dat alle partijen daar kennelijk zonder bezwaar te maken hun mening over gaven.123 Illustratief is ook dat tijdens een verkiezingsuitzending bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2019 een serieus debat werd gevoerd over de vraag of de islam - en dus een miljoen Nederlanders - wel bij Nederland hoort.124 Walter Palm, die van 1982 tot zijn pensionering in 2017 als ambtenaar werkzaam was voor opeenvolgende ministers integratiebeleid, geeft aan dat door recente wetgeving de godsdienstvrijheid van moslims in Nederland steeds meer onder druk staat. Hij spreekt van het een sluipend proces dat op 11 september 2001 is begonnen. “Elf september 2001 veroorzaakte in de Westerse wereld een permanente golf van islamofobie met verreikende gevolgen als islamofobe politieke partijen, islamofobe aanslagen en aanslagen in islamofoob gepercipieerde samenlevingen. Islamofobie is net betonrot. Als dat achttien jaar duurt dan tast dat het gehele bouwwerk aan en dat is precies wat nu is gebeurd. De islamofobe wetten zijn strijdig met de Grondwet en ze ondergraven daarmee het fundament van de rechtsstaat.
Het is een sluipend proces dat begint met uiterlijkheden zoals het verbieden van gezichtsbedekkende kleding in het onderwijs, bij zorginstellingen, in overheidsgebouwen en in het openbaar vervoer. Maar daar blijft het niet bij. Er zijn meer islamofobe wetten aan de horizon. In naam van de Grondwet moet dit sluipend proces gestopt worden.”125
Palm noemt twee voorbeelden, waarop ook de PVV vanaf de gedoogconstructie uit 2010 invloed heeft gehad. Hij stelt dat de Wet Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (ook wel bekend als het nikaabverbod of het boerkaverbod) in bepaalde gevallen een ernstige beperking van de in artikel 6 van de Grondwet vastgelegde vrijheid van godsdienst is. De aangepaste Rijkswet op het Nederlanderschap waarbij jihadisten die een dubbele nationaliteit hebben, de Nederlandse nationaliteit wordt ontnomen, is volgens hem evident strijdig met artikel 1 van de Grondwet, want hetzelfde vergrijp wordt ongelijk bestraft. Er is volgens Palm grote kans op nog meer islamofobe wetgeving die met name de godsdienstvrijheid van moslims verder bedreigt. Hij noemt met name een mogelijk verbod op ritueel slachten, het verbieden van buitenlandse financiering van moskeeën en het uitsluiten van financiering van rijkswege van islamitische scholen. Palm pleit voor de instelling van een Constitutioneel Hof, zodat een wet door de rechter vernietigd kan worden als die strijdig is met de Grondwet. Het beeld dat Palm schetst is mede het gevolg van het accent dat vanaf 9/11 en de moord op van Gogh door de Nederlandse overheden wordt gelegd op (het voorkomen van) extremisme onder moslims. Islam en moslims worden steeds meer gezien als een veiligheidsprobleem en bekeken door een veiligheidsbril.
Dit beleidsaccent resulteerde onder meer in het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme waaruit de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding voortkwam. Deze maatregelen worden bijna zonder uitzondering als algemeen geldend gepresenteerd, maar hebben in de uitwerking en in de praktijk alleen betrekking op moslims. Bovendien worden bij deze maatregelen regelmatig de grenzen van de (grond)wet opgezocht of wordt daar zelfs overheen gegaan, wat steeds breder levende gevoelens van selectieve behandeling en wantrouwen verder voedt.126 Denk daarbij bijvoorbeeld aan zogenaamde haatpredikers en buitenlandse financiering en beïnvloeding. Maar ook bij de bouw van moskeeën en de benadering van het informele onderwijs is er een tendens waarbij niet alleen politiek maar ook bestuurlijk het gelijkheidsbeginsel voor moslims door het anti-islam sentiment in de samenleving steeds meer onder druk komt te staan. Hier staat tegenover dat de laatste twee kabinetten weliswaar op bescheiden schaal, vanuit een breder perspectief ook aandacht hebben besteed aan het voorkomen van moslimhaat en -discriminatie. 123 124 125 126
http://www.republiekallochtonie.nl/blog/nieuws/zes-partijen-spreken-zich-uit-tegen-bouw-nieuwe-moskeeen https://nos.nl/artikel/2276748-felle-uithalen-in-nos-verkiezingsdebat-met-landelijke-kopstukken.html http://www.republiekallochtonie.nl/blog/opinie/j-accuse-godsdienstvrijheid-van-moslims-onder-druk In een reeks blogs in de periode 2014-2019 over deze thematiek op Republiek Allochtonië stelt Roemer van Oordt onder meer dat bestuurlijke maatregelen die worden genomen om terrorisme te voorkomen of te bestrijden verregaande ingrepen in vrijheden - waaronder die van meningsuiting, religie en organisatie - van (groepen) burgers tot gevolg hebben, vaak niet proportioneel zijn en ongelijkheid tussen verschillende groepen burgers veroorzaken.
42 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
In de volgende paragraaf wordt een overzicht gegeven van kabinetsbeleid op dit terrein en van initiatieven uit de Tweede Kamer.
3.2. Politieke agendering van moslimdiscriminatie 2017-2020 3.2.1. Inleiding Moslimhaat en moslimdiscriminatie staan nog niet lang op de agenda van de Nederlandse politiek en specifiek beleid bleef lang achterwege. Geen concrete (beleidsmatige)actie werd bijvoorbeeld ondernomen toen in het najaar van 2001 moskeeën vijftig keer doelwit van geweld waren of in 2004 toen er in de maand na de moord op Theo van Gogh 106 gevallen geregistreerd werden van geweld geïnspireerd door moslimhaat. Wel wordt er sindsdien - en zeker vanaf de opkomst van de PVV - in de Tweede Kamer beduidend vaker over ‘de islam’ of moslims gesproken zoals uit onderstaande grafiek blijkt. Na een piek in 2015 is deze belangstelling weliswaar verminderd, maar nog steeds fors hoger in vergelijking met het begin van deze eeuw.
Het merendeel van de documenten over moslims in het archief van de Tweede Kamer gaat over moslims als veiligheidsprobleem (radicalisering, haatpredikers, buitenlandse financiering moskeeën, criminaliteit) of over moslims als ‘de anderen’ die normen hebben die haaks staan op die van ‘ons’ zoals met betrekking tot de positie van vrouwen, ritueel slachten en rechten van lhbt’s).127 Vanaf 2010 kwam er geleidelijk meer aandacht voor het tegengaan van moslimhaat.128 Dit kwam onder andere door de opkomst van een tweede en vooral derde generatie mondige en assertieve moslims in Nederland, door diverse (belangen- en actie) organisaties, websites, blogs, facebookpagina’s en onderzoekers die het onderwerp gingen agenderen en door politici die zich hard maakten voor meer aandacht voor moslimdiscriminatie en moslimhaat. Deze politici waren vrijwel uitsluitend afkomstig van de PvdA, GroenLinks en later DENK en hadden in bijna alle gevallen zelf een islamitische achtergrond. In onderstaande grafiek wordt weergegeven hoe vaak de woorden ‘moslimdiscriminatie’, ‘moslimhaat’, ‘islamofobie’ of ‘discriminatie van moslims’ voorkomen in de stukken van de Tweede Kamer. Hieruit wordt duidelijk dat er vanaf 2012 meer aandacht wordt besteed aan deze onderwerpen.
127 128
Het gaat om beleidsstukken, verslagen, mondelinge en schriftelijke vragen, moties, amendementen e.d. Zie voor een uitgebreide bespreking hiervan het hoofdstuk ‘Kan de minister aangeven hoe hij deze incidenten duidt?’ van Ewoud Butter in: I. van der Valk (2019), Mikpunt moskee.
VIERDE RAPPORTAGE | 43
Die toegenomen aandacht is ook terug te zien in beleid. Het kabinet Rutte II (VVD, PvdA, 2012-2017) maakte in 2015 een voorzichtig begin met het ontwikkelen van beleid om moslimdiscriminatie tegen te gaan. Deze vorm van discriminatie wordt sindsdien door anti-discriminatievoorzieningen en politie (tot 2019) apart geregistreerd. Dit gebeurde op aandringen van diverse maatschappelijke organisaties en in overleg met moskeebestuurders. Na de aanslag op een moskee in Enschede die door de rechtbank als terroristisch werd bestempeld, is het kabinet Rutte II ook aandacht gaan besteden aan discriminatoire agressie tegen en beveiliging van moskeeën.129Deze inzet werd na de aanslagen op twee moskeeën in Christchurch geïntensiveerd. Daarnaast werd in opdracht van het kabinet onderzoek gedaan naar de triggerfactoren van moslimdiscriminatie.130 In de komende paragrafen wordt eerst gekeken naar de aandacht voor moslimdiscriminatie in de verkiezingsprogramma’s (4.2.2.). Vervolgens wordt het regeerakkoord behandeld (4.2.3.). Verder wordt chronologisch gekeken naar de aandacht die in de jaren 2017 tot medio 2020 aan moslimdiscriminatie werd besteed door het kabinet en politieke partijen in de Tweede Kamer (4.2.4).
3.2.2 Tweede Kamerverkiezingen 2017 Tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 was er veel aandacht voor de islam en moslims. Dit vloeide voort uit gebeurtenissen die de jaren daarvoor het nieuws voor een belangrijk deel hadden bepaald: de oorlog in Syrië waar ook Nederlandse ‘jihadisten’ meevochten, aanslagen in Europa door IS en andere jihadistische groepen en de komst van grote groepen vluchtelingen in 2015 en 2016. Deze aandacht voor moslims was ook zichtbaar in de verkiezingsprogramma’s.131 Er werd vooral over moslims gesproken in het kader van veiligheid en het voorkomen van radicalisering. Verschillende partijen deden hierbij voorstellen die op gespannen voet staan met de vrijheid van godsdienst. De PVV ging hier het meest ver in (zie 4.5.) maar ook in de programma’s van andere partijen stonden punten die afbreuk doen aan grondrechten. Zo waren ChristenUnie en SGP tegen gezichtsbedekkende kleding in overheidsinstellingen, het onderwijs en het openbaar vervoer en pleitte de VVD voor een algeheel verbod op gezichtsbedekkende kleding in het openbaar. Daarnaast wilde de SGP gebedsoproepen vanaf moskeeën tegengegaan en wilde deze partij dat bij de bouw van moskeeën en minaretten de uitstraling op de publieke ruimte tot een minimum wordt beperkt.
De SGP schreef verder in haar programma dat de overheid oog móet hebben voor het onderscheid dat er volgens deze partij is tussen godsdiensten. Islamitische praktijken die haaks staan op onze wetten mogen niet getolereerd worden en de sharia wil de SGP hier helemáál niet hebben. Veel aandacht hadden verschillende partijen (VVD, CDA, ChristenUnie, SGP en SP) verder voor ‘haatpredikers’. De ChristenUnie en het CDA stelden voor dat dergelijke sprekers geen visum of vergunning zouden moeten krijgen om te spreken. De SP wilde dat haatpredikers (en ronselaars) worden geweerd of het land uitgezet en de SGP stelde een verbod voor van organisaties die herhaaldelijk haatzaaiende of geweldsverheerlijkende predikers uitnodigen. De VVD dacht aan een 129 130 131
https://www.socialestabiliteit.nl/actueel/nieuws/2017/02/03/handreiking-veilige-moskee. Wonderen, R. van & M. Kapel (2017), Oorzaken en triggerfactoren van moslimdiscriminatie in Nederland. Bij de inventarisatie van de verkiezingsprogramma’s is gebruik gemaakt van Butter, E. (2017), Wat zeggen de verkiezingsprogramma’s over immigratie, integratie, discriminatie en tegengaan van radicalisering?, Utrecht: KIS.
44 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
zwarte lijst met haatpredikers en het CDA ten slotte wilde het verheerlijken van geweld strafbaar stellen en moskeeën sluiten die activiteiten organiseren of toelaten die in strijd zijn met onze rechtsorde. Een ander dominant punt dat in meerdere programma’s terugkeerde was de buitenlandse financiering van voornamelijk religieuze instellingen. Zo stelde de VVD voor dubieuze buitenlandse financieringsstromen naar deze instellingen aan te pakken, pleitte D66 voor verplichte transparantie over hun financieringsbronnen, wilde het CDA de financiering van moskeeën en islamitische organisaties door buitenlandse overheden verbieden en stelde de ChristenUnie voor geen financiering meer toe te staan van geloofsgemeenschappen en politieke en culturele instellingen door onvrije landen, zoals Iran en Saoedi-Arabië. Ook besteedden enkele partijen aandacht aan de samenwerking met radicale religieuze (salafistische) organisaties. De SP stelde voor een lijst op te stellen van salafistische organisaties die haatzaaien en geweld prediken. De VVD schreef religieuze genootschappen te willen verbieden die de democratie ondermijnen. Ook stelde deze partij voor een einde te maken aan de wettelijke uitzonderingspositie van religieuze genootschappen die een verbod bemoeilijkt.
Bij het tegengaan van radicalisering en terrorisme lag het accent ten slotte sterk op het tegengaan van islamistische radicalisering en op Syriëgangers. Verschillende partijen spraken de wens uit te willen voorkomen dat Nederlandse Syriëgangers terugkeren naar Nederland. De VVD bijvoorbeeld wilde uitkeringen, paspoorten en verblijfsvergunningen van ‘jihadgangers’ kunnen afpakken. Wat betreft de VVD verliest iemand die zich aansluit bij een terroristische organisatie het recht om Nederlander te zijn, of iemand nu strafrechtelijk veroordeeld is of niet. Ook de SGP stelde voor dat Nederlanders met een dubbele nationaliteit die naar IS-gebied reizen en/of deelnemen aan een terroristische organisatie, hun Nederlandse nationaliteit per definitie verliezen. Voor de discriminatie of uitsluiting van moslims was aanmerkelijk minder aandacht in de verkiezingsprogramma’s, maar wel meer dan bij vorige verkiezingen het geval was. Voor het eerst werd de discriminatie van moslims geagendeerd in verkiezingsprogramma’s. Dat gebeurde in de verkiezingsprogramma’s van de ChristenUnie, D66, GroenLinks, PvdA, CDA en DENK.
3.2.3 Het regeerakkoord De partijen die het tweede kabinet Rutte vormden, de VVD en de PvdA, verloren allebei bij de verkiezingen. De PvdA kreeg zo’n historisch pak slaag (van 38 naar 9 zetels) dat de partij van nieuwe regeringsdeelname afzag. GroenLinks (plus 10 zetels), D66 (plus 7 zetels), CDA (plus 6 zetels) en PVV (plus 5 zetels) waren de winnaars. DENK (3 zetels) en Forum voor Democratie (2 zetels) waren in 2017 de nieuwkomers in de Tweede Kamer. Na een hele lange formatie vormden VVD, D66, CDA en ChristenUnie het derde kabinet Rutte dat op 26 oktober 2017 werd beëdigd. In het regeerakkoord komt het woord islam niet voor en moslim alleen als onderdeel van het woord moslimhaat. Voor het eerst wordt dit begrip expliciet in een regeerakkoord (‘Vertrouwen in de Toekomst’) genoemd: “Een democratische samenleving kan alleen functioneren als we een grens trekken als vrijheden van de ander worden bedreigd, als iedereen meedoet en discriminatie wordt bestreden. Voor homohaat, antisemitisme, moslimhaat, eerwraak, genitale verminking, kinderhuwelijken, gedwongen huwelijken, haat zaaien en geweld tegen andersdenkenden en tegen minderheden is geen plaats in onze samenleving.”132
In het kader van het tegengaan van radicalisering werd in het regeerakkoord verder aangekondigd dat de strafmaat voor haatzaaien (art 137d Sr) verdubbeld gaat worden van één naar twee jaar. Daarnaast werd onder andere geschreven dat “alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat aan haatpredikers een podium wordt geboden” en dat er wetgeving tot stand wordt gebracht op basis waarvan terugkeerders gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis 132
https://www.kabinetsformatie2021.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-vertrouwen-inde-toekomst, p.54.
VIERDE RAPPORTAGE | 45
gehouden kunnen worden. Ook kondigde het nieuwe kabinet aan te willen voorkomen “dat vanuit het buitenland via geldstromen naar politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties onwenselijke invloed wordt gekocht. Daartoe zullen deze geldstromen meer transparant gemaakt worden. Wederkerigheid vormt hierbij een belangrijke toetssteen. Geldstromen vanuit onvrije landen, waarbij misbruik wordt gemaakt van onze vrijheden, zullen zoveel mogelijk worden beperkt.”133
3.2.4 De Tweede Kamer 2017- 2020 De afgelopen jaren zijn moslims en de islam, zoals eerder werd weergegeven, iets minder vaak onderwerp van gesprek geweest. De gespreksonderwerpen bleven wel ongeveer dezelfde. Het ging de afgelopen jaren bijvoorbeeld vaak over radicalisering van moslims, terugkerende Syriëgangers, een verbod op gezichtsbedekkende kleding (nikaabverbod) en islamitisch onderwijs. In deze paragrafen gaan we daar niet op in, maar kijken we naar de aandacht voor moslimhaat of moslimdiscriminatie in de Tweede Kamer sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2017. Het eerste half jaar, gedurende de formatie, was er nog sprake van een demissionair VVD-PvdA kabinet. 2017 Eind maart 2017 stuurde dit demissionaire kabinet een brief naar de Tweede Kamer waarin gerapporteerd werd over de voortgang die was geboekt bij de uitvoering van het Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie.134 Hierin werd onder andere gemeld dat vanaf 1 januari 2016 moslimdiscriminatie was toegevoegd aan de registratieformulieren van de ADV’s.
Verder werd bericht over het eerder aangehaalde onderzoek van Ens naar de bereidheid om moslimdiscriminatie bij de politie te melden, over de Handreiking Veilige moskee en over een vijftal regionale bijeenkomsten georganiseerd door projectbureau Zasja waar vertegenwoordigers van gemeenten, politie, ADV’s en moslimgemeenschappen bij elkaar kwamen om hun samenwerking te versterken. Op 6 april 2017 vond een debat plaats met de demissionaire ministers Lodewijk Asscher (PvdA, Sociale Zaken) en Stef Blok (VVD, Veiligheid en Justitie).135 Het debat was voor de verkiezingen aangevraagd door Marcouch (PvdA) en Voortman (GroenLinks) naar aanleiding van een rapport over moslimdiscriminatie van SPIOR, maar het debat ging uiteindelijk amper over moslimdiscriminatie. Het was het eerste debat in de nieuwe Tweede Kamer over discriminatie en was voor maar liefst zes Kamerleden de eerste keer dat ze de Tweede Kamer mochten toespreken. Ook de ministers van het demissionaire kabinet hielden zich tijdens het debat op de vlakte. In de woorden van minister Asscher: “Wij leven nu in een demissionaire fase. Elders in Den Haag zijn mensen aan het onderhandelen over het vormen van een nieuw kabinet.
Dat betekent dat ons nu terughoudendheid past.” 136 In juli stuurde Asscher het onderzoeksverslag Oorzaken en triggerfactoren van moslimdiscriminatie naar de Tweede Kamer.137 Op 4 november – het nieuwe kabinet was inmiddels van start gegaan – stelde Kuiken (PvdA) tijdens het vragenuurtje in de Tweede Kamer mondelinge vragen aan minister Dekker over een actie van Pegida dat in Enschede een bouwlocatie met varkensbloed besmeurde. Ook CDA, D66 en DENK stelden vragen over deze kwestie die door alle sprekers veroordeeld werd.138 Vanuit Forum voor Democratie werd in 2017 het initiatief genomen om de werking van de strafrechtelijke discriminatieartikelen in te perken. FvD-Kamerlid Hiddema diende op 30 november een motie in waarin hij de regering verzocht om aanzetten tot haat niet langer strafbaar te stellen, maar alleen het aanzetten tot gewelddadig optreden.139 De motie werd verworpen. Eind 2017 diende DENK aan de vooravond van een Europese top een motie in waarin de regering wordt verzocht om in Europees verband te pleiten voor een Europese alliantie tegen moslimdiscriminatie met gedeelde inzet en een gedeeld pakket aan maatregelen.140 Deze motie kreeg alleen steun van de PvdA. 133 134 135 136 137 138 139 140
Ibidem, p.3. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-802933 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20162017-65-4. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20162017-65-4.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-814857 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20172018-21-2.html https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vkjrpq9pl9yk https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-20-1274.html
46 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
2018 In 2018 vielen de woorden moslimhaat, islamofobie of moslimdiscriminatie regelmatig, maar was er amper sprake van beleid, moties of initiatieven. Op 26 april 2018 stuurde de minister van Binnenlandse Zaken een brief aan de Tweede Kamer. Het kabinet liet over het specifieke terrein van moslimdiscriminatie weten dat er een drietal overleggen waren georganiseerd tussen verschillende meldpunten moslimdiscriminatie/islamofobie om de samenwerking onderling te versterken.141 GroenLinks en de ChristenUnie drongen in 2018 aan op het zwaarder bestraffen van hatecrimes. Bij de lancering van dit voorstel lag de nadruk op hatecrimes tegen minderheidsgroepen die Kamerbreed een hoge gunfactor lijken te hebben: joden, homo’s en moslims die zich tot het christendom hebben bekeerd.142 In het regeerakkoord Vertrouwen in de Toekomst staat daarover: “De regeringspartijen willen het verbod op groepsbelediging behouden en de strafmaat voor ‘haatzaaien’ verhogen van 1 naar 2 jaar, om zo de ernst van het delict te benadrukken”.143 Verder vielen de woorden moslimhaat, islamofobie en moslimdiscriminatie diverse keren tijdens debatten. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen werd bijvoorbeeld door enkele fractievoorzitters (onder andere Asscher en Kuzu) over moslimhaat gesproken.
Het ging in het bijzonder over uitspraken van Wilders en over Victor Orban, de premier van Hongarije.144 Tijdens een vragenuur waarin vragen werden gesteld over de toename van antisemitisme, wees Buitenweg (GroenLinks) ook op de toename van moslimhaat. 145 2019 In 2019 was er vaker aandacht voor moslimdiscriminatie. Dat gebeurde in moties van DENK, GroenLinks en de PvdA. In maart vroeg Öztürk (DENK) in een motie om antisemitisme en moslimdiscriminatie te bestrijden, met gelijke voortvarendheid en middelen.146 Hij deed dit naar aanleiding van de constatering in het rapport Discriminatie in cijfers dat 88% van alle godsdienstdiscriminatie tegen moslims is gericht. De motie kreeg steun van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, DENK, 50PLUS en D66. Dit was onvoldoende voor een meerderheid. Succesvoller was een motie van Van Dijk en Van den Hul (beiden PvdA) uit april 2019 waarin de regering werd gevraagd in gesprek te gaan met vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschap met als doel specifiek beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan het tegengaan van discriminatie van moslims.147 Deze motie werd aangenomen met steun van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, DENK, 50PLUS, D66, de VVD, het CDA en de ChristenUnie. Na een verzoek (september) van o.a.
Van den Berge (GroenLinks), Azarkan en Kuzu (beiden DENK) om een reactie op het rapport Alledaagse islamofobie van de stichting Meld Islamofobie, liet minister Koolmees de Kamer in een brief weten “onverminderd stevig” in te zetten op het tegengaan van discriminatie via een brede kabinetsaanpak.148 Hij schreef dat hij de signalen en cijfers over de aard en omvang van moslimdiscriminatie ‘zorgelijk’ vindt. Ook liet hij weten focusgroepen te organiseren “met burgers met een diverse achtergrond om meer inzicht te krijgen in wat burgers op basis van ervaringen en opvattingen zien als mogelijkheden in de aanpak van moslimdiscriminatie.” Daarnaast kondigde hij aan in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van 141 142 143 144 145 146 147 148
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30950-156.html https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/christenunie-en-groenlinks-willen-hate-crimes-zwaarderbestraffen~be002e9f/ Zie voor een uitgebreide bespreking: CERD/C/NLD/22-24, March 2019, pp. 5-6. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20182019-2-2.html. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20182019-34-5.html. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20182019-62-6.html. https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vkwrql0u6ez6. Abaaziz, I. (2019) Alledaagse Islamofobie in Nederland; een verkennend onderzoek en https://zoek. officielebekendmakingen.nl/kst-30950-161.html
VIERDE RAPPORTAGE | 47
moslimgemeenschappen en daarmee invulling te zullen geven aan de eerdergenoemde motie van de leden Van Dijk en Van den Hul. Tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken vroegen zowel GroenLinks als DENK aandacht voor moslimdiscriminatie. Özütök (GroenLinks) en het onafhankelijk kamerlid Van Kooten-Arisse dienden een motie149 in om te komen tot een jaarlijkse monitor islamofobie, met als argumentatie: “overwegende dat er helaas nog regelmatig sprake is van discriminatie en dat vaak mensen uit minderheden hiervan slachtoffer zijn; constaterende dat er jaarlijks een Monitor antisemitische incidenten [door het CIDI, red] wordt uitgebracht; verzoekt de regering, om in overleg met betrokken partijen te komen tot een jaarlijkse monitor islamofobie.”
Deze motie werd aangehouden. 150 Volgens Van Kooten om de term islamofobie te wijzigen in ‘moslimhaat’ of een andere term die het doel van de motie in haar optiek beter zou dekken. Ze tweette: “Monitoren van (m.i. terechte) religiekritiek is uiteraard absoluut niet de bedoeling; daar mag geen onduidelijkheid over bestaan.”151
In maart 2019 presenteerden de Kamerleden Yesilgöz (VVD) en Segers (ChristenUnie) een initiatiefnota voor een effectievere aanpak van antisemitisme.152 Bij de bespreking hiervan door de Vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid werd door verschillende partijen de vraag gesteld in hoeverre een specifieke aanpak van antisemitisme noodzakelijk is. De SP vroeg of er ook geen aanpak van moslimdiscriminatie moest komen. De initiatiefnemers antwoordden daarop alle vormen van discriminatie even belangrijk te vinden, maar geen voorstander te zijn van een generieke aanpak. Uiteindelijk besloot de Tweede Kamer unaniem drie miljoen euro voor de aanpak van antisemitisme uit te trekken. Tegelijkertijd deed Azarkan (DENK) tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Justitie het voorstel een vergelijkbaar plan voor de aanpak van moslimdiscriminatie op te stellen: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat de overheid terecht een aanpak heeft om antisemitisme aan te pakken; constaterende dat moslimdiscriminatie een groeiend en steeds groter probleem vormt binnen onze samenleving en vele Nederlanders pijn doet; verzoekt de regering, in analogie met de aanpak antisemitisme, te komen met een plan van aanpak om moslimdiscriminatie in Nederland te kunnen bestrijden en de Kamer hier binnen 6 maanden over te informeren; en gaat over tot de orde van de dag.”153
In een eerdere versie van de motie gebruikte Azarkan overigens islamofobie in plaats van moslimdiscriminatie. Minister Grapperhaus liet op 21 november weten er weinig zin in te hebben en ontraadde de motie, waarbij hij van ‘islamofobie’ ‘islamfobie’ maakte:154 “Voorzitter. De motie-Azarkan op stuk nr. 77. Die motie verzoekt om een plan van aanpak inzake islamfobie. Die motie ontraad ik. Ik kan niet vaak genoeg in allerlei gezelschappen herhalen dat de regering voorstander is van een generieke benadering van discriminatie. Dat is één. En het antisemitismeplan is heel duidelijk een plan gericht op de specifieke problematiek die heel concreet dáár speelt. Daar houden we het ook bij.”
149 150 151 152 153 154
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019Z20759&did=2019D43387 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019D44268&did=2019D44268 https://twitter.com/FemkeMerel/status/1191359067991814152 https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2019A01525 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2020 | Tweede Kamer der Staten-Generaal https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/detail/972526ae-0863-49ea-ba2c0671f8c3ef85
48 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
De motie van Azarkan kreeg steun van D66, GroenLinks, SP, PvdA, 50PLUS, PvdD en DENK. Dat was onvoldoende om aangenomen te worden.155 2020 Tijdens een Algemeen Overleg van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vroeg Ozütök (GroenLinks) aan de onderwijsminister Slob en Engelshoven wat zij denken te gaan doen aan moslimhaat in het onderwijs. Minister Slob antwoordde hierop: “Dat is een onderwerp dat nu nog meegaat bij wat we pesten noemen, maar we hebben wel een beetje een ongemakkelijk gevoel over of dit daar zo op deze wijze bij hoort. Het gaat namelijk soms een stuk dieper. Denk ook aan wat er rond antisemitisme plaatsvindt. We zijn aan het bekijken of er juist voor dit specifieke onderwerp een andere aanpak nodig is. We gaan een beetje leentjebuur spelen bij onze oosterburen.”
In maart ontving de Tweede Kamer de studie “Speciale behoeften van slachtoffers van hate crime ten aanzien van het strafproces en de slachtofferhulp” van het WODC.156 Hierin wordt ingegaan op de geringe meldingsbereidheid van hate crimes. Wat betreft de meldingsbereidheid onder moslims wordt als probleem opgemerkt dat de organisatiegraad onder moslims laag is en moslimorganisaties te veel verbrokkeld zijn.
Brief voortgang aanpak moslimdiscriminatie Op 11 november stuurde minister van Sociale Zaken, Koolmees (D66), mede namens de minister van BZK, een brief naar de Tweede Kamer over de invulling van de motie van Van Dijk en Van den Hul (beiden PvdA) uit april 2019, waarin de regering onder andere werd gevraagd na gesprekken met vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschap specifiek beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan het tegengaan van discriminatie van moslims.157 In de brief van 11 november werd onder andere verwezen naar het eerdergenoemde SCP-rapport ‘Ervaren discriminatie II’ en naar het ‘Manifest tegen Islamofobie’, dat eerder in 2020 was opgesteld door Meld Islamofobie, S.P.E.A.K., het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie, EMCEMO en IZI Solutions.158 Minister Koolmees liet in de brief weten dat hij naar aanleiding van de motie van Van Dijk en Van den Hul in 2020 focusgroepen heeft laten organiseren waarin met moslims en nietmoslims is gesproken over moslimdiscriminatie. Ook is er in 2019 en begin 2020 gesproken met vertegenwoordigers van verschillende moslimorganisaties. Daarnaast heeft hij het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) opdracht gegeven een verkenning uit te voeren naar de maatregelen van andere Europese landen om moslimdiscriminatie tegen te gaan. Hierover later meer.
Uit de verkennende gesprekken die door het ministerie zijn gevoerd komt onder andere naar voren dat moslimdiscriminatie in het bijzonder op de arbeidsmarkt en in het onderwijs wordt ervaren. Er zijn zorgen over discriminatie tegen moslimvrouwen met een hoofddoek, over de lage meldingsbereidheid bij discriminerende incidenten en over de negatieve beeldvorming en stereotypering van moslims, waaraan soms ook de overheid bijdraagt. De gesprekspartners van het ministerie hebben aangegeven weinig bewustzijn in Nederland te ervaren over moslimdiscriminatie. Zonder dit nader toe te lichten onderstrepen deze uitkomsten volgens het kabinet het “belang van een brede aanpak van discriminatie door het kabinet, welke ook toeziet op moslimdiscriminatie.”
155 156 157 158
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2019Z23240&did=2019D48094 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-927342 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2020Z21213&did=2020D45359 In dit manifest wordt onder andere gepleit voor het opnemen van antimoslimracisme, moslimhaat of moslimdiscriminatie als een aparte discriminatiegrond (dus niet als subcategorie van discriminatie op grond van godsdienst) en als zodanig ook echt laten registreren door anti-discriminatievoorzieningen en de politie. Ook pleiten de opstellers van het manifest voor een landelijke coördinator voor de bestrijding van moslimdiscriminatie/islamofobie, zoals er al een vergelijkbare coördinator tegen antisemitisme is.
VIERDE RAPPORTAGE | 49
Het kabinet zag dus geen aanleiding voor het specifieke beleid waar in de motie van Van den Hul en Van Dijk om gevraagd werd. Op grond van de gesprekken liet het kabinet weten wel mogelijkheden te verkennen om de aanpak tegen moslimdiscriminatie te versterken. Zo wordt gedacht aan het verbeteren van de meldingsbereidheid, met ook een rol voor moslimorganisaties en wil het kabinet verkennen welke stappen de overheid zelf kan zetten in het tegenaan van stereotype beeldvorming en stigmatisering over moslims. Initiatiefnota DENK Op 2 november 2020 stuurde Azarkan (DENK) een initiatiefnota voor een meer effectieve aanpak van moslimdiscriminatie naar de Tweede Kamer.159 Daarin stelde Azarkan 24 beslispunten voor, waaronder een landelijke coördinator voor de bestrijding van moslimdiscriminatie/islamofobie zoals er ook een vergelijkbare coördinator tegen antisemitisme is en diverse maatregelen in het onderwijs die discriminatie en vooroordelen moeten tegengaan en onderling begrip moeten stimuleren. Andere voorstellen waren onder andere: •
De Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (het boerkaverbod of nikaabverbod) buiten werking stellen,
•
Een Actieplan Aanpak Moslimdiscriminatie,
•
Een publiekscampagne tegen moslimdiscriminatie,
•
In overleg met de moslimgemeenschap onderzoeken hoe de aangiftebereidheid kan worden vergroot,
•
Geen subsidies voor organisaties die zich schuldig maken aan moslimdiscriminatie,
•
Verbeteren van de expertise bij politie en Justitie,
•
Mystery guests inzetten om moslimdiscriminatie op de arbeids- en woningmarkt zichtbaar te maken en
•
In gesprek gaan met online platforms over een effectievere aanpak van moslimdiscriminatie op het internet.
Ook stelt DENK voor meer structurele middelen te verschaffen aan islamitische instellingen in het kader van beveiliging. Op 12 november 2020 diende Azarkan een motie in waarin de Tweede Kamer werd gevraagd uit te spreken dat “de islam onderdeel is van Nederland en dat moslims volwaardige burgers zijn.” Deze motie werd gesteund door alle partijen uitgezonderd PVV, FvD en SGP. Ook de eenmansfracties Van Haga en Krol steunden de motie niet. Aanpak in andere Europese landen Op 2 december 2020 publiceerde het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) een verkenningsstudie naar de maatregelen van andere Europese landen om moslimdiscriminatie tegen te gaan.160 Deze verkenning werd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken uitgevoerd. De onderzoekers van KIS keken vooral naar interventies die geëvalueerd zijn en hun werkzame mechanismes. Omdat het tegengaan van moslimdiscriminatie een relatief nieuw beleidsterrein is, interventies op dit terrein zelden geëvalueerd worden en beleid zo goed als nooit, werd de keuze klein. Na consultatie van enkele experts bleef de verkenning vooral beperkt tot de aanpak van moslimdiscriminatie in één land (Duitsland) en twee steden: een middelgrote stad (Graz, Oostenrijk) en een klein multicultureel stadje (Botkyrka, Zweden).
159 160
https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vldfkfb10dyb Kobac, D. en H. Felten (2020), De aanpak van moslimdiscriminatie in drie Europese landen. Wat is er bekend over de effectiviteit van de aanpak van moslimdiscriminatie in andere Europese landen?, Utrecht: KIS
50 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
De onderzoekers constateren dat het in verschillende landen moeilijk is om moslimdiscriminatie en moslimhaat te agenderen, omdat er niet voldoende draagvlak voor is. In Duitsland lukte dit wel als onderdeel van het landelijk beleidsprogramma ‘Demokratie leben!’ waarin ongelijkheden vanuit het perspectief van de democratische rechtsstaat worden behandeld. Dit maakt het mogelijk “om kwesties aan de orde te stellen die in de politieke en publieke discussie controversieel zijn.”161 Hierbij moet worden opgemerkt dat moslimdiscriminatie pas aan de orde kwam in een tweede ronde, nadat in de eerste ronde aandacht was geweest voor moslimextremisme en het bevorderen van identiteit. De onderzoekers beschrijven enkele interventies en trekken op grond van hun verkenning de conclusie dat “het in de huidige politieke dynamiek lastig kan zijn om een antidiscriminatiebeleid in te voeren dat binnen het politieke spectrum breed gedragen wordt. Daarom is het nodig om bij het ontwikkelen van beleid de risico’s rondom de uitvoering goed in de gaten te houden.
Tevens is het volgens de onderzoekers aan te raden om moslimdiscriminatie onderdeel te maken van breder beleid, zodat het tot minder weerstand leidt.”162 Later in het concluderende hoofdstuk plaatsen ze hierbij wel de kanttekening dat het wel nodig is “om tijdens de uitvoering projecten te ontwikkelen waarin het specifiek gaat over moslimdiscriminatie; anders sneeuwt het thema onder in het bredere thema discriminatie en is er te weinig oog voor de specifieke kenmerken van moslimdiscriminatie.”163
3.2.5 Conclusie: meer aandacht, weinig concreet beleid De afgelopen jaren staat het onderwerp moslimdiscriminatie (of moslimhaat, islamofobie) wat vaker op de agenda van de Tweede Kamer. Het onderwerp werd bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen ook voor het eerst opgenomen in verkiezingsprogramma’s en werd voor het eerst genoemd in een regeerakkoord. De inhoudelijke uitwerking blijft achter. De activiteiten waarvan het zittende kabinet de afgelopen jaren verslag deed, waren grotendeels initiatieven die tijdens het vorige, VVD-PvdA kabinet zijn gestart. Belangrijkste resultaten van het zittende kabinet zijn de organisatie van overleg tussen meldpunten (2018) en de uitvoering van de motie Van Dijk/ Van den Hul, waarin de regering wordt gevraagd in gesprek te gaan met vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschap met als doel specifiek beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan het tegengaan van discriminatie van moslims. Duidelijk is dat Kamerleden en kabinet nog worstelen met de vraag in hoeverre specifiek beleid nodig is tegen moslimdiscriminatie en moslimhaat. Daarnaast wordt geworsteld met de terminologie, in het bijzonder met de term ‘islamofobie’. Eén keer wordt die term in een motie vervangen door moslimdiscriminatie, één keer wordt een motie om het gebruik van die term aangehouden en de minister van Justitie gebruikt zijn eigen variant (‘islamfobie’).
3.3
Internationale kritiek op de Nederlandse aanpak
Moslimdiscriminatie wordt ook vanuit het buitenland op de politieke agenda geplaatst. Soms door een politieke vertegenwoordiger uit een enkel land (doorgaans Turkije164), maar meestal door 161 162 163 164
Ibidem, p. 41. Ibidem. Meer over dit onderzoek in dit blog: https://ewoudbutter.wordpress.com/2020/12/16/kabinet-en-kamerzoeken-nog-naar-aanpak-van-moslimhaat-en-moslimdiscriminatie/ Zo riep Recep Tayyip Erdogan in 2006 naar aanleiding van het verschijnen van spotprenten van de profeet Mohammed in een Deense krant, wereldleiders op te voorkomen dat islamofobie in westerse landen wortel zou schieten. In 2011 beschuldigde Erdogan Frankrijk van islamofobie nadat daar een wet was aangenomen waarin het ontkennen van de Armeense genocide strafbaar werd gesteld. In 2012 waarschuwde president Abdullah Gül in een interview met de Volkskrant voor de opkomst van islamofobie in Nederland. In 2015 stelde Erdogan dat ‘racisme, haatzaaien en islamofobie’ de oorzaak waren van de aanslag op Charlie Hebdo en in 2017 was Nederland volgens hem islamofoob en fascistisch aangezien de Turkse minister van familiezaken geen campagne mocht voeren in Nederland.” Uit: Butter. E. (2019), “Kan de minister aangeven hoe hij deze incidenten duidt?”, in: Ineke van der Valk (red.). Mikpunt Moskee.
VIERDE RAPPORTAGE | 51
internationale commissies. Dit gebeurde voor het eerst in 2008 toen de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) waarschuwde voor toenemende islamofobie in Nederland.165 Volgens de ECRI was het debat over integratie en minderheden in Nederland sinds 2000 heel negatief geworden, hetgeen volgens de ECRI bijvoorbeeld tot uiting kwam in „het spreken over moslims in termen van invasies die het land overspoelen en derhalve een majeure bedreiging van de nationale van de nationale veiligheid en identiteit vertegenwoordigen”. De PVV van Wilders werd door de ECRI genoemd als belangrijke aanstichter van de islamofobie. In 2013 constateerde de ECRI dat Nederland in gebreke bleef bij de uitwerking van antidiscriminatiebeleid. Nederlandse beleidsstukken handelden vooral over discriminatie op het gebied van seksuele voorkeur en antisemitisme. Discriminatie van andere groepen kwam nauwelijks aan de orde.166 In 2016 concludeerde de Commissie dat met de aanbevelingen weinig tot niets was gedaan.167 Vanaf 1 januari 2019 heeft de Officier van Justitie overigens overeenkomstig de aanbevelingen van ECRI wel de mogelijkheid gekregen hogere straffen te eisen in geval van discriminatie.168 De Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD) van de VN berispte Nederland meerdere malen.
In 2015 gebeurde dit onder andere over de gebrekkige aanpak van racistische en xenofobe hatespeech in het politieke discours – in de media en op het internet. Ook werd aanbevolen meer werk te maken van het tegengaan en vervolgen van intersectionele discriminatie op basis van etniciteit en religie van joden en moslims en van racisme middels spreekkoren op de voetbalvelden. De CERD vond bovendien dat slachtoffers meer toegang zouden moeten krijgen tot gratis juridische ondersteuning en dat de juridische mogelijkheden om hatecrime te bestraffen versimpeld zouden moeten worden.169 Nederland gaf in een reactie aan haatzaaien sterk te veroordelen, stevige maatregelen te nemen om alle vormen van discriminatie te bestrijden en in 2016 tijdens het voorzitterschap van de Raad van Europose Unie een actieve rol te spelen bij het agenderen van haatzaaien, haatmisdrijven en alle vormen van discriminatie.170 De CERD betreurde het op haar beurt dat Nederland geen voortgang rapporteerde over onderzoek naar en vervolging van haatzaaien en haatmisdrijven en evenmin inging op alle andere aanbevelingen die door de commissie waren gedaan.171 In de tweede grootschalige enquête onder moslims van het Fundamental Rights Agency (FRA) uit 2017, werd naast integratie-indicatoren zoals het gevoel erbij te horen en vertrouwen in openbare instellingen, gevraagd naar ervaringen met discriminatie, pesten,
politiecontroles en het bewustzijn van rechten.172 In Nederland had 30% van de moslims tussen 2012 en 2017 de ervaring gediscrimineerd te zijn vanwege hun religieuze overtuiging. In geen enkel Europees land voelden zoveel moslims zich gediscrimineerd. 65% van de Nederlandse moslims uit Noord-Afrika zei bovendien gediscrimineerd te zijn vanwege hun etnische afkomst. Alleen in Duitsland was dit percentage vergelijkbaar. Het vertrouwen in de politie was onder Nederlandse moslims het laagst. In vergelijking met andere Europese landen maakten Nederlandse moslims wel vaker melding van discriminatie, namelijk in een kwart van de voorvallen. In geen enkel ander Europees land voelden moslims zich zo weinig verbonden met het land waar ze wonen. Het gemiddelde was 4,1 op een schaal van vijf. Nederlandse moslims gaven hun gevoel van verbondenheid met Nederland echter een 3,4.173 165 166 167 168 169 170 171 172 173
’Nederlandse politiek laat islamofobie de vrije hand’, Trouw, 13 februari 2008. European Commission Against Racism and Intolerance (2013), ECRI-rapport over Nederland (vierde monitoringcyclus), Strasbourg: Council of Europe. European Commission Against Racism and Intolerance (2016), ECRI conclusions of the implementation of the recommendations in respect of the Netherlands subjects to interim follow-up, Strasbourg: Council of Europe https://nos.nl/artikel/2263004-justitie-gaat-hogere-straffen-eisen-voor-discriminatie.html. https://www.ohchr.org/EN/Countries/ENACARegion/Pages/NLIndex.aspx https://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/Download. aspx?symbolno=CERD%2fC%2fNLD%2fCO%2f19-21%2fAdd.1&Lang=en https://tbinternet.ohchr.org/Treaties/CERD/Shared%20Documents/NLD/IT_CERD_FUL_NLD_26208_E.pdf De bevindingen in deze survey wijken op onderdelen in negatieve zin fors af van die van Nederlandse onderzoeken naar (ervaren) discriminatie van onder meer het SCP (2020) en Omlo en Butter (2020). European Union Agency for Fundamental Rights (2017), Second European Minorities and Discrimination Survey. Muslims Selected Findings.
52 | MONITOR MOSLIMDISCRIMINATIE
In 2019 constateerde de ECRI diverse positieve ontwikkelingen waaronder het regeerakkoord van 2017 waarin was opgenomen dat er in de Nederlandse samenleving geen ruimte is voor homohaat, antisemitisme, moslimhaat, […] haatzaaien en geweld tegen minderheden en dat prominente politici haatzaaien publiekelijk hebben veroordeeld.174 Tegelijkertijd was er kritiek omdat online haatzaaien volgens de ECRI nog aan de orde van de dag is en veel haattaal langere tijd online blijft staan. Veel mensen uit minderheden voelen zich uitgesloten door dit vijandige taalgebruik. Er waren veel door haat ingegeven aanslagen op moslims, moskeeën en lhbt-personen en er wordt er nog steeds weinig aangifte gedaan tegen hatecrime, concludeert de commissie. De ECRI stelde ook vast dat het politieke debat nog steeds sterk wordt beïnvloed door een xenofobe, angst aanwakkerende retoriek onder invloed van de PVV en FvD. Dit debat leidt sinds het begin van deze eeuw tot verdeeldheid en wordt gevoed door steeds weer nieuw islamofobe uitlatingen en acties. Als voorbeelden noemt de ECRI het opzetten van websites voor het melden van klachten over arbeidskrachten uit Roemenië, Polen en Bulgarije in 2012 en asielzoekers in 2015 en een Mohammed-cartoonwedstrijd van de PVV in augustus 2018.
Van maatschappelijke organisaties en verschillende deskundigen zei de ECRI vernomen te hebben dat diverse andere politieke partijen hierop ook in termen van “wij en zij” zijn gaan spreken. Dat varieert volgens de commissie van collectieve verwijten aan groepen mensen op basis van hun migratieachtergrond of godsdienst tot bagatellisering van vooroordelen en negatieve beeldvorming van moslims in vergelijking tot ‘de gewone Nederlander’. Hierbij wordt ook verwezen naar de verkiezingscampagne van 2017 toen de minister-president het in een open brief die op internet en in krantenadvertenties verscheen schreef: ‘We voelen een groeiend ongemak wanneer mensen onze vrijheid misbruiken om hier de boel te verstieren, terwijl ze juist naar ons land zijn gekomen voor die vrijheid. […] Ik begrijp heel goed dat mensen denken: als je ons land zo fundamenteel afwijst, heb ik liever dat je weggaat. Dat gevoel heb ik namelijk ook. Doe normaal of ga weg.’ Ook wees de ECRI op uitlatingen van minister van Buitenlandse Zaken Blok (VVD), die in 2018 stelde dat hij geen multiculturele samenlevingen kent die vreedzaam zijn en dat het genetisch bepaald is dat de mens zich niet aan ‘onbekende mensen’ bindt.175 De ECRI waarschuwt voor de gevolgen van dit volgens de commissie tot verdeeldheid en vreemdelingenhaat leidend debat.
Volgens de ECRI krijgen mensen die tot minderheden behoren het gevoel dat het in toenemende mate aanvaardbaar is om neerbuigende en discriminerende opmerkingen te maken, dat zij als tweederangsburgers worden gezien en dat zij worden blootgesteld aan geïnstitutionaliseerde vormen van racisme op basis van verborgen ideeën van blanke suprematie. Het hieruit voortvloeiende gevoel van uitsluiting vergroot de verdeeldheid in de samenleving, stelt de commissie, maakt dat moslims zich minder goed thuis voelen in Nederland en leidt tot de opkomst van parallelle samenlevingen en radicalisering.
3.4
Radicaal-rechts en extreemrechts
De tendens waarbij het gelijkheidsbeginsel voor moslims door het anti-islam sentiment in de samenleving steeds meer onder druk komt te staan, wordt gevoed door groepen die baat hebben bij toenemende polarisatie tussen moslims en niet-moslims. Dat zijn enerzijds (gewelddadige) extremisten die claimen uit naam van de islam te handelen en anderzijds radicaal- en extreemrechtse politieke partijen en groeperingen die sinds de laatste twee decennia een meer prominente plek in het politiekmaatschappelijke debat en in de Tweede Kamer hebben gekregen.
174 175 html.
European Commission Against Racism and Intolerance (2019), ECRI-rapport over Nederland (vijfde monitoringcyclus). https://www.nu.nl/politiek/5370869/minister-blok-ik-ken-geen-multiculturele-samenleving-vreedzaam-is.
VIERDE RAPPORTAGE | 53
3.4.1 Begripsbepaling De verschillende termen die soms dwars door elkaar heen gebruikt worden om de uiterst rechterflank in politiek en maatschappelijk Nederland te duiden, vragen om nadere toelichting.176 Wij beperken ons hier tot de begrippen die in sociaalwetenschappelijk onderzoek en in het politiek-maatschappelijke debat het meest gangbaar zijn. Rechtsextremisme is een verzamelbegrip voor politieke opvattingen aan de uiterste rechterkant van het gangbare politieke links-rechts spectrum en voor de organisaties die deze opvattingen aanhangen en uitdragen. Onder wetenschappers die zich bezighouden met het bestuderen van extreemrechts en de politieke opvattingen die deze stroming uitdraagt, treffen we een globale overeenstemming aan dat het bij deze opvattingen, afgezien van verschillen in gradaties en accenten, in ieder geval gaat om de volgende gemeenschappelijke ideologische kenmerken: •
Een directe of indirecte weerstand tegen de erkenning van het principe van fundamentele gelijkheid van mensen zoals neergelegd in mensenrechtenverdragen.
•
Een positieve oriëntatie op het ‘eigene’ gaat samen met een negatieve oriëntatie op wat als ‘vreemd’ of ‘anders’ wordt gezien: nationalisme, etnocentrisme en racisme zijn sterk ontwikkeld.
•
Een directe of indirecte weerstand tegen het heersende politieke systeem van de parlementaire democratie en de constitutionele rechtsstaat. Tegenwoordig gaat het vaker niet zozeer om de instituties als zodanig maar om het feitelijke functioneren van regering, politieke partijen en andere instellingen zoals de rechterlijke macht. Dit wordt vaak gekoppeld aan een populistische claim zelf het ‘gewone volk’ te vertegenwoordigen.
•
De neiging een sterk hiërarchische organisatievorm te gebruiken die wordt gedomineerd door een autoritaire leider. 177
Voor de naoorlogse periode wordt wat organisatieverbanden betreft wel een onderscheid gemaakt tussen de klassieke, vaak neonazistische partijen en groeperingen en de postindustriële formaties die zich vanaf het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelden. De laatste uiten zich in het algemeen gematigder dan de eerste en keren zich niet principieel tegen de democratische rechtsorde. Zij maken meestal zelfs deel uit van het systeem. Tegelijkertijd proberen zij dit systeem 176