1. RVNTASM_Verkenningsrapport_Met de kracht van de voorouders 20210430.pdf
Tekst van het document
Bij nieuwe bronnen van kennis (en items voor het museum) moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de talen die in creoliseringsprocessen zijn ontstaan in Suriname en in drie van de zes Nederlands-Caribische eilanden. Die talen zijn op zich al een culturele expressie van enorm belang en interessant om te tonen hoe en uit welke brontalen ze zijn ontstaan, maar ook dat wat met die taal werd gedaan biedt een geweldig rijke bron. In die specifieke talen zijn verhalen gemaakt en verteld, geschiedenissen en culturen doorgegeven, werd spiritualiteit verwoord en gecommuniceerd, werd de liefde verklaard en werden kinderen opgevoed. Kortom, het hele leven zit in taal en omgekeerd. Maar taal is ook vormgegeven filosofie, wereldbeeld, denkwijze en redeneerstijl in de vorm van liederen, gebeden en spreekwoorden en gezegdes, zoals de Surinaamse odo of de Antilliaanse dícho en proverbio. Ook muziek(cultuur) en dans(cultuur) zijn belangrijke bronnen om het leven in de diaspora te tonen en vertellen en dat geldt evenzeer voor eetcultuur, familiecultuur en dorps(plantage)cultuur, waar de grootfamilie en de gedeelde ervaring voor verbinding zorgde. Maar ook in meer materiële cultuuraspecten als kleding, haardracht, esthetiek, bouwkunde, tuinbouw, kleine veeteelt en handel, allemaal vormen ze deel van het verhaal en kunnen ze in beeld worden gebracht.
Overigens moet met de nieuwe bronnen net zo goed als met de oude zeer kritisch worden omgegaan. Orale verhalen zijn soms in de loop der tijd bijgesteld en kunnen vanuit een bepaald belang zijn bewaard; is het wel het hele verhaal; hoe moet een lied vanuit de beleving van een achttiende-eeuwer worden geïnterpreteerd; wat betekent vrijheid bijvoorbeeld vanuit een perspectief van genderverhoudingen; waarvoor staan specifieke 35
Wat niet wil zeggen dat iemands huidskleur per definitie overeenkomt met zijn of haar standpunt en analyse, zie noot 29. 36 Naar Guyana, Pernambuco en Nieuw Nederland in relatie tot de slavernij is (nog) niet veel onderzoek gedaan. 37 Vernieuwend werk is wat dat betreft geleverd door onder meer Helman, Lamur, Siwpersad, Hira, Oostindie, Dragtenstein, Van Stipriaan, Beeldsnijder, Fatah-Black, Neslo, Willemse, Price, De Groot, Hoogbergen, Thoden van Velzen, Jagdew over Surinaamse slavernij en marronage; Allen, Paula, Antoin, Alofs, Rupert en Jordaan over de Antilliaanse eilanden, Kars over Guyana, Postma over de slavenhandel en Blakeley over Nederland. En er zijn nog veel meer namen te noemen als bijvoorbeeld ook de meer traditionele geschiedbeoefenaars erbij worden genomen.
45
CONCEPT
dansen of performances et cetera. Ook zal de eenentwintigste-eeuwer zich zeer bewust moeten zijn dat zwarte ogen van nu anders kijken en andere dingen zien dan die van de voorouders een, twee, drie, of vier eeuwen geleden. Dat laatste is dan ook een van de redenen om het verhaal dat het museum toont te laten beginnen in de vragen van het hier en nu. Beelden van de slavernij Om het verhaal dat het museum voor ogen staat te kunnen tonen en vertellen moeten niet alleen nieuwe bronnen worden aangeboord, maar ook nieuwe beelden worden gemaakt. De bestaande beelden tonen óf een vreedzaam plantagebestaan, waarin de Zwarte mens meestal een decorstukje is of hooguit een vrolijk dansend mens, óf ze tonen de Zwarte mens die gestraft wordt met de meest gewelddadige middelen, óf de Zwarte mens is de bijna onzichtbare, klein afgebeelde bediende van de prominente witte mens. En op een hoge uitzondering na is die Zwarte mens anoniem en eigenlijk meer een type dan een mens met een eigen identiteit en een eigen leven. Door al die oude beelden opnieuw te gebruiken, zelfs in een kritische context, kan er nooit een echt nieuw en eigen verhaal worden verteld. Daarom moeten er nieuwe beelden worden gecreëerd. Met hedendaagse museale en artistieke technieken is er heel veel mogelijk.
Vraag hedendaagse kunstenaars portretten te maken van bekende en onbekende mensen uit de AfroNederlandse geschiedenis, zoals bijvoorbeeld Iris Kensmil en Patricia Kaersenhout daarmee al bezig zijn geweest; maak pepper ghosts, hologrammen of interactieve films van strijdende marrons, of van een bezoek aan een sanadó/trahadó38; zet een spiritueel altaar van de kunstenaar Tirzo Martha neer; laat acteurs verhalen vertellen uit de orale traditie; laat Anton de Kom een toespraak houden; ontwerp een gespreksapparaat waarbij de gebruikers elkaar eerst allen klanken horen uitslaan en langzaam worden het begrijpelijke woorden uit verschillende talen, tot het een verstaanbare samengestelde zin wordt; stel een mooi oud instrument op onder geluidsdouches met diverse muzikale motieven die het begin zijn van een muziekroute door het museum; creëer een vergaderplaats in het midden van het museum waar bezoekers moeten overleggen over een beslissing en naar gelang hun individuele of collectieve besluit volgens ze een specifieke route. (Zie voor nog uitgebreide voorbeeldbeschrijvingen Bijlage 1, Voorbeelden van museale toepassingen) Kortom, alles is mogelijk, veel is interactief en bevragend en het is nog nooit zo getoond. De beelden die worden gecreëerd zullen deels fysiek en esthetisch zijn, deels in het hoofd van de bezoekers ontstaan en in ieder geval niet gauw meer verdwijnen.
Virginia, door Vanessa Paulina, 2005.
38
Afro-Curaçaose spirituele healer en natuurgenezer.
46
CONCEPT
Lijnen en paden door het verhaal Zoals gezegd wordt de bezoeker op heel verschillende manieren een gelaagd en verhaal gepresenteerd. Tegelijk moet voor iedereen duidelijk zijn in welke context het verhaal zich afspeelt. In de eerste plaats gebeurt dat aan de hand van het steeds terugkerende verhaalthema ‘Ondertussen in Nederland’ waar de grotere, meer systemische achtergrond van het verhaal wordt getoond, zoals debatten en politieke en economische ontwikkelingen, die de levens van de Afrikanen in diaspora beïnvloedden. In de tweede plaats loopt door het hele museum een tijdlijn met relevante data, feiten en cijfers, niet alleen van het Nederlandse verhaal, maar ook van mondiale ontwikkelingen. Wellicht kan daar bij cruciale momenten of onderwerpen een (digitaal) luikje worden gemaakt waarachter nog meert informatie te vinden is. Een ander deel van de gelaagdheid van het verhaal is dat de bezoeker de gelegenheid wordt geboden ook eigen paden te kiezen door het museum. Zo kan er een familie & kinderpad worden gevolgd, in en buiten het museum, waar met name die verhalen en items worden gepresenteerd (en vragen gesteld) die in familieverband interessant en uitdagend zijn om met elkaar te beleven. Kunstliefhebbers wordt uitgelegd hoe ze een route kunnen lopen waar ze vooral kunst kunnen beleven en hetzelfde geldt voor muziekliefhebbers.
Dat betekent dat deze en wellicht nog andere thematische aspecten op ruimtelijk en verhaal-technisch logische plekken in en om het museum moeten zijn gesitueerd. Met welk gevoel komt de bezoeker thuis? De bezoeker komt thuis met het gevoel iets bijzonders te hebben meegemaakt. De inspiratie die uitgaat van de onbreekbare kracht van mensen, tegen alle verdrukking in; een overweldigende zintuiglijke ervaring, visueel, auditief en tactiel; en de leerervaring van met andere ogen naar de Nederlandse geschiedenis en huidige samenleving te kijken, en/of die voor het eerst in een andere samenhang te zien.
47
CONCEPT
6 Hoe is het verhaal opgebouwd? -
Tijdvakken, processen en thema’s Een voorbeeld: De diaspora bevrijdt zich
Het verhaal begint in het hier en nu. Bekende Nederlanders, met een meerderheid aan AfroNederlanders, stelt een aantal indringende vragen hoe het toch komt dat ... Die vragen verwijzen naar de geschiedenis. Het verhaalt eindigt ook in het hier en nu waar dezelfde Bekende Nederlanders de balans opmaken over de antwoorden die ze hebben gevonden. De geschiedenis begint in Afrika voor de Europese slavenhandel en bevindt zich aan het eind in Nederland. Daartussen zitten zo’n vier eeuwen waarvan de hoofdlocaties van het verhaal de Nederlands-Caribische eilanden, Suriname en Nederland zijn, met een belangrijke locatiebijrol voor West- en West-Centraal Afrika. Tussendoor worden ook andere gebieden aangestipt. Het zal de kunst zijn om er geen Afro-Surinaams verhaal van te maken, aangezien daarover het meeste onderzoek en materiaal bestaat. Ook zal het de kunst zijn om evenveel aandacht aan vrouwen als aan mannen te geven, want de mannen zijn vaak prominenter in de verhalen aanwezig dan de vrouwen. Steeds zal het museum de balans op moeten maken of de diversiteit en inclusiviteit gewaarborgd zijn in dat opzicht. Het diasporaverhaal bestaat uit een intersectie van een aantal tijdvakken, een aantal processen, een aantal thema’s en een aantal locaties Tijdvakken Afrika aan het begin van de Europese mensenhandel (ca.
1450 – 1600) Invasie in de Amerika’s (17e eeuw) Strijd en worteling (18e eeuw) Van Tula tot Afschaffing (19e eeuw) Strijd om identiteit (ca. 1875 - 1950) Omgaan met doorwerkingen en erfenissen (ca. 1950 - heden) De processen Strijd & Overleven (van marronage tot Kick Out Zwarte Piet) Creolisering & Cultuurvorming (van Afrikaanse diversiteit, naar Afro-Caribische eigenheid, naar Afro-Nederlandse diversiteit en eenheid) Gemeenschaps- & Identiteitsvorming (van Afrikaanse individuen naar, Afro-Caribische families en (dorps)gemeenschappen, naar bevolkingsgroepen en wereldburgers) Ontwikkeling van de internationale context (van Toussaint l’Ouverture, Marcus Garvey, Malcolm X en jazz, tot Obama, Beyoncé en Black Lives Matter) De thema’s Cultuur, Kennis en Kunde (van funchi koken en compositieleer tot professor en topvoetballer) Familie en Gemeenschap (van groot oma en grootfamilie tot brada en sua) 48
CONCEPT
Spiritualiteit en Religie (van winti, obeah en montamentu tot Afro-christendom) Erfenissen en Doorwerkingen (van culturele rijkdom tot colorisme en racisme) Transnationale relaties (van gekoloniseerde tot gesprekspartner en haat-liefde verhoudingen) Reparations (van strijd, dialoog en herstel tot heling en verzoening) Tijdvak en proces
Verzet & overleven Thema’s
Cultuur, Kennis en Kunde
Familie- & Gemeenschaps banden
Spiritualiteit en Religie
Intussen in Nederland
Afrika en het begin van de mensenhandel Ca. 1450-1600 Invasie in de Amerika’s CA. 1600-1700 Verzet en Worteling CA. 1700-1800 Van Tula tot Afschaffing CA 1800-1875 Strijd om de Identiteit CA. 1875 -1950 Omgaan met de erfenissen Ca. 1950- heden
In Bijlage 1 is de complete invulling van dit schema te vinden. Hierna wordt een eerste voorbeeldje van een deel met collectie gespresenteerd van het onderdeel ‘Afrika en het begin van de mensenhandel.’ Een voorbeeld: De diaspora begint Er werden oorlogen gevoerd in de landen die nu Congo en Angola heten, maar die toen uit een heel aantal verschillende koninkrijken bestond. Het grootste en machtigst was het koninkrijk Kongo dat op een gegeven moment de beide huidige Congo’s, en delen van Gabon en van Angola omvatte. Volgens orale overlevering stichtten Nimi a Nzima van Mpemba Kasi en Nsaku Lau van Mbata het koninkrijk aan het einde van de 14e eeuw volgens de Europese jaartelling. Eind 15e eeuw kwam er een nieuwe partij bij in het gebied, namelijk de Portugezen die af en aan de koningen van Kongo steunden of diens vijand waren. Hoe het zij er waren voortdurend oorlogen om de macht in het gebied. En in die oorlogen werden mensen gevangen genomen en aan mensenhandelaars verkocht. Die brachten ze naar de kust, waar ze werden gevangen gezet in goed bewaakte gebouwen van leem of op schepen die in de baaien voor dat doel waren vastgezet. Vanaf begin 17e eeuw verschenen ook Nederlandse schepen op het toneel. Koning Pedro II van Kongo sloot een verdrag met de WIC, net als zijn opvolger Garcia I (de koningen hadden zich christelijk laten dopen en Portugese namen aangenomen).
49
CONCEPT
Vrouwenfiguur, D.R. Congo, 19e eeuw en ‘koninklijke’ stoel uit Angola, begin 20e eeuw; beide collectie Wereldmuseum Rotterdam. Uitgezocht moet worden bij dit soort collectie of die wel gebruikt kan worden i.v.m. roofkunst.
Mbanza Kongo, hoofdstad van het koninkrijk Kongo. Dapper, 1668 Met Nederlandse schepen zijn hiervandaan zo’n 200.000 slaafgemaakte mensen de Atlantische Oceaan over vervoerd. Het totaal aantal gevangenen was veel meer, want tussen het moment van gevangenneming en de aankomst op de kust lag al een wekenlange, uitputtende voettocht waarin velen waren gestorven. Voor het eerst zien ze de zee, even, 50
CONCEPT
voordat ze worden opgesloten. Na lange tijd wachten worden ze in een enorm schip geladen. Aan de voorkant rijst een godenbeeld uit het water op, meer is niet te zien voordat de mensen afdalen in de donkere buik van het drijvende gevaarte. Alles kraakt en piept en maakt angstwekkende geluiden. Er klinkt een enorme knal, het is duidelijk dat het schip is vertrokken, na enige dagen klinkt er opnieuw zo’n knal en stopt het schip weer. Er komen nieuwe mensen bij. En zo gaat het door, tot er meer mensen lijken te zijn opgepropt dan ooit in ieders geboortedorp woonden. Toen het schip, waarvan nu bekend is dat het uit Rotterdam kwam en de Coninck Salomon heette eenmaal op zee was en duidelijk werd dat er geen mogelijkheid was ooit nog naar huis terug te keren, werd de wanhoop groot. Maar ook de kracht om iets aan de situatie te doen. Er vieltoch niets meer te verliezen. Een aantal van de mannen stak de koppen bij elkaar en zwoer in het duister van het schip een eed, dat ze in opstand zouden komen en het schip met zijn roze mannen overmeesteren. Met veel geduld, een hoop spierkracht en kleine opgepikte materialen lukte het een paar mannen hun voetboeien te breken, of in ieder geval zo krom te trekken dat ze hun voeten eruit konden halen. Ze hadden zelfs wapens. Drie messen hadden ze tijdens het luchten aan dek achterover weten te drukken en acht vijf duims spijkers (ca.
12 centimeter lang) waarvan ze de punten in de loop van de tijd hadden aangescherpt. Verder beschikten ze over enkele handspaken (soort houten hefbomen) en houten knotsen die ze achterover hadden gedrukt toen ze voor de kok hout naar de kombuis moesten sjouwen. Ze hadden ook een leider, bomba Swaen werd hij genoemd. Hij kende de roze mensen goed, want ooit was hij een dienaar geweest van hun koning in een plaats met de naam Elmina. Alleen had hij iets gedaan dat hem niet beviel, waarna hij was gestraft met het afsnijden van beide oren en was net als zij aan een schip verkocht. Hij zei dat ze in opstand moesten komen, omdat ze naar een plaats zouden varen waar ze als koeien en schapen zouden worden geslacht en opgegeten door de bevolking.39 Hoe het kwam is onduidelijk, maar opeens verschenen de roze mannen, zwaar bewapend en namen in ieder geval acht van degenen die de eed hadden gezworen vast, waaronder bomba Swaen. Ze wisten van de plannen. Iemand moet het hebben verraden, want hoe konden ze het anders weten? Bomba Swaen werd opgehangen, de andere zeven zaten in ieder geval nog tien dagen geketend en vastgespijkerd bovenop de hut van de kapitein, in de zon, weer en wind. Van in ieder geval een op de vijf Nederlandse slavenschepen is bekend dat er sprake is geweest van aanzetten of daadwerkelijke pogingen tot oproer en verzet.
Het meest bekend is misschien de opstand op de Neptunus, in 1785 voor de rede van het Nederlandse fort Nassau in hedendaags Ghana. Het lag er klaar met rond 200 slaafgemaakte mensen in het ruim, om over te steken naar Suriname, maar zo ver is het nooit gekomen. Een aantal van de mannen in het ruim weet zich van hun boeien te bevrijden, klimt aan dek en valt de bemanning aan, waarvan een groot deel op dat moment aan land is, inclusief hun baas. Eerst worden ze nog teruggedrongen, maar nadat ze een aantal tussenschotten hebben afgebroken bereiken ze de kruit en wapenkamer en verdrijven de achtergebleven roze mannen, die in paniek overboord springen. Iedereen wordt bevrijd en de kabels waarmee het schip vastligt aan zijn ankers worden doorgekapt. Het schip echt besturen om weg te komen blijkt echter onmogelijk en ze 39
Dragtenstein, Van Elmina naar Paramaribo, 139-142.
51
CONCEPT
worden omringd door andere schepen. Of het een ongeluk is geweest of een bewuste daad is onduidelijk, maar in ieder geval steekt iemand de kruitvaten in brand, waardoor het schip met iedereen aan boord en nog zo’n 200 mensen in de omgeving de dood vinden. Liever dood dan slaafgemaakt.40
Coll. Rijksmuseum Die mensenhandel, maar ook de strijd ertegen gaat meer dan twee eeuwen zo door. In 1754 voer er weer zo’n schip voor de kusten van Congo-Angola. Een jongeman en twee vrouwen waren de eersten die in het donker ruim moesten afdalen. Viereneenhalve maand later werden de laatste vijf mannen naar beneden gejaagd en begon het schip aan een twee maanden lange reis, alleen omringd door zee. Ze waren met een paar honderd mensen, de mannen en jongens veruit in de meerderheid, maar wel gescheiden van de vrouwen en meisjes. Het was soms moeilijk elkaar te begrijpen, want er werden veel verschillende dialecten en talen gesproken. Maar ze hadden allemaal dezelfde ervaring doorgemaakt. Ze waren geroofd of gevangen genomen, hadden hun familie en hun dorpsgemeenschap verloren, hadden de barre tocht naar de kust overleefd en kwamen daar in handen van een man die zich gedroeg als een koning en dat misschien ook wel was. Er deden namen de ronde als Montewa, Malimba, Jinjimbi, tata Monebansa, Majenje. Machtige mannen die hen gevangen hielden. Opeens verschenen er ook andere wezens van een vreemde roze kleur die eruitzagen als mensen, maar er totaal anders uitzagen en volkomen onduidelijke klanken uitstootten. De koninklijke handelaar begon met hen te praten via iemand die vertaalde.
Een voor een moesten ze voor hen verschijnen, werd er aan alle ledematen getrokken, in de mond gekeken en moest er gehuppeld worden. Dit leek wel de beestenmarkt die ook thuis soms werd gehouden. Het loven en bieden was begonnen en een voor een werden de meesten naar die roze wezens geduwd, bij wie ze moeten blijven. Door hen kregen ze een roodgloeiende stok in hun borst gedrukt waardoor er vreemde tekens achterbleven die nooit meer helemaal zouden verdwijnen. Een onpeilbare angst is in ieders ogen te zien. Ze
40
Paesie, Slavenopstand op de Neptunus (2016).
52
CONCEPT
krijgen gelukkig iets te drinken, maar daar moeten ze allemaal van braken. Zijn ze vergiftigd? Worden ze nu misschien geslacht?
Stalen textiel van een Nederlands slavenschip eind 18e eeuw. De linker zijn aangevoerd door de VOC, de rechter werden ook meegenomen naar de Amerika’s en deel van de AfroCaribische kleding, zoals de kamisa, lendendoek voor mannen, hieronder met erop geborduurde symbolen, in dit geval met betrekking tot de liefde, eind 19e eeuw (collecties Nat. Archief en NMVW)
Ze worden het ruim van het schip in gedwongen en na verloop van tijd houden de korte stops onderweg op en begint een schijnbaar eeuwig durende reis. Als de zee het toelaat moeten ze helpen het schip schoonmaken, maar toch blijft het stinken door alle soorten vocht en uitwerpselen die een mens uit zijn lichaam afscheidt. Ze zeggen dat je angst kunt ruiken, angstzweet stinkt. Een op iedere zeven mensen overleeft de reis niet Twee keer per dag krijgen ze eten, in groepjes om beurt aan dek. Daar moeten ze dansen, wat best lastig is als je de hele dag bent opgepropt in ruimtes waarin je net rechtop kunt zitten en de mannen aan een rail zijn vastgeketend. Soms vinden ze kleine afgedankte stukjes stof, waarmee aan elkaar gezette lapjes of figuurtjes worden gemaakt. Veel meer nog 53
CONCEPT
doen ze elkaars haar. Als het lukt om iets te bemachtigen dat een beetje scherp is snijden ze figuren in elkaars haar, het lijken soms verhalen.
Zo goed en zo kwaad gaan ze met elkaar praten, verhalen en ervaringen uitwisselen, er ontstaat een eigen communicatietaal. Er ontstaan vriendschappen, liefdes zelfs, maar dat kan ruw verstoord worden door de genadeloze roze mannen die regelmatig in het ruim op bezoek komen en er vrouwen uitpikken die ze tot seks dwingen. Tegelijk groeien er diepgaande onderlinge banden. Omdat vrijwel niemand verwanten aan boord heeft, wordt dit de nieuwe familie. Dat blijkt ook, want mensen die samen op hetzelfde schip hadden gezeten en eenmaal in de Amerika’s door dezelfde eigenaar werden gekocht, dus bij elkaar bleven, beschouwden elkaar als bloedverwanten. In Suriname werd dat sibi of sipi genoemd. Later werd dat een term waarmee mensen elkaar aanduidden die een overeenkomstige traumatische gebeurtenis hadden ondergaan en daardoor een extra band voelen.
‘Salt of the Soul’, Patricia Kaersenhout, 2016. Naar aanleiding van de orale overlevering dat wie geen zout at terug zou vliegen naar Afrika. 54
CONCEPT
Ultimate resistance, Remy Jungerman, 2014; hout textiel en kaolien ( pemba doti)
55
CONCEPT
7 Hoe werkt collectie voor dat verhaal? -
Nieuwe collectie Een voorbeeld Inventarisatie Depot Resumerend
In deze verkenning is steeds sprake van een museum. In tegenstelling tot een expositiegebouw of galerie heeft een museum vrijwel altijd een eigen collectie, van waaruit de instelling is ontstaan en die het een eigen identiteit geeft. In musea staat dan ook die collectie centraal met bruiklenen en wisseltentoonstellingen van elders. Die collecties zijn altijd materieel van aard geweest. Het is pas van de laatste decennia dat de verhalen en betekenisgeving bij en van die objecten, of het nu kunst is of artefacten, bewust een steeds grotere waarde wordt toegekend. Bovendien blijken die in de loop van de tijd te kunnen veranderen, al naar gelang de samenleving en de historische en sociale wetenschappen veranderen. Met hetzelfde object worden in de loop der tijd andere verhalen verteld. Gelukkig. Het opmerkelijke is natuurlijk ook dat musea die eerst begonnen met een collectie die iets zei over hun eigen tijd, uiteindelijk vooral historische musea zijn geworden om die eigen tijd steeds verder terug ligt en het weinig musea is gelukt lukt om zodanig contemporain te blijven verzamelen dat het museum steeds bij de tijd is. Mede daardoor blijven collecties, ondanks veranderende betekenisgeving en nieuw verzamelbeleid, toch in belangrijke mate gebonden aan de tijd waar ze vandaan komen. In het geval van de Afrikaanse diaspora is dat dus de koloniale tijd.
Nieuwe collectie Het is bij ieder object mogelijk om te stellen dat er ook gekeken moet worden naar wat het NIET vertelt, of wat er NIET op staat. Dat gebeurt gelukkig ook in toenemende mate om ruimte aan andere perspectieven en verhalen te geven. Maar dan nog zal er heel veel niet aan bod komen omdat dat ‘haakje’ in bestaande collecties nu eenmaal niet aanwezig is. En zoals eerder gezegd in het verhaal van de Afrikaanse diaspora en zeker in het slavernij-deel daarvan is er weinig materiële cultuur behouden gebleven en is immateriële cultuur veel belangrijker. Om dat toch te kunnen presenteren zijn er dus nieuwe ‘haakjes’ nodig, die het museum zelf zal moeten maken, evenals de bijbehorende museale infrastructuur en techniek. Een voorbeeld. De Afrikanen die werden gedwongen in diaspora te gaan konden niets meenemen. Een enkeling had misschien nog een stukje textiel van thuis aan het lichaam en een nog grotere enkeling had soms wat zaden van thuis in het haar en dat was het. Maar hun hoofd zat vol met taal, met kennis, met liederen, met omgangsvormen en levensvisies, hun hart zat vol met emoties, met spiritualiteit en met creativiteit en hun lichaam was gevuld met motoriek, ritme, dans, vaardigheden, seksualiteit, om nog maar te zwijgen van hun DNA dat de sporen van lange migraties én aanpassing aan de omgeving in zich droeg.
Dat alles hadden ze wel meegenomen over de Atlantische Oceaan. En daar aangekomen ontwikkelde zich dat in creoliseringsprocessen tot nieuwe cultuur. Maar omdat slaafgemaakten in feite geen bezit mochten hebben –zij waren zélf bezit en voor de Nederlandse koloniale wet geen mensen 56
CONCEPT
maar roerende goederen– hebben de nieuwe culturen die daar ontstonden ook weinig materieel erfgoed nagelaten. En ook de doorwerkingen en erfenissen van dat verleden in het heden zijn voornamelijk immaterieel van aard. Het slavernijmuseum zal dus hoe dan ook een ander museum worden dan andere. De vraag is of het dan wel een eigen, zij het andersoortige, collectie moet opbouwen. En als het museum dat doet, hoe voorkomt het dat met name die immateriële kant, maar ook de materiële kant, heel abstract blijft en voor een buitenstaander moeilijk mee te identificeren. Het antwoord luidt: steek niet teveel energie en geld in het opbouwen van een substantiële, eigen collectie in de traditionele zin van het woord. Maak een kerncollectie van items die mensen in de Afrikaanse diaspora willen afstaan (participatief en grass roots verzamelen41) of mede-beheren in de vorm van co-collectie.42 Daardoor worden de eigenaren van deze items tegelijk stakeholder in- en ambassadeur van het museum. Dat kan gaan om heel bijzondere items, wellicht nog uit de tijd van de slavernij, maar net zo goed familiefoto-albums van Bonaire uit de jaren 1940, of van de migratie van Suriname naar Nederland, of acties in Amsterdam Zuidoost in de jaren 1980. Maak daarnaast heel veel digitale collectie van alle aspecten van immateriële cultuur (muziek, dans, vertellers, dichters, theater etc.).
Maak boeiende replica’s van objecten die niet te krijgen of te bruiklenen zijn en zet vooral veel kunstenaars aan het werk om vorm te geven aan al die verhalen en elementen van immateriële cultuur waarvan geen object is om er iets van te tonen.
Links installatie getiteld Reconnecting Africa, die de Surinaamse kunstenaar van marronafkomst Marcel Pinas in 2006 op verzoek van Alex van Stipriaan maakte voor het 41
Zie Bijlage 2, Rapport Collectievorming, p.11. Idem p. 15. Co-collectie kan betekenen dat een item wordt beschreven en geregistreerd als onderdeel van de museumcollectie, maar in beheer blijft van de eigenaar, of gemeenschap. 42
57
CONCEPT
Tropenmuseum. Het is een mix van authentieke West-Afrikaanse en marronobjecten en eigen design en objecten. Rechts: ‘Spirit of the Caribbean, 2007, van de Afro-Curaçaose kunstenaar Tirzo Martha. Laat tegelijk de abstractie niet de overhand nemen, maar kies voor een biografische invalshoek. Immateriële en materiële cultuur die wordt opgehangen aan concrete mensen en hun individuele verhalen en levensstijlen. Deze almaar groeiende collectie vertelt met elkaar een veel groter verhaal, dat tegelijkertijd heel zichtbaar blijft. Bovendien veroudert het nooit omdat er steeds weer verhalen en persoonlijke perspectieven bijkomen. Tegelijk betekent het verzamelen en presenteren vanuit zwarte perspectieven, dat dit zoveel mogelijk gebeurt vanuit het criterium: door zwarte handen gemaakt of gebruikt. Dan nog moet daar creatief mee worden omgegaan om een dynamische presentatie te kunnen samenstellen. Een voorbeeld Het museum zou zijn uiterste best kunnen doen om het iconische schilderij Slavendans van Dirk Valkenburg uit 1707 over te nemen van het Staatsmuseum in Kopenhagen. Het heeft in Nederland of in Suriname nu eenmaal veel meer betekenis dan daar, want het is een van de weinige naar de werkelijkheid gemaakte afbeeldingen van slaafgemaakten op een goed gedocumenteerde Surinaamse plantage, waarvan bovendien een aantal later marron is geworden.
Mensen dus die echt hebben geleefd en niet karikaturaal zijn afgebeeld. Het hing dan ook in bruikleen op de Grote Suriname tentoonstelling 2019-2020 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Het is een uniek schilderij, maar het is de vraag hoeveel mensen dat beseft zullen hebben. In de media heeft het in ieder geval weinig aandacht gehad en er stonden nooit drommen mensen omheen, zoals meestal bij iconische werken. Het sprong er met zijn 30x40 centimeter in een vitrine met veel andere objecten, waarvan een deel door zwarte handen gemaakt (!), dan ook niet erg uit. Het ligt niet voor de hand dat het Deense Staatsmuseum het voor lange tijd of zelfs permanent zal afstaan. Maar hoe zou dit beeld werken als voor het moderne Slavernij & Diasporamuseum een enorme blow up van dit schilderij zou worden gemaakt van 58
CONCEPT
bijvoorbeeld 6 x 8 meter. En dat de personen daarop afgebeeld ook individueel door het museum heen te zien zijn, met een verhaal (van sommigen op het schilderij is meer bekend), omhangen met antiek marrontextiel; symbool voor liefde en emotie (het kussende stel), uiting van expressie vergezeld door een drum en hoorbare muziek (de drummer); een verhaal over man-vrouw en opvoeding (het kind) omlijst door een liedje; als individuen opgenomen in een werk van een hedendaagse kunstenaar, tot leven gebracht in een animatiefim enz. enz. Het schilderij is weliswaar niet door Zwarte handen gemaakt, maar wat er in het museum mee wordt gedaan absoluut wel: Van een tamelijk abstracte groep worden het individuele mensen met een verhaal, met een cultuur, met emoties en expressie.
Inventarisatie Zodra definitief het besluit voor de bouw van dit museum genomen is moet er een zeer grondige inventarisatie plaatsvinden van relevante objecten in Nederlandse en niet te vergeten buitenlandse collecties. Bij het laatste ligt het voor de hand te denken aan met name Suriname en de Nederlandse Cariben, maar ook bijvoorbeeld Guyana, Brazilië en een aantal Afrikaanse landen. Daarbij loert altijd het gevaar van neo-koloniale verhoudingen. Het kan niet zo zijn dat er later weer over repatriëring moet worden gesproken, of dat in de betrokken landen zelf een museum of expositie moet worden ingericht en een aantal objecten zit vast in het museum in Nederland. Het devies zou dus moeten zijn eventueel ook in de voormalige koloniën te 59
CONCEPT
verzamelen, maar heel terughoudend en met eerlijke en respectvolle afspraken. Maar daarnaast zijn er ook andere buitenlanden waar collectie in relatie tot de Nederlands Afrikaanse diaspora is te vinden zoals het Deense voorbeeld al aantoonde, waaronder Duitsland, Frankrijk en de VS. Dat moet goed in kaart worden gebracht en vervolgens de mogelijkheden tot langdurige of semi-permanente bruikleen worden onderzocht. De eerste aanzet daartoe is te vinden in Bijlage 2, Rapport Collectievorming p. 18-35. Depot Ook al zal het museum zich beperken tot een kleine kerncollectie, dan nog moet er depotruimte zijn, om dat al of niet tijdelijk te kunnen bewaren als het niet staat opgesteld en eveneens voor tijdelijk onderdak van bruiklenen. Het prettigst is om dat bij de hand te hebben in een klein eigen depot. Ook is dat soms een eis van andere instellingen om een object in bruikleen te geven. Als er bovendien sacrale voorwerpen ondergebracht moeten worden, verdienen die ook een aparte behandeling die in een groot, gedeeld depot waarschijnlijk niet voorhanden is. Het goedkoopst is het echter om het onder te brengen bij een bestaand museumdepot zoals het nieuw te bouwen depot van het NMVW, waarvan al met zoveel woorden is gezegd dat het Slavernijmuseum daar ook welkom is. Resumerend.
Het verdient aanbeveling om hooguit een kleine eigen kerncollectie aan te leggen en de rest te bruiklenen en te laten maken, met veel gebruik van kunstenaars. Dat betekent ook dat er liefst wel een kleine eigen collectiedepot moet komen voor zaken die liever niet elders ondergebracht mogen worden, maar voor het overige gebruik te maken van bestaande depots. Belangrijk inzicht is dat het verzamelen van relaties waarschijnlijk belangrijker is dan het verzamelen van objecten. Met de relaties komen de objecten er ook. Verder dient er zo snel mogelijk een liefst uitputtende inventarisatie te komen van relevante collectie in binnen- en buitenland. Het begin is al gemaakt in Bijlage 2, Rapport Collectievorming Ook voor collectie-beleid en beheer zal een doortimmerd collectieplan gemaakt moeten worden waarvoor eveneens de eerste aanzet is geleverd in Bijlage 2.
60
CONCEPT
8 Wie zijn de partners en programmering van het verhaal? -
Individuele partners Afro-gemeenschappen Onderwijs Programma
Het museum heeft een aantal natuurlijke partners. De eerste zijn de Afro-gemeenschappen in Nederland en in het Caribisch gebied, omdat zij de dragers zijn van de culturen en de verhalen die de bestaansreden van dit museum vormen. De tweede is het onderwijs in Nederland dat veel steun behoeft in het vertellen van het verhaal. Sommigen kunnen niet wachten op die steun, anderen staan er wat afstandelijk tegenover, maar iedere docent geschiedenis en maatschappijleer heeft te maken met de canon die als uitgangspunt dient voor het onderwijs en waarin slavernij en de multiculturele samenleving (‘Veelkleurig Nederland’) als onderdelen zijn vastgelegd.43 Daarnaast is natuurlijk het algemene publiek een heel belangrijke partner of stakeholder, maar veel diffuser dan de eerste twee. Uit de twee eerste groepen, Afro-gemeenschappen en Onderwijs, is intensief gesproken met sleutelfiguren in verschillende geledingen. Een groot aantal praktische aanbevelingen is te vinden in Bijlage 3, Draagvlak en Dialoog, p. 18-21) Als netwerkmuseum (zie hoofdstuk 6) kent het museum een groot aantal institutionele partners met wie het in zeer verschillende gradaties van partnerschap samenwerkt, van heel losjes in de Nederlandse Museumvereniging tot heel intensief met de musea met wie het zakelijk-organisatorische en inhoudelijke allianties is aangegaan.
Ook is het een netwerkmuseum door met specifieke maatschappelijke velden een extra band aan te gaan, zoals hieronder aan bod komt. En ten slotte heeft het museum ook individuele partners.
Individuele partners Individuele partners zijn natuurlijk te vinden in de Raad van Toezicht en een eventuele Wetenschappelijk Raad. Maar zeker zo belangrijk zijn de Bekende Nederlanders of influencers die zich aan het museum willen binden. Logischerwijs behoort de meerderheid van hen tot de Afrikaanse diaspora, maar er zullen ook witte Nederlanders deel van zijn. Via hen voelt ieder van de Afro-gemeenschappen zich in het museum vertegenwoordigd en ziet de samenleving als geheel dat ook witte (Bekende) Nederlanders het Diasporaverhaal in hun hart gesloten hebben. Samen vertegenwoordigen zij verschillende maatschappelijke lagen en disciplines en worden de ambassadeurs en een beetje het gezicht van het museum. Om die verbondenheid duurzaam vorm te geven worden hun beeltenissen en quotes ook in het museum gebruikt. Bij evenementen wordt ervoor gezorgd dat er regelmatig minstens een van hen aanwezig is. 43
In 2010 is de Canon van Nederland opgenomen in de kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. De kerndoelen over de tien tijdvakken (voor het po kerndoel 52, en voor de onderbouw van het vo kerndoel 37) zijn aangevuld met de zin: "De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken." Scholen kunnen eigen accenten leggen: in de toelichting op het kerndoelenbesluit is aangegeven dat scholen niet elk individueel venster hoeven te behandelen in het onderwijs. De commissie-Kennedy heeft in 2020 geadviseerd om de Canon op te nemen in de toekomstige kerndoelen als onderdeel van het historisch referentiekader. Ook heeft zij geadviseerd de hoofdlijnen in te zetten bij de verdere uitwerking van de leergebieden Mens & Maatschappij en Burgerschap in het kader van de herziening van het onderwijsprogramma. [https://www.canonvannederland.nl/nl/faq]
61
CONCEPT
Afro-gemeenschappen Het museum is een centrum over, voor en van de Afrikaanse diaspora in Nederland. Buiten de grens is het zonder twijfel ook belangrijk voor bevolkingsgroepen in Suriname en de Nederlandse Cariben. Het initiatief voor dit museum is uit vertegenwoordigers van de Afro-gemeenschappen voortgekomen en dus vormen zij de belangrijkste stakeholders en doelgroepen om voor en mee te werken. In iedere fase van de totstandkoming van het museum zullen zij zich dan ook substantieel vertegenwoordigd moeten weten en het gevoel hebben dat zij het proces (mee-)sturen. Zij worden dan ook actief betrokken in het proces van co-creatie dat meteen vanaf het groen licht voor het museum op gang komt. Dat betekent meehelpen collectie bijeen te krijgen door participatief en grass roots verzamelen (zie hoofdstuk 7), meedenken over de inrichting van het museum, de buitenruimte en het verhaal en mede samenstellen van het programma. In het museum staan zwarte perspectieven centraal en de gemeenschappen denken mee wat dat dan concreet betekent. Zoals al eerder gezegd zal voor (velen van) hen het museum een plaats van emotie zijn en ook een enigszins sacrale betekenis hebben, zoals het nationaal slavernijmonument dat ook heeft. Daar geeft het museum dan ook letterlijk ruimte aan door daarvoor specifieke plekken met betrekking tot reflectie en spiritualiteit in te bouwen. Omdat familie c.q.
verwantschap zo’n belangrijke rol speelt in de Afrikaanse diasporacultuur, wil het museum ook echt een familiemuseum zijn. Het museum moet daarop ingericht zijn door een losse museumcultuur te hanteren (geen fluistercultuur!) en gemakkelijk contacten met andere bezoekers te stimuleren. En zeker ook om op momenten dat families samen op bezoek kunnen komen (weekends, schoolvakanties en speciale dagen als Keti Koti of Tuladag, ook familieprogramma’s aan te bieden. Daarnaast zal het museum ook niet echt een ‘vitrine’ museum moeten zijn, maar een interactief museum. Met name waar het de zo belangrijke immateriële betreft moeten in ieder geval Afro-bezoekers het gevoel hebben dat ze mee mogen doen (hardop reageren, meezingen, meebewegen enz.). Wellicht moet er zelfs een multifunctionele zaal bij het museum komen die kan worden afgehuurd voor feesten en andere bijeenkomsten, zoals voor de vele Afro-Surinaamse, Antilliaanse en Afrikaanse verenigingen die Nederland rijk is. Meer in het algemeen zou het zeer toe te juichen zijn als Afro-organisaties een eigen onderkomen zouden kunnen krijgen op het terrein van het museum, zoals Black Archives, Splika, Recogin of Radio Mart. Een groot aantal praktische aanbevelingen is te vinden in Bijlage 3, Draagvlak en Dialoog.
Onderwijs Het museum stelt zichzelf ten doel alle s holieren in ederland ti dens h n s hoolti d minstens één keer o be oek te hebben gehad, fysiek en als het niet anders kan in ieder geval digitaal. Daarvoor worden specifieke programma’s ontwikkeld. Hedendaags actief burgerschap vereist immers kennis van het trans-Atlantische slavernijverleden en de doorwerking daarvan. Het museum pleit ervoor dat scholen een begrotingspost voor burgerschap opnemen zodat een deel daarvan kan worden gebruikt om klassen jaarlijks gratis het museum te laten bezoeken en aan de activiteiten mee te kunnen doen. Vanuit de Werkplaats & Educatie-afdeling van het museum worden scholen dan ook actief benaderd. Ook worden docenten en leerlingen gevraagd deel te nemen aan het co-creatie programma van het museum, waarbij ze meedenken over de scholenprogramma’s, de exposities, de website en de programma’s van het museum. Een ideale samenwerkingspartner is het netwerk van 61 zogenaamde Unesco-scholen in Nederland, die in een speciaal 62
CONCEPT
programma aandacht besteden aan vier Unesco-thema’s: vrede en mensenrechten, intercultureel leren, duurzame ontwikkeling en wereldburgerschap.44 Daarnaast heeft Unesco al meer dan een kwart eeuw het Slave Route Project in huis en ondersteunt het Het Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst. De ervaring van de Unescoscholen op dit gebied en de springplankfunctie die zij naar het overige onderwijs kunnen vervullen voor het museum zijn van zeer groot belang. Het museum zal zeer pro-actief te werk gaan. De educatie-afdeling gebruikt de Museumwerkplaats om met name docenten die meer op afstand staan van het onderwerp, of zoals het tegenwoordig ook wordt omschreven, handelingsverlegen zijn, over de brug te helpen. Daarvoor worden aantrekkelijke, multimediale lespakketten, in co-creatie, geproduceerd, er wordt outreachend naar de scholen gewerkt door actief te tonen wat het museum te bieden heeft en hoe het de taak van de docenten kan helpen verlichten en er wordt intensief en structureel overleg gevoerd met de ontwikkelaars en uitgevers van schoolmethoden. Tegelijk zal het museum eraan moeten werken dat het idee ingang vindt dat de geschiedenis van de Afrikaanse diaspora verteld moet worden bij Geschiedenis en wellicht bij Burgerschap, maar dat het leren van inclusiviteit, van dékoloniaal denken en van een antiracistische houding álle schoolvakken en álle schoolboeken betreft.
De twee meest effectieve vormen van educatie die het museum hanteert, die buiten de klas misschien nog beter werken dan in de klas en die de docent kan helpen in zijn/haar verlegenheid of onwetendheid zijn: peer learning en intergenerationeel leren. Het laatste werkt heel goed in het museum, maar ook thuis. Centraal staat het gesprek dat de jongere aangaat met ouderen, zijn familie. In het museum leren ze samen en praten daarover aan de hand van wat ze zien en beleven. Via schoolbezoek aan het museum stimuleert het museumlesprogramma de jongeren om ouderen, hun familie, thuis/buiten school te vragen wat zij over dit onderwerp weten en vervolgens hun ervaringen en kennis hierover met de ouderen en v.v. te delen. Bij peer learning en peer education staat het aan elkaar leren centraal van jongeren uit dezelfde leeftijdsgroep. Ze werken samen aan een opdracht, doen onderzoek, wisselen uit en geven feed back op elkaars werk. Er wordt wel eens gezegd dat bij peer learning afkijken verplicht is, als je maar samen over de inhoud praat. Bij peer education worden jongeren ‘opgeleid’ om op hun eigen manier aan andere jongeren in interactie kennis over te dragen. Het museum zou zo ook een groep peer educators kunnen opleiden. Iets dergelijks gebeurt al in veel musea, met als bekendste voorbeeld waarschijnlijk de zogeheten Blik-openers van het Stedelijk Museum.
Een groot aantal praktische aanbevelingen ten aanzien van educatie en daarmee verwant de code culturele diversiteit is te vinden in Bijlage 3, Educatie en Onderwijs.
Programma Het museum heeft een huisprogramma en een extern programma. Het een en het ander lopen veelal vloeiend in elkaar over. Bovendien betekent dit dat het museum langere openingstijden zal hebben dan normaliter in musea. Het theatergedeelte zal vrijwel dagelijks 44
[https://www.unesco.nl/nl/dossier/unesco-scholennetwerk]
63
CONCEPT
geprogrammeerd staan met films, muziek- dans- en theatervoorstellingen, spoken word optredens, debat- en gespreksavonden, lezingen, kunstrondleidingen, meet-the-artist bijeenkomsten en therapeutische avonden gericht op verwerking van ‘Zwarte’ en ‘Witte’ problemen (Trauma? Schuld?) zullen een vrijwel volcontinu programma bieden, waarvoor ook de horeca en het park open blijven. Tegelijk brengt het museum delen van dit programma elders in het land in, zelfstandig of als onderdeel van de programmering van andere instellingen. Ook neemt het deel aan door anderen georganiseerde festivals, zoals de diverse Afrika festivals in Nederland, Kwaku, Zomercarnaval, Black Light filmfestival, Black Achievement Month etc.
Bovendien telt de jaarkalender inmiddels een heel aantal dagen waarop het museum in huis iets moet organiseren en/of extern iets moet bijdragen. Te denken valt aan: 21 maart: Internationale Dag tegen Racisme en Discriminatie 25 maart: Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de transAtlantische Slavenhandel 30 mei: Trinta di Mèi (Curaçao) 1 juni: Memre Waka Amsterdam 30 juni: Herdenking slachtofffers van trans-Atlantische slavernij 1 juli: Keti Koti 9 aug.: Dag der Inheemsen (Suriname) 17 aug.: Tula herdenking 20 aug.: Herdenking Kerwin Lucas Duinmeijer 10 okt.: Dag van de Marrons 2 dec.: Internationale Dag voor de Afschaffing van Slavernij 10 dec.: Internationale Mensenrechten dag Door een zo breed, divers en gelaagd mogelijk programma samen te stellen bedient het museum veel verschillende soorten publiek en toont daarmee er voor iedereen te zijn. Zie voor een groot aantal mogelijkheden Bijlage 3, Programmering en activiteiten, p. 16-19. Daarbij is het heel belangrijk is om vooraf helder te communiceren op welke doelgroepen de programmering en activiteiten gericht zijn. Voor de identificatie kan er bijvoorbeeld bij vermeld worden welke BN-er er over heeft meegedacht of eraan meewerkt, maar dat kan ook door toon en taal.
Ook kan er, net als bij de Kijkwijzer, een legenda worden opgesteld zodat bezoekers weten wat ze van het event, maar ook van elkaar mogen en kunnen verwachten. Met het oog op de veiligheid die het museum wil creëren is dit belangrijk voor noties van thuishoren, veilig voelen en inclusief zijn. 64
CONCEPT
9 Wie zijn stakeholders? -
Nederlanders en Amsterdammers De overheid De media Makers en experts
-
Overige
Met behulp van onderstaand stappenplan zijn de belangrijkste stakeholders van het museum in kaart gebracht. Zij worden uitgebreid in beeld gebracht in Bijlage 3, Draagvlak en Dialoog.
De belangrijkste stakeholders, de Afro-gemeenschappen en het onderwijs zijn al in hoofdstuk 8 aan de orde gekomen waarbij ook de rol van influencers ter sprake kwam. In hoofdstuk 6 kwam onder de noemer van netwerkmuseum ook de relatie voor het voetlicht met andere erfgoedinstellingen in binnen- en buitenland (zie voor het laatste ook Bijlage 2, Slavernijmusea Wereldwijd), evenals in hoofdstuk 7 met betrekking tot hun collecties. Toch resteert dan nog een aantal belangrijke stakeholders. Deze komen hierna kort aan bod. Ook de locatie kan als een soort stakeholder worden gezien, maar die is in hoofdstuk 6 behandeld.
65
CONCEPT
In deze tabel staan de scores van de belangrijkste stakeholderclusters gerangschikt per aspect van het museumproject
Nederlanders en Amsterdammers die niet tot de Afrikaanse diaspora behoren zullen de grootste publieksgroep van het museum vormen. Bij hen zit de grootste onwetendheid en (dus) de minste band met dit thema. Door middel van een aantrekkelijke programmering, veel evenementen, veel outreaching, veel publiciteit en een toon die het concept ‘kracht’ blijft benadrukken moet het museum hen ‘verleiden’ naar het museum te komen. Zeker voor Amsterdammers zal het museum met park aan het water ook gewoon een ‘uitje’ zijn. Daarnaast is er een groep niet-Afro-Nederlanders en Amsterdammers die wel degelijk al kennis heeft, zich anti-racistisch opstelt en wel een steentje bij wil dragen. Voor hen en voor Afro-Nederlanders moet er een mogelijkheid komen een (of een aantal) baksteen/bakstenen van het gebouw financieel te adopteren. Zo worden zij letterlijk aandeelhouders in het gebouw. Op dezelfde manier kunnen financiers worden gezocht die een aandeel in het museum willen kopen, waarvan het rendement maatschappelijk-moreel is, niet financieel. Daarbij kan zeker ook worden gedacht aan bedrijven die ooit aan de Afrikaanse diaspora hebben verdiend en nu nog in een of andere vorm bestaan (o.a. Douwe Egberts, ABN-AMRO, Hudig & Veder, AON, de Nederlandsche Bank).
Van de overheid, ooit de grote facilitator van de door Nederland gedwongen Afrikaanse diaspora en degene die bij de formele afschaffing van de slavernij de verkeerde partij een fortuin meegaf, kan worden gezegd dat ze met de Afro-gemeenschappen de oudste stakeholder in dit verhaal is en dus een grote verantwoordelijkheid heeft. Het ligt voor de hand dat dit betekent dat zij het grootste deel van de oprichtings- en exploitatiekosten voor haar rekening neemt. Een actieve steunrol van de gemeente Amsterdam en het Rijk is in deze faswe onontbeerlijk om verdere stappen te maken op weg naar een GO-besluit op termijn. Tegelijkertijd zullen er andere samenwerkingspartners, relevante musea, bedrijven, individuele sponsoren in alle betekenissen van het woord, gaandeweg de rit aan het museum verbonden moeten worden. En natuurlijk gaat het om een samenwerking tussen al deze 66
CONCEPT
niveaus. Er zijn al grote stappen gezet. Nadat Amsterdam met de call voor plannen m.b.t. een Museale Voorziening Nederlands Slavernijverleden was gekomen haakte de verantwoordelijk minister, Engelshoven daarop in 2018 al aan in de Tweede Kamer en zei: ‘Hier gaat het erom dat er een plek komt in ons erfgoed voor de Nederlandse nazaten van ons eigen slavernijverleden’ en ‘voor mij moet het leidend zijn wat de nazaten uit ons eigen slavernijverleden het meest wenselijk vinden’ is een stelling die moeilijk te omzeilen is.45 Vooral ook, omdat ze dat concreet maakte door daar later voor de voorbereidingen daarvan in de periode 2021-2024 een miljoen euro per jaar vrij te maken. De media spelen een belangrijke rol in de vertaling en verspreiding van wat het museum doet en wil bereiken. Zij zullen dus vanuit dit project altijd goed en regelmatig geïnformeerd en gevoed moeten worden. Dat betekent onder meer dat er aan een logisch partnership wordt gewerkt als er in de actualiteit dingen gebeuren dat het museum zich een nuttige gesprekspartner toont en omgekeerd dat het museum actuele ‘haakjes’ creëert voor de media, onder meer via de programmering, om nieuws voor de media te kunnen produceren. Ook hier spelen de BN-er/influencers een belangrijke rol, omdat zij toch al door de media worden gevolgd en dus al nieuws zijn. Ook de makers en experts horen bij het museum.
Zij zijn zowel te vinden in museale en wetenschappelijke kring als in grass roots kring. Hun expertises zijn teveel om op te noemen en lopen uiteen van graphic design tot archief-onderzoek,van textielbewerking tot bonuman, van taalkunde tot regisseur. In de loop der tijd zal dit netwerk aan experts, want dat zijn het allemaal, groeien en door voortdurende samenwerking zal de band ook groter worden. Het ligt voor de hand dat experts met een Afrikaanse diaspora achtergrond veelal als eerste zullen worden gevraagd en gestimuleerd, maar uiteindelijk gaat het erom of de kwaliteit en de inhoud in overeenstemming zijn met waar het museum voor staat (zie missie, visie en kernwaarden) en dat is niet per definitie aan iemands achtergrond gebonden. Het verdient aanbeveling om naast de verplichte Raad van Toezicht die vooral naar het functioneren van de organisatie kijkt ook een Raad van Inhoud in te stellen. Deze ziet erop toe én stimuleert dat de inhoud van wat het museum doet en presenteert niet alleen in overeenstemming is met de missie en visie, maar ook of die up to date genoeg zijn met de veranderende nationale en internationale context. Tegelijk fungeert de Raad van Inhoud voor het management als inhoudelijk klankbord en sparring partner. De precieze structuur moet nog bedacht, maar de leden zullen in ieder geval uit het diverse veld van experts worden aangetrokken.
Naast de directe stakeholders zijn er allerlei mogelijke partners in het veld met wie op vele wijzen kan worden samengewerkt en van elkaar geprofiteerd, van samen programmeren tot en met elkaars kalenders en producten in de gaten houden om elkaar niet in de weg te zitten. Twee voor de hand liggende voorbeelden en twee minder voor de hand liggende. De eerste is natuurlijk het Tropenmuseum dat in 2022 een hele verdieping inricht met de ermanente ex ositie ‘De Erfenis’. ‘Aan de hand van verschillende thema’s gaat de opstelling in op de Nederlandse koloniale periode en de doorwerking ervan. De focus op de directe belevingswereld van de bezoeker en op de bewustwording van de relatie tussen het 45
Tweede Kamer, 11-09-2018, agendapunt ‘Bescherming en Behoud van Erfgoed’.
67
CONCEPT
dagelijkse leven en de erfenissen van kolonialisme en slavernij.’46 Zo luidt de eigen omschrijving die veel herkenning en aanknopingspunten biedt met wat het Slavernij- & Afrikaanse Diasporamuseum gaat doen. Een van de grote verschillen is natuurlijk dat het Slavernijmuseum de hele ontwikkelingsgang van de Nederlandse Afrikaanse Diaspora presenteert, bezien vanuit die diaspora zelf en met de nadruk op kracht. Het concentreert zich bovendien alleen hierop waardoor het heel andere en diepere inzichten en belevingen kan bieden. Dat is goed, want in het Tropenmuseum wordt de focus op slavernij een gedeelde van de trans-Atlantische met de Indisch-Oceanische en met de koloniale post-slavernij ontwikkelingen. Dat alles is bovendien in de context van een museum waar verder ook nog heel andere onderwerpen worden gepresenteerd. Dat is dus een heel andere ervaring. Dat is goed, want dat geeft het Diasporamuseum alle gelegenheid zijn eigen verdiepende verhaal te vertellen en tegelijk te verwijzen naar datgene wat het Tropenmuseum doet als component van dezelfde Nederlandse geschiedenis. Er zal dus goed overlegd en samengewerkt moeten worden om dit voor het publiek tot een coherente ervaring te maken. Eens te meer geldt dat natuurlijk voor de programmering, waar samenwerking ook zeker tot kostenbesparing en efficiëntie kan leiden.
Een tweede voorbeeld, dat laat zien dat er opeens initiatieven kunnen ontstaan waar het museum tevoren niet van wist, maar wel van kan profiteren of iets mee kan doen is het in 2020 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingestelde Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden. Deze heeft tot taak een dialoog te organiseren in de Nederlandse samenleving en in het Caribisch deel van het Koninkrijk ‘over het slavernijverleden, en over de doorwerking daarvan in de hedendaagse samenleving. Deze dialoog is gericht op verbinding en op een bredere erkenning en inbedding van dit gedeelde verleden’.47 Dat proces is nu gaande door middel van een groot aantal dialooggesprekken in de betrokken samenlevingen en met inhoudelijke ondersteuning van een aantal wetenschappers. Dit jaar worden de uitkomsten aan de regering gepresenteerd. De Regiegroep staat in contact met de Dialooggroep, want het is duidelijk dat de uitkomsten van hun rapport en de reactie van de regering erop, van grote betekenis zijn voor het museum. Een derde voorbeeld van partnering is samenwerking buiten de eigen discipline, zoals bijvoorbeeld met het toneel. Inmiddels zijn er meerdere theatergezelschappen die zich vooral richten op ‘Zwarte’ producties zoals Well Made, Raymi Sambo Productions, Stichting Julius Leeft, of Urban Myth. Dat moeten natuurlijke partners van het museum zijn.
Maar in 2016-2017 zag niemand het overdonderende succes aankomen van de voorstelling Race dat al eerder was opgevoerd. Maar nu scoorde het witte bolwerk dat het Nationaal Toneel lang geweest is, met Romana Vrede in de hoofdrol, ermee en liet blijken nieuwe wegen in te willen slaan. Het museum moet daar dan meteen op aanhaken, het debat dat zij entameren, waar nodig steunen en bijvoorbeeld hoofdrolspelers, regisseur en gezelschapsleider uitnodigen voor een publiek, of juist besloten gesprek. Zo verankert het museum steeds meer, creëert het nieuwe stakeholders en wordt het deel van uitdijende netwerken.
46 47
[https://www.lnsv.nl/tropenmuseum-krijgt-nieuwe-slavernij-expo/] Brief van minister Ollongren van BZK aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2020.
68
CONCEPT
Well Made
Raymi Sambo
Volksopera
Julius Leeft
Romana Vrede krijgt de Theo d’Or
69
CONCEPT
10 Hoe is het proces georganiseerd? -
Het museum in de spotlight Eerste planning Kosten Functie-indeling Proces na de Verkenningsfase
Het museum in de spotlight Het is een nationaal museum, over een thema waar niet iedereen goed bekend mee is en dat ook niet iedereen noodzakelijk vindt. Vanaf moment 1 moet het museum dus regelmatig en positief, wat niet betekent on-kritisch, zichtbaar zijn. Nu is het nog fase 0, want er is nog geen definitief besluit, moment 1 is als er een politiek GO is gegeven. Vanaf dat moment moet er dus een inhoudelijk communicatiepersoon zijn die op nieuws inspringt dat relevant is voor (het thema van) het museum. Vandaar dat er ook zo snel mogelijk een pop up van het museum moet komen om direct zichtbaar te zijn en mee te spelen in het veld. Vanaf fase 0 is het voor zowel de overheid als het museum goed dat de overheid duidelijk maakt dat zij vindt dat dit museum er moet komen in een inclusieve samenleving, en daarom dit project faciliteert. Zoals de discussies rond het ex-Nationaal Historisch Museum en de Canon hebben geleerd, past het de overheid zeker ook bij dit Slavernij & Diasporamuseum om ver te blijven van inhoudelijke bemoeienis en ruim baan te geven aan de maatschappelijke krachten die het fundament moeten gaan vormen van het museum.
Er gaat direct een collectie-scout aan de slag die een uitputtende lijst maakt van alles wat er in de wereld is aan collectie van de Nederlandse Afrikaanse Diaspora evenals hedendaagse kunst en kunstenaars op dat gebied en wat eventueel beschikbaar is voor permanente of tijdelijke bruikleen. Tegelijk wordt er meteen vanaf moment 1 een website opgezet. Deze zal heel interactief moeten zijn om de educatieve vraagbaak en dialoogfunctie van het museum direct duidelijk te maken. De collectiescout zorgt dat er iedere 2 weken een ander object of immaterieel stuk erfgoed met bijbehorend verhaal op de website in de spotlight staat. Die items blijven staan en zo wordt langzaamaan duidelijk wat er zoal te zien zou kunnen zijn in het museum. Tegelijk is het al zeer dienstig aan docenten als materiaal voor hun lessen over dit onderwerp. Het beslissen over een locatie en het formaliseren van een zakelijk-organisatorische samenwerking met een Amsterdams museum zijn effectieve moment om te laten zien dat het project weer een stap verder zet, dat het een onomkeerbaar proces is en dat het serious business is. En dat geldt ook voor de opening van de pop up. Dat wordt de plek waar de eerste interactie met het ‘gewone’ publiek gaat plaatsvinden en waar dingen kunnen worden uitgeprobeerd voor het definitieve museum.
Er kan tegelijkertijd ook geëxperimenteerd worden met een museum op wielen dat naar scholen toegaat. Dit kan de werfkracht en naamsbekendheid in het onderwijsveld enorm verhogen voor als later het echte museum er is. Bovendien maakt het direct duidelijk dat het een outreachend museum is. Die bus kan overigens ook worden opgesteld bij musea in het land die hebben aangegeven met het Slavernij & Diasporamuseum te willen samenwerken. Ook dat kan in samenwerking met scholen in hun regio. En wellicht kunnen ze in hun museum een tijdelijke plek inruimen voor 70
CONCEPT
een voorwerp uit hun collectie of gemeentelijk/provinciaal archief dat refereert aan het slavernijverleden of een Diasporaverband heeft. Zo krijgt het museum extra schoolbezoek en wordt het netwerken van het Slavernijmuseum meteen concreet. Voor een groot aantal aanbevelingen over zichtbaarheid zie Bijlage 2, Rapport Nationale Betekenis. Eerste planning Volgens planning zal de gemeente Amsterdam in november een beslissing nemen over de volgende stap, waarin de kwartiermaker(s) aan de slag gaat/n. Gezamenlijk moet dat leiden tot een programma van eisen waarop in juni 2022 een voorbereidingsbesluit genomen kan worden. Op basis van de onderhavige verkenning is het verstandig wat dan, inhoudelijk gezien, volgens de Regiegroep prioriteiten zijn. 1. Alle ervaringsdeskundigen in binnen- en buitenland raden aan om regelmatig tijdens het proces van totstandkoming met de belangrijkste stakeholders en de buitenwacht in het algemeen te communiceren. Onze aanbeveling is om dat dus ook al in de fase tussen 28 mei en het beslissingsmoment in november te doen. Er kan bijvoorbeeld een publieksmoment worden georganiseerd (of op Keti Koti) waarin de contouren van het museum zoals neergelegd in deze verkenning worden gepresenteerd en uitgelegd wat de verdere fasering is.
Bij een tweede publieksmoment, bijvoorbeeld in oktober, wordt uitgelegd wat de overwegingen zijn bij het go/no go besluit en wat er van de samenleving wordt verwacht bij een GO. 2. Als het Go wordt dan liefst meteen ook aankondigen van een vooruitzicht op en locatie van een pop up museum met voorkeur voor ruimte in Paleis op de Dam. 3. Er moet dan ook direct een Website & Nieuwsbrief worden opgezet. 4. Dat betekent direct een communicatiepersoon aannemen die ook inhoudelijk sterk is en als vraagbaak/doorverwijzer kan dienen 5. Ook direct een collectie-scout aanstellen die gaat inventariseren en netwerken en een selectie maakt voor de pop up. 6. Zodra er aan de pop up kan worden gewerkt ook een educatiemedewerker aanstellen en een conservator/tentoonstellingsmaker. Extern wordt een designer ingehuurd. 7. In de pop up fase kan vast een museumbus (De Afrikaanse Diaspora Komt Naar Je Toe) worden aangeschaft en ingericht en een schoolprogramma geschreven. (hier kan geleerd worden van de ervaringen van het Verzetsmuseum Amsterdam die in 2019 begon met een ‘Verzetsmuseum Op Wielen’. 8. In de pop up fase is de definitieve museumlocatie hopelijk beschikbaar gekomen en kan met de bouw van module 1 (zie hoofdstuk 6) worden begonnen.