CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. RVNTASM_Verkenningsrapport_Met de kracht van de voorouders 20210430.pdf

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 8 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van advies kunstraden inzake verkenning museale voorziening slavernijverleden (ZD2021-015738)32.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Kosten De Regiegroep heeft, zoals gezegd, gekozen voor een (middel)groot museum, gezien de multifunctionele opzet van het museum met Werkplaats & Onderzoekscentrum, Theater en multifunctionele buitenruimte. De eerste en grootste kostenpost is de totstandkoming van het museum, waarbij ook de pop up fase moet worden meegenomen. Over de omvang daarvan valt in deze fase met geen mogelijkheid iets te zeggen, alleen al omdat dit enorm per locatie 71

CONCEPT

kan verschillen en omdat het in fasen zal plaatsvinden. Daarna komen de exploitatiekosten als het museum er eenmaal is. Ook dat verschilt natuurlijk per fase van de totstandkoming. Verhoudingsgewijs zijn in het algemeen de exploitatiekosten van een museum volgens de Nederlandse Museumvereniging (NMV)als volgt samengesteld48: Inkomsten: De helft is Subsidie (Rijk, Gemeente, Provincie, Overheidsfondsen en Europa) Eigen inkomsten: Entree 46 % Horeca en winkel 16 % Sponsoring 5% Private fondsen 13 % Giften 6% Exploitatiekosten: Personeel Huisvesting (incl. afschrijving) Tentoonstellingskosten Aankoopkosten (collectie) Inkoop horeca & winkel Overige bedrijfsvoering

43% 23 % 10 % 4% 3% 17 %

Functie-indeling (gemiddeld volgens de Museumvereniging)

49

48 49

[https://www.museumvereniging.nl/media/museumcijfers2019_def.pdf], p.30-33 [https://www.museumvereniging.nl/media/museumcijfers2019_def.pdf], p.24.

72

CONCEPT

Organogram van het Slavernij-Diaspora Museum Dit organogram geeft een hoofdlijnenbeeld van de (middel)grote museale organisatie van het Slavernij-Diaspora Museum. De basis daarvan zijn de belangrijkste functies en taken uit onze verkenning. Daarnaast is uitgegaan van de kengetallen die de NMV hanteert. Er is geen rekening gehouden met effecten van integrale uitbesteding, dan wel inhoudelijke samenwerking met andere musea. Wel zichtbaar in het schema is de uitkomst uit de verkenning dat de zakelijke functies in een samenwerkingsarrangement kunnen worden ondergebracht bij één of meerdere collega musea. Dit model gaat uit van een algemeen directeur en een zakelijk leider. De zakelijk leider valt onder de algemeen directeur en fungeert als functionaris tussen het museum en de taken die belegd worden bij een zustermuseum, zijnde inanciën, Facilitair (Beveiliging, Gebouwenbeheer, Installaties, ICT, Services) en HR. Deze functies zijn in dit model met de kleur rood aangegeven. Dit model gaat o.g.v. kengetallen van de NMV uit van een middelgroot/groot museum, met 55 TE. De TE’s die vallen onder de taken die belegd worden bij een zustermuseum zijn hierbij niet meegerekend. Ook niet meegerekend is het aantal flexibele medewerkers, zoals rondleiders, museumdocenten, gastvrouwen en -heren. De afdeling tentoonstellingen heeft louter een faciliterende functie.

73

CONCEPT

CONCEPTPROFIEL KWARTIERMAKER CONCEPTPROFIEL KWARTIERMAKER 1. INLEIDING Onderdeel van de opdracht van de regiegroep is een voorstel te doen voor het profiel van de kwartiermaker voor het NTASM (in vervolg ‘het museum’). In het vervolgproces zou de fysieke kant van de ontwikkeling van het museum uitgevoerd worden door een fysieke trekker van de gemeente Amsterdam. De inhoudelijke kant zou ingevuld worden door de kwartiermaker. In deze rapportage wordt het profiel van de kwartiermaker beschreven aan de hand van de volgende punten:  Kerntaak  Positionering  Opdrachtgever  Opdracht  Taken  Functietypering  Facilitering  Verantwoording 2. KERNTAAK Met de oplevering van het rapport van de regiegroep is de verkenningsfase voor het museum afgesloten en treedt de tussenfase in, waarbij overheden op basis van adviezen een besluit nemen over het vervolg. Dan komt de kwartiermaker in beeld. We gaan in deze fase van verkenning naar definiëring van wat we inhoudelijk precies willen met het museum, hoe dat er uit ziet, hoe veel het mag kosten en we schetsen de weg ernaartoe. Dat geheel noemen we de definitiefase. Daarbij hoort een proces, gekoppeld aan onder meer maatschappelijke, culturele en bestuurlijke stakeholders, dat idealiter bijdraagt aan draagvlak en ondersteuning van het museum. De kwartiermaker treft de voorbereiding van de komst van het museum.

In beslistermen: op basis van zijn/ haar uitwerkingsplan kan een principebesluit worden genomen om met de voorbereiding van het museum te starten. 3. POSITIONERING In de oorspronkelijke opzet is naast de kwartiermaker voorzien in een fysieke trekker van de gemeente Amsterdam. Voor een doorsnee project is dat een gekende combinatie. Echter in het geval van het NTASM is de samenhang tussen de fysieke en inhoudelijke elementen zo groot dat niet één scheiding maar een combinatie van functies voor de hand ligt. Dat betekent niet één maar twee kwartiermakers voor resp. het inhoudelijke en het fysieke pakket. Een illustratie van de samenhang: de keuze voor locatie wordt naast fysieke aspecten in hoge mate ingegeven door de historie en de symbolische betekenis van de locatie en het (consultatie) draagvlak van nazaten. De aard en inrichting van museaal gebouw en omgeving heeft een directe relatie met de bijzondere aard van collecties (zoals immaterieel, grote kunstwerken, virtuele verbeelding, veel ruimte binnen/buiten voor activiteiten). We stellen ons voor dat de kwartiermaker fysiek en de kwartiermaker inhoud in intensieve dialoog met elkaar (en de buitenwereld) komen tot een bij elkaar passende invulling die hun neerslag vindt in een fysiek en een inhoudelijk plan. Naast samenhang vinden wij dat juist in 74

CONCEPT deze definitiefase de combinatie van twee kwartiermakers de kans vergroot op synergie en wederzijdse inspiratie.

4. OPDRACHTGEVER De vraag welke partij of partijen het museum kunnen gaan exploiteren is nog niet ingevuld. Een samenwerkingsarrangement met bestaande partners uit de museale en maatschappelijke wereld is één van de opties, maar ook een nieuwe organisatie is niet uitgesloten. In deze omstandigheid ligt het voor de hand om het opdrachtgeverschap voor de kwartiermakers éénduidig in handen te leggen van de overheid, i.c. de gemeente Amsterdam en OCW. Daarnaast bepleiten wij de instelling van een kleine begeleidingscommissie voor inhoud en fysiek als klankbord. Daarin hebben zitting: een museaal deskundige, een persoon met een ruimtelijke achtergrond en een maatschappelijk ervaringsdeskundige. Allen hebben affiniteit met de corebusiness van het museum. De functie van klankbord dient zo letterlijk mogelijk te worden genomen. 5. OPDRACHT De opdracht voor de ‘kwartiermaker inhoud’: “Maak een ondernemingsplan voor het Trans-Atlantisch Slavernij Museum met een uitwerking voor de museale inhoud, de organisatie en een bijbehorende kostenraming. Leidend richtsnoer van het ondernemingsplan bestaat uit de missie, visie en kernwaarden uit de verkenningsfase. Het ondernemingsplan heeft het geaccordeerde verkenningsplan als basis, past bij de fysieke vormgeving van het museum en fungeert als inhoudelijke onderlegger voor een vervolgbesluit voor de voorbereidingsfase van het museum.” 6.

TAKEN De kwartiermaker inhoud is een museale maatschappelijke ontwikkelaar die in het ondernemingsplan het programma van eisen formuleert voor het museum. Hij/zij is verantwoordelijk voor de totstandkoming van het ondernemingsplan, geeft leiding aan de personele ondersteuning, (externe) adviseurs en is bevoegd voor de besteding van het werk en onderzoeksbudget (zie punt 9). Uitgesplitst in taken leidt dat tot het volgende beeld: a. Uitwerking van de verkenningsfase van de drie partijen. Op welke punten is concretisering en verbijzondering nodig op weg naar een inhoudelijk pve?; b. Een voorstel voor het samenwerkingsarrangement van de museale organisatie, w.o. samenwerking/ onderbrenging zakelijke functies; c. Een voorstel voor een schets inhoudelijk programma op de onderdelen collectie, tentoonstellingsbeleid, educatie, activiteiten/ presentaties binnen en buiten, communicatie/ marketing functie; d. Een hoofdlijn voorstel voor de nieuwe organisatie uitgesplitst naar bedrijfsfilosofie, structuur, inrichting, werkwijze, indicatieve formatie, rekening houdend met b en c; e. Een voorstel voor de tijdelijke programmering w.o. een pop-up museum, eventuele tijdelijke locatie en een (ontwikkel)programma voor het netwerkmuseum; f. Specifiek aandachtspunt is de strategische datum in 2023 herdenking 150 / 160 jaar afschaffing slavernij.

Op dat moment past een krachtig signaal voor een pop up museum. g. Een financiële raming voor de exploitatie van het museum en een meerjarig voorstel voor de tijdelijke programmering. 75

CONCEPT

Het tijdvak van de werkzaamheden voor het project is start november 2021 tot en met juni 2022 (bestuurlijke afronding).

76

CONCEPT FUNCTIE TYPERING Als we sec kijken naar de taken van de kwartiermaker dan lijken we op het eerste gezicht te zoeken naar een senior projectleider met gevoel voor organisatie en kunst. De schijn bedriegt echter. Het woord was al gevallen: we hebben het over een maatschappelijke ontwikkelaar die in een kort tijdsbestek en - in nauwe samenwerking met de ‘kwartiermaker fysiek’ - een museaal maatschappelijk ontwikkelplan maakt dat getuigt van kennis, liefst ervaring met de ontwikkeling van een museaal concept in een nieuwe setting en ook nog eens zijn / haar weg weet in het netwerk van museale instellingen. Dan zijn we er nog niet. Minstens zo belangrijk is dat de ‘kwartiermaker inhoud’ kennis en ervaring heeft met het werken in een multiculturele omgeving met in het bijzonder het trans-Atlantisch slavernijverleden, institutionele vormen van discriminatie, omgaan en werken met het rijke palet van groepen nazaten. Het is essentieel dat deze invalshoek wordt meegenomen in het kwartiermakers proces. Het is de vraag of deze combinatie direct voorhanden is. Naar onze mening zal het zwaartepunt moeten liggen op de maatschappelijke kennis en ervaring. Dat is immers het USP (unique selling point) van het NTASM. Evenzeer blijft het dan belangrijk dat de ‘kwartiermaker inhoud’ gevoel en kennis heeft van kunst en cultuur in het algemeen en bij voorkeur musea in het bijzonder.

Hij/zij zal vooral de goede vragen stellen en de antwoorden kunnen wegen. Aanvullend op het voorafgaande:  Competentie: deskundig, kennis, ervaring, relevant netwerk met multiculturele omgeving en met name Afro-Nederlandse gemeenschappen, (ontwikkel)vraagstukken w.o. de trans-Atlantische Slavernij en de doorwerking, uitsluiting en coping mechanismen, community building/organizing, kennis en ervaring met kunst en cultuur in het algemeen en museale ontwikkeling in het bijzonder;  Vaardigheden: omgaan met complexe, tegengestelde belangen, kritisch en onafhankelijk in denken en doen, tegelijk een twee-eenheid vormend met de kwartiermaker ‘fysiek’. Gevoel voor inclusieve communicatie, op de hoogte van dékoloniale terminologie, bouwen en onderhouden van relaties in een diverse omgeving. Omgevingsbewust: inzicht in (politiek) bestuurlijke processen, gevoel voor de dynamiek en netwerk in de Nederlandse samenleving en met name in de Afro-Nederlandse gemeenschappen;  Zakelijk: vermogen om bedrijfsprocessen, organisatiebouw vraagstukken en financiële ramingen te analyseren en beoordelen in relatie tot het inhoudelijk programma van eisen;  Constructief: sterke sociale en communicatieve vaardigheden, gevoel voor inclusieve communicatie, bouwt en onderhoud relaties met verschillende gremia, van grass roots, burgers professionals en (top) managers.

Kent de gevoeligheden rondom termen, woorden en beelden die niet meer gebruikt en/of bediscussieerd worden. 7. FACILITERING De kwartiermakers inhoud en fysiek werken nauw met elkaar samen op één werkplek. Op beide wordt een groot beroep gedaan op coördinerende eigenschappen, proceskwaliteiten en het vermogen om verschillende disciplines bij elkaar te brengen. Zij worden ondersteund door een tijdelijk projectbureau bestaande uit een secretaris en twee projectmedewerkers. Zij beschikken elk over een werk- onderzoeksbudget. Daarnaast wordt een afspraak gemaakt 77

CONCEPT met de gemeente Amsterdam over het beroep dat zij kunnen doen op gemeentelijke capaciteit. 8. VERANTWOORDING De ‘kwartiermaker inhoud’ legt periodiek verantwoording af aan de opdrachtgever i.c. de wethouder Kunst en Cultuur, de wethouder Diversiteit en een vertegenwoordiging van de minister van OC&W. In de dagelijkse praktijk wordt de bestuurlijke opdrachtgever vertegenwoordigd door het hoofd K&C, het hoofd Diversiteit van de gemeente Amsterdam en een ambtenaar van OC&W. 9. TENSLOTTE De projectduur van 8 maanden zal rekening houdend met duur voor bestuurlijke besluitvorming effectief 6 maanden zijn. Uit het oogpunt van het noodzakelijke proces is dat een zeer kort tijdsbeslag. Het verdient aanbeveling om de periode tussen oplevering van de verkenning en tussentijdse advisering te besteden aan het ‘kwartier maken voor de kwartiermaker’.

Bijlage: indicatieve (jaar) begroting

kwartiermaker inhoud

140

senior projectmedewerker

75

bureau medewerker

55

opdrachten/ onderzoek

190

totaal

460

Bedragen x € 1000

78

CONCEPT

BIJLAGE 4 O dra ht thema’s Het inhoudelijk rapport omvat de volgende thema’s: 1. Missie, visie en nationale betekenis 2. Focus en representatie 3. Verhaal, doorwerking en erfenis 4. Positionering en nationale betekenis 5. Collectievorming 6. Verkenning museale concepten 7. Programmering en activiteiten 8. Educatie en onderwijs 9. Draagvlak en dialoog 10. Publieksinventarisatie en doelgroepen 11. Netwerk en partners Uitwerking opdracht per thema 1. Missie, visie en nationale betekenis a. De missie en visie voor de te realiseren nationale museale voorziening slavernijverleden worden getoetst. Elementen uit de missie en visie zijn onder meer: het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden, het centraal stellen van voorouders, verzet in kaart brengen, doorwerking in het heden, inclusie, dialoog. b. De wijze waarop de museale voorziening zich onderscheidt en een meerwaarde heeft ten opzichte van de bestaande musea zoals het Rijksmuseum, het Museum van Wereldculturen, het Amsterdam Museum en het Scheepvaartmuseum, wordt uitgewerkt in de missie en visie. c. De samenwerking met en inbedding in de museale/culturele wereld wordt uitgewerkt in de missie en visie. d. De vraag op welke wijze de museale voorziening nationale betekenis heeft, wordt uitgewerkt door het trans-Atlantisch slavernijverleden als integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis een plek te geven.

Het resultaat van de verkenning is dat de missie en visie op bruikbaarheid en compleetheid zijn getoetst. Denk daarbij aan toetsing bij de brede Afro Nederlandse gemeenschappen, de museale wereld, en het brede publiek. De onderdelen gebouw en locatie uit de visie zijn onderdeel van de opgave voor de gemeente en vallen buiten het inhoudelijk rapport. 2. Focus en representatie a. Er wordt aangegeven hoe de geschiedenis van de trans-Atlantische slavenhandel en de AfroNederlandse gemeenschap in Nederland behandeld wordt in de museale voorziening. b. Er wordt aangegeven waar de museale voorziening zich, in de toekomst, al dan niet gefaseerd, nog meer op richt. De uitwerking van bovenstaande punten zijn onderdeel van de focus van de museale voorziening en worden in een volgende fase na de verkenning nader uitgewerkt. 3. Verhaal, doorwerking en erfenis a. Er wordt een strategische analyse gemaakt over de manier waarop de boodschap en het verhaal van de museale voorziening kan worden uitgedragen, op basis van onder meer historische en wetenschappelijke bronnen. b. Er wordt duidelijk gemaakt op welke wijze je tot een aansprekend verhaal kunt komen over het trans-Atlantische slavernijverleden vanuit de brede Afro-Nederlandse gemeenschappen voor het Nederlandse publiek. 79

CONCEPT c. Daarnaast wordt tevens een strategische analyse opgenomen over de manier waarop het slavernijverleden met het heden kan worden verbonden. Hieronder valt de doorwerking in het heden en de erfenis van het slavernijverleden. d. Onderdeel van deze analyses is het betrekken van de brede Afro-Nederlandse gemeenschappen en de nazaten van de tot slaaf gemaakten. De uitwerking van bovenstaande punten zijn in de fase na de verkenning onderdeel van het ondernemingsplan. 4. Positionering en nationale betekenis a. Er wordt een strategisch onderzoek gedaan naar de criteria waaraan een museale voorziening (conceptueel) dient te voldoen om nationale betekenis te verwerven. Daarbij wordt een aantal mogelijkheden verkend die eraan bijdragen om de museale voorziening aantrekkelijk en toegankelijk te maken voor alle Nederlanders. Denk dan bijvoorbeeld aan moderne elementen zoals digitale mogelijkheden om het publiek te betrekken. b. De ervaringen van vergelijkbare voorzieningen in binnen- en buitenland die als inspiratie kunnen dienen, worden benut bij de definiëring van adviezen en om het museum nationaal (en internationaal) te positioneren. De uitwerking van bovenstaande punten wordt in de fase na de verkenning benut voor een onderdeel van het op te stellen ondernemingsplan. 5. Collectievorming a.

Het inhoudelijk rapport omvat een visie over de wijze waarop de museale voorziening om wil gaan met collecties, rekening houdend met het concept van een netwerkmuseum. b. In deze visie wordt duidelijk of een eigen collectie realistisch en haalbaar is en wat er voor nodig is om een eigen collectie op te bouwen. Ook wordt duidelijk waar deze collectie dan uit kan bestaan (kunstobjecten, persoonlijke voorwerpen en/of oral history). Daarnaast wordt er in het rapport ingegaan op de mogelijkheden waarop gebruik gemaakt kan worden van bruiklenen van bestaande culturele instellingen. c. De visie is afgestemd op het bestaande aanbod van collectie beherende instellingen. d. Voor het opstellen van de visie wordt expertise uit het landelijke veld benut en worden de ervaringen van het National Museum of African American History and Culture (NMAAHC) betrokken. De uitwerking van bovenstaande punten geeft antwoord op de vraag hoe de voorziening om wil gaan met collecties, zodat in de fase na de verkenning een collectieplan opgesteld kan worden. 6. Verkenning museale concepten a.

Het concept van een netwerkmuseum en het aanbod / programma dat bij een dergelijke voorziening nodig is, worden op hoofdlijnen uitgewerkt, - met gebruikmaking van expertise uit de landelijke en internationale museale wereld, best practices en (internationale) inspirerende voorbeelden, met inachtneming van missie en visie opgenomen onder thema 1 - met de vraag over welke type programmering en soort activiteiten aantrekkelijk is voor het Nederlandse publiek. Hierbij wordt uitgegaan van een bereik van zo veel mogelijk verschillende doelgroepen (een breed palet in termen van o.a. leeftijd en afkomst, kennis en mate van betrokkenheid) - met tevens als uitgewerkt onderdeel het betrekken van een breed palet van de achterban van de AfroNederlandse gemeenschappen - en met welke partners er wordt samengewerkt binnen welke netwerken. De uitwerking van bovenstaande punten wordt in de fase na de verkenning benut als onderdeel van het op te stellen ondernemingsplan. 7. Programmering en activiteiten a. Er wordt verkend welke type programmering en type activiteiten interessant zijn voor de verschillende doelgroepen, in termen van leeftijd en afkomst, kennis en mate van betrokkenheid. Het 80

CONCEPT betrekken van de achterban van de Afro-Nederlandse gemeenschappen maakt hierbij nadrukkelijk onderdeel van uit. b. Er wordt een inventarisatie gemaakt van bestaande (inter)nationale programmering en activiteiten op gebied van het trans-Atlantisch slavernijverleden. c. Er worden aanbevelingen/adviezen gegeven voor type programmering en type activiteiten vanuit de inventarisatie genoemd onder a. Hierbij wordt gekeken met welke (inter)nationale partners, netwerken en Afro-gemeenschappen samengewerkt kan worden. De uitwerking van bovenstaande punten wordt in de fase na de verkenning benut voor de uitwerking van de programmering en de activiteiten voor de museale voorziening. 8. Educatie en onderwijs a. Een strategie voor een realistisch, vraaggestuurd educatief aanbod wordt ontwikkeld, rekening houdend met de uitgangspunten voor cultuureducatie zoals omschreven in de uitgangspuntenbrief van het ministerie OCW Cultuur (juni 2019) en bij het landelijke programma Cultuureducatie met Kwaliteit. b. In het inhoudelijk rapport is oog voor de aansluiting op bestaand aanbod en de samenwerking met onderwijspartijen en scholen waarin het aanbod wordt ontwikkeld. Denk aan het Landelijk Kennisplatform Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) en het Fonds voor Cultuurparticipatie. c.

In het inhoudelijk rapport wordt tevens zichtbaar op welke wijze het educatieve aanbod aansluit op het curriculum van scholen, dat momenteel wordt herzien en op de relevante vensters uit de Canon van Nederland. d. Er wordt een strategie opgenomen voor het bereiken van andere doelgroepen dan kinderen en scholieren, met educatieve activiteiten. De uitwerking van bovenstaande punten wordt in de fase na de verkenning benut als onderdeel van het op te stellen ondernemingsplan. 9. Draagvlak en dialoog Er wordt een voorstel opgenomen om het draagvlak en actieve betrokkenheid te versterken van (toekomstige) publieksgroepen, partners en overige stakeholders zoals bestuur en politiek bij planvorming en realisatie. Hierbij is in het bijzonder aandacht voor de omgang met weerstand, vragen en twijfels. De volgende acties worden ingezet: a. Alle (interne en externe) stakeholders worden in kaart gebracht. b. Per stakeholder worden de thema’s/onderwerpen in kaart gebracht waar de stakeholder een belang/raakvlak mee heeft. c. Alle stakeholders worden gescoord en geprioriteerd in termen van belang en betrokkenheid. d. Er worden gesprekken/focusgroepen/heidagen georganiseerd met de stakeholders met de hoogste prioriteit om hun wensen, ideeën en behoeften op te halen. e.

Er komt een advies, waarin wordt aangegeven op welke wijze met de verschillende stakeholders een duurzame relatie opgebouwd en onderhoud kan worden. Hierbij is extra aandacht voor i. Publiek en Afro Nederlandse gemeenschappen in Nederland: betrokkenheid publiek en het brede palet van de Afro Nederlandse gemeenschappen bij collectievorming, type programmering, inhoud en type activiteiten en vormgeving educatie ii. Nederlanders, Amsterdammers en omwonenden: inhoud en programmering, open dialoog, voor iedereen toegankelijk iii. Culturele en museale instellingen: samenwerken op bijvoorbeeld collecties iv. Collega-instellingen: aansluiting bij activiteiten over slavernijverleden. f. Er komt een strategie om in Nederland draagvlak voor de voorziening te realiseren. De resultaten van het draagvlak verbreden en de dialoog voeren worden in de fase na de verkenning onder meer gebruikt voor het uitvoeren van een (diepgaande) publieksinventarisatie en als onderdeel meegenomen in het ondernemingsplan. 10. Publieksinventarisatie en doelgroepen

81

CONCEPT De museale voorziening moet een ontmoetingsplaats worden voor bezoekers van verschillende leeftijden, achtergronden en opleidingsniveaus. De streefdoelen dienen realistisch en haalbaar te zijn. Een streefdoel om iedere Nederlander te bereiken via onder meer campagnes en activiteiten is bijvoorbeeld niet realistisch. a. Er komt een inventarisatie van alle (potentiële) doelgroepen, waarbij nagegaan wordt hoe toegankelijk de museale voorziening, de programmering, activiteiten, educatie, producten en diensten zelf zijn voor de potentiële doelgroepen. b. Er worden aanbevelingen/adviezen gegeven op welke wijze (sleutelfiguren/influencers) uit potentiële doelgroepen zelf betrokken kunnen worden bij de uitwerking van de programmering, activiteiten, educatie, producten en diensten en het aantrekken van (nieuwe) potentiële doelgroepen. In de fase na de verkenning worden deze resultaten meegenomen voor het nader op te stellen ondernemingsplan. 11. Netwerk en partners a. Er wordt een strategische analyse gemaakt over de aanpak om netwerkvorming uit te bouwen en te versterken en welke partners welke rol hierin kunnen vervullen. b. Binnen de strategie wordt een prioritering opgenomen die onderbouwd aangeeft met welke partners eerst een samenwerking wordt gerealiseerd, en welke fasering gevolgd kan worden met de andere partners / netwerk. c.

In het inhoudelijk rapport wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat gaandeweg meer en/of andere partners toegevoegd of vervangen kunnen worden. d. Tijdens de verkenning dienen zowel het netwerk als de (strategische) samenwerking met de partners al opgezet te worden. De uitwerking van bovenstaande punten wordt in de fase na de verkenning benut voor een onderdeel van het op te stellen ondernemingsplan. Opdracht profiel kwartiermaker Stel een concept profiel voor de kwartiermaker op, die in de fase na de verkenning verantwoordelijk wordt voor de volgende zaken: - Uitwerking inhoudelijk rapport - Definiëring deelprojecten organisatie - Kostenraming inhoudelijk deel - Voorstel nieuwe organisatie - Voorstel tijdelijke programmering

82

CONCEPT

Bijlage 5 Terminologie Afrikaan is de term voor iedereen die in Afrika is geboren, dus ook Afrikaanse-Nederlander. Is degene met Afrikaanse voorouders geboren in de Afrikaanse diaspora dan is hij/zij een Afro- ... Nederlander is de term voor iedereen met een Nederlands paspoort, ongeacht diens culturele achtergrond of uiterlijk. Als er een specifieke groep daarbinnen wordt bedoeld wordt dat ook specifiek aangeduid: Nederlandse mannen, Curaçao’s-Nederlandse arbeiders etc. ‘Inwoners van Nederland’ omvat iedereen die langdurig binnen de landsgrenzen van Nederland aan de Noordzee verblijft, ongeacht nationaliteit of zonder documenten. Slaafgemaakt(en), voor iedereen die in slavernij leeft om aan te geven dat iemand niet van nature slaaf is. Maar het zal ook wel eens worden afgewisseld met slaaf als bijvoorbeeld het perspectief van de slaven-eigenaar het onderwerp is Marron voor iedereen die uit de slavernij is gevlucht & hun nazaten (zie hierna) Zwart(e) altijd met een hoofdletter, W/wit(te) met en zonder, afhankelijk van perspectief en onderwerp (zie hierna). Het moment van koloniale bezetting is: de inval, inname of verovering, daarna is het de koloniale bezetting. In plaats van autochtoon en allochtoon of Nederlandse-Nederlanders en Nederlanders-met-eenmigratieachtergrond: Oude Nederlanders en Nieuwe Nederlanders (met hoofdletters).

‘Men’ en ‘we worden niet gebruikt, beide zijn te vaag’, niet eenduidig en daarmee per definitie buitensluitend. In plaats daarvan wordt altijd benoemd om wie het gaat. Schurken en monsters van mensen zijn precies dat, helden en mensen met een goed hart zijn precies dat en bij geen van allen hangt daar per definitie een huidskleur aan. Marron: In Suriname heeft het nooit weggelopen vee betekend, dat was alleen in het begin van de bezetting van de Cariben door de Spanjaarden, m.n. op Hispaniola en Cuba. Maar ook daar had het al meerdere betekenissen: ontsnapt vee, maar tevens: gevluchte mensen en het kan ook nog een Taino woord zijn geweest voor vluchteling. Daarnaast is het in andere talen een geaccepteerde en veelgebruikte niet besmette term en hebben in de jaren 1980 jonge marron intellectuelen in Suriname zelf in het openbaar voorgesteld dat ze zo genoemd wilden worden i.p.v. het in hun ogen denigrerende Bosneger. In vrijwel alle verklaringen wordt direct verwezen naar de geschiedenis van degenen die uit slavernij ontsnapten, maar ook naar de Inheemse, Taino oorsprong die er ook in schijnt te zitten: “Maroons (Cimarrónes), African fugitive slaves.

Marronage—the flight of enslaved men and women from the harsh discipline, overwork, and malnutrition associated primarily with plantations—was a common occurrence in the Americas and Caribbean from the sixteenth through the nineteenth centuries. Originally believed to be of Spanish origin (cimarrón; French marron), the term "maroon" is now thought to derive from a Hispaniola Taino root meaning "fugitive," which converged with the Spanish cimá (mountaintop). The term was originally applied to livestock in the Hispaniola hills and to fugitive Amerindian slaves”. [https://www.encyclopedia.com/humanities/encyclopedias-almanacstranscripts-and-maps/maroons-cimarrones]

83

CONCEPT Sowieso is de term nooit in Suriname gebruikt voor loslopend vee, mar ook al is dat wel zo voor het veel oudere Spaans-Caribische cimarron, dan nog “[f]eit is: dieren lopen alleen weg van hun eigenaar als ze slecht behandeld worden. Dat de slaven slecht behandeld werden staat buiten kijf en hierop lettend vinden wij het geen probleem dat die vergelijking getrokken werd. We zijn er juist trots op dat onze voorouders die behandeling niet pikten en net als dieren die mishandeld worden, liever voor het onbekende en gevaarlijke kozen, dan in de slavernij te blijven.” Aldus de voorzitter van het Marron Vrouwen Netwerk Cynthia Leune-Alendy in 2014. [http://werkgroepcaraibischeletteren.nl/waaromkiezen-wij-voor-de-naam-marron/] Zwart en Wit allebei of slechts één met hoofdletter: Why We’re Capitalizing Black - The New York Times [nytimes.com] De reden om Black met hoofdletter B te schrijven is volgens de hoofdredactie van de New York Times: ‘Because of the history of Black people in this country, most of us do not have a specific African nation to link our ancestry back to’. En hier hun argument om bruin en wit niet met hoofdletters te schrijven: ‘The Times also looked at whether to capitalize white and brown in reference to race, but both will remain lowercase. Brown has generally been used to describe a wide range of cultures, Mr. Baquet and Mr.

Corbett said in their memo to staff. As a result, its meaning can be unclear to readers; white doesn’t represent a shared culture and history in the way Black does, and also has long been capitalized by hate groups’. Argumenten waarom wit toch Wit zou moeten worden: Time to Capitalize 'Black'—And 'White' - The Atlantic [theatlantic.com]

84

CONCEPT

Bijlage 6 Slavernij in Indonesië Het meest uitgebreide, recente onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden in Indonesië is van de hand van Reggie Baay. Nadat Baay uitgebreid heeft beschreven dat er allerlei nuanceringen mogelijk zijn op de vermeende hardheid van de slavernij in de Amerikaanse koloniën tegenover de vermeende zachtheid in Nederlands-Indië, concludeert hij: ‘Niettemin was het merendeel in de West werkzaam als plantageslaaf (met dat doel werden ze ook in Afrika gekocht en vervolgens naar Amerika verscheept), terwijl de slaven in de Oost voor het grootste deel werden gebruikt in de 'domestieke dienstverlening'. Dit zorgde in de regel ook voor een verschil in behandeling. Hadden de slavenhouders in de West alle belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst van hun plantage en schroomden ze niet om met dat doel hun slaven zo hard mogelijk te laten werken en zo nodig stelselmatig te mishandelen, in de Oost, waar de meeste particuliere slaven werden gebruikt ten behoeve van het comfort van de slavenhouder en zijn gezinsleden, ontbrak die noodzaak veelal. Illustratief voor dit verschil is dat in de West over het algemeen de hoogste prijzen werden betaald voor de krachtigste en grootste slaven en in de Oost voor de meest vaardige handwerkslieden en meest bevallige slavinnen.

Ook de aard van het werk dat de slaven moesten verrichten zorgde uiteraard voor een groot verschil; het maakt voor iemands lichamelijke en geestelijke gezondheid immers nogal wat uit of men als slaaf de hele dag in de brandende zon suikerriet moet kappen onder het toeziend oog van een hardvochtige blanke 'meester', of dat men het koper moet poetsen en vervolgens het eten moet bereiden.’ (257) Terecht voegt hij daar wel aan toe: ‘wat natuurlijk essentieel is, is dat er eeuwenlang in Indië onder Nederlandse heerschappij een situatie heeft bestaan waarbij de ene mens tegen zijn of haar wil tot bezit van de andere mens is gemaakt, en dat hem of haar daarbij de zeggenschap over het eigen leven werd ontnomen. Dát is de kern van slavernij.’(258) Reggy Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht; slavernij in Nederlands-Indië. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep, 2015.

Andere literatuur m.b.t. het Nederlandse Indisch-Oceanische slavernijverleden Alicia Schrikker & N.K.Wickramasinghe (Eds.), Being a slave. Histories and legacies of European slavery in the Indian Ocean. Leiden: LUP, 2020. Matthias van Rossum,, Kleurrijke tragiek; de geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC. Hilversum: Verloren, 2015. Rik van Welie, Patterns of slave trading and slavery in the Dutch colonioal World, 15961863. In Gert Oostindie (ed.), Dutch colonialism and cultural heritage. Leiden: KITLV Press, 2008, 155-260. Boudewijn Sirks, ‘Het recht om huysselyk te castyden’; slavernij in Oost-Indië, 1602-1860. In Remmelt Daalder e.a. (red.), Slaven en schepen; enkele reis bestemming onbekend. Leiden: Primavera Pers, 2001, 85-91. 85

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10884894/1