1. RVNTASM_Verkenningsrapport_Met de kracht van de voorouders 20210430.pdf
Tekst van het document
Ook bij laatstgenoemden zitten onderzoekers en experts, maar dan met een andere dan een academische invalshoek. Deel van dat onderzoekscentrum is ook een publieke museale werkplaats waar aan verrijking van kennis en interpretaties van het slavernijverleden wordt gewerkt. Mensen kunnen daar bijvoorbeeld hun eigen familiegeschiedenis gaan uitzoeken, maar laten dat als bijdrage aan de grotere geschiedenis, met hun verhalen eraan toegevoegd, ook achter. Nieuwe museale presentaties komen tot stand met medewerking van het onderzoekscentrum en de publieke werkplaats. En hetzelfde geldt voor het organiseren van publieke bijeenkomsten in de vorm van herdenkingen, vieringen, debatten, lezingen, en conferenties. In de combinatie van onderzoekscentrum en werkplaats worden ook nieuwe educatieve projecten ontwikkeld waarvoor educatoren en docenten uit het onderwijs worden
23
CONCEPT
uitgenodigd. Het geheel fungeert als laagdrempelige vraagbaak voor alles met betrekking tot het slavernijverleden en de hedendaagse doorwerking en erfenissen daarvan. Daarnaast, of eigenlijk in samenhang daarmee beschikt het museum over een theater. Daar wordt een deel van de publieksactiviteiten ondergebracht en daar kan ook gemakkelijker dan in de expositiezalen worden ingesprongen op de actualiteit, door er iets te organiseren. Maar minstens zo belangrijk is deze (multifunctionele) theaterruimte voor het tonen en ‘performen’ van immateriële cultuur. Veel van de culturele rijkdom uit het slavernijverleden en daarna leent zich niet voor een vitrine, een lijst aan de muur of een interactieve game of audio-visual. Het moet samen beleefd worden en daar is ruimte voor nodig. Tegelijk zijn er ook vele hedendaagse expressies op het gebied van theater, spoken word, dans, muziek, film en combinaties van dat alles die onlosmakelijk bij het verhaal van het museum horen, maar wel een eigen, (theaterachtige) ruimte nodig hebben, naast de expositiezalen voor (semi)permanente en tijdelijke tentoonstellingen.
Oprah Winfrey Theatre in NMAAHC museum Washington
Kuenta i Tambú, Antilliaanse Feesten
(Inter)Nationale betekenis van het slavernijmuseum Er is geen museum in Nederland dat zo bewust en zo grondig een vormend stuk geschiedenis aan de samenleving wil en kan teruggeven en daarmee ook bewust mee kan werken aan een eerlijker samenleving. Er is ook geen museum in Nederland, en zelfs wereldwijd zijn er maar heel weinig, waarin zo structureel en in een breed perspectief de kracht van Afrikanen in diaspora wordt getoond. In Nederland zijn eigenlijk maar drie andere instellingen ook op dit terrein bezig. Het grote verschil is echter dat geen van drie zo breed en diep kan gaan en tegelijkertijd zijn ze een prachtige aanvulling omdat ze de slavernij in samenhang met andere historische en hedendaagse fenomenen kunnen laten zien. Zo toont het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem de trans-Atlantische slavernij als een van de vele onderdelen van de hele Nederlandse historische canon. Het Tropenmuseum zal in 2022 de transAtlantische slavernij gaan tonen in samenhang met de Indisch-Oceanische slavernij20 en de hele koloniale geschiedenis met haar erfenissen. En ten slotte is er de Black Archives die ook tijdelijke exposities organiseert, maar dan vooral over het heden en de Zwarte geschiedenis 20
Met Indisch-Oceanische slavernij wordt in dit geval voor Nederland bedoeld, de slavernij die plaatsvond door en/of onderverantwoordelijkheid van de VOC, in het gebied van de Indische- of Stille Oceaan. In hedendaagse termen gaat het dan onder meer om delen van: Zuid-Afrika, Zanzibar, Mauritius, India, Sri Lanka en Indonesië. Het onderzoek daarover is nog niet zo lang geleden op gang gekomen.
24
CONCEPT
van na de slavernij. Daarnaast zijn er verschillende Nederlandse musea met grote Aziatische/Indonesische collecties (o.a. drie van de vier NMVW-musea, het Rijksmuseum, Museum Bronbeek, Museum Sophiahof), met wie het slavernijmuseum graag zou willen samenwerken om bij hen het Indisch-Oceanische slavernijverleden permanent in beeld te brengen. Op hun beurt zouden zij tijdelijke tentoonstellingen over dit en aanverwante onderwerpen in het slavernijmuseum kunnen helpen maken. Door zich te richten op de geschiedenis van de Afrikaanse diaspora in de Nederlandse Black Atlantic krijgt het museum een geheel eigen plek in het museale landschap, die ook door de collega instellingen graag wordt gezien. Een enquête die hiernaar vroeg en door 23 Nederlandse musea is beantwoord, laat daarover geen misverstand bestaan (zie Bijlage 2, WG-2, Deelrapport Enquête). Op de vraag of er een zelfstandig slavernijmuseum moet komen en of daar plaats voor is in het museale landschap gaf de overgrote meerderheid van de 23 musea daarop een zeer positief antwoord. Ze vinden een (substantieel) slavernijmuseum een meerwaarde bieden aan het museale en educatieve landschap. Kernwoorden die worden genoemd: bewustwording, herinnering, erkenning, herkenning, informeren, discussieplatform bieden, relaties met heden leggen, actueel, urgent, genuanceerd, duidend, niet belerend, beeldend.
De meerderheid van de bevraagde musea juicht het dan ook een permanente plek, een eigen huis voor het slavernijverleden toe. De meeste willen daarmee ook samenwerken en bevelen tevens samenwerking met het onderwijs aan. Ook willen de bevraagde musea graag meewerken aan collectiebruiklenen en het delen van museale expertise, en zouden op hun beurt graag inhoudelijke expertise van het slavernijmuseum terug willen krijgen. Een aantal musea is ook zelf al begonnen, al dan niet tijdelijk, om iets met het slavernijverleden te doen. Ook is een aantal al actief bezig met het vervangen van eurocentrische en koloniale terminologie door een veel inclusiever en dekoloniaal taalgebruik. Wel vindt een aantal dat ook de Indisch-Oceanische slavernij in het slavernijmuseum zou moeten worden behandeld. Maar door dat onderdeel juist in de voornoemde netwerkconstructie met de vele Aziatische erfgoedinstellingen in Nederland te gaan beleggen krijgt dat op deze wijze een bredere en emanciperender dynamiek. Het transAtlantisch Slavernijmuseum wil graag helpen bij het bevragen van de bestaande IndischOceanische collecties in Nederland. Kortom, het museum wil een ‘hub’ zijn in een netwerk van instellingen. Die functie gaat uitstekend samen met de publieke functie van podium voor het gesprek over het slavernijverleden en de doorwerkingen daarvan.
Ook internationaal wil het museum leren hoe elders de Zwarte historische en hedendaagse ervaringen worden gepresenteerd. Tegelijk kan het museum het verhaal van de Nederlandse Afrikaanse diaspora -verteld vanuit Zwarte perspectieven- toevoegen aan het internationale verhaal en omgekeerd. Zo levert het ook een Nederlandse bijdrage aan het internationale debat. Daarom is al in dit stadium een steekproefonderzoek gedaan naar ‘slavernijmusea’ wereldwijd, waarvan er 25 zijn bekeken (zie Bijlage 2, Rapport Slavernijmusea Wereldwijd A en B). Uit deze steekproef blijkt onder meer dat er nog nauwelijks musea zijn die het Afrikaanse diasporaverhaal van slaafgemaakten en hun nazaten belichten vanuit de perspectieven van de betrokkenen zelf. Er zijn slechts enkele musea zo exemplarisch dat het Nederlandse museum daar graag een voorbeeld aan neemt. Het NMAAHC is daarvan de belangrijkste. Een heel belangrijke les is bijvoorbeeld dat de Zwarte gemeenschappen vanaf 25
CONCEPT
het allereerste begin betrokken moeten worden bij de totstandkoming van het museum en zich mede-eigenaar moeten voelen. Dat kan bijvoorbeeld door hen actief te betrekken bij het verzamelen van materieel en immaterieel erfgoed. In Europa bevinden de meeste slavernijmusea zich in havensteden, vrijwel overal als onderdeel, of afdeling van een groter museum. Daarmee ontbreekt het enigszins aan nationale uitstraling. In Londen en Parijs bestaan nu ook –soms zelfs al een heel aantal jareninitiatieven voor nationale slavernijmusea. Amsterdam kan in deze trend de voorzet geven en voorbeeld stellend voor Europa zijn. Nu al heeft het International Slavery Museum in Liverpool aangegeven de Amsterdamse insteek van het centraal stellen van de kracht van de Afrikaanse diaspora heel interessant te vinden. Een belangrijke bevinding uit het internationale onderzoek is ook dat musea met een eigen en nieuw gebouw zich het gemakkelijkst kunnen losmaken van een dominant westers perspectief. De symboliek die uitgaat van een krachtig architectonisch gebaar blijkt het tegelijk ook gemakkelijker te maken om de focus te leggen op trots en veerkracht in plaats van slachtofferschap. Ook dat is voor Nederland een belangrijk leerpunt. Evenals de spotlight op culturele dynamiek en hoe die onderdeel is van de hedendaagse samenleving.
National Museum of African American History and Culture (NMAAHC) Washington
Museo Afro Brasil Sao Paolo
Museo Tula Curaçao
26
CONCEPT
International Slavery Museum Liverpool
Museumfort ElMina, Ghana
Monument Nantes
Slavernijmonument Ouidah, Benin
27
CONCEPT
3 Wat is het museale concept? -
-
-
Voorwaarden Het gebouw De Buitenruimte o Water o Park Locatie Digitale dimensie Een museum in fasen Een netwerkmuseum o Zakelijk- organisatorisch o Inhoudelijk o Maatschappelijk o Internationaal Resumerend
Om de rol als spin in het web van het nationale slavernijverhaal van toen tot nu en van daar tot hier, duurzaam te kunnen vertellen is een sterk, groot en multifunctioneel museum met theaterfunctie en onderzoeks- & kenniscentrum noodzakelijk. Daarnaast ligt het voor de hand dat het museum de belevingsdimensie die in de opdracht wordt genoemd, wil onderbouwen met evocatieve en interactieve publieksgeoriënteerde opstellingen waarvan de ervaring leert dat ze pas goed werken als ze letterlijk de ruimte krijgen. Dit permanente museum zal van het begin af aan samenwerken met andere musea en cultuurinstellingen in het land, om ook daar slavernij-gerelateerde exposities en evenementen te (helpen) organiseren in een zogenaamd netwerkmodel. Dat betekent dat het museum instellingen, inclusief het onderwijs overal in het land steunt bij het maken van slavernij/Afrikaanse Diaspora gerelateerde (educatieve) producties en dat zij op hun beurt het museum steunen met bruiklenen, kennis toegang tot scholen etc. Behalve de missie, visie en kernwaarden van waaruit het museum werkt is een sleutelbegrip voor de dagelijkse denk- en werkwijze: CONNECTIE.
Dat is in een heel aantal zaken terug te zien - Museum en sociale verandering, geëngageerd met de samenleving - Co-creatie met bezoekers en andere 'partijen'; - Interactie tussen alle stakeholders; - Multifunctionaliteit & flexibiliteit in de fysieke dimensie van het museum; - Erfgoed & kunst als aanvulling en verdieping van het verhaal en van elkaar; - Materialiteit, immaterialiteit & spiritualiteit als de drie onlosmakelijk verbonden dimensies van het verhaal; - Binnen & buiten als de twee fysieke kanten van het museum én als outreachend centrum; - Expositie(s) & Programma & events zijn samen het museum 28
CONCEPT -
Toen & nu, de Afrikaanse diaspora van toen en haar betekenis voor/in Nederland nu; Hubfunctie & netwerk.
Voorwaarden In de voorafgaande hoofdstukken is al heel een aantal referenties gemaakt aan de contouren van het museum. Het is multifunctioneel, een plek van educatie, ontmoeting, dialoog, herdenking en be-/in-leving. Het gaat over de geschiedenis van door Nederland gedwongen diaspora uit Afrika, waarin slavernij een centrale plaats inneemt. De focus zal echter liggen op de kracht van de diaspora van voor de slavernij, tot ver daarna, namelijk nu. Het moet bovendien ruimte geven aan onderzoek, veel interactie met de bezoekers en een intensieve programmering in en niet in het minst ook buiten het museum. Er zal veel nieuwe en dékoloniale ‘collectie’ moeten worden ‘geproduceerd om niet tóch ongemerkt en ongewild in een koloniaal of Europees perspectief terecht te komen, Zwarte perspectieven zijn leidend. En het diaspora-erfgoed uit de tijd van de slavernij is meer immaterieel dan materieel van aard. Het museum wil reflectie bieden én sociaal engagement en actie. Het is er in principe voor alle inwoners van Nederland en voor iedereen daarbuiten die belang stelt in dit specifieke verhaal. Iedereen moet zich op z’n minst met onderdelen van het museum(verhaal) kunnen identificeren. Het moet dus gelaagd, divers, en interactief zijn.
Tegelijk moet het zo werken dat het museum dit verhaal en de vragen die het oproept over de actualiteit, geaccepteerd maakt als behorend tot het nationale verhaal van toen en nu. En, zeer belangrijk, het museum wil een hub zijn in een netwerk van culturele en erfgoedinstellingen, nationaal en internationaal. Kortom, een uitdaging om daarop een alomvattend en coherent concept te bouwen. En dat is absoluut mogelijk.
Het gebouw Het voorgaande leidt in ieder geval tot een aantal aannames. In de eerste plaats is een nieuw gebouw het allermeest geschikt om volledig aan al deze dimensies en voorwaarden te kunnen voldoen. Met een bestaand gebouw zal het waarschijnlijk toch schipperen blijven, omdat de presentatie van het verhaal zich aan het gebouw moet aanpassen in plaats van andersom. Bovendien heeft ieder bestaand gebouw een eigen geschiedenis, terwijl dit gebouw nu juist nieuwe geschiedenis moet schrijven. In de tweede plaats zal het gebouw zeer open en toegankelijk moeten zijn om voor een zo veelzijdig publiek met zowel heel veel als heel weinig museumervaring welkom te zijn. Tegelijk zal het ook heel flexibel moeten zijn, als gebouw, om te kunnen schakelen tussen alle verschillende functies. Bijvoorbeeld de combinatie in house events, tijdelijke en vaste tentoonstellingen vraagt om verschuifbare muren, rollende horecavoorziening, flexibele security en klimaatbeheersing en gemakkelijk veranderbare routings. In de derde plaats wil het een museum van co-creatie zijn. Niet alleen op het gebied van de ontwikkeling van tentoonstellingen en programmering, maar ook op onderzoeksgebied. Zo is er centraal in het museum een heel open Familie- & Verhalenruimte waar Afro-bezoekers digitaal hun diaspora-stamboom kunnen uitzoeken en ook informatie toevoegen.
Via een gebruikersvriendelijke av-installatie kunnen alle bezoekers die dat willen bovendien hun eigen (levens)verhalen achterlaten over gebeurtenissen die gaan 29
CONCEPT
over de interactie tussen Zwart en Wit. Iedereen kan hier dus een verhaal achterlaten en iedereen kan er luisteren en kijken naar elkaars verhalen. Daarnaast is er een Werkplaats & Studioruimte waar programma’s worden voorbereid en doorontwikkeld in co-creatie met een mozaïek aan mensen van buiten het museum. Die werksfeer is zichtbaar voor bezoekers, maar niet hoorbaar. De studio daarentegen heeft een heel open gedeelte waar de kunstenaars die er bezig zijn aan een werk voor het museum zichtbaar én benaderbaar zijn. Het gesloten gedeelte is voor werk dat geluid produceert of juist stilte nodig heeft (audio-visueel). Gekoppeld hieraan is er een Onderzoeks- en Kenniscentrum. Daar werken in het voor publiek gesloten gedeelte eigen en uitgenodigde onderzoekers aan onderzoek dienstig aan de museumcollectie, de programmering, educatieve projecten en meer ‘vrij’ onderzoek. Het kennisdeel is een laagdrempelige vraagbaakplek voor bezoekers, educatoren en anderen. Vanuit dit Onderzoeks & Kenniscentrum wordt ook een (digitale) wand of ander soort mediumplek in het museum onderhouden die de actualiteit bijhoudt. Dit onderschrijft de urgentie van het museum en voedt de gesprekken en mensen kunnen er een digitale chat beginnen.
In het werkplaats & onderzoeksdeel van het museum, of elders in het gebouw, dan wel flexibel naar gelang de tentoonstellingen, is er een Educatieve Ruimte waar schoolklassen ontvangen kunnen worden en van waaruit ze in- en uit kunnen stromen naar en van de exposities en waar zij ook activiteiten kunnen doen. Ook zijn er her en der in het museum zithoekjes waar mensen, al of niet met een educatieve medewerker van het museum erbij even kunnen gaan zitten praten of discussiëren met elkaar. Zoals eerder gezegd zal er veel kunst worden ingezet om het verhaal van het museum te kunnen vertellen. Dat geldt zowel voor de vaste opstellingen als voor de tijdelijke exposities. Zeker hedendaagse beeldende kunst heeft ruimte nodig om te kunnen ‘ademen’. Het museum moet daarop toegesneden zijn. Daarnaast bestaat een belangrijk deel van de Afrikaanse diasporacultuur uit immateriële elementen die alleen als uitvoerende kunst of ceremonieel getoond en beleefd kan worden. Bovendien moet dat zowel binnen als buiten kunnen, want niet alles komt in een gesloten ruimte tot zijn recht, omdat het nu eenmaal voor buiten bedoeld is, of omdat het voor de bescherming van de collectie niet verantwoord is het binnen te doen (zand, water, vuur, binnenkomende insecten etc.). Dat betekent dat er zowel binnen als buiten performance-ruimtes moeten zijn.
De binnenruimte kan echt een theaterruimte zijn, waar ook debatten, lezingen en andere optredens plaatsvinden. De buitenruimte kan een heel simpele zijn in de vorm van een vast podium met flexibele zit- of staanplaatsen eromheen en een flexibel tentdak. Kunst is overigens veel meer dan een geschiedenisboek, reisgids of plaatje bij een praatje. Het heeft vooral ook een grote artistieke en esthetische kracht en betekenis van zichzelf. Aangezien het veelal het werk van Zwarte kunstenaars zal betreffen, toont ook dit aspect weer de kracht en overlevingsdrift van de Afrikaanse diaspora. Bovendien zal dit aspect van het museum ook zeker een apart publiekssegment aantrekken. Er kan daarom een kunstspoor door het museum worden aangelegd. Dat geldt overigens ook voor muziek. Afgezien van de voornoemde praathoekjes in het museum heeft het museum ook een grotere Reflectieruimte zowel binnen als buiten. De interne reflectieruimte is zo gesitueerd dat mensen er gemakkelijk op ieder moment van hun bezoek even kunnen gaan zitten om 30
CONCEPT
alles op zich te laten inwerken en eventueel met elkaar of anderen bespreken. Daar is ook altijd een educatieve medewerker of gastheer/vrouw aanwezig. Er is gelegenheid om muziek te luisteren. Het grootste deel van de museumruimte is expositieruimte. De indeling en het ritme van het centrale verhaal en bijbehorende tijdvakken, thema’s en locaties zijn maatgevend voor de indeling daarvan. Het verdient aanbeveling de eerste en de laatste episode van het verhaal, die in het hier en nu zijn gesitueerd en deels ook met Bekende Zwarte Nederlanders, van buitenaf heel zichtbaar laten zijn, dat verlaagt de drempel en maakt het onderwerp ‘lichter’. Daarnaast worden aparte onderwerpen gepresenteerd in twee ruimtes, een kleine en een grote, maar zo flexibel dat er ook één ruimte van kan worden gemaakt, voortijdelijke exposities. Deze ruimte(s) zijn relatief groot, zodat de tijdelijke tentoonstellingen prominent genoeg kunnen zijn om regelmatig herhaalbezoek te stimuleren.
De Buitenruimte Onlosmakelijk verbonden met het fysieke gebouw van het museum is de buitenruimte eromheen, waar ook een deel van het verhaal en van de museale functies gesitueerd zijn. De natuurlijke elementen zijn van cruciaal belang voor het verhaal en voor de spirituele aspecten van de Afrikaanse diaspora. Water Over het water van de Atlantische Oceaan zijn de betrokkenen gedwongen in diaspora moeten gaan. Daar vond de tweede fase plaats van het traumatische proces van tot slaaf maken. In Suriname waren alle plantages en de stad Paramaribo gelegen aan rivieren, de Caribische eilanden waren allemaal omringd door de zee. In Suriname moest op de ingepolderde plantages altijd tégen het water worden gestreden, op de eilanden moest vanwege vaak langdurige droogtes altijd óm water worden gestreden. Tegelijk was in beide koloniën op verschillende manieren water dienstig aan marronage, als vluchtroute en als bescherming. En uiteindelijk is een belangrijk deel van de diaspora over of boven het water in Nederland terecht gekomen. Tegelijk heeft water ook een sacrale betekenis. Niet alleen zijn de verschillende goden en religieuze systemen over het water meegekomen van Afrika naar de Amerika’s, het water zelf is ook het huis, letterlijk en figuurlijk, van verschillende goden en geesten.
Van Brazilië tot Cuba worden de Westafrikaanse watergodinnenYemaya en Oshun vereerd, Suriname kent vanaf het begin van de diaspora de Watramama, nu in hetzelfde gebied van West-Afrika ook bekend als de Mami Wata. Met water worden plengoffers gebracht, met water wordt ook de christelijke doop uitgevoerd. Idealiter zou het mogelijk moeten zijn met een pontje bij het museum te komen. Daar zou vast een deel van de verhaalervaring kunnen beginnen. Ooit is daar al succesvol mee geëxperimenteerd in het theaterproject Slavernij Moment NU (Theatre Embassy 2003) dat zich afspeelde op het NDSM terrein, maar al achter het Centraal Station op een pont begon met verschillende korte voorstellingen gedurende de overtocht.21
21
Zie zo’n voorstelling op de pont [https://vimeo.com/60729517]
31
CONCEPT
Park Het museumpark om het gebouw is net zo multifunctioneel als dat gebouw zelf. Het biedt, zoals gezegd, ruimte aan alle mogelijke performances en evenementen. Ook biedt het ruimte aan dat deel van de materiële en immateriële cultuur die te maken heeft met planten, bomen, kruiden en groenten. Behalve met de –bepaald niet onbelangrijke– eetcultuur heeft dat alles te maken met de natuurgeneeskunde. Deels staat deze op zichzelf –voor iedere kwaal bestaat een natuurlijk geneesmiddel– deels is deze onlosmakelijk verbonden met de spiritualiteit. Afroreligies zijn holistisch in de zin dat er geen scheiding is tussen lichaam, geest en het bovennatuurlijke. Een genezer is dus arts en psycholoog en priester in één. Bovendien zijn in het park ook andere natuurlijke elementen aanwezig die zoals de bomen van de bosgoden of geesten, de open lucht van de luchtgeesten en in bovenal de grond van de aardegodin of moeder aarde. Niet voor niets staat in Amsterdam Zuidoost al een beeld van Mama Aïsa, Moeder Aarde in een parkachtige omgeving omringd door water, en evenmin is het voor niets dat in het Amsterdamse Vondelpark het Curaçaose beeld van Mama Baranka (Moeder Rots) staat.
Niet alleen zal zij ook in het museumpark een plaats krijgen, er kunnen monumenten voor vele Afro-diaspora goden en geesten worden geplaatst, maar bijvoorbeeld ook voor de Afro-Caribische heiligen die een eigen leven buiten de RK kerk hebben en in ieder geval een plek waar de diaspora-spiritualiteit actief kan worden beleefd. Hier moet ook een plek zijn waar de Afro-voorouders op ieder moment actief kunnen worden herdacht. Niet iedereen zal zich kunnen vinden in een spiritualiteit met meerdere goden. Iedereen kan echter op diens eigen manier respect betuigen aan de –kracht van– de voorouders. Daarnaast is het park de tweede plek, behalve in het museumgebouw, waar mensen zich kunnen bezinnen, een plek van contemplatie met de natuur om zich heen. Ook zal het park de omgeving zijn voor kunst die voor de buitenruimte is gemaakt. Bovendien is het verstandig een deel van de horeca ook in de openlucht te plaatsen, gezien de populariteit van de terrassencultuur in Nederland.
V.l.n.r.: Mama Baranka van Nelson Carillho in het Vondelpark; Mama Aisa van Chariem Oren in de Bijlmermeer; Mama Culture van Yubi Kirindongo in Willemstad, Curaçao
32
CONCEPT
Locatie Het gebouw en zijn directe omgeving zijn dus onomstotelijk zelf ook deel van het verhaal dat wordt gepresenteerd. Daarom is de keus niet voor een bestaand gebouw, dat al een geschiedenis van zichzelf heeft. Duidelijk is ook dat de ideale locatie aan stromend water ligt. Historisch gezien dan het IJ het meest logisch, want van daaruit vertrokken schepen met vracht voor het trans-Atlantisch slavernijsysteem en via het IJ kwamen van de zeventiende tot aan het midden van de twintigste eeuw de meeste personen uit de Afrikaanse diaspora hier aan, hier begon voor hen Nederland. De Amstel is een voor Amsterdam eveneens belangrijke bron van stromend water, maar heeft minder die directe historische band met het Diasporaverhaal, afgezien natuurlijk van de woon- en pakhuizen van slavenondernemers. Ook onomstotelijk is dat er ruimte moet zijn voor een substantiële natuurlijke, parkachtige buitenruimte rond het museum. Daar moet zowel enige tuinbouw (in kassen?) kunnen worden bedreven, er moet ruimte zijn voor een buitenpodium, ruimte voor spirituele ceremonies (altaren, tempel?) en plekken voor reflectie. Het geheel van gebouw & park aan het IJ of eventueel de Amstel, moet goed zichtbaar zijn om het nationale gebaar dat met dit gebouw en zijn verhaal wordt gemaakt te onderstrepen. Het moet goed bereikbaar zijn met het OV, touringcar en particulier vervoer.
De auto misschien in iets mindere mate als er een goede OV-verbinding van parkeergelegenheden in de omtrek naar het museum is. Het mag geen plek zijn die door mensen uit de Afrikaanse diaspora wordt ervaren als ‘besmet’ door de geschiedenis. Het moet relatief gemakkelijk te verwerven zijn. De werkgroep van de Gemeente Amsterdam die in overleg met Museum zonder Muren zich over potentiële locaties heeft gebogen is met een longlist en een shortlist gekomen. De bestaande gebouwen die daarin worden genoemd zijn voor deze verkenning alleen van belang voor een pop up (zie hieronder) voor het museum wordt, zoals gezegd, geopteerd voor nieuwbouw. Voor de Regiegroep zijn daarbij de meest logische opties in of aan het IJ –m.n. het centrumgebied noordelijke IJ-oever– of eventueel de Amstel. Digitale dimensie Afgezien van het gebouw en de buitenruimte heeft het museum ook een digitale dimensie. Behalve de gebruikelijke functies voor p.r., bezoekvoorbereiding en programma-informatie, wordt hier nog een aparte informatielaag aangeboden. Een deel is bedoeld voor het onderwijs ter voorbereiding en/of na afloop van een bezoek, of zelfs in plaats van een bezoek door een digitale tour door het museum te maken, met interactieve onderdelen erin.
Een ander deel geeft verdieping bij verschillende onderdelen uit het museum (tijdvakken, objecten in de spotlight, kunstachtergrond, performances) met extra uitleg. Ook worden er producties uit de eigen av-studio getoond, wellicht een eigen video-kanaal, er wordt een discussieplatform onderhouden en worden activiteiten door heel Nederland bijgehouden, zodat er bij elkaar een eigen community kan ontstaan.
Een museum in fasen Het museumproject is ambitieus en urgent. Zoals al eerder gezegd, is dat de enige manier om inclusiviteit te realiseren in relatie tot de Afrikanen in diaspora en het Nederlandse deel van die geschiedenis. Het is de enige manier om die geschiedenis en haar hedendaagse erfenissen 33
CONCEPT
en doorwerkingen werkelijk serieus te nemen en deel van de Nederlandse natie te laten worden. In het huidige tijdsgewricht betekent dit dat er niet te lang gewacht kan worden met de realisatie van dit initiatief. Zodra dan ook de definitieve beslissing is genomen moet er zo snel mogelijk daarna intensief worden begonnen met het inhoudelijk werk. De eerste zichtbaarheid daarvan zou moeten plaatsvinden in een pop up of tijdelijke constructie, waarvoor al is geopperd dat het Paleis op de Dam een aantal zalen zou kunnen openstellen. Tegelijkertijd moet op de plaats waar het museum komt te staan worden begonnen met de bouw van het definitieve museum, maar wel in fasen. Ook hiervoor geldt namelijk dat er zo snel mogelijk iets te zien en te gebeuren moet zijn. Dat betekent dat er een vorm van modulair bouwen wordt toegepast.22 Dat wil zeggen dat niet meteen het hele gebouw wordt neergezet, maar dat het in modules wordt opgeleverd, waarvan de eerste al volop in bedrijf is terwijl de volgende wordt opgebouwd. Dat heeft natuurlijk ook nadelen en vereist een nauwkeurige planning. Zo zal het heien voor alle gebouwen moeten plaatsvinden vóór de opening van de eerste module en moeten alle bouwactiviteiten zo worden ingericht dat het bij module 1 al zeer aantrekkelijk is om het museum te bezoeken, en het bezoek niet wordt gestoord. Lastig, maar zeker mogelijk.
Het grote voordeel van deze vorm van modulair bouwen is dat het niet vele jaren hoeft te duren voor het museum zichtbaar en actief is en groepen kan bedienen. Bovendien zal er bij iedere opening van een volgende module nieuwe publiciteit en nieuw publiek gegenereerd worden. Tegelijk maakt het mogelijk om de kosten enigszins te spreiden in de tijd, maar ook over financiers. Zo is het denkbaar dat een maatschappelijke partij zegt wel een (deel van een) module te willen (co-) financieren. Hoe de fasering en met hoeveel modules eruit moet komen te zien is aan de kwartiermaker in de volgende fase van dit project. Een logische volgorde zou bijvoorbeeld kunnen zijn: Module 1: Hoofdgebouw met entree, helft van de expositiezalen (inclusief familiezaal), educatieruimte, tijdelijke theaterruimte, vraagbaak-desk, kleine horeca, medewerkersruimte en de helft van het park; Module 2: tweede helft van de expositiezalen (inclusief die voor tijdelijke expo’s), werkplaats, definitief theater, grote horeca, winkel en klein depot; Module 3: kantoren, onderzoekscentrum, tweede helft park en definitieve buitenruimte. Module 4: extra ruimte voor permanente niet-Atlantische Nederlandse slavernijgeschiedenis. Gedurende fase 0, 1 en 2 wordt in de buurt kantoorruimte gehuurd voor ontwikkelteam, museumstaf en onderzoek.
Een netwerkmuseum Het Slavernijmuseum wil een netwerkmuseum zijn. Dat betekent in ieder geval dat het wil ‘connecten’ met anderen. Op zeer verschillende niveau’s en met behoud van zelfstandigheid en een eigen identiteit. Dat kan op vele manieren In dit geval gaat het om vier dimensies: Zakelijk-Organisatorisch samenwerken in een netwerk van musea en eventueel andere erfgoedinstellingen 22
Met een vorm van modulair bouwen wordt bedoeld dat de verschillende onderdelen van een gebouw geprefabriceerd worden en vervolgens in zijn geheel op de bouwplaats geplaatst. Dat kan hier eventueel ook gebeuren, maar in ieder geval betekent het ook een gefaseerd bouwtraject van complete gebouwen (modules) achter elkaar.
34
CONCEPT
Inhoudelijk samenwerken in een netwerk van erfgoed-, kunst-, cultuur en onderzoeksinstellingen Maatschappelijk samenwerken in een netwerk dat sociale verandering nastreeft. Internationaal samenwerken
Het allerbelangrijkste netwerk dat het museum vanaf het allereerste moment gaat opbouwen is de bezoekersgemeenschap die het op alle mogelijke manieren aan zich weet te binden. De relatie met hen is niet die van producent – consument, maar van gesprekspartners. Ook de bezoekers produceren inhoud en kennis voor het museum en onder hen bevinden zich net zo goed experts als bij de museumstaf. Zij zorgen mede voor het imago en de invloed van het museum. Alleen door hen wordt het een levend museum. Zakelijk-Organisatorisch Op basis van interviews, workshops, een enquête en verkennende gesprekken met andere musea zijn verschillende opties voor samenwerking de revue gepasseerd. (zie daarvoor ook Bijlage 3, Netwerk en partners). Hier wordt alleen de meest ideale behandeld. Dat zou betekenen een museum dat in een cluster van (museale)instellingen samenwerkt op bepaalde terreinen, maar verder een eigen onafhankelijke directie, management en juridische structuur heeft. De samenwerking zou dan hoofdzakelijk liggen op het terrein van de bedrijfsvoering: IT, personeelsadministratie, beveiliging, gebouwbeheer, depotruimte en techniek (denk aan klimaatbeheersing, luchtzuivering, lichtinstallatie e.d.).
Dat organisatorische kan zelfs iets richting inhoud gaan als ook delen van collectiebeheer (registratie, bruikleenverkeer e.d.), collectiebehoud (restauratie en conservering) en delen van communicatie, marketing en programmering –vanuit een eigen, zelfstandige afdeling- in samenwerking zouden gebeuren (denk aan specifieke gezamenlijke events, kalenders op elkaar afstemmen, scholenprogramma’s afstemmen of combineren e.d.). Er is ook met musea buiten Amsterdam gesproken (Zeeuws Netwerk), maar ondanks het digitale tijdperk, lijkt nabijheid in een zakelijk-organisatorische vorm van samenwerking toch wel een belangrijke voorwaarde. Dus is er op dit vlak verder gepraat met Amsterdamse musea die, op het Rijksmuseum na, al in enige vorm van netwerk/cluster samenwerken (Tropenmuseum/NMVW, Amsterdam Museum, Scheepvaartmuseum en NEMO).23 Zij blijken allemaal open te staan voor vormen van samenwerking op dit terrein. Wel is duidelijk dat het de voorkeur verdient om met één museum/cluster in zee te gaan en niet voor verschillende onderdelen met verschillende samenwerkingspartners. Inhoudelijk Samenwerking op inhoudelijk gebied kan geheel los staan van de zakelijk-organisatorische samenwerking en kan ook op meerdere vlakken. In de eerste plaats betreft dat 23
Amsterdam Museum werkt samen onder de noemer Amsterdam Heritage Museums met het Bijbels Museum, Museum Willet-Holthuysen, en Museum Ons Lieve Heer op Solder; Het Tropenmuseum is gefuseerd met het Volkenkunde Museum in Leiden, Afrika Museum in Berg en Dal en werkt intensief samen met het Wereldmuseum Rotterdam in het Nationaal Museum voor Wereldculturen; het Scheepvaartmuseum werkt samen onder de koepel Expeditie Oosterdok met de OBA, het BIMhuis en NEMO, ook is hun collectie, samen met die van de andere belangrijkste maritieme musea, digitaal toegankelijk in de Stichting Maritiem-Historische Databank).
35
CONCEPT
bruikleenverkeer van collectie, dat in Nederland zeer goed geregeld en zeer gebruikelijk is. Heel veel musea lenen zich ervoor om op dit vlak tijdelijke, geregelde of permanente samenwerkingsverbanden aan te gaan, aangezien er nogal wat museumcollecties zijn waarin zich slavernijgerelateerde objecten bevinden. Voor de meeste musea is dat vaak niet eens kerncollectie, voor dit museum wellicht wel. De samenwerking kan daarin veel verder gaan dan alleen de bruikleen. De bruiklener krijgt door de expertise van het Slavernijmuseum toegevoegde waarde in retour door extra informatie, verhalen en eventueel koppeling aan andere objecten elders. Ook kan, zeker met meer permanente partners worden overgegaan tot ‘bruiklenen’ of uitwisseling van conservatoren om elkaars kennis te bevorderen. En ten slotte kan ook uitwisseling plaats vinden om bij elkaar tijdelijke tentoonstellingen op te zetten. In het algemeen zal datgene wat het Slavernijmuseum te bieden heeft vooral op het vlak van inhoudelijke expertise zijn en ruimte voor tijdelijke exposities. Zelf legt het museum niet meer dan een kleine kerncollectie aan (zie verderop).
Zeker zo interessant is het om een permanente, inhoudelijke relatie aan te gaan met een museum dat over een substantiële Aziatische collectie beschikt, om dit te stimuleren en te steunen om een permanente presentatie van het Indisch-Oceanische Nederlandse slavernijverleden in te richten. Beide musea kunnen naar elkaars verhalen verwijzen, wellicht zelfs een gezamenlijk Nederlands-Slavernijverhaal bezoekersvoucher instellen en deels samen onderzoek doen naar collectie, of naar de kruispunten van WIC en VOC. Hierbij ligt het al helemaal voor de hand om tot tijdelijke uitwisseling op conservator-niveau te komen, evenals samen tijdelijke tentoonstellingen maken. Ook op het gebied van programmering ligt samenwerking voor de hand. In de eerste plaats met al die erfgoedinstellingen die collectie hebben of een andere inhoudelijke relatie met de Afrikaanse diaspora. In de tweede plaats met muziek- en theaterpodia om alle uitvoerende kunst met betrekking tot de Afrikaanse diaspora, van toen tot nu te gaan programmeren samen met de Black Achievement Month, maar zeker ook door de rest van het jaar heen. De drie instellingen verenigd in het Zeeuws Netwerk24 hebben al aangegeven te willen samenwerken met het Slavernijmuseum op het gebied van programmering en kennisuitwisseling. Eenzelfde soort samenwerking ligt ook voor de hand met de Black Archives in Amsterdam.
Nog intensiever moet de samenwerking zijn –of wellicht zelfs bij het museum in huis komen– met het Landelijk Netwerk Slavernijverleden (LNSV). Dit bestaande netwerk wordt gesteund door het ministerie van OCW en heeft als dragende partners NiNsee, Tropenmuseum, Amsterdam Museum en Vrije Universiteit Amsterdam. Dit netwerk informeert op het gebied van relevante evenementen, linkt de bezoeker met een heel aantal relevante lesprogramma’s en publiceert nieuw onderzoek.25 Het museum moet ook in het onderzoek een netwerkfunctie hebben. Het kan en hoeft helemaal niet zelf alle onderzoek naar slavernij en de Afrikaanse diaspora te doen, maar het zal wel de spin in het web moeten zijn om al dat onderzoek, waar nodig, met elkaar in contact te brengen en de vertaalslag te helpen maken naar het grote publiek, voor eigen gebruik en 24
Zeeuws Archief en Zeeuws Museum in Middelburg en Maritiem MuZEEum in Vlissingen. [https://www.lnsv.nl/] Zij omschrijven zichzelf als: ‘Het Landelijk Netwerk Slavernijverleden (LNSV) werkt samen met organisaties en creatieve makers die zich bezighouden met cultuur, erfgoed en educatie rondom het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden. Wij zijn een netwerk, van makers en spraakmakers, en een vindplaats voor kijkers en doeners. Het koloniale verleden van Nederland behoort tot onze gedeelde geschiedenis, dus ook die van jou.’ 25
36
CONCEPT
samen met en voor anderen, zoals uitgevers van schoolmethoden. Daarmee kan het ook de vraagbaakfunctie die het museum ambieert waarmaken. Ook zal het onderzoekscentrum van het museum een netwerkfunctie hebben door wetenschappelijk onderzoek en grass roots onderzoek met elkaar in contact te brengen en te onderzoeken of zij ook tot gezamenlijke producties kunnen komen, van onderzoek tot conferenties. Tot slot, is ook het Canonnetwerk, dat op initiatief van het Nederlands Openluchtmuseum in 2017 werd gestart, van belang. Aangezien ‘Slavernij’ en de ‘Veelkleurige Samenleving’ belangrijke vensters in de canon zijn en inmiddels ook Anton de Kom daarin een plek heeft gekregen, ligt het voor de hand dat het Slavernijmuseum zich hierbij aansluit en een actieve rol gaat spelen. Het netwerk wil door alle meewerkende musea met elkaar een meerstemmig en completer verhaal vertellen over datgene wat nu als de Nederlandse canon wordt aangemerkt.26 Ook ‘Musea bekennen kleur’ is een initiatief waar het slavernijmuseum organisch bij aansluit. Maatschappelijk Het museum zet zich in voor maatschappelijke verandering en wil ook op dat gebied werken vanuit een netwerkidee. Het wil dus samenwerken met iedereen die een stakeholder is of kan zijn op het terrein van de Afrikaanse diaspora op een manier die al die stakeholders aan elkaar verbindt door samen dingen te doen.
Dat kan heel groot zijn, door bijvoorbeeld met Kwaku of Zomercarnaval in zee te gaan, of met (inter)nationaal gerichte actiegroepen als BLM, maar ook heel klein met lokale culturele verenigingen of kunstenaars. Internationaal Zoals hiervoor al bleek (zie ook Bijlage 2 Slavernijmusea Wereldwijd) is er een groot aantal musea, wereldwijd, dat het Atlantisch slavernijverleden en/of de Afrikaanse diasporaverhaal als kernverhaal heeft. Het museum wil graag met hen samenwerken en liefst ook in netwerkverband.27 Tijdens de verkenning zijn vele internationale connecties gelegd of versterkt en is een online meeting gehouden met partners uit Noord-Amerika, het Caribisch gebied en Europa. Allemaal spraken zij uit graag met het museum in contact te willen blijven en allemaal zijn voorstander van samenwerking waar mogelijk. Een aantal van hun tips en 26
Medewerkende musea tot nu toe zijn behalve het Openluchtmuseum dat zelf een aparte afdeling aan de canon wijdt: het Amsterdam Museum, Beeld en Geluid, het Hunebedcentrum, Museum Catharijneconvent, Museum Prinsenhof Delft, Nationaal Militair Museum, Rijksmuseum van Oudheden, Tropenmuseum, Scheepvaartmuseum, Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Museum Huis Doorn, Koninklijk Eise Eisinga Planetarium, Nationaal Archief, Paleis Het Loo, Rembrandthuis, Rijksmuseum Boerhaave, Het Spoorwegmuseum, Universiteitsmuseum Groningen, Watersnoodmuseum, Airborne Museum Hartenstein, het Archeon, De Museumfabriek, Dordrechts Museum, Fries Museum, Gemeentemuseum Den Haag, Haags Historisch Museum, Het Hof van Nederland, Joods Cultureel Kwartier, Limburgs Museum, Nationaal Monument Kamp Vught, Rijksmuseum Muiderslot, Slot Loevestein, Vestingmuseum Naarden, Teylers Museum, Zeeuws Maritiem MuZEEum. Het Allard Pierson Museum, het Rijksmuseum Amsterdam en de website entoen.nu dragen bij met content, programmering, onderzoek en advies.
[https://www.mondriaanfonds.nl/samenwerking/canonnetwerk/] 27 Er zijn al verschillende verbanden waarop het museum kan aanhaken: Association of African American Museums (AAAM) - Platform voor samenwerking van alle Afro-Amerikaanse musea met een gezamenlijke website blackmuseums.org.; er is een mondiaal netwerk in oprichting voor slavernijgerelateerde musea en kenniscentra wereldwijd, Fondation pour la Mémoire de l'esclavage. Een ander netwerk is het Antislavery Usable Past project gelieerd aan het eveneens Britse Antislavery Knowledge Network [http://antislavery.ac.uk/project]
37
CONCEPT
aanbevelingen is in al in deze verkenning verwerkt, zoals het grote belang van de buitenruimte om het verhaal te kunnen vertellen. En omgekeerd bleken de plannen rondom dit museum hen al te inspireren door de grote nadruk op de kracht van de voorouders en hun nazaten. Er is duidelijk plek voor het Nederlandse netwerkmuseum in het internationale veld en zonder overdrijving zou het daarin een vooraanstaande rol kunnen spelen. Er wordt naar Nederland gekeken, zoals ook al bleek uit de verklaring van de UNESCO, gebaseerd op hun International Scientific Committee’s slavernijprogramma in 2018, waarin Nederland als lidstaat letterlijk wordt opgeroepen een slavernijmuseum te realiseren: ‘We stress the importance of museums to sensitize and educate the public about the trade in human beings, slavery and their legacies in contemporary societies. Museums can be ideal spaces to generate dialogue about memory and history and on the conditions required for a lasting reconciliation, using new and inclusive approaches and methodologies.
We commend all countries, who have made commitments to establish slavery museums, in particular Haiti, the Netherlands and Benin, among others.”28 In 2024-2025, aan het eind van het Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst zal er een grote internationale trans-Atlantische slavernijtentoonstelling langs een aantal steden gaan reizen, beginnend in het NMAAHC in Washington, maar mede-georganiseerd door andere slavernijmusea waaronder ook Liverpool en het NMVW als Nederlandse gesprekspartner. Het zou een enorme boost zijn als het nieuwe slavernijmuseum daar op enigerlei wijze –al is het maar met een tijdelijke locatie– en wellicht samen met het NMVW een podium aan zou kunnen bieden. Resumerend: Kernwoord voor de werkwijze van het museum is ‘connectie’ op alle mogelijke terreinen. De fysieke dimensie van het museumconcept bestaat uit een nieuw gebouw dat op zichzelf een krachtig architectonisch gebaar moet zijn, dat multifunctioneel en flexibel is en onlosmakelijk verbonden met zijn directe natuurlijke omgeving. Het is dit gehéél dat het diasporaverhaal van toen tot nu vertelt. Dat geheel is uitnodigend, toegankelijk en laagdrempelig en bestaat voor 50% uit expositieruimte (35% vast / 15% tijdelijk), 30% uit doe- en reflectieruimte, 10% uit horeca en winkelruimte, 10% uit kantoorruimte en een twee keer zo grote buitenruimte (parkeergelegenheid niet meegerekend).
Het museum werkt in netwerkverband, zakelijk-organisatorisch, inhoudelijk, maatschappelijk en internationaal, maar altijd vanuit een zelfstandige positie. Met name op zakelijkorganisatorisch vlak kan de netwerkfunctie ‘aan de achterkant’ effectief en kosten- & kennisefficiënt worden opgebouwd met liefst één collegamuseum in Amsterdam. De bereidheid is er, het is aan de kwartiermaker in de volgende fase van de verkenning om dat concreet te maken.
28
http://www.unesco.org/new/fileadmin/MULTIMEDIA/HQ/SHS/pdf/Declaration_ISC_Slave_Route_Project_112017.pdf
38
CONCEPT
4 Voor wie is het museum? -
Bezoekersgroepen Aantallen Alleen voor Zwarte mensen?
Het museum is een multifunctioneel centrum gericht op educatie & kennisverrijking, ontmoeting, herdenking, be-/in-leving, onderzoek en dialoog. Afgezien van de grote bezoekersgroepen die hierna specifieker worden beschreven wordt het museum daarmee een belangrijke plek voor educatoren, onderzoekers en activisten.29 Daarnaast streeft het museum ernaar op zijn terrein een ‘hub’ te zijn in een netwerk van culturele en erfgoedinstellingen, waarover in hoofdstuk VI meer. Het museum draagt het Nederlandse deel bij aan de geschiedenis en hedendaagse positie van de wereldwijde Afrikaanse diaspora. Het neemt deel aan de internationale conversatie over doorwerking en verwerking van het slavernijverleden. Bezoekersgroepen Dit museum is bedoeld voor alle inwoners van Nederland, om hen te laten kennismaken met een stuk Nederlandse geschiedenis en cultuur waarmee de meesten onbekend zijn, maar die wel tot de nationale (en internationale) geschiedenis behoort. Voor veel mensen hebben musea nog steeds hoge drempels. Dat is dus een lastige opgave en het museum zal daarom actief proberen dat te doorbreken door ook veel buiten de muren te organiseren.
Daarnaast maakt het onderwerp van dit museum bij sommigen een indruk van iets dat ‘zwaar’ aanvoelt en misschien zelfs ‘beschuldigend’ is, en bij anderen juist iets dat niet ‘van ons’ is en daarmee ver van het bed.30 Het is daarom zaak in de pr en de marketing een uitnodigende en inclusieve toon aan te slaan. ‘Het museum is ook van jou’. Eenmaal binnen wordt die toon vastgehouden en wordt voor verschillende soorten bezoekers, verschillende elementen van identificatie, van gesprek en van be/in-leving ingebouwd. (zie voorbezoekersprofielen Bijlage 3, Publieksinventarisatie) De toon van het museum is niet die van slachtoffers, schuld en boete, maar van bewondering, kracht en reflectie op de toekomst. Binnen de algemene groep ‘inwoners van Nederland’ is het museum meer in het bijzonder ook bedoeld voor Afro-Nederlanders die de nazaten zijn van de door Nederland gedwongen diaspora uit Afrika. Voor hen is het museum een vorm van erkenning en herkenning, al zal ook voor hen een niet onbelangrijk deel van wat gepresenteerd wordt nog onbekend zijn. In ieder geval zal voor deze bezoekersgroep het museum ook een gevoel oproepen van ‘dit hoort bij ons, dit gaat over mij’.
29
Onder activisten wordt hier iedereen verstaan die zich binnen, maar meestal buiten de gevestigde instituties vanuit maatschappelijke idealen inzet voor een betere wereld, in dit geval een inclusieve samenleving met een inclusieve geschiedenis. Maar ook mensen die strijden voor buitensluiting, exclusiviteit en raciale suprematie zijn activisten, die worden alleen in dit rapport niet bedoeld, tenzij expliciet zo aangegeven. 30 Dit lijkt misschien een hard onderscheid tussen Oude en Nieuwe Nederlanders, maar in praktijk loopt dat door elkaar, al zullen Nieuwe Nederlanders zich waarschijnlijk minder gauw beschuldigd voelen. In het opinieonderzoek naar overheidsexcuses voor het slavernijverleden waren Nieuwe Nederlanders oververtegenwoordigd onder de pro-stemmers. Er is dus wel een zekere betrokkenheid onder hen, ook als zij zelf niet uit een van de voormalige slavenkoloniën afkomstig zijn.
39
CONCEPT
Een andere belangrijke en misschien wel de meest omvangrijke groep van bezoekers onder de noemer ‘alle Nederlanders’ is het onderwijs. Het museum heeft zich specifiek ten doel gesteld de geschiedenis van de Afrikaanse diaspora van Nederland ‘binnen een generatie een volwaardige plek te geven in de nationale geschiedenis’. Het mooiste zou zijn als alle schoolleerlingen van Nederland binnen die ene generatie één keer het museum bezocht zouden hebben, maar dat is niet helemaal realistisch. Daarom zal dit museum zoveel mogelijk met andere partijen samenwerken om dat doel te bereiken, waaronder uitgevers van schoolmethoden, media-producenten en andere musea en culturele instellingen in het land. Maar in ieder geval wil het museum wel een substantieel deel van die leerlingen ook zelf in huis hebben gehad. Ook daar zal de toon van het museum op toegesneden moeten zijn in de zin dat ook zij identificatiepunten in het museum moeten vinden die bij hun belevingswereld aansluiten. Een vierde, kleine maar zeer belangrijke en mede-gezichtsbepalende groep voor het museum bestaat niet uit bezoekers of deelnemers aan evenementen, maar uit jongeren voor wie het museum een stageplek of werkervaringsplek zal zijn. Omdat het museum actief wil bijdragen aan sociale verandering wil het ook actief kansen bieden aan Zwarte jongeren aan het begin van hun loopbaan.
Dat betekent dat van het allereerste begin af aan Zwarte jongeren worden aangemoedigd stage te komen lopen in alle geledingen van het museum. Idealiter een stagiaire of trainee op iedere 2 á 3 medewerkers boven het niveau van schoonmaker.31 Dat geldt ook voor de bouw van het museum. Een van de voorwaarden voor de gunning van ontwerp en bouw aan een architectenbureau en bouwbedrijf moet zijn dat er een substantieel aantal stage en werkervaringsplekken voor Zwarte jongeren bij worden aangeboden. Terug naar de bezoekers. In en om het museum wordt dus in verschillende vormen een gelaagd en divers soort presentaties aangeboden waarbij interactie voorop staat, toegesneden op de verschillende bezoekersgroepen. Daarnaast presenteert het museum meerdere tijdelijke tentoonstellingen die speciaal op een van de doelgroepen toegesneden kan zijn. Ook is dit een van de dimensies waarin aanpalende verhalen van de Atlantische slavernij getoond kunnen worden, zoals die van de contractarbeiders die de slaafgemaakten opvolgden, of andere Nederlandse slavernijsystemen zoals in Zuid-Afrika of in voormalig Nederlands-Indië, die ook connecties hadden met het Atlantisch gebied. En als het museum er in 2021 al was geweest had daar absoluut een tijdelijke expositie gestaan gefocust op het arbeidsdrama voor het WK Voetbal in Qatar.
Nog belangrijker is het totaalprogramma waarin de museale presentaties worden ingebed, in en buiten het museum. Juist in die programmering tussen wetenschappelijke lezing en tambú dans, tussen de hip hop van Broederliefde en het Black Movies Festival, tussen spoken word training en Black Fashion cat walk van toen tot nu, tussen debat over alternatieve Sinterklaas, nieuwe nationale feesten, discussie over opvoedingsmethoden, cursus kruiden en Afro-natuurgeneeswijzen, museum-bijdragen aan Kwaku en Zomercarnaval, de mogelijkheden zijn eindeloos en kunnen heel verschillende doelgroepen aanspreken en soms ook samenbrengen. 31
In praktijk betekent dit pas na de pop up fase, want dan zal de staf nog veel te klein en te druk zijn om zo’n extra taak erbij te hebben. Ook als het definitieve museum in aanbouw is zal er eerst nog weinig plek voor stages zijn en gaat dat meegroeien met de mogelijkheden van de medewerkers ook echt begeleiding te kunnen geven.
40
CONCEPT
Dit alles zal er nooit in één keer staan, maar moet langzaam opgebouwd, verbreed en verdiept worden. En dat geldt ook voor de netwerkconstructie waarin het museum wil werken –waarover later meer- waarmee elders in het land met andere instellingen ook programma’s kunnen worden opgesteld en bijvoorbeeld samen een package deal kan worden gemaakt over het presenteren van Indisch-Oceanische slavernij en Aziatische diaspora.
Washington
Liverpool
Aantallen Wat daarbij ook aan bod moet komen is de vraag voor hoeveel bezoekers het museum denkt te gaan werken. Ervanuit gaand dat het museum binnen één generatie alle schoolkinderen in principe een keer in huis zou willen hebben gehad levert dat de volgende rekensom op. In 2020 zaten er 1,6 miljoen kinderen in het Primair Onderwijs. Daar zitten zij acht jaar. Als één generatie voor het gemak 24 jaar omvat, dan moet er drie keer zo’n groep in huis zijn geweest, ofwel 4,8 miljoen kinderen in 24 jaar, komt op 200.000 per jaar. Maar natuurlijk komen ze niet allemaal dus wordt gerekend op de helft: 100.000.32 In Nederland wonen ongeveer 700.000 eerste- en tweede-generatie personen met Afrikaanse roots.33 Als heel voorzichtig geschat één op de vijf van hen eenmaal per twee jaar naar een tentoonstelling of evenement van het museum komt is dat 70.000 bezoekers. Het Amsterdamse Tropenmuseum dat een soort publiek trekt dat ook belangstelling heeft voor het Slavernijmuseum, wordt jaarlijks bezocht door 210-220.000 personen. Stel dat de helft van hen ook een keer naar het Slavernijmuseum komt levert dat ruim 100.000 bezoekers op. Daarnaast zullen er ongetwijfeld toeristen zijn, met name uit Noord-Amerika en het Caribisch gebied die aangetrokken worden door dit museum. Dat geldt ook voor 32
In 2019 brachten de 2,4 miljoen leerlingen van PO + VO bijna 2,2 miljoen museumbezoeken met school; dat was 35 % van alle museumbezoek van jongeren tot en met 18 jaar. In ander verband (gezin, familie, vrienden, club) bezochten zij nog bijna twee keer een museum in 2019. [https://www.museumvereniging.nl/media/museumcijfers2019_def.pdf] 33 Volgens het CBS 2005/2006 waren er toen ca. 650.000 personen van Afrikaanse komaf in Nederland. Aangezien dit ruim 15 jaar is geleden is hier dit aantal met 8% opgehoogd. Dit zijn immigranten en hun kinderen afkomstig uit Sub-Sahara Afrika, Suriname, de Nederlandse en overige Cariben en Brazilië. Niet alle Surinamers en Antillianen hebben een Afrikaanse achtergrond, maar dat wordt gecompenseerd door de derde en vierde generatie die (gedeeltelijke) Afro-Surinaamse of Afro-Caribische wortels hebben. Artwell Cain en Deniece Wijdenbosch, Uitsluitingsmechanismes van mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland: Wat is erover bekend? Een quick scan van de literatuur. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2017, p.7. [file:///C:/Users/gebruiker/Downloads/Rapport+Uitsluitingsmechanismes+VU+sept.+2017.pdf] (geraadpleegd 10 -04-2021)
41
CONCEPT
architectuurliefhebbers, mocht het een spraakmakend nieuw gebouw worden. Daarnaast zal in dit museum veel ruimte zijn voor hedendaagse kunst, met name van Zwarte kunstenaars. Dat zal ook een deel van het Stedelijk Museum publiek aantrekken.34 Voorzichtig gesteld kunnen dat bij elkaar zeker 30.000 bezoekers zijn. Bij elkaar genomen komt deze calculated guess –het is zeker geen hogere wiskunde– uit op een basisaantal van 300.000 bezoekers per jaar. Alleen voor Zwarte mensen? Betekent dit nu dat alleen een verhaal van en voor Zwarte mensen wordt verteld? Zeker niet, zij en hun blik op de wereld staan weliswaar centraal, maar niet op de manier zoals tot nu toe alleen de witte blik centraal stond. Bovendien bestaat er niet zoiets als HET Zwarte perspectief of HET witte perspectief. Het zal in ieder geval altijd in meervoud moeten zijn, perspectieven, en ze lopen vaak ook in elkaar over, met name omdat het over een geschiedenis van interactie en creolisering gaat van toen tot nu en van daar en hier. En nog belangrijker, de mens staat centraal, geen anonieme massa met een bepaalde kleur. Mensen zijn mensen en die kunnen in gedrag of overtuiging totaal van elkaar afwijken ook al is hen hetzelfde lot beschoren. Twee tweelingbroers uit hetzelfde jaar, geboren op dezelfde plantage en in hetzelfde gezin, kunnen in een bepaalde situatie volstrekt verschillend reageren.
Gechargeerd: de één kan de wapens oppakken tegen de plantage-eigenaar, terwijl de ander ervoor kan kiezen deze zelfde man te verdedigen. Waarom? Kennen we hun beweegredenen? Kennen we hun verhaal? Kortom, het is geen letterlijk zwart-wit verhaal van alleen maar daders versus alleen maar slachtoffers. Het laten zien van deze meervoudige gelaagdheid, van lagen die bij tijd en wijle ook in elkaar overvloeien, vraagt om een wendbare, fluïde aanpak. Onvermijdelijk heeft de geschiedenis van de Afrikaanse diaspora zich afgespeeld in interactie met Europeanen en anderen. Natuurlijk wordt die interactie en die context ook getoond, alleen wordt het wel verteld vanuit de invalshoeken van Zwarte mensen. Simpel gezegd het verhaal van de man in het rijke grachtenpand, wordt nu niet verteld door de eigenaar, maar door zijn zwarte bediende, het verhaal van de witte missionaris wordt verteld vanuit een zwart persoon en naast het grote verhaal van de zwarte strijd onderdrukking en buitensluiting is er het kleinere verhaal van wit protest en later ook anti-racisme. Nog belangrijker is waarschijnlijk dat de rode draad door deze geschiedenis het perspectief is van mensen die tegen de omstandigheden in hun eigen leven vormgeven, geen genoegen nemen met wat hen wordt opgelegd en de strijd aangaan. Dat is een verhaal waarmee iedereen zich kan identificeren die daarvoor open staat.
Dat raakt aan de bijna universele vraag wat doe ik nu? Daarom is dit een museum voor iedereen. Iedereen kan met zijn eigen blik en vragen door het museum lopen, daar van alles doen en meemaken en er vervolgens uitkomen met het idee iets over zichzelf en over de ‘ander’ (wie dat ook is) geleerd te hebben. Bovendien als hiphop fans van alle kleuren Ronnie Flex de top van Nederland vinden, als literatuurliefhebbers van alle achtergronden Astrid Roemer de Prijs der Nederlandse Letteren én de P.C. Hooftprijs waard vinden en als afwisselend Virgil van Dijk en Georginio Wijnaldum aanvoerder zijn van 34
In 2019 trok het Stedelijk 670.000 bezoekers. Stel heel voorzichtig dat 3% daarvan ook geïnteresseerd is in de kunst in het Slavernijmuseum komt dat op 20.000 bezoekers per jaar.
42
CONCEPT
het Nationale voetbalelftal dan moet het toch ook niet zo moeilijk zijn de interesse bij witte Nederlanders te prikkelen voor de achtergrond van hun zwarte helden.
43
CONCEPT
5 Wat toont het museum? -
Hoe komt het verhaal tot stand? Bronnen van kennis Beelden van de slavernij Met welk gevoel komt de bezoeker thuis?
Hoe komt het verhaal tot stand? In het verhaal dat het museum toont en vertelt staan de slaafgemaakte Afrikanen en hun nazaten voorop als de centrale actoren. Om hun leven draait het. Dat wil zeggen dat ondanks alle onderdrukking hun leven als volwaardige, handelende, denkende, emotionele, strijdende en creatieve mensen wordt getoond. Dat roept misschien de vraag op ‘gaat het dan nog wel over slavernij’? En het antwoord daarop luidt: veel meer dan ooit tevoren, omdat slavernij en haar hedendaagse doorwerkingen alleen zijn te begrijpen als dat deel is van het volledige levensverhaal van degenen die het betreft. Daarvoor moeten zij dus zelf aan het woord komen en moeten de historische ontwikkelingen van toen tot nu door hun ogen worden bekeken. Dat is complex en nieuw, en absoluut mogelijk.
Bronnen van kennis Er is inmiddels heel veel onderzoek gedaan naar de slavernij, internationaal, maar ook naar het Nederlandse deel daarvan. Veel van dat onderzoek is lange tijd heel eurocentrisch en vooral ook politiek-economisch geweest. Veelal stond de vraag voorop wat de slavernij voor Nederland heeft betekend, zonder de vraag daaraan op z’n minst aan toe te voegen wat het mentaal-cultureel met Nederland heeft gedaan. Slaafgemaakten waren daarin anonieme massa’s en aantallen. Anton de Kom was de eerste die vanuit een anti-koloniaal, AfroSurinaams perspectief deze geschiedenis heeft beschreven. Hoe complex dat is blijkt uit het feit dat hij zich grotendeels op witte, koloniale bronnen heeft gebaseerd, maar daar wel zijn eigen analyse, levenservaringen en gevoelens aan heeft toegevoegd. En daarmee werd het een nieuw soort geschiedenis.
44
CONCEPT
De laatste veertig jaar is er steeds meer onderzoek bijgekomen van zowel Zwarte als witte onderzoekers.35 Wel moet gezegd dat er veel meer onderzoek is gedaan over Suriname dan over de Caribische eilanden36, en meer over West-Afrika, met name hedendaags Ghana, dan over de rest van Afrika met betrekking tot de slavenhandel. Langzamerhand is het ook minder eurocentrisch en meer kritisch geworden.37 De dékolonisatie van onderzoek en kennis is op gang gekomen, maar staat nog aan het begin. Oude bronnen worden geherinterpreteerd, andere worden nu pas aangeboord en weer andere worden voor het eerst als belangrijke bron erkend, met name in de immateriële en orale sfeer, maar bijvoorbeeld ook in de archeologie. Veel van dat onderzoek komt nog niet of nauwelijks terug in de publieksgeschiedenis, zoals het onderwijs en het museale landschap. Daarnaast is er, hoe vernieuwend ook, nog steeds weinig geschiedenis geschreven bekeken vanuit de ogen en het leven van degenen die in slavernij hebben geleefd, noch dat van hun nazaten. Dat is precies waarin dit museum voorop wil lopen, de nieuwste stand van onderzoek en de ervaringen van de nazaten gebruiken om vanuit zwarte perspectieven het leven in de diaspora te tonen.