CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. RVNTASM_Verkenningsrapport_Met de kracht van de voorouders 20210430.pdf

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 8 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van advies kunstraden inzake verkenning museale voorziening slavernijverleden (ZD2021-015738)32.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

CONCEPT

MET DE KRACHT VAN DE VOOROUDERS

Verkenningsrapport voor een NATIONAAL TRANS-ATLANTISCH SLAVERNIJMUSEUM in Amsterdam Regiegroep NTASM April 2021

1

CONCEPT

2

CONCEPT

Inhoudsopgave Inleiding & opdracht ............. 6 1 Waarom een Nationaal trans-Atlantisch Slavernijmuseum en waarom nu? ......... 9 - Waarom een museum? - Alleen trans-Atlantische slavernij? - Wat is een nationaal museum - Substantieel en representatief - Fasering 2 Wat wil het museum zijn? ........... 20 - Missie, Visie, Kernwaarden - Toelichting - Diversiteit en inclusiviteit - (Inter)Nationale betekenis van het slavernijmuseum 3 Wat is het museale concept? .............. 28 - Voorwaarden - Het gebouw - De Buitenruimte o Water o Park - Locatie - Digitale dimensie - Een museum in fasen - Een netwerkmuseum o Zakelijk- organisatorisch o Inhoudelijk o Maatschappelijk o Internationaal - Resumerend 4 Voor wie is het museum? .............. 39 - Bezoekersgroepen - Aantallen - Alleen voor Zwarte mensen? 5 Wat toont het museum? ................... 44 - Hoe komt het verhaal tot stand? - Bronnen van kennis - Beelden van de slavernij - Lijnen en paden door het verhaal 3

CONCEPT

-

Met welk gevoel komt de bezoeker thuis?

6 Hoe is het verhaal opgebouwd? ................. 48 - Tijdvakken, processen en thema’s - Een voorbeeld: De diaspora begint 7 Hoe werkt collectie voor het verhaal? ................ 55 - Nieuwe collectie - Een voorbeeld - Inventarisatie - Depot - Resumerend 8 Wie zijn de partners en programmering van het verhaal? ............. 60 - Individuele partners - Afro-gemeenschappen - Onderwijs - Programma 9 Wie zijn stakeholders? ................ 64 - Nederlanders en Amsterdammers - De overheid - De media - Makers en experts - Overige 10 Hoe is het museumproces georganiseerd? ................. 69 - Het museum in de spotlight - Eerste planning - Kosten - Functie-indeling - Proces na de Verkenningsfase CONCEPTPROFIEL KWARTIERMAKER ............... 73 Bijlagen ........... 77 Bijlage 1 Een ontketend perspectief (NiNsee) Bijlage 2 Museaal Concept (MzM) Bijlage 3 Draagvlak, Stakeholders, Educatie en Publiek (IZI) Bijlage 4 Omschrijving van de opdracht Bijlage 5 Terminologie Bijlage 6 Slavernij in Indonesië 4

CONCEPT

Stel je het museum voor als een levend organisme, een lichaam met een geest en een ziel. Die ziel is het verleden dat het lichaam in zich draagt, waar grote krassen en littekens op zijn gekomen, maar die een ontembare kracht van overleven herbergt en die een reservoir is voor het leven nu. Het is de inspiratie en de vibe van het museum. De geest is de verzameling van voorouders en hun verhalen van strijd, trots, ervaring en spiritualiteit die het museumlichaam vullen. Het lichaam is de plek waar de vibe van levenskracht wordt gevoeld en waar de verhalen worden doorgegeven. Dat lichaam wil graag gezien worden. Dat lichaam wordt gevoed met geschiedenissen, culturen en levens in het hier en nu. Dat lichaam krijgt zuurstof van de directe omgeving waar de natuur onderdeel is van het verhaal. Het lichaam wordt onderhouden door een samenleving die vindt dat hij/zij er moet zijn. Het lichaam heeft een hart, het gezamenlijke verhaal dat door alle medewerkers, onderzoekers en bezoekers samen wordt gemaakt en via de bloedbanen wordt doorgegeven. De hartslag is de constante dynamiek waarin het museum het beste gedijt.

5

CONCEPT

Inleiding: De Opdracht Op 20 december 2017 stemde de Gemeenteraad van Amsterdam unaniem in met het initiatiefvoorstel “Een stap naar verdere verkenning van het Amsterdamse slavernijverleden” van de leden Blom (GL), Duijndam (SP) en Mbarki (PvdA) en met de bestuurlijke reactie van het college. Deze onderstreepte ook het nationaal karakter van wat sindsdien een museale voorziening werd genoemd. Meteen is de gemeente Amsterdamook in contact getreden en gebleven met de ministeries van OCW en SZW en werd toegevoegd dat samenwerking met andere gemeenten een meerwaarde zou hebben.1 Daarop is een publieke call met een programma van eisen uitgegaan, waarop iedereen die dat wilde ideeën kon insturen voor een museum dat zich diende te focussen op het transAtlantisch slavernijverleden van Nederland. Dit zou moeten leiden tot een verkenning van de mogelijkheden van de beste ideeën. Uiteindelijk werden de plannen van drie verschillende partijen uitgekozen, die vervolgens werden gevraagd hun plannen gezamenlijk uit te werken tot één verkenningsrapport. Dat waren en zijn nog steeds: stichting Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee), stichting Museum zonder Muren (MzM) en Sociaal Innovatiebureau IZI Solutions (IZI). Op 23 mei 2019 dienden zij een gezamenlijk Plan van Aanpak Verkenning Nationale Museale Voorziening Slavernijmuseum in.

Vervolgens is intensief samengewerkt om te komen tot een definitieve inrichting en structuur van de verkenning. Op 23 april 2020 werd de definitieve opdracht aan de Gemeenteraad voorgelegd en goedgekeurd. Deze luidde: ‘Stel een inhoudelijk rapport op, dat voortbouwt op uw Plan van Aanpak d.d. 23 mei 2019. Verwerk in het inhoudelijk rapport onderstaande, per thema genoemde aandachtspunten. Beschrijf in het inhoudelijk rapport welke stappen genomen moeten worden om, in de volgende fasen, te komen tot de beoogde voorziening. Houd daarnaast voor ogen dat het rapport uit moet gaan van realistische en uitvoerbare keuzes en scenario’s.’ De verkenning moet de volgende thema’s omvatten, die in overleg als volgt aan de drie partijen zijn toebedeeld (nadere uitleg per vraag in de bijlage): 1. Missie, visie en nationale betekenis (NiNsee) 2. Focus en representatie (NiNsee) 3. Verhaal, doorwerking en erfenis (NiNsee) 4. Positionering en nationale betekenis (MzM) 5. Collectievorming (MzM) 6. Verkenning museale concepten (MzM) 7. Programmering en activiteiten (IZI) 8. Educatie en onderwijs (IZI) 9. Draagvlak en dialoog (IZI) 10. Publieksinventarisatie en doelgroepen (IZI) 11. Netwerk en partners (IZI & MzM)

1

Brief College aan de Gemeenteraad d.d. 06-02-2018.

6

CONCEPT

Vervolgens hebben de drie genoemde partijen ieder een werkgroep gevormd om zo efficiënt mogelijk hun onderzoeken te kunnen verrichten. Tegelijk werd een formele structuur opgezet, met daarin als centraal gremium een Regiegroep. Daarin hebben de voorzitters van de drie werkgroepen (oftewel de drie opdrachtnemers) zitting, te weten mevrouw Dionne Abdoelhafiezkhan (IZI), de heer Urwin Vyent (NiNsee) en de heer Daniël Metz (MzM). Verder kreeg de Regiegroep een onafhankelijk voorzitter, de heer Freek Ossel, een procesbegeleider, de heer Cemil Yilmaz, een museaal expert, mevrouw Martine Gosselink en een inhoudelijk expert en eindredacteur, de heer Alex van Stipriaan. Deze Regiegroep werd begin juni 2020 geïnstalleerd en had op 11 juni 2020 haar eerste bijeenkomst. Sindsdien is de groep gemiddeld minimaal eens in de drie weken bij elkaar gekomen, is er twee keer een heidag geweest, is er een internationale online expertmeeting georganiseerd, zijn er drie bijeenkomsten met de verantwoordelijke wethouders Groot Wassink en Meliani geweest, waren er gesprekken met een vijftal Amsterdamse musea, evenals gesprekken met potentiële stakeholders en zijn er vele (discussie)stukken geproduceerd. Door corona heeft het proces langer geduurd dan tevoren gepland. Daarvoor heeft het College de Regiegroep een verlenging van de opdracht met drie maanden gegeven.

De voornoemde verkenningsthema’s zijn door de drie werkgroepen onderzocht en beschreven, wat heeft geleid tot drie werkgroeprapporten. Daartussen zit soms overlap en soms komen bepaalde thema-aspecten juist minder uit de verf omdat ze niet specifiek in de opdracht zijn geformuleerd. Zoals al in de opdrachtformulering vermeld staat, dient echter wel de integraliteit van e.e.a. te worden bewaakt. Vandaar dat het Verkenningsrapport meer is dan ‘slechts’ drie werkgroeprapporten met een gezamenlijke inleiding ervoor geplakt. Het Verkenningsrapport is gebaseerd op het werk -en gebruikt de bevindingen van- de drie werkgroepen. Omwille van een geïntegreerd Verkenningsrapport waarmee een volgende stap in het proces kan worden gezet was het soms nodig zaken aan te vullen, aan te passen of te verduidelijken tot een helder, eenduidig en coherent verhaal te komen. De drie werkgroeprapporten beslaan samen bijna 300 pagina’s gevuld met bijna 100.000 woorden, vele tientallen illustraties en een flink aantal tabellen. Zij vormen de drie pilaren waarop dit Verkenningsrapport steunt en zijn dus ook hierbij integraal als bijlagen opgenomen. Er wordt in dit Verkenningsrapport veelvuldig naar verwezen en de lezer wordt aangeraden ook verder naar de Bijlagen te kijken.

Wat in het Verkenningsrapport soms alleen wordt aangestipt of met één voorbeeld verduidelijkt, wordt in de Bijlagen 1-3 nader toegelicht en uitgewerkt. Definities en keuzes vooraf In de opdracht en alle gemeentelijke communicatie tot nu toe is steeds gesproken over een ‘nationale museale voorziening slavernijverleden’. Vanaf het initiatiefvoorstel in de Amsterdamse gemeenteraad, van Blom, Duijndam en Mbarki van 30-06-2017 tot en met de inhoudelijke opdrachtbrief van april 2020 wordt dat slavernijverleden expliciet omschreven als het ‘Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden’. Daarnaast is in de verkenning, om redenen die verderop worden uitgelegd, al snel afgestapt van de term ‘museale voorziening’ omdat het in de ogen van de verkenners

7

CONCEPT

onmogelijk is dat die voorziening iets anders wordt dan in ieder geval (ook) een fysiek en op zichzelf staand museum. En ten slotte en ook daar wordt verderop uitleg van gegeven, houdt het slavernijverleden niet op in 1863/1873, maar heeft het erfenissen en werkt het door in de huidige samenleving. Dat alles betekent dat dit rapport dus betrekking heeft op een Nationaal Museum Nederlands trans-Atlantisch Slavernijverleden en de Erfenissen en Doorwerkingen daarvan. Dat is waarover het gaat. Omwille van de leesbaarheid zal dit de enige keer in het hele rapport zijn dat deze benaming voluit wordt gebruikt. Zoals in hoofdstuk 1 wordt uitgelegd zal in het Verkenningsrapport een aantal namen door elkaar worden gebruikt, om aan te geven dat er nog een aantrekkelijke en dekkende naam moet komen die direct duidelijk maakt dat het in het museum om meer gaat dan de geschiedenis van de slavernij. Een definitieve naam voor het museum moet dus later worden gekozen. Ook andere gehanteerde terminologie in dit Verkenningsrapport is uitgebreid besproken en opgenomen als bijlage 5. De geografische nadruk in de museumpresentaties ligt vooreerst voor het grootste deel op Suriname en de Nederlandse Cariben, daarna Nederland en ten slotte de overige betrokken regio’s in het Atlantisch gebied. Ten aanzien van aanvullende keuzes (in de toekomst) wordt in het volgende hoofdstuk dieper ingegaan.

Logischerwijs geeft dit Verkenningsrapport antwoord op de vragen en thema’s zoals deze in de opdracht zijn geformuleerd (zie boven en Bijlage 4). Voor een leesbaar rapport is echter een andere opbouw gekozen aan de hand van een aantal basale vragen, waarin voornoemde antwoorden en beschrijvingen zijn verwerkt (zie inhoudsopgave).

8

CONCEPT

1 Waarom een Nationaal trans-Atlantisch Slavernijmuseum en waarom nu? -

Waarom een museum? Alleen trans-Atlantische slavernij? Wat is een nationaal museum? Substantieel en representatief Fasering

Aan het begin van de 21e eeuw heeft de Nederlandse overheid besloten de strijd van een groot aantal Afro-Nederlandse organisaties voor een nationaal herdenkingsmonument voor de slavernij en een daarmee samenhangend instituut, te honoreren. Monument en instituut NiNsee kwamen in Amsterdam. In de loop der jaren brokkelde de landelijke overheidssteun grotendeels af, maar gemeentes hebben die fakkel overgenomen. In een groeiend aantal Nederlandse steden zijn de laatste jaren expliciete politiek-bestuurlijke uitspraken gedaan en daden gesteld om het Nederlands slavernijverleden veel nadrukkelijker deel te laten worden van het historisch besef van deze samenleving. Ook in Rotterdam en Middelburg kwamen er slavernijmonumenten, beide op initiatief van lokaal actieve groepen. Inmiddels zijn er op initiatief van de gemeenteraden en in samenspel met lokaal actieve groepen in Amsterdam en Rotterdam grootschalige wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar het slavernijverleden van beide steden en wordt er hardop over excuses gesproken. In Utrecht en Den Haag zijn zulke onderzoeken inmiddels ook (bijna) gaande, het College van Hoorn is erover aan het praten en de gemeenteraad van Arnhem heeft, op één partij na, zich unaniem uitgesproken vanaf 2021 officieel op 1 juli Keti Koti te gaan herdenken.

Inmiddels zijn onderzoekers bezig slavernijsporen in de provincies Gelderland en Noord-Brabant in kaart te brengen, is het onderzoek over Friesland gereed en zijn er stadsgidsen en routekaarten verschenen over het slavernijverleden van Amsterdam, Groningen, Leiden, Utrecht (stad en provincie) en Haarlem en daarnaast nog een gids met honderd slavernijlocaties in heel Nederland. Zwarte en witte onderzoekers en vrijwilligers werken hierbij eendrachtig samen, net als bijvoorbeeld bij het digitaliseren en publiek toegankelijk maken van de slavernijregisters in de archieven. Recentelijk is door de nationale overheid een Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden ingesteld die in het hele Koninkrijk der Nederlanden dialogen moet gaan organiseren ‘over het slavernijverleden, en over de doorwerking daarvan in de hedendaagse samenleving’.2 Op de achtergrond speelt ook het VN Internationaal Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst (2015-2025), waaraan de Nederlandse overheid zich, als een van de weinige in Europa, heeft gecommitteerd. Tegelijkertijd worden in Nederland al een heel aantal jaren verhitte discussies gevoerd over de racistische figuur van zwarte piet, waarachter de veel diepere discussie schuilgaat hoe racistisch deze samenleving is en waar dat racisme vandaan komt.

Nog veel recenter zijn daar de Black Lives Matter acties en discussies bijgekomen, die evenmin zomaar uit de hemel zijn komen vallen, noch een één op één kopie zijn van wat zich in de VS afspeelt. Beide debatten 2

Brief van minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer, d.d. 1 juli 2020.

9

CONCEPT

staan niet los van het Nederlands slavernijverleden. Dat blijkt ook uit de nieuwste discussie met vaak dezelfde deelnemers, over de vraag of de Nederlandse regering zijn excuses voor het slavernijverleden moet maken en daarmee de deur moet (durven) openzetten voor een debat over Herstel, wat overigens veel meer en iets anders is dan alleen maar financiële genoegdoening.3 Kortom, het slavernijverleden en zijn doorwerkingen in het heden is een uiterst aanwezig en relevant thema in Nederland. Steeds meer wordt bekend over de Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij. Nederland weet intussen wel een beetje dat de residentie van de Amsterdamse burgemeester ooit het huis van een toenmalige mensenhandelaar was, dat het kopje koffie met suiker in de achttiende eeuw door slavenhanden was geproduceerd, dat de slavernij anderhalve eeuw geleden werd afgeschaft en dat Afro-Surinaamse en AfroCaribische Nederlanders de nazaten van die slaafgemaakte Afrikanen zijn. Maar hoe dat tweeënhalve-eeuw-durende slavernijsysteem eigenlijk in elkaar stak en nog belangrijker, hoe slaafgemaakten dat hebben doorgemaakt en overleefd, of wat de erfenissen daarvan zijn, en dat het over veel meer gaat dan alleen Suriname, dat weten slechts kleine groepen. Laat staan dat het gekend of beleefd wordt als een onlosmakelijk en substantieel stuk van ‘onze’ Nederlandse geschiedenis.

Er dient dus een plaats te zijn, waar alle monumenten en stadsgidsen en wetenschappelijke onderzoeken voor iedereen zichtbaar samenkomen. Waar kan worden gewerkt aan de verankering van deze geschiedenis in het nationaal bewustzijn, waar getoond kan worden hoe Nederland door die geschiedenis gevormd is en wat er van die geschiedenis valt te leren. En dat alles dus op een manier die beklijft, die duurzaam is, die ervoor zorgt dat die kennis zich verspreidt en up to date blijft. Waarom een museum? Het museum is de plek waar niet alleen al die bestaande nieuwe inzichten en producten samenkomen, maar waar op een geïntegreerde manier voor het eerst geheel andere perspectieven dan tot nu toe gerepresenteerd en gepresenteerd worden. Hier staan de Zwarte perspectieven centraal, hier wordt nieuwe geschiedenis gemaakt die relevant is voor sociale veranderingsprocessen. Die nieuwe geschiedenis loopt door in het nu en is van cruciaal belang om urgente maatschappelijke vraagstukken te begrijpen en vervolgens aan te kunnen pakken. Het is een kwestie van herstel richting een inclusieve en rechtvaardige samenleving. De motivatie daarvan wordt uitgebreid uiteengezet in Bijlage 1.

Daarnaast is een museum als medium waarschijnlijk de enige voor vrijwel iedereen toegankelijke en permanente vorm, waarin alle belangrijke stakeholders in dit proces zichtbaar en duurzaam samenkomen en kunnen interacteren. Andere media zijn tijdelijk of alleen bestemd voor een kleine groep. Alleen het onderwijs is een ander informatief-educatief medium waar die nieuwe, inclusieve perspectieven op het slavernijverleden zouden kunnen en moeten verduurzaamd worden. In principe is dat ook de bedoeling, want het onderwerp slavernij staat al sinds de jaren 1990 in de eindtermen en kerndoelen van het primair en voortgezet onderwijs. Bovendien is het sinds 2006 onderdeel van de nationale canon, die op 3

Zie hiervoor het tien punten actieplan van Caricom dat ook aan Nederland is gericht [https://caricom.org/caricom-ten-point-plan-for-reparatory-justice/]

10

CONCEPT

zijn beurt inmiddels dient als basis voor die kerndoelen. Het probleem is alleen dat de informatie in de schoolmethodes summier, vaak eenzijdig en zelfs incorrect of soms ronduit beledigend ten aanzien van sommige bevolkingsgroepen is. Ook de docenten weten veelal te weinig om deze manco’s te kunnen compenseren, of vinden het zelfs te gevoelige materie om het er uitgebreid over te hebben. Daarnaast moet niet vergeten worden dat de portie geschiedenis die bijvoorbeeld studenten op de pabo’s krijgen, laat staan de schoolleerlingen, in de loop der tijden steeds minder is geworden. De allergrootste groep leerlingen kiest of krijgt na de onderbouw geen geschiedenis meer. Kortom, het onderwijs zit zelf met zijn handen in het haar als het om dit thema gaat en geeft vaak aan dat het daarin steun kan gebruiken.4 Een nationaal museum dat er duurzaam is, dat een correcter, want niet eurocentrisch beeld over het verleden presenteert als volwaardig onderdeel van de nationale geschiedenis en daar ook het heden van nazaten en niet-nazaten van slaafgemaakten bij betrekt is bij uitstek het middel om het onderwijs te steunen. Het is hét middel voor een continue (h)erkenning van het verleden en heden van het Nederlands slavernijverleden en wat daaruit voortkwam, waarmee zichtbaar en actief een bijdrage wordt geleverd aan een gelijkwaardiger en rechtvaardiger samenleving.

Dat betekent dat dit museum een uitkomst is voor iedere docent en iedere leerling in Nederland om meer, bewuster en blijvender te leren over een substantieel stuk Nederlandse geschiedenis én over hedendaags burgerschap. Het is namelijk geen zwarte bladzijde in de geschiedenis, wat altijd weer de suggestie wekt dat de rest van het geschiedverhaal maagdelijk wit is, en het is evenmin een afgesloten hoofdstuk. De slavernij is een integraal en cruciaal onderdeel van het hele Nederlandse geschiedverhaal en is medebepalend voor het handelen en denken in de huidige samenleving, nu en in de nabije toekomst. Een andere reden dat er een nationaal slavernijmuseum moet komen is dat het een levend teken van erkenning is van de kracht van de Afrikaanse voorouders. Zij hebben een aantal samenlevingen in de Amerika’s opgebouwd, zij hebben bijgedragen aan de welvaart van Nederland en zij dragen nu opnieuw bij aan het welzijn van Nederland. Zij zijn Nederlanders. Maar die erkenning ontbreekt. Laat staan dat het idee al is doorgedrongen dat Nederland dus deels ook Afrikaanse wortels heeft. Niet als deel van de moderne multi-etnische samenleving, maar al eeuwenlang! Die erkenning is deel van het proces van bestrijden van ongelijkheid, buitensluiting en racisme.

Een nationaal slavernijmuseum, dat in zijn naam misschien beter naar de strijd en de kracht van (over)leven dan naar de slachtofferpositie van slavernij zou moeten verwijzen, moet ook echt nationaal zijn, dat wil zeggen voor iedereen en met nationale middelen gesteund en daarmee dus ook ván iedereen. Tegelijk zal het voor nazaten van slaafgemaakten 4

Ineke Mok, ‘Juf, was dat écht zo?’ Lessen over slavernij in het Amsterdamse voortgezet onderwijs (2011)[ http://www.cultuursporen.nl/webcontent/wp-content/uploads/2016/06/DMO-Educatie-Slavernij-MokCultuursporen-290411.pdf ]; SLO, Het slavernijverleden in onderwijs en museum; aanbevelingen voor de actualisering van het educatieve aanbod (2018) [https://www.google.com/search?q=SLO%2C+Het+slavernijverleden+in+onderwijs&oq=SLO%2C+Het+slaver nijverleden+in+onderwijs+&aqs=chrome..69i57j33i160l2.1190j0j15&sourceid=chrome&ie=UTF-8]; Jaco van der Wel, Annemieke Mack, Kees van Bergen, Lessen over slavernijverleden in het Amsterdamse onderwijs. Amsterdam, Regioplan (2019) [https://www.regioplan.nl/wp-content/uploads/2019/07/18083LesprogrammaSlavernijverleden-Regioplan.pdf] .

11

CONCEPT

ook iets extra bijzonders hebben. In ieder geval wordt het ook voor hen een plaats om te leren, want ook zij kennen grote stukken van het verleden niet. Nog belangrijker is dat de zichtbare en vooral levende erkenning via een trots museum nog verder gaat dan de verschillende monumenten, die een meer statisch karakter hebben gericht op het herdenken van het verleden en die bovendien vaak nog tamelijk onbekend zijn. Maar bovenal zal het museum voor hen ook een soort van sacrale dimensie hebben, waar de voorouders getoond kan worden dat hun strijd niet voor niets is geweest en hoever hun nazaten, in hun voetsporen, al gekomen zijn. Het museum markeert daarmee ook de staat van emancipatie van de nazaten van slaafgemaakten, maar minstens zozeer van de staat van emancipatie van de samenleving als geheel. In toenemende mate blijkt dat het om veel meer gaat dan het verhaal van de transAtlantische slavernij. Het gaat ook om wat er gebeurde met de nazaten van mensen die onder dwang uit Afrika waren gehaald, tijdens de anderhalve eeuw na de slavernij en wat er met hen gebeurde toen een groot deel van hen zich vestigde in het land dat hun voorouders tot slaaf had gemaakt.

Het gaat om de overgeleverde kracht die hen heeft doen overleven, die hen tot op zekere hoogte ook internationaal bindt als Afro-gemeenschappen, maar die hen tegelijkertijd ook heeft doen wortelen in de samenlevingen waar zij terecht kwamen en waar zij een wezenlijk deel van (willen) zijn. In feite gaat het dus om een diaspora-verhaal. Mensen die uit eenzelfde deel van de wereld komen, daar met geweld hebben moeten vertrekken, om er nooit meer terug te keren, maar die door de gelijksoortige geschiedenis die ze hebben moeten doormaken ook verbonden zijn. Om die kracht te tonen zal in het vervolg van dit rapport afwisselend worden gesproken van Slavernijmuseum, (Nederlands) Afrikaanse Diasporamuseum, Slavernij & Diasporamuseum en Nationaal Museum van de Afrikaanse Diaspora in Nederland5. Dit rapport gebruikt bewust deze termen door elkaar heen. De keuze voor een definitieve naam voor het museum zal later worden genomen. In ieder geval is het museum de meest geëigende plek om het gesprek te voeren over een verleden en daaruit resulterend heden dat bij sommigen weerstand of verlegenheid oproept. Er moet een plek zijn in Nederland waar dat gesprek goed geïnformeerd, continu en op meerdere kennisniveau’s gevoerd kan worden. Bovendien moet dat veilig kunnen en op een manier waarmee iedereen zich kan identificeren. Vandaar de nadruk op de kracht van mensen, niet op schuld & boete.

Alleen trans-Atlantische slavernij? Ja en nee. Vanaf het initiatiefvoorstel van Blom c.s. is alleen gerefereerd aan het transAtlantisch slavernijverleden. In de opdracht voor dit Verkenningsrapport wordt vijf maal expliciet daarnaar verwezen en nog eens negen maal naar de Afro-Nederlandse gemeenschappen, oftewel de nazaten van dat trans-Atlantisch slavernijverleden. Geen enkele andere vorm van slavernij wordt genoemd. Toch zijn er regelmatig geluiden uit de samenleving te horen dat het Slavernijmuseum ook andere vormen van slavernij met 5

Bij laatstgenoemde naam kan een bezwaar zijn dat daaronder ook de Afrikanen en Afro-Nederlanders worden verstaan die veel recenter naar Nederland zijn gekomen en geen Nederlands slavernijverleden hebben. Dat klopt, maar ook zij hebben als Zwarte inwoners van Nederland enkel vanwege hun huidskleur ook te maken met de erfenissen en doorwerkingen van het Nederlands slavernijverleden, dus het oudere Diaspora-verhaal betreft hen ook.

12

CONCEPT

Nederlandse betrokkenheid zou moeten presenteren. Daarbij valt te denken aan allerlei hedendaagse vormen van slavernij waarvoor Nederland doorvoerland is of waarvan de producten hier worden verhandeld. Ook wordt er veel gesproken over de Indisch-Oceanische slavernij die in het gebied van de VOC plaatsvond en er kan gedacht worden aan wat wel de christenslavernij wordt genoemd, dat wil zeggen, Nederlanders die door Noord-Afrikanen en Ottomanen werden slaafgemaakt en verhandeld. Waarschijnlijk wordt op al deze vormen van slavernij gedoeld in de nogal brede vraag 2b (zie Bijlage 4) waar het museum ‘zich in de toekomst, al dan niet gefaseerd, nog meer op richt’. Het moge duidelijk zijn dat het transAtlantisch slavernijverleden de kern vormt van het museum, maar dat er –op den duur– ook ruimte moet zijn voor verbreding. De Regiegroep herkent dit. De verbreding zal, wat dit rapport betreft al vanaf de start in het museum verweven zijn. In de eerste plaats, omdat het museum zich niet tot de periode van slavernij beperkt, maar bewust de ontwikkelingen in de ruim anderhalve eeuw daarna ook behandelt. Ook uit de missie en visie (zie hoofdstuk 2) blijkt dat de erfenissen en doorwerkingen na de slavernij, inclusief in het hier en nu centraal staan.

In de tweede plaats zal in het museum, direct na die vragen uit het hier & nu, dus ergens aan het begin van de presentatie een overzicht en inzicht worden gegeven van de verschillende soorten slavernij waarmee Nederland in de loop van de geschiedenis te maken heeft gehad. Dat is nodig om juist de uniciteit en uitzonderlijkheid van het trans-Atlantische slavernijsysteem te kunnen uitleggen, waarvan het exclusieve raciale element en de bijna industriële organisatie niet te onderschatten onderdelen zijn (zie ook Bijlage 6). In de derde plaats zijn er allerlei raakpunten geweest tussen de WIC en de VOC. Bijvoorbeeld op de aanvoer van kaurischelpen en textiel uit het gebied van de Indische Oceaan die vervolgens werden gebruikt in de trans-Atlantische slavenhandel. Dit is logischerwijs onderdeel van het kernverhaal van het museum. In de vierde plaats wil het museum naast zijn vaste presentaties, ook wisseltentoonstellingen tonen die gewijd zullen zijn aan verwante slavernij-onderwerpen, waaronder logischerwijs andere aan Nederland gelieerde slavernijsystemen. Bovendien wil het museum in de netwerkconstructie waarin het wil werken (zie o.a. hoofdstuk 3) met name op het terrein van de Indisch-Oceanische Nederlandse slavernij, musea met grote Aziatische collecties stimuleren hier permanente aandacht aan te gaan geven.

Interessant in dat opzicht was de uitspraak die de woordvoerder van het op Nederlands-Indië gerichte Museum Bronbeek in Arnhem deed aan het begin van het proces van de onderhavige verkenning, dat hij volop aandacht wilde gaan besteden aan het slavernijverleden.6 Bij navraag recentelijk, bleek dat voornemen echter al weer verlaten. Tot slot, in Nederland en in het Atlantisch gebied in het algemeen, zijn de nazaten van het slavernijverleden duidelijk aanwijsbaar aanwezig. Dagelijks laten zij weten welke strijd zij moeten voeren in samenlevingen die zich nog moeten emanciperen uit het racistisch denken van de slavernij, dat hier geïnstitutionaliseerd is. Dagelijks worden zij geconfronteerd met het ontbreken van ruimte voor hún kracht, hun verleden en hún eigen verhaal. Dat alles kan niet worden gezegd van nazaten van andere slavernijverledens. Die zijn er namelijk niet 6

‘Bronbeek wil slavernijverleden tonen en uitgroeien tot koloniaal museum’ [https://www.gelderlander.nl/arnhem-e-o/bronbeek-wil-slavernijverleden-tonen-en-uitgroeien-tot-koloniaalmuseum~a56b29cb/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F] (geraadpleegd 15-03-2021)

13

CONCEPT

meer, of niet aanwijsbaar en als gevolg daarvan is er ook geen sprake van doorwerking van het slavernijverleden c.q. strijd om erkenning daarvan. De slaafgemaakten in het gebied van de VOC kwamen uit het huidige India, Sri Lanka, Bangladesh de hele archipel rond Java, met als belangrijkste eilanden Bali en Sulawesi. Niet alleen was hun slavernij een andere dan die in het Atlantisch gebied, ook de raciaal-etnische component was anders. Uiteindelijk zijn deze slaafgemaakten en hun nazaten opgegaan in de omringende samenleving en als zodanig dus niet meer herkenbaar. In de Amerika’s daarentegen zijn de samenlevingen –op de gedecimeerde en gemarginaliseerde Inheemsen na– geheel nieuw uit de grond gestampt en vrijwel allemaal gebouwd door de Afrikaanse diaspora en gebaseerd op slavernij. Daarom is dát het verhaal dat centraal staat in het museum. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat Nederlanders afkomstig uit de koloniën die geen nazaten zijn van slaafgemaakten geen last kunnen hebben van de doorwerking van het koloniaal verleden in het hier en nu, maar dat is toch een ander verhaal. Al was het maar, omdat zij veel vaker instrumenten waren van de onderdrukker, zoals het koloniaal leger, of onderdeel van de midden- en hogere klassen van kleur en niet deel van de onderdrukten.

Kortom, het kernverhaal van het museum is dat van de door Nederland in diaspora gedwongen Afrikanen en hun nazaten in het Atlantisch gebied, inclusief Nederland. Daarmee zal het museum van start gaan en zijn plaats in het museaal-educatieve veld gaan innemen. In dat verhaal komen ook de intersecties met andere slavernijsystemen (Indische Oceaan, NoordAfrika, Arabische slavenhandel) en vormen van gedwongen arbeid (koloniale horigheid, contractarbeid) aan bod. Daarnaast wordt zo snel mogelijk geprobeerd in samenwerking met andere musea ook die andere verhalen gepresenteerd te krijgen evenals in wisseltentoonstellingen in het Slavernijmuseum. Het Slavernijmuseum zal zich daar actief voor inzetten. Naar gelang de ontwikkelingen in dat opzicht kan er al dan niet uiteindelijk in het Slavernijmuseum ook permanent ruimte komen voor het Indisch-Oceanisch Nederlandse slavernijverleden. Gezien de eigen en geheel andere complexiteit van dat verleden ligt misschien een eigen museum wel meer voor de hand. Ook die geluiden klinken in de samenleving. Hoe dan ook zal er eerst nog heel veel onderzoek moeten worden gedaan, want om ook daarover een geschiedenis te vertellen door de ogen van de Aziatische slaafgemaakten zal niet gemakkelijk zijn.

Er zal diep gegraven moeten worden naar culturele tradities, erfenissen, objecten en wat dies meer zij die een museaal verhaal kunnen presenteren dat verder gaat dan dat van de eenling, de uitzondering of de algemene cijfers en aantallen. Het museum houdt daar rekening mee in zijn modulaire opbouw (zie hierna en hoofdstuk 3) door deze afdeling als laatste module in te plannen. Om daar vast belangstelling voor te genereren zou het goed zijn als voortaan bij monumenten in Nederland die het koloniaal verleden in Indonesië herdenken ook de slavernij en de onmenselijke contractarbeid van Chinezen en Indiërs wordt herdacht.

Wat is een nationaal museum In overeenstemming met de verkenningsopdracht en zoals uit het voorafgaande al bleek, is het streven een nationaal museum. Zoals gezegd betekent dat in ieder geval dat het museum er vóór iedereen is en ook ván iedereen in de zin dat het in belangrijke mate uit publieke middelen wordt gefinancierd. Maar de betekenis van een nationaal museum is meer dan dat. 14

CONCEPT

Nationale musea zijn in West-Europese landen ontstaan in het proces van moderne natievorming in de 19e eeuw en zijn sindsdien onderdeel van de constructie en presentatie van nationale identiteit.7 Daarmee wordt naar die natie zelf én naar buiten toe gezegd: dit zijn WIJ, dit is ónze geschiedenis en ónze cultuur, de rest is JULLIE (= niet ‘wij’). In de loop van de twintigste eeuw bleek dat die nationale ‘wij’ wel heel erg exclusief was, namelijk vooral die van niet al te jonge, witte mannen uit de maatschappelijke bovenlagen en dan ook nog eens ieder in zijn eigen ideologische zuil (nu zouden we zeggen: bubbel). Er kwamen emancipatiebewegingen van onder meer arbeiders en van vrouwen die dat doorbraken, al is dat pas laat ook in de musea doorgedrongen. Wat die emancipatiebewegingen hebben getoond is dat emancipatie een proces is dat aan twee kanten moet plaatsvinden om succesvol te zijn. Het begint bij de buitengesloten groep die representatie en gelijkheid opeist. En vervolgens moet de dominante groep zich emanciperen door zich te bevrijden uit zijn geketend denken.

Amsterdam 1970

Den Haag 1986

Groningen 2020

Nederlanders die na WO-II uit de koloniën kwamen en hun nazaten, zijn nog nauwelijks vertegenwoordigd in de Nederlandse musea en al helemaal niet op nationaal niveau. Alleen degenen die uit Indonesië kwamen kunnen hun verhaal (deels) terugvinden in Museum Sophiahof in Den Haag8, Museum Bronbeek in Arnhem, Tropenmuseum in Amsterdam, Wereldmuseum in Rotterdam, Museum Volkenkunde in Leiden, het Nederlands Openlucht Museum in Arnhem en een heel klein beetje in het Rijksmuseum.9 Het verhaal van de transAtlantische slavernij en haar erfenissen is alleen permanent en zeer gedeeltelijk terug te vinden in kleine opstellingen in het Tropenmuseum in het Nederlands Openluchtmuseum10 in Arnhem en wellicht een heel klein beetje vanaf 2021-2022 in het Rijksmuseum. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat die (te) kleine aanwezigheid van het trans-Atlantisch slavernijverhaal met al zijn sporen in de hedendaagse samenleving in de nabije toekomst wel een substantiële en representatieve plek zal krijgen in een van de musea, behalve enigszins in het Tropenmuseum, maar nog steeds niet substantieel (zie hoofdstuk 9). Voor zo’n wezenlijk onderdeel van de Nederlandse geschiedenis roept dat dus om een eigen museum. De vraag is dan wel waaraan moet worden gedacht bij een substantieel en representatief nationaal 7

Zie Bijlage 2, Rapport Nationale Betekenis. Dit is een gezamenlijk museum van de Stichting Moluks Historisch Museum en het Indisch Herinneringscentrum. 9 Bronbeek is een museum en kenniscentrum van het Nederlands koloniaal-militair verleden hoofdzakelijk in Nederlands-Indië/Indonesië. Op het landgoed worden ook veel herdenkingen gehouden. 10 Behalve in de canonopstelling ook in de vorm van een Molukse barak en een zogenaamd ‘Indisch achtererf’. 8

15

CONCEPT

museum. In ieder geval moet dat museum een voor iedereen zichtbaar gebaar naar de samenleving zijn, wil het werkzaam zijn als een onderdeel van erkenning voor wat in het verleden is gebeurd en dat hier en nu nog altijd consequenties heeft. Een groot gebaar toont de wil tot verandering, wat in Duitsland Vergangenheitsbewältigung en Geschichtsaufarbeitung wordt genoemd, in hun geval in het reine komen met- en verwerking van het naziverleden. Substantieel en representatief Om de geformuleerde museale missie en visie (zie hiervoor) te kunnen realiseren is een (middel)groot museum de enige optie. Dat wil zeggen een gebouw met rond 7000 m² publieksruimte, omringd door en verbonden met een museumpark. Hierin is de Regiegroep gaandeweg het onderzoek continu bevestigd door vrijwel iedere gesprekspartner, institutioneel, grass roots en individueel. In de gemeentelijk opdracht voor dit Verkenningsrapport zijn de onderzoekers vijf modellen voorgelegd.11 Hieronder volgt een stapsgewijze motivatie waarom de Regiegroep uiteindelijk voor het grootste model adviseert, d.w.z. in de orde van grootte tussen het Amsterdam Museum en het (nationale) Scheepvaartmuseum of het Stedelijk Museum Amsterdam, met gemiddeld 7000 m² publieksruimte.12 Het Slavernij & Diasporamuseum is een nationaal museum van een sterk onderbelicht stuk (inter) nationale geschiedenis.

Dat betekent dat alleen al het gebouw die lange ontkenning en buitensluiting teniet moet doen. Het moet daarom een zeer zichtbare en bereikbare voorziening worden in de hoofdstad van het land. Dan kan niet worden volstaan met een kleine organisatie die bij bestaande musea in het land slavernijtentoonstellingen gaat organiseren. Dat moet absoluut óók, maar wel vanuit een permanent museaal centrum. Ook het model om onderdeel te worden van een bestaand museum voldoet niet aan het idee van een nationaal slavernijmuseum. Er is in zo’n constructie geen autonomie over de wijze waarop het slavernijverhaal en zijn doorwerkingen wordt gepresenteerd, want het moet deel zijn van ‘toon’ van de rest van het museum. In dit model zou de hoofdconservator van de slavernij-afdeling altijd onder de algemene directie staan, die veel meer belangen heeft af te wegen dan alleen van die nieuwe slavernijafdeling. Ook zou slavernij in dit model slechts één van meerdere thema’s zijn voor zo’n museum. Slavernij & erfenissen van slavernij zouden nooit voluit in beeld zijn en deze onderwerpen zouden maar eens in de zoveel tijd aan de beurt komen voor extra aandacht, geld, tijdelijke expositie, etc. Kortom, in plaats van dat het slavernijverleden en zijn hedendaagse doorwerking op de kaart worden gezet zou het toch een soort aanhangsel blijven. Dat zal bij sommigen zelfs de indruk kunnen wekken van het nog

11

1) klein kantoor en informatiecentrum centraal in Amsterdam met programmering in Amsterdam, dan wel in combinatie met satellieten door het hele land; 2) kantoor museumorganisatie gehuisvest bij een bestaande museumorganisatie, met een mogelijke combinatie van interne programmering dan wel reizende programmering in satellieten door het hele land; 3) klein museum: basistentoonstelling en kantoor in een klein gebouw, met meerdere exposities verspreid over satellieten in het hele land; 4) alle programmering en kantoor in één museum dat samenwerkt met andere museale organisaties; 5) een groot geheel zelfstandig museum dat samenwerkt met andere museale organisaties. 12 Het Amsterdam Museum heeft straks na de verbouwing ca. 5.700 m² tentoonstellingsruimte, het Scheepvaartmuseum heeft 7.000 m² publiekstoegankelijke ruimtes, d.w.z. inclusief horeca, winkel e.d.. Ter vergelijking: het Rijksmuseum heeft alleen al aan tentoonstellingsruimte 13.000 m² beschikbaar en het Stedelijk Museum 8.000 m².

16

CONCEPT

steeds niet in de volle spotlights durven plaatsen van dit onderwerp. Daarmee zou de geschiedenis zich herhalen, het tegendeel van wat de bedoeling is. Minstens zo belangrijk is dat het hier niet om zo maar een stuk geschiedenis gaat, maar om geschiedenis die nog steeds gevoelig ligt, dat maken alle discussies wel duidelijk. Die gevoelige en lang weggestopte geschiedenis met haar hedendaagse doorwerkingen en erfenissen moet relevant worden voor alle inwoners van Nederland, van nazaten van slaafgemaakten tot nazaten van slavenmakers en alle anderen in dit land. Volgens de opdracht van de gemeente moet het slavernijmuseum voor al die inwoners, ongeacht achtergrond, opleiding of leeftijd een ontmoetingsplaats zijn. Daarvoor is ruimte nodig, want die ontmoetingen en interacties tussen mensen die op heel verschillende manieren erfgenaam van de geschiedenis zijn, hebben ‘ademruimte’ nodig. Het is essentieel dat die, soms emotionele, of juist heel ingehouden interacties tussen Nederlanders wordt ingebed en begeleid in wat tegenwoordig vaak een safe space wordt genoemd.13 Zo’n safe space is gebaseerd op een plek met professionals die duurzaam kunnen laten zien dat het bij hen veilig is om je verhaal te vertellen, de discussie aan te gaan, emoties te tonen. Dat kan alleen gegarandeerd worden in een gebouw waar iedereen met hetzelfde onderwerp bezig, medewerkers en bezoekers.

Inwonen bij een bestaand museum valt daarmee definitief af. Tegelijk vraagt zo’n safe space ook ruimte voor bezinning en reflectie, buiten de tentoonstellingsruimtes en ontmoetingsruimtes waar de confrontatie met heden en verleden plaatsvinden. Daarnaast ligt het voor de hand dat het museum de belevingsdimensie die in de opdracht wordt genoemd, wil onderbouwen met evocatieve en interactieve publieksgeoriënteerde opstellingen, waarvan de ervaring leert dat ze pas goed werken als ze letterlijk de ruimte krijgen. Ook zal er veel worden gewerkt met hedendaagse kunstenaars en hun producties. Zeker daar waar het verhaal krachtig visueel ondersteund moet worden, maar er niet altijd de juiste soort collectie voor bestaat. Die kunst moet, bijna letterlijk, kunnen ademen en daarvoor is ruimte nodig. Het Nationaal Museum van Nederlands Afrikaanse Diaspora mag na ruim anderhalve eeuw van verdringen, ontkennen en relativeren van dit stuk nationale geschiedenis, niet weggestopt zijn. Het gebouw moet een zichtbaar en ruimtelijk gebaar zijn. Het moet kracht tonen, niet slachtofferschap vooropstellen. Het moet een echt post-koloniaal, zelfs dékoloniaal gebouw zijn.14 Dat alles pleit veel meer voor nieuwbouw dan voor een bestaand gebouw.

In de eerste plaats omdat het ontwerp dan ook fysiek-ruimtelijk kan inhaken op het centrale slavernijthema en in de tweede plaats omdat nieuwbouw geen discussies oproept over het 13

De term safe space wordt veel gebruikt in het (hoger) onderwijs, maar ook wel in andere instellingen en op werkplekken, waar inclusiviteit niet vanzelf gaat. Het is een plek waar mensen samenkomen om te praten over gevoelige kwesties, waarover de meningen heel sterk uiteen kunnen lopen. De afspraak is dat op die plek, maar ook bij het verlaten daarvan, de gespreksdeelnemers kunnen zeggen wat ze willen en ook hun emoties daarbij kunnen tonen zonder daarop te worden veroordeeld. Intimidatie en haat-taal, laat staan geweld, worden niet getolereerd, luisteren en inleven wordt gestimuleerd. 14 Een postkoloniale aanpak is de koloniale geschiedenis en zijn hedendaagse effecten niet meer bekijken vanuit het perspectief vanuit de (voormalige) kolonisator maar vanuit het perspectief van de (voormalige) gekoloniseerde. Dékoloniaal komt van het werkwoord dékoloniseren en is de actie die volgt op een postkoloniale kritiek. Bijvoorbeeld: een succesvol en duurzaam diversiteitsbeleid is pas mogelijk als duidelijk is wat eeuwen van onderdrukking (van gekoloniseerde volken, maar ook van vrouwen bijvoorbeeld) met de betreffende groepen heeft gedaan.

17

CONCEPT

eventueel belaste verleden, of over de specifieke, niet-inclusieve, uitstraling van een bestaand (museum)gebouw.15 Daarenboven zijn er twee natuurlijke elementen die voor ruimte en een specifieke locatie vragen: stromend water en een groene omgeving (park). Beide hangen samen met de hardheid van de slavernijgeschiedenis, maar staan tegelijkertijd centraal in de spirituele kracht van de Afrikaanse diaspora. Die natuurlijke omgeving behoort, net als de ‘bakstenen’, tot de kern van het museum.

Fasering Het trans-Atlantisch Slavernijmuseum moet dus een herkenbaar baken zijn dat uitstraalt dat het slavernijverleden op een dékoloniale manier deel uitmaakt van de nationale geschiedenis en daarmee ook van het collectieve heden. Misschien moet voor zo’n dékoloniaal ‘gebaar’ zelfs niet eens de term ‘museum’ worden gebruikt, omdat musea meestal zaken tonen die klaar of afgerond zijn. Het moet dus ook midden in het hier en nu staan en tonen dat het deel is van een proces, van werk-in-uitvoering. Alleen staat zo’n museum er niet in een of twee jaar. Ook de totstandkoming is deel van het proces en kan gefaseerd gebeuren. Om zo snel mogelijk van start te kunnen gaan en te tonen dat het Slavernij& Diasporamuseum menens is, verdient het aanbeveling volgens een meertraps-systeem te werken. Dat kan beginnen met een pop up museum, waarbij tegelijkertijd alles in gang wordt gezet voor de eerste fase van het definitieve museum op de definitieve locatie: van verkrijging en bouwrijp maken van de grond t/m de eerste module van het gebouw. Het einde van de pop up fase is de opening van museum-module 1. In de jaren daarna wordt er steeds een module bijgebouwd. Zo kunnen kosten worden gespreid, ervaringen worden opgedaan, een kerncollectie worden opgebouwd en een netwerk met andere musea worden opgezet.

Het meest ideaal is waarschijnlijk om ook het pop up museum al op de definitieve locatie te hebben. Maar als dat lastig of tijdrovend is, heeft een pop up in een aansprekend bestaand gebouw, waar met niet al teveel inspanning en investeringen een tijdelijke expositie wordt ingericht, zeker ook voordelen. Voor zo’n tijdelijke tentoonstelling kunnen delen van andere exposities worden overgenomen. Zo heeft het Rijksmuseum al aangegeven eventueel te willen praten over uitlenen van stukjes van de 2021 slavernijtentoonstelling; er kan onderzocht worden wat overblijft van de ‘Amsterdammers in Slavernij’ expositie van het Stadsarchief Amsterdam, er kunnen wellicht overnames worden geregeld van de ‘Heden van het Slavernijverleden’ tentoonstelling van het Tropenmuseum en eerdere tentoonstellingen van het Scheepvaartmuseum, er is al overleg gaande met het International Slavery Museum in Liverpool over mogelijke samenwerking.16 Bovendien zou het pop up museum ook een van de Nederlandse locaties kunnen zijn voor de internationale reizende slavernijtentoonstelling die een aantal internationale musea aan het voorbereiden is en waarschijnlijk in 2023-2024 15

Denk aan de witte en koloniale uitstraling van bijvoorbeeld Rijksmuseum en Tropenmuseum, of de besmette locatie van het West-Indisch Huis, voor de één een directe verbinding tussen heden en verleden, voor de ander een absolute plaats delict en daarmee een ‘no go’. 16 Het Slavernijmuseum in Liverpool gaat de komende jaren een nieuwe fase in met een grote uitbreiding van de tentoonstellingsruimte en een nieuwe inrichting en zal zich de komende jaren in een parallel traject bevinden als het Nederlandse slavernijmuseum.

18

CONCEPT

start in het Smithsonian National Museum of African American History and Culture in Washington. Ook kan hier vast geëxperimenteerd worden met eigen invullingen voor het uiteindelijke permanente museum, bijvoorbeeld op het gebied van verzamelen. Het zal echter altijd tijdelijk zijn, een soort teaser, een opwarmer, voor het échte gebaar naar de samenleving. Dat moet namelijk substantieel zijn wil het gelden als een onderdeel van erkenning voor wat in het verleden is gebeurd en nu nog dagelijks consequenties heeft. Met een klein museaal model zoals een pop up is overigens al enige jaren ervaring opgedaan, die leerzaam is en in ieder geval toont dat het permanente museum substantieel veel groter moet zijn. Tussen 2004 en 2012 had NiNsee namelijk in zijn toenmalige behuizing aan de Linnaeusstraat in Amsterdam een permanente slavernijtentoonstelling staan van ca. 300 m², verdeeld over twee verdiepingen, plus nog eens ca. 50 m² voor tijdelijke exposities. De enige mogelijkheid voor deze tentoonstelling, opgebouwd door voormalig Wereldmuseum directeur Hein Reedijk17 om een beetje te kunnen ‘ademen’ was een zogenaamde ‘platte’ expositie, d.w.z. wanden gevuld met grotendeels 2-dimensionaal materiaal, zoals, foto’s, documenten, replica’s van schilderijen etc.

Er waren twee medewerkers verantwoordelijk voor deze tentoonstelling, die zeer enthousiast rondleidingen gaven en daarmee de beleving vergrootten, maar bijna letterlijk struikelden over de beperkte mogelijkheden van het geheel. In de laatste jaren voor de bijna totale opheffing van NiNsee kwamen er jaarlijks 10-12.000 bezoekers, waarvan ca. 60% scholieren, voornamelijk uit de regio Amsterdam en niet meer dan 1 klas tegelijk. Dat was voor dat moment en die omstandigheden mooi. Maar het barstte uit zijn voegen, en was allesbehalve een museum met een nationale uitstraling of impact. Het ontbrak gewoonweg aan ruimte en mogelijkheden om scholen en andere groepen uit het hele land te ontvangen. Laat staan dat het een voorbeeld, stimulator en uitwisselingspartner voor andere erfgoedinstellingen in het land kon worden. Want ook op die manier, in een netwerkconstructie, moet het Nederlands slavernijverleden een vaste plaats in het collectieve nationale bewustzijn krijgen. En ook dat betekent opnieuw een museum dat door zijn omvang en expertise voldoende (inter)nationale status heeft om aantrekkelijk voor anderen te zijn als samenwerkingspartner.

17

En inhoudelijk ingericht door Valika Smeulders, Aspha Bijnaar, Alex van Stipriaan en Al Pieters.

19

CONCEPT

2 Wat wil het museum zijn? -

Missie, Visie, Kernwaarden Toelichting Diversiteit en inclusiviteit (Inter)Nationale betekenis van het slavernijmuseum

Centraal in het museum staan de Afrikanen en hun nazaten die door toedoen van Nederland in de koloniën en in Nederland zelf terecht zijn gekomen. Hun stemmen, hun strijd, hun cultuur zijn het uitgangspunt en de kern van het museum. Het is een museum waarin de kracht wordt getoond van mensen die ondanks eeuwen van verschrikkingen hun eigen leven en cultuur hebben weten vorm te geven. De focus is dus gericht op actieve, (her)kenbare mensen, met al hun sociale, culturele, intellectuele, fysieke en kunstzinnige capaciteiten. Ook na de slavernij. Want nog steeds moet er door hun nazaten gestreden worden voor gelijkwaardigheid en voor erkenning van deze geschiedenis tot in het hier en nu. Het tonen van deze kracht en strijdbaarheid gaat iedereen aan en kan iedereen tot voorbeeld strekken en tot nadenken stemmen. En tegelijk zal er daardoor ook veel schoonheid te zien zijn. Het museum moet er voor iedere inwoner van Nederland zijn. Daarom wil het ook het eerste echt dékoloniale museum van Nederland worden. Niet belast door een gebouw met een eigen (omstreden) geschiedenis, niet belast met een koloniale collectie die nu eenmaal (ook) gebruikt moet worden, niet belast door museale ‘natuurwetten’18 die nu eenmaal zijn zoals ze zijn, maar een museum dat in vrijheid zijn eigen, tegendraadse keuzes kan maken om daarmee bij te dragen aan de dékolonisatie van Nederland en zijn geschiedenis.

En om daardoor ook mee te werken aan een werkelijk inclusieve samenleving. Het museum kan daarom per definitie niet een plek zijn waarin voornamelijk op éénrichtingsmanier wordt tentoongesteld. Mensen komen er om te kijken en te luisteren én om zélf te vertellen en hun mening te geven; om er te leren én om er door onderzoek zelf iets bij te dragen; om er iets te ondergaan én om mee te (be)leven, om er iets van mee te nemen én om er iets achter te laten. Het museum wil een gesprek zijn over het verleden en het heden, vanuit de vragen van nu en met de taal van morgen. Een bron van inspiratie voor een gelijkwaardige samenleving. Het is een plek waar een transformatie plaatsvindt van het bestaande geschiedbeeld over het slavernijverleden en alles wat daarna in de Afrikaanse diaspora is gebeurd en nog steeds plaatsvindt. Het is daarom een plek waar bestaande machtsverhoudingen in de presentatie en representatie van dit stuk Nederlandse geschiedenis en verhoudingen in het hier en nu worden doorbroken. Hier worden nieuwe perspectieven gepresenteerd. Voor een diepgaander analyse en beschrijving hiervan zij nog eens nadrukkelijk verwezen naar Bijlage 1. Bondig geformuleerd leidt dat tot de volgende missie (waar het museum voor staat), visie (wat het wil bereiken) en kernwaarden (van waaruit het wil werken).

18

Denk bijvoorbeeld aan racistische terminologie die in de oude collectiebeschrijvingen bewaard moeten blijven, zij het niet publiek toegankelijk.

20

CONCEPT

Wat het museum als zijn missie ziet Het tonen van de perspectieven, de kracht en de strijd van de slaafgemaakten en hun nazaten waarbij het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden, de erfenissen en de doorwerkingen daarvan centraal staan. Hierbij is het museum een katalysator voor sociale verandering. Wat het museum als zijn visie hanteert Vooroplopen in het proces van verwerking, door de slaafgemaakten en hun nazaten, binnen een generatie, een volwaardige plek te geven in de nationale geschiedenis. Het museum maakt hierbij gebruik van de kracht en de strijd van de voorouders voor een menswaardig bestaan en staat in het teken van een gelijkwaardige en rechtvaardige samenleving.

Wat de kernwaarden van het museum zijn Het museum werkt vanuit een vijftal kernwaarden. Deze gaan over de wijze waarop het museum zich verhoudt tot het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden, de erfenissen en doorwerkingen daarvan en de Afrikaanse diaspora in meer algemene zin. Tegelijkertijd gaan de kernwaarden over de wijze waarop het museum zich verhoudt tot haar externe en interne stakeholders. Kracht (trots en menswaardigheid) -

door gebruik te maken van de kracht, trots en strijd van de slaafgemaakten en hun nazaten voor een menswaardig bestaan.

Waardigheid (erkenning en volwaardigheid) -

door open te staan voor nieuwe inzichten en bereid te zijn te leren en te luisteren, geeft het museum (h)erkenning aan de slaafgemaakten en hun nazaten als volwaardig onderdeel van de nationale geschiedenis.

Representatie (inclusie, meerstemmigheid en afspiegeling) -

door de perspectieven van de slaafgemaakten en hun nazaten een volwaardige plek te geven in de nationale geschiedenis draagt het museum bij aan een meer realistisch en juist beeld over het verleden en de positie van de nazaten in de huidige samenleving. Ook is er extra aandacht binnen het museum voor de representatie van de Afro-Nederlandse gemeenschappen in alle lagen van de organisatie en hen te betrekken bij collectievorming, onderzoek, programmering, educatie en activiteiten.

Dekolonisatie (kritisch, onderzoeken, deconstrueren en innovatie) - door een kritische en onderzoekende houding loopt het museum op een innoverende wijze voorop in het proces van verwerken, deconstrueren en dekoloniseren van het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden, de erfenissen en doorwerkingen daarvan.

Emancipatie (gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid)

21

CONCEPT -

Door (on)zichtbare obstakels en uitsluitingsmechanismen weg te nemen, levert het museum een bijdrage aan gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid van de nazaten in de museale wereld en de samenleving.

Toelichting Het museum neemt het heden als uitgangspunt, om het verleden te onderzoek en te tonen als inspiratie om te werken aan een eerlijker toekomst. Het museum doet dat door een stimulerende en innoverende rol te spelen in het onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden en door de resultaten daarvan tot een belangrijk onderdeel te maken van het standaard historisch-educatieve aanbod in Nederland. Dit verleden is een gedeeld verleden van slaafgemaakten, slavenmakers en iedereen die met hen in relatie stond. Maar gedeeld betekent niet gelijk. Gedeeld betekent dat bijvoorbeeld de Nederlandse samenleving en de betreffende samenlevingen in de Amerika’s en in Afrika, met elkaar in relatie staan door het slavernijverleden, maar wel met heel verschillende verhalen, belevingen en erfenissen. En dat is wat het museum doet: het delen van die verhalen, met name van de verhalen en ervaringen die buiten de spotlights zijn gebleven. Want dat gedeeld verleden vond natuurlijk wel plaats binnen zeer ongelijke machtsverhoudingen die ook nu nog doorwerken, onder meer in de bestudering en presentatie ervan. Dat delen met iedereen is belangrijk, omdat hedendaags burgerschap kennis van deze geschiedenis vereist. Die kennis geeft inzicht in historisch gegroeide ongelijkheid en het denken daarover, zowel als de strijd daartegen.

Tegelijk toont het de kracht van de strijd, het protest, het tegen de stroom in roeien, het vertrouwen in eigen kunnen, om een volwaardige burger in deze samenleving te kunnen zijn. Het museum bevraagt, toont en bespreekt dus de lange historische ontwikkelingsgang van institutioneel racisme van toen tot nu. Het museum beperkt zich dan ook niet tot de periode van de slavernij. Vandaar een nieuw en dékoloniaal museum dat zelf deel is van het proces om tot een nieuwe taal te komen, nieuwe beelden te produceren, nieuwe vragen te stellen en geen oude, koloniale vooroordelen, denkpatronen en manieren van kijken te reproduceren. Steeds maar weer naar dezelfde beelden en teksten van onderdrukking, geweld en racisme te kijken, ook al wordt er nu een kritische uitleg bij geplaatst, is nog steeds dezelfde beelden tot je nemen. Het museum moet daarom nieuwe beelden produceren, nieuwe taal helpen maken, nieuwe sociale omgangsvormen bedenken, nieuwe vormen van delen creëren. Diversiteit en inclusiviteit Dat betekent eerst en vooral dat het museum bij uitstek inclusief moet zijn.

Niet alleen etnisch-cultureel, maar elke vorm van menselijke buitensluiting.19 Dus het gebouw en de omgeving moeten vanuit toegankelijkheidsperspectief daarop toegesneden zijn, de samenstelling van de organisatie en van de medewerkers moeten een voorbeeld van inclusiviteit zijn, maar ook bijvoorbeeld de leveranciers, de keuze van partnerinstituten en stakeholders, het programma, de marketing et cetera. En bijgevolg wordt dan ook het publiek 19

Dus ook fysiek, qua bereikbaarheid, sociaal, financieel, qua informatie, digitaal breed toegankelijk. Zie ook Bijlage 3, Rapport Draagvlak en Dialoog, p. 28-30.

22

CONCEPT

divers. Door bovendien al die diverse geledingen en groepen actief te betrekken bij alles wat het museum doet, van verzamelen en onderzoek tot inkoop en entertainment, vergroot het museum de diverse betrokkenheid en verhoogt het onderlinge verbondenheid. Zoals gezegd staan in dit museum de Afrikanen en hun nazaten centraal die ooit door Nederland in diaspora zijn gedwongen. Maar ook daarin zit een enorme culturele -en emotionele- diversiteit. De kracht van cultuur als een veelheid aan vormen van verzet is een sterk middel om dat te tonen. Het zal die kracht van culturele diversiteit én eenwording zijn en het tegen de klippen op veroveren van vrijheid, die maken dat een heel divers publiek zich met het verhaal van het museum zal kunnen identificeren en dat ook verdieping kan geven aan hun eigen levensverhaal. Ook in de manier van werken moet het museum dékoloniale diversiteit tonen. Dat betekent dat het moet zoeken naar de grootst mogelijke diversiteit aan materiële en immateriële bronnen waarmee het beoogde verhaal kan worden verteld. Bij immateriële bronnen kan worden gedacht aan onder meer de talen, zegswijzen, spreekwoorden, liederen, muziekstijlen, drumtalen, opvoedingsmethoden, gender- en verwantschapsrelaties, mondelinge geschiedenissen, overgeleverde wereldbeelden, rituelen, festiviteiten en diverse vormen van spiritualiteit.

Ook kan worden geput uit kritische studies van koloniale bronnen, van plantageboekhouding tot rechtbankverslag en gravure; aan herinterpretatie van archeologische opgravingen en gebouwd erfgoed; aan ambacht, textiel en kleding, eetcultuur, gebruiksvoorwerpen, kunst. Wat hierover al is uitgezocht door bestaande erfgoedinstellingen zal in het museum worden geheranalyseerd, geherinterpreteerd en ingepast in het nieuwe verhaal. En uiteindelijk gaat het om het samenkomen van die grote diversiteit aan bronnen en objecten, de onverwachte en nieuwe combinaties, uitdagende artistieke interpretaties en bijvoorbeeld het samenkomen van oude objecten met speciaal voor het museum gemaakte werken van hedendaagse kunstenaars, met name uit de Afrikaanse diaspora. Overigens kunnen gebruikleende museale objecten met de herinterpretaties daarvan ook weer met een nieuwe betekenislaag worden teruggegeven aan de erfgoedinstelling van herkomst. Bestaande koloniale collecties, hun beheerders en hun gebruikers kunnen daarmee hun eigen emancipatietraject ingaan. Het museum werkt daarnaast vanuit co-creatie. Dat betekent dat er plaats is voor onderzoek, waarvan de resultaten een plek kunnen krijgen in het museum. Dit onderzoekscentrum werkt in partnerschap met onderzoeksinstituten elders in Nederland en daarbuiten en tevens met Afro-culturele instellingen en grass roots organisaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10884894/1