CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. RIVM rapportage monitoring NSL 2023.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 14 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Monitoringsrapportage Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) 2023 en bijbehorende raadsinformatiebrief. (VN2024-000818)30.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Achtergrond voortgangsformulieren Het NSL streeft naar verbetering van de luchtkwaliteit door het nemen van maatregelen én het geeft mogelijkheden voor de uitvoering van ruimtelijke projecten. De jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit maakt zichtbaar in hoeverre maatregelen uit het NSL zijn uitgevoerd. Voor de overheden geldt rond maatregelen een uitvoeringsplicht. Inzicht in de voortgang van de uitvoering laat zien of aan deze plicht is voldaan. Tot en met 2022 waren alle NSL-projecten en -maatregelen verwerkt in digitale voortgangsformulieren in de monitoringstool 41. In de formulieren waren de kenmerken per project of maatregel opgenomen. Het betrof de maatregelen en projecten van de decentrale overheden en Rijkswaterstaat. Een overzicht van vaststaand en voorgenomen beleid van de Rijksoverheid is te vinden in Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen (PBL et al., 2023) 42 en het Beleidsoverzicht en de factsheets beleidsinstrumenten (PBL, 2023) 43 bij de Klimaat- en energieverkenning 2022 (KEV2023). In 2023 is de monitoringstool vervangen door het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In het CIMLK zijn de voortgangsformulieren niet opgenomen, omdat er onder de Omgevingswet geen plicht meer is om de voortgang van projecten en maatregelen te monitoren. De vraag om informatie over de voortgang is vastgelegd in de Wet milieubeheer.

Per 1 januari 2024 houdt dit deel van de wet op te bestaan, evenals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Om over dit laatste monitoringsjaar te kunnen rapporteren over de voortgang van projecten en maatregelen, is een uitvraag buiten het CIMLK om gedaan. De uitvraag is alleen gestuurd aan die NSL-deelnemers die nog een openstaand dan wel lopend project (104 deelnemers) en/of maatregel (34) hadden. Er is per deelnemer een Excel-bestand gestuurd met de daarin opgenomen lopende projecten en/of maateregel van de desbetreffende gemeente, provincie of Rijkswaterstaat.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/12/15/2022290253-1-monitoringsrapportage-nsl2022 41 https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/monitoren-nsl/handleiding-monitoringnsl/monitoringstool/ 42 https://www.pbl.nl/publicaties/geraamde-ontwikkelingen-in-nationale-emissies-van-luchtverontreinigendestoffen-2023 43 https://www.pbl.nl/publicaties/beleidsoverzicht-en-factsheets-beleidsinstrumenten-achtergronddocument-bijde-klimaat-en-energieverkenning-2022 40

Pagina 53 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

5.2

Verwerking voortgangsformulieren In beginsel zouden de Excel-bestanden voor analyse van de voortgang op dezelfde wijze worden gebruikt als de digitale formulieren uit de monitoringstool. Maar in de praktijk is gebleken dat dit niet mogelijk was. Voor het monitoringsjaar 2022 kan daarom geen actueel beeld over de voortgang van de maatregelen en projecten worden gegeven. Verder hebben slechts 37 van de 104 aangeschreven deelnemers een Excel-bestand over de projecten teruggestuurd. Voor de maatregelen zijn 12 van de 34 Excel-bestanden geretourneerd. Een analyse hierop is niet zinvol, omdat die niets zegt over het totaal van de voortgang van NSL-projecten en maatregelen in Nederland. In Tabel 5.1 zijn alleen de gegevens weergegeven van deelnemers die het Excel-bestand in 2023 hebben ingevuld. Tabel 5.1 Overzicht aangeleverde informatie in Monitoringsronde 2023.

Voortgangsformulieren Totaal aantal deelnemers in 2023 Totaal aantal o.b.v. ingevuld in 2023 Aandeel (P en M) in totaal NSL(*) In uitvoering In voorbereiding Besluit On hold Vervallen Afgerond Voornemen verzoek ontheffing

Projecten 37 153 23% (668) 67 49 17 7 6 7 n.v.t.

Maatregelen 12 76 7,7% (992) 23 2 7 1 10 41

(*) Het totaal aantal projecten en maatregelen van het NSL staat tussen haakjes. Het percentage is het aandeel daarvan waarvoor in ronde 2023 geactualiseerde informatie is ontvangen.

5.3

Conclusies voortgang projecten en maatregelen In 2022 is geconcludeerd dat van alle in het NSL opgenomen projecten ruim 51 procent in uitvoering is of is afgerond. Hoewel de start van het NSL in 2009 was, is rond de 34 procent van de projecten nog in een fase voorafgaand aan de uitvoering. Vertraging in de realisatie van projecten kan tot gevolg hebben dat de luchtkwaliteit lokaal iets beter is dan bij aanvang van het NSL werd verwacht. Als die vertraagde projecten alsnog worden uitgevoerd, kan de luchtkwaliteit lokaal verslechteren. De bijbehorende emissies van verkeer zullen bij latere uitvoering van projecten lager zijn, door verwachte 44 afname van emissies van het wagenpark. Vertraagde uitvoering van projecten brengt daarmee de doelstellingen van het NSL niet in gevaar. In 2022 is geconcludeerd dat van de NSL-maatregelen 83 procent is afgerond en 9 procent in uitvoering. Ruim een derde deel van de maatregelen in uitvoering betreft maatregelen die later zijn toegevoegd via de Aanpassing NSL uit 2018 45. De andere maatregelen die nog in uitvoering zijn, betreffen soms maatregelen die geen concrete 44

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/documenten/publicaties/2022/03/15/emissiefactorenvoor-snelwegen-en-niet-snelwegen-2022 45 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2018Z17192&did=2018D46645 Pagina 54 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

einddatum hebben, maar een doorlopende uitvoering of toepassing kennen. Onder het huidige NSL, dus tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, moeten wettelijk alle maatregelen afgerond of in uitvoering zijn. De gerapporteerde uitvoeringsfase van maatregelen laat zien dat aan deze eis naar verwachting nagenoeg gaat worden voldaan. Wel is in de loop van de jaren voor 53 NSL-maatregelen een ‘Voornemen verzoek ontheffing uitvoeringsplicht’ ingediend. Motieven om maatregelen niet (meer) uit te voeren, zijn bijvoorbeeld nieuwe wetenschappelijke inzichten, de constatering dat aanplanten van groen geen invloed heeft op de luchtkwaliteit, technische beperkingen of de doorontwikkeling van nieuwe inzichten. Twee maatregelen met een voornemen zijn alsnog uitgevoerd en afgerond. Een project/maatregelkoppeling is niet uitgevoerd vanwege het vervallen van het project. Verder zijn in bepaalde gevallen maatregelen alleen in kwalitatieve zin beschreven, maar nooit getalsmatig in de berekeningen meegenomen. Tot slot wordt aangegeven dat treffen van de maatregel niet meer nodig is, omdat er geen overschrijding van grenswaarden meer is. De verwachting is dat de cijfers in monitoringsronde 2023 vanwege de beperkte respons weinig anders zullen zijn dan die van vorige ronde.

Dat het Nationaal Samenwerkingsprogramma eindigt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, betekent niet dat het treffen van maatregelen eindigt. Het bevoegd gezag heeft vaak een uitvoeringsagenda, beleidsnota of een programma waarmee wordt gestreefd naar een schonere en gezondere luchtkwaliteit en leefomgeving 46. Daarin zijn maatregelen om die beleidsdoelen te bereiken verankerd. Daarnaast heeft het ministerie van IenW een bestuurlijk programma, het ‘Schone Lucht Akkoord’ (SLA), waarin deelnemers met elkaar én individueel maatregelen nemen om onder meer gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren. In dit programma is een rapportage 47 beschikbaar over de stand van zaken in de uitvoering van maatregelen die overheden binnen het SLA nemen, en in pilots die lopen. Dit akkoord heeft een looptijd tot en met 2030.

Bijvoorbeeld: Volg het beleid: schone lucht - Gemeente Amsterdam (https://www.amsterdam.nl/bestuurorganisatie/volg-beleid/duurzaamheid/schonelucht/#:~:text=In%202030%20wil%20Amsterdam%2060,Amsterdamse%20wegen%20(basisjaar%202017).) en Luchtkwaliteit - Gemeente Alphen aan den Rijn (https://www.alphenaandenrijn.nl/Duurzaam_Alphen_aan_den_Rijn/Luchtkwaliteit) 47 Monitoring - Schone lucht akkoord: https://www.schoneluchtakkoord.nl/thema/monitoring/#:~:text=Jaarlijks%20rapporteren%20alle%20SLA%2D deelnemers,jaarlijks%20de%20voortgang%20te%20rapporteren. 46

Pagina 55 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Pagina 56 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

6

Literatuur

De Smet, P.A.M., Visser, S., Geijer, M.N., Valster, N.L., Huitema, M.S., Wesseling, J.P, Groot Wassink, H., Sanders, A. (2021), Monitoringsrapportage NSL 2021: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2021-0018. De Smet, P.A.M., Visser, S., Valster, N.L., Schuch, W.J.L., Geijer, M.N., Wesseling, J.P, Van den Beld, W.A., Drukker, D., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2020), Monitoringsrapportage NSL 2020: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2020-0164. De Smet, P.A.M., Visser, S., Valster, N.L., Schuch, W.J.L., Wesseling, J.P, Hooydonk, P.R. van, Van den Beld, W.A., Drukker, D., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2019), Monitoringsrapportage NSL 2019: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2019-0170. Hoogerbrugge, R., Hazelhorst, S., Huitema, M., Siteur, K., Smeets, W., Soenario, I., Visser, S., De Vries, W.J., Wichink Kruit, R.J. (2023), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2023. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2023-0113. Hoogerbrugge, R., Geilenkirchen, G.P., Hazelhorst, S., Den Hollander, H.A., Huitema, M., Marra, M., Siteur, K., De Vries, W.J., Wichink Kruit, R.J.

(2022), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2022. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2022-0059. Ministerie van IenM (2016), Besluit tweede verlenging NSL, Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 6 december 2016, nr. IENM/BSK-2016/267241, geraadpleegd op http://wetten.overheid.nl/BWBR0038829/2017-01-01. Minister van VROM (2009), Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg29033.pdf Motie van Tongeren (2011), Gewijzigde motie Van Tongeren over controle van verkeergegevens (Tweede Kamerstuk 30175, nr 120), Tweede Kamer der Staten-Generaal. ISSN 0921 – 7371. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30175-120.html PBL, TNO, CBS, RIVM, RVO en WUR (2022), Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4838.

Pagina 57 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

PBL, RIVM, TNO en WUR (2023), Geraamde ontwikkelingen in nationale emissies van luchtverontreinigende stoffen 2023. Rapportage bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4930. PBL (2023), Beleidsoverzicht en factsheets beleidsinstrumenten. Achtergronddocument bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4952. RIVM (2022), Gemeten en berekende concentraties luchtkwaliteit 2019. RIVM notitie, https://www.rivm.nl/documenten/gemeten-en-berekendeconcentraties-luchtkwaliteit-in-2019. RIVM (2024), Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord (SLA) – Tweede voortgangsmeting. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2023-0383 (in voorbereiding). Rutledge-Jonker, S., Wesseling, J.P., Nguyen, P.L., Visser, S., Van Hooydonk, P.R., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2018), Monitoringsrapportage NSL 2018: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2018-0135. Rutledge-Jonker, S., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2017), Monitoringsrapportage NSL 2017: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2017-0156.

Smeets W., Nijdam, D., Geilenkirchen, G.P. (2023), Lichte actualisatie van de emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2023. Notitie ten behoeve van de RIVM-berekeningen voor luchtkwaliteit en stikstofdepositie, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBLpublicatienummer: 5225. (In aanvulling op PBL et al., 2023). Van Zanten, M., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2016), Monitoringsrapportage NSL 2016: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Rapport 2016-0138. Van Zanten, M., Van Alphen, A., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Verbeek, C. (2013), Monitoringsrapportage NSL 2013: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Rapport 680712005. Visser, S., Wesseling, J. (2020), Acualisering en addenda SRM-1 en SRM-2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0118. VROM (2009), ministerie van VROM, briefnummer DGM/NSL 2009029281, april 2009. Pagina 58 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Wesseling, J., Zandveld, P., Valster, N.L., Visser, S. (2020), Validatierekenhart AERIUS Lucht. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0119. Wesseling, J., Nguyen, L., Hoogerbrugge, R. (2018), Gemeten en berekende concentraties stikstofdioxiden en fijnstof in de periode 2010 t/m 2015 (Update); Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2016-0106. Wesseling, J., Velze, K.V., Hoogerbrugge, R., Nguyen, P.L., Beijk, R., Ferreira, J.A. (2013), Gemeten en berekende (NO2-)concentraties in 2010 en 2011: Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 680705027.

Pagina 59 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Pagina 60 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Bijlage 1 Begrippenkader

Hieronder volgt een toelichting bij belangrijke begrippen in de rapportage. Toetspunten en rekenpunten wegverkeer De monitoring berekent met standaard rekenmethoden (SRM) 48 de luchtkwaliteit voor een groot aantal locaties. De wegbeheerders geven de exacte geografische locaties op waar moet worden gerekend. Elke ingevoerde locatie (minimaal één punt per honderd meter wegdeel) is dus per definitie een rekenpunt waar de luchtkwaliteit wordt bepaald. De resulterende concentraties kunnen vervolgens voor verschillende doelen worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de resultaten te toetsen aan de grenswaarden, om de bevolkingsblootstelling te bepalen, of om de luchtkwaliteit om andere redenen inzichtelijk te maken. Als het gaat om het eerste doel – het wettelijk toetsen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit – heeft een dergelijk rekenpunt het kenmerk ‘NSLtoetspunt’. Deze rekenpunten zijn kortweg aangeduid als ‘toetspunten’. Om met het NSL in heel Nederland te voldoen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit, gaat het dus specifiek om de luchtkwaliteit op de toetspuntlocaties. De andere rekenpunten vergroten het inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland en de blootstelling van de bevolking. Windtunnelonderzoek De standaard rekenmethoden (SRM) berekenen de concentraties van de luchtvervuilende stoffen goed en betrouwbaar in standaardsituaties.

Maar bij tunnelmonden, rondom hoge gebouwen en in andere ingewikkelde situaties is de concentratie vaak niet goed te berekenen. De luchtstromingen zijn in die situaties niet te vatten in de standaard rekenregels. Windtunnelonderzoek 49 bootst ingewikkelde situaties na, die niet passen binnen het toepassingsbereik van de standaard rekenmethoden. De wegbeheerder kan met resultaten uit dergelijk onderzoek de concentratie in die situaties vaststellen. Wegbeheerders mogen in geval van dergelijke situaties op aanvraag gebruikmaken van resultaten uit windtunnelonderzoek voor de actualisatie van invoergegevens voor wegverkeer in de NSL-monitoring. Toetspunten en rekenpunten veehouderijen In de monitoring van de veehouderijen is op alle rekenpunten (zowel woningen op het terrein van inrichtingen als daarbuiten) de luchtkwaliteit bepaald. De rekenpunten zijn gebouwen die voor menselijk wonen of menselijk verblijf zijn bestemd. In de monitoring wordt de luchtkwaliteit alleen op de rekenpunten buiten een terrein van de inrichting in de omgeving van de veehouderijlocaties aan de jaar- en etmaalnorm voor fijnstof getoetst. Dit wordt aangeduid als toetspunten. Het betreft hier alleen locaties van burgerwoningen, plattelandswoningen 50 en een categorie Overig. Die worden ook wel de ‘te beschermen objecten’ (TBO’s) genoemd.

https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/berekenen-luchtkwaliteit-langs-wegen/ https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/windtunnelonderzoek/ Een plattelandswoning is een voormalige agrarische woning die op grond van het bestemmingsplan mag worden bewoond door derden.

48 49 50

Pagina 61 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Het lokale bevoegd gezag van de veehouderijlocatie is verantwoordelijk voor het aanleveren van de exacte geografische locaties van deze toetspunten. Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium De Europese luchtkwaliteitsnormen gelden overal in Nederland. De Europese richtlijn kent echter een toepasbaarheidsbeginsel, dat stelt dat niet overal aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. De kern van het toepasbaarheidsbeginsel is dat niet hoeft te worden getoetst op plekken waartoe het publiek formeel geen toegang heeft, zoals op rijbanen en middenbermen van wegen. In de richtlijn is ook opgenomen dat toetsing aan de grenswaarden daar plaatsvindt ‘waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of indirect kan worden blootgesteld, gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde(n) niet verwaarloosbaar is’. Dit is het zogeheten blootstellingscriterium. Zowel het toepasbaarheidsbeginsel als het blootstellingscriterium is in 2010 in de Nederlandse wetgeving ingevoerd. Met name in de toepassing van het blootstellingscriterium zijn interpretatieverschillen mogelijk. De uiteindelijke wijze van toepassing van het toepasbaarheidsbeginsel of het blootstellingscriterium en het gebruik ervan is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende (lokale) overheid.

Voor het toetsen aan de grenswaarden bij bedrijven (inrichtingen 51) geldt ook dat alleen buiten het terrein van een inrichting hoeft te worden getoetst. Bevolkingsblootstelling De monitoringsrapportage besteedt ook aandacht aan het gezondheidsaspect van luchtkwaliteit. Dit gebeurt in de vorm van bevolkingsblootstelling. Bevolkingsblootstelling is gedefinieerd als de gemiddelde concentratie van een stof waaraan de bevolking in een bepaald gebied wordt blootgesteld, bijvoorbeeld per gemeente, per provincie of in heel Nederland. Dit is op basis van woonadres berekend voor de buitenluchtconcentratie op de meest belaste gevel van een gebouw, voor zowel het gepasseerde jaar als voor zichtjaren. Uit deze resultaten valt op te maken of de concentratie waaraan de bevolking in een bepaald gebied gemiddeld wordt blootgesteld wel of niet afneemt. De rapportage over de bevolkingsblootstelling vindt in de monitoringsronde van 2023 plaats in het kader van de rapportage voor het Schone Lucht Akkoord (SLA). Deze komt kort na het verschijnen van dit NSL-rapport beschikbaar. Toetsing resultaten met toepassing van een bandbreedte De resultaten van de uitgevoerde berekeningen kennen een aanzienlijke onzekerheid, inherent aan luchtkwaliteitsmodellen en de aannamen in de monitoring. Deze onzekerheid bepaalt mede de waarschijnlijkheid van het halen van de grenswaarden.

Ook kunnen zich gedurende de looptijd van het NSL tegenvallers voordoen, die een risico vormen voor het NSL-doel. Bijvoorbeeld tegenvallende maatregeleffecten, een andere economische ontwikkeling of een trendmatige ontwikkeling van de 51

Een inrichting betreft hier het terrein van een bedrijf waar de Arbowetgeving van kracht is.

Pagina 62 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

luchtkwaliteit die anders is dan eerder was aangenomen. Om hierin meer inzicht te geven, worden ook resultaten gepresenteerd van een toetsing aan een waarde die lager is dan de grenswaarde, de zogenoemde bandbreedte. Voor NO2 worden resultaten getoond waarbij is getoetst op 38,0 μg/m3 jaargemiddeldeconcentratie (2,5 μg/m3 lager dan de toetswaarde van 40,5 μg/m3). Voor PM10 worden daartoe resultaten gegeven waarbij is getoetst op dertigdagenoverschrijding (vijf dagen lager dan de norm). Op deze wijze wordt enig inzicht gegeven in de mogelijke risico’s die zijn verbonden aan de bestaande onzekerheden. Zie ook Bijlage 4 voor aanvullende informatie over de effecten van onzekerheden op het aantal overschrijdingen. Toetsing resultaten met toepassing van de zeezoutaftrek Bij toetsing van berekende concentraties fijnstof aan de grenswaarden mag het aandeel zeezout in de totale concentratie buiten beschouwing worden gelaten, als er sprake is van een grenswaardeoverschrijding. De zeezoutaftrek op het jaargemiddelde is gemeente-afhankelijk en varieert tussen de 1 en 6 µg/m3. Voor de etmaalnorm is per provincie een aftrek op het aantal overschrijdingsdagen bepaald. Het aantal dagen dat bij toetsing buiten beschouwing wordt gelaten, varieert tussen de twee en vier dagen.

In deze rapportage gelden vanwege de empirische relatie tussen de twee normen voor de berekeningen nabij wegen – na aftrek van het aandeel zeezout – jaargemiddelde fijnstofconcentraties groter dan 31,2 μg/m3 als overschrijding van de etmaalnorm. De zeezoutaftrek van de eerste twee dagen is equivalent aan 0,5 μg/m3 jaargemiddelde concentratie. Voor elke daaropvolgende extra correctiedag mag 0,2 μg/m3 van de jaargemiddelde concentratie worden afgetrokken. Overschrijdingen per kilometer wegzijde (of rijrichting) Het punt waar de luchtkwaliteit nabij wegen aan de grenswaarden moet worden getoetst, dient volgens de Europese richtlijn representatief te zijn voor honderd meter weglengte, een ‘wegvak’, ‘wegdeel’ of ‘wegsegment’. In de huidige monitoringstool liggen in veel gevallen aan beide kanten van een weg rekenpunten. Deze worden individueel meegenomen in de resultaten. Dat betekent: een rekenpunt is representatief voor één wegzijde (vaak dus één rijrichting). In deze rapportage wordt ‘km (per) rijrichting’ gebruikt om dit aan te duiden. Grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt jaarlijks gegevens bekend 52 die overheden moeten gebruiken bij de berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

De gegevens bevatten onder meer de achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten; Hoogerbrugge et al., 2023) en de emissiefactoren (voor verkeer en veehouderij). De invoergegevens van 2022 zijn op 15 maart 2023 gepubliceerd. De gegevens zijn verwerkt in de nieuwe versies van de rekenmodellen voor luchtkwaliteit, zoals in het NSLmonitoringsinstrument CIMLK.

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen 52

Pagina 63 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Veehouderijgegevens in de GCN Bij de GCN-kaarten is gebruikgemaakt van de werkelijke dieraantallen volgens de gecombineerde opgave (voorheen ‘meitelling’). De emissies worden verdeeld volgens de GIAB+-verdeling. Binnen GIAB+ is de ligging van elk agrarisch bedrijf vastgelegd. Aan deze locaties zijn ook diverse bedrijfsgegevens gekoppeld, zoals dieraantallen en staltypen. De emissie is berekend door het dieraantal per staltype te vermenigvuldigen met de bijbehorende emissiefactor. Voor het berekenen van de grootschalige achtergrondconcentraties worden de emissies op het niveau van 1 x 1 km gebruikt. Bij toekomstige jaren is ook rekening gehouden met de doorwerking van het landbouwbeleid en met regionale groei- of krimpscenario’s. De emissies, methode van concentratieberekeningen en scenario’s die ten grondslag liggen aan de GCN-kaarten zijn uitgebreider toegelicht in de GCN-rapportage 2023 (Hoogerbrugge et al., 2023). Bij de berekening in het NSL wordt de veehouderijbijdrage bij de achtergrondconcentratie opgeteld. Dit zorgt voor dubbeltellingen, omdat de fijnstofbijdrage van de veehouderijsector ook wordt meegenomen in de berekening van de GCN-achtergrondconcentraties. De rekenresultaten in het NSL zijn gecorrigeerd voor deze dubbeltelling.

Pagina 64 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Bijlage 2 Validatieresultaten rekenhart AERIUS Lucht

Onderzoek door het RIVM (Wesseling et al., 2018; RIVM, 2022) heeft uitgewezen dat de Nederlandse rekenmodellen voor luchtkwaliteit langs verkeerswegen, die SRM-1- en/of SRM-2-implementaties zijn en waar AERIUS Lucht een voorbeeld van is, ruimschoots voldoen aan de door de EU gestelde eisen voor onzekerheden bij gebruik van rekenmodellen voor het toetsen aan de grenswaarden. Dit blijkt uit vergelijkingen tussen gemeten en berekende concentraties. In deze monitoringsronde is in het monitoringsinstrument CIMLK gebruikgemaakt van rekenmodel ‘AERIUS Lucht’ versie 2023. Voor de validatie vergelijkt het RIVM de rekenresultaten met het eigen rekenmodel TREDM. Er wordt voor alle rekenjaren apart gekeken naar verschillen in berekende NOx-bijdragen en de totale NO2 en PM10 concentraties. De validatie voor de in NSL-Monitoringsronde 2023 te gebruiken versie van AERIUS Lucht laat – als gelijke interpretaties van de invoergegevens worden toegepast op de invoer voor zowel AERIUS als TREDM – voor de PM10 concentraties in 2025 en 2030 een beperkt verschil zien in rekenresultaten tussen AERIUS Lucht en TREDM, dat groter is dan de validatiecriteria. Dit verschil is vermoedelijk te begrijpen en verklaren doordat de verhoudingen tussen relatieve afwijkingen in NOx en PM10 de afgelopen jaren iets zijn verschoven.

Gegeven de beperkte verschillen en de mogelijke verklaring hiervoor, die weinig afdoen aan de onderliggende vergelijking van de modellen, is AERIUS Lucht 2023 voldoende valide om vrij te gebruiken in CIMLK. Het rekenmodel kan daarom voor de NSL-Monitoringsronde 2023 worden toegepast. Het is wel belangrijk de mogelijke redenen voor de gevonden verschillen nader te onderzoeken. Een ander punt is dat AERIUS Lucht in eerdere versies anders omging met emissies op sommige provinciale wegen dan de NSL-rekenmethode en TREDM eerder deden. In het nieuwe Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) met AERIUS Lucht versie 2023 is dit verschilpunt verholpen. Validatie van rekenresultaten verkeer Na de landelijke berekeningen met de invoergegevens voor de huidige monitoringsronde en het uitvoeren van berekeningen met TREDM zijn de resultaten van de monitoringstool – met AERIUS Lucht als rekenhart – en TREDM op basis van de receptor-ID aan elkaar gekoppeld. Zowel de totale concentraties als de concentratiebijdragen van Standaard Rekenmethoden 1 en 2 (SRM-1 en SRM-2) zijn met elkaar vergeleken. Bij de vergelijking is geteld hoe vaak de verschillen groter zijn dan de vooraf gedefinieerde criteria. Hierbij is rekening gehouden met kleine verschillen tussen TREDM en AERIUS Lucht.

Omdat de correctie voor luchtvaart rond Schiphol niet expliciet in TREDM is geïmplementeerd, is het gebied rond de luchthaven niet in de vergelijking meegenomen. Verder verschillen de modellen op kleine details ten aanzien van wat Pagina 65 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

geldige situaties zijn (zie ook Visser en Wesseling (2020) en Wesseling et al. (2020)). Daarom worden alleen geldige punten in beide modellen meegenomen. Op basis van eerdere analyses voor SRM-1 en SRM-2 is in het verleden vastgesteld wat zinvolle criteria zijn waaraan de resultaten zouden moeten voldoen: • De in SRM-1 berekende bijdragen van de verschillende stoffen zouden in AERIUS Lucht en TREDM binnen de afronding van 0,1 µg/m3 identiek moeten zijn (‘SRM-1-bijdrage’ in Tabel B2.1). Grotere verschillen betekenen dat de rekenregels verschillend worden geïmplementeerd. Dat kan in enkele gevallen gebeuren. Een bekend verschil is bijvoorbeeld dat TREDM een SRM-1bijdrage tot 90 meter afstand in rekening brengt, waar AERIUS Lucht bijdragen tot 60 meter afstand meerekent. Dit soort verschillen kunnen en mogen enkele keren voorkomen. • De in SRM-2 berekende bijdragen van de verschillende stoffen kunnen tussen AERIUS Lucht en TREDM iets verschillen (‘SRM-2bijdrage’ in Tabel B2.1), omdat dit rekenvoorschrift niet volledig is gedefinieerd. Software-implementaties kunnen enkele onderdelen van de berekeningen verschillend interpreteren. Een simpel voorbeeld is de wijze waarop lijnbronnen worden doorgerekend. Dat kan op verschillende manieren, die in de praktijk iets van elkaar verschillende resultaten kunnen geven.

In de praktijk kunnen TREDM en AERIUS Lucht NOx-bijdragen berekenen die enkele microgrammen van elkaar verschillen. Voor PM10 zijn de verschillen tussen beide modellen relatief vergelijkbaar met NO2, maar in absolute zin zijn ze vanwege de kleinere wegbijdragen uiteraard kleiner. • De verschillen in berekende totale NO2-concentraties worden geheel bepaald door de verschillen in SRM-2-NOx-bijdragen en mogen 1 à 2 μg/m3 bedragen (‘NO2 totaal’ in Tabel B2.1). • Net als voor NO2 worden de verschillen voor PM10 geheel door verschillen in de SRM-2-bijdragen bepaald. Omdat de wegbijdragen voor PM10 veel kleiner zijn dan voor NOx en NO2, is het absolute verschil in totale PM10 (‘PM10 totaal’ in Tabel B2.1) ook kleiner. De resultaten van AERIUS Lucht en TREDM zijn voor alle doorgerekende jaren bepaald: 2022, 2025 en 2030. De resultaten van de vergelijking tussen de twee modellen staan in onderstaande Tabel B2.1.

Pagina 66 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Tabel B2.1 Overzichtstabel van de aantallen toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen TREDM en AERIUS Lucht 2023 voor het gepasseerde jaar 2022 en de toekomstige jaren 2025 en 2030, inclusief op beide modellen toegepaste gelijke interpretatiewijze van de invoergegevens . In de eerste rij staat het totale aantal beschikbare toetspunten in beide modellen dat in de vergelijking is meegenomen. De validatiecriteria (eisen) zijn ook weergegeven.

Gepasseerd jaar

2022

Totaal aantal toetspunten

Eis 2022

370.217

Verschil in SRM-1-NOx-bijdrage > 0,05 µg/m

32

37

Verschil in SRM-2-NOx-bijdrage > 4 µg/m

329

2.221

Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3

239

740

Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

259

592

2030

Eis 2030

3

3

Toekomstige jaren Totaal aantal toetspunten Verschil in SRM-1-NOxbijdrage > 0,05 µg/m3 Verschil in SRM-2-NOxbijdrage > 4 µg/m3 Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3 Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

2025

Eis 2025

367.989

371.717

30

36

25

37

166

367

108

371

165

183

120

185

222

110

225

111

Uit Tabel B2.1 blijkt dat voor 2022 een goede overeenkomst tussen de resultaten van AERIUS Lucht en TREDM (inclusief gelijke interpretatiewijze invoergegevens) wordt gevonden. Het aantal toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen beide modellen is voor 2022 wat op basis van de implementaties van de SRM-1- en SRM-2-rekenvoorschriften algemeen kan worden verwacht. Voor 2025 en 2030 is dit van ook toepassing, met uitzondering van het aantal toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde voor PM10 totaal, dat hoger is dan kan worden verwacht. In de validatie komen de volgende aandachtpunten naar voren: • In deze monitoringsronde is het CIMLK in gebruik genomen, waarbij AERIUS Lucht en TREDM nu met dezelfde emissiefactoren en stagnatie voor wegtype 92 rekenen, hetgeen in de versie van vorige ronde niet het geval was. • In principe mogen er praktisch geen verschillen zijn in de voor SRM-1 berekende NOx concentraties. Inspectie van de in de huidige tests geconstateerde verschillen laat zien dat er in verschillende jurisdicties maatregelgebieden voorkomen waarbij wegsegmenten in verschillende maatregelgebieden liggen. Dit is een situatie die niet mag voorkomen, aangezien een segment een constante set van kenmerken moet hebben. De emissies van verkeer mogen in een enkel segment dus niet veranderen. In de Pagina 67 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

•

•

situaties waarin segmenten de grenzen van maatregelgebieden doorsnijden, leveren TREDM en AERIUS Lucht verschillende resultaten. TREDM neemt het maatregelgebied waar het eerste punt van het segment in ligt als maatgevend, en AERIUS Lucht kijkt in welk gebied het grootste deel van het segment ligt. De geconstateerde verschillen voor SRM-1 waarin bovenstaand verschil optreedt tellen we niet mee in de validatiecriteria. Voor 2022, 2025 en 2030 blijft het aantal toetspunten met verschillen in de SRM-1 resultaten boven de gedefinieerde afwijking daarmee onder het maximum geaccepteerde aantal. De SRM-1 resultaten voldoen zodoende aan de validatiecriteria. Visuele inspectie van de gevonden verschillen in SRM-1 leert dat er in 2022 in (minstens) 131 gevallen sprake is van bovenstaand effect. Voor 2025 is hiervan in minstens 100 gevallen en in 2030 in minstens 41 gevallen sprake. De manier waarop met de ongeldige ligging van segmenten en maatregelgebieden wordt omgegaan, zegt uiteraard iets over de vergelijkbaarheid van de twee sets resultaten, maar niets over de juistheid van de onderliggende SRM1-berekeningen. De jurisdicties waarin deze situatie voorkomt, moeten hierop worden gewezen.

Bij de test voor PM10 totaal is voor 2022 in rekening gebracht dat er 750 bekende locaties met verschillen zijn ten gevolge van de correcties in de IJmond, die wel in AERIUS Lucht zijn verwerkt en niet in TREDM. De wel/niet ingevoerde correctie zegt uiteraard iets over de vergelijkbaarheid van de twee sets resultaten, maar niets over de juistheid van de onderliggende berekeningen. De waarden van de PM10 achtergronden in de IJmond zijn voor 2022 steekproefsgewijs met de onderliggende GCN-bestanden vergeleken, en kwamen overeen. Evenzo zijn waarden van de correcties rondom Schiphol steekproefsgewijs met de onderliggende bestanden vergeleken, en correct bevonden. De geconstateerde verschillen in correctiegebied IJmond tellen niet mee in de validatie. Daarmee valt het resultaat voor 2022 binnen de gestelde validatievoorwaarden voor PM10 totaal. In de vergelijking van PM10 totaal voor 2025 en 2030 is na correctie voor de IJmond het aantal verschillen echter nog 112 respectievelijk 114 te groot. Nadere inspectie van de locaties met verschillen in PM10 groter dan 0,25 μg/m3 leert dat er meerdere clusters langs het hoofdwegennet voorkomen waar ook verschillen in NOx van SRM-2 voorkomen die groter zijn dan 4 μg/m3. Er zijn echter relatief meer punten met een te groot verschil in PM10 dan in NOx.

Dit verdient aandacht, aangezien er op deze locaties sprake is van eenzelfde mechanisme dat de verschillen genereert, namelijk de verschillende SRM-2implementaties van TREDM en AERIUS Lucht. Een van de mogelijke redenen voor de situatie is dat het criterium voor verschillen in PM10 relatief te strak is ten opzichte van het criterium voor NOx. Een snelle numerieke check leert dat het criterium voor PM10 inderdaad circa 0,30 μg/m3 moet zijn om overeen te komen met het criterium voor NOx, in plaats van de huidige 0,25 μg/m3. Mogelijk is de verhouding tussen de PM10- en NOx-emissies in de jaren sinds het opstellen van de criteria iets veranderd. Gegeven de beperkte verschillen, zowel in aantallen als in mate van verschil, en de mogelijke verklaring hiervoor, die

Pagina 68 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

weinig afdoet aan de onderliggende vergelijking van de modellen, hoeven de geconstateerde verschillen momenteel geen reden te zijn om de rekentrein in CIMLK niet vrij te geven voor algemeen gebruik. Het is wel belangrijk de mogelijke redenen voor de gevonden verschillen nog nader te onderzoeken. Conclusie De in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit (2007) beschreven Standaard Rekenmethoden 1 en 2 voor luchtkwaliteit en bijbehorende gegevens zijn, voldoende correct geïmplementeerd in AERIUS Lucht versie 2023.

Pagina 69 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Bijlage 3 Verklaring van verschillen in resultaten ten opzichte van voorgaande monitoringsronden

De monitoring van het NSL is een jaarlijkse cyclus. De resultaten kunnen van jaar tot jaar verschillen, onder meer door wijzigingen in de (reken)methodiek, locaties en het aantal toetspunten, en de generieke invoergegevens als grootschalige concentraties en emissiefactoren. Het RIVM heeft op hoofdlijnen geanalyseerd door welke wijzigingen van deze generieke invoergegevens de verschillen in monitoringsresultaten ten opzichte van de afgelopen monitoringsronde worden verklaard. In deze bijlage staan de analyseresultaten. De rekenresultaten van de monitoringstool bestaan in grote lijnen uit de grootschalige achtergrondconcentraties plus de lokale bijdragen. Het effect van veranderingen in beide deelconcentraties wordt hieronder toegelicht. Zoals Hoogerbrugge et al. (2023) aangeeft is, vanwege het effect van de coronamaatregelen – die met name nog in 2021 speelden – gecontroleerd of toepassing van de emissies voor 2021 tot verkeerde inschattingen kan leiden. Deze effecten worden in eerste instantie bij de sector mobiliteit verwacht. Bij de meeste onderdelen van deze sector was het vervoersvolume in 2022 iets groter dan in 2021. Naar verwachting wordt deze volumegroei echter grofweg gecompenseerd door de jaarlijkse ‘verschoning’ van het voertuigenpark. Daarom is voor het grootste deel van de sector mobiliteit de emissie van 2021 gebruikt.

Het neveneffect van de coronamaatregelen op emissies van de luchtvaart in 2022 is in deze bijlage nader toegelicht in de paragraaf over de lokale correcties op concentraties. In de prognoses van de achtergrondconcentraties is verondersteld dat de ontwikkeling van de economie vanaf 2025 weer op het pad is van voor de coronapandemie. De pandemie heeft daarmee geen effect op de deelconcentraties en de rekenresultaten voor de jaren na 2025. Nieuw instrument CIMLK voor uitwisseling invoergegevens In deze monitoringsronde is voor de uitwisseling van invoergegevens voor wegverkeer en veehouderijen door de bevoegde gezagen voor het eerst gebruik gemaakt van het nieuwe Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Het voldoet aan actuele veiligheidseisen en is gebaseerd op recente technische ontwikkelingen. Het CIMLK is bedoeld om de komende jaren te voorzien in (1) de monitoring van luchtkwaliteit onder de Omgevingswet, (2) de monitoring voor het Schone Lucht Akkoord én (3) het doorrekenen van effecten van een project of maatregel op de luchtkwaliteit. Met de introductie van CIMLK zijn op basis van een enigszins aangepast informatiemodel voor de monitoring van de luchtkwaliteit ook wijzigingen in het gegevensuitwisselingsformaat doorgevoerd.

Dit heeft bij de bevoegde gezagen in een aantal gevallen geleid tot onbedoelde onvolkomenheden in de invoergegevens, die lokaal mogelijk enige invloed hebben op de resultaten in deze ronde. Waar mogelijk is dit in bijlage 6A toegelicht. Het CIMLK zal ook de komende jaren dienen voor de uitwisseling van Pagina 70 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

gegevens. Daarbij zullen de momenteel geconstateerde onvolkomenheden worden weggenomen, waarmee hun invloed op de resultaten sterk vermindert. De grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Deze paragraaf beschrijft in welke mate de achtergrondconcentraties zijn veranderd ten opzichte van vorige monitoringsronde. Het gaat hier om de zogenoemde Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN, gepubliceerde versie van juli 2023) die het RIVM heeft opgesteld. De belangrijkste verschillen tussen de achtergrondconcentraties van de GCN-rapportage in 2023 (Hoogerbrugge et al., 2023) ten opzichte van 2022 (Hoogerbrugge et al., 2022) zijn: Stikstofdioxide 2022 • De GCN-kaart van NO2 voor het jaar 2022 is gemiddeld over Nederland iets hoger dan in 2021 (0,3 μg/m3, ongeveer 4 procent). Dit valt binnen de jaarlijkse fluctuaties, onder meer veroorzaakt door de weersomstandigheden. De trend is weer in lijn met de jaren voor 2020. 2030 • De verwachting voor 2030 is dit jaar vrijwel gelijk aan de inschatting voor 2030 van vorig jaar. De verwachting is dat de gemiddelde berekende Nederlandse concentratie in 2030 bij vastgesteld beleid ongeveer 3 μg/m3 (circa 26 procent) lager zal zijn dan de concentratie in 2021 (beiden bepaald met langjarig gemiddelde meteorologie). Hierbij moet rekening worden gehouden met een bandbreedte in de NOx-ramingen van 10-15 procent.

Het jaar 2021 is in deze vergelijking gebruikt als referentiejaar, omdat 2021 het meest actuele jaar in de emissiegegevens is. De verwachte NOx-concentraties voor 2030 liggen in deze GCN-ronde iets hoger dan vorig jaar (0,3 μg/m3, circa 4 procent). Dit komt doordat de NOx-emissies voor 2030 in de KEV2022 hoger worden geraamd dan in de KEV2020, die als basis voor de kaarten van vorig jaar diende. Fijnstof 2022 • De grootschalige fijnstofconcentraties – PM10 en PM2,5 – waren in 2022 iets hoger dan in 2021 (respectievelijk 1,0 en 0,3 μg/m3, ofwel respectievelijk ongeveer 6 procent en 3 procent). Ook deze verhogingen vallen binnen de jaarlijkse fluctuaties, en wijken niet per se af van de dalende trend in de jaren voor 2020. 2030 • De verwachte gemiddelde concentraties in 2030 bij vastgesteld beleid zijn voor PM10 en PM2,5 respectievelijk 1,2 en 1,1 μg/m3 (respectievelijk circa 9 procent en 15 procent) lager dan de concentraties in 2021 (beiden bepaald met langjarig gemiddelde meteorologie). Deze daling komt slechts voor een klein deel door de daling van de bijdrage van primair fijnstof. Het grootste deel (ruim 80 procent) komt door de daling van secundair fijnstof, dat in de lucht wordt gevormd uit gasvormige luchtverontreiniging, Pagina 71 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

zoals NOx, NH3 (ammoniak) en SO2 (zwaveldioxide). De grote bijdrage van het secundaire deel aan fijnstof neemt dus in de toekomst af. Deze prognose voor fijnstof is marginaal lager dan de prognose van vorig jaar. Vooral de lagere geraamde emissies van NH3 en SO2 in de KEV2022 zijn hiervoor verantwoordelijk. In Hoogerbrugge et al. (2023) zijn de totale Nederlandse emissies, de ruimtelijke verdelingen van de emissies en de ramingen geactualiseerd. De update van de emissietotalen en de ruimtelijke verdeling is gebaseerd op de Emissieregistratie. Hierbij zijn emissies voor het jaar 2021 toegepast, omdat de gegevens over 2022 nog niet beschikbaar zijn. Dat jaar is daardoor ook het basisjaar in de vergelijking van de actuele concentraties met de verwachtingen. De emissieramingen zijn gebaseerd op de KEV 2022 (PBL et al., 2022 en 2023; Smeets et al., 2023). Voor de emissieramingen van het buitenland zijn dezelfde emissietotalen gebruikt als vorig jaar. De ruimtelijke verdeling van Belgische emissies is geactualiseerd. Voor de verdeling over de diverse emissiesectoren is wel actualisatie beschikbaar gekomen en gebruikt. De berekende GCN-concentratiekaart voor 2022 bevat de meteostatistiek van 2022, en wordt gekalibreerd aan de metingen van 2022. Het kalibratieresultaat kan van jaar tot jaar variëren.

Om een robuust resultaat te krijgen, wordt voor de prognosejaren (2025 en 2030) een gemiddelde kalibratie over vijf jaar gebruikt. Het weer in de toekomstige jaren is nog niet bekend. Daarom wordt voor de prognoseberekeningen gerekend met de gemiddelde meteostatistiek voor een periode van tien jaar (de jaren 2005-2014). Lokale correcties op concentraties In de monitoring is voor een aantal locaties gebruikgemaakt van lokale correcties op de berekende totale concentratie. Dit kunnen correcties op de achtergrondconcentratie of op de lokale bijdrage zijn. Voor het gebied rondom Schiphol en de regio IJmond zijn aparte berekeningen van de achtergrondconcentraties uitgevoerd, op een hogere resolutie dan voor de rest van Nederland wordt gebruikt. Vanwege de wereldwijde coronamaatregelen, die met name nog in 2021 speelden, was het aantal vliegtuigbewegingen rondom Schiphol in 2021 kleiner dan in 2022. Er is rekening gehouden met het herstel van de luchtvaart in 2022 in vergelijking met 2021. Uit de rapportage van Schiphol blijkt dat het totale aantal vluchten in 2022 50 procent hoger was dan het aantal vluchten in 2021. De gemiddelde vlucht is echter iets minder vervuilend dan het jaar ervoor.

Daarom is voor de sector luchtvaart een verhoging van 44 procent toegepast van de emissies zoals die voor het jaar 2021 zijn gerapporteerd in de Emissieregistratie, als grove benadering van de emissieniveaus in 2022. De Schipholcorrectie voor 2030 is ongewijzigd gebleven ten opzichte van Monitoringsronde 2022. De verfijning voor de regio IJmond is dit jaar wederom geactualiseerd, en als correctieveld opgenomen in de monitoringstool. Bevoegde gezagen moeten correctievelden die op windtunnelonderzoek zijn gebaseerd actief invoeren. In Monitoringsronde 2023 hebben Den Haag en Leiden gebruikgemaakt van correctievelden die op windtunnelonderzoek zijn gebaseerd.

Pagina 72 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Emissiefactoren wegverkeer Elk jaar maakt het ministerie van IenW nieuwe emissiefactoren voor verkeer bekend. Net als in eerdere jaren traden dit jaar veranderingen op ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit jaar zijn de emissiefactoren gebaseerd op wagenparkprognoses uit de KEV 2022 (PBL et al., 2022). De KEV 2022 bevat voor 2025 en 2030 prognoses voor de samenstelling van het wagenpark en de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Deze prognoses zijn gebaseerd op het vastgestelde beleid, zoals dat per 1 mei 2022 gold. Emissiefactoren voor tussenliggende prognosejaren (2023, 2024 en 2025 t/m 2029) zijn bepaald via interpolatie. Het is moeilijk om voor de emissiefactoren een netto algemeen effect van de veranderingen te bepalen. Dat komt doordat de emissies voor de verschillende typen verkeer en stoffen niet uniform toe- of afnemen. Het netto-effect zal in de praktijk afhangen van de samenstelling en leeftijd van het wagenpark, de verkeerssamenstelling en de gereden snelheden. In de Monitoringsronde 2023 heeft het ministerie van IenW weer generieke emissiefactoren voor binnenstedelijke milieuzones gegeven (‘schalingsfactoren’). In het NSL-monitoringinstrument CIMLK is het mogelijk naar eigen inzicht emissiefactoren voor milieuzones in te voeren.

Als een bevoegd gezag hiervan geen gebruikt heeft gemaakt, is het mogelijk dat er sprake is van een overschatting van concentraties in binnenstedelijke milieuzones. Op aandringen van gemeenten streefde het ministerie van IenW ernaar om in Monitoringsronde 2023 ook te voorzien in emissiefactoren voor ‘Zero Emission-zones’ (ZE-zones), of anders te zorgen voor een leidraad voor het inschatten van de voor ZE-zones te hanteren factoren. Een door het ministerie uitgevoerde inventarisatie leverde voor aanvang van Monitoringsronde 2023 te weinig bruikbare informatie op om tot een schatting van emissiefactoren voor ZE-zones te komen, of om in enige leidraad te voorzien. Emissiefactoren stalsystemen Voor stalsystemen, ook wel huisvestingssystemen van stallen 53 genoemd, heeft het ministerie van IenW op 15 maart 2023 nieuwe emissiefactoren bekendgemaakt 54. Ten opzichte van de Monitoringsronde 2022 zijn beperkte wijzigingen doorgevoerd in enkele stalsystemen, met aanpassingen in de RAV-categorieën en enkele waarden van de emissiefactoren. Ruwheidskaart ongewijzigd In deze monitoringsronde is dezelfde landgebruikskaart Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland 2020 (LGN2020) en de daarmee samenhangende ruwheidskaart 55, gepubliceerd door het ministerie IenW op 15 maart 2023, gebruikt als in vorige ronde.

https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/dierenverblijven/huisvestingssystemen-stal/ https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen 55 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen 53 54

Pagina 73 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Bijlage 4 Onzekerheden in aantallen NO2-overschrijdingen langs wegen in het NSL

Inleiding De wettelijk voorgeschreven toetsing van luchtkwaliteit aan wettelijke grenswaarden is zwart-wit: er is wel of niet sprake van een officiële overschrijding; er is geen tussenweg. Deze wijze van toetsing, die conform de EU-richtlijn is, doet geen recht aan het feit dat de concentraties die worden getoetst allerlei waarden kunnen hebben, ver onder of juist ruim boven de grenswaarde, of wellicht juist net erboven of net eronder. In alle gevallen is ook nog sprake van aanzienlijke onzekerheden in de concentraties. In eerdere NSL-rapportages is uitgebreid beschreven hoe voor de resultaten van het NSL kan worden berekend wat het verwachte aantal overschrijdingen is als de onzekerheden en nuances in resultaten in rekening worden gebracht (bijlage 4 van Rutledge-Jonker et al., 2017; bijlage 5B van Van Zanten et al., 2013). Ten opzichte van de NSL-rapportage van 2020 zijn er in de huidige aanpak geen methodologische veranderingen. De effectenanalyse van onzekerheden op de resultaten is gelijk aan die van vorig jaar. De huidige rapportage volstaat daarom met een korte samenvatting en de resultaten van de analyse voor deze monitoringsronde. Effecten van de onzekerheden Elke berekende concentratie heeft een kans van 50 procent om in de praktijk hoger te liggen dan berekend en ook 50 procent kans om lager te liggen.

Toetsing aan een specifieke grenswaarde komt er in feite op neer dat alle concentraties met een kans van 50 procent op een concentratie gelijk aan of hoger dan de grenswaarde als overschrijding worden bestempeld, en alle concentraties met een kans kleiner dan 50 procent niet. Een berekende overschrijding in het NSL komt er dan ook op neer dat de kans voor die locatie om écht een overschrijding te zijn groter is dan 50 procent. Er is dus geen zekerheid dat er sprake is van een overschrijding. Rond de wettelijke grenswaarde betekent de onzekerheid dat punten met berekende concentraties van enkele microgrammen boven de grenswaarde in werkelijkheid geen overschrijdingen hoeven te zijn, terwijl punten met berekende concentraties van enkele microgrammen onder de grenswaarde in werkelijkheid juist wel overschrijdingen kunnen zijn. Op elke toetslocatie is er dus een berekenbare kans dat er op die locatie sprake is van een overschrijding. Om het verwachte aantal overschrijdingen te bepalen, worden de overschrijdingskansen op alle toetslocaties bij elkaar opgeteld. Dit statistisch verwachte aantal overschrijdingen is dus geen worst case-aantal, maar het is het aantal overschrijdingen dat wordt verwacht als de concentratie op elke rekenlocatie exact zou kunnen worden gemeten.

Strikt genomen moeten verschillende nuances in de berekening van het verwachte aantal overschrijdingen worden betrokken. Zie hiervoor de eerdere NSLrapportages. De berekende aantallen statistisch te verwachten overschrijdingen voor 2022, 2025 en 2030 zijn gerapporteerd in paragraaf 2.4. Pagina 74 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Bijlage 5 Ruimtelijke verdeling van kans op overschrijding NO2-grenswaarde in 2022, 2025 en 2030

Per gemeente is de hoogste kans bepaald dat op een van de NSLtoetspunten in 2022, 2025 en 2030 een overschrijding voor NO2 wordt verwacht. Aan de hand van officiële voor 2022, 2025 en 2030 berekende concentraties, is voor elke gemeente de hoogste kans op een overschrijding bepaald, gebaseerd op de hoogst berekende concentratie in die gemeente en de onzekerheden in de berekeningen. De manier waarop deze kaarten zijn gemaakt, is identiek aan de eerder gebruikte werkwijze; door uit te gaan van een onzekerheidsmarge in de berekende concentraties van 4 µg/m3 (zie Van Zanten et al., 2016 en Bijlage 4 voor de werkwijze). De geactualiseerde kaart voor 2022, 2025 en 2030 (Figuur B5.1) illustreert de kans op overschrijding van de norm voor stikstofdioxide. De berekende kansen op overschrijding worden als volgt geïnterpreteerd: Kleur in de kaart Donkergroen Groen Oranje Rood

Kans op overschrijding van de norm: als percentage met betekenis < 2% Onwaarschijnlijk 2 – < 32% Niet/minder waarschijnlijk 32 – 68% Even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk > 68% Waarschijnlijk

De berekeningen zijn gebaseerd op de gegevens zoals die door de wegbeheerders in het monitoringsinstrument CIMLK zijn ingevoerd. Deze gegevens, en daarmee ook de rekenresultaten voor de desbetreffende locaties, kunnen onvolkomenheden bevatten. Zie Bijlage 6A voor de door wegbeheerders aangeleverde toelichtingen op de invoergegevens. De kaart voor 2022 (Figuur B5.1, linksboven) laat zien dat de kans op overschrijding in het overgrote deel van Nederland nauwelijks aanwezig is (kleiner is dan 2 procent; donkergroen). Verder is de kans op overschrijding relatief klein, namelijk tussen de 2 en 32 procent (groen), in de gemeenten in bijvoorbeeld de regio tussen Amsterdam en Utrecht, en in noordwestelijk Noord-Brabant. In de gemeenten Utrecht, Vijfheerenlanden, Rotterdam, Schiedam en Hoeksche Waard is de kans op overschrijding even waarschijnlijk als onwaarschijnlijk; tussen de 32 en 68 procent (oranje). In de gemeente Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Haarlemmermeer is de kans op overschrijding waarschijnlijk, en groter dan 68 procent (rood). Een kanttekening bij de kanskaarten is dat de toetspunten die door het bevoegd gezag zouden worden aangemerkt als onterecht integraal zijn meegenomen. Dit is van invloed op het kaartbeeld.

Zo hebben Rijkswaterstaat, de provincie Noord-Holland en Den Haag aangegeven dat zij in de volgende monitoringsronde hun wegen aan een extra controle op ‘onterechte’ toetspunten zullen onderwerpen, en de situatie daar waar Pagina 75 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

nodig zullen aanpassen (zie hoofdstuk 2 en bijlage 6A). De verwachting is dat dit het kaartbeeld zal veranderen, en dat het aantal gemeenten met een oranje of lichtgroene kleur zal afnemen. Ook zullen de gemeenten Den Haag en Haarlemmermeer niet meer rood kleuren, en Alkmaar, Utrecht, Vijfheerenlanden en Hoeksche waard waarschijnlijk niet meer oranje. Voor 2025 (Figuur B5.1, rechtsboven) zijn voor bijna alle gemeenten zeer lage kansen (kleiner dan 2 procent; donkergroen) op overschrijdingen berekend. Een aantal gemeenten met overschrijdingskansen hoger dan 2, 32 of 68 procent in 2022 laat in 2025 kansen op overschrijding zien die in het algemeen lager zijn dan in 2022. Daardoor verkleuren de meeste van oranje in 2022 naar lichtgroen in 2025. Amsterdam en Arnhem gaan van rood naar lichtgroen, en Haarlemmermeer gaat van rood naar oranje. Ook hier geldt dat de door veelal dezelfde bevoegde gezagen als onterecht aangemerkte toetspunten met overschrijdingen en bijna-overschrijdingen zijn meegenomen, en deze het kaartbeeld beïnvloeden. Als deze punten niet zouden worden meegeteld, dan zou het kaartbeeld naar verwachting geen rode en oranje gemeenten en minder lichtgroene gemeenten tonen. Voor 2030 (Figuur B5.1, onder) zijn alleen Den Haag en Lansingerland rood (> 68 %).

Voor beide gemeenten geldt dat de toetspunten die waarschijnlijk tot deze hoge kans leiden door de bevoegde gezagen zijn aangemerkt als onterecht (bijlage 6A). Voor Alkmaar, Haarlemmermeer, Utrecht, Vlaardingen, Dordrecht, Utrecht en Arnhem is er een relatief kleine kans op overschrijding; tussen de 2 en 32 procent (lichtgroen). Voor al deze gemeenten, met uitzondering van Arnhem, geldt dat toetspunten van bronhouder RWS tot deze verhoogde kansen leiden. RWS stelt dat het op veel van die locaties zeer waarschijnlijk om onterechte toetspunten volgens het toepasbaarheidsbeginsel gaat, en dat dit in de volgende monitoringsronde zal worden aangepast. Als we die onterechte toetspunten niet zouden meetellen, zou het kaartbeeld voor 2030 mogelijk landelijk wel eens een kans op overschrijding van kleiner dan 2 procent kunnen opleveren. Disclaimer Bij het maken van de kaart zijn aannamen gedaan, voor een deel expliciet en deels impliciet. Het eindresultaat is dan ook indicatief van karakter. Als onderliggende aannamen veranderen, zal de kaart ook veranderen.

Pagina 76 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Figuur B5.1 Hoogste kans in procenten per gemeente op een overschrijding van de NO2-grenswaarde in 2022 (linksboven), 2025 (rechtsboven) en 2030 (onder), gebaseerd op de hoogste berekende concentratie per gemeente: berekende kans op overschrijding kleiner dan 2 procent (donkergroen), ofwel ‘onwaarschijnlijk’; kans op overschrijding tussen de 2 en 32 procent (groen), ofwel ‘niet/minder waarschijnlijk’; kans op overschrijding tussen 32 en 68 procent (oranje), ofwel ‘even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk’; kans op overschrijding groter dan 68 procent (rood), ofwel ‘waarschijnlijk’.

Pagina 77 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Bijlage 6 Kwaliteit lokale invoer

Bijlage 6 bestond in de rapportages tot en met monitoringsronde 2021 uit drie onderdelen: 6A – Toelichting overheden op lokale invoer (verkeer en veehouderijen). 6B – Motie ‘Van Tongeren’ – Samenvatting van uitgevoerde steekproef op invoergegevens voor wegverkeer met eventuele reacties van de bronhouders. 6C – Samenvatting van uitgevoerde controle op invoergegevens voor veehouderijen met eventuele reacties van de bronhouders. Bijlage 6B en 6C komen in dit rapport – net als vorige rapportage – te vervallen, omdat de kwaliteitscontrole op invoergegevens voor wegverkeer en veehouderijen zeer beperkt bleef zonder tussentijdse terugkoppeling met bronhouders. Zie paragrafen 1.2, 3.1, 4.1, 4.3 en 54.4 voor de nadere toelichtingen. De nummering uit vorige rapportages van bijlage 6 blijft gehandhaafd voor eenvoudige onderlinge vergelijking en vindbaarheid met voorliggende rapportage. Bijlage 6A Toelichtingen overheden op lokale invoer In deze bijlage hebben overheden de mogelijkheid om opmerkingen op te laten nemen over hun eigen lokale invoer voor verkeer en veehouderijen. In een aantal gevallen dienen aangeleverde opmerkingen als toelichting op invoergegevens en/of rekenresultaten. Andere opmerkingen gaan over fouten of onvolkomenheden in de invoergegevens.

Dit kunnen typefouten zijn, of opgegeven toetspunten, waarvan het bevoegd gezag achteraf stelt dat de luchtkwaliteit daar niet beoordeeld hoeft te worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn omdat het publiek er formeel geen toegang toe heeft, omdat de duur van de periode dat iemand daar gemiddeld verblijft niet significant is 56, of omdat op die locatie de Arboregeling van kracht is. Van een deel van de berekende en gerapporteerde overschrijdingen kan het bevoegd gezag achteraf aangeven dat deze onterecht zijn. Het RIVM controleert deze opmerkingen niet, en voert geen additionele berekeningen uit op basis van de correcte invoerdata. De desbetreffende overschrijdingen worden in dergelijk gevallen in de rapportage aangeduid als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. 57 Eventuele onvolkomenheden in de invoerdata kunnen tijdens de actualisatiefase van de volgende monitoringsronde, in dit geval die van 2024 onder de Omgevingswet, door de bevoegde gezagen worden gecorrigeerd in het monitoringsinstrument CIMLK. Dit geldt voor zowel het wegverkeer als de veehouderijen.

Zie voor uitleg bijlage 1 Begrippenkader: Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium. Zie voor toetspunt identificaties van de berekende (onterechte) overschrijdingen staan in de digitale bijlage ‘Rapport 2023-0394 Bijlage overschrijdingen inclusief onterecht verkeer veehouderijen’ bij deze rapportage op de website van het RIVM (https://www.rivm.nl).

56 57

Pagina 78 van 89

RIVM-rapport 2023-0394

Verkeer De volgende zaken zijn door de wegbeheerders aangegeven zonder verdere verificatie door het RIVM: Reactie Rijkswaterstaat (RWS) 58 ‘Introductie Rijkswaterstaat (RWS) heeft de resultaten uit de Monitoringstool 2023 voor wat betreft het hoofdwegennet (HWN) geanalyseerd. Daaruit blijkt: 1. Dat op geen van de wettelijke toetspunten langs het HWN nog een overschrijding van de grenswaarden optreedt; 2. Op vijf locaties langs het HWN zijn, op basis van de in de Monitoringstool opgenomen invoergegevens, voor NO2 een overschrijding van de grenswaarde berekend voor rekenjaar 2022 en op één locatie in 2030. Voor PM10 worden nabij het HWN geen overschrijdingen berekend. Uit nadere analyse van de locaties, waar deze overschrijdingen zijn berekend, en aanvullende berekeningen blijkt geen sprake van een locatie waar getoetst hoeft te worden op basis van het blootstellingscriterium of toepasbaarheidsbeginsel. Daarmee is er ook geen sprake van een knelpunt. Onderstaand volgt een onderbouwing bij bovenstaande constateringen, met het verzoek om dit op te nemen in bijlage 6 bij de Monitoringsrapportage NSL 2023. Onderbouwing berekende overschrijdingen versus wettelijke knelpunten langs hoofdwegennet Tabel - Onderbouwing berekende concentraties Monitoringstool 2023, HWN.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13871414/1