CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Regels_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)41.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

59

waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Subparagraaf 4.2.4.6 Windhinder en windgevaar Artikel 4.37 Beoordelingsregel windhinder en windgevaar bij hoogbouw (30 meter of hoger) 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk van 30 meter of hoger wordt alleen verleend als het bouwwerk niet leidt tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar.

2.

Of bij een voorgenomen bouwwerk van 30 meter of hoger sprake is van een onaanvaardbare windhinder of windgevaar wordt beoordeeld aan de hand van onderzoek waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de beoogde bebouwing zal optreden. Op dit onderzoek is NEN 8100 van toepassing.

3.

Bij het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt in elk geval betrokken:

4.

a.

de bebouwing die op het moment van de aanvraag in de directe omgeving van de beoogde bebouwing aanwezig is; en

b.

in de directe omgeving van de beoogde bebouwing te realiseren toekomstige bebouwing, waarvoor op het moment van de aanvraag reeds een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd of verleend.

Als er in de directe omgeving van het nieuw te bouwen bouwwerk ontwikkelingen zijn te verwachten waarvoor weliswaar nog geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, is aangevraagd, maar waarvan op dit op korte termijn is te verwachten, dan kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen dat ook die ontwikkelingen worden betrokken in het onderzoek.

Artikel 4.38 Beoordelingsregel windhinder of windgevaar bij laagbouw (lager dan 30 meter) 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk lager dan 30 meter wordt geweigerd als er bij het bevoegd gezag een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, waarbij het bevoegd gezag zich baseert op: a.

de kenmerken en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de omvang van de voorgenomen bebouwing en de omgeving ter plaatse; en

b.

eerdere windhinderonderzoeken op of in de nabijheid van de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, of de feitelijk bekende windhindersituatie ter plaatse.

2.

Als een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, dan wordt dit aan de aanvrager meegedeeld, waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld binnen een daarbij te stellen redelijke termijn onderzoek te overleggen waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de bebouwing zal optreden.

3.

Op het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is artikel 4.37, tweede tot en met het vierde lid, van overeenkomstige toepassing, zij het dat een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.37, vierde lid, direct bij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld.

Artikel 4.39 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op: a.

het nemen van windhinder beperkende maatregel in, op, aan of bij de bebouwing; en

b.

de vormgeving van bovengrondse bebouwing.

60

Subparagraaf 4.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Artikel 4.40 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijft dit onderdeel op de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken buiten toepassing.

Artikel 4.41 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a.

als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

b.

als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

c.

in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

d.

als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 4.42 Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, alleen verleend als de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Artikel 4.43 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.

Van een aanvaardbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 4.42 is sprake als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.44 Overschrijding van de standaardwaarde 1.

Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.43 bedoelde standaardwaarde, dan kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als: a.

geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

b.

de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

c.

het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

3.

Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke

61

afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.43, is berekend. 4.

5.

Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.43, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a.

elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

b.

zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.45 Overschrijding grenswaarde bij vervangende nieuwbouw, passend binnen het omgevingsplan 1.

Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid vervangende nieuwbouw'.

2.

Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.44, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaardwaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als:

3.

a.

de grenswaarde met niet meer dan 5 dB wordt overschreden;

b.

het gebouw op een locatie wordt toegelaten ter vervanging van een op het tijdstip van de vaststelling van het omgevingsplan bestaand geluidgevoelig gebouw; en

c.

het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wezenlijk toeneemt.

Artikel 4.44, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.46 Overschrijding grenswaarde bij zeehavengebonden activiteiten 1.

Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten'.

2.

Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein waarop zeehavengebonden activiteiten noodzakelijkerwijs in de openlucht worden verricht, hoger is dan de in artikel 4.44, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaardwaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als:

3.

a.

deze waarde niet meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

b.

het geluid op het gebouw in belangrijke mate wordt bepaald door die zeehavengebonden activiteiten; en

c.

het gebouw wordt toegelaten: 1.

in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan bestaand gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie;

2.

aansluitend op een op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan bestaand aaneengesloten gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie en als alleen sprake is van een beperkte uitbreiding van dat gebied; of

3.

in een gebied dat wordt getransformeerd.

Artikel 4.44, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

62

Artikel 4.47 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen 1.

Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.44, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, dan kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die: a.

bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of

b.

borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een nietgeluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.

3.

Artikel 4.44, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.48 Overschrijding grenswaarde – maatregelen 1.

2.

De artikelen 4.45, 4.46 en 4.47 worden alleen toegepast als: a.

geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.44, eerste lid, onder c, te voldoen; en

b.

de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt.

Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Artikel 4.49 Belang van een geluidluwe gevel 1.

Bij de toepassing van artikel 4.44 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 4.45, 4.46 en 4.47 wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.

Artikel 4.50 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid 1.

Bij de toepassing van de artikelen 4.44, 4.45, 4.46 en 4.47 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

2.

Als het gecumuleerde geluid ten hoogste 3dB hoger is dan de hoogstberekende geluidbelasting per geluidbronsoort, is het gecumuleerde geluid aanvaardbaar.

3.

Artikel 4.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.51 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van de artikelen 4.44, 4.45, 4.46 en 3.47 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd. Artikel 4.52 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.

63

Subparagraaf 4.2.4.8 (Grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken (in bewerking) Artikel 4.53 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is uitsluitend van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op activiteiten bestaande uit: a.

het bouwen van een ondergronds gebouw;

b.

het vergroten van het bestaande volume van een ondergronds gebouw.

Artikel 4.54 Begripsbepalingen specifiek van toepassing op deze subparagraaf 1.

Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam verstaan: beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zoals die is vastgesteld en bekendgemaakt door het college van burgemeester en wethouders, en geldt op het moment waarop een vergunningaanvraag wordt gedaan.

2.

Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder deklaag verstaan: de bovenste bodemlaag die in de laatste ca. 10.000 jaar is ontstaan en die tevens de ophooglaag bevat die door de mens is aangebracht voor bijvoorbeeld woningbouw.

3.

Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geohydrologisch rapport verstaan: het resultaat van een geohydrologisch onderzoek neergelegd in een rapport met daarin de eigenschappen en kenmerken van het grondwatersysteem op een bepaalde locatie. In het geohydrologisch rapport worden in ieder geval in beeld gebracht: a.

de bodemopbouw;

b.

de doorlatendheid (k-waarde) van de bodem;

c.

de grondwaterfluctuatie;

d.

de grondwaterstroming;

e.

de gevolgen voor het grondwatersysteem door de voorgenomen activiteit;

f.

de mitigerende maatregelen om grondwaterneutraal te kunnen bouwen.

4.

Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder grondwaterneutraal bouwen verstaan: het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast.

5.

Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder peil verstaan: a.

voor gebouwen direct grenzend aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b.

voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouw zich op bevindt.

Artikel 4.55 Beoordelingsregel met betrekking tot (grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een ondergronds gebouw, alleen verleend voor zover de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving.

2.

Van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving is sprake als: a.

de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd in onaanvaardbare mate veranderen;

b.

er sprake is van risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast. 64

3.

Of een ondergronds gebouw leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving wordt beoordeeld: a.

voor kelders met een totale bruto-vloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter aan de hand van de beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam;

b.

voor kelders met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter op basis van een geohydrologisch onderzoek.

Subparagraaf 4.2.4.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Artikel 4.56 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover: a.

de aanvraag betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’; en

b.

het beperkt kwetsbaar gebouw geen functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ is opgenomen.

Artikel 4.57 Beoordelingsregels 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als: a.

zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen;

b.

alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en

c.

er zijn voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.

2.

Bij het beoordelen van de aanvraag om de vergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

3.

De omgevingsvergunning wordt in elk geval geweigerd als het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding ‘plaatsgebonden risico 10-5 windturbine’.

Artikel 4.58 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.

Subparagraaf 4.2.4.10 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk (gereserveerd) Subparagraaf 4.2.4.11 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (gereserveerd) Subparagraaf 4.2.4.11a Bouwen ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone stads- of dorpsgezicht’ Artikel 4.60 Toepassingsbereik en beoordelingsregel 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘beschermingszone stads- of dorpsgezicht’.

65

2.

Dit artikel is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover die bestaat uit het wijzigen van een gevel en/of de dakvorm, als die gevel of dat dakvlak naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.

3.

Dit artikel stelt regels met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

4.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als, gelet op de beeldbepalende waarde van het te wijzigen bouwwerk, de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het karakter van het stads- of dorpsgezicht.

5.

Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in het derde lid genoemde belang.

Subparagraaf 4.2.4.12 Overige vergunningvoorschriften Artikel 4.61 Overige vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a.

voorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Regionale Brandweer nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.

Paragraaf 4.2.5 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 4.62 Algemene aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

een opgave van de bouwkosten;

b.

het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

c.

een opgave van de bruto inhoud in m en de bruto-vloeroppervlakte in m van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

d.

een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1.

de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

2.

de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

3.

de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

4.

de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

5.

het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

e.

de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; en

f.

gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld.

66

Artikel 4.63 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 4.27, tenzij artikel 4.29 van toepassing is: a.

tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

b.

principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

c.

kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

d.

een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Artikel 4.64 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering autoparkeerplaatsen en fietsstalling 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

2.

Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek.

Artikel 4.65 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

de resultaten van onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

b.

als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.34, tweede tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen.

2.

In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

3.

In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding ‘uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw’ een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.

5.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 4.66 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling windhinder Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor een beoordeling op windhinder moet plaatsvinden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.37 en artikel 4.38.

67

Artikel 4.67 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen 1.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw, worden onderzoek verstrekt waaruit blijkt of het geluidgevoelig gebouw is voorzien binnen een geluidaandachtsgebied.

2.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, een rapport: a.

waaruit de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw blijkt;

b.

indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

Artikel 4.68 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling (grond)watereffecten [gereserveerd] Artikel 4.69 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.3.4 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan. Artikel 4.70 Aanvraagvereisten in verband met de beoordeling van beperkt kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

de zwaarwegende gewichtige economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden;

b.

alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en

c.

de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp.

Artikel 4.70a Aanvraagvereisten in verband met de beoordeling van bouwen ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone stads- of dorpsgezicht’ 1.

Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop subparagraaf 4.2.4.11a van toepassing, worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van de te wijzigen onderdelen aan de hand van een bouwhistorische opname;

b.

tekeningen van de bestaande situatie met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

c.

2.

1.

gevelaanzichten;

2.

een dakaanzicht.

tekeningen van de nieuwe situatie en van de voorgenomen werkzaamheden ten aanzien van de te wijzigen onderdelen, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 1.

gevelaanzichten;

2.

een dakaanzicht.

Tekeningen als bedoeld in het eerste lid hebben een schaal die niet kleiner is dan: a.

1:1000, als het gaat om een situatietekening;

b.

1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

68

c.

1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

d.

1:100, als het gaat om een tekening van het dakaanzicht.

Artikel 4.71 Overige gegeven en bescheiden Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.

Afdeling 4.2a Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van beschermd stadsof dorpsgezicht Artikel 4.72 Toepassingsbereik en oogmerk 1.

Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’.

2.

Deze afdeling is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, uitsluitend voor zover het slopen betrekking heeft op delen van de gevel en de dakvorm die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied.

3.

Deze afdeling stelt regels met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

4.

Voor zover de omgevingsplanactiviteit slopen bestaat uit het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk, is deze afdeling alleen van toepassing voor zover de sloopactiviteit.

Artikel 4.73 Vergunningplicht voor sloopactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’ is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten. Artikel 4.74 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 4.73, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht was toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel. Artikel 4.75 Beoordelingsregels 1.

De in artikel 4.73 bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als, gelet op de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan, de omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht naar het oordeel van burgemeester en wethouders leidt tot een onevenredige aantasting van het in artikel 4.72, derde lid, genoemde belang.

2.

Van een onevenredige aantasting van het in artikel 4.72, derde lid, genoemde belang kan sprake zijn als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 4.76 Aanvraagvereisten In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht wordt, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: a.

een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname verstrekt;

69

b.

door de aanvrager aannemelijk gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd;

c.

een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 4.77 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.72, het derde lid, genoemde belang.

Afdeling 4.3 Overige regels over bouwwerken en activiteiten met betrekking tot bouwwerken Paragraaf 4.3.1 Algemeen Artikel 4.125 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Artikel 4.126 Maatwerkvoorschriften 1.

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over paragraaf 4.3.2 en paragraaf 4.3.3.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in paragraaf 4.3.2 en paragraaf 4.3.3.

Paragraaf 4.3.2 Verrichten van bouwwerkzaamheden Artikel 4.127 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a.

de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

b.

het straatpeil is uitgezet.

Artikel 4.128 Vervallen

Paragraaf 4.3.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 4.129 Voorrangsbepaling Ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ zijn de regels in deze paragraaf niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijd tijdelijk deel omgevingsplan. Artikel 4.130 Vervallen Artikel 4.131 Repressief toezicht van het uiterlijk van bouwwerken op een goede omgevingskwaliteit 1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: 70

2.

3.

a.

een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

b.

een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om: a.

een aangewezen gebied of bouwwerk als bedoeld in artikel 4.29;

b.

een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Totdat beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.132 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 4.133 Aansluiting op distributienet voor gas 1.

2.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a.

artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en

b.

de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 4.134 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a.

het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

b.

de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. 71

5.

Onder een warmteplan als bedoeld in dit artikel wordt verstaan een besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

Artikel 4.135 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 4.136 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

4.

a.

heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

b.

heeft een vloeiend beloop;

c.

is waterdicht;

d.

heeft een voldoende inwendige middellijn; en

e.

bevat geen beer- of rottingput.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.130 kan in ieder geval worden bepaald: a.

als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

b.

als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

c.

of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 4.137 Bluswatervoorziening 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

72

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 4.138 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

3.

a.

op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090;

b.

op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

c.

op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090;

d.

als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

e.

als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a.

een breedte van ten minste 4,5 m;

b.

een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

c.

een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

d.

een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 4.139 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

3.

a.

op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090;

b.

op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

c.

op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090; of

d.

als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

73

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 4.138, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 4.3.4 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken Artikel 4.140 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

nieuwe gebouwen;

b.

bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021: 1.

een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, lid 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd;

2.

aan het gebouw één of meer bouwlagen zijn toegevoegd of worden toegevoegd; of

3.

het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor: a.

voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of

b.

voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.

Artikel 4.141 Begripsbepaling 1.

Bij de toepassing van deze afdeling wordt onder centraal besturingssysteem verstaan: een systeem dat op basis van actuele neerslagvoorspellingen, de vulling van de hemelwaterberging en de condities van het stedelijk watersysteem, de lediging van de hemelwaterberging regelt.

2.

Bij de toepassing van deze afdeling wordt onder groen dak verstaan: een doelbewust hoofdzakelijk met planten begroeid dak.

3.

Bij de toepassing van deze afdeling wordt onder hergebruiksysteem verstaan: een systeem waarmee het opgevangen hemelwater wordt hergebruikt voor andere dan drinkwater toepassingen.

Artikel 4.142 Verplichting tot waterberging 1.

Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.

2.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor gebouwen als bedoeld in artikel 4.140, eerste lid, onder b, onderdeel 2, als het bestaande gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien.

Artikel 4.143 Vereisten hemelwaterberging 1.

2.

Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.142: a.

heeft ten minste een capaciteit van 70 liter per m2 bebouwd oppervlak;

b.

loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en

c.

is na 70 uur leeg.

Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a.

heeft ten minste een capaciteit van 105 liter per m2 bebouwd oppervlak;

b.

loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool;

c.

is na 70 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en 74

d.

leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem.

3.

Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat op grond van paragraaf 3.2.3 zonder omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwd mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2.

5.

In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.140, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.

6.

Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.

7.

Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.

Hoofdstuk 5 Ruimtelijke regels over bouwwerken Afdeling 5.1 Algemeen Artikel 5.1 Algemeen toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwwerken. Artikel 5.2 Overgangsregel: waar het tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing is Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn paragraaf 5.2.3 tot en met paragraaf 5.2.7 niet van toepassing. Daar gelden de ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Artikel 5.3 Meet- en rekenbepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd: a.

de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a.

afstanden loodrecht;

b.

hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en

c.

maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

b.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

c.

de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

d.

de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil of, wanneer dat in de regels is bepaald, vanaf N.A.P, tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

e.

de verticale bouwdiepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan de onderzijde van de onderste bouwlaag; 75

f.

als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, dan geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak;

g.

de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine;

h.

de tiphoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine.

Artikel 5.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot meet- en rekenbepalingen tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Artikel 5.5 Mantelzorg wordt in dit hoofdstuk aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Afdeling 5.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken Paragraaf 5.2.1 Bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan Artikel 5.6 Algemene afbakeningseisen 1.

Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 5.8, onder a, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 5.7 Vervallen Artikel 5.7 Vervallen Artikel 5.8 Bouwwerken die zijn toegestaan Ongeacht het bepaalde in paragraaf 5.2.3 tot en met 5.2.5. zijn de volgende bouwwerken toegestaan: a.

een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als voldaan wordt aan de volgende eisen: 1.

op de grond staand;

2.

gelegen in het achtererfgebied;

3.

op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4.

de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;

5.

niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

6.

voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I.

5 m;

II.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 76

III. 7.

voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I.

als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

II.

functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

8.

de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I.

bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

II.

bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en

III.

bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en

9.

b.

het hoofdgebouw;

uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I.

een woonwagen;

II.

een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

III.

een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;

een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

2.

op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

3.

achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.

1.

,

Artikel 5.9 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.8, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 5.8, onder a, onder 7, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.8, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 5.8, onder a, onder 8, gestelde eisen de volgende eisen: a.

in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;

b.

de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en

c.

buiten de bebouwde kom.

Artikel 5.10 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.8 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a.

in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of 77

b.

op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of de aanduiding ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’ is gegeven.

Artikel 5.11 Beperkingen vanwege externe veiligheid 1.

2.

Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a.

ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’;

b.

ter plaatse van de aanduiding ‘belemmeringengebied buisleidingen gevaarlijke stoffen’;

c.

ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringsgebied vuurwerk’;

d.

ter plaatse van de aanduiding ‘explosieaandachtsgebied vuurwerk’;

e.

ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik’;

f.

ter plaatse van de aanduiding ‘civiel explosieaandachtsgebied’.

Ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ is artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing als de activiteit wordt verricht: a.

op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding;

b.

op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1.

artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

2.

artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

3.

artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

4.

artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

5.

artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

6.

artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

7.

artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

8.

artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

9.

artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 13. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 78

14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of c.

op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1.

artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

2.

bijlage VIII, onder A en B het Besluit kwaliteit leefomgeving;

3.

artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of

4.

bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.12 Beperkingen op aangewezen locaties 1.

Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'niet te bebouwen achtererf'.

2.

Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding'.

Artikel 5.13 Beperkingen vanwege strijdigheid met ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing, voor zover in het daar geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, of uit de daarin opgenomen regels volgt, dat de gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht.

Paragraaf 5.2.2 Gebruik van bouwwerken Artikel 5.14 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruiksdoel Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met: a.

een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid;

b.

de ter plaatse geldende bestemming als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid; of

c.

een verleende buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187350/1