1 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Regels_versie 14 september 2022.docx
Tekst van het document
Paragraaf 5.2.3 Gebouwen Artikel 5.15 Waar bovengrondse gebouwen zijn toegestaan 1.
Een bovengronds gebouw [definieren] is, tenzij elders anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bestaande bordessen, erkers, galerijen, luifels, buitentrappen, pothuizen en balkons en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen. Deze mogen in stand worden gehouden en binnen de bestaande afmetingen worden vernieuwd. [bestaand definiëren]
Artikel 5.16 Waar ondergrondse gebouwen zijn toegestaan en tot welke verticale bouwdiepte 1.
Voor ondergrondse gebouwen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan voor zover het een bestaand ondergronds gebouw betreft, met de bestaande omvang en bestaande verticale bouwdiepte ervan als maximum omvang en maximum verticale bouwdiepte.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn ondergrondse gebouwen ook toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergronds gebouw toegestaan'.
79
3.
In aanvulling op het tweede lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwdiepte ondergronds gebouw' als maximum verticale bouwdiepte van een ondergronds gebouw de daar bepaalde waarde in meters.
4.
In aanvulling op het tweede lid geldt ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte ondergrondse gebouw’ als maximum oppervlakte van een ondergronds gebouw de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.17 Bouwhoogte van gebouwen 1.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een bovengronds gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte.
2.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
3.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde, gemeten ten opzichte NAP;
4.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte gebouw' is de minimum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.18 Goothoogte van gebouwen 1.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een bestaand gebouw is de bestaande goothoogte de goothoogte.
2.
In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' de maximum goothoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.19 Minimale hoogte van de eerste bouwlaag 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte eerste bouwlaag' is de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag, in meters de daar bepaalde waarde.
2.
Indien de vloer van de eerste verdieping onder het aangrenzend maaiveld ligt, wordt in afwijking van het eerste lid gemeten vanaf aangrenzende maaiveld tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag.
Artikel 5.20 Voorgeschreven gevelrooilijn 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' in die lijn dient te staan.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn (minimum %)' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' voor minimaal het daar bepaalde percentage in die lijn dient te staan.
Artikel 5.21 Bebouwd oppervlak (percentage) 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwingspercentage' is het minimum bebouwingspercentage van bovengrondse gebouwen de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is het maximum bebouwingspercentage van bovengrondse gebouwen de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.22 Bebouwd oppervlak (m2) 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwd oppervlak' is het minimum bebouwd oppervlak van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' is het maximum bebouwd oppervlak van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
80
Artikel 5.23 Bruto-vloeroppervlakte bebouwing (m2) 1.
Ter plaatse van de aanduiding ‘minimum bruto-vloeroppervlakte gebouwen’ is de minimum brutovloeroppervlakte van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
2.
Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bruto-vloeroppervlakte gebouwen’ is de maximum brutovloeroppervlakte van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
3.
Ter plaatse van de aanduiding ‘minimum bruto-vloeroppervlakte bovengrondse gebouwen’ is de minimum bruto-vloeroppervlakte van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
4.
Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bruto-vloeroppervlakte bovengrondse gebouwen’ is de maximum bruto-vloeroppervlakte van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.
Artikel 5.24 Gereserveerd Artikel 5.25 Gereserveerd Artikel 5.26 Gereserveerd
Paragraaf 5.2.4 Vervallen Artikel 5.27 Verplaatst Artikel 5.28 Gereserveerd Artikel 5.29 Gereserveerd Artikel 5.30 Gereserveerd Artikel 5.31 Gereserveerd
Paragraaf 5.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Artikel 5.32 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde (algemeen) 1.
Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, 1 meter.
2.
Ter plaatse van de aanduiding afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde is, in afwijking van het eerste lid, de maximum bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, de daar bepaalde waarde.
3.
In afwijking van het eerste lid zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding bouwwerken geen gebouwen zijnde niet toegestaan niet toegestaan.
Artikel 5.33 Artistieke kunstwerken Ter plaatse van de aanduiding maximum bouwhoogte artistiek kunstwerk een artistiek kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Artikel 5.34 Infrastructurele en waterbouwkundige kunstwerken Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk’ is een infrastructureel kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
81
Artikel 5.35 Erfafscheidingen Ter plaatse van de aanduiding hoogte erfafscheiding' geldt als maximum bouwhoogte van een erf- of perceel afscheiding de daar bepaalde waarde. Artikel 5.36 Aanlegsteigers [gereserveerd] Artikel 5.37 Vlaggenmasten [gereserveerd] Artikel 5.38 Bruggen [gereserveerd] Artikel 5.39 Specifieke bouwwerken op sportterreinen 1.
Lichtmasten op sportterreinen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum hoogte lichtmast’, met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
2.
Ballenvangers, duckouts, doelen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd tribunes, die nodig zijn voor de sportbeoefening zijn op sportterreinen toegestaan in een omvang die naar algemene maatstaven gebruikelijk is.
Artikel 5.40 Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding' zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van hoogspanningsverbindingen toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3 meter.
2.
Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum hoogte hoogspanningsmast’ is een hoogspanningsmast toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.
Paragraaf 5.2.6 Specifieke bouwwerken Artikel 5.41 Windturbines 1.
Een windturbine is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘windturbine toegestaan’.
2.
Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum ashoogte windturbine’ is een windturbine toegestaan met als maximum ashoogte de daar bepaalde waarde.
3.
De maximum tiphoogte van een windturbine is de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum tiphoogte windturbine’ bepaalde waarde.
Artikel 5.42 Tribunes Een tribune is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte tribune’, met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Artikel 5.43 Tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' geldt dat per volkstuin één tuinhuis, één kas en één berging is toegestaan.
2.
Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' gelden voor de in het eerste lid bedoelde gebouwen de volgende maximum bouwhoogtes:
3.
a.
voor een tuinhuis: 3,5 meter;
b.
voor een kas: 2,5 meter;
c.
voor een berging: 3 meter.
Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' is het maximum bebouwd oppervlak per volkstuin: a.
voor een tuinhuis: tien procent van het oppervlak van de volkstuin; 82
b.
voor een kas: vier procent van het oppervlak van de volkstuin;
c.
voor een berging: twee procent van het oppervlak van de volkstuin.
4.
Ter plaatse van de aanduiding ‘nutstuinpark’ geldt in afwijking van het eerste lid dat tuinhuizen niet zijn toegestaan.
5.
In afwijking van het derde lid is het maximum bebouwd oppervlak per nutstuin:
6.
a.
voor een kas: zes procent van het oppervlak van de volkstuin;
b.
voor een berging: drie procent van het oppervlak van de volkstuin.
In afwijking van het tweede tot en met vierde lid is voor een tuinhuis, een kas of een berging, die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel feitelijk is gerealiseerd, de gerealiseerde bouwhoogte en oppervlakte ervan de maximum bouwhoogte en oppervlakte.
Artikel 5.44 Gereserveerd
Paragraaf 5.2.7 Specifieke regels over bouwwerken ter plaatse van specifieke bouwaanduidingen Artikel 5.45 Voorgeschreven hoogte onderdoorgang Ter plaatse van de aanduiding ‘minimum hoogte onderdoorgang’ mogen de gronden tot een hoogte van de daar bepaalde waarde niet worden bebouwd, met uitzondering van de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies. Artikel 5.46 Voorgeschreven ontsluiting autoparkeervoorziening Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting parkeervoorziening' geldt dat een ontsluiting van een auto- of fietsparkeervoorziening uitsluitend is toegestaan ter plaatse van deze aanduiding. Artikel 5.47 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen 1.
De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' is een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2.
Totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.47, tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een nietgeluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
3.
Ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' dienen ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' aan een geluidgevoelig gebouw maatregelen te worden getroffen en in stand gehouden die:
4.
a.
bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
b.
borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.
Artikel 5.48 Gezamenlijk geluid hogere waarde dan standaardwaarde Ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met gezamenlijk geluid' bedraagt het gezamenlijk geluid, bedoeld in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de ter plaatse van de aanduiding 'gezamenlijk geluid' bepaalde waarde. 83
Artikel 5.49 Gereserveerd Artikel 5.50 Gereserveerd Artikel 5.51 Gereserveerd Artikel 5.52 Gereserveerd Artikel 5.53 Gereserveerd Artikel 5.54 Gereserveerd Artikel 5.55 Gereserveerd
84
Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten (het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) Afdeling 6.1 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie' Artikel 6.1 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten, voor zover die bestaan uit het verstoren van de bodem door: a.
het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, ontgraven, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden;
b.
het aanbrengen van drainage;
c.
het aanleggen en verbreden van wateren;
d.
het wijzigen van het waterpeil;
e.
het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen;
f.
het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen.
4.
Voor zover de in eerste lid bedoelde activiteit betrekking heeft op het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een door het rijk aangewezen archeologisch monument, is afdeling 9.2 van toepassing.
Artikel 6.2 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone te verrichten. Artikel 6.3 Uitzonderingen op de vergunningplicht 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
2.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel, of die uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.
3.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring', en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.
4.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring', en de bodemverstoring niet dieper gaat dan de daar in meters bepaalde waarde.
Artikel 6.4 Beoordelingsregel De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt alleen verleend als het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zich daartegen niet verzet.
85
Artikel 6.5 Aanvraagvereisten 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het college reeds over voldoende informatie beschikt om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vast te stellen, en dit schriftelijk aan de aanvrager is medegedeeld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt deze schriftelijke mededeling verstrekt.
Artikel 6.6 Vergunningvoorschriften 1.
Met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone voorschriften worden verbonden.
2.
Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan in elk geval inhouden:
3.
a.
de verplichting tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek;
b.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische vindplaatsen fysiek worden behouden;
c.
de verplichting tot het indienen van een programma van eisen, met betrekking tot het onder a en b gestelde;
d.
de verplichting dat pas begonnen wordt met aanvullend archeologisch onderzoek, bedoeld onder a, nadat het college het programma van eisen, bedoeld onder c, heeft vastgesteld.
Als aan de vergunning het voorschrift is verbonden tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt aan de vergunning tevens het voorschrift verbonden dat het college tijdens het aanvullend archeologisch onderzoek aanwijzingen kan geven over de uitvoering van het archeologisch onderzoek, en dat de aanwijzingen van het college in acht worden genomen.
Afdeling 6.2 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen’ Artikel 6.7 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten, voor zover die bestaan uit: a.
het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, hoger dan vijf meter;
b.
het opslaan van stoffen die brandgevaarlijk zijn; en
c.
het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de bruikbaarheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waaronder de verbindingen, bedoeld in artikel 5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening.
Artikel 6.8 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding te verrichten. 86
Artikel 6.9 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet als: a.
de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen;
b.
de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
Artikel 6.10 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt alleen verleend als het belang, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, zich daartegen niet verzet. Artikel 6.11 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding;
b.
de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;
c.
de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en
d.
de te gebruiken materialen.
Artikel 6.12 Advies netbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade. Artikel 6.13 Vergunningvoorschriften Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.
Afdeling 6.3 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbindingen’ Artikel 6.14 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
2.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten, voor zover die bestaan uit: a.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
b.
het aanbrengen van verhardingen, wegen en paden;
c.
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
d.
het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en andere waterpartijen;
e.
het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen en ophogen van gronden; en
f.
het opslaan van stoffen die brandgevaarlijk zijn.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150kV'. 87
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het doelmatig en veilig functioneren van ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van maximum 150 kV.
Artikel 6.15 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150kV' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 kV te verrichten. Artikel 6.16 Uitzonderingen op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.15, geldt niet als: a.
de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen;
b.
de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel, of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning;
c.
graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
Artikel 6.17 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150kV wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 6.14, derde lid, zich daartegen niet verzet. Artikel 6.18 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 kV worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding;
b.
de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;
c.
de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en
d.
de te gebruiken materialen.
Artikel 6.19 Advies netbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 kV wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.14, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade. Artikel 6.20 Vergunningvoorschriften Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.14, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding 150kV voorschriften worden verbonden.
88
Afdeling 6.4 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen’ Artikel 6.21 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten, voor zover die bestaan uit: a.
het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
b.
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
c.
het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
d.
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
e.
het indrijven van voorwerpen in de bodem.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone buisleiding gevaarlijke stoffen’.
3.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 6.22 Vergunningplicht voor het verrichten van activiteiten bij een buisleiding met gevaarlijke stoffen Ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone buisleidingen gevaarlijke stoffen’ is het verboden zonder een omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen te verrichten. Artikel 6.23 Uitzondering op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 6.22, geldt niet voor: a.
graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatieuitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten; en
b.
werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.
Artikel 6.24 Beoordelingsregel De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt alleen verleend als door de in 6.21, eerste lid genoemde activiteiten de veiligheid, integriteit en werking van de leiding niet wordt geschaad. Artikel 6.25 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;
b.
de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;
c.
de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;
d.
de te gebruiken materialen;
e.
in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;
f.
de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid. 89
Artikel 6.26 Advies leidingbeheerder Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van leiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.21, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade. Artikel 6.27 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 6.21, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen voorschriften worden verbonden.
Afdeling 6.5 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’ Artikel 6.28 Toepassingsbereik en oogmerk 1.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten, voor zover die bestaan uit het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van het openbaar toegankelijke gebied waaronder wordt verstaan het: a.
veranderen van bestaande wegprofielen door verbreden, verleggen, verharden van wegen en paden en/of wijziging van bestratingsmateriaal;
b.
veranderen van bestaande dijken en kaden door ontgronden, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden en/of wijziging van bestratingsmateriaal;
c.
veranderen van bestaande groenstructuren door verwijderen en verleggen van groenvoorzieningen, anders dan bij wijze van verzorging;
d.
veranderen van bestaande waterstructuren door graven en/of dempen van waterlopen en waterpartijen.
2.
Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’.
3.
Deze afdeling stelt regels met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.
Artikel 6.29 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten Ter plaatse van de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’ is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten. Artikel 6.30 Uitzonderingen op de vergunningplicht 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.29, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
2.
Het verbod, bedoeld in artikel 6.29, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
Artikel 6.31 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht wordt alleen verleend als activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht. 90
Artikel 6.32 Aanvraagvereisten 1.
2.
In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het stads- of dorpsgezicht
b.
een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
c.
doorsnedetekeningen met de exacte locatie en omvang van de afzonderlijke ingrepen;
d.
een bestek met bijbehorende tekeningen of een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen.
Tekeningen, bedoeld in dit artikel, hebben een schaal die niet kleiner is dan: a.
1:2000, als het gaat om een topografische kaart;
b.
1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en
c.
1:50, als het gaat om een detailtekening.
Artikel 6.33 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 6.28, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften worden verbonden.
Afdeling 6.6 Regels van toepassing op aanlegvergunningplichten opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 6.41 Toepassingsbereik 1.
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van aanlegactiviteiten, voor zover: a.
ter plaatse van de activiteit het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is komen te vervallen; en
b.
het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan regels bevat over het verrichten van een aanlegactiviteiten.
2.
Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.
3.
Deze afdeling geldt in aanvulling op het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Alle in dat ruimtelijk plan gestelde regels zijn onverkort van toepassing.
Artikel 6.42 (Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren aanlegactiviteit bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht) 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een aanlegactiviteit waarvoor op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat ruimtelijk plan gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a.
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
b.
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden. 91
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 6.43 (Artikel 22.284 Aanvraagvereisten) 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit. 2. Voor zover dat in het het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. 3. Voor zover in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aanvullende aanvraagvereisten zijn opgenomen, dan zijn die onverkort van toepassing. Artikel 6.44 (Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg) 1.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een aanlegactiviteit die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a.
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
b.
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
d.
het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.
Artikel 6.45 (Artikel 22.22 Archeologiebepaling ADVIES: SCHRAPPEN) 1.
Als in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning [voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, of het uitvoeren van een aanlegactiviteit, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
92
Hoofdstuk 7 Het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg Hoofdstuk 8 Vanwege instructieregels aangewezen gebieden en locaties Artikel 8.1 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s Ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied lokale spoorweg binnen vervoerregio' geldt dat de gronden zijn aangewezen als beperkingengebied lokale spoorweg binnen vervoerregio als bedoeld in artikel 5.164, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 8.2 Aanwijzing brandvoorschriftengebied Ter plaatse van de aanduiding 'brandvoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 8.3 Aanwijzing explosievoorschriftengebied Ter plaatse van de aanduiding 'explosievoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 8.4 Aanwijzing risicogebied externe veiligheid Ter plaatse van de aanduiding ‘risicogebied externe veiligheid’ geldt dat de gronden zijn aangewezen als risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Hoofdstuk 9 Kostenverhaal Afdeling 9.1 Algemeen Artikel 9.1 Kostenverhaalsbijdrage Bij de aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18 Omgevingswet worden de volgende gegevens verstrekt: a.
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
b.
een opgave van de bruto inhoud in m en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
c.
een situatietekening, plattegronden, gevels en doorsneden van de bestaande toestand en de nieuwe toestand; en
d.
gegevens en bescheiden welke samenhangen met de toetsing aan de regels voor het kostenverhaalsgebied.
93
Afdeling 9.2 Kostenverhaalsgebieden met een tijdvak [gereserveerd] Afdeling 9.3 Kostenverhaalsgebieden zonder tijdvak [gereserveerd]
Hoofdstuk 10 Milieubelastende activiteiten Afdeling 10.1 Algemene bepalingen Artikel 10.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten. Artikel 10.2 Voorrangsbepaling 1.
Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
2.
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a.
een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
b.
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.
Artikel 10.3 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a.
het waarborgen van veiligheid;
b.
het beschermen van de gezondheid; en
c.
het beschermen van het milieu, waaronder: i.
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
ii.
het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
iii.
een doelmatig beheer van afvalstoffen; en
iv.
het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder.
Artikel 10.4 Specifieke zorgplicht Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.3, is verplicht: a.
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
94
c.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 10.5 Maatwerk 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 10.3, 10.4 en 10.10.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 10.3.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.6 Gegevens op verzoek 1.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt: a.
die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in dit hoofdstuk, waaronder een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten en processen en een situatieschets van de activiteit en de lozingspunten;
b. die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu; c. 2.
die nodig zijn voor het stellen van maatwerkvoorschriften.
Het verzoek kan in ieder geval ook inhouden dat: a.
metingen, berekeningen en tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de activiteit nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaakt;
b. onderzoek moet worden verricht naar maatregelen om nadelige gevolgen voor de omgeving te beperken. 3.
Bij het verzoek wordt aangegeven binnen welke termijn daaraan moet worden voldaan.
4.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 10.7 Informeren bij ongewoon voorval 1.
Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag: a.
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c.
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. 3.
Het eerste en tweede lid geldt niet voor ongewone voorvallen bij: a.
milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b. wonen, met uitzondering van activiteiten waarop afdeling 10.2 van toepassing is.
95
Afdeling 10.2 Milieubelastende activiteiten anders dan lozingen Paragraaf 10.2.1 Algemene bepalingen Artikel 10.8 Toepassingsbereik 4.
Deze titel is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 10.1, met uitzondering van: a.
activiteiten bij wonen;
b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c.
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e.
een evenement: i.
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening;
ii.
dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of
iii.
dat geen festiviteit of ander evenement is als bedoeld in artikel 10.35.
5.
In afwijking van het eerste lid, onder a, is deze titel wel van toepassing op het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.
6.
In afwijking van het eerste lid, onder a, is artikel 10.157 is van overeenkomstige toepassing voor zover propaan of propeen in een opslagtank wordt opgeslagen bij wonen.
Artikel 10.9 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden. Artikel 10.10 Concretisering specifieke zorgplicht 1.
De plicht, bedoeld in artikel 10.4 houdt met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 10.8 in ieder geval in dat: a.
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c.
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e.
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
f.
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
96
2.
i.
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
j.
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De plicht, bedoeld in artikel 10.4, houdt in ieder geval ook in dat: a.
de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt;
b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 10.11 Informatie bij aanvraag omgevingsvergunning Bal-mba 1.
Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt daarbij informatie verstrekt over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of beperken.
2.
De verstrekte informatie is voldoende om te beoordelen of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk.
3.
De informatie wordt verstrekt bij het indienen van de aanvraag bedoeld in het eerste lid aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.
Paragraaf 10.2.2 Activiteit-overstijgende milieuaspecten Subparagraaf 10.2.2.1 Energiebesparing Artikel 10.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 10.13 Maatregelen energie 1.
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a.
als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m aardgasequivalenten aan brandstoffen;
b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. 3.
op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.83 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, van de Omgevingsregeling.
97
Subparagraaf 10.2.2.2 Zwerfafval Artikel 10.14 Opruimen zwerfafval Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Subparagraaf 10.2.2.3 Geluid Subsubparagraaf 10.2.2.3.1 Algemene bepalingen Artikel 10.15 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 10.8, met uitzondering van: a.
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b.
op het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;
c.
windturbines.
Artikel 10.16 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 10.8 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a.
rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of
b.
elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 10.17 Onderzoek en toezenden rapport 1.
In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a.
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horecaactiviteiten de kern vormen;
b. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; c.
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
d. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; e.
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
f.
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en
g. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1.
in enig vertrek op de locatie waar de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq ) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 98
2.
I.
70 dB(A), als dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of
II.
80 dB(A), in andere gevallen; of in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
2.
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
3.
Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.
4.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag.
5.
Dit artikel is niet van toepassing als artikel 10.11 van toepassing is.
Artikel 10.18 Onderzoek op verzoek 1.
Een geluidonderzoek wordt ook verricht als het bevoegd gezag hierom verzoekt omdat: a.
het gelet op de aard, omvang of locatie van de activiteit aannemelijk is dat niet voldaan wordt aan de van toepassing zijnde geluidswaarden van dit Omgevingsplan, de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift;
b. de activiteit wordt verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, en een rapport van een geluidonderzoek noodzakelijk is voor de monitoring van de geluidproductieplafonds. 2.
Bij het verzoek wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.
3.
Het rapport van het onderzoek bevat de informatie bedoeld in artikel 10.17, derde lid.
Artikel 10.19 Verstrekken gegevens bij gewijzigde uitvoering van een activiteit 1.
Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in artikel 10.17 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij activiteiten ten aanzien waarvan op grond van artikel 10.18 onderzoek is verzocht.
Artikel 10.20 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen 1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft buiten beschouwing: a.
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; c.
2.
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax ), bedoeld in subsubparagraaf 10.2.2.3.2 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a.
het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of
99
b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan. Artikel 10.21 Maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond 1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
2.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a.
de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;
b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c.
het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 10.22 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze subparagraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Subsubparagraaf 10.2.2.3.2 Geluidregels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen Artikel 10.23 Toepassingsbereik 1.
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.
2.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing: a.
op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;
b. op een niet-geluidgevoelige gevel. 3.
Voor de toepassing van deze subsubparagraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt: a.
bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;
b. een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid. Artikel 10.24 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 1.
In afwijking van artikel 10.23, tweede lid, onder b, is deze subsubparagraaf is ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a.
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. 2.
In afwijking van artikel 10.23 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a.
die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van: i. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 100