CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Regels_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)41.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Het exploiteren van een seksinrichting is uitsluitend toegestaan in een hoofdgebouw. Op het eventueel bij het hoofdgebouw behorend erf en in de daarop aanwezige erfbebouwing is, in afwijking van artikel 2.10, eerste lid, een bedrijfsmatig gebruik voor een seksinrichting niet toegestaan.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan' is het exploiteren van een seksinrichting uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.

3.

De bestaande bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van het exploiteren van een seksinrichting wordt gebruikt, mag niet worden vergroot.

Artikel 3.113 Gereserveerd Artikel 3.114 Gereserveerd Artikel 3.115 Gereserveerd

Paragraaf 3.2.11 Agrarische bedrijven Subparagraaf 3.2.11.1 Veehouderijen en paardenfokkerijen Artikel 3.116 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze subparagraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij.

Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'.

39

Artikel 3.117 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' heeft als gebruiksdoel de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' mogen worden gebruikt ten behoeve van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij.

Artikel 3.118 Beperking met betrekking tot intensieve veehouderijen De uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', waarbij ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Artikel 3.119 Beperking met betrekking tot opslag Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'. Artikel 3.120 Beperking met betrekking tot paardenbakken 1.

Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak paardenbak' is de maximum brutovloeroppervlakte van de paardenbak de daar bepaalde waarde.

Artikel 3.121 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen De teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf.

Subparagraaf 3.2.11.2 Het telen van gewassen in de open lucht Artikel 3.122 Toepassingsbereik 1.

1.

Deze subparagraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht.

Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'.

Artikel 3.123 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' heeft als gebruiksdoel de uitoefening van een agrarisch bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen in de open lucht.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht, niet zijnde bosbouw, sier- en fruitteelt.

Artikel 3.124 Beperking met betrekking tot opslag Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'. 40

Artikel 3.125 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. Artikel 3.126 Vervallen

Subparagraaf 3.2.11.3 Het telen van gewassen in een gebouw Artikel 3.127 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze subparagraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw'; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw.

Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw'.

Artikel 3.128 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw' heeft als gebruiksdoel de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw' mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw.

Artikel 3.129 Beperking met betrekking tot kassen Een kas is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas toegestaan'. Artikel 3.130 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.

Paragraaf 3.2.12 Water Artikel 3.131 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: water';

b.

de inrichting en het gebruik van buitenruimte ter plaatse van de functie 'water'.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'.

Artikel 3.132 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' heeft als gebruiksdoel waterberging, waterhuishouding en het realiseren, in stand houden en gebruiken van watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.

2.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: 41

a.

bruggen;

b.

beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken;

c.

groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang;

d.

nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

e.

waterstaatkundige werken.

3.

Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.

4.

Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Paragraaf 3.2.13 Verkeer Subparagraaf 3.2.13.1 Algemene regels over het gebruiksdoel verkeer Artikel 3.133 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer';

b.

de inrichting en het gebruik van buitenruimte ter plaatse van de functie 'verkeer'.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'.

Artikel 3.134 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, stationsvoorzieningen, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en pleinen.

2.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a.

bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen;

b.

beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken;

c.

groenvoorzieningen en watervoorzieningen;

d.

nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

3.

Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.

4.

Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Subparagraaf 3.2.13.2 Aanvullende regels over waar wegen en spoorwegen zijn toegestaan Artikel 3.135 Beperkende regels over wegen 1.

Wegen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'. 42

2.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als: a.

het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; of

b.

een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt.

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' bedraagt het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde.

Artikel 3.136 Beperkende regels over spoorwegen Spoorwegen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg toegestaan'. Artikel 3.137 Beperkende regels over tram- en metrolijnen 1.

Bovengrondse metrolijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bovengrondse metro toegestaan'.

2.

Ondergrondse metrolijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergrondse metro toegestaan'.

3.

Tramlijnen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'tram toegestaan'.

Artikel 3.138 Vervallen

Subparagraaf 3.2.13.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling Artikel 3.139 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen 1.

Gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening'.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' moeten de gronden worden ingericht en gebruikt als parkeerterrein.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het minimum aantal parkeerplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.

4.

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen' bedraagt het maximum aantal parkeerplaatsen dat publiektoegankelijk mag zijn de daar bepaalde waarde.

Artikel 3.140 Publiektoegankelijke (brom)fietsstalling 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'publiektoegankelijke (brom)fietsstalling' moet een publiektoegankelijke (brom)fietsstalling worden gerealiseerd en in stand gehouden.

2.

Ter plaatse van de aanduiding ‘minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen’ bedraagt het minimum aantal fietsstallingsplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde.

Paragraaf 3.2.14 Groen Artikel 3.141 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen';

b.

de inrichting en het gebruik van buitenruimte ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.

43

Artikel 3.142 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.

2.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken: a.

voet- en fietspaden, speelplekken en speelvoorzieningen, straatmeubilair, objecten van beeldende kunst, en overige naar aard en omvang ondergeschikte bouwwerken en verhardingen;

b.

faciliteiten en bouwwerken in de openbare ruimte ten behoeve buitensportactiviteiten, zoals skateboarden, panna, freestyle footbal en urban sport parcours;

c.

vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweede lid, gestelde doel;

d.

nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

e.

waterstaatkundige werken.

3.

Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.

4.

Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Paragraaf 3.2.15 Hoogspanningsverbindingen Artikel 3.143 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

b.

2.

het gebruiksdoel van locaties met de volgende aanduidingen: 1.

‘gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV’;

2.

'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'; en

3.

‘gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'.

het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een hoogspanningsverbinding en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de in het eerste lid, onder a, bedoelde aanduidingen.

Artikel 3.144 Gebruiksdoel ter plaatse van de in artikel 3.143. eerste lid, onder a, bedoelde aanduidingen, toegestaan gebruik 1.

De locaties ter plaatse van de in artikel 3.143, eerste lid, onder a, genoemde aanduidingen hebben als gebruiksdoel het gebruik als tracé van de hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de in artikel 3.143,eerste lid, onder a, genoemde aanduidingen mogen worden gebruikt voor een hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger, en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.

44

Artikel 3.145 Beperkingen 1.

Een tracé voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV'.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' zijn bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning dan van tenminste 220 kV niet toegestaan.

3.

Een tracé voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'.

4.

Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' zijn bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning dan van 150 kV niet toegestaan.

5.

Een tracé voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV'.

6.

Ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV' zijn ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een andere spanning dan van 150 kV niet toegestaan.

Paragraaf 3.2.16 Buisleidingen met gevaarlijke stoffen Artikel 3.146 Toepassingsbereik en oogmerk 1.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding ‘gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken voor het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

2.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’.

3.

De regels in deze paragraaf zijn gesteld in verband met het externe veiligheidsrisico van de buisleiding met gevaarlijke stoffen voor de omgeving.

4.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ” buisleiding met gevaarlijke stoffen” verstaan een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.147 Gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’ 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’ heeft als gebruiksdoel het gebruik als tracé van de buisleiding met gevaarlijke stoffen en deze in stand te houden.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’ mogen worden gebruikt als tracé van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

Artikel 3.148 Vergunningplicht voor het wijzigen van de leiding, de druk of de vervoerde stof Het is verboden zonder omgevingsvergunning de leiding, de druk of de vervoerde stof te wijzigen voor zover de wijziging leidt tot een wijziging van het aandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving.

45

Artikel 3.149 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding met gevaarlijke stoffen 1.

De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 3.148, wordt alleen verleend als de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen met een buisleiding met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de eventuele gevolgen van ongevallen voor de omgeving te beperken.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de buisleiding voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid.

3.

Op de beoordeling, bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.150 Vergunningvoorschriften Met het oog op het in artikel 3.146, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.148, voorschriften worden verbonden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving van de buisleiding. Artikel 3.151 Aanvraagvereisten 1.

2.

Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.148 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

een beschrijving van de voorgenomen wijziging; en

b.

de resultaten van de berekeningen van:

1.

de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en

2.

de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 3.2.17 Ambulante handel, anders dan venten Artikel 3.152 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van ambulante handel.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'.

Artikel 3.153 Gebruiksdoel van gronden ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel’ 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' heeft als gebruiksdoel ambulante handel.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' mogen worden gebruikt ten behoeve van ambulante handel.

Artikel 3.154 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van ambulante handel om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. 46

Artikel 3.155 Waar markten zijn toegestaan 1.

Een dagmarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘dagmarkt’.

2.

Een weekmarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘weekmarkt’.

3.

Een periodieke markt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘periodieke markt’.

Artikel 3.156 Waar staan- of ligplaatsen ambulante handel buiten de markt zijn toegestaan Ambulante handel vanaf een staan- of ligplaats ambulante handel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt’. Artikel 3.157 Maximum aantal marktplaatsen, staan- of ligplaatsen buiten de markt 1.

Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal marktplaatsen’ is het maximum aantal marktplaatsen de daar bepaalde waarde.

2.

Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel’ is het maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel de daar bepaalde waarde.

Paragraaf 3.2.18 Volkstuinparken Artikel 3.158 Toepassingsbereik 1.

2.

Deze paragraaf is van toepassing op: a.

het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'; en

b.

het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van volkstuinpark.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'.

Artikel 3.159 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark’, toegestaan gebruik 1.

De locatie ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' heeft als gebruiksdoel het gebruik als volkstuinpark.

2.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' mogen worden gebruikt ten behoeve van een volkstuinpark.

Artikel 3.160 Gebruik van een gebouw als verenigingsgebouw Het gebruik van een gebouw voor ontmoeting en administratie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘verenigingsgebouw’. Artikel 3.161 Gebruik van een gebouw als gemeenschappelijk gebouw Het gebruik van een gebouw voor stalling en opslag van gemeenschappelijke machines en voorraden is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gemeenschappelijk gebouw’. Artikel 3.162 Beperkende regel over overnachten op volkstuinparken 1.

Overnachten is uitsluitend toegestaan op de eigen volkstuin.

2.

Ter plaatse van de aanduiding ‘overnachten niet toegestaan’ is overnachten niet toegestaan.

47

Paragraaf 3.2.19 Darkstores [gereserveerd] Paragraaf 3.2.20 Locaties bedoeld voor het houden van evenementen [gereserveerd] Paragraaf 3.2.21 Kampeerterreinen en vakantieparken [gereserveerd] Paragraaf 3.2.22 Horeca [gereserveerd] Paragraaf 3.2.23 Bos [gereserveerd] Paragraaf 3.2.24 Natuur [gereserveerd] Paragraaf 3.2.25 Vergader- en congresfaciliteiten [gereserveerd]

Hoofdstuk 4 Algemene regels over activiteiten met betrekking tot bouwwerken Afdeling 4.1 Algemeen Artikel 4.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op het bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken. Artikel 4.1a Meet- en rekenbepalingen 1.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a.

afstanden loodrecht;

b.

hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en

c.

maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 4.1b Mantelzorg wordt in dit onderdeel aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Artikel 4.2 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op 48

grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 2.

Het eerste lid is van toepassing: a.

als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

b.

als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 4.3 Overgangsrecht met betrekking tot beschermde stads- en dorpsgezichten 1.

De artikelen 4.13, derde lid, en 5.10, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

2.

De artikelen 4.13, derde lid, en 5.10, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor op grond van de Erfgoedverordening een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de aanduiding ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’ is gegeven.

Afdeling 4.2 Vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Paragraaf 4.2.1 Algemeen Artikel 4.4 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 4.5 Samenloop met andere activiteiten 1.

Voor zover het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gepaard gaat met een aanlegactiviteit als bedoeld in hoofdstuk 6, is op die aanlegactiviteit hoofdstuk 6 onverkort van toepassing.

2.

Voor zover het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gepaard gaat met een sloopactiviteit als bedoeld afdeling 4.2a, is op die sloopactiviteit dat onderdeel onverkort van toepassing.

3.

Voor zover het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gepaard gaat met een monumentenactiviteit als bedoeld in hoofdstuk 11, is op die monumentenactiviteit dat hoofdstuk onverkort van toepassing.

49

Artikel 4.6 Gereserveerd

Paragraaf 4.2.2 Binnenplanse vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk Artikel 4.7 Binnenplanse vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten. Artikel 4.8 Binnenplanse afwijkmogelijkheid tijdelijk deel omgevingsplan geldt als vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat voor zover in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als een verbod als bedoeld in artikel 4.7 om de activiteit zonder een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.

Paragraaf 4.2.3 Vergunningvrije bouwactiviteiten Artikel 4.9 Algemene afbakeningseisen 1.

Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 4.12, onder a, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 4.10 Gereserveerd Artikel 4.11 Gereserveerd Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht, regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: a.

b.

een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

op de grond staand;

2.

gelegen in achtererfgebied;

3.

op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4.

niet hoger dan 5 m;

5.

de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

6.

niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

op de grond staand;

2.

niet hoger dan 5 m; en

3.

de oppervlakte niet meer dan 70 m2; 50

c.

d.

een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.27 zijn, gelet op artikel 4.29, niet van toepassing;

2.

voorzien van een plat dak;

3.

gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

4.

onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

5.

bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

6.

zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

niet hoger dan 4 m; en

2.

alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

e.

een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

f.

een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

g.

1.

hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

2.

op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

3.

achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied;

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1.

een silo; of

2.

een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

h.

een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

i.

een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

j.

1.

geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

2.

geen uitbreiding van het bouwvolume; en

3.

geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen;

een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’.

Artikel 4.12a Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken is artikel 4.12 niet van toepassing Artikel 4.12 is uitsluitend van toepassing voor zover het betreffende bouwwerk in overeenstemming is met: a.

afdeling 5.2; of

b.

ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen: met de regels over bouwwerken in paragraaf 5.2.1 en het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking van de uitzonderingen op de vergunningplicht, vergunningplicht van toepassing 1.

Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12 niet van toepassing. 51

2.

Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12 niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in de aanhef en onder d tot en met i, van dat artikel.

3.

Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding ‘rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht’ of de aanduiding ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’ is gegeven, is artikel 4.12 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a.

inpandige wijzigingen;

b.

een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

c.

een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

d.

een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, niet van toepassing als in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor de locatie waarop de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing als het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels en vergunningvoorschriften Subparagraaf 4.2.4.1 Algemeen Artikel 4.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 4.14a Algemene beoordelingsregel De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend, als de activiteit niet in strijd is met de regels die in deze paragraaf zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Artikel 4.15 Beperkte beoordeling voor gevallen als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarop vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 2.29 van dat besluit niet van toepassing is Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarop vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 2.29 van dat besluit niet van toepassing is, dan is op de beoordeling van die aanvraag uitsluitend artikel 4.23 van toepassing.

52

Artikel 4.16 Beperkte beoordeling voor gevallen als bedoeld in artikel 4.12, die vanwege artikel 4.13 niet vergunningvrij zijn Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk als bedoeld in artikel 4.12, die vanwege artikel 4.13 niet vergunningvrij zijn, dan is op de beoordeling van die aanvraag uitsluitend artikel 4.24 van toepassing. Artikel 4.17 Beoordelingsregels tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing, vergunningvoorschriften 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot het bouwen van bouwwerken zijn opgenomen, deze op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing zijn.

2.

Als het eerste lid aan de orde is, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het betrokken belang dat voor de betrokken activiteit in de beoordelingsregels is aangegeven.

Artikel 4.18 Vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.

2.

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a.

het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

b.

het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

c.

het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

d.

het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

Subparagraaf 4.2.4.2 Beoordeling aan ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 4.19 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met de in dit hoofdstuk en afdeling 5.2 gestelde regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt, in afwijking van het eerste lid, dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met de in dit hoofdstuk en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.

Artikel 4.20 Beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorps- of stadsgezicht 1.

In afwijking van artikel 4.19, eerste en tweede lid, wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: 53

2.

a.

een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

b.

een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan respectievelijk een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 4.21 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht, opgenomen in ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan 1.

Dit artikel geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.

2.

Voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over bouwwerken kan de omgevingsvergunning voor het verrichten van die activiteit in afwijking van artikel 4.19, tweede lid, toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

3.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a.

artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

b.

artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

c.

artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.22 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over binnenplans afwijken, opgenomen in ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan 1.

Dit artikel geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' en is uitsluitend van toepassing op gevallen als bedoelt in artikel 4.8.

2.

Op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zijn van toepassing de daarop betrekking hebbende beoordelingsregels zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

3.

Voor zover in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan de mogelijkheid is opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van regels in dat tijdelijke deel, en die regels de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Artikel 4.23 Afwijkmogelijkheid voor gevallen als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving 1.

In afwijking van artikel 4.19 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, als de daar activiteit betrekking heeft op een geval als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, alleen geweigerd als het belang van het behoud van cultureel erfgoed door de activiteit onevenredig zou worden geschaad.

2.

Voor zover de in het eerste lid bedoelde activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument, en voor die activiteit gelet op afdeling 11.1 geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten nodig is, wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken verleend. 54

3.

Bij toepassing van het eerste lid kunnen aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in het eerste lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.24 Afwijkmogelijkheid voor gevallen, bedoeld in artikel 4.12, die vanwege artikel 4.13 niet vergunningvrij zijn; beperkte beoordeling 1.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat betrekking heeft op een bouwwerk als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid als dat vanwege artikel 4.13 niet vergunningvrij is.

2.

In afwijking van artikel 4.19 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, als de activiteit betrekking heeft op een geval, bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, alleen geweigerd als het belang van het behoud van cultureel erfgoed door de activiteit onevenredig zou worden geschaad.

3.

Bij toepassing van het eerste lid kunnen over de daar bedoelde bouwwerken aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in het tweede lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.25 Gereserveerd Artikel 4.26 Mogelijkheid om af te wijken van de in afdeling 5.2 of een nog gelden ruimtelijk plan tijdelijk deel gestelde regels over bouwwerken 1.

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de in de in afdeling 5.2 gestelde regels over bouwwerken, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.19, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: a.

een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, dat vanwege artikel 4.13 niet vergunningvrij is;

b.

een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits: 1.

voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: I.

niet hoger dan 5 meter;

II.

de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en

III.

er worden geen geluidgevoelige gebouwen toegevoegd;

2.

c.

d.

e.

voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: I.

niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;

II.

de oppervlakte niet meer dan 150 m2; en

III.

er worden geen geluidgevoelige gebouwen toegevoegd;

een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.15f, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

niet hoger dan 6 m; en

2.

oppervlakte niet meer dan 50 m²;

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1.

niet hoger dan 10 m; en

2.

de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een

55

bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; f.

een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

g.

een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

h.

een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

i.

het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied.

j.

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan;

k.

overschrijdingen van het bouwvlak, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter;

l.

overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van bordessen, erkers, galerijen, buitentrappen, pothuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen ter hoogte van de eerste bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

m. overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van luifels, erkers en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen vanaf de tweede bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt; n.

overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van hijsinrichtingen voor zover deze de vrije doorgang van het verkeer niet belemmeren, en mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 2 meter bedraagt;

o.

overschrijdingen van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, hijsinrichtingen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte, bedoeld in de artikel 5.14, niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 4.12, onder a, of artikel 4.75, onder a, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

3.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplan activiteit bouwwerken wordt voor de in het eerste lid bedoelde bouwwerken alleen verleend als: a.

de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woonen leefklimaat van de aangrenzende gronden en bouwwerken;

b.

door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving niet onevenredig wordt aangetast;

c.

het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet;

d.

de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 5.11; en 56

e.

4.

de activiteit, voor zover dit leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogte zoals die is bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, blijkens een radaradvies of verklaring van geen bedenkingen niet in strijd komt met de aan het Luchthavenindelingbesluit Schiphol ten grondslag liggende belangen.

In aanvulling op het derde lid zijn op een aanvraag voor de in het eerste lid, onder b, bedoelde gevallen, van overeenkomstige toepassing: a.

artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

b.

artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

c.

artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

5.

Bij toepassing van het eerste lid kunnen over de daar bedoelde gevallen aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in het derde en vierde lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

6.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is dit artikel van overeenkomstige toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, gelet op artikel 4.19, tweede lid, om die reden zou moeten worden geweigerd.

7.

De overige in deze paragraaf opgenomen beoordelingsregels zijn onverkort van toepassing.

Subparagraaf 4.2.4.3 Uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk Artikel 4.27 Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

3.

Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

4.

Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 4.28 Vergunningvoorschriften met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.27, eerste lid, genoemde belang. Artikel 4.29 Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.27 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.27, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit. 57

Subparagraaf 4.2.4.4 Normering autoparkeerplaatsen en fietsstalling Artikel 4.30 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.62, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de geldende parkeernormen, bedoeld in artikel 4.31.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.62, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over parkeren.

Artikel 4.31 Van toepassing zijnde parkeernormen 1.

Voor de toepassing van artikel 4.30, eerste lid, zijn de geldende parkeernormen de normen zoals opgenomen in bijlage V.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'A-locatie parkeernormering' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor een A-locatie.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'B-locatie parkeernormering' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor een B-locatie.

4.

Ter plaatse van de aanduiding 'C-locatie parkeernormering' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor een C-locatie.

5.

Ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen' geldt, in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van artikel 4.30, eerste lid, als parkeernorm dat het aantal parkeerplaatsen de daar bepaalde waarde is.

Artikel 4.32 Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde parkeernormen 1.

2.

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.30 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a.

op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien;

b.

sprake is van een bestaand gebouw of van bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of

c.

het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: 1.

een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;

2.

een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.

Subparagraaf 4.2.4.5 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Artikel 4.33 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

58

Artikel 4.34 Beoordelingsregel met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie 1.

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: a.

de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

b.

bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen.

2.

De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

4.

Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume ” in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

5.

In afwijking van en in aanvulling op het tweede lid zijn voor de stoffen lood en PFAS de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties opgenomen in tabel 4.34:

Tabel 4.34 Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood (in mg/kg ds)

Waarden PFOS Waarden PFOA en overige PFAS (in µg /kg (in µg /kg ds) ds)

370

60

59

Interventiewaarde conform 60 bijlage IIA Bal)

59

Woning met tuin Kinderdagverblijf met buitenruimte School met buitenruimte Winkel, kantoor, overige bodemgevoelige gebouwen

Artikel 4.35 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.34, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, een sanering van de bodem is uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.36 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: informatieplicht uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 4.34, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag ten minste een week van tevoren is geïnformeerd over de wijze

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187350/1