CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Eindrapport Toekomstvast Investeringspakket Amsterdam Bay Area.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 2 februari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Onderzoeken Bus Rapid Transit-systemen (VN2023-001125)38.040 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Voor de periode tot 2030 richten we ons op de realisatie van de eerste vier van die centra. De vierde component is de verbinding tussen de centraal gelegen innovatiecentra en opleidingen met de werklocaties. We zien daar een sleutelrol voor living labs, waar bedrijven samen met wetenschappelijke onderzoekers en studenten samen werken aan innovatieve oplossingen rond Tech & Transitie. b. Pilots onrendabele top fysieke infrastructuur Naast de planontwikkeling investeren we in pilots om de ontwikkeling van de fysieke infrastructuur te versnellen. Daarbij denken we onder andere aan de onrendabel top voor studentenhuisvesting, experimenten met het zelfbeheer van studentenhuisvesting, tijdelijke kantoor- en labruimte voor tech bedrijven en de onrendabele top en aanloopkosten van de (kostbare) voorzieningen die nodig zijn voor laboratoria. c. Programma bureau ABSC Voor het op gang brengen van alle activiteiten in dit fiche is een programma bureau nodig, dat met veel energie en enthousiasme de Amsterdam Bay Sustainability Campus en alle activiteiten die er plaatsvinden ondersteunt.

Het eindbeeld is een campus met internationale allure, met een combinatie van onderwijs, onderzoek en studenten die Nederlands positie als magneet voor internationale kenniswerkers op het gebied van Tech & Transitie versterkt, en die Almere een economisch profiel geeft van een stad met een vooruitstrevende, duurzame economie. Het resultaat Het eindresultaat in 2030 is een op stoom komende campus waar mensen opgeleid worden tot innovatieve professionals met een missie, die met hun kennis en vakmanschap aan de slag kunnen in de razendsnel groeiende economische sectoren gericht op duurzaamheid en circulariteit. Wereldklasse onderzoek, onderwijs en innovatie gericht op duurzame doorbraken die nodig zijn in de 21ste eeuw.

Op de campus werken mensen uit de wereld van onderwijs, onderzoek, bedrijfsleven en overheid samen aan innovaties die hardnekkige knelpunten in de transitie naar een duurzame samenleving omzetten in grote economische kansen. Thema

Werken

Ontwerp/ schets inclusief locatie

De locatie voor de campus ontwikkeling is de binnenstad van Almere. Dat garandeert een goede bereikbaarheid met het OV. De centrale locatie van kennisinstellingen, bedrijven en voorzieningen draagt ook bij aan de verstedelijking van Almere. De campus in de binnenstad wordt gecombineerd met living lab voorzieningen op bedrijventerreinen binnen de ABA. Het traject voor een ruimtelijke verkenning is gestart. 2022: Verkenning opschaling HBO onderzoek Kwartiermaker University College Verkenning haalbaarheid Amsterdam Bay Sustainability Campus Vorming en selectie vier consortia innovatie hubs Stedenbouwkundig onderzoek ABSC + studentenhuisvesting Haalbaarheidsstudie uitbreiding onderwijs aanbod ROC en HBO Tech & Transitie 2023: Indiening twee aanvragen innovatie hubs Nationaal Groeifonds Aanstelling kwartiermakers innovatie hubs 1 en 2 Opstart Amsterdam Bay University College Opschalen onderzoek HBO Aanstelling kwartiermakers innovatie hubs 3 en 4 Haalbaarheidsstudie pilot universitair tech onderwijs Flevoland 2024: Start vernieuwde opleidingen onderwijs ROC en HBO Indiening aanvragen innovatie hubs 3 en 4 Nationaal Groeifonds Start bouw University College 2025: Start onderwijs Amsterdam Bay University College Start bouw innovatie hub 1 en 2 Onderzoek innovatie hub 1 en 2 op 50% sterkte 2026: Afronding nieuwbouw University College Start bouw innovatie hub 3 en 4 Onderzoek innovatie

hub 3 en 4 op 50% sterkte Start pilot universitair tech onderwijs 2027: Onderzoek innovatie hub 1 en 2 op 100% 2028: Onderzoek innovatie hub 3 en 4 op 100% Evaluatie pilots universitair tech onderwijs 2029: (Deze fiche is een samenvoeging van vier eerdere fiches, getiteld Innovatiecampus, 'Consortium Almeerse Bedrijven’, ‘Projectbureau Tech & transitie’ en 'Investeringen Technisch onderwijs'. De grote overlap tussen die twee maakte een samenvoeging logisch).

Fasering

Raakvlakken met andere projecten

De maatregelen in dit fiche raken nadrukkelijk aan de maatregel ‘Bedrijventerreinen’. Hoogwaardige bedrijventerreinen binnen de ABA zijn onlosmakelijk verweven met dit voorstel en dragen bij aan hetzelfde doel: versterken van de innovatiekracht van het bedrijfsleven in de ABA, met de daaruit resulterende economische groei en werkgelegenheid, op alle niveaus. Daarnaast sluit deze maatregel aan bij de richting en ambities van o.a.: • Handelingsperspectief Oostflank • Perspectief Almere • Verstedelijkingsstrategie • Programmalijnen Almere 2.0

Verwacht hefboomeffect van De maatregelen sluiten aan bij het advies van Manshanden, om als overheid te investeren in de onderwijs, onderzoek en innovatie en de samenwerking de maatregel voor doelen tussen kennisinstellingen en bedrijven op het gebied van Tech & Transitie (Manshanden, 2021). Een aantrekkelijker vestigingsklimaat is een voorwaarde van ABA voor de groei van het aantal banen in Almere om zo bij te dragen aan de tegenspits van de nog te kiezen bereikbaarheidsoplossing (IJmeermetro/weg of 4-sporen Hollandse Brug). Het voorstel draagt bij aan ABA-doel om een impuls te geven aan de economie in de Oostflank, zodat de economie van de hele MRA versterkt wordt voor 2030. Overzicht van betrokken partijen inclusief trekker

Betrokken partijen (niet uitputtend) zijn kennisinstellingen zoals Aeres, Windesheim en ROC Flevoland, Utwente, RUG, Wetsus, samenwerkingsverbanden zoals Almere City FC en Vereniging Bedrijfskring Almere en bedrijven die leidende zijn in de transitie zoals Alfen, Cirwin en Voiceworks. De trekkende partij is de gemeente Almere (via Programmalijn 2, leer- en werkomgeving). Almere 2.0 kan dienen als uitvoeringskader. Op overheidsgebied wordt samengewerkt met de Provincie Flevoland en het ministerie van EZK, het ministerie van OCW en het ministerie van BZK.

Inzicht in de risico’s en beheersmaatregelen

Kostenraming

Er zijn beperkte juridische of technische risico’s. Er zijn te zijner tijd vergunningen nodig voor de realisatie van de gebouwen op de campus, maar daar voorzien we geen onoverkomelijke problemen. De doelmatigheidsregels van het ministerie van OCW kunnen het opstarten van een nieuwe vestiging van een universiteit met de bijbehorende opleidingen complex maken. We zijn met het ministerie van OCW (en ook I&W, EZK en BZK) in gesprek over een passend regelkader voor een newtown als Almere. OCW heeft aangegeven open te staan voor De ontwikkeling van de Amsterdam Bay Campus zal qua onrendabele top zeker € 148,4 mln.aan publieke investeringen vergen. Prijspeil 2022, incl BTW. Dit bedrag is een redelijk gedetailleerde schatting gebaseerd op de opstartkosten van hogeschool Windesheim (75 M€), verschillende University Colleges in Nederland (circa 15 M€) en de opstartkosten van innovatie centra als Wetsus (70M € over 15 jaar). Spoor 1: Talent a. HBO uitbouw onderwijs & onderzoek 15 M€ b. Opstarten University College Almere 16,2 M€ c. Ontwikkeling pilots universitair tech onderwijs 10,5 M€ Totaal Spoor 1: 41,7 M€ Spoor 2: Innovatie hubs op Tech & Transitie thema’s a. Opstartproces & selectieproces vier innovatie centra 4 M€ b. Opstart financiering vier innovatie centra 80 M€ Totaal Spoor 2: 84 M€

Bekostiging

Spoor 3: Amsterdam Bay Campus a. Ruimtelijk en stedenbouwkundig plan Amsterdam Bay Campus 1 M€ b. Onrendabele top pilots studentenhuisvesting en onderzoek infrastructuur 18 M€ c. Programma bureau 3,7 M€ Totaal Spoor 3: 22,7 M€ Cofinanciering is voor al deze activiteiten zeer kansrijk: vanuit marktpartijen in de regio is er volop interesse. Ook verwachten we cofinanciering vanuit de kennisinstellingen. Publiek zijn er tal van mogelijkheden bij de EU (Horizon Europe, Kader Programma’s), nationaal (Nationaal Groeifonds, Klimaatfonds, reguliere RVO en NWO instrumenten), provinciaal en gemeentelijk. Voor de realisatie van deze ambities is zeker support nodig op hoog niveau binnen de betrokken departementen (met name BZK, OCW, I&W, EZK), zowel bestuurlijk als ambtelijk. Binnen de huidige tranche van het FVA (tot 2025) worden procesgelden vrijgemaakt voor ontwikkeling van economie, hoger onderwijs en de versterking van de triple helix. Uit deze middelen kan de procesbegeleiding in die jaren worden bekostigd. Out-of-pocket kosten voor aanvullend onderzoek, ontwerp en uiteindelijk uitvoering zijn uit de FVA gelden niet gedekt.

Onderwerp Beschrijving van de maatregel

Maatregel TVIP ABA: herinrichten bestaande en toevoegen nieuwe bedrijventerreinen Specificatie van de maatregel, wat houdt de maatregel in, welke scope heeft de maatregel? Er is behoefte aan voldoende en kwalitatief goede ruimte voor bedrijvigheid op de juiste plek. Hiervoor is het belangrijk dat we zuinig zijn op bestaande bedrijventerreinen en een volwaardige positie voor werklocaties in Nederland borgen. Ook daar waar ruimte schaars is. Het versterken van de regierol van ABA is van belang voor de doorontwikkeling van het economisch profiel Tech & Transitie. Dit vraagt om sturing op gebied van leefkwaliteit, inpassing in het landschap en de rol van innovatie daarin. Deze maatregel richt zich op 1) de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen en 2) nieuwe bedrijventerreinen. Almere is de enige top 10-stad waar er minder dan 1 baan per woning is. Dit ligt bovendien ook onder het landelijk gemiddelde. De woon-werkbalans is scheef en moet recht worden getrokken zodat evenwichtige groei in de regio mogelijk wordt gemaakt. Deze maatregel zorgt ervoor dat er ruimte wordt gevraagd voor nieuwe bedrijventerreinen en voor herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Nieuwe bedrijventerreinen zorgen voor extra banen en dus een betere woon-werkbalans. Herstructurering zorgt voor aantrekkelijke bedrijventerreinen.

Dit sluit beide aan op de ABA-doelstellingen, want dit: 1) geeft een impuls aan de verstedelijking van dit gebied, 2) leidt tot robuuste werkgelegenheid, 3) ontlast de druk op de mobiliteit doordat men meer in de stad blijft werken, 4) houdt rekening met de duurzaamheid en 5) is direct gekoppeld (via de woon-werkbalans) aan de ambitie om 25.000 extra woningen tot 2030 te realiseren. Rijk en regio werken in het programma Werklocaties samen aan de volgende programmalijnen: Kwantitatief 1) voldoende ruimte voor bedrijvigheid en een balans in vraag en aanbod; 2) clusteren van (grootschalige) bedrijfsvestigingen (>5ha); Kwalitatief 3) versterken van de kwaliteit van werklocaties; 4) zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik door functiemenging wonen-werken en intensiveren van bestaande bedrijventerreinen. Het programma richt zich op bedrijventerreinen, kantoorlocaties en campussen. Er is al een maatregel/fiche voor een innovatiecampus opgesteld, dus deze maatregel is daar aanvullend op. Een groot deel (39%) van de werkgelegenheid in Almere is op bedrijventerreinen te vinden. Deze maatregel richt zich daarop op bedrijventerreinen. Er is naast werkgelegenheid op bedrijventerreinen en campussen ook nog werkgelegenheid op kantoorlocaties.

Dit is niet in de fiches voor werken opgenomen, maar er staat wel een onderzoek bij de Gemeente Almere uit naar de omvang van vraag naar banen op en ruimte voor kantoorlocaties. Dit kan als P.M. in het TVIP worden meegenomen.

Thema

Onder welk thema(s) valt deze maatregel: wonen, werken, duurzaamheid, bereikbaarheid, natuur&ecologie, recreatie, placemaking? Werken

Ontwerp/ schets inclusief locatie

Is er een eerste ontwerp gemaakt? Hoe groot is project. Is er een tekening? Op welke locatie wordt deze maatregel verwacht? Er zijn 12 concrete locaties in Almere waar er harde plannen voor bedrijventerreinen tot 2030 zijn (Plabeka, 2022). Daar is 58ha opgenomen voor nieuwe bedrijventerreinen (zie afbeelding hieronder). Op dit moment is ~45-50ha al uitgegeven aan klanten en is er nog 8-13ha beschikbaar. Onderzoeken door Bureau Buiten en Buck Consultants International (in opdracht van de Gemeente Almere) wijzen uit dat er op dit moment aanzienlijk meer vraag dan in het huidige planaanbod kan worden geaccommodeerd. Er is op dit moment vraag 60ha voor reguliere en binnenstedelijke bedrijventerreinen. Dit is dus een extra vraag van ruim 50ha dan waar het huidige planaanbod in kan accommoderen (voortkomend uit doorgroei van bestaande bedrijfsleven uit Almere en MRA. Daarnaast is er ook nog vraag van grote ruimtevragers (de zogeheten onrendabele top) zoals de logistiek of bedrijven die belangrijk zijn voor de circulaire economie (afvalverwerkers & reststroomverzamelaars) die grotere kavels van in totaal 80ha in Almere en omstreken nodig hebben. Het is echter lastig om precies in te schatten hoeveel van deze 80ha binnen het MRA-gebied zal vallen en hoeveel van de werknemers in Almere zullen wonen.

Een conservatieve inschatting is dat een gedeelte (25%) in Zeewolde zal komen en een de rest in Almere/ Lelystad. Hiervan wordt ingeschat dat het merendeel voor de logistiek zal zijn (85%) en de rest voor de circulaire economie. Het is belangrijk voor de doorontwikkeling van de economie van Almere dat de woon-werkbalans verbetert en dat ontwikkelingen passen binnen het economisch profiel van Almere (ICT, Tech & Circulair/Transitie). Er zijn in Almere geen private grondeigenaren op het grondgebied van Almere. Er zijn dus geen kosten aan

verbonden om de grond aan te schaffen, want het is of al in bezit van Almere of van de RVB. Ondanks het aanschaffen van grond in Almere geen geld zal kosten, is het echter wel nodig dat de functie van bepaalde gronden wordt omgezet om de functie als bedrijventerreinen te krijgen. Deze maatregel past binnen TVIP, want dit pakket heeft een gebiedsgerichte focus. Maatregelen die passen bij de doorontwikkeling van ABA/oostflank van de MRA worden onder TVIP opgenomen. Het nationale programma Werklocaties is hier niet voor geschikt, want hier wordt in overleg met Provincies met een te brede blik naar economische activiteit gekeken. In dit fiche wordt gevraagd of BO MIRT instemt met het aanwijzen van 50ha aan nieuwe reguliere bedrijventerreinen en 10ha aan bedrijventerreinen voor de circulaire economie. Er wordt aandacht gevraagd om een deel van de 50ha te laten passen binnen het economisch profiel. Deze maatregel vraagt niet om een investeringsbeslissing, maar om een aanwijzing van een gebied voor bedrijventerreinen. Dit is cruciaal voor de doorontwikkeling van Almere en sluit aan op de opgenomen intentie van BO MIRT 2020 om het economisch profiel van Almere verder te ontwikkelen dat tevens ook geen investeringsbeslissing was.

Er is nu niet voldoende kwantitatieve ruimte voor bedrijventerreinen terwijl de vraag er wel is, de woon-werkbalans moet recht worden getrokken en het economisch profiel van Almere moet worden doorontwikkeld. Deze maatregel gaat in op al deze punten en sluit aan bij de ABA-doelstellingen. Naast kwantitatieve verbeteringen zijn er ook kwalitatieve verbeteringen nodig. Kwalitatieve verbeteringen aan bedrijventerreinen zorgen voor een toekomstbestendige economie doordat moderne bedrijventerreinen 1) beter passen in het gezichtsbeeld van een stad waar veel nieuwe woningen worden gebouwd 2) beter aan kunnen sluiten op de verduurzamingsbenodigdheden om de klimaattransitie en de circulaire economie mogelijk te maken. Er zijn 17 bedrijventerreinen in Almere die ouder zijn dan 10-15 jaar, met een gezamenlijke netto oppervlakte van 385 hectare. Er zijn 7 bedrijventerreinen met minimale omvang van 20 hectare netto en een met totale omvang van 350 hectare netto. De andere 10 terreinen hebben een omvang van 1-10 hectare netto. Op vier kleine bedrijventerreinen (1-10ha) vindt op dit moment een herstructurering (proces van transformatie) plaats. Terreinen ouder dan 10-15 jaar zijn toe aan revitalisering. Revitalisering zorgt voor een kwalitatieve verbetering van de bedrijventerreinen. De maatregel zorgt voor revitalisering van 30ha.

Dit is 7,8% van het totale aantal bedrijventerreinen dat toe is aan revitalisering. Welke van de 17 bedrijventerreinen uiteindelijk worden gerevitaliseerd is aan de herstructureringsmaatschappij, die moet worden opgericht, om uit te zoeken. Bedrijventerreinen bevinden zich doorgaans op goed bereikbare locaties langs spoorwegen, waterwegen of autosnelwegen. Ze zijn goed toegankelijk voor alle type vervoersmiddelen. De Gemeente Almere gaat over de uiteindelijke ruimtelijke inpassing. Er bijzondere aandacht gevraagd voor de bereikbaarheid met het ov van bestaande bedrijventerreinen. Dit is op dit moment suboptimaal geregeld. Fasering

Wat is de verwachte fasering van de maatregel? Wanneer kan gestart worden, wat is het verwachte verloop/ planning? Fase 1 (tot 2030): De wijziging van functie naar nieuwe bedrijventerreinen kan op relatief korte termijn gebeuren. Dit kan de Gemeente Almere intern of in samenwerking met het RVB mogelijk maken. De verduurzaming van bestaande werklocaties is afhankelijk van de type herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, maar kan en moet voor 2030 gerealiseerd worden. In de nieuwe Europese klimaatwet staat dat de Europese Unie als geheel 55% CO2-uitstoot moet verminderen in 2030 en in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Op bedrijventerreinen zijn veel mogelijkheden om CO2uitstoot te verminderen, zowel in omvang van de bedrijven als in volume van de uitstoot. Een sterke verbinding tussen overheid en bedrijfsleven is enorm belangrijk voor een toekomstbestendige economie en kan daarmee een flinke bijdrage leveren aan de landelijke doelstellingen. Bij toekomstbestendig te zijn, gaat het niet alleen om de energietransitie, maar ook klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit en circulaire economie zijn daar onderdeel van. De verduurzaming van bedrijventerreinen kan dus een grote bijdrage aan de opgave in de gebouwde omgeving leveren. Zo moet ook ABA hier een bijdrage aan leveren.

Lokale stakeholders, zoals bedrijvencollectieven, parkmanagers en gemeenten, moeten in staat worden gesteld om de verduurzaming te trekken. De oprichting van een herstructureringsmaatschappij faciliteert een revitaliseringsimpuls om gezamenlijk naar de 55% CO2-uitstoot vermindering toe te werken en deze maatregel is dus randvoorwaardelijk. Er worden vier gradaties van herstructurering onderscheiden: 1. facelift/groot onderhoud: een grote opknapbeurt bij fysieke veroudering van het terrein (meestal bij bedrijventerreinen ouder dan 40 jaar); 2. revitalisering1: forse integrale verbetering van een verouderd terrein waarbij de huidige bedrijven blijven (meestal bij bedrijventerreinen rond de 10-15 jaar of ouder); 3. herprofilering: wijziging van de werkfunctie door economische veroudering van het terrein; 4. transformatie: wijziging van de functie van het terrein als werkfunctie in andere functies, zoals wonen Deze maatregel zal zich vooral op gradatie 2 richten daar waar het op de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen aankomt. Onderdeel van revitalisering is bijvoorbeeld de verduurzaming van bestaande bedrijventerreinen.

Raakvlakken en meekoppelkansen met andere projecten /programma’s/ maatregelen

Waar liggen raakvlakken met andere lopende en toekomstige projecten/ programma’s? Zijn er raakvlakken met andere thema’s/ maatregelen (voor zover bekend)? Er zijn raakvlakken met alle andere fiches ‘Werken’ zoals de fiches Consortium Almeerse bedrijven, Innovatiecampus, Projectbureau Tech & Transitie en investering in technisch hoger onderwijs. Daarnaast sluit deze maatregel aan bij de richting en ambities van o.a: • Handelingsperspectief Oostflank • Perspectief Almere • Verstedelijkingsstrategie • Programmalijnen Almere 2.0

Verwacht hefboomeffect van Vormt de maatregel een (harde) randvoorwaarde voor het realiseren van de doelen van ABA? Voor een overzicht van de doelstellingen van de opgave de maatregel voor doelen verwijzen wij naar bijlage I. van ABA Het draagt bij aan het doel van ABA om 40,000 extra arbeidsplaatsen in 2050 te realiseren. Het geeft een impuls aan de economie in de Oostflank, zodat de economie van de hele MRA versterkt. Het draagt bij aan het doorontwikkeling van het economisch profiel van Almere (Almere 2.0 afspraak). Voor deze doorontwikkeling van dit profiel is het van belang dat een gedeelte van de bedrijventerreinen wordt aangewezen om te dienen als terrein voor bedrijvigheid binnen sectoren van het economisch profiel (ICT, Tech & Transitie) van Almere. Ook draagt het bij aan het programma Werklocaties waar Rijk en regio samen werken aan de bovengenoemde programmalijnen. 1) geeft een impuls aan de verstedelijking van dit gebied, 2) leidt tot robuuste werkgelegenheid, 3) ontlast de druk op de mobiliteit doordat men meer in de stad blijft werken, 4) houdt rekening met de duurzaamheid en 5) is direct gekoppeld (via de woon-werkbalans) aan de ambitie om 25.000 extra woningen tot 2030 te realiseren. Overzicht van betrokken partijen inclusief trekker

Welke partijen zijn (al) betrokken of worden verwacht betrokken te zijn bij deze maatregel? Wie is de trekkende partij? In welk uitvoeringskader (gremium) kan de maatregel worden opgenomen? Een van de gezamenlijke afspraken bij Almere 2.0 betreft de doorontwikkeling van het economisch profiel van Almere. Dit fiche sluit aan bij deze afspraak. Binnen Almere 2.0 zijn de betrokken partijen: de Gemeente Almere, Provincie Flevoland, EZK en RVB. Almere 2.0 is een passend gremium om deze maatregel Werklocaties op te nemen. De Almere 2.0-partijen worden verwacht betrokken te zijn bij deze maatregel. De ruimtelijke inpassing is decentraal geregeld, dus de Gemeente Almere zal trekker zijn op dit gebied. Het is echter belangrijk dat er integraal draagvlak voor deze maatregel bij alle betrokken partijen wordt georganiseerd. EZK zal een faciliterende rol op zich nemen om dit draagvlak tot stand te brengen.

Inzicht in de risico’s en beheersmaatregelen

Met welke risico’s moet rekening worden gehouden bij het uitvoeren van deze maatregel? Zijn er al beheersmaatregelen te identificeren die deze risico’s kunnen mitigeren? Het grote risico is om geen nieuwe werklocaties voor 2030 aan te wijzen. Als er geen ruimte voor werklocaties in Almere wordt vrijgemaakt dan zal de woon-werkbalans niet verbeteren. De woon-werkbalans is op dit moment scheef en deze maatregel zorgt dat dit recht wordt getrokken. Er is zeer beperkte ruimte in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Het merendeel van de extra woningen en arbeidsplaatsen zal in Almere worden toegevoegd. Voor 2050 zijn dat 75.000 woningen en 35.000 arbeidsplaatsen. Dat is een minimale verbetering van de scheve woon-werkbalans. Op dit moment is de ratio tussen wonen en werken (arbeidsplaatsen als percentage van de bevolking) 39% (NEO Observatory, 2021). De ratio wonen-werken van de extra woningen en arbeidsplaatsen in 2050 is 41%. Ter vergelijking ligt een gezonde woon-werkbalans rond de 80%. Voor 2030 komen er in Almere al 25.000 extra woningen bij, dus er moeten snel stappen gezet worden om extra arbeidsplaatsen toe te voegen. Er moeten voor 2030 ten minste 10,000 arbeidsplaatsen bijkomen om te zorgen dat de woon-werkbalans niet verslechterd.

Het harde planaanbod van bedrijventerreinen in Almere zorgt voor 4,000 nieuwe arbeidsplaatsen Dit fiche zorgt een aanvullende 4,200 nieuwe arbeidsplaatsen en dit vergroot de woon-werkbalans in slechts 8 jaar tijd (ipv 28 jaar) al met 2 procentpunten naar 41%2. Er moet niet voorbij worden gegaan aan andere ruimtevragers. Werkgelegenheid inpassen in het landschap is relatief minder planbaar dan woningbouw. Er worden dit najaar bestuurlijke afspraken gemaakt in het kader van de Strategische Agenda Flevoland. Daar wordt vanuit Rijk-regio integraal gekeken naar de complexe ruimtelijke ordeningspuzzel. Er zullen bestuurlijke afwegingen over de ruimtevragers worden gemaakt. Zowel over de planbare als de minder planbare onderwerpen. EZK is intensief betrokken bij dit traject en komt ook hier op voor het belang van o.a. werklocaties.

EZK vraagt verder middels een Kamerbrief Werklocaties eind september om ruimte voor economische bedrijvigheid. Dit zal het risico dat economie een onderbelicht onderwerp blijft op Rijksniveau mitigeren. Kostenraming

Wat zijn de verwachte kosten? (indicatie?) 20 Miljoen euro waarvan: • 20 miljoen euro voor oprichting van een revolverend herstructureringsfonds Almere/MRA werklocaties, dus t.b.v. herstructurering van bestaande werklocaties (15 miljoen voor een revolverend fonds, 5 miljoen voor procesmanagement en draaiende houden van de eigen organisatie tot 2030); • Aanwijzen van: 60ha voor nieuwe bedrijventerreinen waarvan 50 ha voor nieuwe reguliere bedrijventerreinen en 10ha voor de circulaire economie in Almere en omstreken. Herstructureringsfonds Er worden hieronder twee voorbeelden van herstructureringsfondsen (Overijssel en Utrecht) toegelicht die inzicht bieden in de werking en grootte van een dergelijk fonds. Er is naast kapitaal ook een gedeelte van de middelen nodig voor het functioneren van de eigen organisatie en een gedeelte voor procesmanagement. HMO De Herstructuringsmaatschappij Overijssel (HMO) heeft tussen 2010 en 2020 ruim 100 miljoen euro geïnvesteerd, waarmee de provincie Overijssel 900 ha bedrijventerreinen heeft geherstructureerd en 600 miljoen euro aan private investeringen zijn aangejaagd. Tijdens de coronacrisis hebben ze een actieplan HMO opgesteld om de economie te stimuleren. Met het actieplan wil HMO investeringen van in totaal zo'n 260 miljoen euro in gang zetten waarvan ruim 190 miljoen euro van private partijen afkomstig is.

De investeringen landen op zo'n 14 werklocaties met een omvang van 71,7 ha. De Provincie Overijssel heeft laatst (2020) een aanvullende lening van 17,2 miljoen euro aan de HMO toegekend t.b.v. het Actieplan HMO (260 miljoen investeringen, 70 miljoen publiek) Revolverend karakter Een herstructureringsmaatschappij investeert zelf regelmatig in de projecten die ze uitvoeren. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat de investering revolverend is. Zo kan een oude fabriek die met geld van de maatschappij is gerenoveerd en omgebouwd tot kantoor, verkocht worden aan een partij die het pand gaat verhuren. Op deze manier komt het geïnvesteerde geld bij de maatschappij terug als het project is afgerond. Ze starten daar vervolgens weer andere projecten mee. OMU Sinds 2011 heeft N.V. Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (OMU) een belangrijke bijdrage geleverd aan de herstructurering van 38 hectare aan verouderde bedrijventerreinen. In tien jaar tijd heeft het investeringsfonds van OMU ruim twee keer geheel gerevolveerd. Zodoende is meer dan 30 miljoen euro ingezet om 25 projecten op werklocaties mogelijk te maken. Almere De Gemeente Almere heeft 29 bedrijventerreinen verspreid door de stad (grootte variërend: 1 – 123 hectare). De netto omvang bedrijventerreinenvoorraad is 475 ha (STEC, 2021).

Afhankelijk van de benodigde herstructurering/revitalisering op deze terreinen kan tot 2030 met 15 miljoen euro ongeveer 30 ha3 worden geherstructureerd (2x revolverend). Hier wordt uitgegaan van een omvang in ha dat tussen dat van de efficiëntie van Actieplan HMO (70 mln.investering, 72 ha) en het oorspronkelijke OMU-fonds (15 mln.investering, 2x revolverend, 38 ha) in zit. Het overige budget is voor procesmanagement en het draaiende houden van de organisatie. De primaire doelstelling van de herstructureringsmaatschappij het versnellen van de uitvoering van de herstructurering van bedrijventerreinen. De maatschappij heeft de volgende taken: • (Laten) uitvoeren van procesmanagement om te komen tot plannen van aanpak voor herstructurering van bedrijventerreinen • Aankoop, (tijdelijke)verhuur en verkoop van bedrijventerrein en bedrijfsvastgoed • Herontwikkeling van bedrijventerrein en vastgoed: bij voorkeur in participerende rol met private en publieke partners Met de 20 miljoen kan er 7,8% van de bedrijventerreinen in Almere worden gerevitaliseerd, want 17 bedrijventerreinen met een omvang van 385ha zijn ouder dan 10-15 jaar en kunnen worden gerevitaliseerd. De uiteindelijk keuze wordt door de herstructureringsmaatschappij gebaseerd op basis van

verschillende criteria zoals (dreigende) leegstand, achteruitgang4 van het bedrijventerreinen of andere kwalitatieve criteria waar de bedrijventerreinen het laagst op scoren. Nieuwe werklocaties Er zijn voor 2030 10,000 nieuwe arbeidsplaatsen nodig. Deze zijn verspreid over bedrijventerreinen, campussen en kantoorlocaties. is voor 2030 De huidige werkgelegenheid op bedrijventerreinen in Almere is 39%. De benodigde extra arbeidsplaatsen op bedrijventerreinen voor 2030 is daarom 3,900 (10,000 extra banen in 2030, 39% op bedrijventerreinen). Dit wordt gedekt door het huidige harde planaanbod. Er is een extra vraag van 60 ha voor nieuwe bedrijventerreinen (50ha reguliere bedrijventerreinen en 10ha voor de circulaire economie). Gemiddeld zijn er 70 werknemers per hectare. Dit fiche zorgt dus voor ongeveer 4200 banen. Bekostiging

Is er al zicht op een bron van bekostiging? Nee.

Onderwerp Beschrijving van de maatregel

Maatregel TVIP ABA Kunstmuseum Ontwikkeling van een bovenregionale museale voorziening in het centrum van Almere. Het museumprofiel is gericht op toegankelijke, grootschalige, multimediale kunst. Een kunstmuseum in de regio zorgt niet alleen direct voor meer arbeidsplaatsen maar ook indirect doordat het een toeristische trekpleister kan worden. Hiermee draagt deze maatregel bij aan het in evenwicht brengen van de verstoorde woon/werk balans in Almere. Daarnaast is het museum ook een onderdeel van het leefbaar maken van de omgeving waarin de woningbouwopgave uitgevoerd zal worden. Het faciliteren van een aantrekkelijk woonmilieu wordt ondersteund door het kunstmuseum.

Thema

Recreatie, versterking economische vitaliteit van Almere en in het bijzonder het stadscentrum

Ontwerp/ schets inclusief locatie Fasering

Momenteel is er nog geen ontwerp of locatie. Er wordt een locatieverkenning uitgevoerd in het centrum van Almere. Indicatieve raming opgesteld door ToornendPartners in 2022. Eind 2022 is de businesscase gereed en wordt de keuze voor de locatie gemaakt. In 2023 volgt dan een financieringsvraag aan de gemeente, provincie en OCW. In de periode 2023-2025 wordt de bouw van het museum en de bijbehorende organisatie voorbereid. In 2025 is de start van de bouw voorzien.

Raakvlakken en Deze ontwikkeling is onderdeel van Almere 2.0, programmalijn 4 en heeft een relatie met andere projecten die de doorontwikkeling van het centrum meekoppelkansen met andere van Almere betreffen. Daarnaast is er een link met economie en voorzieningen. projecten /programma’s/ maatregelen Verwacht hefboomeffect van Met deze maatregelen wordt de recreatieve aantrekkelijkheid van Almere vergroot, evenals de economische vitaliteit en de bijdrage aan de vorming de maatregel voor doelen van van het centrum. Met het museum wordt ingezet op het vergroten van het toeristische klimaat, wat ook een belangrijke economische spin off heeft. ABA

Overzicht van betrokken partijen inclusief trekker

Provincie Flevoland, gemeente Almere en het Rijk hebben de handen ineengeslagen in het Fonds Verstedelijking en zijn alle drie betrokken. Daarnaast draagt het ministerie van OCW voor de periode van 2021-2024 €1 miljoen euro bij voor de programmering van de pilot van het toekomstige museum. De trekkende partij is Almere 2.0. Daarnaast wordt er actief ingezet op het betrekken van bedrijven en fondsen ter ondersteuning van deze ontwikkeling. Het is van groot belang dat er commitment is van overheden. Dit werkt als signaalwerking naar particuliere fondsen en bedrijven ten behoeve van financiële bijdragen.

Inzicht in de risico’s en beheersmaatregelen Kostenraming

Het is een complex proces waar veel partijen bij betrokken partijen en overheden. Gelijktijdig is het noodzakelijk alle partijen op één lijn te krijgen.

Bekostiging

Na oplevering businesscase zullen hier concrete voorstellen voor worden gedaan. Verwacht wordt dat zowel gemeente, provincie als OCW een bijdrage leveren voor de totstandkoming van het gebouw en structurele kosten.

Raming opgesteld door ToornendPartners. Museum van 6.150 m2 BVO. 74.6 miljoen incl BTW/prijspeil 2022. Betreft kunstmuseum.

Onderwerp

Maatregel TVIP ABA: Living Lab (expo)

Beschrijving van de maatregel

Vernieuwende vormen van stedelijke ontwikkeling en woningbouw zijn belangrijke kenmerken van Almere. Al ruim 40 jaar biedt de stad in nieuwe wijken plek aan innovaties, van kleinschalige prijsvragen tot hele gebieden. De ontwikkeling van Pampus dient zich aan als kans om deze traditie voort te zetten, met de uitdagingen en vraagstukken van de 21e eeuw. Gezamenlijk ambitie van de gemeente Almere en het RVB als grondeigenaar is om een deel van Pampus als expoterrein in te richten – mogelijk als een soort letterlijke doorloop van de Floriade met herplaatsing van een aantal paviljoens. Primair doel is op Pampus een plek te creëren waar men als voorloper op de duurzame wijk van de toekomst kan experimenteren, tentoonstellen, door-ontwikkelen en leren – op een breed gebied van woningbouw, gebiedsontwikkeling, energie, voorzieningen, economie en sociale infrastructuur. Het beoogde living labs is geen verzameling van showcases of technische testsite maar de intentie is dat er ook daadwerkelijk gewoond, gewerkt en geleefd kan worden (in tijdelijke of permanente vorm). Tevens moet het een context bieden voor triple helix samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en marktpartijen rondom bouwen en de economische agenda van Almere. Hoewel de basiscontouren er liggen, staat het living lab-gebied op Pampus nog in de kinderschoenen.

Vooralsnog zijn er verkennende gesprekken gevoerd en eerste ideeën op papier gezet, om de potentie in beeld te brengen. Belangrijk is nu de volgende stap te zetten op weg naar een concreet plan van aanpak. Voor TVIP kan derhalve niet het living lab zelf als investering worden ingebracht, maar wel het proces daarnaartoe. Hiermee kan de opzet en uitwerking een flinke steun in de rug krijgen, want naast het uitspreken en opschrijven van ambities zijn er voor het living lab op Almere Pampus nog nauwelijks gerichte middelen gereserveerd. Binnen de maatregel opzet living lab Pampus zouden onder TVIP de volgende activiteiten moeten plaatsvinden, met als uitkomst een concreet plan van aanpak. • Verkenning naar de inhoudelijke focus: enkele centrale vraagstukken waar het Living Lab zich op zal richten. Daarbij gaat het zowel om urgente opgaven als relevante kwesties voor de ontwikkeling van Pampus. Flexwonen, mobiliteit, biobased bouwmaterialen, duurzame energieopwekking en circulaire afvalstromen zijn eerder als thema’s benoemd. Belangrijk is dit samen met alle potentiële stakeholders nader te definiëren. • Verkenning naar locatie en vorm: opzet is vooralsnog het living lab te starten in aanloop naar de definitieve ontwikkeling van Pampus, zodat deze niet afhankelijk is van de planvorming.

Omdat het gebied er al ligt, is het mogelijk hier snel te starten waarbij de precieze locatie nader bepaald moet worden. Daarbij is tevens van belang in hoeverre het living lab ook een (tijdelijke) woonfunctie zal krijgen voor urgente doelgroepen en de mate van tijdelijkheid die daarbij gewenst is. Ook het herplaatsen van enkele paviljoens van de Floriade op Pampus en de wensen om in het gebied gewassen te telen voor latere woningbouw spelen een rol. De verschillende plannen hiervoor moeten goed onderzocht in relatie tot elkaar, tijdspad en bekostiging doordacht worden. • Draagvlak en coalitievorming: vanuit de verschillende overheden is er enthousiasme voor een living lab op Pampus, maar ook terughoudendheid in de relatie tot de planvorming voor het gebied. Hier zijn nadere gesprekken en samenwerkingsafspraken nodig. Een waardevol living lab zal verder staan of vallen met de participatie van partners in de uitvoering. Dit vergt een gedegen traject om tot goede coalities te komen. Als voorbeeld hiervoor fungeert Brainport Smart District en LivingLab040 in de regio Eindhoven • Kosten en organisatie: er zal een realistische businesscase voor het living lab gemaakt moeten worden en een plan voor fondsenwerving (zoals de propositie van het Brainport Smart District in Helmond).

Bij een living lab van enige omvang hoort ook een passende organisatiestructuur, waar een voorstel voor gemaakt moet worden op basis van uitkomsten van de andere verkenningen.

Thema

De mogelijkheid tot tijdelijke woningbouw als onderdeel van het living lab sluit aan op het thema wonen. De link met het thema werken ligt in de verbinding met de ambities rondom onderwijs en economie. Een living lab kan de beoogde plek worden waar bedrijven elkaar kunnen ontmoeten, met demoruimte.

Inhoudelijk sluit het aan op het thema duurzaamheid door een eerste invulling te geven aan ambities rondom circulair en biobased bouwen, energie, klimaatadaptatie, energie etc. Ontwerp/ schets inclusief Het living lab gebied dient enige omvang te hebben om ook innovaties boven niveau van het gebouw te testen. Belangrijk is dat het ontwikkeld en gerealiseerd kan worden zonder bepalende invloed op de permanente gebiedsontwikkeling van Pampus. Hiervoor dient het meegenomen te worden in locatie de planvorming voor het gebied en de afspraken daarover tussen de verschillende overheden.

Fasering

Als tijdelijk living lab is een logische plek dichtbij de bestaande stad. Het RVB heeft in eerste schetsen twee plekken op Pampus aangeduid – een nabij de Noorderplassen en een nabij Almere Poort. De definitieve keuze zal afhangen van een lopend onderzoek binnen de Werkagenda Pampus naar de bodem en groen-blauwe infrastructuur voor het gebied. Ook de invulling van de (tijdelijke) woonfunctie is bepalend voor de locatie. Dit moet allemaal voortkomen uit het proces tot een definitieve opzet en plan van aanpak voor het living lab-gebied. Fase 1 eind 2022 – begin 2023 Nadere uitwerking van de het living lab– inhoudelijke focus, locatie, businesscase, organisatie, samenwerkingspartners. Een plan zou uiterlijk medio 2023 gereed moeten zijn. Fase 2 2023 - 2024 Besluitvorming, opstart van de organisatie, werving van de fondsen en eerste inrichting van het gebied.

Fase 3 2024 – 20xx Uitvoering deelprojecten van partners in het living lab Communicatie, gezamenlijk leren, vertaling in plannen voor Pampus. Deze fase valt buiten het TVIP. Raakvlakken met andere In de Werkagenda Pampus was in een eerder stadium een proefomgeving voorzien. Samen met het programma Vernieuwend Wonen is samen met het RVB en PRICE een eerste uitwerking gemaakt van een living lab als tijdelijke onderzoek omgeving voor het Masterplan Pampus. Tevens sluit het projecten living lab aan bij de Innovatieagenda van het RVB, de plannen voor de teelt van circulaire gewassen en flex wonen voor het huisvesten van urgente doelgroepen. Living lab Pampus raakt verder aan de plannen voor AlmereLab en Floriade Legacy op gebied van onderwijs en arbeidsmarkt, in lijn met de strategische economische agenda van Almere en de TVIP-fiches op het thema werken. Hierbij is er een link met PRICE als hub van de circulaire bouweconomie in Flevoland. Tenslotte wordt in het coalitieakkoord van de gemeente Almere gesproken over een BouwRAI in de ontwikkeling van Pampus, gericht op vernieuwende ontwerpen en oplossingen voor de uitdagingen van de toekomst.

Verwacht hefboomeffect van de maatregel voor doelen van ABA

•

Inzicht in de risico’s en beheersmaatregelen

•

Het bieden van een toonaangevend internationaal voorbeeld voor duurzaamheid. Een living lab moet de state of the art kennis en praktijken op het gebied van duurzaam wonen, gebiedsontwikkeling en circulaire economie samenbrengen op Pampus • Het toevoegen van unieke, onderscheidende woonmilieus – een living lab/ BouwRAI staat in de Almeerse traditie van innovatieve woningbouw binnen reguliere gebiedsontwikkeling. De activiteiten moeten de basis leggen voor de verdere ontwikkeling van Pampus tot een unieke, onderscheidende wijk. • Het geven aan een impuls aan de economie in de Oostflank – door het living lab te koppelen aan de economische strategie van Almere ontstaan een win-win voor onderwijs en arbeidsmarkt. Overzicht van betrokken Het voorstel voor het living lab is ontwikkeld vanuit het Almere2.0 programma Vernieuwend Wonen in samenwerking met de Werkagenda Pampus en partijen inclusief trekker PRICE. Programmapartners RVB en de provincie Flevoland zijn nauw betrokken bij de eerste opzet. Het traject rondom Floriade Legacy en Almere Lab wordt gebruikt om de verbinding te leggen met de investeringsagenda voor de stad. De ontwikkeling van het Living Lab is een gezamenlijk project van het Woningbouwatelier (dat onder Vernieuwend Wonen valt) en PRICE.

Zij zijn, met het RVB, verantwoordelijk voor de uitwerking van een plan van aanpak, inhoudelijke focus, betreken van partijen en opzetten van een governance structuur.

Kostenraming

De kosten voor het hele project en de middelen om dit uit te dekken zijn onduidelijk en daarmee onzeker. Een vorm van publiekprivate financiering is nodig, evenals het aantrekken van middelen uit grotere fondsen. Dit vergt het opstellen van een goed plan/ propositie plus businesscase. • Tijdelijkheid van een living lab en de druk op de planvorming om snel te bouwen in Pampus. • Invulling van de tijdelijke woningbouw, dit moet aansluiten bij de doelen van een living lab en gewenste uit beleving van Pampus. Voor het gedegen opzetten van de inhoud en structuur van een living lab op Pampus zijn middelen nodig voor projectcoördinatie, externe onderzoek/analyse en bijeenkomsten. Naast de middelen die PRICE en het programma Vernieuwend Wonen kunnen investeren lijkt een budget van minimaal 1,5 a 2 ton noodzakelijk. Aanvullend zijn middelen gewenst voor: • Enige Inrichting van het gebied, mogelijk met enkele paviljoens vanuit de Floriade

•

Opzetten van een methode om lessen te borgen en door te vertalen naar de gebiedsontwikkeling van Pampus.

WiBo: aanname deels gebruik maken van de bestaand weg en 1km ontsluitende tijdelijke weg aanbrengen. Aannemen dat 30.000m2 oppervlakte hiervoor gebruikt gaat worden. Deze opp. Bouw- en woonrijp maken, dit is excl. bebouwing en paviljoens(floriade) plaatsen. Ca. € 13 mln.investeringskosten excl. BTW. 15,5 miljoen incl BTW.

Bekostiging

Vanuit het programmabudget Vernieuwend Wonen, de Werkagenda Pampus en PRICE zijn middelen gereserveerd en reeds deels geïnvesteerd in een eerste verkenning van de living lab op hoofdlijnen. Ook is minimaal budget aan procesgeld om de samenwerking en organisatiestructuur op te zetten. Daarvoor zal een beroep worden gedaan op middelen vanuit AlmereLab, Floriade Lecacy en de planvorming voor Pampus bij de gemeente Almere, het Rijk en de provincie. Ruimte hierbij is vooralsnog beperkt danwel onduidelijk. Daarbij is het zaak geen geld weg te halen, maar activiteiten en middelen die al worden ingezet, slim aan het living lab te koppelen.

Onderwerp Beschrijving van de maatregel

Maatregel TVIP ABA: Mosselbanken Het aanleggen van mosselbanken op de in het Natuurrapport ABA omschreven locaties en randvoorwaarden draagt bij aan het ABA doel: Impuls aan ecologie en natuur in het Markermeer-IJmeer. Een goede voedselvoorziening is de basis van ieder (eco)systeem. Voedselgebrek is door onderzoekers in het ABA Natuurrapport geïdentificeerd als grootste probleem voor mossel etende en visetende soorten in het Markermeer/IJmeer. Door de verbeterde waterkwaliteit in de jaren ’80, met name veroorzaakt door de afname van fosfaatconcentraties, is de conditie van de driehoekmosselen verslechterd. Vanaf 2007 is de aan de driehoeksmossel verwante quaggamossel in opkomst, ten koste van de oorspronkelijk aanwezige driehoeksmosselen. Het biovolume aan mosselen is de afgelopen jaren sterk gestegen door de opkomst van de quaggamossel. Echter heeft deze een lagere voedingskwaliteit voor watervogels. De aanleg van een mosselbank met behulp van goed Aanhechtingssubstraat, zoals betonnen rifballen, schelpen, of ander geschikt substraat voor goede hechting van (driehoeks)mosselen, kan bijdragen aan het creëren van een toekomstbestendig ecologisch systeem (TBES). De maatregel zelf bestaat uit het aanbrengen van een substraat waarop mosselen zich kunnen hechten en voortplanten (zie toelichting bij ontwerp/ locatie).

Nabij IJburg is, vanwege de sliblaag, een substraat voor een mosselbank aangelegd boven op een laag zand (0,3m) die hier op het slib werd aangebracht. Monitoring laat zien dat de gemiddelde dichtheid van mosselen op de kunstmatige banken duidelijk hoger is dan in aangrenzende referentiegebieden. Daarnaast foerageren meerdere vogelsoorten op de aangelegde mosselbanken. (Bron: ABA Natuurrapport).

Thema

Natuur & ecologie

Ontwerp/ schets inclusief locatie

In het rapport ‘Amsterdam Bay Area: Natuuronderzoek (Sweco, september 2021) is een kaart met zoeklocaties en randvoorwaarden opgenomen voor de aanleg van mosselbanken (Figuur 7.4 in de bijlage). Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de meest effectieve locaties zijn voor het aanbrengen van de mosselbanken. De ontwikkeling van het Marmermeer-IJmeer door het toevoegen van mosselbanken past in elk ontwikkelscenario omdat de locaties nog te bepalen zijn. Daarnaast zijn in het Natuurrapport ABA mosselbanken geopperd als mitigerende maatregel voor infrastructurele maatregelen.

Fasering

Z.S.M. nu investeren in de natuur van het IJmeer brengt het toekomstbestendig ecologische systeem eerder binnen bereik, waardoor bereikbaarheidsoplossingen die nu niet vergunbaar lijken, mogelijk toch kansrijk worden in de toekomst. Daarnaast heeft de natuur vaak een lange ontwikkelingstermijn waardoor in principe beter vandaag dan morgen gestart kan worden met natuurmaatregelen. De ontwikkeling van de mosselbanken kan gerealiseerd worden voor 2030. Eventueel kan deze maatregel gecombineerd worden met de andere potentiële maatregel ‘creëren van ondieptes'. Op basis van het ABA-natuurrapport kan in de periode tot 2025 gewerkt worden aan de voorbereiding en start realisatie van de maatregel. In de daaropvolgende vijf jaar zouden de mosselbanken gerealiseerd kunnen worden.

Raakvlakken met andere projecten

Echter is de ontwikkelduur van foerageergebieden in de vorm van mosselriffen niet precies bekend. Niet bekend. Zodra er echter sprake is van (herinrichtings)projecten waarbij ingrepen in het water plaatsvinden is het vaak eenvoudig om een mosselbank aan te leggen. De maatregel levert een aanzienlijke bijdrage aan TBES en Natura2000 doelen. Door de aanleg van ongeveer 25 ha aan mosselbanken wordt bijgedragen aan de voedselbeschikbaarheid voor mossel etende vogels.

Verwacht hefboomeffect van De aanleg van mosselbanken draagt bij aan het ABA doel: een impuls geven aan de natuur en ecologie in het Markermeer/IJmeer. De aanleg van de maatregel voor doelen van mosselbanken kan worden gezien als een pure natuurmaatregel. Dat wil zeggen dat er van de maatregel zelf weinig tot niets te zien is, deze zit ABA onder water. Wel zijn de mosselbanken bepalend voor het aantal mossel etende vogels en de conditie waarin deze verkeren. Verder helpen strategisch geplaatste mosselbanken golfslag en stroming te beperken. Ook dragen mosselen bij aan een betere waterkwaliteit. Hiermee zijn ze een ‘basisconditie’ voor een gezond en natuurlijk leefklimaat. Als er op termijn geen mosselbanken worden aangelegd wordt het lastig om te voldoen aan N2000 en KRW normen (zie bijlage, kaart tabel 2.7).

Overzicht van betrokken partijen inclusief trekker

Het trekkerschap van deze maatregel zal hoogstwaarschijnlijk gezamenlijk worden ingevuld door de betrokken partijen. Denk hierbij onder andere aan de gemeente, provincie en RWS. De AMIJ/SMIJ kan een adviserende rol op zich nemen in dit traject.

Inzicht in de risico’s en beheersmaatregelen

Als mosselbanken volgens richtlijnen uit het ABA natuuronderzoek worden aangelegd is er geen/weinig risico. Idem voor de beheersmaatregelen.

Kostenraming

Hangt sterk af van omvang, type materiaal, locatie etc. Per locatie te bepalen. Echter is er in het ABA-natuurrapport een doorrekening gemaakt van de mogelijke kosten van het aanleggen van gegroepeerde mosselbanken op rifballen verspreidt over 25 ha. De kosten zijn ingeschat op € 3,75 miljoen. Komt uit eerdere raming WiBo dit zijn investeringskosten incl. BTW

Bekostiging

Er is nog geen bekostigingsbron voor deze maatregel.

Onderwerp Beschrijving van de maatregel

Maatregel TVIP ABA: Achteroevers met visverbinding en luwtestructuur Het Markermeer-IJmeer heeft een tegennatuurlijk peil waardoor het ecologische systeem niet optimaal functioneert. Voor het ontwikkelen van hoge natuurwaarden en het goed ecologisch functioneren van het gebied is een natuurlijk peilbeheer een voorwaarde. Een natuurlijker peil kan gerealiseerd worden door het aanleggen van een achteroever. Een achteroever is een binnendijkse waterberging met een variabel, meer natuurlijk, waterpeil. De natuur krijgt op deze manier de kans om zich op een meer natuurlijke wijze te ontwikkelen dan in het MM-IJmeer met als gevolg dat de binnendijkse waterberging een paaiplaats en schutplek wordt met een goede voedselvoorziening. Voor een aantal plekken langs het Markermeer-IJmeer, e.g. Koopmanspolder en het Wieringermeer, is al ervaring opgedaan met het concept van een achteroever. Het achteroeverconcept kan op twee locaties in het plangebied uitgevoerd worden. Ten eerste wordt binnen de stedelijke ontwikkeling van Pampus nagedacht over het aanleggen van een multifunctioneel binnenmeer, ca 60 hectare, dat dienstdoet als energiebron (aquathermie) en de wijk klimaatbestendig maakt (waterberging).

Dit binnenmeer biedt ook kansen voor ecologie omdat het een extra type leefgebied toevoegt dat in het Markermeer-IJmeer niet te realiseren is; namelijk een watergebied met een meer natuurlijk(er) peil. Ten tweede is er ook bij Muiden/Muidenberg (richting het Naardermeer) een kans om de ecologie een impuls te geven door vernatting van polders. Omdat dit om een ‘simpele’ maatregel gaat en er sprake is van een beperkt aantal grondeigenaren wordt deze binnen TVIP als kansrijk gezien. De aanleg van een achteroever gaat gepaard met het aanleggen van (a)visverbindingen en (b)luwtestructuren. Om een effectieve uitwisseling van vogels, insecten, vleermuizen, vis en organisch materiaal met het Markermeer-IJmeer te garanderen is een verbinding randvoorwaardelijk. Door de achteroever in te richten met ondiepten met luwte en geleidelijke land-waterovergangen waar moerasvegetatie te vinden is, wordt de voedselbeschikbaarheid in het gebied vergroot. Daarnaast bieden luwtestructuren ook een ongestoord leefgebied voor vogels om te rusten en foerageren, voor vissen om te paaien en op te groeien. De mate van verondieping is afhankelijk van de locatie in het meer.

Thema

Natuur en Ecologie

Ontwerp/ schets inclusief locatie

In het Natuuronderzoek ABA zijn een aantal locaties aangeven waar er mogelijk sprake kan zijn van het realiseren van achteroevers, waaronder Almere Pampus en Muiden. Per locatie is een nadere uitwerking nodig. Binnen de werkagenda Almere Pampus wordt momenteel gewerkt aan een Masterplan waar de achteroever onderdeel van zou kunnen zijn. Belangrijk hierin zijn de nodige onderzoeken op het vlak van archeologie en hydrologie, om het meer tijdig te realiseren. De achteroever Muiden is vooral gericht op vernatting t.b.v. vogels, een visverbinding en luwtestructuur is hier niet noodzakelijk. De nadruk ligt primair op eenvoudige maatregelen als vernatten, het opzetten van het waterpeil en het maken van zones met ondiep water en plas/dras. Door dit laagdrempelige karakter wordt ook binnen TVIP gekeken naar het nemen van maatregelen op locatie Muiden.

Fasering

Omdat er voor het beoogde binnenmeer in Almere Pampus meerdere doelen zijn opgenomen is het belangrijk om deze in samenhang te ontwerpen. Maatregelen binnen Almere Pampus dragen bij aan het realiseren van PAGW-doelen, maar ook in het MM-IJmeer zelf moeten maatregelen worden genomen ten behoeve van de achteroever (visverbinding, luwtestructuur, mosselbank, etc.). Hiervoor willen we gebruik maken van een preverkenning PAGW. Voor de uitvoering van maatregelen zal samen met PAGW onderzocht moeten worden of er sprake is van samenhang in de uitvoering, zijn maatregelen volgordelijk? Moet een visverbinding (onderdeel PAGW) gelijk met het binnenmeer worden aangelegd of kan dit later? Het zorgvuldig afstemmen en onderzoeken van mogelijkheden (ruimtelijk, technisch, juridisch etc.) kost tijd. Voor de pre-verkenning schatten we in gedurende een periode van twee jaar tijd uit te kunnen zoeken wat de mogelijkheden zijn (zie ook maatregelfiche pre-verkenning PAGW). Voor de aanpak wordt gedacht aan een aantal werksessies waarin ruimtelijke, technische en juridische aspecten worden uitgediept. Uit de sessies volgen mogelijk specifieke onderzoeksvragen/aspecten die verder moeten worden uitgewerkt door specialisten/deskundigen.

Raakvlakken met andere projecten

Een meer gedetailleerde aanpak met fasering zal onderdeel zijn van de pre-verkenning PAGW. Wanneer de aanvraag voor de pre-verkenning niet wordt gehonoreerd moet er worden gekeken naar inzet van andere middelen en capaciteit (zie ook risico's). Deze maatregel heeft mogelijke raakvlakken met PAGW Oostvaardersoevers en Gouden Randen (gemeente Almere) Het gaat hierbij vooral om de ruimtelijke samenhang van maatregelen (bv. t.a.v. het watersysteem. Ook (het uitwisselen van) de beschikbare kennis die in de verschillende projecten is opgedaan is belangrijk.

Verwacht hefboomeffect van De aanleg van een achteroever draagt bij aan de ecologische kwaliteit van het Markermeer-IJmeer. Het draagt zo bij aan het ABA-doel: Het de maatregel voor doelen van versterken van natuur, landschap, ecologie en recreatie in en rondom het Markermeer-IJmeer, zodat het een landelijk aantrekkelijk gebied wordt met ABA een stevige ecologische basis. Voor de stad draagt een achteroever bij aan diverse doelen, denk aan waterberging, waterkwaliteit, (natuur)beleving, etc. De aanleg van visverbindingen en luwtestructuren heeft een direct positief effect op de ecologische kwaliteit van het Markermeer-IJmeer. Luwtestructuren met helder water en waterplanten dragen bij aan de realisatie van de systeemconditie TBES. Met 250 ha in ABA wordt 41% van de restopgave gerealiseerd. Waterplantenvelden met voldoende dichtheid (>15% bedekking) dragen ook bij aan Natura 2000-doelen van nietbroedvogels die foerageren op de waterplanten zelf en dieren die tussen de waterplanten leven zoals, slakjes, vlo kreeftjes en kleine visjes. Stimuleren van waterplanten is ook positief voor de KRW-maatlat voor waterflora. Daarnaast zal het aanleggen van visverbindingen bijdragen aan het creëren van ecologische verbindingszones.

Overzicht van betrokken partijen inclusief trekker Inzicht in de risico’s en beheersmaatregelen

Een goede integrale afstemming met betrokken instanties is zeer belangrijk. Denk aan recreatie- en beroepsvaart, landschap, cultuurhistorie en watersport. Voor de inhoud en het projectmanagement zijn onder andere de gemeente Almere, provincie Flevoland, Rijkswaterstaat en LNV verantwoordelijk. Daarnaast zijn er verschillende andere belanghebbenden, zoals waterschap, TBO's en belangenvertegenwoordigers (visserij/recreatie/watersport/...) die een inhoudelijke rol hebben in de pre-verkenning. Zonder de pre-verkenning PAGW loopt je het risico dat PAGW-maatregelen en ABA-maatregelen los van elkaar worden bedacht/aangelegd. Daarnaast biedt de pre-verkenning ook capaciteit en middelen om ecologie samen op te laten lopen met de ontwikkeling van woningen. Er zijn veel partijen betrokken waardoor project- en procesmanagement een uitdaging kan vormen. Een mogelijk risico is dat de gewenste integrale aanpak niet van de grond komt door zaken als afwijkende planningen, gebrek aan capaciteit, de complexiteit en evt. tegenstrijdige belangen. Een punt van aandacht is de betrokkenheid van het waterschap als verantwoordelijke voor de veiligheid van de waterkering en de benodigde vergunningen die nodig zijn voor de aanleg van een visverbinding.

Ten slotte kan de aanleg van een visverbinding dermate lastig/duur zijn om te ontwikkelen dat er naar een andere (goedkopere) oplossing moet worden gekeken (bv. aansluiten op bestaande verbinding of toekomstige verbinding (bv Oostvaardersoevers). Dit zou afbreuk kunnen doen aan de beoogde ecologische functionaliteit.

Kostenraming

Voor proces: zie pre-verkenning PAGW. In het vervolgonderzoek zal de kostenraming beter uitgewerkt moeten worden o.b.v. een realistisch maatregelenpakket. Achteroever Almere Pampus: € 10,9 mln. Eventuele fysieke investeringen als grondwerk, dammen/duikers, aanplant, etc. worden duidelijk wanneer het ontwerp voor het binnenmeer op kosten is doorgerekend. In de SSK-raming staat een voorlopige reservering van 14,5 miljoen euro bestaande uit binnenmeer van 80ha incl. oevers en verbindingswatergang tussen binnenmeer en Noorderplas en Pampusplas. Uitgegaan wordt van 60ha. De investeringskosten hiervan bedragen 10,9 mln. Fysieke investering visverbinding: € 3 mln. Een visverbinding is opgenomen in elk alternatief. Per kostenpost 3 mln. (incl OORR en BTW). Kosten voor een visverbinding zal in grote mate afhangen van capaciteit, afmetingen, en het type. Er kan hiervoor gekeken worden naar maatregelen/kosten van de de Oostvaarders Oevers.

Creëren ondieptes: € 36 mln. In de SSK-raming is voor het creëren van ondieptes (dieptes tot gemiddeld 2 meter onder waterspiegel) een bedrag opgenomen van netto €30 mln. voor aanleg van 250 hectare ondieptes. Inclusief OORR en BTW komt dit bedrag op € 89.359.358. Totaalbedrag is afhankelijk van ontwerpkeuzes; type substraat, oppervlak i.c.m. benodigde hoeveelheden, locatie. Dit bedrag/omvang van 250ha is niet realistisch als we dit fiche afbakenen op twee gebieden (Almere Pampus en Muiden). Aanname is dat 50ha per gebied realistischer is. 18 mln. per locatie Een deel van de luwtestructuur kan worden gerealiseerd in combinatie met de aanleg van de mosselbanken. In de maatregelfiche ‘mosselbanken’ zijn deze toegelicht.

Bekostiging

Achteroever Muiden € 5,5 mln. In de SSK-raming is voor het creëren van een achteroever Muiden een vergoeding voor de natschade (360 Ha) opgenomen twv. € 5.5 mln. Mogelijk zullen nog aanvullende maatregelen, zoals het herprofileren van het gebied, plaats moeten vinden. Deze kosten zullen grofweg 600.000 a 800,000 euro zijn. Echter is hier momenteel nog geen kostenraming voor gemaakt waardoor deze niet zijn opgenomen in het budget van 5.5 mln. Onderdeel van de pre-verkenning PAGW is financiering. Het Rijk en gebiedspartijen kijken samen naar de belangen en verantwoordelijkheden van de verschillende organisaties om zo de financiële lasten gezamenlijk te dragen.

Onderwerp Beschrijving van de maatregel

No-regret maatregel: Versterken groenstructuren: Pampushout als ecologisch stadspark De bestaande bosgebieden Pampushout Noord en Pampushout Zuid vormen op termijn het recreatieve uitloopgebied voor bewoners van Pampus, en biedt ontsluiting vanuit deze gebieden naar de overige recreatiegebieden in de stad en het omringende landschap. Daarnaast hebben deze bosgebieden ook een bijzondere betekenis voor het stedelijke, regionale, ecologische en hydrologische systeem en de ambities vanuit de gebiedsontwikkeling voor natuur en klimaatadaptatie. Om deze functies blijvend met elkaar te kunnen verenigen zijn voorinvesteringen nodig in de bestaande bos- en natuurgebieden. In en om Almere Pampus is deels voorzien in een casco van groenstructuren: Pampushout is in de jaren 80-90 aangeplant als polderbos (zie onderaan kaarten). Ook is een polderwetering aanwezig die het water van de westzijde van Almere (incl. Almere Poort) afvoert naar de Noorderplassen en bovendien de ruggengraat vormt van de ecologische verbinding tussen het Kromslootpark (aan de zuidzijde) en de Lepelaarplassen (aan de noordzijde, onderdeel van NP Nieuw Land). Dit casco van groen en water betreft een basis met tekortkomingen, maar is tegelijk ook een groot potentieel.

Door het gericht te ontwikkelen kan het casco uitgroeien tot een waardevolle drager van een natuurinclusief en klimaatbestendig stadsdeel, dat een groene en gezonde leefomgeving biedt aan mens en dier. Deze ontwikkeling kan gefaseerd plaatsvinden. Te beginnen met het versterken van het ecologisch systeem, het verbeteren van de kwaliteit en structuur van de bosopstanden en een robuust hydrologisch systeem. Deze zijn randvoorwaarden voor de doorgroei naar recreatief stadsbos, waardoor in deze fase ook al een doorkijk moet worden gegeven naar de infrastructurele, natuurlijke, hydrologische en recreatieve verbindingen vanuit Pampushout met Pampus en de overige gebieden rondom Pampushout. De relatie met het groenblauwe netwerk dat gerealiseerd moet worden op stadsdeelniveau is daarvoor essentieel. Vervolgens het op orde brengen van de basis voor recreatie (o.a. hoofdstructuur van fiets-, wandel- en ruiterpaden) en daarna de verdere programmering met recreatieve voorzieningen (die meer afhankelijk is van het te realiseren bouwvolume).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12337773/1