1. Bijlage CES 1.0 NZKG.pdf
Tekst van het document
Behalve de productie van groene waterstof, bestaat de mogelijkheid om op relatief korte termijn substantiële volumes blauwe waterstof te produceren uit de hoogovengassen van Tata Steel. Dit kan een enorme kick-start geven aan de waterstofeconomie in het NZKG. Elektrolyse kan mogelijk in de toekomst ook plaatsvinden op offshore platforms of kunstmatige eilanden nabij windparken waarna de waterstof via een pijpleiding naar land wordt getransporteerd. Voor import per tanker, en opslag in bestaande brandstof opslagterminals is het cluster ook goed uitgerust. Tenslotte is een koppeling met een landelijk waterstofnet de beste manier om continue aanvoer van waterstof te kunnen borgen. Mogelijke grote projecten, waarbij voor alle projecten nog de Final Investment Decision (FID) moet worden genomen, zijn in het Noordzeekanaalgebied: Project11 H2-productie Everest (A)
Omschrijving Everest proces, H2 productie (blauw) uit restgassen staalproductie
Impact voor 2030 3,3 TWh (100 kton)
Elektrolyse – o.a. H2ermes (A) Synthetische brandstoffen (V)
Groene waterstof productie
1,0 TWh (15-30 kton)
Productie van bio-kerosine uit waterstof en CO 2 (Synkero)
4,2 TWh (128 kton)
Waterstof bijstook (V)
Pilots voor verduurzaming elektriciteit-productie Van cokes, via gas naar productie van ijzer met waterstof
0,8 TWh (25 kton)
Volledige overschakeling van Tata Steel op waterstof (V)
13 TWh (400 kton) in 2050
Samen met de resultaten uit de interviews met de industrie leidt dit tot de volgende verwachte ontwikkeling voor het aanbod en vraag naar waterstof in het Noordzeekanaalgebied:
11 (V) is vraag; (A) is aanbod
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
33
Waterstof in TWh 35
25 15 5
-5
2020
2025
2030
∧ ∨
2050
-15 -25 -35
Productie
Vraag
Import/export
TATA volledig op H2
Figuur 17: ontwikkeling vraag en aanbod waterstof in NZKG Het is de verwachting dat de vraag naar waterstof in het NZKG-gebied vanaf 2025-2030 zich sterk zal ontwikkelen. Waar in 2025 de vraag nog beperkt is tot 0,7 TWh, wordt vo or 2030 een vertienvoudiging van deze vraag voorzien. Voor 2050 liggen de verduurzamingsplannen van de industrie nog niet vast, maar verwacht wordt dat de groei sterkt doorzet tot ten minste 7 TWh of zelfs 20 TWh (waarvoor bijvoorbeeld 7 GW elektriciteit benodigd is van Wind-op-Zee om de waterstof te produceren), indien Tata Steel in 2050 volledig overschakelt op groene waterstof. De beoogde nationale èn regionale waterstofinfrastructuur faciliteert de gelijktijdige ontwikkeling van vraag en aanbod in het NZKG en daarbuiten. Projectbeschrijving ‘Regional Integrated Backbone NZKG’ Het project Regional Integrated Backbone Noordzeekanaalgebied (RIB NZKG) is een samenwerkingsverband van Gasunie en de Port of Amsterdam. Het project omvat de ontwikkeling van een ‘open-access’ hogedruk waterstofleiding die IJmuiden en het havengebied van Amsterdam aan elkaar én met de nationale waterstofbackbone van Gasunie verbindt. De RIB zal opereren op dezelfde kwaliteit (zuiverheid) en druk niveau als de landelijke backbone. De kleur (blauw/groen/grijs) van de waterstof zal worden gecertificeerd met GVO's (garanties van oorsprong).
De RIB beoogt in de toekomst ook te worden verbonden met een te ontwikkelen lokaal lage druk waterstofnet (H2avennet) in het Amsterdamse havengebied en eventueel ook met Zaanstad. Nut en noodzaak De RIB (en de aansluiting op de landelijke backbone) is van nationaal belang: 1. Waterstof is nodig om hoge temperatuur-processen (>200o C, +/- 45 % van huidige gasverbruik) in de chemische, voedingsmiddelen en overige industrie (naast Tata Steel - zie hieronder) in de IJmond, Amsterdamse haven en Zaanstad
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
34
2. 3. 4.
5.
te verduurzamen. De hoge temperatuur die nodig is voor deze processen, is niet haalbaar met elektrificatie. Duurzame waterstof is een grondstof voor de productie van synthetische brandstoffen voor de luchtvaart en scheepsvaart De waterstof productie projecten H2ermes (15 kton in 2030) en Everest (100 kton) worden hiermee gefaciliteerd. De beschikbaarheid van grote hoeveelheden waterstof is een belangrijke voorwaarde voor Tata Steel om klimaatneutraal ijzer te kunnen maken in de periode richting 2050. Bij het ontwerp van de waterstof infrastructuur is het belangrijk daar al rekening mee te houden. Een aansluiting op de landelijke backbone betekent leveringszekerheid en een betere inzet (flexibiliteit en opslag). Dit faciliteert de verduurzaming van de industrie in het NZKG.
De waterstofproductie en -infrastructuur faciliteert de ontwikkeling van het NZKG als energiedraaischijf van de MRA. Planning en investering Gedurende de vervolgfase (concept select) moet een besluit worden genomen over het tracé en de dimensionering van de RIB. Om de RIB NZKG per 2026 in gebruik te nemen is FID (Final Investment Decision) van de partners noodzakelijk uiterlijk eind 2022. Een onherroepelijke vergunning, financiering (incl. aanpassing SDE++) en commerciële structuur zijn daarvoor noodzakelijke voorwaarden. De technische levensduur van de RIB is groter is dan 30 jaar. De transportcapaciteit van de RIB is nog niet bekend omdat het project nog wacht op de resultaten van de Expression of Interest van potentiële afnemers. Dit beeld zal na de zomer van 2021 duidelijker zijn. Om tegemoet te kunnen komen aan een potentieel grote vraag naar transport - en opslagcapaciteit in de (nabije) toekomst zal de waterstofleiding worden gedimensioneerd op een nader te bepalen technisch maximum. De verwachte investering in transport voor de RIB NZKG en de verwachte CO 2 -reductie door gebruik van de RIB moet in samenhang gezien worden met de investering in de landelijke backbone en wordt bij de indiening van dat project voor het Meerjarenprogramma Energie en Klimaat (MIEK) toegelicht.
Door synergiën in de ontwikkeling van de waterstofinfrastructuur, opslag en lokale netten, kunnen de investeringskosten gedeeld worden door aanzienlijk grotere waterstof volumes waarmee transportkosten per kton een stuk lager zullen uitvallen. Emissiereductie door waterstofproductie is lastig vast t e stellen, omdat het een aanbodoptie betreft. De emissiereductie hangt af van hoe de geproduceerde waterstof wordt ingezet. De emissiereductie is berekend conform de richtlijn van TNO/PBL/RVO bij de appreciatie van de eerste versie CES-en: 1. Aan de blauwe waterstof productie en gebruik is geen CO2 -reductie toegerekend, (want dat zit al bij CCS/Athos); 2. De 190 kton groene H2 die voor synthetische brandstof bestemd is , levert 900 kton CO2 reductie op (er vanuit gaande dat het fossiele kerosine vervangt met 3 kg CO 2 / kg kerosine);
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
35
3. Op de Hemweg locatie gaat Vattenfall zowel waterstof zelf opwekken - met een elektrolyser - als waterstof bijmengen in de gascentrale. De ambitie is in 2030 ~40 kton CO2 te reduceren door de bijmenging van waterstof (vervangt aardgas met 0,198 kg CO2 / kWh aardgas); Ruimtelijke inpassing De RIB zal voornamelijk gebruik maken van bestaande gasleidingen.
Figuur 18: toelichting scope kandidaat MIEK-project ‘RIB’ (in blauw) Voor het stuk nieuwe tracé in het havengebied van Amsterdam loopt een verkenning. HyWay 27 Onder de naam HyWay27 onderzoeken het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, TenneT en Gasunie de mogelijkheden om een landelijke infrastructuur voor waterstof te ontwikkelen. Het onderzoek gaat antwoord geven op de vraag óf en onder welke voorwaarden een deel van de bestaande gasinfrastructuur kan worden ingezet voor het transport en de opslag van waterstof. Het onderzoek is een initiatief van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het eindrapport is in het tweede kwartaal van 2021 gereed. Op de landelijke waterstofbackbone is ook een aftakking naar Den Helder voorzien. Regionale programmering Verder worden een aantal regionale projecten via haalbaarheidsstudies opgewerkt naar een investeringsbesluit:
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
36
1. H2avennet: lokaal lagedruk waterstofnet in het havengebied Amsterdam met aansluiting op RIB De aanleg van een open access waterstof -backbone die lokale productie, importterminals en doorvoer richting achterland integreert. 2. ZaannetH2: Lage druk hybride H2-net in Zaanstad voor lokale industrie en gebouwde omgeving met een mogelijke aansluiting op de RIB. Projectbeschrijvingen van bovenstaande twee projecten zijn bijgevoegd in de appendix.
4.3. CO2 Om de 2030 CO2 -reductiedoelstellingen voor de industrie in het NZKG (in het bijzonder Tata Steel) te halen is de inzet van CCUS (Carbon Capture and Utalization/Storage) essentieel. CCS is door de Europese Unie geïdentificeerd als noodzakelijke technologie om de klimaatdoelen van 2030 te behalen. Met deze bewezen techniek kan op relatief korte termijn een forse reductie worden behaald. Afgevangen CO2 kan worden gebruikt door de glastuinbouw of als grondstof voor de nieuwe circulaire chemie (plastics). De meeste CO 2 zal worden opgeslagen in lege olie- of aardgasvelden onder de Noordzee. De volgende projecten zijn van belang voor de realisatie van een CO 2 -infrastructuur in het Noordzeekanaalgebied: Project12 Everest (A) AEB (A) OCAP (V)
Synkero (V)
Omschrijving Afvang CO 2 van Tata Steel en omzetten restgassen in chemicaliën en waterstof Afvang biogene CO 2 van de energiecentrale CO 2 gebruik voor tuinbouw
CO 2 gebruik voor productie bio-kerosine
Impact voor 2030 ‘Most-likely’: 5,5 Mton/yr 0,5 - 0,6 Mton/yr 0,1 - 0,2 Mton/yr: additionele vraag door aansluiting nieuwe tuinbouw gebieden 0,25-1 Mton/yr
Projectbeschrijving ‘Athos’ Het project Athos is een publiek-privaat samenwerkingsverband van Gasunie, EBN, Tata Steel en Port of Amsterdam. Athos omvat de ontwikkeling van een openbaar ‘OpenAccess’ en non-discriminatoir CO2 -infrastructuursysteem in het Noordzeekanaalgebied waarmee afgevangen CO2 wordt getransporteerd ten behoeve van opslag in lege olie- en gasvelden. De Athos CO2 infrastructuur bestaat uit een landzijdige transportleiding (tussen Amsterdams havengebied en IJmuiden), de centrale faciliteit en de onderzeese pijpleiding naar óf CO2 hoofdinfrastructuur op zee of een of meerdere platforms in de Noordzee vanwaar de CO2 in lege olie- en gasvelden wordt gepompt voor permanente opslag. Het is van belang om bij het onderdeel landzijdige transportleiding in het bijzonder, te benoemen dat dit onderdeel afhankelijk is van de behoeften van CO2 emitters en afnemers in het Amsterdams havengebied. De ontwikkeling staat daarom nog niet vast. De olie- en gasvelden die voor Athos in aanmerking komen, bevinden zich 12 (V) is vraag; (A) is aanbod
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
37
minimaal 80 km uit de kust, en op een diepte van 3 tot 5 km onder de zeebodem. Nut en noodzaak De CO2 wordt door emitters in de regio (zoals Tata Steel met project Everest) afgevangen en aangeboden aan het netwerk. De afvang maakt geen onderdeel uit van het Athos project, maar is er onlosmakelijk mee verbonden. Beide projecten zijn voor hun succes van elkaar afhankelijk. Athos kan in geval van voldoende vraag en volume ook eventuele utilisatie van CO2 door de glastuinbouw en door andere toekomstige gebruikers (bijv. synthetische brandstoffen en bouwmaterialen) faciliteren. Het volume dat voor utilisatie in aanmerking komt is naar verwachting substantieel lager dan het volume dat voor permanente opslag in aanmerking komt. Planning en investering Athos bevindt zich momenteel in de Concept Select Phase (studiefase). Om operationeel te kunnen zijn vanaf einde 2026 is een FID (Final Investment Decision) van de partners noodzakelijk uiterlijk eind 2023. Het tijdig kunnen doorlopen van het vergunningentraject is hierbij van belang. Athos gaat er vanuit dat in ieder geval 15 jaar (vanaf 2027 tot 2042) CO2 zal worden geïnjecteerd. Deze 15-jaar periode valt samen met de duur van de beschikkingen onder de SDE++. Ook na 2042 zal CO2 -opslag mogelijk zijn, aangezien de technische levensduur van de infrastructuur groter is dan 15 jaar.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat als Tata Steel volledig overschakelt op staalproductie met waterstof er veel minder tot geen CO2 -afvang meer nodig zal zijn voor Tata Steel in 2050. Als uit de haalbaarheidsstudie van Tata Steel en FNV blijkt dat het DRI-scenario de voorkeur heeft, is er minder CO2 -afvang nodig dan (de 5,5 Mton/jaar) waarvan nu wordt uitgegaan. Bij het DRI-scenario zou de afvang 1 Mton/jaar zijn. Tevens is meer aardgas (25-30 PJ/jaar), meer elektriciteit (160 MW inkoop en 120 MW minder productie) en meer waterstof nodig. Athos, door de Europese Unie erkend als een Project of Common Interest, voorziet in een CCUS-netwerk dat vanaf 2027 4-8 Mton CO2 per jaar zal opslaan. Een volume van 6 Mton per jaar komt overeen met 42% van de Nederlandse industriële CO 2 -reductiedoelstelling van 14,3 Mton uit het Klimaatakkoord. Om tegemoet te kunnen komen aan een potentieel grotere vraag naar transport - en opslagcapaciteit in de (nabije) toekomst wordt de CO2 -infrastructuur van Athos gedimensioneerd op een technisch maximum van 11 Mton CO2 per jaar (gebaseerd op: Tata Steel max. 8 Mton/jaar en CO 2 emitters in het Amsterdam gebied max. 3 Mton/jaar). De verwachte investering in compressie, transport & opslag als een volledig ‘stand-alone’ project ligt tussen € 800-1200 M.
Een belangrijk deel hiervan komt voor rekening van het transport per pijpleiding op de zeebodem en de kosten voor modificaties aan platformen en putten om deze geschikt te maken voor opslag van CO 2 . Door synergiën met andere offshore CCS initiatieven (Porthos Rotterdam, Aramis) in de ontwikkeling van de offshore infrastructuur en opslag, kunnen de genoemde investeringskosten van een gemeenschappelijke offshore hoofdinfrastructuur gedeeld worden door aanzienlijk grotere CO2 volumes waarmee kosten per Mton CO 2 een stuk lager zullen uitvallen.
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
38
Projectbeschrijving ‘Afvang van CO2 bij AEB’ Het Afval Energie Bedrijf (AEB) Amsterdam verwerkt restafval en verbrand wat na scheiding overblijft. Het AEB levert vervolgens warmte en elektriciteit aan de omgeving en speelt zo een belangrijke rol in de duurzaamheidsambities van Amsterdam en omliggende gemeenten. AEB verkent ook opties om stoom te leveren aan bedrijven in de haven waarmee ca. 150 kt CO2 vermeden kan worden. Daarnaast heeft het AEB de ambitie om vanaf 2027 jaarlijks 450 kt CCS toe te passen. Hiervoor zijn drie opties: 1. Aansluiting op Athos: mogelijk (deels) hergebruik van leiding tussen IJmuiden en haven van Amsterdam. Er moet dan nog 15 km overbrugd worden om aan te sluiten op het AEB. Bij het AEB zal een compressorstation komen te staan. Voordeel van deze optie is dat het de kortste route naar de Noordzee ten behoeve van CO2 -opslag op zee biedt en dat de kosten relatief laag worden geschat. 2. Via Rotterdam: voor een groot deel van dit traject is de infrastructuur al gerealiseerd. Vanuit de haven van Amsterdam is 2 km nieuwe pijpleiding nodig om het AEB hierop aan te sluiten. Bij het AEB zal een compressorstation komen te staan. Voordeel is dat de kosten van deze optie laag worden geschat en het mogelijkheden biedt CO2 te leveren aan het OCAP netwerk. Nadeel is dat niet één partij dit traject kan verzorgen. 3.
Via schip: bij het AEB zal de CO2 vervloeid worden, zodat deze per schip naar een platform op de Noordzee gebracht kan worden. Deze optie lijkt op korte termijn het meest haalbaar omdat er één partij is die het hele traject verzorgt. Het nadeel is dat deze optie hoge kosten met zich meebrengt . Nut en noodzaak Voor AEB is CCS – naast het minder verbranden van afval - de (enige) voordehand liggende technologie om CO2 uitstoot te reduceren. Ter vergelijking, 450 kt is 9% van de gehele uitstoot van de stad en staat gelijk aan het aardgasverbruik van 68% van alle Amsterdamse huishoudens. Planning en investering Op dit moment werkt AEB aan de subsidieaanvraag voor de SDE++ ronde van 2021. De subsidie is essentieel voor de realisatie van CCS. Het Rijk heeft een subsidieplafond ingesteld en kent subsidie toe aan de partijen die tegen de laagste kosten CO 2 emissies kunnen reduceren door inzet duurzame energie of het afvangen van CO2 . Voor een succesvolle aanvraag zijn ook (intentie)afspraken nodig met partijen die voor het transport en opslag van de CO2 verzorgen en moet de businesscase rond zijn. AEB is een openbare aanbesteding gestart. Wanneer de subsidie in 2021 niet wordt toegekend, is het onduidelijk wat de kans is om een nieuwe aanvraag in te dienen in 2022. De optie via Athos (optie 1) kent in de keten verschillende partijen.
Athos betreft de CO 2 transport infrastructuur maar niet de opslag op zee. Athos zal daarmee niet een ‘onestop-shop’ kunnen bieden. Bij aansluiting op Athos kan AEB pas een subsidieaanvraag indienen wanneer Tata Steel een besluit heeft genomen. De kosten voor optie 1 kunnen hoger uitvallen vanwege infrastructurele obstakels, zoals het opknappen en gereed makken van de infrastructuur. De optie via Rotterdam (optie 2) kent in de keten verschillende partijen. Omdat het AEB heeft gekozen voor een ‘one-stop-shop’ aanbesteding, kan AEB niet individueel met deze partijen afspraken maken. Deze partijen moeten daarom gezamenlijk met een aanbod
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
39
komen waarop het AEB de business case kan ontwikkelen die ingediend moet worden voor de SDE++. Het is onduidelijk of dit mogelijk is. Optie 3, verschepen van vloeibaar CO2 , is duur waardoor het verkrijgen van een SDE++ weinig kans heeft. Ruimtelijke inpassing De ruimtelijke inpassing bestaat uit twee onderdelen: compressorstation bij AEB en aansluiting van AEB op het CO2 -netwerk van Athos of OCAP netwerk.
4.4. Warmte Stoom Voor sommige NZKG-bedrijven kan het gasverbruik (gedeeltelijk) vervangen worden door de levering van stoom. In het westelijk havengebied van Amsterdam bestaat een kans om een stoominfrastructuur aan te leggen. Leverancier van de stoom is AEB en het netbeheer wordt gedaan door PoA. Dit stoomnet stelt bestaande industrie in staat haar gasverbruik van huidige processen te verlagen en faciliteert tegelijkertijd toekomstige projecten die een stoombehoefte hebben. Een stoomnet in combinatie met een H2- en CO2 -net versterkt de positie van het NZKG als regionale energiehub. Planning en investeringen voor stoomnet Het aanleggen van een lokaal stoomnet voor Amsterdam West is een concrete kans die is opgenomen bij de regionale infrastructuurprojecten in deze CES. Het stoomnet project wordt via een haalbaarheidsstudies opgewerkt naar een investeringsbesluit. Stoomnet
Belang
Knelpunten
Stoominfrastructuur in westelijk havengebied met levering door AEB en transport door Port of Amsterdam
Stoomnet (in combinatie met H2 en CO 2-leiding) faciliteert verduurzaming industrie
Ruimtelijke inpassing en vergunningen: er zijn plekken in het tracé waar knelpunten zitten
Investeringsbesluit: Q3 2021 Operationeel: eind 2023 Investering: 15-27 M€ CO 2-reductie: maximaal 140 kton CO 2/jaar
Verbetert vestigingsklimaat, bijvoorbeeld voor producenten van duurzame biobrandstoffen Verlaagt vraag naar alternatieve energiedragers
Warmte Bij de industriële processen in het Noordzeekanaalgebied komen grote hoeveelheden restwarmte vrij van uiteenlopende temperatuur-niveaus. De industrie stuurt op interne energiebesparing en efficiëntie en gebruikt waar mogelijk de eigen restwarmte. De warmte die hierna nog over is, kan mogelijk via warmtenetten worden geleverd aan de naburige industrie en/of de gebouwde omgeving. Het NZKG en de MRA is een voor de hand liggende regio voor de uitbreiding van het warmtenet, omdat industrie en stedelijke bebouwing dicht bij elkaar liggen. Het aansluiten van meerdere en diverse bronnen op een warmtenet, zorgt voor een stabiele levering en een concurrerende prijsstelling voor
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
40
de huishoudens. Deze restwarmte kan een positieve bijdrage leveren aan het verduurzamen van warmtenetten in de regio. Er zijn verschillende studies gedaan naar de potentiële warmte die vrijkomt in de industrie. In deze studies is bron-per-bron gekeken naar het totale energieverbruik (gasverbruik) van bedrijven en zijn aannames gemaakt over de verliezen die in de vorm van warmte vrijkomen. Deze gegevens zijn publiek beschikbaar, bijvoorbeeld via ‘Warmte is Cool’, een studie uitgevoerd in opdracht van de Metropool regio Amsterdam https://warmteiscool.nl/roadmap/ Door de huidige procesindustrie, afvalverbranding en chemie worden mogelijkheden gezien meer warmte te leveren. Het warmteaanbod van de huidige industrie zal de komende jaren verduurzamen onder meer door elektrificatie, energiebesparing en de inzet van waterstof. Sommige aanbieders van warmte zullen uit gefaseerd worden. De haalbaarheid van de uitkoppeling van restwarmte en een doorlevering aan derden hangt af van de business-case per aanbieder. De leverzekerheid is belangrijk en verder speelt de afstand tot de eindgebruiker of een al bestaand warmtenet een belangrijke rol. Daarnaast zijn er ontwikkelingen van nieuwe industrie waarbij restwarmte vrij zal komen. Zowel bij de elektrolysefabrieken voor waterstof als bij de productie van synthetische brandstoffen zal restwarmte ontstaan.
Door bij de bouw rekening te houden met uitkoppelen en levering van deze duurzame warmte, kunnen onnodige kosten voorkomen worden. Ook datacenters zijn mogelijk bronnen van warmte voor een warmtenet. In het cluster NZKG is één datacenter (in het westelijk havengebied) meegenomen. De overige datacenters vallen onder cluster 6. Duurzame warmte van de huidige industrie zorgen samen met de potentiële nieuwe bronnen voor een route naar een fossiel vrije warmte-aanbod. Energieleveranciers - die de huidige warmtenetten in de regio beheren - zoeken ook zelf naar meer warmtebronnen waarmee het warmtenet kan worden uitgebreid en verduurzaamd. Eén van de ontwikkelingen zijn e-boilers, waarbij groene elektriciteit wordt gebruikt om water te verwarmen. De boiler wordt ingezet op momenten dat er een teveel is aan zon- en windenergie, zodat windturbines en zonneparken niet afgeschakeld hoeven worden als de stroomprijzen laag zijn. Er zijn de volgende projecten in het Noordzeekanaalgebied voorzien die warmte aanbieden: Project E-boilers (A)
Omschrijving E-boilers voor opslag van duurzame warmte
Effect voor 2030 150 MW boiler in Diemen, oplevering 2024. Vattenfall heeft ook plannen voor een E-boiler op de Hemweg
Elektrolysers (A)
Bij het elektrolyse proces komt warmte vrij dit
100 MW Elektrolyse-plant IJmuiden en waterstofproductie Hemweg Totale verwachte warmtelevering in 2030 380 GWh
Samen met de inventarisatie van warmtevraag uit interviews leidt dit tot de volgende vraag en aanbod naar en van warmte in de industrie.
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
41
Figuur 19: ontwikkeling vraag en aanbod warmte voor en van de industrie in het NZKG De temperatuur van de warmtenetten is meestal te laag om bruikbaar te zijn in de industrie. Hierdoor is vanuit de industrie, uitgezonderd een paar kleine partijen, de vraag naar proceswarmte en aansluiting op het warmtenet beperkt . Duidelijk is dat het overschot aan warmte een kans is om extra aanbieders op het warmtenet aan te sluiten en daarmee de ambitie van de RES Noord-Holland Zuid te faciliteren. Investeringen om de aansluiting te maken zijn nodig. Plannen en investeringen warmte Uitbreiding warmte hoofdinfrastructuur, waarbij verschillende warmtenetten gekoppeld worden is in onderzoek. Potentieel kunnen ook toekomstige geothermiebronnen worden aangesloten. Dit staat beschreven in paragraaf 4.6. Voor na 2030 kan worden onderzocht of een open “backbone” warmtehoofdinfrastructuur tussen IJmuiden en Amsterdam of Amsterdam en Zaandam gerealiseerd kan worden. Zo’n regionale warmtehoofdinfrastructuur fungeert als een katalysator voor de ontkoppeling van restwarmte en de ontwikkeling van lokale duurzame bronnen. De ontwikkeling van zo’n warmtehoofdinfrastructuur en de (lokale) warmtenetten vereist een publiek-private samenwerking waarbij de (lokale) overheid de regie op zich moet nemen. Tenslotte wordt financiering gezocht voor het warmtenet IJmond.
Een projectbeschrijvingen van dit project is bijgevoegd in de appendix.
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
42
4.5. Methaan Om minder afhankelijk te zijn van Gronings gas en door over te schakelen te naar fossiel-vrije brandstoffen wordt een grote daling van het gasverbruik verwacht . Project CO 2-reductie industrie en minder afhankelijkheid van Gronings gas
Omschrijving
Uitbedrijfname WKK
Verduurzamen gasgestookte
Impact voor 2030 ~ 50% reductie gasverbruik ten opzichte van 2020
elektriciteitscentrales
Industrie naar waterstof
Elektrificatie
Er wordt door de geïnterviewde bedrijven een grote afname van de vraag naar gas verwacht (van 20 TWh in 2020 naar ~11 TWh in 2030). Het tempo van de afname van het gasverbruik is sterk afhankelijk van de alternatieven die er komen. Voor een groot deel van de bovenstaande installaties kan de gebruiksduur verlengd worden. Nut, noodzaak en planning van investeringen in aardgasinfrastructuur: Er worden geen knelpunten in het methaan-net verwacht door de afnemende vraag naar methaan. Tussen 2020 en 2050 worden in het aardgasnet ontwikkelingen verwacht op het gebied van hergebruik van bestaande infrastructuur. De afname van vraag naar aardgas zorgt ervoor dat leidingcapaciteit beschikbaar komt en geschikt gemaakt kan worden voor waterstoftransport. Hoe minder (aard)gastransport nodig zal zijn, hoe meer leidingen beschikbaar gesteld kunnen worden voor het waterstofsysteem. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat de volume-afname in gastransport, afhankelijk van het vraagprofiel, niet parallel hoeft te lopen aan de capaciteitsafname. Een leiding uit het methaannetwerk kan pas worden ingezet voor waterstoftransport wanneer de capaciteitsafname dit toelaat. Afhankelijk van de daadwerkelijke ontwikkeling van vraag en aanbod van waterstof en (aard- of groen) gas, kan gekozen worden welke leidingen het meest geschikt zijn om bij te schakelen in het waterstofnetwerk.
Dit is maatwerk. Het kost naar verwachting minimaal 3 jaren voordat bestaande aardgasinfrastructuur geschikt gemaakt is voor het transport van waterstof.
4.6. CO2-reductie door de geplande energie-infrastructuur projecten De huidige CO2 -uitstoot van de industrie en energieproductie in het NZKG is 18,3 Mton. De uitstoot van de industrie is 6,9 Mton, waarvan 6,3 Mton van Tata Steel. De CO 2 uitstoot van de energiecentrales wordt veroorzaakt door de Vattenfall-centrales en het AEB. Als de uitstoot van de Velsencentrale meegerekend wordt bij Tata Steel, dan bedragen de emissies van Tata Steel ongeveer 12 MT. In interviews zijn de CO 2 -reductie ambities van de bedrijven geïnventariseerd. Opgeteld is het de ambitie de CO 2 -emissies met 45% (scenario hoog) tot 55% (scenario laag) te reduceren in 2030. Voorwaarde om deze ambities te kunnen realiseren is de aanwezigheid de juiste energie -infrastructuur, die de emissiereductieprojecten bij de bedrijven mogelijk maakt. CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
43
De energie-infrastructuur-projecten, zoals beschreven in dit rapport , faciliteren de volgende CO2 -reducties:
Energie-infrastructuur project Verzwaring elektriciteit (MIEK en NZKG)
CO2 reductie in 2030 Faciliteert 7,8 Mton CO2-reductie
Regional Integrated Backbone (MIEK)
CCS afvang en distributie (MIEK)
Afhankelijk van de toepassing van de waterstof 4-8 Mton CO2
Stoomnet (NZKG) H2avennet (NZKG) ZaannetH2 (NZKG) Warmtenet IJmond (NZKG)
140 kton p.m. 100 kton 45 kton
Opmerking Mits de toegenomen elektriciteitsvraag door groene stroom wordt ingevuld CO2-reductie van grijze waterstof is meegenomen bij CO2 afvang Het ‘basis’ scenario is 5,5 Mton CO2-afvang en opslag
Indicatie, afhankelijk van hoe duurzaam de warmte wordt opgewekt.
4.7. Synergie met andere trajecten TIKI Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie (TIKI) is opgezet om te onderzoeken waar de industrie infrastructurele belemmeringen ondervindt bij het nakomen van de afspraken in het Klimaatakkoord, en welke oplossingen daarvoor zijn. De taskforce heeft 4 oplossingsrichtingen gedefinieerd, waaronder de totstandkoming van een integrale energiehoofdinfrastructuur via afspraken tussen industrie, netwerkbedrijven en overheden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). Inzichten uit de CES van alle clusters vormt de basis voor de nationale besluitvorming over de energiehoofdinfrastructuur. RES Voor de onderbouwing van nut en noodzaak van benodigde infrastructuur voor het cluster NZKG, is het van belang verbreding te zoeken. In de RES wordt regionaal de infrastructuurbehoefte voor elektriciteit, gassen en warmte voor de gebouwde omgeving in beeld gebracht, alsmede de locatie van hernieuwbare energie -opwek in de regio en de daaraan gekoppelde infrastructuur. Het cluster NZKG valt geheel binnen de regio NoordHolland Zuid. In de RES’en is in kaart gebracht waar en hoeveel restwarmte van de industrie kan worden afgenomen. De infrastructuur-behoefte vanuit de CES-en moeten worden afgestemd met andere trajecten en de mee-koppelkansen met de RES Noord-Holland Zuid zijn geïnventariseerd.
Elektriciteit RES geeft groeiende elektriciteitsvraag aan, door groei van de regio en door verduurzaming. Aan de aanbodkant zal de duurzame lokale opwek ook groeien. Beide zorgen voor een druk op het elektriciteit-systeem. Ruimtelijk inpassing van de energieCES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
44
opwek is ook een aandachtspunt: er zijn mogelijkheden in het industriegebied, hoewel deze beperkt zijn. De vraagkant is een uitdaging en wordt behandeld de net impactanalyse in bijlage 4 van de RES. De verzwaring van het elektriciteitsnetwerk is een kandidaat MIEK-project en eerder in deze CES NZKG wordt de nut en noodzaak van dit project verder onderbouwd. Waterstof RES geeft aan dat waterstof in de gebouwde omgeving vanaf 2030 alleen een reële optie in die gevallen waarbij er geen alternatief is of waar huizen alleen tegen zeer hoge kosten van het aardgas af kunnen. Voorbeelden zijn historische binnensteden (Haarlem en Amsterdam) zonder warmtenetten of slecht bereikbare buitengebieden. RES geeft aan dat waterstof een belangrijk instrument kan worden op het gebied van bufferen van energie. Op momenten van veel aanbod van lokale energie -opwek, kan deze elektriciteit worden omgezet in waterstof. Op momenten van schaarste kan de centrale dan elektriciteit produceren vanuit deze waterstof. Aansluiting op een waterstofnet is hiervoor een voorwaarde. CO2 De RES gaat niet over CO2 , wel is mogelijk is toekomstige vraag naar door tuinders gekoppeld een vraag naar CO2 . Er zijn 2 nieuwe tuinbouwgebieden geïdentificeerd die via OCAP CO2 kunnen afnemen als er een open CO 2 -infrastructuur aangelegd is.
Restwarmte industrie Het aanbod van restwarmte van de industrie staat beschreven in hoofdstuk 4.4. Er is een overschot is aan duurzame warmte en dus een kans om extra aanbieders op het warmtenet aan te sluiten en daarmee de ambitie van de RES Noord-Holland Zuid te faciliteren. Investeringen om de aansluiting te maken zijn nodig. Geothermie De industrie is geïnteresseerd als afnemer van deze warmte om (gedeeltelijk) hun energievoorziening te verduurzamen. Additionele vraag van industrie kan mogelijk de business case van geothermiebronnen op een warmtenet versterken. Deze projecten zijn zeer lokaal en vereisen maatwerk. De relatie industrie en gebouwde omgeving is hier erg van belang. Werkelijke potentie van aardwarmte hangt af van resultaten proefboringen. Het is nog onzeker of deze warmte daadwerkelijk beschikbaar zal zijn, een geologisch programmais in uitvoering. Uit de RES blijkt dat er verschillende opsporingsvergunningen zijn verleend. Restwarmte uit datacenters De restwarmte die hier vrijkomt heeft veelal een lagere temperatuur en is daardoor geschikt voor lokaal gebruik. Potentie is in theorie groter dan in de praktijk. Het datacenter dat binnen het NZKG gebouwd wordt, zal warmte leveren aan het warmtenet van Westpoort warmte (WPW) en is meegenomen in deze CES. Overige datacenters in de regio worden meegenomen in Cluster 6.
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
45
4.8. Vraag aan het Rijk De CESsen en het MIEK zijn in het leven geroepen om meer zicht te verschaffen op wat aan Rijkszijde nodig is om tijdige beschikbaarheid van voldoende energie -infrastructuur te realiseren. In het NZKG identificeren we de volgende expliciete vragen aan het Rijk. Regulering van netbeheer van nieuwe energie-infrastructuren Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft Gasunie recent aangewezen als ontwikkelaar van waterstofinfrastructuur. Dit is een logisch besluit, gezien de ervaring die Gasunie heeft op het gebied van gastransport en het feit dat bestaande gasleidingen kunnen worden hergebruikt voor transport van waterstof. Voor de ontwikkeling van CO 2 infra is nog geen netbeheerder aangewezen en ligt de keuze voor een partij misschien ook minder voor de hand. CCUS wordt door het Rijk beschouwt als business-to-business dus wordt er tot nu toe voor gekozen om de ontwikkeling van dit systeem over te laten aan de markt. Vanuit de markt is echter behoefte aan meer regie door het Rijk. Financiering Van waterstof wordt verwacht dat het een belangrijke rol gaat spelen in de verduurzaming van de industrie (en andere sectoren). Ook het Rijk zet daar op in. Echter is de productie van (groene) waterstof op dit moment nog kostbaar, wat zorgt voor een hoge prijs.
Dit maakt dat bedrijven de business case van het overstappen op waterstof nu en op korte termijn niet sluitend kunnen maken. Ook is de productie capaciteit van (groene) waterstof nog te laag om alle industrie (en andere sectoren) te kunnen bedienen. Er is ondersteunende financiering nodig vanuit het Rijk om de waterstofmarkt op gang te helpen. Hetzelfde geld voor extra financiering om aanleg van CO 2 - en warmtenetten aan te leggen. Milieucontouren vastleggen in wetgeving De milieucontouren van CO2 en waterstof zijn nog niet wettelijk vastgelegd. Dit maakt ruimtelijke inpassing moeilijk. Het schept onzekerheid bij zowel projectontwikkelaars als bevoegde gezagen en de omgeving. Daarnaast vragen wij aandacht voor: meer mogelijkheden voor netbeheerders voor het uitvoeren van hun wettelijke taak. Denk hierbij aan wet - en regelgeving die de lokale afstemming van vraag en aanbod van energie stimuleert. Alsook voldoende financieringsruimte om te investeren in een toekomstbestendig energiesysteem. meer middelen/instrumenten om grootverbruikers te bewegen om zelf maatregelen te treffen om hun piekverbruik omlaag te brengen. Bijvoorbeeld door slim energiemanagement, tijdelijke opslag of het omlaag brengen van het energieverbruik tijdens piekuren (bijvoorbeeld door ’s nachts te laden).
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
46
5. Ruimtelijke inpassing, milieu en gezondheid, economie en welvaart 5.1. Ruimtelijke inpassing (procedure) Het MIRT wordt als uitgangspunt genomen voor het MIEK. De MIEK-procedure en MIRT systematiek volgen dezelfde stappen. Hierin wordt van breed naar specifiek getrechterd. Het overkoepelende doel waar het MIEK aan bijdraagt is het Klimaatakkoord. Het MIEK gaat over tijdige beschikbaarheid van energie-infrastructuur om de klimaatdoelen te kunnen behalen. Specifiek voor verduurzaming van de industrie, voeden de CESsen het MIEK. Opname in het MIEK betekent dat nut en noodzaak van het project niet meer ter discussie staat. Met verkenningen, plan- en FEED-studies, pilots, knelpuntanalyses en het aanreiken van oplossingen versnelt PIDI de MIEK-projecten, van tekentafel tot uitvoering. Binnen het MIEK leidt dit stapsgewijs tot helderheid en besluitvorming over nut en noodzaak, eigenaarschap, juridische vastlegging, financiering en de ruimtelijke inpassing. De CESsen zijn de eerste stap in dit proces. Het is het aanbod van de industrie; de industrie kan deze bijdrage leveren aan de klimaatdoelen en daar is deze energie infrastructuur voor nodig. De clusters dragen met de voorgestelde infrastructuurprojecten oplossingsrichtingen aan.
Figuur 20: MIEK-procedure De eerste stap in de MIEK-procedure is verkenning. In deze fase worden de oplossingsrichtingen in kaart gebracht en stellen cluster-partijen de voorkeursoplossing vast. Het is voor te stellen dat, net als bij het MIRT, er onderzoek verricht wordt op een hoger abstractieniveau (zoals een plan-MER) wanneer er zicht is op alternatieven/oplossingsrichtingen. Het MIEK kijkt naar nut en noodzaak, urgentie en nationaal belang. Welke projecten dragen het meest bij aan het overkoepelende doel? Onderdeel van de verkenning is de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt aangegeven of de voorgestelde infrastructuur projecten aansluiten bij bestaande ruimtelijke trajecten op het gebied van ruimtelijke effecten en inpassing, inpassing RCR procedure en milieueffecten en inpassing m.e.r.-procedure. In deze fase zal voor de MIEK projecten de m.e.r.-procedure gestart worden. De MER wordt opgesteld volgens de m.e.r. -systematiek
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
47
en inspraak omgeving op doel, milieu-, klimaat- en gezondheidseffecten en alternatieven. Ook het effect op natuur en landschap moet onderzocht worden. Er bestaat dus een trapsgewijze besluitvorming via plan-m.e.r. (strategische afwegingen op een hoger abstractieniveau) naar project -m.e.r. (concrete en gedetailleerdere invulling). Naar verwachting zal voor alle MIEK-projecten een MER(beoordeling) moeten worden opgesteld. Welk type hangt o.a. af van tracé lengte, spanningswaarde (kV) etc. De besluitvorming over ruimtelijke inpassing vindt vervolgens conform bestaande planologische procedures in de regio plaat s. Uitgangspunt is dat de MIEK-procedure trajecten versnelt, zonder afbreuk te doen aan draagvlak en belangen. Daarom worden de procedures voor ruimtelijke inpassing en het vergunningentraject integraal overgenomen binnen bestaande procedures. Voor de projecten Athos, RIB en 380 kV tracés is Rijk/provincie bevoegd gezag, voor de lokale infrastructuur en onderstations is provincie/gemeente bevoegd gezag. Relatie CES met andere ruimtelijke trajecten In de MRA wordt een Verstedelijkingsstrategie opgesteld.
Als onderdeel van de Verstedelijkingsstrategie heeft Generation Energy in het rapport Ruimte voor het energiesysteem (augustus 2021) geïnventariseerd hoeveel ruimte (waar en wanneer) in de Metropoolregio Amsterdam gereserveerd moet worden voor het toekomst ige energiesysteem en wat daarvan de effecten zijn. Hierin komen een aantal no -regret projecten naar voren. Deze komen overeen met constateringen in de CES NZKG: - transport van CO2 (Athos) - versterken van het elektriciteitsnet, - inzetten waterstof om energiesysteem te ontlasten en balanceren (zowel elektrolysers die elektriciteit omzetten in waterstof als elektriciteitscentrales die waterstof omzetten in elektriciteit), - ruimte reserveren in NZKG voor aanlanding, import opslag en conversie van energie, - uitbreiden van warmtenet. Daarnaast zijn er binnen de Verstedelijkingsstrategie een aantal ruimtelijke perspectieven opgesteld voor het NZKG. Hier is de CES als input meegenomen. Deze zullen verder uitgewerkt worden tot een advies met welke onderdelen in het Verstedelijkingsconcept MRA kunnen worden opgenomen en welke onderwerpen nadere uitwerking krijgen in het NOVI-gebied NZKG. Ook tussen dit traject en de CES NZKG vindt nauwe afstemming plaats.
5.2. Milieu en gezondheid Met betrekking tot milieu- en gezondheidsaspecten is een eerste inventarisatie gedaan naar impact van de energie-transitieprojecten op NOx-emissies, fijnstofemissies en op geluid. Voor omgevingsveiligheid is het van belang nader onderzoek te doen om de effecten in beeld te brengen. De gegevens zijn nu nog beperkt beschikbaar. NOx en fijnstof In 2017 stootte Nederland ongeveer 242 miljoen kg NOx uit. NOx worden met name uitgestoten bij verbrandingsprocessen. De grootste bronnen zijn gerelateerd aan wegverkeer (31%), industrie (20%), landbouw (21%) en binnenvaart (11%). De NOx uitstoot van de industrie in het NZKG gebied is ongeveer 9 miljoen kg NOx. Door de CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
48
energie-transitie, met name door het uit bedrijf nemen van centrales, zullen de NOx emissies in het NZKG gebied naar verwachting ongeveer met 35% afnemen in 2030 tot 6 miljoen kg NOx. De fijnstof emissies van de industrie in het NZKG zijn ongeveer 900 duizend kilo en zullen naar verwachting ook met ongeveer 35% afnemen. Voor geluid en omgevingsveiligheid is het van belang om nader onderzoek te doen om de benodigde milieuruimte en fysieke ruimte in beeld te brengen en om een uitspraak te doen over gezondheid. Impact op natuur Stikstofdepositie is een groot probleem voor natuurbeheer aangezien deze bodemverzuring en vermesting tot gevolg heeft 1 3 . Stikstofoxiden en ammoniak hebben een negatief effect op luchtkwaliteit, zowel direct als doordat ze bijdragen aan de vorming van fijnstof en ozon (smog). Luchtverontreiniging levert een belangrijke bijdrage aan ziekte en sterfte. Alleen al blootstelling aan fijnstof is verantwoordelijk voor zo’n 4% van de ziektelast in Nederland. Na roken (13%) behoort luchtverontreiniging daarmee tot één van de belangrijkste risicofactoren, in dezelfde orde van grootte als o vergewicht (5%) en weinig lichamelijke activiteit (3-4%). NO2 zorgt vooral in steden en nabij wegen voor een vermindering van luchtkwaliteit, terwijl fijnstof op landelijk niveau voor een verslechtering van de luchtkwaliteit zorgt.
Naast de invloed op luchtkwaliteit spelen stikstofverbindingen een belangrijke rol in thema’s als waterkwaliteit, drinkwaterkwaliteit (nitraten) en broeikasgasemissies (lachgas). Als milieuprijs voor stikstof en fijnstof respectievelijk worden 34700 €/ton en 44600 €/ton gehanteerd1 4 , waarbij de gezondheidseffecten in de maatschappelijke kosten zijn meegenomen. Dat betekent dat de maatschappelijke baten van de gereduceerde stikstof en fijnstof emissies in 2030 van de industrie in het NZKG in de ordegrootte van 100 miljoen euro per jaar voor stikstof en 10 miljoen euro per jaar voor fijnstof kunnen worden gewaardeerd. Daarnaast kan de vrijgekomen stikstofruimte mogelijk gebruikt worden voor de woningbouwopgave in de Randstad of ten bate van de leefomgeving. Geluid De geluidscontouren van de elektriciteitsinfrastructuur projecten zijn 300 dan wel 500 meter. Alle projecten bevinden zich in een gebied met relatief veel reeds aanwezig geluid (meer dan 60 dB). Voor geluid geldt dat extra geluid relatief minder impact heeft op het totaal wanneer reeds ander omgevingsgeluid aanwezig is. Wel kan een toename van geluid een knelpunt zijn in een gebied waar de geluidsruimte aan zijn grenzen zit. Om te bepalen of er voldoende geluidsruimte aanwezig is binnen de geluidszones is nader onderzoek nodig.
Mogelijk zijn er extra kosten gemoeid met mitigerende maatregelen, of zijn ruimtelijke aanpassingen nodig dan wel andere maatregelen. Ook kan een toename van geluid door de omgeving als problematisch worden ervaren.
13 TNO factsheet-2019-emissies 14 https://www.rwseconomie.nl/kengetallen/documenten/publicaties/2017/december/18/handboek -
mileuprijzen-2017 CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
49
5.3. Economie en welvaart De in deze Cluster Energie Strategie voorgestelde maatregelen zijn nodig voor de industrie om de energietransitie te kunnen maken en hun ‘license-to-operate’ te behouden. In het kader van de Just Transition Fund (JTF) - fonds t.b.v. Green Deal - bedoeld om regio’s te helpen, is een analyse gemaakt van het economische belang van de industrie in specifiek de IJmond. Daaruit komen de volgende kengetallen:
Directe werkgelegenheid van de industrie in de IJmond: o Totale industrie en andere energie-intensieve sectoren ca. 11.500 banen. o Hiervan ca. 9.000 banen Tata Steel Indirecte werkgelegenheid Tata Steel: o Schattingen lopen uiteen, ca. 30.000 à 35.000 banen (multiplier 3 à 4) o Denk aan toeleveranciers (grondstoffen, producten), diensten (catering, transport, engineering, onderhoud, advies, etc.)
Daarnaast is de (staal)industrie van groot belang voor verdienvermogen (aandeel in BRP is ca. 15%) en strategische positionering van de IJmondiale economie. Op de bedrijventerreinen in het totale Noordzeekanaalgebied werken ruim 78.000 mensen, waarvan 25.000 in de maakindustrie. Voor behoud van deze werkgelegenheid is de energietransitie een vereiste. Naast het behoud van banen bieden de in deze Cluster Strategie voorgestelde energieinfrastruc tuur projecten een nieuw perspectief voor zowel de bestaande energiesector als voor andere sectoren in de maakindustrie, die relevante (toe)leveranciers zijn voor specifieke systemen, componenten en onderdelen nodig voor de energie-infrastructuur. In Noord-Holland is met de uitvoering van de investeringsagenda voor de energietransitie jaarlijks tot maximaal nieuwe netto 4 duizend fte gemoeid1 5 . De invloed van de investeringen in energietransitie en duurzaamheid leveren daarmee een bijdrage aan het behoud of creatie van nieuwe van werkgelegenheid. In Noord-Holland is met de uitvoering van deze investeringsagenda jaarlijks tot maximaal 16 duizend fte gemoeid. Dit betreft het arbeidsvolume dat nodig is om alle plannen uit te voeren (bruto werkgelegenheid).
Dit werk wordt deels uitgevoerd door (1) werknemers in bestaande banen in de energietransitie, (2) werknemers die elders werkten maar nu werk gaan uitvoeren dat voortvloeit uit de investeringen en (3) personen die tot dusver inactief waren. Banen die worden ingevuld door werklozen vormen de netto bijdrage aan de werkgelegenheid. De bijdrage aan de netto werkgelegenheid kan op jaarbasis zo’n 4 duizend fte betreffen, maar dit effect is sterk afhankelijk van de omvang van de werkloosheid. Bij een hoog werkloosheidspercentage ontstaan meer nieuwe banen dan in een krappe arbeidsmarkt (bron: studie SEO arbeidsmarkteffecten energietransitie)
Tenslotte is het NZKG, een dynamische omgeving met een internationale oriëntatie. Het gebied kan een versnellingskamer voor een duurzame toekomst zijn, gezien de aanwezige energie-intensieve industrie, het hoogwaardige energie- en brandstoffenknooppunt in de Amsterdamse haven en het internationale luchtvaartknooppunt bij Schiphol.
15 SEO Amsterdam Economics (2020): Duurzaamheid en energietransitie in Noord-Holland en Flevoland:
Gevolgen voor de arbeidsmarkt CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
50
6. Investeringsagenda De investeringen, fasering en tijdslijn1 6 van de infrastructuurprojecten zijn schematisch weergeven in onderstaande tabel en figuur op de volgende pagina (nader uit te werken per deelproject). Project 1. Elektriciteit verzwaring (MIEK) 2. RIB (en H2 backbone)
Investeringsbesluit Eind 2021
Operationeel In stappen, continu proces
Investering €M 500-750
Eind 2022
2026
3. Athos CCS 4. Stoomnet 5. ZaannetH2
Eind 2023 Q3 2021 Onbekend, o.a. afhankelijk van regulatie. Nog niet bekend
2027 Eind 2023 Na realisatie RIB NZKG Eind 2025
Nog niet bekend, moet samen gezien worden met landelijke H2 backbone 800-1200 15-27 Onbekend
Instappen
In stappen; zie appendix Eind 2025
6. H2avennet 6. Verzwaring Liander 7. IJmond warmte
2022/2023
~5 (eerste fase) Onbekend 200
De elektriciteit verzwaring is geen volgtijdelijk project met discrete mijlpalen maar een continue investeringsproces. De beschreven verzwaringen vergen een investering van 500-750 €M en worden uiterlijk 2029-2030 voltooid. Het investeringsbesluit voor de RIB (en H2 backbone) moet eind 2022 worden genomen om de benodigde waterstof infrastructuur vanaf 2026 operationeel te hebben. De vereiste investering voor de RIB moet samen worden gezien met de landelijke waterstof backbone en is nog niet bekend Het investeringsbesluit voor Athos CCS moet eind 2023 worden genomen om de CO 2 infrastructuur vanaf 2027 operationeel te hebben. De benodigde investering voor CCS in het NZKG bedraagt tussen de 800-1200 €M. Het investeringsbesluit voor het stoomnet moet in Q3 2021 worden genomen om de stoomnet infrastructuur vanaf 2024 operationeel te hebben. De benodigde investering hiervoor bedraagt tussen de 15-27 €M. Voor het ZaannetH2 is er nog geen zicht op wanneer een investeringsbesluit wordt genomen. In de huidige situatie zonder gereguleerde tarieven wordt dit een reguliere lokale investering, versus wanneer we in een situatie van gereguleerde (deels gesocialiseerde) tarieven zouden komen. In de tijd volgt het ZaannetH2 de RIB NZKG op.
16 Zie definitie projectstappen Appendix A
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
51
Voor het H2avennet is ook nog geen zicht op een investeringsbesluit, al hebben die partijen wel de ambitie uitgesproken om eind 2025 operationeel te zijn. De investeringen voor de eerste fase van de aanleg worden geschat op circa €5 miljoen. Het investeringsbesluit voor warmtenet IJmond is gepland in het najaar van 2022, realisatie eind 2023. De investeringskosten worden geschat op 200 miljoen euro.
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
52
Figuur 22: Investeringsagenda
53
7. Uitvoeringsprogramma Energietransitie NZKG en vervolgstappen In het NZKG is besloten om de CES op te stellen en in te dienen vanuit het Bestuursplatform Energietransitie 1 7 . Dit Bestuursplatform best aat uit de industrie (Port of Amsterdam, Tata Steel, Vattenfall, ORAM, Zaanstad Maakstad), netbeheerders (TenneT, Alliander, Gasunie) en overheden (Gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer, Velsen, Beverwijk, Heemskerk, Zaanstad, provincie Noord Holland, minist eries EZK en BZK). Ook het uitvoeringsprogramma energietransitie NZKG zal onder aansturing van het Bestuursplatform Energietransitie functioneren. In het Bestuursplatform Energietransitie van 9 september wordt akkoord gevraagd voor het indienen van de CES 1.0 met een drietal kandidaat MIEK-projecten (verzwaring elektriciteitsnet, regionale waterstofnet en Athos). Het PIDI heeft projecten van nationaal belang die urgent zijn en daarom in aanmerking komen voor versnelde uitvoering via het MIEK voorlopig geselecteerd op basis van de addenda die 1 juli zijn ingediend. Hoe krachtiger de onderbouwing in de CES -en en hoe beter de ketenpartijen vooraf hun inbreng leveren, hoe sneller de stappen van de MIEKprocedure kunnen worden doorlopen. In de eerste fase komen de volgende projecten elektriciteitsverzwaring, de regionale waterstof backbone (RIB) en Athos voorlopig in aanmerking voor ondersteuning vanuit het MIEK.
Deze worden in samenwerking met het PIDI verder uitgewerkt in startnotities. Deze startnotities worden op 15 september ingediend bij het MIEK voor definitieve selectie in het BO MIEK van 15 november.
Figuur 23: proces van CES tot MIEK en MIEK-procedure De besluitvorming over ruimtelijke inpassing vindt vervolgens conform bestaande planologische procedures in de regio plaats (zie hoofdstuk 5) en voor de definitieve inpassing van de projecten zal het daarvoor bevoegde gezag een reguliere planologische procedure doorlopen. Ook zullen nog de gebruikelijke afwegingen gemaakt worden voor het afwegen van belangen, het in kaart brengen van alternatieven en het creëren van draagvlak. Het is van belang dat de CES-en in goede verbinding staan met de ambities en plannen van de deelnemers van het BPF NZKG als ook de andere regionale processen rond de
17 Verslag Bestuursplatform Energietransitie 7 september 2020
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
54
klimaatopgave, in het bijzonder de RES, en met andere regionale ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, in het bijzonder verstedelijkingsstrategie MRA en het NOVI gebied NZKG om een goede synergie te borgen. Om maximale afstemming en draagvlak te creëren voor de CES is besloten om CES aan te bieden aan de Colleges, Staten en Raden en de omgeving te informeren. Na het informeren over de CES 1.0 en wat dat mogelijk betekent voor concrete energie infrastructuurprojecten in de regio zal o.l.v. het bevoegd gezag met de afzonderlijke projecten een besluitvormings- en participatieproces volgen. Vergeleken met de andere clusters is het Noordzeekanaalgebied een ‘vol’ gebied, waarbij het belangrijk is in een vroeg stadium de opgave integraal te benaderen en draagvlak te creëren. Een gedragen CES draagt bij in de tijdige uitvoering van de noodzakelijke investeringen in infrastruct uur voor energie en grondgrondstoffen en duurzame industrie.
Figuur 24: Governance programma energietransitie NZKG
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
55
Vervolgstappen De realisatie van de regionale ambities die de basis vormen voor de Cluster Energie Strategie, zal uitgevoerd worden in het uitvoeringsprogramma energietransitie NZKG. De investeringsagenda’s en programmering van de verschillende modaliteiten worden op de versnellingstafels van het uitvoeringsprogramma verder uitgewerkt (zie figuur 24). Hierbij zal oog zijn voor de meest actuele ontwikkelingen. De haalbaarheidsstudie van Tata Steel en FNV kan invloed hebben op de omvang van de projecten. Afhankelijk van de resultaten zullen die meegenomen worden in het uitvoeringsprogramma. Onderdelen van de aanpak van het uitvoeringsprogramma zijn daarnaast ontwikkelen van een data safehouse, het opstellen van een gezamenlijke propositie, branding en communicatie, lobbystrategie, kennisontwikkeling en monitoring. Deze resultaten zullen periodiek aan het Bestuursplatform Energietransitie NZKG worden voorgelegd.
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
56
Appendix A: toelichting project timeline en fasering - generiek
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
57
ADDENDA Addenda Verzwaring elektriciteit (MIEK) Regional Integrated Backbone (MIEK) CCS afvang en distributie (MIEK) Verzwaring net Liander (NZKG) Stoomnet (NZKG) H2avennet (NZKG) ZaannetH2 (NZKG) Warmtenet IJmond (NZKG)
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
58
Addendum elektriciteit Categorie
Vraag
Omschrijving
Wat
Projectomschrijving
De uitvoering van de investeringsplannen van de netbeheerders met daarin de volgende verzwaringen van het elektriciteitsnetwerk: Deelproject 1. Nieuw 380/150kV-station (Beverwijk-Vijfhuizen) 2. Nieuwe 150kV stations (twee stuks) in het Westelijk havengebied (incl. 150kVverbindingen) 3. Vervanging en uitbreiding huidig 150kV-station Hemweg 4. Uitbreiden 380kV-station Oostzaan met een vierde 380/150kV-transformator (incl. verzwaren 150kVverbinding Hemweg – Oostzaan) 5. Nieuw 150 kV landstation voor aansluiting Wind op Zee in Velsen 6. Netuitbreiding (380kV) kop van Noord-Holland
7. Nieuw 150kV-station Oostzaan 8. Nieuw 150kV-station Beverwijk (incl. nieuwe 150kV-kabelverbinding Beverwijk – Oterleek en nieuwe 380/150kVtransformator in Beverwijk.
Bijzonderheden Zoekgebied tussen Beverwijk (ten zuiden van het Noordzeekanaal) en Vijfhuizen Zoekgebied omgeving Ruigoord en omgeving Basisweg
Zoekgebied Hemweg
Zoekgebied huidige Velsercentrale vanuit VAWOZ Nieuw 380kV-station op een nader te bepalen locatie tussen Beverwijk en Diemen, nieuw 380/150kV-station nabij Middenmeer en een nieuwe 380kV-verbinding (dubbelcircuit) Zoekgebied direct naast het bestaande 380kV-station Oostzaan Zoekgebied nabij het bestaande 380kV-station Beverwijk.
De aanlanding 1 x 0,7 GW extra hernieuwbare elektriciteit in het kader van VAWOZ vanaf windparken op de Noordzee na 2030 wordt onderzocht. Voor bovenstaande verzwaring is het uitgangspunt 1 x 0,7GW extra offshore wind in NZKG na 2030. Bovenstaande deelprojecten geven een goed eerste inzicht in de benodigde verzwaringen, maar moeten nogmaals vanuit systeemperspectief doorgerekend worden. Vanwege het verwachtte systeembelang is opname in het MIEK en als ‘no-regret maatregelen’ voor de Taskforce Elektriciteit wenselijk om eventuele belemmeringen en knelpunten bij de realisatie tijdig weg te nemen Bij het definiëren van bovenstaande projecten voor elektriciteit is niet alleen rekening gehouden met de vraag van bedrijven in het NZKG maar is ook rekening gehouden met de RES NHZ. De opgave voor elektriciteit kan oo k niet geheel los worden gezien van verstedelijkingsopgaven zoals genoemd in de Verstedelijkingsstrategie Metropoolregio Amsterdam. Dit heeft ermee te maken dat het NZKG nu maar ook richting 2030 een meer dienende functie heeft richting de gebouwde omgeving. Waar nu nog elektriciteit CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
59
Categorie
Vraag
Omschrijving wordt opgewekt in het gebied zal dat steeds meer van buitenaf moeten worden aangevoerd omdat de Metropoolregio Amsterdam niet in haar eigen energiebehoefte kan voorzien. De projecten zijn gebaseerd op de huidige inzichten waar bij er ook nog veel in beweging is. Extra opgave van Wind op Zee, ontwikkelingen bij Tata en vanuit de verstedelijkingsopgave (wat, waar en wanneer) kunnen op korte termijn nog voor de nodige wijzigingen zorgen. Dit heeft ook te maken met huidige systeem e n de druk om noodzakelijke ruimte te vinden. Een aantal van de bovenstaande deelprojecten (project 3, 6, 7 en 8) zijn al opgenomen in bestaande Investeringsplannen (IP’s) of goedgekeurd en zijn dus niet nieuw. Deze deelprojecten hebben dus niet noodzakelijk MIEKondersteuning nodig. Voor het overzicht en om de samenhang van de deelprojecten in de regio te verduidelijken zijn ze wel opgenomen in bovenstaande lijst. Bovenstaande projecten staan niet ter discussie het kan alleen nog maar meer worden.
Waar
Locatie
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
Zie kaartje
60
Categorie
Vraag
Omschrijving
Wie
Projectpartners en cluster
Tennet en Liander zijn verantwoordelijk voor elektriciteit infrastructuur. De Overheid (o.a. provincie) ondersteunt de verzwaring van het elektriciteitsnet door middel van de Taskforce Elektriciteit. Om daadwerkelijk tot uitvoering te komen is gebleken dat het belangrijk is om belemmeringen in het planproces weg te nemen en zo te voorkomen dat projecten vertragen. Belemmeringen ontstaan vaak doordat meerdere trajecten en/of opgaven bij elkaar komen en nadere afstemming nodig is. De Taskforce is een gezamenlijk initiatief van de Tennet, Liander en PNH. Opdrachtgever zijn de bestuurders van betreffende organisaties, zij komen 1-2 keer per jaar bij elkaar. De Taskforce werkt aan een integrale programmering. PNH heeft de regie en coördinatie. Omdat de energieinfrastructuur zich niet houdt aan bestuurlijke en geografische grenzen voert PNH op verzoek van de netbeheerders de regie en coördinatie. De toegevoegde waarde van de overheid (o.a. provincie) wordt gezien in: • Ruimtelijke reserveringen; meer duidelijkheid over waar wel/niet energie infrastructuur kan komen, zowel bovengronds als ondergronds. En het inbedden van voldoende ruimte voor nutsinfrastructuur in ruimtelijke plannen. • Overzicht van beleidsprojecten die impact hebben op de netinfrastructuur: beleid op natuur/landschap/cultuurhistorie en dergelijke kan energieinfrastructuur beïnvloeden.
• Waar lokale overheden er niet uitkomen, door bemiddeling en/of het inzetten van juridisch planologische ins trumenten. • Het ontwerpen van een hybride energiesysteem: er is regie en coördinatie nodig op het verkrijgen van juiste energiemix, het koppelen van energiedragers en het maken van een integrale afweging van opgaven. • Meer eenduidigheid creëren in het aa nkoopbeleid voor grond ten behoeve van energie-infrastructuur tussen publieke organisaties. • Onderzoek naar verbetering regelgeving kabels & leidingen. • Innovatieve oplossingen die nu niet binnen bereik van net beheerders liggen zijn nodig om urgente kne lpunten op te lossen. Dit ten gunste van het internationaal vestigingsklimaat (anders gaan bedrijven naar elders) • Via Taskforce worden de krachten van partijen gebundeld, kunnen kennislacunes eerder in beeld worden gebracht en eerder gericht actie worden ondernomen
Urgentie
Investeringsbesluit
De projecten 1, 2, 4 en 6 bevinden zich momenteel in de studiefase (nog geen goedgekeurd investeringsvoorstel/voorkeursalternatief). De projecten 3, 7 en 8 bevinden zich momenteel in de basisontwerpfase (het investeringsvoorstel/voorkeursalternatief is goedgekeurd en voor het voorkeursalternatief wordt nu een basisontwerp opgesteld. Project 5 bevindt zicht momenteel in de realisatiefase goedgekeurd investeringsbesluit: realisatie/bouw is reeds gestart. De betreffende (deel)projecten worden opgenomen in de investeringsplannen van de netbeheerders. Infrastructuur loopt nu al vast door toenemende vraag uit de industrie en er komt vanaf 2023 tot 2026 ook 2,1 GW WoZ bij. Tenslotte wordt de Velsen centrale (1 GW) naar verwachting rond 2030 uit bedrijf genomen, waardoor er meer stroom het gebied in geïmporteerd moet worden.
Operationeel/
CES 1.0 NZKG, AUGUSTUS 2021
Het is de bedoeling dat de projecten in 2030 in gebruik genomen worden. Dit is een belangrijke voorwaarde om de klimaatdoelen te halen omdat