Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d - De Scheg Oost
Tekst van het document
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
46
6.5 Natuur Regelgeving Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, waarmee de Wet natuurbescherming (Wnb) is vervangen. De wetgeving ziet toe op de bescherming van soorten en leefgebieden. De regelgeving is verder uitgewerkt in het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De wet en regelgeving is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Omgevingswet beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De Ow en het Bkl kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper, maar ook algemene soorten. Als (bij planuitvoering of werkzaamheden) overtreding van een wettelijke verbodsbepaling dreigt, dan is een omgevingsvergunning benodigd. Voor (een groot aantal) algemene soorten is een vrijstelling voor omgevingsvergunning vastgesteld.
Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gebiedsbescherming In de Omgevingswet zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien (de uitvoering van) het omgevingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft, dan dient een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000gebied is gelegen, indien het een Natura 2000activiteit betreft die niet van nationaal belang is. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan is een omgevingsplanwijziging of omgevingsvergunning enkel mogelijk indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADCcriteria.
Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen. Soortenbescherming De Omgevingswet beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Omgevingswet en het Bkl bevatten verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings of vaste rust en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Indien een soort dreigt te worden verstoord (en nadat onderzoek is verricht), dan dient voor de planuitvoering of werkzaamheden een omgevingsvergunning flora en/of faunaactiviteit op grond van de Omgevingswet te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteiten/werkzaamheden plaatsvinden, indien het een flora en faunaactiviteit betreft die niet van nationaal belang is.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
47
Voor algemene soorten geldt, bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud, onder andere op grond van de Omgevingsverordening provincie NoordHolland, vrijstelling van de verbodsbepalingen/vergunningsplicht van de Omgevingswet.
Situatie en beoordeling plan(gebied) Gebiedsbescherming / Natuurgebied Het onderhavige plangebied ligt niet in een natuurgebied of een weidevogelleefgebied. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied De Scheg Oost ligt niet in of direct nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNNgebied ligt op circa 500 meter afstand, ten noordoosten van het plangebied. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN verloren. Gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing kunnen negatieve effecten op het NNN door het plan worden uitgesloten. Natura 2000-gebied (algemeen) Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied "Botshol" ligt op circa 5,3 kilometer afstand van het plangebied. Onder andere dit Natura 2000gebied kent stikstofgevoelig habitat. De externe effecten op de Natura 2000gebieden dienen getoetst te worden. Voor de mogelijke effectfactoren geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen geldt dat gezien de aard van het plan en de werkzaamheden, de afstand en de tussenliggende elementen geen effecten op de Natura 2000gebieden te verwachten zijn. Ten aanzien van de uitstoot van stikstof kan zonder berekening niet worden uitgesloten dat er geen effect, ofwel stikstofdepositie(toename), op een Natura 2000gebied is. Derhalve is er een berekening van de (mogelijke) stikstofdepositie(toename) op Natura 2000gebieden gemaakt.
Stikstofdepositie In verband met de ontwikkelingen (nieuwe functies) en werkzaamheden in het kader van het plan De Scheg Oost is een stikstofdepositieonderzoek verricht door het bureau Antea Group. Het rapport van het stikstofdepositieonderzoek is als bijlage bij dit TAMomgevingsplan toegevoegd. In het stikstofdepositieonderzoek is de mogelijke stikstofdepositie(toename) op stikstofgevoelige habitats van Natura 2000gebieden berekend. Bij het stikstofdepositieonderzoek zijn berekeningen uitgevoerd voor de toekomstige situatie ofwel de gebruiksfase en voor de tijdelijke situatie van de bouw ofwel de realisatiefase, en voor een combinatie van de realisatiefase en gebruiksfase. Er is geen sprake van salderen. In het onderzoeksrapport staan de uitgangspunten en resultaten van het stikstofdepositieonderzoek beschreven. Indien negatieve effecten vanwege werkzaamheden en toekomstig gebruik (in verband met een plan of project) op een Natura 2000gebied op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, dan is voor het planologisch besluit een milieueffectrapportage (mer) noodzakelijk en is voor de bouw en het uitvoeren van werkzaamheden een omgevingsvergunning Natura 2000activiteit noodzakelijk. Er is geen sprake van een merplicht of een vergunningsplicht bij een stikstofdepositiebijdrage (vanwege de activiteit) van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar op een Natura 2000gebied.
Gebruiksfase Voor de gebruiksfase van de planontwikkeling De Scheg Oost is geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden berekend, op basis van de gehanteerde uitgangspunten met de ontwikkeling/ingebruikname van 152 woningen en de daarbij behorende verkeersgeneratie. Realisatiefase Voor de realisatiefase van de planontwikkeling De Scheg Oost is geen toename van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden berekend, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Met een bouwfasering, waarbij onder meer het bouwrijp maken in een eerdere fase heeft plaatsgevonden, zijn er geen stikstofdepositieeffecten op Natura 2000gebieden, als gevolg van de realisatiefase van het plan, te verwachten.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
48
Combinatie/Cumulatie Voor de situatie waarin de gebruiksfase is begonnen en de bouw/realisatiefase nog plaatsvindt, namelijk te verwachten in het jaar 2026, is geen toename van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden berekend, op basis van de gehanteerde uitgangspunten met een gefaseerde ingebruikname van 152 woningen en gedeeltelijke verkeersgeneratie. Conclusie Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan De Scheg Oost. Natuurgebieden zijn geen belemmering voor het onderhavige plan. Soortenbescherming / Flora & Fauna Voor het plangebied De Scheg Oost is in 2022 een ecologische quickscan verricht door het bureau Eco Assist. Bij dit onderzoek is in 2024 een nieuw rapport opgesteld. In 2025 is een nieuwe ecologische quickscan verricht door het bureau Eco Assist, met daarbij een in 2026 opgesteld/aangepast rapport. De twee onderzoeksrapporten zijn als bijlagen bij dit TAMomgevingsplan toegevoegd. De conclusies van de resultaten van de twee ecologische quickscans, met betrekking tot soortenbescherming, zijn hierna gegeven. Vogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 1 t/m 4 te verwachten.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5, zoals ekster, koolmees en pimpelmees worden ook geen nesten verwacht en zijn er voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de wet en regelgeving. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van maart tot en met augustus. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden eventueel snoeiafval en de te verwijderen vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken.
Het is voor de voorgenomen werkzaamheden niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland zijn gekomen. Vleermuizen Binnen het plangebied wordt/werd mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied is op basis van het ontbreken van opgaande begroeiing en oppervlaktewater en overige voor insecten aantrekkelijke beplanting redelijkerwijs uit te sluiten. Daarnaast is alternatief foerageergebied in de directe omgeving aanwezig. Verblijfplaatsen in bomen en gebouwen of vaste vliegroutes zijn binnen het plangebied uitgesloten. Het plan leidt dan ook niet tot overtreding van de wet en regelgeving met betrekking tot vleermuizen. Overige soorten Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De werkzaamheden leiden dan ook niet tot overtreding van de wet en regelgeving voor deze soorten. De aanwezigheid van beschermde amfibieën in het plangebied is redelijkerwijs uitgesloten. Wel is het van belang kolonisatie van het plangebied door rugstreeppadden tijdens de bouwfase te voorkomen. Het is te overwegen maatregelen te treffen om het risico op kolonisatie van het plangebied door rugstreeppadden te voorkomen.
Daarmee wordt het risico op knelpunten met deze beschermde dieren tijdens de uitvoering welke leiden tot vertragingen sterk beperkt.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
49
Conclusie De flora & fauna vormen geen belemmering voor het plan De Scheg Oost. Ten aanzien van algemene soorten kan bij de planuitvoering worden volstaan met (algemene maatregelen in het kader van) de zorgplicht. Ten aanzien van vogels dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Ten aanzien van de rugstreeppad dient kolonisatie te worden voorkomen om de werkzaamheden te kunnen (blijven) verrichten. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het plan De Scheg Oost.
6.6 Archeologie en Cultureel Erfgoed Regelgeving en Beleid De Erfgoedwet vormt (momenteel) het wettelijke fundament voor het materieel cultureel erfgoed en de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie vallen nu onder de Erfgoedwet en worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Onderdeel van archeologische regelgeving is de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van een omgevingsplan of bij een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een planwijziging of besluit omgevingsvergunning moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het omgevingsplan of de omgevingsvergunning kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening.
Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. De kern van de Erfgoedwet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van 'de verstoorder betaalt', dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en de uitvoerder van bouwwerkzaamheden of van aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de Erfgoedwet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het Rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet).
Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld. Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart geactualiseerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als 'AMKterrein' (Archeologische Monumentenkaart) of als 'historische kern'. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
50
locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar 'historische bebouwing' heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noordwesten van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getijinversieruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorder Legmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart.
Situatie en beoordeling plan(gebied) In het plangebied De Scheg Oost bevindt zich geen zichtbaar cultureel erfgoed. Daarmee beperkt de beoordeling van de planontwikkeling zich tot archeologie. Voor De Scheg Oost zijn door het bureau Antea Group twee archeologische onderzoeken verricht, namelijk voor De Scheg Oost als geheel een archeologisch vooronderzoek en voor een deelgebied een proefsleuvenonderzoek. De onderzoeksrapporten zijn opgenomen als bijlagen bij dit TAMomgevingsplan. Hierna volgen de conclusies uit de rapporten van de archeologisch onderzoeken. Vooronderzoek (Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen) Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? De basis van het profiel bestaat uit getijdeafzettingen die in boringen 23 en 37 en 17 het hoogst opgeslibd (tot circa 5,5 m NAP) zijn en daar worden geïnterpreteerd als een oeverwal. Deze afzetting is mogelijk ook aanwezig in boringen 04, 05 en 06 maar daar is (ten minste) de bovenzijde van het pakket niet intact. Waar intact bevindt zich bovenop deze oeverwal, aan de onderzijde van de jongere overstromingspakketten, een zeer dunne laklaag (alleen in boring 37 zeer duidelijk aanwezig).
De interpretatie als oeverwal wordt ondersteund door een veelal slappe kleiafzetting aan de westzijde hiervan die mogelijk de vulling is in de randzone van een brede, ondiepe erosiegeul (met een restgeulachtige afzetting). Aan de oostkant bevindt zich een (in de ondergrond) vrij vlak gebied met een standaard opbouw van getijdeafzettingen tot circa 6 m NAP, overstromingsafzettingen tot circa 5,5 m NAP en een meermolmlaag (omgewerkt tot ploegvoor) tot het maaiveld op circa 5 m NAP. Plaatselijk, maar vooral langs de westelijke rand van het terrein alsook langs de uiterste noordzijde, ligt het actuele maaiveld hoger gelegen en in het profiel gaat dit gepaard met een zandige kleilaag die bovenop het overstromingspakket ligt. Mede door de stratigrafische ligging op de overstromingsklei, alsook door de humeuze brokken in het pakket, wordt deze laag als ‘opgebracht’ geïnterpreteerd. De zandige klei is vermoedelijk opgebracht bij het uitgraven van de Amstelveense Tocht en/of de perceelsloten.
Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? De zwak gevormde laklaag in boringen 37 en in iets mindere mate ook de vegetatievlekken in boring 23 (beide op circa 0,7 mmv), op een pakket gelegen dat lithogenetisch als oeverwal kan worden aangeduid, markeren het loopvlak in de fase van de sluiting van kustbarrière. In boring 17 zijn wel mogelijke resten van de oeverwal aanwezig, maar geen vegetatievlakken of laklaag. De laklaag komt vermoedelijk overeen met het niveau uit de periode neolithicum. Een laklaag markeert soms een bewoond niveau en soms ook niet meer dan een oud loopvlak: in dit niveau kan dus een archeologische vindplaats uit het neolithicum aanwezig zijn, maar de aanwezigheid daarvan is nog niet aangetoond. Er zijn geen nadere indicatoren aangetroffen. Wel is bij het onderzoek op het terrein van de tramremise enkele honderden meters ten zuidwesten van deze locatie, houtskool en botmateriaal
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
51
aangetroffen in de geulvulling dat kan wijzen op een vindplaats elders op de oeverwallen van dat geulsysteem. Dat 'elders' kan het huidige plangebied betreffen. Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? De vegetatievlekken/laklaag in boringen 23 en 37 bevinden zich op een diepte van circa 0,7 mmv. De oeverwalafzetting begint in deze boringen direct daaronder. In boring 17 begint de (mogelijke) oeverwalafzetting direct onder de bouwvoor en daar ontbreekt de laklaag of vegetatievlekken. Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Zoals hiervoor genoemd: een als oeverwal geïnterpreteerd pakket met daarop een zware kleilaag waar aan de onderzijde van dat pakket vegetatielaag of vlekken aanwezig zijn. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Het relevante niveau bevindt zich dermate ondiep dat effectieve bescherming tijdens de bouwfase niet reëel wordt geacht. Bovendien is de zone die beschermd moet worden met dit onderzoek niet nauwkeurig begrensd en is de daadwerkelijke aanwezigheid van een vindplaats nog niet aangetoond.
Indien er niet wordt gekozen voor vervolgonderzoek, zouden eventuele dieptebeperkende maatregelen met een brede bufferzone kunnen worden toegepast. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Er is zoals werd verwacht een systeem aangetroffen dat behoort bij een kreek of mogelijk een bredere geul en in het plangebied bestaat deze concreet uit een zone waar de zandige kleiafzettingen hoger zijn opgeslibd (boring 23 en 37; tot 5,5 m NAP). Echter werd in het bureauonderzoek het AHN als meest bruikbare bron beschouwd om de ligging van het systeem te bepalen: dit bleek niet helemaal juist. Vanwege de stratigrafische opbouw beredeneerd is de hogere ligging van delen van het perceel langs de west en noordrand te verklaren door een opgebracht pakket van lokale afkomst (bijvoorbeeld bij het graven van de naastgelegen sloten). De lichte verhogingen in het centrale deel van de akker hebben ook niet te maken met eventuele kreekruggen: die zijn niet aangetroffen in de boringen. Mogelijk hebben deze flauwe welvingen te maken met differentiële klink van de overstromingsklei of van de meermolm.
(Selectie)advies Uit een overweging van de voorgaande gegevens wordt geconcludeerd dat er één locatie is aangetroffen binnen het plangebied De Scheg Oost waarvoor een verhoogde kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats bestaat. De archeologische relevante laag betreft een laklaag/vegetatievlekken in boringen 23 en 37 en de relevante landschapsvorm een vermoedelijke oeverwal. De combinatie van deze landschapsvorm met een specifiek loopniveau leidt tot een middelhoge tot hoge verwachting op bewoningsresten uit het neolithicum. In boring 17 is eveneens een hoger opgeslibde zandige klei aanwezig. Dat betreft vermoedelijk de voortzetting van de oeverwal die in boringen 23 en 37 is herkend, maar in boring 17 ontbreekt de vegetatielaag of vlekken. In boring 04, 05 en 06 is de oeverwal mogelijk ook aanwezig, maar op die locatie is (ten minste) de top van het pakket verstoord. Het uitgevoerde booronderzoek betrof een verkennend onderzoek. De aanwezigheid van de intacte oeverwal in boringen 17, 23 en 37 (respectievelijk gelegen op raai 2, 3 en 4) duidt op een min of meer noordzuid gerichte element. De precieze omvang kan echter niet met een verkennend onderzoek worden bepaald. Ook is er op dit moment geen sprake van een archeologische vindplaats, maar wel is in ruwe lijnen de omvang van het zoekgebied voor een karterend onderzoek te bepalen.
Geadviseerd wordt om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren binnen het zoekgebied (hieronder weergegeven). Dit gebied voor vervolgonderzoek betreft circa 120 x 60 meter (7.200 m2).
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
52
Afbeelding 6.6: Zoekgebied/advieskaart vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek)
Binnen het zoekgebied wordt de aanwezigheid van een min of meer noordzuid gerichte oeverwal, met een eventueel loopvlak en mogelijk bewoningsresten verwacht. Buiten dit zoekgebied worden op grond van de resultaten uit het booronderzoek géén archeologische resten verwacht. Boorraai 1 (boringen 04, 05 en 06) is niet in dit advies meegenomen omdat daar de top van het pakket niet intact is. Het advies om ten aanzien van een archeologische verwachting in de karterende fase een proefsleuvenonderzoek uit te voeren is in lijn met het gemeentelijk beleid. Proefsleuvenonderzoek (Inventariserend veldonderzoek met proefsleuven) In september 2021 heeft Antea Group inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd in voorbereiding op de voorgenomen ontwikkeling van De Scheg Oost. Bij de voorgenomen werkzaamheden ontstaan bodemroeringen, waardoor eventuele archeologische resten verstoord kunnen raken. Conform het beleid van de gemeente Amstelveen is archeologisch onderzoek in het plangebied verplicht. Het proefsleuvenonderzoek staat beschreven in een rapport d.d. 15 maart 2022. Het onderzoeksgebied/zoekgebied van het proefsleuvenonderzoek staat weergegeven op afbeelding 6.6 (met een blauw kader).
Binnen dit zoekgebied wordt/werd de aanwezigheid van een min of meer noordzuid gerichte oeverwal, met een eventueel loopvlak en mogelijk bewoningsresten uit het neolithicum verwacht. Conclusie Vanuit het vooronderzoek was de verwachting, dat binnen het plangebied archeologische resten vanaf het neolithicum aangetroffen kunnen worden. Het argument hiervoor is dat de locatie in die perioden geschikt was voor bewoning. In de bodem werden tijdens het booronderzoek namelijk onder de bouwvoor oeverwalafzettingen geconstateerd. Ook werd in een deel van het gebied een vegetatiehorizont of laklaag aangetroffen. De kans op het aantreffen van een vondstlaag uit het neolithicum werd middelhoog tot hoog ingeschat. Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan geconcludeerd worden dat er een vermoedelijk laag gelegen/laag opgeslibde oeverwal is aangetroffen, met in het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied een al dan niet geërodeerde en zwak ontwikkelde vegetatiehorizont, met daarboven plaatselijk jongere verspoelde afzettingen. Hoewel deze verspoeling niet in alle werkputten is aangetroffen is de eventuele vegetatiehorizont hierdoor ter hoogte van de overige werkputten vermoedelijk geërodeerd. Dit kan tevens, of in combinatie, zijn gebeurd met de erosie van de top van de oeverafzettingen door ontginningen die in het gebied hebben plaatsgevonden.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
53
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw is het gebied in het verleden niet of weinig geschikt geweest voor bewoning. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische sporen en/of vondsten aangetroffen. Er werd slechts één spoor aangetroffen dat van natuurlijke aard was. Er is daarmee geen sprake van archeologische vindplaatsen. Conclusie Naar verwachting worden bij de planuitvoering geen archeologische waarden aangetast. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Het aspect archeologie, alsmede het aspect cultureel erfgoed, vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. De archeologische verwachtingswaarde blijkt lager te zijn. In dit TAMomgevingsplan zijn wel regels voor bescherming van archeologische waarden opgenomen.
6.7 Geluid Algemeen en Regelgeving De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de bepaling van geluidaandachtsgebieden in de Omgevingswet en in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De toetsing van de geluidbelasting is nodig voor zover het geluidgevoelig gebouw is gelegen in een geluidaandachtsgebied. In het Bkl is tevens bepaald wanneer en hoe het gecumuleerde geluid en gezamenlijke geluid dienen te worden berekend. Geluidaandachtsgebied Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving). Bij een gemeenteweg, waterschapsweg en lokale spoorweg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrensd door een vaste afstand (artikel 17.5 Omgevingsregeling). Deze afstanden zijn weergegeven in de hiernavolgende tabel. Voor provinciale wegen (in NoordHolland) geldt momenteel ook de vaste afstand voor het geluidaandachtsgebied.
Voor (rijks)wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een geluidproductieplafond (gpp) geldt (reeds) een specifiek geluidaandachtsgebied behorende bij die geluidbron. Bij de geluidbronnen met gpp wordt het geluidaandachtsgebied bepaald door de contour van het geluidniveau van de standaardwaarde behorende de geluidbron. Tabel 6.7: Geluidaandachtsgebieden wegverkeer, volgens de overgangsregeling Aantal rijstroken 1 of 2 1 of 2 3 of meer
Maximumsnelheid 30 km/uur > 30 km/uur > 30 km/uur
Breedte geluidaandachtsgebied 100 meter 200 meter 350 meter
Standaardwaarde en grenswaarde, en geluidvoorschriften (lokale toegestane (verhoogde) waarde) Voor geluidbelastingen op geluidgevoelige gebouwen gelden standaardwaarden en grenswaarden, die verschillen per type geluidbron. In het omgevingsplan of het besluit over de buitenplanse omgevingsplanactiviteit neemt de gemeente de van toepassing zijnde geluidregels op, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Dit betreft de geluidregels die ten minste moeten worden betrokken bij en/of in de planregels. De gemeente mag – in aanvulling op deze instructieregels – aanvullende (strengere) geluidnormen opnemen, en daarmee haar eigen beleidsambities in maatwerk geluidregels vormgeven. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, toetst de gemeente tevens aan de geluidregels (in beoordelingsregels) van het omgevingsplan, en kan de gemeente daarbij desgewenst geluidvoorschriften opnemen in
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
54
de omgevingsvergunning. In bepaalde situaties dienen grenswaarden (hogere waarden) en/of geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit te worden opgenomen. De regelgeving spreekt in het geval van geluid door activiteiten en een geluidbelasting boven de standaardwaarde, van ‘hogere waarden’. De instructieregels, met betrekking tot de ligging van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied, omvatten waarden die zijn opgenomen in artikel 5.78t en 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor gemeentewegen zonder gpp en een verkeersintensiteit niet hoger dan 1.000 mvt/etmaal hoeft niet aan de standaardwaarde te worden getoetst. Geluid gelijk of lager dan de standaardwaarde is – behoudens eventuele gemeentelijke beleidsambities – altijd aanvaardbaar. De gemeente kan (volgens artikel 5.78u Bkl) geluid hoger dan de standaardwaarde toestaan als: a. Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. De overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde.
Bij geluid hoger dan de standaardwaarde dient de gemeente geluidbeperkende maatregelen in aanmerking te nemen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Geluid hoger dan de grenswaarde is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Bij geluid boven de standaardwaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluidniveaus boven de standaardwaarden worden opgenomen in de omgevingsvergunning, en ook het (daaraan gerelateerd) gezamenlijk geluid, waarbij aan het gezamenlijk geluid een voorschrift wordt verbonden in de omgevingsvergunning. Bij een omgevingsplanwijziging dient voor een nieuw geluidgevoelig gebouw (met een geluidbelasting boven de standaardwaarde) het gezamenlijk geluid te worden opgenomen in het omgevingsplan. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid Indien niet aan de standaardwaarde kan worden voldaan, kan zoals omschreven er worden afgeweken tot de grenswaarde. Hierbij dient altijd het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld en door het bevoegd gezag als aanvaardbaar te worden beschouwd.
Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinderlijkheid tussen verschillende soorten geluid. Het gecumuleerde geluid (Lcum) wordt niet aan een normenkader getoetst, het geeft enkel inzicht in de geluidkwaliteit bij de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Het bevoegd gezag beoordeelt mede aan de hand hiervan of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Als nieuwbouwwoningen binnen de wettelijke zone ten aanzien van geluid van luchthaven Schiphol liggen, dan dient het luchtvaartlawaai formeel gezien te worden beschouwd in gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan het effect van luchtvaartlawaai ook als de woningen buiten de zone liggen meegenomen worden in de cumulatieberekening. Als een overschrijding van de standaardwaarde wordt toegestaan dan dient het binnenniveau van het geluidgevoelige gebouw te worden gewaarborgd. Daarom dient het niveau van het gezamenlijk geluid in de regels van het omgevingsplan (en/of de voorschriften van de omgevingsvergunning) te worden opgenomen. Het toegelaten binnenniveau staat in het Bkl. Het binnenniveau wordt afgesteld op het gezamenlijk geluid berekend aan de gevel.
Het gezamenlijk geluid is het geluid van de verschillende geluidbronnen en andere activiteiten tegelijk, op de gevel. Bij het gezamenlijk geluid worden de verscheidene geluidbelastingen ongewogen bij elkaar opgeteld, dus zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid. Wegverkeer en spoorwegverkeer Tijdens de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moet inzicht worden gegeven in de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen die gesitueerd worden binnen het
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
55
geluidaandachtsgebied van een weg of spoorweg. Voor een woonerfweg of een weg met een verkeersintensiteit tot 1.000 mvt per etmaal hoeft dit niet. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe (spoor)weg of wijziging van een (spoor)weg zal in veel gevallen ook de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe en/of gewijzigde weg op (bepaalde) bestaande geluidgevoelige functies/gebouwen in beeld moeten worden gebracht. Luchtvaartverkeer / vliegverkeer In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) zijn onder andere zones opgenomen waarin beperkingen gelden voor (nieuwe) geluidgevoelige functies/gebouwen. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de beperkingen en bepalingen van het LIB. Het luchtvaartlawaai van Schiphol moet in bepaalde gevallen mee worden genomen bij de berekening van gezamenlijk geluid, en kan in elk geval worden meegenomen bij de berekening en beoordeling van gecumuleerd geluid in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bedrijven algemeen Als een bedrijf zich bevindt op een gezoneerd industrieterrein, dan zijn de grenswaarden van de geluidzone ofwel het geluidaandachtsgebied van toepassing. Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige gebouwen binnen de geluidzone, alsook een bedrijfsactiviteit op het industrieterrein, dient rekening te worden gehouden met de grenswaarden van de geluidzone.
Buiten de zone is de standaardwaarde voor een industrieterrein van toepassing. Voor een industrieterrein waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt dat, in het geval van een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde, voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen hogere waarden dienen te worden vastgesteld. Voor de (kleinere) bedrijfsterreinen waarvoor geluidzonering (dan wel een geluidaandachtsgebied) niet verplicht is, geven de VNGpublicaties/handreikingen 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) en ‘Activiteiten en milieuzonering’ (2024) richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid kan worden omgegaan. De VNGhandreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) geeft onder meer, ter voorkoming van geluidhinder bij geluidgevoelige functies/gebouwen, richtafstanden en streefwaarden. De wettelijke geluidsnormen (standaardwaarden en grenswaarden toelaatbaar geluid) voor bedrijfsactiviteiten, welke gelden voor de bedrijven, zijn opgenomen in het Bkl.
Situatie en beoordeling plan(gebied) Voor het project herontwikkeling De Scheg Oost is een akoestisch onderzoek verricht door het bureau Antea Group. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage bij dit TAMomgevingsplan. De geluidbelasting vanwege wegverkeer (op meerdere wegen) en tramverkeer is bepaald bij de te bouwen 152 woningen in het gebied De Scheg Oost te Amstelveen. Hierna is een beschouwing van de resultaten van het akoestisch onderzoek gegeven. Industrielawaai Met betrekking tot industrielawaai is er sprake van geluid afkomstig van de opstelplaats voor trams ten zuidwesten van het plangebied De Scheg Oost. Deze opstelplaats is echter niet op een gezoneerd industrieterrein gelegen. In het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt inzichtelijk gemaakt dat voor (toekomstige) bewoners en gebruikers sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Daarnaast is het van belang dat (bestaande) bedrijven (in dit geval het opstelterrein) niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit(en) en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand wordt een milieuzone genoemd en betreft een richtafstand. Om te bepalen in hoeverre er voldoende afstand is tussen bedrijven en gevoelige objecten kan gebruik gemaakt worden van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de VNG.
Het opstelterrein kan worden aangemerkt als bedrijvigheid met milieucategorie 3.2 met een bijbehorende indicatieve hinderafstand van 100 meter (geluid is hierbij maatgevend). In het geval van het opstelterrein zijn de richtafstanden tot een 'rustige woonwijk' gehanteerd. De dichtstbijzijnde woning van het onderhavige plan ligt op circa 250 meter van het opstelterrein, en het plangebied De Scheg Oost ligt op circa 250 meter van het opstelterrein. De indicatieve hinderafstand reikt daarmee ruimschoots niet tot de geprojecteerde woningen in het plan(gebied) De Scheg Oost.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
56
Op basis hiervan kan ervan worden uitgegaan dat de geluidbelasting Letmaal als gevolg van het opstelterrein de grenswaarde van 45 dB(A) niet overschrijdt. Daartoe is het uitgangspunt dat het geluid afkomstig van het opstelterrein geen significante bijdrage levert aan de cumulatieve geluidbelasting (Lcum). De geluidbelasting als gevolg van het opstelterrein is derhalve niet meegenomen in de berekeningen. Wegverkeerslawaai en tramverkeerslawaai Een deel van de woningen in De Scheg Oost zijn gelegen in het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg N521. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de N521 leidt bij een aantal woningen tot een overschrijding van de standaardwaarde (Bkl) van 50 dB dan wel de voorkeursgrenswaarde (Wgh) van 48 dB. De geluidbelasting vanwege de N521/Bovenkerkerweg is ten hoogste 58 dB op de woningen van fase 1B. Voor de woningen van fase 1B zijn reeds hogere grenswaarden geluid vastgesteld. Op dit moment valt de provinciale weg N521/Bovenkerkerweg nog (deels) onder de werking van de Wet geluidhinder, met een geluidaandachtsgebied van 200 meter, omdat er nog geen gpp voor deze provinciale weg is. Voor gemeentewegen is hier geen sprake van, ook als er geen gpp is, en gelden enkel de regels van het Bkl. De geluidbelasting vanwege de gemeentewegen voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB.
De hoogste geluidbelastingen bedragen 47 dB op de woningen van fase 4, en 48 dB op een woning van fase 1C . Een deel van de woningen zijn gelegen in het geluidaandachtsgebied van de trambaan ten westen van het plangebied. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de trambaan leidt bij enkele woningen tot een kleine overschrijding van de standaardwaarde van 55 dB. De hoogste geluidbelasting vanwege de trambaan bedraagt 56 dB, waaronder bij twee woningen van fase 4. Voor de woningen van fase 1C zijn reeds hogere grenswaarden geluid vastgesteld. Geluidreducerende maatregelen Bij de vaststelling van de hogere grenswaarden voor de geluidbelasting van de N521/Bovenkerkerweg is onderzoek verricht naar bron en overdrachtsmaatregelen. Het toepassen van een stiller wegdek op de N521/Bovenkerkerweg voor de nieuwbouw is onvoldoende doeltreffend en onvoldoende doelmatig. Het beperken van de geluidbelasting met bijvoorbeeld een snelheidsverlaging of schermen langs de weg is niet haalbaar, vanuit stedenbouwkundig/landschappelijk, verkeerskundig en financieel oogpunt, en is tevens onvoldoende doelmatig. Aangezien de geluidbelasting vanwege de trambaan op twee woningen van fase 4 niet voldoet aan de standaardwaarde, zijn geluidreducerende maatregelen onderzocht voor de onderhavige woningen (voor wat betreft de geluidbelasting op de gevel).
Voor de overige woningen en geluidbelastingen zijn geen maatregelen onderzocht. In het akoestisch onderzoek zijn mogelijke geluidreducerende maatregelen onderzocht. Een bronmaatregel met betrekking tot de trambaan is in principe mogelijk in de vorm van raildempers. Gezien de hoge kosten voor het toepassen van raildempers, en de beperkte geluidreductie, zijn de dempers niet financieel doelmatig. Ook een overdrachtsmaatregel als het toepassen van een scherm wordt gezien het beperkt aantal woningen en de daarmee gepaarde kosten niet als financieel doelmatig beschouwd. Voor de woningen wordt de geluidwering van de gevel afgestemd op het gezamenlijk geluid (inclusief luchtvaartlawaai). Hogere waarde Voor de woningen met een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde, vanwege de trambaan of de provinciale weg (Bovenkerkerweg), kan de ‘hogere waarde’ (ofwel een waarde hoger dan de standaardwaarde) worden toegelaten in dit TAMomgevingsplan. Daarbij is voor een nog nieuw te bouwen/vergunnen woning een 'waarde van gezamenlijk geluid' van toepassing. Ten aanzien van de provinciale weg zijn voor de woningen van fase 1B reeds hogere grenswaarden geluid vastgesteld, op grond van de Wet geluidhinder.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
57
Luchtvaartlawaai De woningen van het onderhavige plan zijn niet gelegen in een beperkingengebied van luchthaven Schiphol en zijn niet gelegen binnen de 20Kecontour (LIB zone 5). Het plan is gelegen nabij een geluidcontour (de 20Kecontour) van Schiphol. Daarom is rekening gehouden met luchtvaartlawaai. De geluidwering van de gevels van de vergunde woningen is afgestemd op de berekende cumulatieve geluidbelasting inclusief luchtvaartlawaai. De onderhavige nieuwbouwwoningen liggen conform het document “Geluidbelastingkaarten luchthaven Schiphol 2021” niet binnen de 55 dB Lden geluidcontour van luchthaven Schiphol. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het effect van luchtvaartlawaai wel meegenomen in de cumulatieberekening. In het onderhavige plan is geen sprake van nieuwe woningen in de LIB5zone. De woningen in het plan De Scheg Oost (nabij de LIB5zone), worden gerealiseerd met een hoogwaardige geluidwering van de gevel. De geluidwering van de gevel is gebaseerd op de gecumuleerde geluidbelasting inclusief luchtvaartlawaai om zo een goed leefklimaat te waarborgen. Cumulatieve geluidbelasting - gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid Naast de toets per weg wordt ook de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. Hierin wordt onderscheid gemaakt in het gezamenlijk geluid en het gecumuleerde geluid (Lcum).
Het luchtvaartlawaai is meegenomen in het gezamenlijk geluid en het gecumuleerde geluid. Het luchtvaartlawaai leidt er toe dat het gezamenlijk geluid in het plangebied De Scheg Oost niet lager uitkomt dan 51 dB. In het gecumuleerde geluid heeft het luchtvaartlawaai een grotere invloed op de berekende waarde. Het gezamenlijk geluid bedraagt bij de woningen van fase 1 ten hoogste 59 dB, van fase 2 ten hoogste 52 dB, van fase 3 ten hoogste 53 dB, en van fase 4 ten hoogste 57 dB. Het gecumuleerde geluid bedraagt 57 dB tot 58 dB bij de meeste woningen in het plangebied, en tot 61 dB bij enkele woningen van fase 1B. Het gecumuleerde geluid is inzichtelijk gemaakt in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De geluidbelastingen (van het gecumuleerde geluid) worden aanvaardbaar geacht. Nieuwe bouwplannen moeten aan het Besluit bouwwerken leefomgeving voldoen, en er zullen aan de woningen geluidwerende maatregelen getroffen worden, zodat er een acceptabel binnenniveau, zijnde 33 dB, wordt bereikt. De geluidwering van de gevel is gerelateerd aan het gezamenlijk geluid, en is in de onderhavige situatie tevens gerelateerd aan de gecumuleerde geluidbelasting inclusief gewogen luchtvaartlawaai (het gecumuleerde geluid), om zo een goed leefklimaat te waarborgen.
Bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn de maatregelen/voorzieningen van de geluidwering van de gevel onderzocht. In de verleende omgevingsvergunningen buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de bouwplannen dienen te worden uitgevoerd conform de bepaalde en voorgestelde geluidwering van de gevel. Voor nieuwe bouwplannen (aanvragen omgevingsvergunning) is het gezamenlijk geluid opgenomen in de regels van dit TAMomgevingsplan. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. De geluidbelasting op de woningen is aanvaardbaar door de te realiseren geluidwering van de gevel.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
58
6.8 Luchtkwaliteit Regelgeving De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij een omgevingsplanwijziging of het toestaan van een buitenplanse omgevingsactiviteit moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Strikt genomen gaat het daarbij om activiteiten gelegen in een aandachtsgebied. De toetsing aan de rijksomgevingswaarden geldt niet als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het niet in betekenende mate (NIBM) verslechteren van de luchtkwaliteit is het geval als een activiteit leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van NO2 en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder, waarvoor een aantal standaardgevallen zijn aangewezen.
De standaardgevallen van activiteiten waarvan de luchtkwaliteit verslechtering niet in betekenende mate is, staan in artikel 5.54 Bkl, en betreffen onder andere de ontwikkeling van maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of maximaal 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Situatie en beoordeling plan(gebied) Het plan De Scheg Oost betreft een ontwikkeling van 152 woningen, aangesloten op één ontsluitingsweg. Het woningaantal van De Scheg Oost ligt ruimschoots onder de 1.500 woningen. Het plan en project valt daarmee onder de standaardgevallen waarbij de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert. Voorts blijkt dat de rijksomgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5, de uurgemiddelde concentratie NO2 en de 24uurgemiddelde concentratie PM10 niet worden overschreden in de omgeving van het plangebied. De luchtconcentraties in de omgeving liggen volgens de monitoringstool (van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) ruimschoots lager dan de rijksomgevingswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan De Scheg Oost.
6.9 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het voor externe veiligheid met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Tegenwoordig wordt externe veiligheid ook wel (als een onderdeel van) omgevingsveiligheid genoemd.
Regelgeving De regelgeving inzake externe veiligheid is verdeeld over de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een wezenlijk onderdeel in de regelgeving zijn de verscheidene aandachtsgebieden. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
59
Het plaatsgebonden risico is in het Bkl gedefinieerd als “de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit”. Het groepsrisico is de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied/aandachtsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval vanwege die risicobron waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Het groepsrisico dient in een aantal gevallen te worden berekend, maar vaak niet. Verder zijn kwetsbare gebouwen en locaties, en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, en zeer kwetsbare gebouwen, van belang. Zeer kwetsbaar gebouwen zijn bijvoorbeeld een basisschool, kinderdagverblijf, ziekenhuis of woonfunctie voor 24uurs zorg. Kwetsbare gebouwen zijn bijvoorbeeld een kantoorgebouw met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2, een sporthal en woningen in het geval van een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare gebouwen zijn bijvoorbeeld een kantoorgebouw met een bruto vloeroppervlak van maximaal 1.500 m2 en algemene grondgebonden woningen in het geval van een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare.
Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 106 per jaar voor kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen in nieuwe situaties. Aandachtsgebieden Ten aanzien van risicobronnen zijn (veelal) aandachtsgebieden van toepassing. Vanaf het van kracht worden van de Omgevingswet bestaan er, voor toen bestaande risicovolle milieubelastende activiteiten (mba’s), van rechtswege aandachtsgebieden langs of rondom een risicovolle mba. Met betrekking tot externe veiligheid zijn er onder meer de volgende milieubelastende activiteiten van belang (in algemene zin): <0000> het opslaan, produceren en/of gebruiken van gevaarlijke stoffen; <0000> het vervoeren van gevaarlijke stoffen; <0000> het exploiteren met een buisleiding met/voor gevaarlijke stoffen. Deze milieubelastende activiteiten kunnen ook risicobronnen worden genoemd. Een aandachtsgebied is een gebied waarbinnen personen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt – voor de daarin aangewezen risicobronnen – een vaste afstand voor de aandachtsgebieden gegeven, of is aangegeven dat de aandachtsgebieden berekend moeten worden.
Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden voor externe veiligheid: <0000> een brandaandachtsgebied (bijvoorbeeld voor een plasbrand langs het spoor of fakkelbrand bij een hogedruk aardgastransportleiding); <0000> een explosieaandachtsgebied (bijvoorbeeld voor een BLEVE langs het spoor of bij een LPGtankstation); <0000> een gifwolkaandachtsgebied (bijvoorbeeld rondom chemische bedrijven). Bij een activiteit/ontwikkeling gelegen binnen een aandachtsgebied moet de gemeente in het omgevingsplan of bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is (artikel 5.15 Bkl). Een gemeente kan daarbij gebruik maken van een groepsrisicoberekening om de rekenkundige hoogte van het groepsrisico te bepalen. Een aandachtsgebied markeert het gebied waarbinnen het effect van een incident met gevaarlijke stoffen het meest nadrukkelijk optreedt. De omvang van een aandachtsgebied zegt niets over de kans op een incident. De zwaardere risicovolle bedrijven zijn in lijn met de Europese regelgeving aangewezen als Sevesobedrijven (voorheen was de Nederlandse benaming: Brzobedrijf). Op onderdelen verschilt het wettelijk kader van Sevesobedrijven van dat van andere milieubelastende activiteiten (mba). Voor Sevesobedrijven geldt eenzelfde normering van het plaatsgebonden risico en gelden ook aandachtsgebieden.
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
60
Voorschriftengebieden Binnen een brand en explosieaandachtsgebied moet een gemeente (conform artikel 5.14 Bkl) in beginsel voorschriftengebieden aanwijzen in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarbij het voorschriftengebied zonder meer nodig is als binnen het aandachtsgebied zeer kwetsbare gebouwen worden toegestaan. Als het omgevingsplan of de omgevingsvergunning geen zeer kwetsbare functies toestaat, maar enkel kwetsbare of beperkt kwetsbare functies, kan een gemeente afwegen om geen of een kleiner voorschriftengebied aan te wijzen. Binnen voorschriftengebieden gelden er bij nieuwbouw aanvullende bouwkundige eisen, conform artikel 4.90 t/m 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarbij het in een brandvoorschriftengebied gaat om in de eisen in artikel 4.90 t/m 4.95 Bbl. De bouwkundige eisen gelden niet voor de bestaande bebouwing of bij verbouw.
Situatie en beoordeling plan(gebied) Met behulp van de Risicokaart/signaleringskaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het plangebied aanwezige risicobronnen ten aanzien van externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied De Scheg Oost bevinden zich verschillende risicobronnen: <0000> Hogedruk aardgastransportleiding W54001; <0000> Provinciale weg N521 / Bovenkerkerweg; <0000> Luchtverkeer (LIB5 zone) Schiphol. Het plan De Scheg Oost ofwel dit TAMomgevingsplan, als ook het bestemmingsplan De Scheg Midden, maken geen risicovolle activiteiten mogelijk. De nieuw te bouwen woningen worden beschouwd als kwetsbare gebouwen. In het kader van de herontwikkeling van het plan De Scheg Oost is door het bureau Antea Group in 2024 een externe veiligheid onderzoek verricht, onder de noemer actualisatie omgevingsveiligheid. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij dit TAMomgevingsplan gevoegd. Hogedruk aardgastransportleiding W-540-01 Ten westen van het plangebied De Scheg Oost, op relatief korte afstand van de westrand van het plangebied, bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. Deze gasleiding/buisleiding ligt op een minimale afstand van circa 35 meter van het plan(gebied) De Scheg Oost. Het brandaandachtsgebied en de 100% letaliteitszone van de gasleiding liggen deels ter plaatse van het onderhavige plan.
De ligging van de gasleiding/buisleiding ten opzichte van het plangebied De Scheg Oost is weergegeven op afbeelding 6.9A. Afbeelding 6.9A:
Ligging van De Scheg Oost ten opzichte van de aardgasbuisleiding W54001, en weergave van de 100% letaliteitszone (blauwe stippellijn) en het brandaandachtsgebied (rode contour/arcering) van de hogedruk gasleiding
Toelichting TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22d De Scheg Oost (832026)
61
Bij een externe veiligheid onderzoek van Prevent Adviesgroep voor De Scheg Midden is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd. Uit deze risicoberekening is gebleken dat het groepsrisico niet toeneemt ten gevolge van de geprojecteerde ontwikkelingen. Dit betreft een groepsrisicoberekening waarbij de geprojecteerde woningen van zowel het bestemmingsplan De Scheg Oost als het bestemmingsplan De Scheg Midden zijn meegenomen. De uitkomst komt niet boven 0,1 maal oriëntatiewaarde uit. Gelet op feit dat het aantal woningen ten gevolge van de gewijzigde uitgangspunten lager is dan in het eerdere plan De Scheg Oost (20 woningen minder in de herontwikkeling), en lager is binnen het aandachtsgebied, kan worden geconcludeerd dat de resultaten niet noemenswaardig zullen wijzigen. Bovendien zijn de groepsrisicoberekeningen onder de Omgevingswet niet langer een verplicht onderdeel van de beschouwing externe veiligheid. Plaatsgebonden risico De buisleiding heeft geen PR 106 contour ter hoogte van het plangebied, zoals uit voornoemde berekeningen blijkt en zichtbaar is op de Atlas Leefomgeving. Er wordt daarmee voldaan aan de grens en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Aandachtsgebieden Het plangebied De Scheg Oost ligt binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding (zie afbeelding 6.9A).
Het plangebied ligt daarnaast deels binnen de 100% letaliteitszone (70 meter breed) van de buisleiding (zie blauwe stippellijn afbeelding 6.9A). Het brandaandachtsgebied kent een breedte van 140 meter aan weerszijde van de buisleiding. Aangezien het onderhavige plan De Scheg Oost is gelegen in het brandaandachtsgebied van de buisleiding, wordt hierna beschouwd hoe groepen mensen beschermd worden. Daarbij wordt eerst het mogelijke risicoscenario, namelijk een fakkelbrand, beschouwd. Fakkelbrand (Mogelijk scenario binnen het aandachtsgebied buisleiding) Een brandaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand waar, als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is. Bij de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Bouwkundige eisen/maatregelen Een deel van het plangebied is gelegen in het brandaandachtsgebied van de buisleiding.
Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving dient voor de woningen gelegen in een brandaandachtsgebied, in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit in principe een brandvoorschriftengebied te worden opgenomen. Met het brandvoorschriftengebied is er tevens sprake van nadere voorschriften voor de bouwwerken/woningen. Deze voorschriften hebben betrekking op bouwkundige eisen/maatregelen en vluchtwegen, en staan in de artikelen 4.90 t/m 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op basis van de nadere voorschriften worden de risico’s voor personen nader beperkt. Een brandvoorschriftengebied is benodigd voor nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen. Dit TAMomgevingsplan maakt geen nieuwe/aanvullende (zeer) kwetsbare gebouwen mogelijk ten opzichte van de reeds vergunde kwetsbare gebouwen (woningen) in De Scheg Oost. In dit TAMomgevingsplan is wel een brandvoorschriftengebied opgenomen omdat een brandvoorschriftengebied is opgenomen in een van de omgevingsvergunningen en omdat er eventueel sprake kan zijn van sloopnieuwbouw. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.